Besluit van de Vlaamse Regering tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw tot afwijking van de eindtermen, wat de derde graad technisch secundair onderwijs betreft

  • goedkeuringsdatum
    21/12/2018
  • publicatiedatum
    B.S. 5/03/2019 (pagina 23778)
  • bron

    Numac : 2019030167
  • datum laatste wijziging
    05/03/2019

Aanhef

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, artikel 146, vervangen bij het decreet van 26 januari 2018;

Gelet op het gemotiveerde positieve advies over de ontvankelijkheid en de gelijkwaardigheid van de aanvraag van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, opgesteld op 26 oktober 2018 door enerzijds een commissie van deskundigen en anderzijds de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 11 december 2018;

Overwegende het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000 tot vaststelling van de vakgebonden eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 18 januari 2002;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs;

Na beraadslaging,

Besluit :

ART 1.

De aanvraag tot afwijking van de eindtermen van de derde graad van het technisch secundair onderwijs, wat aardrijkskunde, geschiedenis en Nederlands betreft, die is ingediend door de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, Gitschotellei 188 in 2140 Antwerpen, is ontvankelijk. De vervangende eindtermen, die opgenomen zijn in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, worden gelijkwaardig verklaard.

ART 2.

De eindtermen, vermeld in artikel 1, treden progressief in werking, leerjaar na leerjaar, vanaf het schooljaar 2019-2020.

ART 3.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE Bijlage

Vervangende eindtermen derde graad technisch secundair onderwijs van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw als vermeld in artikel 1

De eindtermen derde graad technisch secundair onderwijs voor de vakken aardrijkskunde, geschiedenis en Nederlands, vastgelegd in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000 tot vaststelling van de vakgebonden eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2015, worden voor de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw vervangen door de hierna volgende eindtermen.

De eindtermen, aangeduid met het symbool *, zijn attitudinale eindtermen.

1. Aardrijkskunde derde graad tso

1.1. Motivering en toelichting

De steinerscholen nemen het standpunt in dat leerlingen eerst de fysische aardrijkskunde grondig moeten beheersen om in een later stadium (derde graad) de sociale en humane geografie aan te kunnen. In hun visie is het zo dat de kennis van de fysische processen van platentektoniek, klimaat enz. noodzakelijk is om in de derde graad de sociale en economische problematiek van de continenten te kunnen behandelen. Ten opzichte van de door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen betekent dit een omgekeerde aanpak.

Een andere - fundamentelere - reden is dat de steinerpedagogie op grond van innerlijke groeiwetmatigheden van jongeren in de tweede graad de innerlijke turbulenties van de 15-16-jarigen wil ondersteunen met leerstof over de fysische turbulenties die zich op de aarde voordoen. Het bewust openstaan voor idealen, gemeenschapszin enz. situeert zich eerder bij adolescenten van de derde graad. Daarom kiest men er in de steinerpedagogie voor om in deze leeftijd de focus te leggen op sociale en economische verhoudingen, staatkundige, rechterlijke en democratische principes.

1.2. Vervangende eindtermen

Context, autonomie en verantwoordelijkheid

De volgende eindtermen voor de derde graad TSO worden gelezen vanuit de persoonlijke, sociale en mondiale context. Zelfstandige verantwoordelijkheid dragen, hoort daarbij.

1. Algemeen

De leerlingen
ET. 1. zoeken aardrijkskundige gegevens op en ordenen deze op een eenvoudige manier, gebruik makend van beschikbare, hedendaagse informatiebronnen en -technieken;
ET 2. lezen en interpreteren geografische en thematische kaarten en grafieken met aardrijkskundige informatie.

2. Economie

De leerlingen
ET 3. omschrijven in grote lijnen de voedsel- en grondstoffenstromen in de wereld met aandacht voor wereldproducenten en wereldconsumenten;
ET 4. begrijpen de ontwikkeling, de betekenis en de rol van de primaire, secundaire, tertiaire en quartaire sector.

3. Demografie

De leerlingen
ET 5. omschrijven in grote lijnen de bevolkingsspreiding over de wereld evenals de evolutie daarvan en de prognoses;
ET 6. leggen verbanden tussen demografische evoluties, welvaart en fysisch-geografische, socio-economische, historische en/of politieke factoren.

4. Ecologie

De leerlingen
ET 7. verklaren op een eenvoudige manier de natuurlijke en menselijke oorzaken van milieuproblemen en leiden er de gevolgen voor mens, natuur en milieu uit af;
ET 8. leggen verbanden tussen duurzame ontwikkeling, levenswijze, cultuur en gebruik en ordening van de ruimte.

5. Staten en internationale organisaties

De leerlingen
ET 9. kennen de basisprincipes van een democratisch bestuur, alsook de kenmerken van niet-democratische besturen;
ET 10. verklaren op een eenvoudige manier de wisselwerking tussen ruimtelijke aspecten en actuele (geo)politieke situaties.

2. Geschiedenis derde graad tso

2.1. Motivering en toelichting

Visie en uitgangspunten
De hieronder voorgestelde eindtermen hebben als referentiekader een eigen visie en eigen uitgangspunten. De alternatieve eindtermen ASO steinerpedagogie werden daarom waar nodig aangepast voor het TSO.

Binnen de visie van de steinerscholen op geschiedenisonderwijs wordt groot belang gehecht aan het neerzetten van een zo volledig mogelijk, exact feitelijk maar ook sprekend waarnemingsbeeld. Daarbij wordt ingespeeld op het belevingsniveau van de jongeren, dat verschillend is naargelang de leeftijd. De steinerpedagogie gaat ervan uit dat het denken zich oefent en opgebouwd wordt via de waarneming en het progressief leren ordenen ervan.

In de eerste graad werkt men in het geschiedenisonderwijs nog sterk met de narratieve methode. Daarbij wordt het causale denken geoefend. De jongeren van de tweede graad voelen een behoefte om een verbinding met de geschiedenis te leggen vanuit de vraag naar hoe de hen omringende wereld concreet, feitelijk in elkaar steekt. De leerlingen leren combinerend denken op basis van het exacte waarnemen, het ordenen en het afgrenzen en het exact weergeven van de feiten. Vervolgens ontwikkelt zich daaruit het procesdenken:
opeenvolgende waarnemingen worden geplaatst in de tijd, complexe gehelen worden waargenomen, processen gevolgd en waarnemingsreeksen opgebouwd en vergeleken. In de tweede graad wordt de narratieve methode daarom aangevuld met zo authentiek mogelijke historische bronnen. Op deze manier worden de jongeren ertoe aangezet om, op grond van hun eigen waarneming en met behulp van hun eigen innerlijk voorstellings- en denkvermogen, concreet met het verleden bezig te zijn. Het waarnemings-, inlevings- en voorstellingsvermogen van de jongeren wordt geleidelijk aan geoefend en verfijnd, waardoor het ontwikkelen van een gefundeerd oordeelsvermogen - uiteraard zeer belangrijk in onze tijd - naar het einde van de derde graad mogelijk wordt gemaakt.

Naast inzicht in de principes van temporaliteit en causaliteit (continuïteit) wordt binnen deze visie ook aandacht besteed aan het principe van discontinuïteit. Onverwachte impulsen van bewust, doelgericht, vrij menselijk individueel of collectief handelen en invloeden van de natuur kunnen immers de geschiedenis abrupt een andere wending geven. Geschiedenis evolueert met sprongen en haar onvoorspelbare toekomst is niet alleen bepaald door het verleden.

Er wordt exemplarisch en symptomatisch gewerkt. De behandelde historische periodes, feiten, gebeurtenissen, thema's en persoonlijkheden die kenmerkend en essentieel zijn voor het wordingsverhaal van de mensheid, worden op diepgaande wijze behandeld. Aan de hand hiervan vormen de jongeren zich een tijdsbewustzijn. Bij het kiezen van een bepaalde historische periode als leerinhoud wordt er rekening gehouden met de leeftijdsgebonden ontwikkeling van de leerlingen.

Criteria in verband met het historisch referentiekader

Het historisch referentiekader bestaat uit de dimensies socialiteit, tijd en historische ruimte en omvat een begrippenkader en een kader van maatschappelijke probleemstellingen die het niveau van de afzonderlijke samenlevingen overstijgen. Deze worden gekozen in functie van de leeftijdsgebonden interesses en mogelijkheden van de jongeren.

In de visie van de steinerpedagogie wordt ervan uitgegaan dat de jongeren van de derde graad een verbinding met de geschiedenis leggen vanuit de bereidheid en verregaande capaciteit om zich in te leven in stemmingen, om nuances te vatten, zich te verplaatsen in de ander en vervolgens de vraag te stellen naar hun plaats in de wereld. Zo wordt het denken in de derde graad verder geoefend, voortbouwend op wat in de tweede graad op het gebied van het procesdenken werd ontwikkeld. Eerst wordt het denken tot op het niveau van het invoelende denken gebracht: oefenen in het waarnemen van kwaliteiten en deze leren verwoorden in begrippen, modellen of beelden. Vervolgens wordt het denken geoefend met het oog op het verwerven van overzicht en inzicht in grote lijnen, vanuit het zien en leren relativeren van hun eigen standpunt. De ontwikkeling van dit denken levert `begrip' op. In de visie van de steinerpedagogie is dit een onmisbare voorwaarde tot de vorming van een weloverwogen, doordacht en vrij oordeel.

Het begrippenkader dat aan de hand van deze historische werkelijkheid verder wordt op- en uitgebouwd, krijgt in de derde graad een steeds toenemende mate van abstractie.
Criteria uitgewerkt per leerjaar

In het eerste leerjaar van de derde graad groeit het zelfbewustzijn van de jongeren en komen ze tot een verdiepte en meer objectieve kennis van zichzelf. Ze zijn zeer ontvankelijk voor en bezitten een groot inlevingsvermogen in stemmingen. Ze krijgen interesse in psychologie en psychische fenomenen en voelen zich aangetrokken tot het metafysische en het religieuze.

Ze kunnen zich reeds goed denkend losmaken van de waargenomen realiteit en beschikken over een grote mate van abstractievermogen.

De invalshoek voor dit leerjaar is de organisatie van historische samenlevingen, met aandacht voor de volgende aspecten: bestuur, recht, economie, cultuur en religie. Hiervoor wordt exemplarische leerstof gekozen uit de periode van de Oudheid tot en met de Middeleeuwen. Zo leren de jongeren aan de hand van maatschappelijke organisatie en economisch bestel hoe de verhouding tussen persoon en samenleving zich in de verschillende bestudeerde samenlevingen ontwikkelt. Tevens leren de jongeren hoe belangrijk religie en organisatie van religie kunnen zijn.

In het tweede leerjaar van de derde graad moeten de jongeren, die dan 17-18 jaar zijn, met hun ontwakende persoonlijkheid hun eigen individuele weg kunnen zoeken. Ze worden zich bewust van hun eigen idealen en maken een begin met het afstemmen van hun handelen op basis van hun inzichten. Er wordt gezocht naar de samenhang tussen deze ontwakende persoonlijkheden en de wereld waarin zij zeer binnenkort als volwassenen zullen binnenstappen. Hun abstractievermogen is nu zodanig ontwikkeld dat ze in grote verbanden kunnen denken.

De invalshoek voor dit leerjaar is het behandelen van de geschiedenis vanuit een terugblik en grote overzichten. Hiervoor wordt exemplarisch leerstof gekozen uit de hele geschiedenis, met klemtoon op de hedendaagse geschiedenis. Het is belangrijk om daarbij verder te kijken dan onze Westerse wereld en het vak geschiedenis zelf om internationale en vakoverschrijdende verbanden te kunnen leggen. Een voortdurende actualisering van de leerinhouden is van het grootste belang.

2.2. Vervangende eindtermen

Context, autonomie en verantwoordelijkheid

De volgende eindtermen voor de derde graad TSO worden gelezen vanuit de persoonlijke, sociale en mondiale context. Zelfstandige verantwoordelijkheid dragen, hoort daarbij.

Kennis, inzicht en vaardigheden

1. Algemeen

De leerlingen
ET 1. verruimen een aantal historische begrippen en probleemstellingen en passen deze in een bredere historische context;
ET 2. geven een overeenkomst en een verschil tussen ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving onderling en tussen ontwikkelingsfasen van de westerse en andere samenlevingen;
ET 3. hebben oog voor de categorieën van de dimensie tijd en kennen de duur en afstand in tijd van de bestudeerde perioden;
ET 4. duiden enkele periodiseringsconcepten aan ( zoals Middeleeuwen, Renaissance);
ET 5. karakteriseren vanuit enkele categorieën van de dimensie tijd enkele maatschappelijke evoluties in de ontwikkelingsfasen van de bestudeerde samenlevingen;
ET 6. situeren de belangrijkste feiten en gebeurtenissen uit de bestudeerde samenleving binnen de dimensie historische ruimte, met oog voor de categorieën van de dimensie tijd;
ET 7. selecteren en ordenen historische informatie uit tekstueel, auditief, visueel of audiovisueel materiaal over het verleden en het heden;
ET 8. kunnen in verband met deze historische informatie uit aangebracht tekstueel, auditief, visueel of audiovisueel materiaal:
- hoofd- en bijzaken onderscheiden;
- er een standpunt uithalen en daaromtrent vragen formuleren;
- deze structureren en samenvatten;
- deze aan de hand van vragen en een op hun niveau omschreven opdracht, interpreteren;
ET 9. herkennen de historische begrippen, die opgebouwd werden vanuit de bestudeerde historische werkelijkheid en gebruiken die binnen een afgebakende context;
ET 10. kennen het belang en de subjectiviteit van de verschillende media en raken ermee vertrouwd;
ET 11. begrijpen enkele fenomenen in de actualiteit vanuit de ontwikkelingen van het verleden;
ET 12. nemen een eigen standpunt in ten opzichte van hedendaagse ontwikkelingen op basis van verworven historische inzichten;

2. Voor de periodes en samenlevingen die bestudeerd worden vanuit terugblik en grote overzichten

De leerlingen
ET 13. lichten de invloed en de uitwerking van een aantal maatschappij-ideologieën toe op de historische werkelijkheid;
ET 14. wegen verschillende argumentaties tegen elkaar af;
ET 15. benaderen waarden en normen uit heden en verleden vanuit de historische en actuele context.

3. Attitudes

De leerlingen
ET 16. beseffen dat we erfdragers zijn van al de historische ontwikkelingen;*
ET 17. beseffen het belang van hun eigen inbreng in de toekomstige maatschappijstructuren;*
ET 18. illustreren stereotypen en vooroordelen uit de geschiedenis;*
ET 19. zien de huidige situatie van vrijheid en gelijkheid in een democratische rechtstaat als een voorlopig eindpunt van een lange en moeizame strijd; *
ET 20. respecteren de lange en moeizame strijd in de wereld voor een grotere vrijheid en gelijkheid onder de mensen ;*
ET 21. beseffen dat ze in onze maatschappij ruimte krijgen om persoonlijk om te gaan met deze vrijheid en gelijkheid;*
ET 22. komen tot een eigen oordeel over een historisch of actueel maatschappelijk probleem aan de hand van een coherente argumentatie. *

3. Nederlands derde graad tso

3.1. Motivering en toelichting

De ingediende vervangende eindtermen Nederlands voor de steinerscholen derde graad TSO sluiten inhoudelijk nauw aan bij de reeds in voege zijnde eindtermen ASO Nederlands derde graad. Zij sluiten op hun beurt aan op de vervangende eindtermen van de steinerscholen voor de tweede graad.

De alternatieve eindtermen ASO wijken af van de reguliere ET ASO. Dit is dus ook het geval voor deze alternatieve eindtermen TSO. Wel hebben de steinerscholen, naar analogie met de laatst gewijzigde reguliere eindtermen Nederlands, de niveaubepaling scherper gesteld voor de eindtermen Nederlands TSO. Zie hiervoor de motivering en toelichting hieronder.

De volgorde van de eindtermen is aangepast volgens de logica van de reguliere eindtermen TSO. Zo zijn bijvoorbeeld de alternatieve eindtermen ASO onder het kopje verbale expressie ondergebracht onder een van de andere kopjes zoals spreken. Verder zijn de formuleringen van een aantal alternatieve ET ASO aangepast. Ten slotte zijn een aantal reguliere eindtermen TSO overgenomen.

Volgens de uitgangspunten van de door het Vlaamse Parlement bekrachtigde eindtermen Nederlands ligt het accent op de informatieve communicatie. De steinerpedagogie heeft daarnaast andere, eveneens primaire doelstellingen, voor het taalonderwijs. Meer in het bijzonder ziet de steinerpedagogie in literatuuronderwijs een mogelijkheid tot vorming van een kritisch bewustzijn, tot verfijning van het gevoelsleven en tot ontwikkeling van de creativiteit. Het beoefenen van de specifieke taalkundige vaardigheden zoals spelling, woordgebruik, formulering en zinsbouw - reeds uitvoerig behandeld in de eerste graad van de steinerscholen - kreeg in de tweede graad extra aandacht. In de derde graad worden deze vaardigheden geoefend in schrijf- en lees- en spreekopdrachten allerhande. Vooral het zakelijk schrijven moet voldoende aandacht krijgen.

Een aantal door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen TSO werd in deze aanvraag tot afwijking overgenomen, maar de nadruk ligt in het steineronderwijs meer op literaire teksten. Dit stemt overeen met de internationaal gehanteerde curriculuminhoud van de steinerscholen waarbij leerinhouden ook ingezet worden voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid.

De teksten en tekstfragmenten worden gekozen in functie van de noden van de klas, evenwel mee bepaald door de inzichten in de ontwikkeling van de jonge mens en de vragen waarmee zij op dit moment van hun ontwikkeling leven. Wat literaire meesterwerken te zeggen hebben over de stappen in de ontwikkeling van mens en mensheid, kan de leerlingen helpen een grotere objectiviteit ten aanzien van de eigen levensweg te ontwikkelen.

De door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen Nederlands en Vreemde Talen onderscheiden vier verwerkingsniveaus, waarvan het volgende telkens het voorafgaande insluit (uittreksel uit de teksten uitgangspunten eindtermen Nederlands van de Vlaamse overheid):
kopiërend niveau : geboden informatie letterlijk weergeven;
beschrijvend niveau : geboden informatie in grote lijnen achterhalen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven;
structurerend niveau : de informatie achterhalen en op persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven;
beoordelend niveau : de informatie achterhalen, ordenen en beoordelen op basis van informatie uit andere bronnen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven.

De steinerscholen hebben een enigszins afwijkende visie op de verwerkingsniveaus zoals hierboven beschreven in de uitgangspunten van de overheid. Hoewel `kopiëren' in die uitgangspunten als laagste verwerkingsniveau gezien wordt, hechten de steinerscholen er grote waarde aan. Kopiëren of nabootsen betekent meer dan uitsluitend uiterlijk nadoen. Bij het nabootsen kunnen de leerlingen ook innerlijk meebewegen. Ze kunnen op gevoelsniveau fijne nuances opvangen, ze kunnen innerlijke beelden vormen en er ontstaat een zekere opname in het geheugen. Met name als het om literaire teksten gaat kan dat nabootsen nog tot in de hoogste klassen van het secundair onderwijs een meerwaarde bieden.

Theaterteksten uit het hoofd leren in het kader van een toneelvoorstelling kan, nadat de voorstelling voorbij is, tot een serieuze versteviging van het zelfvertrouwen aanleiding geven zodat men ook in andere omstandigheden gemakkelijker voor een publiek durft te spreken.

Bovendien is het een oefening bij uitstek voor het zorgvuldig articuleren en om een juiste spreekhouding aan te nemen. De realiteitswaarde binnen de context van een podiumproductie verhoogt eveneens de motivatie om aan dergelijke vaardigheden te werken.

Dit alles betekent niet dat de drie andere niveaus niet als belangrijk beschouwd worden, integendeel! Het is de visie van de steinerscholen dat deze vier niveaus niet noodzakelijk een hiërarchie moeten hebben. Elk heeft zijn eigen waarde in een gegeven situatie.

3.2. Vervangende eindtermen

Context, autonomie en verantwoordelijkheid

De volgende eindtermen voor de derde graad TSO worden gelezen vanuit de persoonlijke, sociale en mondiale context. Zelfstandige verantwoordelijkheid dragen, hoort daarbij.

1. Luisteren

De leerlingen
ET 1. luisteren op structurerend niveau naar een uiteenzetting met betrekking tot de leerstof;
ET 2. toetsen het beluisterde aan eigen gevoelens, meningen, kennis en inzichten;
ET 3. nemen binnen gepaste situaties een kritische houding aan ten opzichte van hun luisterhouding.

2. Spreken (koppeling Luisteren)

De leerlingen
ET 4. articuleren goed en zorgvuldig;
ET 5. kunnen op structurerend niveau:
o deelnemen aan een leer- en klasgesprek;
o een logische gedachtegang volgen bij een uiteenzetting;
ET 6. kunnen op beoordelend niveau hun eigen standpunten/meningen of hun oplossingswijzen voor problemen in een gedachtewisseling uiteenzetten en motiveren;
ET 7. kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de spreektaken:
o hun spreek- en gespreksdoel(en) bepalen;
o hun publiek beschrijven;
o hun voorkennis inzetten;
o hun taal in een aangepast register gebruiken;
o bijkomende informatie vragen;
o inhouds- en vormconventies van de taal verzorgen;
o visuele informatie gebruiken.
ET 8. kunnen op structurerend niveau t.a.v. een onbekend publiek:
o instructies geven;
o gedocumenteerde informatie presenteren;
o een sollicitatiegesprek voeren.
ET 9. kunnen binnen gepaste communicatiesituaties:
o Algemeen Nederlands spreken;
o het evenwicht houden tussen spreken en luisteren;
o een kritische houding aannemen tegenover hun eigen spreek- en gespreksgedrag. *

3. Lezen

De leerlingen

ET 10. leren binnen gepaste situaties:
o te reflecteren over de inhoud van een tekst;
o zich in te leven in behandelde teksten;
o hun persoonlijke waardering voor bepaalde teksten uit te spreken, in vraag te stellen en eventueel te herzien. *

4. Schrijven

De leerlingen
ET. 11. kunnen op structurerend niveau notities maken en aan de hand daarvan een geordende tekst uitschrijven (lesnotities, verslagen, samenvattingen);
ET 12. kunnen op beoordelend niveau hun eigen gedachten, standpunten of hun oplossingswijzen voor problemen helder en gestructureerd uiteenzetten en motiveren in een geschreven tekst;
ET 13. leren een scriptie samenstellen op basis van literatuuronderzoek en/of
praktijkervaringen;
ET 14. kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op schrijftaken:
o hun schrijfdoel(en) bepalen;
o het bedoelde publiek beschrijven;
o hun voorkennis inzetten;
o gericht informatie zoeken, ordenen en verwerken;
o een logische tekstopbouw creëren met aandacht voor inhoudelijke en functionele relaties;
o een eigen tekst reviseren;
o correct citeren (bronvermelding);
o gebruik maken van informatie - en communicatietechnologie;
ET 15. kunnen binnen gepaste situaties:
o schriftelijk informatie verstrekken;
o reflecteren op hun eigen schrijfproces en op de inhoud en vorm van hun schrijfproduct;
o zoeken in een woordenboek bij twijfel;
o taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out verzorgen.

5. Literatuur

De leerlingen
ET 16. formuleren hun waardering voor literaire teksten mondeling en schriftelijk;
ET 17. leggen verbanden:
o binnen teksten;
o tussen teksten;
o tussen teksten en het brede socio-culturele veld;
o tussen tekst en auteur;
ET 18. kunnen informatie over literaire teksten verzamelen en verwerken met behulp van alle moderne informatiekanalen;
ET 19. herkennen en bespreken aan de hand van het Parcivalverhaal enkele ontwikkelingsfasen in een mensenleven;
ET 20. herkennen aan de hand van `Faust' een diepzinnige en artistieke uitwerking van een aantal belangrijke levensthema's;
ET 21. komen in gesprek over levensvraagstukken zoals liefde, gewetensvorming, vrijheid en verantwoordelijkheid, biografie en lot.

6. Taalbeschouwing

Attitudes:

De leerlingen
ET 22. leren om op hun niveau:
o bewust te reflecteren op taalgebruik en taalsysteem;
o van de verworven inzichten gebruik te maken bij verbale en non-verbale communicatie; *
ET 23. tonen interesse in en respect voor de persoon van de ander en voor de eigen en andermans cultuur, levens- en werkwijze bij het reflecteren op verbale en non-verbale communicatie; *
ET 24. komen via het opvoeren van een toneelstuk en de nevenactiviteiten in een sociaal oefenvel.; *

Taalgebruik:

De leerlingen
ET 25. reflecteren bewust op hun niveau op een aantal aspecten van het taalgebruik:
25.1. in het tekstuele domein:
o tekststructuren en structuuraanduiders: verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden;
o betekenisrelaties: middel - doel, chronologische relatie, oorzaak - gevolg, voordelen - nadelen, voor - tegen;
o status van een uitspraak: feit - mening;
o metaforiek en expressiviteit in de dagelijkse taal en literaire teksten;
25.2. in het pragmatische domein
o het bijsturen van hun eigen lezen, schrijven en spreken;
o de gevolgen van hun verbale en non-verbale communicatie voor anderen en voor henzelf.

Taalsysteem:

De leerlingen
ET 26. reflecteren bewust op hun niveau op een aantal aspecten van het taalsysteem en kunnen de hierna volgende verschijnselen herkennen en onderzoeken:
26.1. in het orthografisch domein:
o vormcorrectheid, spellingconventies en hulpmiddelen bij de spelling van woorden en bij interpunctie;
26.2. in het syntactische domein:
o zinsdelen de belangrijkste zinsdelen;
o zin enkelvoudige en samengestelde zinnen; nevengeschikte en ondergeschikte zinnen.