Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van de leertijd

  • goedkeuringsdatum
    18/12/2020
  • publicatiedatum
    B.S.19/02/2021
  • datum laatste wijziging
    19/02/2021

Rechtsgronden

Dit besluit is gebaseerd op:

- de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

- het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap “Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding”, artikel 5, § 1/1, eerste lid, 15°, ingevoegd bij het decreet van 19 juni 2020, artikel 5, § 2, artikelen 22/20 tot 22/22, ingevoegd bij het decreet van 19 juni 2020 en artikel 23/1, ingevoegd bij het decreet van 19 juni 2020;

- het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, artikel 4, artikel 6, gewijzigd bij het decreet van 30 maart 2018, artikel 22, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2020, artikel 31, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2020, artikel 77, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 juni 2018, artikel 81, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011 en artikel 84;

- het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, artikel 43, vervangen bij het decreet van 21 december 2012;

- het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen, artikel 7, gewijzigd bij het decreet van 5 april 2019, artikelen 11 tot 17, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, artikelen 18 tot 22, gewijzigd bij het decreet van 5 april 2019 en artikelen 23 tot 27, gewijzigd bij het decreet van 30 maart 2018;

- het decreet van 19 juni 2020 tot opheffing van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd Agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, tot regeling van de taken en bevoegdheden en tot wijziging van de naam Hermesfonds, artikel 6 en artikel 82;

- de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 123/11, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 30 maart 2018 en artikelen 123/12 tot 123/19, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014 en het laatst gewijzigd bij decreet van 30 maart 2018.

Vormvereisten

De volgende vormvereisten zijn vervuld:

- De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 28 juli 2020.

- De Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, heeft zijn akkoord gegeven op 24 september 2020.

- De raad van bestuur van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding heeft advies gegeven op 16 september 2020.

- De Sociaal-Economische Raad Vlaanderen heeft advies gegeven op 26 oktober 2020.

- De Vlaamse Onderwijsraad heeft advies gegeven op 28 oktober 2020.

- De Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens heeft advies gegeven op 6 oktober 2020.

- De Raad van State heeft advies 68.284/1 gegeven op 14 december 2020.

Motivering

Dit besluit is gebaseerd op de volgende motieven:

- Het Vlaams Regeerakkoord 2019-2024 voorziet in de opheffing van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming

- Syntra Vlaanderen en in de inkanteling van de taken die Syntra Vlaanderen uitvoert, in diverse entiteiten van de Vlaamse overheid.

- In navolging van dit Vlaams Regeerakkoord keurde het Vlaams Parlement op 19 juni 2020 het decreet tot opheffing van het publiekrechtelijk vormgegeven verzelfstandigd Agentschap “Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen”, tot regeling van de taken en bevoegdheden en tot wijziging van de naam “Hermesfonds” goed.

- Dit decreet wijzigt het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap “Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding”. Aan de VDAB worden daarbij een aantal taken in het kader van de leertijd toegekend.

Juridisch kader

Dit besluit sluit aan bij de volgende regelgeving:

- het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004, artikel 2, § 1, eerste lid, 25°, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010;

- het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, artikel 2, gewijzigd bij de decreten van 3 juli 2020 en 19 juni 2020;

- het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen, artikel 2, 2°, vervangen bij het decreet van 30 november 2018;

- het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2020 houdende de uitvoering van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen.

Initiatiefnemers

Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw en de Vlaamse minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand.

Na beraadslaging,

DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:

HOOFDSTUK 1. — Algemene bepalingen

Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder:

1° centrum: een erkend centrum als vermeld in artikel 22/20 van het decreet van 7 mei 2004;

2° decreet van 7 mei 2004: het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap “Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding”;

3° decreet van 10 juli 2008: het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;

4° decreet van 10 juni 2016: het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;

5° departement: het Departement Werk en Sociale Economie, vermeld in artikel 25, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;

6° jaarplan: het jaarplan, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2020 houdende de oproep ondernemerschapstrajecten;

7° klassenraad: de klassenraad, vermeld in artikel 75 van het decreet van 10 juli 2008;

8° leerling: de jongere die een opleiding of een cursus in de leertijd volgt;

9° leertrajectbegeleider: de trajectbegeleider, vermeld in artikel 3, 16°, van het decreet van 10 juli 2008;

10° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor werk;

11° onderneming: elke natuurlijke persoon, privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon die een leerling opleidt met een overeenkomst tot uitvoering van een alternerende opleiding;

12° opleiding: een opleiding in een beroep, die leidt tot een certificaat;

13° opleidingstraject: een opleiding in een beroep die of het geheel van opleidingen in een beroep dat leidt tot een getuigschrift leertijd. Het opleidingstraject omvat het aantal opleidingsjaren, de toelatingsvoorwaarden en de vrijstellingsvoorwaarden;

14° raad van bestuur: de raad van bestuur van de VDAB, vermeld in artikel 7 tot en met 12 van het decreet van 7 mei 2004;

15° regelmatige leerling: de leerling die beantwoordt aan de toelatingsvoorwaarden van de leertijd en van het opleidingstraject dat hij volgt;

16° VDAB: het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, opgericht bij artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004;

17° Vlaamse Sociale Inspectie: de afdeling Vlaamse Sociale Inspectie van het departement.

Art. 2.

De leertijd is een stelsel van leren en werken als vermeld in artikel 4 van het decreet van 10 juli 2008, dat conform artikel 31 van het voormelde decreet een component werkplekleren en een component leren omvat.

De component werkplekleren wordt ingevuld door een praktijkopleiding in een onderneming of een aanloopcomponent overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 10 juli 2008.

De component leren wordt ingevuld door een theoretische vorming in een centrum. De theoretische vorming bestaat overeenkomstig artikel 31 van het decreet van 10 juli 2008 uit een algemene vorming en een beroepsgerichte vorming.

De raad van bestuur bepaalt de duur van de praktijkopleiding in een onderneming per opleiding of per groep van opleidingen in een beroep. De raad van bestuur bepaalt aan de hand daarvan de duur van de theoretische vorming per opleiding of per groep van opleidingen in een beroep. Een opleidingstraject mag niet meer dan drie jaar praktijkopleiding omvatten.

Art. 3.

De leertijd kan worden georganiseerd voor de opleidingen die voorkomen in de lijst van opleidingen, vermeld in artikel 22 van het decreet van 10 juli 2008.

HOOFDSTUK 2. — De component werkplekleren

Art. 4.

De praktijkopleiding wordt georganiseerd conform het decreet van 10 juli 2008 en het decreet van 10 juni 2016.

Art. 5.

De onderneming waarin de praktijkopleiding plaatsvindt, is erkend conform artikel 7 van het decreet van 10 juni 2016.

Art. 6.

Het centrum, de leerling en de onderneming leven de bepalingen na van hoofdstuk 3, afdeling 2, van het decreet van 10 juni 2016.

Art. 7.

De uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding kan worden geschorst conform de bepalingen van hoofdstuk 3, afdeling 3, van het decreet van 10 juni 2016.

Art. 8.

De overeenkomst van alternerende opleiding neemt een einde conform de bepalingen in hoofdstuk 3, afdeling 4, van het decreet van 10 juni 2016.

HOOFDSTUK 3. — De component leren

Afdeling 1. — De theoretische vorming

Art. 9.

§ 1. De theoretische vorming wordt verstrekt conform artikel 31, § 1, derde lid, van het decreet van 10 juli 2008. Een lesuur omvat vijftig minuten effectieve lesduur.

De theoretische vorming kan aanvullende taalcursussen en bijwerkingscursussen omvatten.

De lessen worden gelijkmatig gespreid over ten minste acht maanden en starten uiterlijk op 1 oktober.

§ 2. Overeenkomstig artikel 33 van het decreet van 10 juli 2008, wordt de algemene vorming verstrekt op basis van door de Vlaamse Regering goedgekeurde leerplannen.

§ 3. De beroepsgerichte vorming omvat technische leerinhouden die afgeleid zijn uit de referentiekaders of beroepskwalificaties, vermeld in artikel 32, § 1, van het decreet van 10 juli 2008, en die de opleiding in een beroep beogen. Ze is aanvullend op en onlosmakelijk verbonden met de praktijkopleiding in een onderneming.

§ 4. De aanvullende taalcursussen zijn gericht op de verwerving van een basiskennis Nederlands voor anderstaligen.

§ 5. De bijwerkingscursussen zijn cursussen binnen de algemene vorming en de beroepsgerichte vorming in het bijzonder voor leerlingen die leermoeilijkheden hebben of die door een late inschrijving een leerachterstand hebben.

Art. 10.

De centra organiseren de cursussen van de theoretische vorming.

De cursussen zijn mondeling.

De raad van bestuur kan, op voorstel van het centrum, toestaan dat de cursussen in het centrum in kwestie op een andere wijze gegeven worden.

Art. 11.

De algemene vorming bestaat uit vijf opleidingsjaren, waarvan;

1° het eerste en tweede jaar overeenstemmen met de tweede graad van het secundair onderwijs;

2° het derde en vierde jaar overeenstemmen met het eerste en tweede jaar van de derde graad van het secundair onderwijs;

3° het vijfde jaar overeenstemt met het derde jaar van de derde graad van het secundair onderwijs.

De centra schalen de leerlingen in binnen de verschillende opleidingsjaren volgens het kader dat de raad van bestuur daarvoor goedkeurt.

Art. 12.

Overeenkomstig artikel 38 van het decreet van 10 juli 2008 kunnen geen directe of indirecte inschrijvingsgelden gevraagd worden.

De lijst van financiële bijdragen die aan de leerlingen kunnen worden gevraagd, en ook de afwijkingen van die bijdrageregeling die kunnen worden toegekend, wordt opgenomen in het centrumreglement, conform artikel 112 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. Het centrumreglement wordt ter goedkeuring aan het centrumbestuur voorgelegd.

Art. 13.

Een cursus van de algemene en beroepsgerichte vorming die aan al de volgende vereisten beantwoordt, kan gesubsidieerd worden:

1° hij is opgenomen in een jaarplan van het centrum dat de raad van bestuur goedkeurt;

2° hij voldoet aan de bepalingen van het decreet van 10 juli 2008;

3° hij stemt overeen met de leerplannen en opleidingstrajecten die vastgelegd zijn conform artikel 9 en 14;

4° hij wordt gegeven voor groepen van leerlingen waarvan het maximumaantal beantwoordt aan de bepalingen, vermeld in artikel 19;

5° hij wordt gegeven door lesgevers die voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk 5.

Art. 14.

De cursussen van de algemene vorming en de beroepsgerichte vorming stemmen overeen met de opleidingstrajecten die de raad van bestuur vaststelt.

Art. 15.

Een aanvullende taalcursus die aan al de volgende vereisten beantwoordt, kan gesubsidieerd worden:

1° hij is opgenomen in een jaarplan van het centrum dat de raad van bestuur goedkeurt;

2° hij wordt gegeven voor groepen van leerlingen waarvan het maximumaantal beantwoordt aan de bepalingen, vermeld in artikel 19.

Art. 16.

Het jaarplan, vermeld in artikel 13, 1°, en artikel 15, 1°, voldoet aan de vereisten die zijn vastgelegd door de raad van bestuur. Het jaarplan wordt ingediend conform de procedure die de raad van bestuur bepaalt.

Art. 17.

Elke cursus van de theoretische vorming groepeert leerlingen van hetzelfde opleidingsjaar.

Leerlingen van verschillende opleidingsjaren kunnen, na goedkeuring door de VDAB, samengevoegd worden. Het programma is in dat geval gespreid zodat een onderdeel ervan niet twee keer aan dezelfde leerlingen wordt gegeven.

Art. 18.

Elke cursus beroepsgerichte vorming groepeert leerlingen van dezelfde of van verwante opleidingen in een of meer opleidingstrajecten.

Leerlingen van niet-verwante opleidingstrajecten kunnen, na goedkeuring door de VDAB, samengevoegd worden.

Art. 19.

§1. Een groep leerlingen van hetzelfde opleidingsjaar algemene vorming wordt, rekening houdend met de pedagogische vereisten, gesplitst vanaf zeventien regelmatig ingeschreven leerlingen in het eerste opleidingsjaar en vanaf eenentwintig regelmatig ingeschreven leerlingen in de volgende opleidingsjaren.

Wat de beroepsgerichte vorming betreft, wordt een groep leerlingen van hetzelfde opleidingsjaar en van dezelfde opleiding of groep van verwante opleidingen in een opleidingstraject, rekening houdend met de pedagogische vereisten, gesplitst vanaf negentien regelmatig ingeschreven leerlingen.

§ 2. Een aanvullende taalcursus die gericht is op de verwerving van een basiskennis Nederlands voor anderstaligen, wordt georganiseerd voor een groep van ten hoogste acht regelmatig ingeschreven leerlingen.

§ 3. De bijwerkingscursussen worden georganiseerd voor een groep van ten hoogste acht regelmatig ingeschreven leerlingen.

§ 4. Om budgettaire, organisatorische of pedagogisch-didactische redenen kan de raad van bestuur bepalen dat een cursus een hoger aantal leerlingen mag tellen of een lager aantal leerlingen moet tellen dan het aantal, vermeld in paragraaf 1, 2 en 3.

Art. 20.

De subsidiëring van een cursus kan opgeheven worden als die cursus niet meer beantwoordt aan de vereisten, vermeld in artikel 13 of 15.

Afdeling 2. — Toelating tot de cursussen van de theoretische vorming

Art. 21.

De volgende leerlingen worden toegelaten tot de cursussen van de theoretische vorming:

1° de leerlingen die verbonden zijn door een overeenkomst van alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst;

2° de leerlingen die met toepassing van artikel 39, § 1, tweede lid, van het decreet van 10 juli 2008 worden toegelaten tot de leertijd;

3° de leerlingen die zijn ingeschreven in een centrum en nog moeten worden gescreend conform artikel 62 van het voormelde decreet.

Leerlingen die zich na 15 april van het lopende schooljaar inschrijven in de leertijd, worden niet meer toegelaten tot de cursussen, tenzij ze door de klassenraad worden toegelaten op basis van schriftelijke bewijsstukken van de gevolgde lessen en behaalde resultaten tijdens dat schooljaar.

Leerlingen die na 15 april van opleidingstraject veranderen, worden niet meer toegelaten tot de cursussen van het nieuwe opleidingstraject. Ze blijven de cursussen van het vorige opleidingstraject volgen.

Art. 22.

Het centrum houdt alle gegevens over de leerlingen bij, die relevant zijn voor de controle op:

1° de leerplicht;

2° de begeleiding van de leerlingen;

3° de naleving van de bepalingen van het decreet van 10 juli 2008, het decreet van 10 juni 2016 en de uitvoeringsbesluiten ervan.

Het centrum registreert de gegevens, vermeld in het eerste lid, in de daartoe geëigende databanken.

Art. 23.

Voor leerlingen die na 1 oktober van het lopende schooljaar ingeschreven worden, wordt het programma, rekening houdend met de vooropleiding van de leerling, ingekort en gelijkmatig gespreid over de resterende maanden van het schooljaar.

Art. 24.

De leertrajectbegeleider bepaalt het opleidingstraject en het traject algemene vorming op basis van de intake en de screening. Hij licht de leerling en de wettelijke vertegenwoordiger in over de passende cursussen theoretische vorming en de lesplaatsen waar die georganiseerd worden.

Op basis van de inlichtingen van de leertrajectbegeleider en afhankelijk van het opleidingstraject en het traject algemene vorming kiezen de leerling en de wettelijke vertegenwoordiger de lesplaats.

De leertrajectbegeleider schrijft de leerling in voor de passende cursus.

Als dat nodig is, kan de VDAB de betrokken leerling verwijzen naar een meer passende cursus in een ander centrum.

Afdeling 3. — Het volgen van de lessen

Art. 25.

De leerlingen volgen de theoretische vorming, namelijk de algemene en de beroepsgerichte vorming, in hetzelfde centrum en op een vooraf bepaalde cursusdag per week.

In overleg met het centrum kan de VDAB voor leerlingen een afwijking verlenen van de verplichting, vermeld in het eerste lid.

Art. 26.

Elke leerling volgt de cursussen van de theoretische vorming in overeenstemming met zijn traject algemene vorming en zijn opleidingstraject.

Art. 27.

Leerlingen die verbonden zijn door een overeenkomst van alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst en die kiezen voor een opleiding in een opleidingstraject waarvoor geen cursus beroepsgerichte vorming wordt georganiseerd, kan de VDAB na grondig onderzoek, in overleg met het centrum, een alternatief programma beroepsgerichte vorming opstellen.

De leerlingen, vermeld in het eerste lid, nemen deel aan de evaluaties.

HOOFDSTUK 4. — De begeleiding, evaluatie en studiebekrachtiging

Afdeling 1. — Begeleiding

Art. 28.

De leerlingen worden integraal en permanent begeleid en geëvalueerd conform het decreet van 10 juli 2008.

Art. 29.

De leertrajectbegeleider bespreekt het opleidingsplan, vermeld in artikel 2, 5°, van het decreet van 10 juni 2016, met de onderneming en de leerling.

Afdeling 2. — Evaluatie

Art. 30.

. De klassenraad beraadslaagt op de volgende tijdstippen over het verdere verloop van de leertijd:

1° op het einde van de tweede graad algemene vorming;

2° op het einde van elk opleidingsjaar van de derde graad algemene vorming;

3° op het einde van elk opleidingsjaar van de beroepsgerichte vorming en de praktijkopleiding.

Art. 31.

De klassenraad deelt het resultaat van de beraadslaging, vermeld in artikel 30, mee aan de leerlingen of hun wettelijke vertegenwoordiger en aan de betrokken onderneming.

Art. 32.

Het centrum stelt een planning op voor de evaluaties van de leerlingen.

Het centrum houdt de vragenlijsten van de evaluaties, de richtlijnen voor de verbetering en beoordeling, en de doorlichting en het verslag van de evaluaties zelf ter beschikking van de VDAB. Het proces-verbaal van de klassenraad wordt vijftig jaar bewaard. De bewaartijd van alle andere documenten bedraagt vijf jaar.

Art 33.

. Het centrum zorgt voor een goed en regelmatig verloop van de evaluaties.

Art. 34.

De volgende leerlingen worden toegelaten tot de evaluaties:

1° de leerlingen die uiterlijk op 15 april van het lopende schooljaar ingeschreven zijn in een centrum;

2° de leerlingen die na 15 april van het lopende schooljaar ingeschreven zijn in een centrum en die door de klassenraad zijn toegelaten tot de cursussen van de theoretische vorming.

De leerlingen die ingeschreven zijn in een centrum en na 15 april van het lopende schooljaar van opleidingstraject veranderen, worden niet toegelaten tot de evaluaties van het nieuwe opleidingstraject. Die leerlingen worden geëvalueerd binnen het vorige opleidingstraject.

Art. 35.

§ 1. Tijdens elk schooljaar worden twee zittijden georganiseerd.

De eerste zittijd van de algemene en beroepsgerichte vorming sluit onmiddellijk aan bij het einde van de cursussen of wordt georganiseerd in de loop van de maand juni.

De eerste zittijd van de praktijkopleiding start op zijn vroegst één maand voor het einde van de cursus beroepsgerichte vorming.

De tweede zittijd van de algemene en beroepsgerichte vorming en de praktijkopleiding wordt uiterlijk voor de start van de cursussen van het volgende cursusjaar georganiseerd.

§ 2. Tot de tweede zittijd van de algemene en beroepsgerichte vorming worden de leerlingen toegelaten die niet geslaagd zijn of die niet konden worden geëvalueerd tijdens de eerste zittijd.

Alleen de leerlingen waarvoor de klassenraad in een dergelijke mogelijkheid voorziet ,worden toegelaten tot de tweede zittijd van de praktijkopleiding.

Afdeling 3. — Studiebekrachtiging

Art. 36.

De studiebekrachtiging gebeurt in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling IV, onderafdeling II, van het decreet van 10 juli 2008.

HOOFDSTUK 5. — Lesgevers

Art. 37.

De centra werven de lesgevers in de leertijd aan en vergoeden hen.

Art. 38.

De lesgevers bezitten de nodige bekwaamheid om hun opdracht te vervullen.

De lesgevers in de leertijd die een van de volgende diploma’s of bekwaamheidsbewijzen hebben, bezitten de nodige bekwaamheid, vermeld in het eerste lid:

1° voor de cursussen algemene vorming:

a) een diploma hoger onderwijs;

b) een diploma secundair onderwijs, of een gelijkwaardig diploma, en een bewijs van drie jaar relevante beroepservaring in een centrum voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen dat door de Vlaamse Gemeenschap erkend is, in een centrum voor deeltijdse vorming of in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;

2° voor de cursussen beroepsgerichte vorming:

a) de nodige bekwaamheidsbewijzen van onderwijsbevoegdheid in het technisch of beroepsonderwijs;

b) een diploma hoger onderwijs en drie jaar praktijkervaring, verworven als hoofdberoep in het te onderwijzen beroepenveld;

c) een diploma ondernemersopleiding of een getuigschrift leertijd, aangevuld met een attest van bedrijfsbeheer, en drie jaar praktijkervaring, verworven als hoofdberoep in het te onderwijzen beroepenveld;

d) zes jaar praktijkervaring, verworven als zelfstandige ondernemer of zijn naaste medewerker in het te onderwijzen beroepenveld.

De lesgevers voor de cursussen algemene vorming leggen uiterlijk twee jaar na hun eerste aanstelling een bewijs van pedagogische bekwaamheid of een bewijs van pedagogisch-didactische bijscholing van ten minste 120 uur voor.

De lesgevers, vermeld in het tweede lid, 2°, b), c) en d), die een lesopdracht van ten minste 130 uur per jaar hebben, leggen uiterlijk twee jaar na hun eerste aanstelling het bewijs voor van pedagogisch-didactische bijscholing van ten minste 120 uur.

Als een centrum geen lesgever voor de cursussen algemene vorming vindt die voldoet aan de vereiste diploma’s en bekwaamheidsbewijzen, vermeld in het tweede lid, 1°, kan het een lesgever aanstellen die beschikt over een diploma secundair onderwijs en die relevante beroepservaring heeft. Die lesgever voldoet uiterlijk binnen twee jaar na zijn eerste aanstelling aan de vereiste diploma’s en bekwaamheidsbewijzen, vermeld in het tweede lid, 1°.

HOOFDSTUK 6. — Financiering

Art. 39.

Met toepassing van artikel 22/22, tweede lid, 1°, van het decreet van 7 mei 2004 en binnen de perken van de kredieten die vastgelegd zijn in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, kan de VDAB aan elk centrum een subsidie in het kader van de leertijd toekennen. Overeenkomstig artikel 22/22, derde lid, van het voormelde decreet kan die subsidie de volgende vormen aannemen:

1° een productiesubsidie;

2° een effectiviteitssubsidie.

De totale subsidiemassa die de VDAB aan de centra toekent binnen de grenzen, vermeld in het eerste lid, is de som van de productiesubsidies en de effectiviteitssubsidies, berekend per centrum met toepassing van de bepalingen van dit besluit.

Art. 40.

De productiesubsidie omvat ook de subsidie voor de huur, de verwerving, de nieuwbouw, het eigenaarsonderhoud en de uitrusting van gebouwen, vermeld in artikel 22/22, tweede lid, 2°, van het decreet van 7 mei 2004.

De productiesubsidie wordt altijd integraal uitbetaald, ook als de kredieten die vastgelegd zijn in de algemene uitgavenbegroting van de VDAB, ontoereikend zijn.

Art. 41.

De productiesubsidie wordt uitbetaald in vier gelijke schijven. De eerste schijf wordt uiterlijk op 31 januari van het lopende kalenderjaar uitgekeerd.

De raad van bestuur bepaalt het bedrag, de timing en de voorwaarden om de productiesubsidie uit te betalen.

Art. 42.

De productiesubsidie wordt jaarlijks per centrum berekend volgens de volgende formule: LT(t) = LU(i) * C, waarbij:

1° LT(t): de enveloppe leertijd voor het begrotingsjaar t voor een centrum;

2° LU(i): leerlingenuren voor de periode i, waarbij leerlingenuren het product zijn van het aantal leerlingen die voor de eerste keer deelnemen aan de evaluaties per module of cursus en het aantal lesuren van die module of cursus in de leertijd. De leerlingen worden meegerekend bij het centrum waar ze effectief les volgen en examens afleggen. De periode i loopt van 1 juli van het jaar t-2 tot en met 30 september van het jaar t-1;

3° C: een coëfficiënt die de Vlaamse Regering jaarlijks kan herzien op voorstel van de minister na advies van de raad van bestuur. De coëfficiënt C wordt vastgelegd op 9,94750 euro.

Voor leerlingen met domicilie in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest die les volgen in een centrum, wordt de coëfficiënt C, vermeld in het eerste lid, 3°, verdubbeld.

De VDAB kan in de periode i, vermeld in het eerste lid, 2°, de lesgeverkosten subsidiëren in geval van splitsing van de cursussen algemene en beroepsgerichte vorming, aanvullende taalcursussen en bijwerkingscursussen, met toepassing van artikel 19.

Als een centrum elders middelen heeft ontvangen voor de organisatie van een module of opleiding, financiert de VDAB de leerlingenuren van die module of opleiding van dat centrum alleen na aftrek van die externe middelen om dubbele financiering vanuit de Vlaamse Gemeenschap te vermijden.

Art. 43.

De effectiviteitssubsidie omvat de subsidie die rekening houdt met de effecten van de gevolgde opleiding.

De effectiviteitssubsidie bestaat uit het product van het aantal leerlingenuren van leerlingen die een getuigschrift leertijd hebben behaald conform artikel 81 van het decreet van 10 juli 2008 tijdens de periode i, vermeld in artikel 42, eerste lid, 2°, vermenigvuldigd met een bedrag dat de Vlaamse Regering bepaalt na advies van de raad van bestuur.

De getuigschriften leertijd worden toegerekend aan het centrum waar de leerling heeft deelgenomen aan de eindevaluatie beroepsgerichte vorming.

Voor de leerlingen die het getuigschrift behalen, wordt het aantal cursistenuren bepaald op 250 en de coëfficiënt op 1,68.

Art. 44.

De raad van bestuur bezorgt zijn adviezen, vermeld in artikel 42, eerste lid, 3°, en artikel 43, tweede lid, aan de minister binnen dertig dagen na de dag waarop de raad van bestuur zijn verzoek om advies heeft ontvangen. De minister houdt geen rekening met een laattijdig advies.

Art. 45.

De centra tellen elk jaar, uiterlijk op 30 september van het begrotingsjaar t, het aantal leerlingen, vermeld in artikel 42, eerste lid, 2°. De volgende leerlingen worden geteld:

1° de leerlingen die hebben deelgenomen aan de evaluaties van de tweede zittijd van het jaar t-2 en die niet hebben deelgenomen aan alle evaluaties van de eerste zittijd van het jaar t-2;

2° de leerlingen die hebben deelgenomen aan minimaal één evaluatie van de eerste zittijd van het jaar t-1 en die in minstens twee derde van de lessen theoretische vorming aanwezig of gewettigd afwezig waren.

Het centrum geeft het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, door aan de VDAB op de wijze die de VDAB daarvoor vastlegt.

Art. 46.

Voor de werking van doel- en kansengroepen wordt jaarlijks, boven op de productiesubsidie, in een vast bedrag van 250.000 euro voor de leertijd voorzien. De VDAB verdeelt dat bedrag op basis van de volgende parameters:

1° het aantal leerlingen;

2° de vooropleiding van de leerlingen;

3° de moedertaal van de leerlingen;

4° de bezettingsgraad van de cursussen beroepsgerichte vorming.

De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, leggen de doel- en kansengroepen, vermeld in het eerste lid, vast.

Art. 47.

Met toepassing van artikel 22/22, tweede lid, 4°, van het decreet van 7 mei 2004 kan de VDAB binnen de beschikbare begrotingskredieten aan een centrum, na rapportering en goedkeuring, een subsidie voor projecten toekennen. Die subsidie wordt niet toegekend als een andere instantie het project al subsidieert of financiert.

Een project als vermeld in het eerste lid, kan worden geïnitieerd over onder meer:

1° grootsteden;

2° leertijd;

3° doel- en kansengroepen;

4° de stimulering van de onderlinge samenwerking tussen de centra;

5° de stimulering van de samenwerking van de centra met derden;

6° de verbetering van de integrale kwaliteit van de dienstverlening, waaronder de competentieontwikkeling van ondernemers, docenten, begeleiders en kmo-medewerkers;

7° initiatieven die de raad van bestuur voorafgaandelijk als project heeft goedgekeurd.

De raad van bestuur bepaalt de technische uitvoeringsregels van de subsidie voor projecten.

Art. 48.

Met toepassing van artikel 22/22, tweede lid, 3°, van het decreet van 7 mei 2004 kan de VDAB binnen de beschikbare begrotingskredieten aan een centrum, na rapportering en goedkeuring, een subsidie voor innovatie en productontwikkeling toekennen. Die subsidie wordt niet toegekend als een andere instantie de innovatie of productontwikkeling subsidieert of financiert.

De raad van bestuur bepaalt de technische uitvoeringsregels voor de toekenning van de subsidie voor innovatie en productontwikkeling.

Art. 49.

De Vlaamse Regering kan een bijkomende subsidie toekennen voor de verwerving, de nieuwbouw of de verbouwing van gebouwen als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:

1° het centrum voldoet aan alle voorwaarden om gesubsidieerd te worden;

2° uit het dossier, vermeld in artikel 2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2020 houdende de oproep ondernemerschapstrajecten, blijkt de behoefte aan investeringen voor een aangepaste, kwaliteitsvolle leeromgeving voor de leertijd.

Art. 50.

Alle coëfficiënten en bedragen die zijn opgenomen in dit hoofdstuk, worden gekoppeld aan de indexering, zoals die wordt opgelegd binnen de jaarlijkse begrotingsinstructies die van toepassing zijn op de dotatie van de VDAB.

HOOFDSTUK 7. — Monitoring en kwaliteitsopvolging

Art. 51.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing met inachtname van artikel 23/1 van het decreet van 7 mei 2004.

Art. 52.

De onderneming ondersteunt de personeelsleden die de VDAB heeft aangewezen, als ze de toepassing van de bepalingen van het decreet en van dit besluit opvolgen.

Art. 53.

De VDAB volgt de pedagogische en didactische begeleiding en de regelmatige lesvolging van de leerlingen op.

Art. 54.

De VDAB volgt de bekwaamheid van de lesgevers en de pedagogisch-didactische begeleiding van de lesgevers door het centrum op.

Art. 55.

Het centrum verleent zijn medewerking aan de pedagogisch-didactische en algemene opvolging die de VDAB uitoefent.

Art. 56.

Als de VDAB een of meer onregelmatigheden vaststelt, maakt hij daarover een verslag voor de raad van bestuur. Het verslag bevat de gesprekken met alle betrokken partijen. Een kopie van het verslag wordt ook aan het centrumbestuur in kwestie bezorgd.

HOOFDSTUK 8. — Toezicht door de Vlaamse Sociale Inspectie

Art. 57.

De Vlaamse Sociale Inspectie oefent het toezicht uit conform het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.

Art. 58.

Het toezicht, vermeld in artikel 57, wordt in volle onafhankelijkheid uitgeoefend.

De personeelsleden die het toezicht uitoefenen, zijn niet betrokken bij de erkenning, subsidiëring, vormgeving, begeleiding of organisatie van de opleidingstrajecten die het voorwerp uitmaken van het toezicht.

Art. 59.

De Vlaamse Sociale Inspectie stelt over elk toezicht een verslag op voor het centrumbestuur in kwestie en voor de VDAB. Het verslag geeft duiding bij de volgende aspecten:

1° de werkzaamheden die tijdens het toezicht zijn uitgevoerd;

2° de vaststellingen die zijn gedaan;

3° de wijze waarop de uitvoerders van het toezicht tot hun conclusies zijn gekomen.

HOOFDSTUK 9. — Bezwaar

Art. 60.

De leerlingen kunnen beroep instellen conform deel III, titel 2, hoofdstuk 8, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.

HOOFDSTUK 10. — Wijzigingsbepalingen

Afdeling 1. — Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap

Art. 61.

. In artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in paragraaf 1 worden de woorden “Syntra Vlaanderen houdt” vervangen door de woorden “De VDAB houdt”;

2° in paragraaf 1, 3°, en paragraaf 2 worden de woorden “van Syntra Vlaanderen” telkens vervangen door de woorden “van de VDAB”.

Art. 62.

. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 augustus 2020, wordt hoofdstuk VII, dat bestaat uit artikel 10, opgeheven.

Art. 63.

Artikel 13 en 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2011, worden opgeheven.

Art. 64.

Bijlage XIV bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2012, wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 65.

Bijlage XVI bij hetzelfde besluit, vernummerd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2018, wordt vervangen door bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

Afdeling 2. — Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 betreffende het kwaliteitstoezicht op de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat de leertijd betreft

Art. 66.

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 betreffende het kwaliteitstoezicht op de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat de leertijd betreft, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in punt 1°/1 wordt de zinsnede “als vermeld in artikel 2, 6°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap ?Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen?” vervangen door de zinsnede “als vermeld in artikel 26/2, § 1, 1°, van het decreet van 16 maart 2012 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid”;

2° in punt 3° worden de woorden “Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen” vervangen door de woorden “Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding”;

3° er wordt een punt 4°/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: “4°/1 departement: het Departement Werk en Sociale Economie, vermeld in artikel 25, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;”;

4° in punt 7° wordt de zinsnede “artikel 27” vervangen door de zinsnede “artikel 2, 15°,”;

5° punt 9° wordt vervangen door wat volgt: “9° Vlaamse Sociale Inspectie: de afdeling Vlaamse Sociale Inspectie van het departement;”.

Art. 67.

In artikel 3, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden “Syntra Vlaanderen” vervangen door de woorden “de Vlaamse Sociale Inspectie”.

Art. 68.

In artikel 11, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2020, worden de woorden “Syntra Vlaanderen” vervangen door de woorden “de Vlaamse Sociale Inspectie”.

Art. 69.

In artikel 19, § 5, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° de woorden “Syntra Vlaanderen” worden vervangen door de woorden “de VDAB”;

2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

“In het eerste lid wordt verstaan onder VDAB: het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, opgericht bij artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004.”.

Art. 70.

In artikel 25 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in het eerste lid worden de woorden “personeelsleden van Syntra Vlaanderen” vervangen door de woorden “van de Vlaamse Sociale Inspectie”;

2° in het tweede lid worden de woorden “de gedelegeerd bestuurder van Syntra Vlaanderen” vervangen door de woorden “het afdelingshoofd van de Vlaamse Sociale Inspectie”.

Art. 71.

In artikel 33 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2020, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:

“Met uitzondering van punt 7, 9, 11 en 14 van werkingscode, vermeld in het eerste lid, is de werkingscode ook van toepassing op de leden van de Vlaamse Sociale Inspectie en de externe deskundigen die bij het kwaliteitstoezicht zijn betrokken.”.

HOOFDSTUK 11. — Slotbepalingen

Art. 72.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 betreffende de leertijd, vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen wordt opgeheven.

Art. 73.

De volgende regelgevende teksten treden in werking op 1 januari 2021:

1° artikel 13 tot en met 37 van het decreet van 19 juni 2020 tot opheffing van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd Agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, tot regeling van de taken en bevoegdheden en tot wijziging van de naam Hermesfonds;

2° dit besluit.

Art. 74.

De Vlaamse minister, bevoegd voor de competenties, en de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.