Decreet basisonderwijs

  • goedkeuringsdatum
    25 FEBRUARI 1997
  • publicatiedatum
    B.S.17/04/1997
  • datum laatste wijziging
    23/11/2015

COORDINATIE

Decr. 15-7-1997 - B.S. 21-8-1997

Decr. 15-7-1997 - B.S. 29-8-1997

Decr. 19-12-1997 - B.S. 30-12-1997

Decr. 14-7-1998 - B.S. 29-8-1998

Decr. 14-7-1998 - B.S. 29-8-1998

Decr. 1-12-1998 - B.S. 10-4-1999

Arr. nr. 19/99, dd. 17-2-1999 - B.S. 17-3-1999

Decr. 22-12-1999 - B.S. 30-12-1999

Decr. 20-10-2000 - B.S. 16-12-2000

Decr. 22-12-2000 - B.S. 30-12-2000

Decr. 13-7-2001 - B.S. 27-11-2001

Decr. 28-6-2002 - B.S. 14-9-2002

Decr. 14-2-2003 - B.S. 1-7-2003

Decr. 10-7-2003 - B.S. 24-10-2003

Decr. 2-4-2004 - B.S. 6-8-2004

Decr. 7-5-2004 - B.S. 31-8-2004

Decr. 7-5-2004 - B.S. 15-10-2004

Decr. 24-12-2004 - B.S. 21-2-2005

Decr. 24-6-2005 - B.S. 24-8-2005

Decr. 15-7-2005 - B.S. 16-9-2005

Decr. 9-12-2005 - B.S. 2-2-2006

Decr. 30-6-2006 - B.S. 13-12-2006

Decr. 7-7-2006 - B.S. 31-8-2006; err. B.S. 13-10-2006

Decr. 15-12-2006 - B.S. 6-2-2007

Decr. 22-12-2006 - B.S. 29-12-2006

Decr. 22-6-2007 - B.S. 21-8-2007

Decr. 6-7-2007 - B.S. 24-8-2007

Decr. 13-7-2007 - B.S. 31-8-2007

B.Vl.R. 13-7-2007 - B.S. 31-8-2007

Decr. 30-11-2007 - B.S. 11-2-2008

Decr. 1-2-2008 - B.S. 4-3-2008

Decr. 6-6-2008 - B.S. 18-7-2008

Decr. 4-7-2008 - B.S. 1-9-2008

Decr. 4-7-2008 - B.S. 20-10-2008

Decr. 19-12-2008 - B.S. 29-12-2008

Decr. 20-3-2009 - B.S. 9-4-2009

Decr. 8-5-2009 - B.S. 28-8-2009

Decr. 8-5-2009 - B.S. 28-8-2009

Decr. 18-12-2009 - B.S. 30-12-2009

Decr. 18-12-2009 - B.S. 29-1-2010

B.Vl.R. 26-2-2010 - B.S. 11-5-2010

Decr. 9-7-2010 - B.S. 31-8-2010

Decr. 23-12-2010 - B.S. 31-12-2010

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

Decr. 17-6-2011 - B.S. 20-7-2011

Decr. 1-7-2011 - B.S. 30-8-2011

Decr. 8-7-2011 - B.S. 25-7-2011

Decr. 25-11-2011 - B.S. 23-2-2012

Decr. 23-12-2011 - B.S. 30-12-2011

Decr. 1-6-2012 - B.S. 22-6-2012

Decr. 29-6-2012 - B.S. 27-7-2012

Decr. 6-7-2012 - B.S. 30-8-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 31-12-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 19-2-2013

Decr. 5-7-2013 - B.S. 30-7-2013

Decr. 19-7-2013 - B.S. 27-8-2013

Decr. 21-3-2014 - B.S. 28-8-2014

Decr. 4-4-2014 - B.S. 20-8-2014

Decr. 25-4-2014 - B.S. 25-9-2014

Decr. 19-12-2014 - B.S. 30-12-2014

Decr. 19-12-2014 - B.S. 27-1-2015

Decr. 3-7-2015 - B.S. 28-7-2015

Decr. 19-6-2015 - B.S. 21-8-2015

Decr. 13-11-2015 - B.S. 23-11-2015

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.

[§ 1. De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op het gewoon en het buitengewoon, erkend, gefinancierd en gesubsidieerd basisonderwijs, tenzij het uitdrukkelijk anders vermeld wordt. Het decreet is niet van toepassing op de internaten, semi-internaten, opvangcentra en observatiecentra die verbonden zijn aan basisscholen.

§ 2. In afwijking van § 1 is [[artikel 27quater]] van toepassing op internaten.]

Decr. 22-6-2007; [[ ]] Decr. 9-7-2010

HOOFDSTUK II. - Afkortingen en definities

Art. 3.

Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :

1° [aanvullende lestijden : lestijden toegekend [[...]] voor specifieke behoeften bepaald door de regering;]

Decr. 14-2-2003; [[ ]] Decr. 6-7-2012

2° aanvullende uren : uren paramedische, medische, psychologische, sociale of orthopedagogische hulp toegekend voor specifieke behoeften;

3° administratieve vestigingsplaats : vestigingsplaats door het schoolbestuur gekozen als administratieve zetel van de school;

4° afstand : de kortst mogelijke afstand gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, éénrichtingsverkeer en autosnelwegen;

[4°bis Agion : Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs;

4°ter Agodi : Agentschap voor Onderwijsdiensten;]

Decr. 22-6-2007

[4° quater anderstalige nieuwkomer :

a) een leerling die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar vijf jaar of ouder is en die op de dag van inschrijving of op 1 september die volgt op de inschrijving, gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :

1) hij is een nieuwkomer, dit wil zeggen dat hij maximaal één jaar ononderbroken in België verblijft;

2) hij heeft niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal;

3) hij beheerst onvoldoende de onderwijstaal om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;

4) hij is maximaal negen maanden ingeschreven, vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen, in een school met het Nederlands als onderwijstaal;

b) een leerling die officieel verblijft in een open asielcentrum, zijnde een collectieve opvangstructuur zoals bedoeld in artikel 2, 10°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde categorieën van vreemdelingen en die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar vijf jaar of ouder is.

Dat de leerling voldoet aan de voorwaarden, vermeld in punt a), 1) en 2), wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer van de ouders. Met die verklaring op eer wordt voor het beantwoorden aan de voorwaarde vermeld in punt 1) echter geen rekening gehouden, als in het inschrijvings- of leerlingendossier documenten aanwezig zijn die deze verklaring tegenspreken. Dat de leerling voldoet aan de voorwaarde vermeld in punt b) wordt bewezen aan de hand van een attest, uitgereikt door het open asielcentrum waar hij officieel verblijft. De verklaringen die aantonen dat anderstalige nieuwkomers voldoen aan de voorwaarden, worden ten minste vijf jaar in de school bewaard en moeten eventueel ter verificatie worden voorgelegd.]

Decr. 25-11-2011

5° [het Gemeenschapsonderwijs : een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, opgericht bij het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;]

Decr.10-7-2003

6° basisschool : school waar kleuteronderwijs en lager onderwijs georganiseerd wordt;

7° behoudsnorm : gunstige rationalisatienorm die in welbepaalde situaties in het buitengewoon onderwijs mag toegepast worden;

8° bevolkingsdichtheid van een gemeente : het aantal inwoners per km² [zoals berekend door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek en zoals dat op 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de zesjaarlijkse [[periode]] voor scholengemeenschappen, vermeld in artikel 125quinquies [[, § 4, of respectievelijk op 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de driejaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, vermeld in artikel 125quinquies, § 2,]] beschikbaar is].

De bevolkingsdichtheid in aanmerking te nemen voor een school die vestigingsplaatsen heeft in verschillende gemeenten wordt vastgesteld op grond van volgende berekening : de totale bevolking van deze gemeenten wordt gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km². Voor een vestigingsplaats wordt de bevolkingsdichtheid van de gemeente waarin die vestigingsplaats werkelijk gelegen is, in aanmerking genomen;

Decr. 9-7-2010; [[ ]] Decr. 17-6-2011

[8°bis bijkomende lestijden : lestijden die niet behoren tot het lestijdenpakket en geen extra lestijden zijn;

8°ter bijkomende uren : uren die niet behoren tot het urenpakket en geen extra uren zijn;]

Decr. 22-6-2007

[8° quater brede basiszorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school vanuit een visie op zorg de ontwikkeling van alle leerlingen stimuleert en problemen tracht te voorkomen door een krachtige leeromgeving te bieden, de leerlingen systematisch op te volgen en actief te werken aan het verminderen van risicofactoren en aan het versterken van beschermende factoren;]

Decr. 21-3-2014

9°[...]

Decr. 21-3-2014

[9°bis CKG-school : school die verbonden is aan een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning;]

Decr. 22-6-2007

[ [[9°ter]] CLB : centrum voor leerlingenbegeleiding zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding;]

Decr. 13-7-2001; [[ ]] Decr. 22-6-2007

[9° quater CLR : Commissie inzake Leerlingenrechten als vermeld in afdeling 2 van hoofdstuk IV van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I;]

Decr. 25-11-2011

[9° quinquies compenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school orthopedagogische of orthodidactische hulpmiddelen aanbiedt, waaronder technische hulpmiddelen, waardoor de doelen van het gemeenschappelijk curriculum of de doelen die na dispensatie voor de leerling bepaald zijn, bereikt kunnen worden;]

Decr. 21-3-2014

10° [POV : Provinciaal Onderwijs Vlaanderen;]

Decr. 14-2-2003

11° departement : bevoegde dienst of ambtenaar van het departement onderwijs van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;

12°[differentiërende maatregelen: maatregelen waarbij de school, binnen het gemeenschappelijk curriculum, een beperkte variatie aanbrengt in het onderwijsleerproces om beter tegemoet te komen aan de behoeften van individuele leerlingen of groepen van leerlingen;]

Decr. 21-3-2014

[12° bis dispenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school doelen toevoegt aan het gemeenschappelijk curriculum of de leerling vrijstelt van doelen van het gemeenschappelijk curriculum en die, waar mogelijk, vervangt door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het onderwijsniveau ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs, nog in voldoende mate kunnen bereikt worden;]

Decr. 21-3-2014

[12° ter disproportionaliteit/disproportioneel: onredelijkheid van aanpassingen aangetoond na een proces van afweging met toepassing van de criteria als vermeld in artikel 2, § 2 en § 3, van het Protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;]

Decr. 21-3-2014

13°[erkend onderwijs : onderwijs dat voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 62 en erkend is door de Vlaamse Regering zoals bepaald in artikel 63;]

Decr. 21-12-2012

14° extra lestijden : lestijden toegekend in het kader van een tijdelijk project;

[14°bis [[extra uren : uren die toegekend zijn in het kader van tijdelijke projecten;]] ]

Decr. 22-6-2007; [[ ]] Decr. 4-7-2008

[14°ter extra-muros activiteiten : activiteiten die plaatsvinden buiten de schoolmuren en georganiseerd worden voor één of meer leerlingengroepen. Activiteiten die volledig buiten de schooluren georganiseerd worden, vallen hier niet onder;]

Decr. 4-7-2008

15° fusie van scholen : de samenvoeging tot één nieuwe school van twee of méér scholen die gelijktijdig worden afgeschaft of de samenvoeging tot één school van twee of méér scholen waarbij één van de betrokken scholen blijft bestaan en de andere(n) opslorpt;

16° gefinancierd onderwijs : gemeenschapsonderwijs dat voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 68;

17° Gemeenschap : de Vlaamse Gemeenschap;

[17° bis gemeenschappelijk curriculum: de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven en de schoolgebonden planning voor het nastreven van de leergebiedoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen;]

Decr. 21-3-2014

18° gemeenschapsonderwijs : onderwijs georganiseerd door of namens de Gemeenschap;

19° gesubsidieerd onderwijs : vrij onderwijs of officieel onderwijs, met uitzondering van het gemeenschapsonderwijs, dat voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 68;

20° godsdienst of levensbeschouwing : een godsdienst of levensbeschouwing erkend door de overheid die terzake bevoegd is;

21° groep : indeling van de scholen en vestigingsplaatsen in het gewoon basisonderwijs en van de scholen in het buitengewoon basisonderwijs naargelang ze behoren tot het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs, het gesubsidieerd vrij onderwijs naargelang van de onderscheidene godsdiensten, of tot het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs;

22° [herstructurering : a) in het gewoon onderwijs : wijziging in de structuur van een school op het vlak van vestigingsplaatsen en/of onderwijsniveaus en/of leerlingengroepen. Een wijziging op het vlak van leerlingengroepen is een herstructurering wanneer er leerlingengroepen afgesplitst worden naar één of meer nieuwe scholen. Een fusie wordt niet als een herstructurering beschouwd; b) in het buitengewoon onderwijs : wijziging in de structuur van een school op het vlak van vestigingsplaatsen en/of onderwijsniveaus en/of types en/of leerlingengroepen. Een wijziging op het vlak van de leerlingengroepen is een herstructurering wanneer er leerlingengroepen afgesplitst worden naar één of meerdere scholen. Een fusie wordt niet als een herstructurering beschouwd;]

Decr. 22-12-2000

23° [hoofdopdracht : lesopdracht voor het onderwijzend personeel, kindgebonden opdracht voor het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. In de hoofdopdracht kunnen bijzondere pedagogische taken en/of lestijden beleidsondersteuning begrepen zijn;]

Decr.13-7-2001

24°[huisonderwijs :

- het onderwijs dat verstrekt wordt aan leerplichtigen van wie de ouders beslist hebben om hen niet in te schrijven in een door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school;

- onder huisonderwijs wordt eveneens verstaan het onderwijs dat aan een leerplichtige wordt verstrekt in het kader van de toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan;]

Decr. 19-7-2013

[24° bis kadastraal perceel : een deel van het Belgisch grondgebied dat door een kadastraal perceelnummer wordt geïdentificeerd zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 20 september 2002 tot vaststelling van de vergeldingen en de nadere regels voor de afgifte van kadastrale uittreksels en inlichtingen;]

Decr. 25-11-2011

25° klassenraad : team van personeelsleden dat onder leiding van de directeur of zijn afgevaardigde samen de verantwoordelijkheid draagt [of zal dragen] voor de begeleiding van en het onderwijs aan een bepaalde leerlingengroep of individuele leerling;

Decr. 25-4-2014

[25°bis kleuterparticipatie : de inschrijving in en deelname aan het kleuteronderwijs van niet-leerplichtige leerlingen met het oog op het realiseren van de ontwikkelingsdoelen;]

Decr. 22-6-2007

26° kleuterschool : school waar alleen kleuteronderwijs georganiseerd wordt;

27° lagere school : school waar alleen lager onderwijs georganiseerd wordt;

[27° bis [[leefentiteit]] : leerlingen met ten minste één gemeenschappelijke ouder, als vermeld in 41°, of leerlingen met eenzelfde hoofdverblijfplaats;]

Decr. 25-11-2011; [[ ]] Decr. 19-7-2013

28° leerlingengroep : aantal leerlingen dat samen voor een bepaalde periode eenzelfde opvoedings- of onderwijsactiviteit volgt;

[28° bis leerling met specifieke onderwijsbehoeften: leerling met langdurige en belangrijke participatieproblemen die te wijten zijn aan het samenspel tussen: a) één of meerdere functiebeperkingen op mentaal, psychisch, lichamelijk of zintuiglijk vlak en; b) beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en; c) persoonlijke en externe factoren;]

Decr. 21-3-2014

29° leergebied : samenhangend geheel van leerinhouden;

30° leerplicht : periode binnen dewelke men verplicht is onderwijs te volgen, zoals vastgelegd in [artikel 1, § 1, § 3, § 7] van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;

Decr. 25-4-2014

31° leerplichtige : jongere onderworpen aan de leerplicht;

32° lestijd : een periode van vijftig minuten die als eenheid voor de bepaling van de duur van de onderwijsactiviteiten wordt gebruikt;

33°[lestijdenpakket :

a) in het gewoon basisonderwijs : pakket lestijden dat bestaat uit de lestijden volgens de schalen, de SES-lestijden en de aanvullende lestijden, toegekend aan een school om de financierbare of subsidieerbare personeelsformatie van het onderwijzend personeel te bepalen, inclusief de eventuele lesopdracht van de directie;

b) in het buitengewoon basisonderwijs : het pakket lestijden dat bestaat uit de lestijden volgens de schalen en de aanvullende lestijden, toegekend aan een school om de financierbare of subsidieerbare personeelsformatie van het onderwijzend personeel te bepalen, inclusief de eventuele lesopdracht van de directie;]

Decr. 6-7-2012

34°[lestijden volgens de schalen : resultaat van de verrekening van het aantal regelmatige leerlingen op een welbepaalde teldag of tijdens een welbepaalde telperiode aan de hand van schalen of bekomen als additionele lestijden volgens de schalen volgens de berekeningswijzen vermeld in dit decreet;]

Decr. 6-7-2012

35° lokaal comité : het lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan bevoegd voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden;

36°[36° LOP : lokaal overlegplatform als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I;]

Decr. 25-11-2011

37° officieel onderwijs : onderwijs georganiseerd door een [publiekrechtelijke rechtspersoon];

Decr. 1-7-2011

38° onderwijs aan huis : onderwijs dat thuis of in een medische instelling verstrekt wordt aan zieke [leerlingen] of [leerlingen] met een handicap;

Decr. 8-5-2009

39° onderwijsinspectie : de inspectie, zoals bedoeld in [het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs] of de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, voor zover belast met taken op het gebied van het basisonderwijs;

Decr. 8-5-2009

[39°bis onderwijsnet :

- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

- het gesubsidieerd officieel onderwijs : het onderwijs ingericht [[...]] door publiekrechtelijke rechtspersonen andere dan het gemeenschapsonderwijs en dat in aanmerking komt voor subsidiëring van de Vlaamse Gemeenschap;

- het gesubsidieerd vrij onderwijs : het onderwijs ingericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen en dat in aanmerking komt voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;]

Decr. 10-7-2003; [[ ]] Decr. 1-7-2011

40° onderwijsniveau : indeling van het onderwijs in kleuteronderwijs, lager onderwijs, secundair onderwijs en hoger onderwijs;

41° ouders : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige onder hun bewaring hebben;

42° OVSG : Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap;

[42° bis pedagogisch project : het geheel van de fundamentele uitgangspunten voor een school en haar werking;]

Decr. 25-11-2011

43° periode van normale aanwezigheid van de leerlingen : periode die loopt vanaf 15 minuten vóór de eerste les 's morgens tot 15 minuten na de laatste les 's middags en vanaf 15 minuten vóór de eerste les 's namiddags tot 15 minuten na de laatste les 's avonds

[43°bis plage : lestijden of uren buiten het lestijden- en urenpakket die zich situeren boven het minimum maar binnen het maximum van de hoofdopdracht;]

Decr.14-2-2003

44° preventorium : medische instelling die onder meer in residentieel verband kuurmogelijkheden biedt aan kinderen en jongeren van [twee jaar en zes maanden] tot achttien jaar en waar buitengewoon onderwijs van type 5 gegeven wordt;

Decr.14-2-2003

45° programmatienorm : aantal regelmatige leerlingen dat op een [welbepaalde teldag of tijdens een welbepaalde telperiode] in een school [...] of een type moet ingeschreven zijn om in de financierings- of subsidiëringsregeling te worden opgenomen;

Decr. 7-7-2006

[45°bis [[puntenenveloppe : het aantal punten waarover een school en/of scholengemeenschap op basis van het aantal regelmatige leerlingen op een welbepaalde teldag of op basis van het gemiddeld aantal leerlingen tijdens de telperiode beschikt en dat het aantal organiseerbare betrekkingen van beleids- en ondersteunend personeel en/of bestuurs- en onderwijzend personeel bepaalt;]] ]

Decr. 10-7-2003; [[ ]] Decr. 22-6-2007

[45°ter randgemeenten : de gemeenten van het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;

45°quater taalgrensgemeenten : de gemeenten van het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 3, 1°, van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs;]

Decr. 7-7-2006

46° [rationalisatienorm : het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag of tijdens een welbepaalde telperiode in een school, een vestigingsplaats, een onderwijsniveau of een type moet ingeschreven zijn om na de programmatieperiode nog gefinancierd of gesubsidieerd te blijven;]

[ ] Decr. 22-6-2007

47° regering : de Vlaamse regering;

[47° bis remediërende maatregelen: maatregelen waarbij de school effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het gemeenschappelijk curriculum;]

Decr. 21-3-2014

48° salaris : wedde, weddetoelage, bijwedde, toelagen en vergoedingen;

49° school : pedagogisch geheel, waar onderwijs georganiseerd wordt en dat onder leiding staat van één directeur;

50° [schoolbestuur : de inrichtende macht zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, dit is de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor één of meer scholen;]

Decr.13-7-2001

51° schooljaar : de periode van 1 september tot en met 31 augustus;

52° schoolopdracht van het personeel : het geheel van taken die een personeelslid in schoolverband uitvoert;

[52°bis scholengemeenschap basisonderwijs : is een samenwerkingsverband dat beantwoordt aan de criteria van de artikelen 125sexies tot en met 125octies;]

Decr. 10-7-2003

[52° bis/1 SES-lestijden : lestijden, toegekend op basis van de socio-economische status van leerlingen in het gewoon basisonderwijs die gevat wordt door leerlingkenmerken;

52° bis/2 thuisloze : de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezin verband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten die gefinancierd of gesubsidieerd worden door het Departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse Gemeenschap;]

Decr. 6-7-2012

[52°ter trekkende bevolking : binnenschippers, kermis- en circusexploitanten en -artiesten en woonwagenbewoners, bedoeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden;]

Decr. 28-6-2002

53° type : indeling van het buitengewoon onderwijs op basis van de bijzondere opvoedings- en onderwijsbehoeften die een bepaalde groep leerlingen gemeenschappelijk heeft;

[53° bis uitbreiding van zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school de maatregelen uit de fase van verhoogde zorg onverkort verderzet en het CLB een proces van handelingsgerichte diagnostiek opstart. Het CLB richt zich daarbij op een uitgebreide analyse van de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling en op de ondersteuningsbehoeften van de leerkracht(en) en ouders met het oog op het formuleren van adviezen voor het optimaliseren van het proces van afstemming van het onderwijs- en opvoedingsaanbod op de zorgvraag van de leerling. Het CLB bepaalt in samenspraak met de school en de ouders welke bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise, hetzij ten aanzien van de school of de leerling, al dan niet in zijn context, wenselijk is alsook de omvang en de duur daarvan;]

Decr. 21-3-2014

54° [urenpakket :

a) in gewoon onderwijs : het aantal uren toegekend aan een school om de gefinancierde of gesubsidieerde formatie voor kinderverzorgers in het kleuteronderwijs te bepalen;

b) in het buitengewoon onderwijs : het aantal uren toegekend aan een school om de gefinancierde of gesubsidieerde formatie voor het paramedisch, medisch, psychologisch, orthopedagogisch en sociaal personeel te bepalen. Dit pakket bestaat uit uren volgens de richtgetallen en aanvullende uren.]

Decr.14-2-2003

55° uren volgens de richtgetallen : resultaat van de verrekening van het aantal regelmatige leerlingen op een welbepaalde [teldag of tijdens een welbepaalde telperiode] aan de hand van de richtgetallen door de regering vastgelegd;

Decr. 7-7-2006

[55°bis [[verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school extra zorg voorziet onder de vorm van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, afgestemd op de specifieke onder- wijsbehoeften van bepaalde leerlingen, en voorafgaand aan de fase van uitbreiding van zorg;]] ]

Decr. 28-6-2002; [[ ]] Decr. 21-3-2014

56° vestigingsplaats : gebouw of gebouwencomplex waarin een school of een gedeelte van een school gehuisvest is;

57° vrij onderwijs : onderwijs georganiseerd door een natuurlijk persoon of een private rechtspersoon;

58° ziekenhuisschool : school voor buitengewoon basisonderwijs van type 5 verbonden aan een ziekenhuis waar kinderen omwille van ernstige medische redenen worden opgenomen;

[59° zorgcontinuüm: opeenvolging van de fasen in de organisatie van de onderwijsomgeving op het gebied van brede basiszorg, verhoogde zorg en uitbreiding van zorg.]

Decr. 21-3-2014

HOOFDSTUK III. - Structuur van het basisonderwijs

Afdeling 1. - Kleuteronderwijs, lager onderwijs en basisonderwijs

Art. 4.

Het basisonderwijs omvat kleuteronderwijs en lager onderwijs. Er is gewoon en buitengewoon basisonderwijs.

Art. 5.

Het kleuteronderwijs is basisonderwijs voor kinderen vanaf [twee jaar en zes maanden] en loopt tot de aanvang van het lager onderwijs.

Er is gewoon en buitengewoon kleuteronderwijs.

Decr.14-2-2003

Art. 6.

§ 1. Het lager onderwijs is basisonderwijs dat aanvangt met het begin van de leerplicht, bestemd is voor kinderen na het kleuteronderwijs en loopt tot de aanvang van het secundair onderwijs.

Er is gewoon en buitengewoon lager onderwijs.

§ 2. Het gewoon lager onderwijs duurt zes jaar, het buitengewoon lager onderwijs duurt zeven jaar.

Art. 7.

§ 1. Elk schoolbestuur beslist of het alleen kleuteronderwijs, alleen lager onderwijs of beide organiseert.

[In nieuwe scholen voor gewoon onderwijs, opgericht vanaf 1 september 2003, moet zowel kleuter- als lager onderwijs worden georganiseerd.]¹

§ 2.[Het schoolbestuur bepaalt vrij de organisatie van zijn kleuteronderwijs en lager onderwijs. Het legt die organisatie vast in het schoolwerkplan. ]²

§ 3. [In scholen met lager onderwijs moet het lager onderwijs steeds volledig georganiseerd worden. In scholen met kleuteronderwijs moet het kleuteronderwijs steeds volledig georganiseerd worden. Deze verplichting geldt, voor wat het gewoon kleuteronderwijs betreft, vanaf het schooljaar 2016-2017.

In het gewoon basisonderwijs moet het kleuteronderwijs volledig georganiseerd zijn vanaf het derde bestaansjaar van dat onderwijsniveau in de school en het lager onderwijs volledig georganiseerd zijn vanaf het zesde bestaansjaar van dat onderwijsniveau in de school.]²

[ ]¹ Decr. 10-7-2003; [ ]² Decr. 19-6-2015

Afdeling 2. - Gewoon, buitengewoon en geïntegreerd basisonderwijs

Art. 8.

Het gewoon basisonderwijs wordt zodanig georganiseerd dat, op grond van een pedagogisch project, in de school een opvoedings- en leeromgeving gecreëerd wordt waarin de leerlingen een ononderbroken leerproces kunnen doormaken. Die omgeving wordt aangepast aan de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen. [Een school die beslist het ononderbroken leerproces van een leerling te onderbreken door deze leerling het aanbod van het afgelopen schooljaar gedurende het daaropvolgende schooljaar nogmaals te laten volgen, neemt deze beslissing na overleg met het CLB. De genomen beslissing wordt ten aanzien van de ouders schriftelijk gemotiveerd en mondeling toegelicht, waarbij de school ook aangeeft welke bijzondere aandachtspunten er in het daaropvolgende schooljaar voor de leerling zijn.]¹

Het gewoon basisonderwijs is in principe verantwoordelijk voor het onderwijs aan alle leerlingen van bedoelde leeftijdscategorie. Het moet door blijvende aandacht en verbreding van de zorg zoveel mogelijk leerlingen blijvend begeleiden. [Het werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het CLB en de ouders en doet, in het bijzonder voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de leerling. De specifieke onderwijsbehoeften van leerlingen en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.]²

[ ]¹ Decr. 4-4-2014; [ ]² Decr. 21-3-2014

Art. 9.

Het buitengewoon basisonderwijs is het onderwijs dat op grond van een pedagogisch project aangepast onderwijs, opvoeding, verzorging en therapie verstrekt aan leerlingen waarvan de totale persoonlijkheidsontwikkeling tijdelijk of permanent, niet of onvoldoende door het gewoon onderwijs kan verzekerd worden.

Art. 10.

[§ 1. Het buitengewoon basisonderwijs is ingedeeld in volgende types :

1° type basisaanbod, voor kinderen voor wie de onderwijsbehoeften dermate zijn en voor wie al tijdens het gewoon kleuteronderwijs of tijdens het gewoon lager onderwijs aantoonbaar blijkt dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te kunnen blijven meene- men in een school voor gewoon onderwijs;

2° type 2, voor kinderen met een verstandelijke beperking.

Kinderen met een verstandelijke beperking voldoen aan alle onderstaande criteria :

a) ze hebben significante beperkingen in het intellectueel functioneren, wat op basis van een psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een totaal intelligentiequotiënt op een gestandaardiseerde en genormeerde intelligentietest kleiner of gelijk aan 60, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;

b) ze hebben significante beperkingen in het sociale aanpassingsgedrag, wat op basis van psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een uitslag op een gestandaardiseerde en genormeerde schaal voor sociaal aanpassingsgedrag, die minstens drie standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdgenoten, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;

c) de functioneringsproblemen zijn ontstaan vóór de leeftijd van 18 jaar;

d) het besluit "verstandelijke beperking" wordt genomen na een periode van procesdiagnostiek;

3° type 3, voor kinderen met een emotionele of gedragsstoornis die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.

Kinderen met een emotionele of gedragsstoornis zijn kinderen bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld :

a) een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit;

b) een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis;

c) de gedragsstoornis in enge zin, `conduct disorder';

d) een angststoornis;

e) een stemmingsstoornis;

f) een hechtingsstoornis;

4° type 4, voor kinderen met een motorische beperking.

Kinderen met een motorische beperking zijn kinderen bij wie op basis van specifieke medische diagnostiek, een uitval wordt vastgesteld in de neuromusculoskeletale en beweginggerelateerde functies, meer bepaald :

a) de functies van gewrichten en beenderen;

b) de spierfuncties, meer bepaald de spierkracht, de tonus en het uithoudingsvermogen, met gedeeltelijke of volledige uitval van :

1) een van de of beide bovenste of onderste ledematen;

2) de linkerzijde, de rechterzijde of beide zijden;

3) de romp;

4) overige;

c) de bewegingsfuncties;

d) een door medische diagnostiek geobjectiveerde problematiek met weerslag op het beweginggerelateerd functioneren die niet terug te brengen is tot criterium a) tot en met c) maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;

5° type 5, voor kinderen die opgenomen zijn in een ziekenhuis, een residentiële setting of verblijven in een preventorium.

De regering bepaalt de voorwaarden waaraan de residentiële setting moet voldoen opdat er een school voor buitengewoon onderwijs type 5 aan verbonden kan zijn.

Kinderen in type 5 beantwoorden aan alle onderstaande voorwaarden :

a) de medische, psychiatrische of residentiële opvang of begeleiding laat niet toe dat de kinderen voltijds in een school aanwezig zijn;

b) de kinderen hebben behoefte aan een individueel of geïndividualiseerd aanbod dat in de residentiële omgeving verstrekt wordt;

6° type 6, voor kinderen met een visuele beperking.

Kinderen met een visuele beperking zijn kinderen bij wie op basis van specifieke oogheelkundige diagnostiek een gezichtsstoornis werd vastgesteld die beantwoordt aan minstens een van de volgende criteria :

a) een optimaal gecorrigeerde gezichtsscherpte die kleiner dan of gelijk is aan 3/10 voor het beste oog;

b) een of meer gezichtsvelddefecten die meer dan 50% van de centrale zone van 30° beslaan of die het gezichtsveld concentrisch tot minder dan 20° verkleinen;

c) een volledige altitudinale hemianopsie, een oftalmoplegie, een oculomotorische apraxie of een oscillopsie.

Onder altitudinale hemianopsie wordt verstaan: halfzijdige blindheid of blindheid in de helft van het gezichtsveld met verschillende varianten die door hersenbeschadiging veroorzaakt is.

Onder oculomotorische apraxie wordt verstaan: het niet kunnen fixeren van de ogen op één voorwerp en het niet kunnen volgen van bewegende voorwerpen.

Onder oftalmoplegie wordt verstaan : verlamming van de oogspieren.

Onder oscillopsie wordt verstaan: subjectieve instabiliteit van het gezichtsveld of het symptoom waarbij het beeld dat iemand van de omgeving heeft, beweegt zodra het hoofd wordt bewogen;

d) een ernstige gezichtsstoornis die uit een geobjectiveerde cerebrale pathologie voortvloeit, zoals cerebrale visuele inperking;

e) een door een oogarts geobjectiveerde visuele problematiek die niet tot criterium a) tot en met d) terug te brengen is, maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;

7° type 7, voor kinderen met een auditieve beperking of een spraak- of taalstoornis.

Kinderen met een auditieve beperking zijn kinderen die, op basis van een audiologisch onderzoek door een neus-, keel- en oorarts, beantwoorden aan een van de onderstaande criteria :

a) volgens de Fletcher-index een gemiddeld gehoorverlies hebben voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz van 40 dB of meer voor het beste oor zonder correctie;

b) als de Fletcher-index minder dan 40 dB bedraagt: een foneemscore van 80% of minder hebben bij de spraakaudiometrie met woorden met een medeklinker-klinker- medeklinker-samenstelling bij 70 dB geluidsterkte;

c) een door een neus-, keel- en oorarts geobjectiveerde auditieve problematiek hebben die niet terug te brengen is tot criterium a) of b), maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten.

Kinderen met een spraak- of taalstoornis zijn kinderen zonder een verstandelijke beperking, zoals bepaald in 2°, waarvoor, op basis van een multidisciplinair onderzoek door een erkend gespecialiseerd team met minstens een logopedist, audioloog en neus-, keel- en oorarts, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld :

a) voor leerlingen jonger dan 6 jaar :

1) kinderafasie met een terugval in de taalontwikkeling of;

2) een vermoeden van ontwikkelingsdysfasie, gebaseerd op de vaststelling van een zeer moeizame spraak- en taalontwikkeling en met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;

b) voor leerlingen vanaf 6 jaar: diagnose ontwikkelingsdysfasie of kinderafasie;

8° type 9, voor kinderen met een autismespectrumstoornis en die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.

Kinderen met een autismespectrumstoornis zijn kinderen bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld :

a) de autistische stoornis;

b) een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet-anders-omschreven.

Het basisaanbod buitengewoon onderwijs wordt niet erkend, gefinancierd of gesubsidieerd in het buitengewoon kleuteronderwijs.

§ 2. De regering legt diagnostische protocollen vast voor de oriëntering naar de types als vermeld in § 1, 2° tot 8°.]

Decr. 21-3-2014

Art. 11.

§ 1. Het geïntegreerd basisonderwijs is een samenwerking tussen het gewoon [gefinancierd of gesubsidieerd ]² basisonderwijs en het [buitengewoon [[gefinancierd of gesubsidieerd ]] onderwijs]¹. Het is bedoeld om leerlingen met een handicap en/of leer- en opvoedingsmoeilijkheden tijdelijk of permanent, gedeeltelijk of volledig de lessen of activiteiten te laten volgen in een school voor gewoon [gefinancierd of gesubsidieerd ]² basisonderwijs met hulp vanuit een school voor [buitengewoon [[gefinancierd of gesubsidieerd ]] onderwijs]¹ die daartoe aanvullende lestijden en/of aanvullende uren krijgt en via het werkingsbudget een integratietoelage of -krediet krijgt.

[ ]¹ Decr. 14-7-1998; [ ]² Decr. 7-7-2006; [[ ]] Decr. 7-7-2006

§ 2. De integratie is permanent wanneer de leerling ten minste vanaf de laatste schooldag van september van het lopende schooljaar tot het einde van dat schooljaar de lessen en activiteiten in het gewoon basisonderwijs volgt. Wanneer deze periode korter is, is de integratie tijdelijk.

§ 3. Wanneer de geïntegreerde leerling alle lessen of activiteiten in het gewoon basisonderwijs volgt is de integratie volledig. Bij gedeeltelijke integratie volgt de leerling minstens twee halve dagen per week gewoon basisonderwijs.

[Afdeling 3. - Overleg fundamentele onderwijshervormingen

Art. 11bis.

De regering informeert de afgevaardigden van de inrichtende machten en de representatieve vakorganisaties over elke geplande fundamentele onderwijshervorming.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de afgevaardigden van de inrichtende machten een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de afgevaardigden van de inrichtende machten.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de representatieve vakorganisaties een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de representatieve vakorganisaties.]

Decr. 8-5-2009

[Afdeling 3bis. - Screening niveau onderwijstaal, taaltraject en taalbad

Art. 11ter.

§ 1. Voor elke leerling die voor het eerst in het gewoon lager onderwijs instroomt, voert de school een verplichte screening uit, die nagaat wat het niveau van de leerling inzake de onderwijstaal is. Deze screening kan nooit voor de inschrijving van de leerling uitgevoerd worden en gebeurt met een valide en betrouwbaar screeningsinstrument. Indien de resultaten van deze screening daar aanleiding toe geven, voorziet de school een taaltraject dat aansluit bij de beginsituatie en de specifieke noden van de betrokken leerling inzake de onderwijstaal.

§ 2. Voor leerlingen die bij de eerste instroom in het gewoon lager onderwijs de onderwijstaal onvoldoende beheersen om de lessen te kunnen volgen, kunnen scholen een taalbad organiseren.

Met taalbad wordt bedoeld voltijdse en intensieve onderwijsactiviteiten die tot doel hebben de leerling door onderdompeling in de onderwijstaal deze onderwijstaal te laten verwerven in functie van een snelle integratie in de reguliere onderwijsactiviteiten.

Schoolbesturen kunnen dit taalbad individueel of gezamenlijk organiseren. De duur van het taalbad voor de leerling is maximaal een jaar.

§ 3. In het geval scholen het taalbad gezamenlijk organiseren, is er wederzijdse samenwerking tussen de school van inschrijving en de school die het taalbad aan de leerling verstrekt. Dat houdt onder andere in het organiseren van het vervoer van de ingeschreven leerling naar de school waar het taalbad wordt georganiseerd, de communicatie tussen de school van inschrijving en de school waar het taalbad wordt georganiseerd, het opvolgen van de leerling die het taalbad volgt door de school waar de leerling is ingeschreven.

§ 4. De leerkracht die het onderwijs in het taalbad verstrekt, wordt betrokken bij de beslissing over de duur van het taalbad.

§ 5. Na het taalbad integreert de leerling zich in de school van inschrijving waar hij de reguliere onderwijsactiviteiten volgt.

§ 6. In afwijking van artikel 3, 22°, a), wordt het inrichten van een taalbad niet beschouwd als een herstructurering.

§ 7. De leerlingen die een taalbad volgen, tellen alleen mee voor financiering of subsidiering in de school waar ze zijn ingeschreven op de teldag.]

Decr. 19-7-2013

HOOFDSTUK IV. - Leerlingen in het basisonderwijs

Afdeling 1. - Toelatingsvoorwaarden

Onderafdeling A. - Algemene toelatingsvoorwaarden voor het basisonderwijs

Art. 12.

[§ 1. Om toegelaten te worden in het kleuteronderwijs moet een kind ten minste twee jaar en zes maanden zijn.

§ 2. Voor het gewoon kleuteronderwijs gelden voor kinderen tussen twee jaar en zes maanden en drie jaar de volgende instapdata :

1° de eerste schooldag na de zomervakantie;

2° de eerste schooldag na de herfstvakantie;

3° de eerste schooldag na de kerstvakantie;

4° de eerste schooldag van februari;

5° de eerste schooldag na de krokusvakantie;

6° de eerste schooldag na de paasvakantie;

[[7° de eerste schooldag na hemelvaartsdag.]] ]

Decr. 14-2-2003; [[ ]] Decr.15-7-2005

Art. 13.

[§ 1. Om toegelaten te worden tot het gewoon lager onderwijs moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar. Als hij nog niet de leeftijd van zeven jaar heeft bereikt of zal bereiken voor 1 januari van het lopende schooljaar, moet hij bovendien aan een van de volgende voorwaarden voldoen :

1°[[ het voorgaande schooljaar ingeschreven zijn geweest in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende Nederlandstalige school voor kleuteronderwijs en gedurende die periode ten minste 220 halve dagen aanwezig geweest zijn; halve dagen aanwezigheid in de rijdende kleuterschool zoals bepaald in artikel 168 van dit decreet worden beschouwd als aanwezigheid in de erkende school waar de leerling ingeschreven is;]]²

2°[[toegelaten zijn door de klassenraad.

De beslissing omtrent de toelating wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk de tiende schooldag van september bij inschrijving vóór 1 september van het lopende schooljaar, of, bij inschrijving vanaf 1 september, uiterlijk tien schooldagen na deze inschrijving. In afwachting van deze mededeling is de leerling ingeschreven onder opschortende voorwaarde. Bij overschrijding van de genoemde termijn is de leerling ingeschreven.

De schriftelijke mededeling aan de ouders van een negatieve beslissing bevat tevens de motivatie.]]³

3°[[...]]³

§ 2. Met uitzondering van de eerste zin is paragraaf 1 niet van toepassing op leerlingen die worden ingeschreven in Franstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten die deel uitmaken van het Nederlandse taalgebied.

[[§ 2bis. In afwijking van § 1, 1°, bepaalt de Vlaamse Regering wanneer een leerling geacht wordt voldoende aanwezig te zijn, wanneer de school overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt.]]¹

§ 3. De leerling die met toepassing van dit artikel verplicht wordt ingeschreven in het kleuteronderwijs, kan voor het onderricht in een van de erkende godsdiensten of de niet-confessionele zedenleer lessen bijwonen in de lagere school die zijn ouders daarvoor kiezen.

§ 4. Om toegelaten te worden tot het buitengewoon lager onderwijs moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar.]

Decr. 20-3-2009; [[ ]]¹ Decr. 9-7-2010; [[ ]]² Decr. 21-12-2012; [[ ]]³ Decr. 25-4-2014

Art. 14.

Behoudens afwijkingen, zoals bepaald in artikel 19, volgt de leerling in het gewoon onderwijs zes jaar lager onderwijs en in het buitengewoon onderwijs zeven jaar lager onderwijs.

Onderafdeling B. - Bijkomende toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon basisonderwijs

Art. 15.

[§ 1. Naast de toelatingsvoorwaarden bepaald in de artikelen 12, § 1, en 13, § 4, is voor de toelating van een leerling tot het buitengewoon onderwijs, met uitzondering voor de toelating tot type 5, een verslag van een CLB vereist, opgesteld met inachtname van artikel 37 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, waaruit blijkt :

1° dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;

2° dat met toepassing van de principes van artikel 8, tweede lid, de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;

3° dat de onderwijsbehoeften van de leerling werden omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap;

4° dat de onderwijsbehoeften niet louter toe te schrijven zijn aan een SES-kenmerk van de leerling, vermeld in artikel 133;

5° welk type voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 10, § 1, 1° tot 8°, met uitzondering van 5°.

Voor de toelating van een leerling tot het type 5, als vermeld in artikel 10, § 1, 5°, is een attest vereist dat uitgereikt is door de behandelende geneesheer van de medische of psychiatrische voorziening ofwel door de directeur van de residentiële setting. De Vlaamse Regering bepaalt wat het attest moet inhouden.

§ 2. Voor een leerling die voor het eerst naar school gaat en wil starten in het buitengewoon onderwijs moet in afwijking van § 1, 1° en 2°, worden aangetoond dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling in het gemeenschappelijk curriculum mee te nemen en moet in afwijking van § 1, 5°, bepaald worden welk type voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 10, § 1, 2° tot 8°, met uitzondering van 5°.

§ 3. [[Het verslag bestaat uit een attest en een protocol ter verantwoording. De regering bepaalt wat het attest moet inhouden. Het protocol ter verantwoording bevat de verantwoording van de elementen vermeld in paragraaf 1, 1° tot 5°, en, in voorkomend geval, in paragraaf 2.]]

§ 4. Een leerling kan alleen het buitengewoon onderwijs volgen van het type waarnaar hij in het verslag georiënteerd wordt, met uitzondering van type 5.

§ 5. Voor leerlingen die tijdens het schooljaar 2014-2015 ingeschreven waren in een school voor buitengewoon onderwijs geldt § 1 alleen bij wijziging van onderwijsniveau of van type.

§ 6. Wanneer niet meer voldaan is aan de voorwaarden van § 1, 2° en 3°, kan het CLB op eigen initiatief, op vraag van de ouders of op vraag van de school, het verslag opheffen.

§ 7. Bij onenigheid tussen ouders, school en CLB over het afleveren van het verslag kan, op initiatief van een van de betrokken partijen, een beroep gedaan worden op een Vlaamse Bemiddelingscommissie.

De regering bepaalt de samenstelling, de bevoegdheden en de werkingsprincipes van deze commissie.]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Onderafdeling C. - Bijkomende toelatingsvoorwaarden voor het geïntegreerd basisonderwijs

Art. 16.

[§ 1. Naast de toelatingsvoorwaarden bepaald in de artikelen 12 en 13 is voor de toelating van een leerling tot het geïntegreerd onderwijs [[en om in aanmerking te komen voor aanvullende financiering of subsidiëring]] een gemotiveerd verslag van een CLB vereist, waaruit blijkt :

1° dat, met toepassing van de principes van artikel 8, tweede lid, het inzetten van de ondersteuning in het kader van het geïntegreerd onderwijs, in combinatie met compenserende of dispenserende maatregelen, nodig en voldoende geacht wordt om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen;

2° dat de leerling voldoet aan de criteria van een van de punten van artikel 10, § 1, 1° tot 8°, met uitzondering van 5°;

3° dat de leerling ten minste negen maanden voltijds buitengewoon onderwijs in het betreffende type heeft gevolgd, onmiddellijk voorafgaand aan zijn toelating tot het geïntegreerd basisonderwijs, indien blijkt dat hij voldoet aan de criteria van artikel 10, § 1, 1°.

De regering bepaalt de inhoud van het gemotiveerd verslag en kan in uitvoering van artikel 173septies de bepaling van artikel 16, § 1, 3°, opheffen.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor een leerling, die toegelaten werd tot het geïntegreerd onderwijs op basis van een inschrijvingsverslag voor het buitengewoon onderwijs, slechts een gemotiveerd verslag opgemaakt bij wijziging van het onderwijsniveau, van het type, de aard van de integratie, of de aard en de ernst van de handicap.

§ 3. [[Bij wijziging van het onderwijsniveau, van het type, van de aard van de integratie of van de aard en de ernst van de handicap, wordt een nieuw gemotiveerd verslag opgesteld.]]

§ 4. Wanneer voor een leerling die beschikt over een verslag als vermeld in artikel 15 een gemotiveerd verslag wordt opgemaakt, vervalt het verslag als vermeld in artikel 15.]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Onderafdeling D. - Afwijkingen op de algemene toelatingsvoorwaarden

Art. 17.

[§ 1. In het gewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar nog één schooljaar in het kleuteronderwijs ingeschreven worden. In dit geval is de leerling onderworpen aan de controle op de leerplicht. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.

Voor leerplichtige kinderen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is enkel een advies van een CLB vereist.

§ 2. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar in het kleuteronderwijs ingeschreven worden. In dit geval is de leerling onderworpen aan de controle op de leerplicht. Het volgen van kleuteronderwijs kan daarna nog met één schooljaar verlengd worden. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.]

Decr.13-7-2001

Art. 18.

[§ 1.[[In afwijking van artikel 13, § 1, kan een leerling die vijf jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar in het gewoon lager onderwijs ingeschreven worden na advies van het CLB en na toelating door de klassenraad overeenkomstig artikel 13, § 1, 2°.]]

§ 2 en § 3.[[...]]

§ 4. In afwijking van artikel 13, § 4, kan een leerling die 5 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar in het buitengewoon lager onderwijs ingeschreven worden.

Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB, nemen de ouders een beslissing over de inschrijving.

§ 5. De leerling die 5 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar en die in het lager onderwijs wordt ingeschreven, is onderworpen aan de leerplicht.]

Decr. 9-7-2010; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Art. 19.

[§ 1. In het gewoon onderwijs kan een leerling, in afwijking van artikel 14, minimum 4 jaar [[...]]¹ en maximum 8 jaar in het lager onderwijs doorbrengen met dien verstande dat een leerling die 15 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar geen lager onderwijs meer kan volgen.

Voor toelating tot het achtste jaar is een gunstig advies van de klassenraad en een advies van het CLB vereist.

§ 2. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling, in afwijking van artikel 14, maximum 9 jaar in het lager onderwijs doorbrengen met dien verstande dat een leerling die 15 jaar is vóór 1 januari van het lopende schooljaar geen lager onderwijs meer kan volgen.

Voor de leerlingen die 13 of 14 jaar zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nemen de ouders een beslissing na kennisneming van en toelichting bij het advies van de klassenraad en het CLB.

[[Een inschrijving in het type basisaanbod is maximaal twee schooljaren geldig. Aan het einde van deze periode volgt een evaluatie door de klassenraad en het CLB. Wanneer de klassenraad en het CLB op basis van deze evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs en een verder verblijf in het basisaanbod nodig is, bevestigt het CLB dit door de opmaak van een nieuw verslag, als vermeld in artikel 15, dat de inschrijving verlengt met maximaal twee schooljaren. Ten laatste na twee schooljaren volgt opnieuw een evaluatie. Wanneer de klassenraad en het CLB op basis van de evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen wel proportioneel zullen zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs dan :

1° ondersteunen de school voor buitengewoon onderwijs en het CLB de ouders bij het vinden van een school voor gewoon onderwijs waar de leerling kan ingeschreven worden;

2° maken de betrokken scholen, de CLB's en de ouders afspraken in functie van een vlotte overgang van de leerling van de school voor buitengewoon onderwijs naar de school voor gewoon onderwijs.]]² ]

Decr. 13-7-2001; [[ ]]¹ Decr. 19-7-2013; [[ ]]² Decr. 21-3-2014

Onderafdeling E. - Regelmatige leerling

Art. 20.

[§ 1. Een regelmatige leerling is een leerling die :

1° voldoet aan de toelatingsvoorwaarden zoals bepaald in de artikelen 12, 13, 15, of 16 of die hiervan afwijkt bij toepassing van de artikelen 17, 18 of 19;

2° slechts in één school is ingeschreven.

§ 2. In het lager onderwijs, of als leerplichtige in het kleuteronderwijs, moet de leerling daarenboven voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° aanwezig zijn, behoudens gewettigde afwezigheid;

2° deelnemen aan alle onderwijsactiviteiten die voor hem of zijn leergroep worden georganiseerd, behoudens vrijstelling bedoeld in de artikelen 29 en 30. [[Deelnemen aan het taalbad wordt beschouwd als een onderwijsactiviteit die voor hem of zijn leerlingengroep wordt georganiseerd.]]³

[[...]]¹

§ 3.[[...]]² ]

Decr. 14-2-2003; [[ ]]¹ Decr. 10-7-2003; [[ ]]² Decr. 7-7-2006; [[ ]]³ Decr. 19-7-2013

Art. 21.

[Bij schoolverandering tussen de eerste schooldag van september en de laatste schooldag van juni is de nieuwe inschrijving rechtsgeldig [[vanaf de dag waarop]] de directie van de nieuwe school de schoolverandering schriftelijk heeft meegedeeld aan de directie van de oorspronkelijke school. De mededeling gebeurt of wel bij aangetekend schrijven of bij afgifte tegen ontvangstbewijs. In geval van betwisting geldt de datum van de poststempel van het aangetekend schrijven of de datum van het ontvangstbewijs.]

Decr. 20-10-2000; [[ ]] Decr. 19-7-2013

Art. 22.

§ 1. De regering regelt de controle op de inschrijvingen, ze bepaalt op welke wijze dubbele inschrijvingen geregulariseerd worden, ze regelt de controle op de leerplicht en op het geregeld schoolbezoek van de leerplichtigen en bepaalt in welke gevallen afwezigheid gewettigd is.

[De regering neemt maatregelen om de kleuterparticipatie te stimuleren en kan met dat doel gegevens met betrekking tot niet-ingeschreven kleuters uitwisselen met door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instellingen die het welzijn van kinderen beogen en met de gemeenten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie.]

Decr. 1-2-2008

§ 2. De directie is verplicht medewerking te verlenen aan de controle op de inschrijvingen en het geregeld schoolbezoek.

[§ 3. [[...]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 30-11-2007

Art. 23.

[In afwijking van [[artikel 20, § 1, 2°]], worden de leerlingen die onderwijs volgen in een school van type 5 of een dienst bedoeld in artikel X.1, 2°, van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV beschouwd als regelmatige leerling in de school waar zij zijn ingeschreven. Deze school heeft daardoor de verplichting alle medewerking te verlenen bij het onderwijs dat aldus aan haar leerling verstrekt wordt.]¹

De leerling is daarenboven regelmatige leerling :

in de ziekenhuisschool, voor de dagen dat hij ten minste één lestijd onderwijs krijgt;

in het preventorium, wanneer voldaan is aan de bepalingen van [artikel 20, § 1, 1°, en § 2]².

[ ]¹ Decr. 14-2-2003; [ ]² Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. 8-5-2009

Art. 24.

§ 1. In afwijking van [artikel 20, § 1, 2°] zijn leerlingen die geïntegreerd onderwijs volgen afhankelijk van de aard van integratie, regelmatige leerling in de dienstverlenende en/of in de gastschool.

§ 2. De regering bepaalt de wijze waarop een regelmatige leerling in het geïntegreerd onderwijs, hetzij in de gastschool, hetzij in de dienstverlenende school, hetzij in beide, in aanmerking komt voor de vaststelling van de personeelsformatie, het werkingsbudget en andere voorzieningen.

Decr. 8-5-2009

Afdeling 2. - Rechten en plichten van leerlingen en ouders

Onderafdeling A. - Vrije keuze, leerplicht en de inschrijving

Art. 25.

§ 1. Ouders kunnen hun kinderen onderwijs laten volgen in een school of ze kunnen kiezen voor huisonderwijs.

Ouders hebben bovendien de vrije keuze tussen officieel onderwijs en vrij onderwijs.

Dit betekent dat de Gemeenschap verplicht is :

1° op verzoek van ouders die officieel onderwijs in een school zoals bedoeld in [artikel 97] wensen en dat binnen een afstand van vier kilometer niet vinden, hetzij een officiële school zoals bedoeld in [artikel 97] in de financierings- of subsidiëringsregeling op te nemen, hetzij tussen te komen in de kosten van het vervoer naar dergelijke officiële school;

2° op verzoek van ouders die vrij onderwijs gebaseerd op een erkende godsdienst of vrij onderwijs gebaseerd op een erkende levensbeschouwing wensen en dat binnen een afstand van vier kilometer niet vinden hetzij dergelijke vrije school in de subsidiëringsregeling op te nemen, hetzij tussen te komen in de kosten van het vervoer naar dergelijke vrije school.

Decr.14-2-2003

[§ 1bis. De tussenkomst in de kosten van het vervoer bedoeld in § 1, 1° en 2°, bedraagt voor het gesubsidieerd onderwijs per schooljaar 75 % van de kostprijs van een treinkaart van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen. De Vlaamse Regering stelt de nadere uitvoeringsregels met betrekking tot de toekenning en de uitbetaling van deze tussenkomst vast.

Het Gemeenschapsonderwijs neemt de tussenkomst in de kosten van het vervoer bedoeld in § 1, 1°, ten laste van haar werkingsmiddelen.]

Decr. 22-6-2007

§ 2. Opdat de Gemeenschap de in § 1, 1° en 2° bedoelde verplichting om een officiële of een vrije school in de financierings- of subsidiëringsregeling op te nemen, op zich moet nemen, zijn er ten minste ouders van zestien leerlingen nodig.

§ 3. Het Vlaams Parlement kan de afstandsregeling bedoeld in § 1, 1° en 2° vervangen door regio's of subregio's, door het Vlaams Parlement vastgesteld, waarbinnen de verplichtingen betreffende de vrije keuze moeten worden nagekomen.

[Art. 25bis.

[[...]] ]

Decr. 7-7-2006; [[ ]] Decr. 21-3-2014

Art. 26.

§ 1. Ouders zijn verplicht ervoor te zorgen dat hun leerplichtig kind daadwerkelijk onderwijs volgt, dit wil zeggen ingeschreven is in een school en er regelmatig aanwezig is, of huisonderwijs volgt. [Voor leerplichtige leerlingen in het basisonderwijs is de leerplicht voltijds.]

Voor de leerplichtige van vreemde nationaliteit geldt dit vanaf de zestigste dag na de inschrijving in het vreemdelingen- of in het bevolkingsregister zoals bepaald in artikel 1, § 7 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.

Decr. 25-4-2014

§ 2. Indien het kind in de onmogelijkheid verkeert om onderwijs te volgen, kan de [onderwijsinspectie], op vraag van de ouders, beslissen tot een tijdelijke of permanente vrijstelling van de leerplicht.

Decr. 21-3-2014

§ 3. [Inbreuken op de regelgeving met betrekking tot de leerplicht worden gesanctioneerd conform artikel 5 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.]

Decr. 25-4-2014

[Art. 26bis.

Ouders die opteren voor huisonderwijs zoals voorzien in artikel 25, § 1, verbinden zich ertoe onderwijs te verstrekken of te laten verstrekken dat beantwoordt aan volgende minimumeisen :

1° het onderwijs is gericht op de ontplooiing van de volledige persoonlijkheid en de talenten van het kind en op de voorbereiding van het kind op een actief leven als volwassene;

2° het onderwijs bevordert het respect voor de grondrechten van de mens en voor de culturele waarden van het kind zelf en van anderen.

[[Art. 26bis/l.

§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs moeten uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar waarin de leerplichtige huisonderwijs volgt, een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs, indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

De informatie over het huisonderwijs moet minstens de volgende elementen bevatten :

1° de persoonsgegevens van de ouders en de leerplichtige die het huisonderwijs volgt;

2° de gegevens van wie het huisonderwijs zal geven, met inbegrip van het opleidingsniveau van de lesgever(s) van het huisonderwijs;

3° de taal waarin het huisonderwijs zal worden verstrekt;

4° de periode wanneer het huisonderwijs zal plaatsvinden;

5° de onderwijsdoelen die met het huisonderwijs zullen worden nagestreefd;

6° de afstemming van het huisonderwijs op de leerbehoeften van de leerplichtige;

7° en, de bronnen en leermiddelen die zullen worden gebruikt voor het huisonderwijs.

De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zullen hiertoe een document ter beschikking stellen.

In afwijking van het eerste lid dienen ouders die hun leerplichtige kinderen inschrijven in één van volgende scholen, geen verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie in te dienen :

1° Europese scholen;

2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° scholen gelegen in het buitenland.

§ 2. In afwijking van de termijn, vermeld in paragraaf 1, kunnen de ouders van volgende leerplichtigen steeds een verklaring van huisonderwijs en bijhorende informatie over het huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap :

1° leerplichtigen die zich in de loop van een schooljaar domiciliëren in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;

2° leerplichtigen die in de loop van een schooljaar naar het buitenland gaan, maar gedomicilieerd blijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;

3° leerplichtigen die begeleid worden door een centrum voor leerlingenbegeleiding en indien dat centrum voor leerlingenbegeleiding na de nodige informatie door de ouders, geen gemotiveerd bezwaar indient tegen het starten met huisonderwijs, binnen de tien werkdagen nadat het betrokken centrum voor leerlingenbegeleiding op de hoogte werd gesteld van de verklaring.]]²

[[Art. 26bis/2.

§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs zijn verplicht de leerplichtige in te schrijven bij de examencommissie met het oog op het verkrijgen van een getuigschrift Basisonderwijs als vermeld in artikel 56, uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige elf jaar is geworden voor 1 januari [[[, of, indien de leerplichtige geboren werd in 2002, uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige twaalf jaar is geworden voor 1 januari.]]].

Als de leerplichtige zich niet tijdig aandient bij de examencommissie of na maximaal twee pogingen en uiterlijk in het schooljaar waarin hij of zij dertien jaar is geworden voor 1 januari het getuigschrift Basisonderwijs niet verkrijgt, moeten de ouders de leerplichtige inschrijven, hetzij in een school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :

1° Europese scholen;

2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° scholen gelegen in het buitenland.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 moeten ouders van de volgende leerplichtigen, de leerplichtige niet inschrijven bij de examencommissie :

1° leerplichtigen aan wie een centrum voor leerlingenbegeleiding uitdrukkelijk een vrijstelling geeft voor het examen, vermeld in paragraaf 1;

2° indien de leerplichtige in het bezit is van een individuele gelijkwaardigheidsbeslissing met minstens het niveau van het basisonderwijs;

3° leerplichtigen die ingeschreven zijn in één van volgende scholen :

a) Europese scholen;

b) internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

c) internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

d) scholen gelegen in het buitenland.]]²

Art. 26ter.

§ 1. De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen omschreven in artikel 26bis.

§ 2. De ouders zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de controle op het huisonderwijs.

§ 3. Wanneer de controle van de onderwijsinspectie niet aanvaard wordt of wanneer de onderwijsinspectie bij twee opeenvolgende controles vaststelt dat het verstrekte onderwijs kennelijk niet beantwoordt aan de in artikel 26bis bedoelde doelstellingen, schrijven de ouders de leerling in [[hetzij in een school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :

1° Europese scholen;

2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° scholen gelegen in het buitenland.]]².

[[Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht voor de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend mits de onderwijsinspectie voorafgaandelijk toestemming verleent. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt. De regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast.]]¹

Art. 26quater.

De Vlaamse regering bepaalt de formele voorwaarden die moeten vervuld worden bij het organiseren van huisonderwijs.

[[Art. 26quater/1.

De artikelen 26bis tot en met 26quater zijn niet van toepassing op het huisonderwijs als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan.]]² ]

Decr. 14-2-2003; [[ ]]¹ Decr. 22-6-2007; [[ ]]² Decr. 19-7-2013; [[[ ]]] Decr. 25-4-2014

Art. 27.

[In de door de gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde basis-, kleuter- of lagere scholen kan geen direct of indirect inschrijvingsgeld worden gevraagd. Evenmin kunnen er bijdragen worden gevraagd voor kosten die gemaakt worden om een eindterm te realiseren of een ontwikkelingsdoel na te streven.

De lijst met materialen die bij gebruik kosteloos ter beschikking dienen gesteld te worden om de eindtermen te realiseren of de ontwikkelingsdoelen na te streven, vormt een bijlage 1 bij dit decreet.]

Decr. 6-7-2007

[Art. 27bis.

§ 1. Het schoolbestuur kan aan de ouders een bijdrage vragen voor :

1° activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor het realiseren van de eindtermen of het nastreven van de ontwikkelingsdoelen;

2° verplichte materialen die niet begrepen zitten onder artikel 27 en waarvan de ouders het te besteden bedrag niet zelf kunnen bepalen;

3° meerdaagse extra-muros activiteiten.

§ 2. [[Voor de berekening van het maximumbedrag van de bijdrage, vermeld in § 1, 1° en 2°, wordt vanaf 1 september 2015 uitgegaan van de volgende basisbedragen per schooljaar: - voor het kleuteronderwijs: 40 euro; - voor het lager onderwijs: 80 euro. Deze basisbedragen zijn per schooljaar aanpasbaar op basis van de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie begint volgens de volgende formule: Nx = basisbedrag (Cx/100,60); waarbij: Nx gelijk is aan het geïndexeerde bedrag voor schooljaar x-y; Cx de gezondheidsindex is van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar (x) waarin het schooljaar begint; 100,6 de gezondheidsindex is van de maand januari 2014. Hierbij wordt Nx afgerond naar het hoger gelegen geheel getal dat een veelvoud is van vijf.]]²

§ 3. In afwijking van § 1, 2°, kan het schoolbestuur beslissen om de bijdrage die aan de ouders gevraagd wordt voor verplichte kledij die omwille van een sociale finaliteit aangeboden wordt, niet op te nemen in de maximumfactuur. Deze afwijking is enkel mogelijk mits schriftelijk advies van de schoolraad.

§ 4. [[Voor de berekening van het maximumbedrag van de bijdrage in § 1, 3°, wordt vanaf 1 januari 2012 uitgegaan van het volgende basisbedrag voor het lager onderwijs : 360 euro.

Dit bedrag is per schooljaar aanpasbaar op basis van de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie begint volgens de volgende formule :

Nx = 360(Cx/107,85);

waarbij :

Nx gelijk is aan het geïndexeerde bedrag voor schooljaar x-y;

Cx de gezondheidsindex is van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar (x) waarin het schooljaar begint;

107,85 de gezondheidsindex is van de maand januari 2008.

Hierbij wordt Nx afgerond naar het hoger gelegen geheel getal dat een veelvoud is van vijf.

Voor het kleuteronderwijs mag er geen bijdrage gevraagd worden voor meerdaagse extra-murosactiviteiten.]]¹

Art. 27ter.

§ 1. De kosten die niet vervat zitten in artikel 27bis, § 1, zijn niet onderworpen aan de maximumfactuur. Deze kosten worden kenbaar gemaakt in de bijdrageregeling. De gevraagde kostprijs moet steeds in verhouding zijn tot de geleverde prestatie.

§ 2. Na overleg binnen de schoolraad legt het schoolbestuur de lijst vast van bijdragen die aan de ouders kunnen worden gevraagd, zoals bepaald in artikel 27bis en § 1 van dit artikel evenals de afwijkingen die op deze bijdrageregeling worden toegekend.

[[Deze bijdragen kunnen niet in één keer aan de ouders gevraagd worden, maar enkel gespreid over minstens drie keer gedurende het schooljaar.]]¹

§ 3. Vragen in verband met de toepassing van de beginselen vermeld in de artikelen 27, 27bis en 27ter en klachten in verband met inbreuken op deze beginselen kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de Commissie Zorgvuldig Bestuur, bedoeld in artikel V.21 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek.

Art. 27quater.

Het kostgeld van een leerplichtig kind wiens ouders geen vaste verblijfplaats hebben, en toevertrouwd is aan één van de erkende internaten, vermeld in artikel 21 van het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs of aan gelijk welk ander internaat toegevoegd aan een gesubsidieerde school, georganiseerd door een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten, door een andere openbare of privépersoon, valt ten laste van zijn ouders.

De gemeenschap draagt bij in het kostgeld. Deze bijdrage wordt toegevoegd aan de werkingstoelagen toegekend aan het erkend internaat, aan het internaat toegevoegd aan een gesubsidieerde school of aan het autonoom internaat en wordt in mindering gebracht op het in het vierde lid bedoelde kostgeld. Deze bijdrage is gelijk aan de bijdrage, vermeld in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit, vermeld in het eerste lid.

De bijdrage wordt uitgekeerd aan het internaatsbestuur dat het kind huisvest op voorlegging van een staat ingediend door het internaatsbestuur en juist verklaard door de bevoegde diensten van Agodi.

Het internaatsbestuur bepaalt autonoom het kostgeld.]

Decr. 6-7-2007; [[ ]]¹ Decr. 23-12-2011; [[ ]]² Decr. 19-12-2014

Art. 28.

[§ 1. Bij de [[...]]³ inschrijving van hun kind informeert het schoolbestuur de ouders schriftelijk over onder meer :

1° de juridische aard en de samenstelling van hun schoolbestuur;

2° het pedagogisch project van de school;

3° de organisatie van de schooluren;

4° de voor- en naschoolse opvang indien daarin voorzien is;

5° het leerlingenvervoer indien daarin voorzien is;

6° [[...]]³

7° het begeleidend CLB;

[[8° de samenstelling van de scholengemeenschap indien de school behoort tot een scholengemeenschap;]]¹

[[9° de samenstelling van de schoolraad.]]²

§ 2. In afwijking van § 1 informeert het schoolbestuur van een ziekenhuisschool, bij de [[...]]³ inschrijving, de ouders schriftelijk over onder meer :

1° de wijze waarop ouders overleg kunnen plegen met de directie van de school en contact kunnen opnemen met de voorzitter van het schoolbestuur;

2° het pedagogisch project van de school;

3° het begeleidend CLB.]

Decr. 13-7-2001; [[ ]]¹ Decr. 10-7-2003; [[ ]]² Decr. 7-7-2006; [[ ]]³ Decr. 9-7-2010

Art. 29.

[Bij elke inschrijving] van hun leerplichtig kind in het officieel lager onderwijs bepalen de ouders, bij ondertekende verklaring, of hun kind een cursus in één der erkende godsdiensten of een cursus niet-confessionele zedenleer volgt. Deze keuze kunnen zij bij het begin van elk schooljaar wijzigen.

Ouders die op basis van hun religieuze of morele overtuiging bezwaren hebben tegen het volgen van één van de aangeboden cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer bekomen op aanvraag een vrijstelling.

De regering legt het model van de ondertekende verklaring en de procedure tot het bekomen van de vrijstelling vast en bepaalt op welke wijze de lestijden waarvoor men is vrijgesteld moeten ingevuld worden. [De lestijden waarvoor men is vrijgesteld mogen niet worden ingevuld met activiteiten die betrekking hebben op andere leergebieden.]

Decr.14-2-2003

Art. 30.

[...]

Decr. 21-3-2014

Art. 31.

[Bij verandering van school door een leerling worden tussen de betrokken scholen leerlingengegevens overgedragen onder de volgende gezamenlijke voorwaarden :

1° de gegevens hebben enkel betrekking op de leerlingspecifieke onderwijsloopbaan;

2° de overdracht gebeurt enkel in het belang van de persoon op wie de onderwijsloopbaan betrekking heeft;

3° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de ouders er zich expliciet tegen verzetten, na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien;

[[4° een verslag of een gemotiveerd verslag van een CLB in het kader van het decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften dient verplicht te worden overgedragen door de oude school aan de nieuwe school. Tevens zal het CLB dat verbonden was aan de oude school een verslag of een gemotiveerd verslag verplicht overdragen aan het CLB dat verbonden is met de nieuwe school. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen deze overdrachten niet verzetten.]]

Gegevens die betrekking hebben op schending van leefregels door de leerling zijn echter nooit tussen scholen overdraagbaar.]

Decr. 4-4-2014; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Onderafdeling B. - [Preventieve schorsing, tijdelijke en definitieve uitsluiting van leerlingen]

Decr. 4-4-2014

Art. 32.

[§ 1. Een preventieve schorsing is een uitzonderlijke maatregel die de directeur of zijn afgevaardigde voor een leerplichtige leerling in het lager onderwijs kan hanteren als bewarende maatregel om de leefregels te handhaven en om te kunnen nagaan of een tuchtsanctie aangewezen is. De leerling mag gedurende maximaal vijf opeenvolgende schooldagen de lessen en activiteiten van zijn leerlingengroep niet volgen. De directeur of zijn afgevaardigde kan, mits motivering aan de ouders, beslissen om desbetreffende periode eenmalig met maximaal vijf opeenvolgende schooldagen te verlengen indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond. De preventieve schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en de school stelt de ouders in kennis van de preventieve schorsing. De school voorziet opvang voor de leerling, tenzij de school aan de ouders motiveert waarom dit niet haalbaar is.

§ 2. De directeur of zijn afgevaardigde kan, in uitzonderlijke gevallen, een leerplichtige leerling in het lager onderwijs tijdelijk uitsluiten. Een tijdelijke uitsluiting is een tuchtsanctie die inhoudt dat de gesanctioneerde leerling gedurende minimaal één schooldag en maximaal vijftien opeenvolgende schooldagen de lessen en activiteiten van zijn leerlingengroep niet mag volgen. Een nieuwe tijdelijke uitsluiting kan enkel na een nieuw feit. De school voorziet opvang voor de leerling, tenzij de school aan de ouders motiveert waarom dit niet haalbaar is.

Met betrekking tot een tijdelijke uitsluiting voorziet de school in een interne beroepsprocedure die vastgelegd is in het schoolreglement.

§ 3. De directeur of zijn afgevaardigde kan, in uitzonderlijke gevallen, een leerplichtige leerling in het lager onderwijs definitief uitsluiten. Een definitieve uitsluiting is een tuchtsanctie die inhoudt dat de gesanctioneerde leerling wordt uitgeschreven op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk één maand, vakantieperioden tussen 1 september en 30 juni niet inbegrepen, na de schriftelijke kennisgeving, vermeld in artikel 33, 5°. In afwachting van een inschrijving in een andere school mag de gesanctioneerde leerling de lessen en activiteiten van zijn leerlingengroep niet volgen. De school voorziet opvang voor de leerling, tenzij de school aan de ouders motiveert waarom dit niet haalbaar is.

Tegen deze beslissing is beroep mogelijk zoals voorzien in artikel 37/4.]

Decr. 4-4-2014

Art. 33.

[Tijdelijke en definitieve uitsluitingen kunnen alleen uitgevoerd worden na een procedure die de rechten van verdediging waarborgt en waarin de volgende principes gerespecteerd worden :

1° het voorafgaandelijke advies van de klassenraad moet worden ingewonnen. In geval van een definitieve uitsluiting moet de klassenraad uitgebreid worden met een vertegenwoordiger van het CLB die een adviserende stem heeft;

2° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de ouders schriftelijk ter kennis gebracht;

3° de ouders en de leerling hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling, met inbegrip van het advies van de klassenraad, en worden gehoord, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon;

4° de tuchtstraf moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten;

5° de genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd en ter kennis gebracht aan de ouders van de betrokken leerling. De school verwijst in de kennisgeving naar de mogelijkheid tot het instellen van het beroep en neemt de bepalingen uit het schoolreglement die hier betrekking op hebben, op in die kennisgeving.]

Decr. 4-4-2014

Onderafdeling C. - Onderwijs aan huis

Art. 34.

[§ 1. Leerlingen die vijf jaar of ouder geworden zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school, hebben, onder de voorwaarden door de regering bepaald, recht op tijdelijk onderwijs aan huis, synchroon internetonderwijs of een combinatie van beiden.

§ 2. Bij langdurige afwezigheid wegens ziekte of ongeval van een regelmatig ingeschreven leerplichtige leerling is het schoolbestuur verplicht om de ouders te informeren over het recht op, de mogelijkheden van en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis en van synchroon internetonderwijs.

§ 3. De uitdrukkelijke vraag van de ouders voor een leerling als vermeld in paragraaf 1, verplicht het schoolbestuur er toe om tijdelijk onderwijs aan huis of synchroon internetonderwijs te organiseren. De verplichting om tijdelijk onderwijs aan huis in te richten, vervalt voor de school ten aanzien van de leerling of de kleuter gedurende zijn verblijf in een preventorium of ziekenhuis waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of bij zijn opname in een dienst bedoeld in artikel X.1, 2°, van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV. Tijdens een dergelijk verblijf of opname kan synchroon internetonderwijs wel verder lopen.

§ 4. De regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis en voor synchroon internetonderwijs, bepaalt wat onder langdurige afwezigheid moet begrepen worden, hoe het onderwijs aan huis en het synchroon internetonderwijs georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en wie synchroon internetonderwijs kan organiseren, onder welke voorwaarden en volgens welke subsidiëringsmodaliteiten. Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een afwezigheid vanwege een chronische ziekte.

§ 5. De regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van lestijden tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden, vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.]

Decr. 25-4-2014

Art. 35.

§ 1. [Leerlingen die vijf jaar of ouder geworden zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar ]¹ die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 15, § 1, maar voor wie het omwille van een handicap permanent onmogelijk is [...]¹ onderwijs te volgen op school, hebben na gunstig advies van de [onderwijsinspectie]², recht op permanent onderwijs aan huis.

§ 2. [De ouders kiezen in overleg met het CLB de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon onderwijs van hun vrije keuze om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. Omwille van omstandigheden eigen aan het kind en mits omstandige motivering kan een andere school voor buitengewoon onderwijs worden gekozen.]²

[ ]¹ Decr. 8-5-2009; [ ]² Decr. 21-3-2014

Art. 36.

De regering bepaalt op welke wijze het permanent onderwijs aan huis georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het permanent onderwijs aan huis te organiseren.

Onderafdeling D. - Schoolreglement

Art. 37.

[§ 1. Een schoolbestuur moet, met uitzondering van de ziekenhuisscholen, voor elk van zijn scholen met toepassing van de regelgeving inzake medezeggenschap een schoolreglement opstellen dat de betrekkingen tussen het schoolbestuur en de ouders en leerlingen regelt.

§ 2. Voor het kleuteronderwijs bevat het schoolreglement ten minste de volgende elementen :

1° geldelijke en niet-geldelijke ondersteuning die niet afkomstig is van de Vlaamse Gemeenschap en de rechtspersonen die daarvan afhangen;

2° de bijdrageregeling bedoeld in [[artikel 27ter, § 2]]³;

[[3° de engagementsverklaring tussen de school en de ouders waarin wederzijdse afspraken worden opgenomen over oudercontact, voldoende aanwezigheid, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement ten aanzien van de onderwijstaal.

Met betrekking tot het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal bevat het schoolreglement de bepaling dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren [[[en dat de ouders positief staan ten aanzien van extra initiatieven en maatregelen die de school neemt om de taalachterstand van hun leerlingen weg te werken.]]]. [[[Scholen gelegen in een gemeente waar een lokaal overlegplatform, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling I, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende de gelijke onderwijs-kansen-I, is opgericht, kunnen andere bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal toevoegen op voorwaarde dat daarover in het lokaal overlegplatform een akkoord is bereikt.

Scholen gelegen in een gemeente waar geen lokaal overlegplatform is opgericht, kunnen andere bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal toevoegen op voorwaarde dat daarover een akkoord bereikt is met minstens twee derde van de scholen met dezelfde onderwijstaal gelegen in die gemeente.]]]¹;]]²

[[4° de afspraken inzake het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, de controle op de naleving ervan en de sancties die kunnen opgelegd worden bij overtreding van het rookverbod;]]³

[[5° de afspraken in verband met onderwijs aan huis;]]³

[[6° de wijze waarop in voorkomend geval de schoolraad en ouderraad, vermeld in artikel 10 en 46 in het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad, worden samengesteld;

7° het recht op inzage door de ouders en hun recht op toelichting bij de gegevens die op de leerling betrekking hebben, waaronder de evaluatiegegevens, die worden verzameld door de school. Indien na de toelichting blijkt dat de ouders een kopie willen van de leerlingengegevens, hebben ze kopierecht. Indien de school hiervoor een vergoeding vraagt, is deze voorzien in de bijdrageregeling van het schoolreglement. Iedere kopie dient persoonlijk en vertrouwelijk behandeld te worden, mag niet verspreid worden noch publiek worden gemaakt en mag enkel gebruikt worden in functie van de onderwijsloopbaan van de leerling. Als bepaalde gegevens ook een derde betreffen en volledige inzage in de gegevens door ouders afbreuk zou doen aan het recht van de derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, wordt de toegang tot deze gegevens verstrekt via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage;

8° informatie over extra-murosactiviteiten;]]6

[[9° de vermelding dat bij schoolverandering leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe school tenzij, en voor zover de regelgeving de overdracht niet verplicht stelt, de ouders er zich expliciet tegen verzetten na op hun verzoek deze gegevens te hebben ingezien.]]7

§ 3. Voor het lager onderwijs bevat het schoolreglement ten minste de volgende elementen :

1°[[het reglement inzake tucht en schending van de leefregels van de leerlingen met inbegrip van een preventieve schorsing, een tijdelijke uitsluiting of een definitieve uitsluiting en inzake de beroepsprocedure zoals vermeld in artikel 32, § 2, en onderafdeling F van deze afdeling, inbegrepen het hanteren van redelijke en haalbare termijnen;]]6

2°[[de procedure volgens dewelke het getuigschrift basisonderwijs wordt toegekend, met inbegrip van de beroepsprocedure vermeld in onderafdeling E van deze afdeling;]]6

3° bepalingen in verband met onderwijs aan huis;

4° richtlijnen inzake afwezigheden en te laat komen;

5° afspraken in verband met huiswerk, agenda's[[, leerlingenevaluatie]]6 en rapporten;

6° geldelijke en niet-geldelijke ondersteuning die niet afkomstig is van de Vlaamse Gemeenschap en de rechtspersonen die daarvan afhangen;

7° de bijdrageregeling bedoeld in [[artikel 27ter, § 2]]³;

[[8° de wijze waarop de leerlingenraad[[[, schoolraad en ouderraad als vermeld in artikel 10 en 46 in het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad, in voorkomend geval worden]]]4 samengesteld;]]¹

[[9° de engagementsverklaring tussen de school en de ouders waarin wederzijdse afspraken worden opgenomen over oudercontact, voldoende aanwezigheid, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement ten aanzien van de onderwijstaal.

Met betrekking tot het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal bevat het schoolreglement de bepaling dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren [[[en dat de ouders positief staan ten aanzien van extra initiatieven en maatregelen die de school neemt om de taalachterstand van hun leerlingen weg te werken.]]]³. [[[Scholen gelegen in een gemeente waar een lokaal overlegplatform, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling I, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I, is opgericht, kunnen andere bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal toevoegen op voorwaarde dat daarover in het lokaal overlegplatform een akkoord is bereikt.

Scholen gelegen in een gemeente waar geen lokaal overlegplatform is opgericht, kunnen andere bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal toevoegen op voorwaarde dat daarover een akkoord bereikt is met minstens twee derde van de scholen met dezelfde onderwijstaal gelegen in die gemeente.]]]²;]]²

[[10° de afspraken inzake het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, de controle op de naleving ervan en de sancties die kunnen opgelegd worden bij overtreding van het rookverbod;]]³

[[11° het recht op inzage door de ouders en hun recht op toelichting bij de gegevens die op de leerling betrekking hebben, waaronder de evaluatiegegevens, die worden verzameld door de school. Indien na de toelichting blijkt dat de ouders een kopie willen van de leerlingengegevens, hebben ze kopierecht. Indien de school hiervoor een vergoeding vraagt, is deze voorzien in de bijdrageregeling van het schoolreglement. Iedere kopie dient persoonlijk en vertrouwelijk behandeld te worden, mag niet verspreid worden noch publiek worden gemaakt en mag enkel gebruikt worden in functie van de onderwijsloopbaan van de leerling. Als bepaalde gegevens ook een derde betreffen en volledige inzage in de gegevens door ouders afbreuk zou doen aan het recht van de derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, wordt de toegang tot deze gegevens verstrekt via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage;

12° informatie over extra-murosactiviteiten;]]6

[[13° de vermelding dat bij schoolverandering leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe school tenzij, en voor zover de regelgeving de overdracht niet verplicht stelt, de ouders er zich expliciet tegen verzetten na op hun verzoek deze gegevens te hebben ingezien.]]7

§ 4. [[...]]5

[[§ 5. Voor materies waarbij ouders een individuele keuze kunnen maken, die door een regelgeving gegarandeerd wordt, kan die individuele keuze niet via het schoolreglement geregeld worden.]]4 ]

Decr. 13-7-2001; [[ ]]¹ Decr. 2-4-2004; [[ ]]² Decr. 20-3-2009; [[ ]]³ Decr. 8-5-2009; [[ ]]4 Decr. 1-7-2011; [[ ]]5 Decr. 25-11-2011; [[ ]]6 Decr. 4-4-2014; [[ ]]7 Decr. 19-6-2015; [[[ ]]]¹ Decr. 1-7-2011; [[[ ]]]² Decr. 21-12-2012; [[[ ]]]³ Decr. 19-7-2013; [[[ ]]]4 Decr. 4-4-2014

[Onderafdeling E. Beroepsmogelijkheid tegen het niet verkrijgen van het getuigschrift basisonderwijs

Art. 37/1.

Ouders die niet akkoord gaan met het niet toekennen van een getuigschrift basisonderwijs aan hun kind, hebben toegang tot een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het schoolreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling. Ouders kunnen evenwel slechts een beroep instellen na het overleg zoals bepaald in artikel 55.

De ouders stellen het beroep in bij het schoolbestuur. Het beroep wordt gedateerd en ondertekend en vermeldt ten minste het voorwerp van het beroep met beschrijving van de feiten en motivering van de ingeroepen bezwaren. Bij deze beschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd.

Art. 37/2.

Het beroep als vermeld in artikel 37/1 dat behandeld wordt door de beroepscommissie leidt tot :

1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als :

a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het schoolreglement, is overschreden;

b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het schoolreglement;

2° hetzij de bevestiging van het niet toekennen van het getuigschrift basisonderwijs, hetzij de toekenning van het getuigschrift basisonderwijs. Het schoolbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor de beslissing van de beroepscommissie.

Het resultaat van het beroep wordt aan de ouders schriftelijk ter kennis gebracht uiterlijk op 15 september daaropvolgend.

Art. 37/3.

§ 1. De beroepscommissie wordt opgericht door het schoolbestuur.

§ 2. Het schoolbestuur bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;

2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van de klassenraad die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen, waaronder alleszins de directeur of zijn afgevaardigde, eventueel aangevuld met een lid van het schoolbestuur; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan dat schoolbestuur en aan de school die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet uit te reiken.

In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen :

a) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;

b) wordt een lid van de ouderraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt a) van toepassing is;

3° de voorzitter wordt door het schoolbestuur onder de externe leden aangeduid.

§ 3. Het schoolbestuur bepaalt de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;

2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3° een beroepscommissie hoort de ouders in kwestie;

4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad die het getuigschrift basisonderwijs niet toegekend heeft;

5° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van individuele personeelsleden van het onderwijs;

6° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de reglementaire onderwijsbepalingen en met het schoolreglement.]

Decr. 4-4-2014

[Onderafdeling F. Beroepsmogelijkheid tegen definitieve uitsluiting

Art. 37/4.

§ 1. De ouders die een beslissing tot definitieve uitsluiting betwisten, hebben toegang tot een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het schoolreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling.

De ouders stellen het beroep in bij het schoolbestuur. Het verzoekschrift wordt gedateerd en ondertekend en vermeldt ten minste het voorwerp van beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren. Bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken gevoegd worden.

Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie.

§ 2. Het beroep als vermeld in § 1 door een beroepscommissie leidt tot :

1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als :

a) de in het schoolreglement opgenomen termijn voor indiening van het beroep is overschreden;

b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het schoolreglement;

2° hetzij de bevestiging van de definitieve uitsluiting, hetzij de vernietiging van de definitieve uitsluiting. Het schoolbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor deze beslissing van de beroepscommissie.

§ 3. Het resultaat van het beroep wordt aan de ouders gemotiveerd en schriftelijk ter kennis gebracht binnen de vervaltermijn bepaald in het schoolreglement.

Bij overschrijding van deze vervaltermijn is de omstreden definitieve uitsluiting van rechtswege nietig.]

Art. 37/5.

§ 1. De beroepscommissie wordt opgericht door het schoolbestuur.

§ 2. Het schoolbestuur bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° de samenstelling van de beroepscommissie kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;

2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden intern aan het schoolbestuur of aan de school waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, met uitzondering van de directeur of zijn afgevaardigde die de beslissing heeft genomen; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het schoolbestuur en aan de school waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen.

In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen :

a) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;

b) wordt een lid van de ouderraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt a) van toepassing is;

3° de voorzitter wordt door het schoolbestuur onder de externe personen aangeduid.]

Art. 37/6.

§ 1. Het schoolbestuur bepaalt de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;

2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3° een beroepscommissie hoort de ouders in kwestie;

4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad die een advies over de definitieve uitsluiting heeft gegeven;

5° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden van het onderwijs;

6° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het schoolreglement.

§ 2. Het beroep schort de uitvoering van de beslissing tot uitsluiting niet op.]

Decr. 4-4-2014

[Afdeling 3. - Recht op inschrijving

Onderafdeling A. Beginselen

Art. 37bis.

[[§ 1. Elke leerling heeft recht op inschrijving in de school of vestigingsplaats, gekozen door zijn ouders. Is de leerling 12 jaar of ouder, dan gebeurt de schoolkeuze in samenspraak met de leerling. Bij de keuze van vestigingsplaats wordt rekening gehouden met het aanwezige onderwijsaanbod zoals bepaald in afdeling 1 van hoofdstuk III.

§ 2. Voorafgaand aan een inschrijving biedt het schoolbestuur schriftelijk of via elektronische drager het pedagogisch project als vermeld in artikel 28, § 1, 2°, en 47, § 1, 1°, en het schoolreglement, vermeld in artikel 37, aan de ouders en de leerling aan en geeft hierbij, indien de ouders dit wensen, toelichting. Indien het schoolbestuur het pedagogisch project of het schoolreglement via elektronische drager ter beschikking stelt, vraagt het de ouders of ze een papieren versie wensen te ontvangen.

De inschrijving wordt genomen na ondertekening voor akkoord van de ouders van dit pedagogisch project en dit schoolreglement.

Bij elke wijziging van het pedagogisch project of het schoolreglement informeert het schoolbestuur de ouders schriftelijk of via elektronische drager over die wijziging en geeft hierbij, indien ouders dit wensen, toelichting. Ouders geven opnieuw schriftelijk akkoord. Ouders die erom verzoeken, ontvangen steeds een papieren versie van het pedagogisch project of het schoolreglement. Indien de ouders zich met de wijziging niet akkoord verklaren, dan wordt aan de inschrijving van het kind een einde gesteld op 31 augustus van het lopende schooljaar.

Een wijziging van het pedagogisch project of schoolreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving.

§ 3. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar.

De inschrijvingen voor de kleuters, die tijdens een bepaald schooljaar wel twee jaar en zes maanden worden maar op de laatste instapdatum van dat schooljaar niet meer kunnen instappen, starten op dezelfde dag als de inschrijvingen voor de andere kleuters van hetzelfde geboortejaar.

Scholen maken de start van hun inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden. Scholen die deel uitmaken van een LOP maken de start van hun inschrijvingen minstens via het LOP bekend.

§ 4. Behoudens de bij decreet of besluit bepaalde gevallen van uitschrijving [[[...]]]³, geldt een inschrijving van een leerling in een school voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school.

Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen heen, tenzij de capaciteit van de vestigingsplaats is of wordt overschreden overeenkomstig artikel 37novies of de leerling er niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet. De voortgang van het leerproces, waarbij een verandering van vestigingsplaats noodzakelijk is, kan niet worden gestuit.

[[[Het behoud van inschrijving kan, als de vestigingsplaats, het niveau in de vestigingsplaats(en) of het type in de vestigingsplaats(en) van de leerling betrokken is bij een herstructurering en verdwijnt uit de school, ook gegarandeerd worden in een andere school betrokken bij de herstructurering of in een andere school van hetzelfde schoolbestuur, gelegen op een billijke afstand. Het behoud van inschrijving wordt, als de school van de leerling betrokken is bij een fusie, gegarandeerd in de fusieschool of in een andere school van hetzelfde schoolbestuur gelegen op een billijke afstand. In voorkomende situaties informeert het schoolbestuur de betrokken ouders.]]]4

§ 5. In afwijking van paragraaf 4 kunnen schoolbesturen van basisscholen waarvan de capaciteit van het kleuteronderwijs groter is dan die van het lager onderwijs, opteren voor een nieuwe inschrijving bij de overgang tussen beide onderwijsniveaus. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.

§ 6. Indien zijn betrokken scholen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan een schoolbestuur ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van een autonome kleuterschool naar een lagere of basisschool de inschrijvingen van de ene naar de andere school te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.]]¹

[[§ 7. Indien zijn betrokken scholen of vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan een schoolbestuur ervoor opteren om de desbetreffende scholen of vestigingsplaatsen als één geheel te beschouwen en één capaciteit, overeenkomstig artikel 37novies, § 1, te bepalen voor de verschillende scholen of vestigingsplaatsen, gelegen binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden door hetzij maximaal twee kadastrale percelen, hetzij door een weg, samen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheden gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.]]³

Onderafdeling B. - Voorrangsregelingen

Art. 37ter.

[[§ 1. [[[ [[[[Elke inschrijvingsperiode begint met de verschillende voorrangsperiodes, waarbij eerst voorrang verleend wordt aan de leerlingen, vermeld in artikel 37quater, dan aan de leerlingen, vermeld in artikel 37quinquies, dan in voorkomend geval aan de leerlingen, vermeld in artikel 37sexies, en dan aan de leerlingen, vermeld in artikel 37septies.]]]]

Op voorwaarde dat geen enkele leerling, gevat door de betrokken voorrangsperiodes, geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 37novies, § 4, kunnen twee of meerdere voorrangsperiodes voor de inschrijvingen voor een bepaald schooljaar samen genomen worden.

Op voorwaarde dat geen enkele leerling, gevat door de betrokken voorrangsperiodes, geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 37novies, § 4, kunnen twee of meerdere voorrangsperiodes voor de inschrijvingen voor een bepaald schooljaar samen of apart starten vanaf de eerste schooldag van september van het voorafgaande schooljaar. Indien de betrokken scholen gelegen zijn in het werkingsgebied van een LOP, moet de voorrangsperiode voor de leerlingen vermeld in artikel 37septies starten in overeenstemming met artikel 37bis, § 3. Indien de betrokken scholen gelegen zijn buiten het werkingsgebied van een LOP, kunnen de inschrijvingen van de leerlingen die niet gevat worden door een voorrangsperiode, al dan niet samen met de inschrijvingen van de leerlingen gevat door een voorrangsperiode, ook starten vanaf de eerste schooldag van september van het voorgaande schooljaar op voorwaarde dat geen enkele leerling geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 37novies, § 4.

[[[[In afwijking van het derde lid, kunnen voor scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, enkel de voorrangsperiodes, vermeld in artikel 37quater en artikel 37quinquies, samen genomen worden.]]]]

Met uitzondering van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 37quinquies, duurt elke voorrangsperiode minimaal twee weken. Binnen elke voorrangsperiode gebeuren de inschrijvingen chronologisch.

In afwijking van het eerste lid zijn scholen voor type 5 niet verplicht om de voorrangsperiodes te hanteren.]]]¹

§ 2. Voor de scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP maakt het LOP afspraken over de voorrangsperiodes en worden deze minstens door het LOP bekendgemaakt aan alle belanghebbenden uit het werkingsgebied.

Voor scholen buiten een werkingsgebied van een LOP worden de voorrangsperiodes bepaald in overleg met de schoolbesturen van alle scholen binnen dezelfde gemeente. De schoolbesturen maken de voorrangsperiodes bekend aan alle belanghebbenden.]]¹

Art. 37quater.

Elke leerling die tot dezelfde [[leefentiteit]]² behoort als een reeds ingeschreven leerling, heeft bij voorrang op alle leerlingen, een recht op inschrijving in de betrokken school of de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen op basis van artikel 37bis, § 6.

Art. 37quinquies.

[[Met behoud van de toepassing van artikel 37quater geeft een schoolbestuur voor zijn scholen voorrang aan kinderen van personeelsleden van de school of van de scholen die de inschrijving van de ene naar de andere school laten doorlopen op basis van artikel 37bis, § 6, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen.

Met personeelsleden als vermeld in het eerste lid wordt bedoeld :

1° personeelsleden als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leer- lingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in de school;

2° personeelsleden die via een arbeidsovereenkomst werden aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld worden in de school.]]¹

Art. 37sexies.

[[§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 37quater en artikel 37quinquies, geven schoolbesturen voor hun scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voorrang aan leerlingen met minstens één ouder, als vermeld in artikel 3, 41°, die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

§ 2. Om van de voorrangsregeling, vermeld in paragraaf 1, gebruik te kunnen maken, toont de ouder op één van volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is :

1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;

2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;

3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst minstens op niveau [[[B2]]]4 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken :

a) een studiebewijs van door de Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

[[[c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;]]]4

4°[[[...]]]4

5° door het voorleggen van het bewijs dat hij 9 jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager én secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.

§ 3. Schoolbesturen bepalen voor hun scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder, als vermeld in artikel 3, 41°, die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

Het aantal leerlingen vermeld in het eerste lid moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 55 % leerlingen in de school met minstens één ouder, als vermeld in artikel 3, 41°, die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Binnen het LOP van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan afgesproken worden om een hoger percentage dan 55 te hanteren.

[[[Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, zal door een schoolbestuur bepaald worden voor elke, overeenkomstig artikel 37novies, § 1, door het schoolbestuur bepaalde capaciteit.]]]4

Het LOP maakt het overeengekomen percentage en de bepaalde aantallen bekend aan alle belanghebbenden.

[[[Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands, mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder als vermeld in artikel 3, 41°, die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in artikel 3, 41°, die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1.]]]4

§ 4. Leerlingen die naast de voorwaarde, vermeld in paragraaf 2, ook beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 37septies, § 3, tellen niet mee voor het bereiken van het in paragraaf 3 vermelde aantal. Deze leerlingen worden ingeschreven tot het contingent voor de leerlingen die beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 37septies, § 3, bereikt is.]]¹

Art. 37septies.

[[§ 1. Een schoolbestuur bepaalt voor al zijn scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP twee contingenten die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.

Een schoolbestuur kan voor een of meer van zijn scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP twee contingenten als bedoeld in het eerste lid bepalen.

De vooropgestelde contingenten zijn gericht op het verkrijgen van een evenredige verdeling van de leerlingen vermeld in het eerste en het tweede lid in de scholen in het werkingsgebied van het LOP of de betrokken gemeente buiten het werkingsgebied van een LOP.

[[[De twee contingenten samen vormen 100 procent en kunnen door een schoolbestuur bepaald worden op die niveaus waarvoor het schoolbestuur overeenkomstig artikel 37duodecies, § 1, een inschrijvingsregister hanteert. In scholen in het werkingsgebied van een LOP en aanmeldende scholen moeten contingenten bepaald worden voor kleuters geboren in de twee meest recente kalenderjaren waarvoor inschrijvingen voor het betrokken schooljaar mogelijk zijn en voor het eerste jaar van het lager onderwijs. Indien de school geen apart inschrijvingsregister hanteert voor de twee meest recente kalenderjaren waarvoor inschrijvingen voor het betrokken schooljaar mogelijk zijn en voor het eerste jaar van het lager onderwijs moeten de contingenten bepaald worden respectievelijk voor de niveaus als bedoeld in artikel 37novies, § 1. De contingenten worden door het schoolbestuur bekendgemaakt aan alle belanghebbenden.]]]4

De reeds ingeschreven leerlingen worden op basis van het voldoen aan één of meer of het niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in hun respectieve contingent.

Leerlingen ingeschreven in toepassing van artikel 37quater, artikel 37quinquies, en in voorkomend geval artikel 37sexies, worden op basis van het voldoen aan één of meer of het niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in hun respectieve contingent, zolang het contingent niet bereikt is.

De inschrijving van leerlingen, met uitzondering van de leerlingen bedoeld in artikel 37sexies, § 4, die zich aandienen nadat het contingent waartoe zij behoren vol is, wordt uitgesteld. Deze leerlingen worden chronologisch in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 37duodecies, als uitgesteld ingeschreven. Een uitgestelde inschrijving is niet gelijk aan een niet-gerealiseerde inschrijving, vermeld in artikel 37novies.

Indien, nog voor de voorrangsperiodes afgesloten worden, beide contingenten vol zijn, wordt voor alle leerlingen die in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 37duodecies, vermeld staan als uitgesteld de inschrijving geweigerd en wordt de uitgestelde inschrijving in het inschrijvingsregister gewijzigd in een niet-gerealiseerde inschrijving. De ouders van de leerlingen die op deze wijze niet ingeschreven kunnen worden en alle volgende leerlingen, ontvangen daarvan, in overeenstemming met artikel 37terdecies, § 1, een schriftelijke bevestiging.

Indien, op het moment dat een voorrangsperiode afgesloten wordt, het andere contingent niet vol is, worden de openstaande plaatsen opgevuld met leerlingen die in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 37duodecies, vermeld staan als uitgesteld, indien de ouders dit nog wensen en met respect voor de in het inschrijvingsregister opgenomen chronologie. De leerlingen die op deze wijze niet ingeschreven kunnen worden, worden geweigerd en de ouders ontvangen daarvan, in overeenstemming met artikel 37terdecies, § 1, een schriftelijke bevestiging.

Het LOP maakt voor de start van de inschrijvingen afspraken over :

1° de berekening van de relatieve aanwezigheid in het werkingsgebied of deelgebieden ervan, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen het werkingsgebied of deelgebieden ervan en dit eventueel tot op de niveaus vermeld in artikel 37novies, § 1;

2° de berekening van de relatieve aanwezigheid in vestigingsplaatsen en scholen, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen in de vestigingsplaatsen en scholen en dit eventueel tot op de niveaus vermeld in artikel 37novies, § 1;

3° de niveaus, vermeld in artikel 37novies, § 1, van de school waarop de contingenten bepaald zullen worden en de verschillen die er eventueel tussen de verschillende deelgebieden gemaakt worden;

4° de wijze waarop de contingenten bepaald zullen worden;

5° de wijze waarop enerzijds andere actoren betrokken zullen worden bij de werving, toeleiding en ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van scholen zal gebeuren.

Voor scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP is :

1° de relatieve aanwezigheid in de school of vestigingsplaats de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, en het aantal leerlingen in een school of vestigingsplaats;

2° de relatieve aanwezigheid in de gemeente de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen de gemeente.

Als een schoolbestuur er om vraagt, stelt het AgODi gegevens over het al dan niet voldoen aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van elk van zijn leerlingen ter beschikking van dat schoolbestuur. Daarnaast stelt het AgODi, in voorkomend geval, gegevens ter beschikking van het LOP over het al dan niet voldoen aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van de leerlingen van de scholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP. Deze gegevens zijn afkomstig van de meest recente jaarlijkse centraal georganiseerde telling.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan een schoolbestuur voor één of meer van zijn scholen voor buitengewoon onderwijs gelegen in het werkingsgebied van een LOP twee contingenten bepalen die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.

§ 3. [[[De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn :

1° de leefeenheid als vermeld in artikel 5, 21°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of het gezin heeft een beperkt inkomen;

2° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.]]]4

§ 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.

Voor de indicator, vermeld in § 3, 1°, gelden dan de inkomensgrenzen van de regeling inzake schooltoelagen als richtinggevend.]]¹

Onderafdeling C. - Weigeren

Art. 37octies.

§ 1. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een onderwijszoekende die niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 1. Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar is mogelijk onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende op de dag van de effectieve instap aan de toelatingsvoorwaarden voldoet.

§ 2. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een leerling die in de loop van hetzelfde schooljaar van school verandert, als deze inschrijving tot doel heeft of er in de feiten toe leidt dat de betrokken leerling in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen zal gaan.

Art. 37novies.

[[§ 1. Een schoolbestuur bepaalt voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 37bis, § 3, voor al zijn scholen de capaciteit. Dit is het totaal aantal leerlingen dat het schoolbestuur per niveau, zoals bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, als een maximaal aantal leerlingen ziet.

In het gewoon basisonderwijs bepaalt het schoolbestuur de capaciteit op het niveau van de school, van de vestigingsplaats, het niveau kleuteronderwijs en het niveau lager onderwijs. Het schoolbestuur kan de capaciteit voor het kleuteronderwijs ook op niveau van het geboortejaar en voor het lager onderwijs ook op niveau van het leerjaar bepalen.

Een schoolbestuur kan voor anderstalige nieuwkomers, als bedoeld in artikel 3, 4°quater, een capaciteit bepalen, enkel indien aldus geweigerde leerlingen een plaats gegarandeerd wordt binnen een school, gelegen op een redelijke afstand en rekening houdend met de vrije keuze van de ouders. Schoolbesturen met scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP maken daartoe binnen het LOP afspraken. Een schoolbestuur met scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP maakt daartoe afspraken met de schoolbesturen van scholen gelegen in dezelfde gemeente. De capaciteit voor anderstalige nieuwkomers kan nooit minder zijn dan acht leerlingen [[[voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van meer dan honderd leerlingen, en vier leerlingen voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van maximaal honderd leerlingen]]]4.

In het buitengewoon basisonderwijs bepaalt het schoolbestuur de capaciteit op het niveau van de school, van de vestigingsplaats, het niveau kleuteronderwijs, het niveau lager onderwijs en voor elk type afzonderlijk.

[[[In afwijking van het vierde lid is een schoolbestuur niet verplicht om voor zijn scholen voor type 5 de capaciteit te bepalen.]]]²

§ 2. Met toepassing van paragraaf 1 maakt een schoolbestuur, voor al zijn scholen, de capaciteiten die hij bepaald heeft, bekend aan alle belanghebbenden. Een schoolbestuur deelt voor al zijn scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP de capaciteiten die hij bepaald heeft, mee aan dat LOP.

[[[Daarnaast bepaalt en communiceert een schoolbestuur minstens op volgende momenten het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, desgevallend per contingent :

a) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 37quater;

b) in voorkomend geval voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 37sexies;

c) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 37septies;

d) na de voorrangsperiode, vermeld in artikel 37septies.]]]4

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 kan een schoolbestuur, met toepassing van artikel 37duodecies, § 2, en met toepassing van de overeenkomstig artikel 37septies te bepalen contingenten, de capaciteit, vermeld in paragraaf 1, verhogen na de start van de inschrijvingen.

In gemeenten gelegen in een werkingsgebied van een LOP, moet de verhoging door het LOP zijn goedgekeurd. In gemeenten gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP deelt het schoolbestuur de verhoging ter kennisgeving mee aan de schoolbesturen van de andere scholen gelegen in die gemeente.

§ 4. Een schoolbestuur weigert elke bijkomende inschrijving wanneer de capaciteit, als vermeld in paragraaf 1 en 3, overschreden wordt en als een bijkomende inschrijving na de start van de inschrijvingen voor volgend schooljaar er toe zou leiden dat de capaciteit, als vermeld in paragraaf 1 en 3, voor dat volgend schooljaar overschreden zou worden.

§ 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een schoolbestuur in volgende situaties toch overgaan tot een inschrijving :

1° voor de toelating van een anderstalige nieuwkomer in het gewoon onderwijs;

2° voor de toelating van leerlingen die :

a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;

b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school;

c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;

3° voor de terugkeer van leerlingen in het buitengewoon onderwijs die in het lopende of het voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die in het kader van geïntegreerd onderwijs, als vermeld in artikel 16, in een school voor gewoon onderwijs ingeschreven waren;

4° voor de terugkeer van leerlingen in het gewoon onderwijs die in het lopende of het voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die in een school voor buitengewoon onderwijs ingeschreven waren;

5° voor de toelating van leerlingen die verblijven in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning;

6°[[[voor de toelating van kinderen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze kinderen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in paragraaf 1, en slechts één van de kinderen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit, vermeld in paragraaf 1;]]]²

[[[7° voor leerlingen van scholen, gelegen in een gemeente waar alle scholen de inschrijvingen laten voorafgaan door een aanmeldingsprocedure, wiens continuïteit van de schoolloopbaan niet gegarandeerd kan worden omwille van het feit dat de enige school van een schoolbestuur ophoudt te bestaan, waarbij dit niet kadert in een herstructurering, op voorwaarde dat alle leerlingen van de betrokken school een plaats in andere scholen aangeboden wordt.]]]4 ]]¹

Art. 37decies.

Een schoolbestuur kan de inschrijving weigeren in een school waar de betrokken leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar, overeenkomstig artikel 32 en 33, definitief werd verwijderd.

Art. 37undecies.

[[§ 1. Het recht op inschrijving, vermeld in artikel 37bis, § 1, geldt onverkort voor leerlingen die het gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad.

§ 2. [[[Leerlingen die beschikken over een verslag als vermeld in artikel 15 worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Dit verslag maakt deel uit van de informatie die ouders bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Het ter beschikking stellen van het verslag door de ouders gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum.]]]6

Indien na het overleg de school de disproportionaliteit van de aanpassingen die nodig zijn, bevestigt, wordt de inschrijving ontbonden op het moment dat deze leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk 1 maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit.

Wanneer de school de aanpassingen wel proportioneel acht, komen deze leerlingen op dezelfde wijze als leerlingen met een gemotiveerd verslag in aanmerking voor aanvullende financiering of subsidiëring zoals van toepassing in het kader van het geïntegreerd onderwijs.

§ 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag, als vermeld in artikel 15, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor het daaropvolgende schooljaar te ontbinden.]]4

Onderafdeling D. Procedure

Art. 37duodecies.

[[§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 37novies door het schoolbestuur bepaalde capaciteit een inschrijvingsregister waarin hij alle gerealiseerde, uitgestelde en niet-gerealiseerde inschrijvingen chronologisch, in voorkomend geval per contingent, noteert, in dien verstande dat voor een door het schoolbestuur bepaalde capaciteit die exact uit andere door het schoolbestuur bepaalde capaciteiten bestaat er geen inschrijvingsregister gehanteerd moet worden.

[[[Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert, vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, met behoud van het eerste lid, eveneens de inschrijving in toepassing van artikel 37sexies. Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert voor de niet-gerealiseerde inschrijvingen, met behoud van het eerste lid, eveneens het behoren tot de leerlingen, gevat door artikel 37sexies.]]]4

§ 2. Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 37novies, § 5, wordt voor inschrijvingen, door vrijgekomen plaatsen of door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 37novies, § 3, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, in voorkomend geval, voor de leerlingen wiens inschrijving tijdens de voorrangsperiodes, vermeld in artikel 37ter, § 1, niet gerealiseerd kon worden, per contingent, gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Voor kleuters geboren in het meest recente kalenderjaar dat mogelijk is voor de inschrijvingen van het betrokken schooljaar, wordt deze volgorde gerespecteerd tot en met [[[30 juni van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Uiterlijk vanaf 1 juli geldt de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen van kleuters van hetzelfde geboortejaar voor het volgende schooljaar.]]]4

[[[Vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, wordt in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bij inschrijvingen voor vrijgekomen plaatsen van leerlingen, ingeschreven in toepassing van artikel 37sexies, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, desgevallend per contingent, in toepassing van § 1, tweede lid, gerespecteerd, met behoud van artikel 37quater en 37quinquies.]]]4

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister. [[[...]]]4

§ 4. Het verloop van gerealiseerde en niet-gerealiseerde inschrijvingen kan onderworpen worden aan een controle door het AgODi.]]¹

Art. 37terdecies.

§ 1. Een schoolbestuur dat een leerling weigert, deelt haar beslissing binnen een termijn van vier kalenderdagen bij aangetekend schrijven of tegen afgiftebewijs mee aan de ouders van de leerling en volgens afspraak aan de voorzitter van het lokaal overlegplatform. Indien de school of vestigingsplaats gelegen is buiten het werkgebied van een LOP, meldt het schoolbestuur de niet-gerealiseerde inschrijving aan het AgODi.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model waarmee het schoolbestuur de niet-gerealiseerde inschrijving meedeelt aan de ouders en in voorkomend geval het LOP of het AgODi.

Het model, vermeld in het eerste lid, bevat zowel de feitelijke als de juridische grond van de beslissing tot weigering en bevat de melding dat de ouders voor informatie of bemiddeling een beroep kunnen doen op een LOP of klacht kunnen indienen bij de CLR en de wijze waarop men met een van beide in contact kan treden.

Indien de weigering gebeurde op basis van artikel 37novies, of 37vicies quater, deelt het schoolbestuur mee op welke plaats onder de geweigerde leerlingen opgenomen in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 37duodecies, § 1, de betrokken leerling staat. [[In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad deelt het schoolbestuur eveneens mee welke plaats onder de geweigerde leerlingen, vermeld in artikel 37sexies, de betrokken leerling inneemt.]]³

§ 3. De ouders krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.

Art. 37quater decies.

[[§ 1. Ouders en andere belanghebbenden kunnen naar aanleiding van een niet-gerealiseerde inschrijving, een schriftelijke klacht indienen bij de CLR. Klachten die na de termijn van dertig kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.

§ 2. De CLR oordeelt binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen, die ingaat de dag na die van betekening of van poststempel van de schriftelijke klacht, over de gegrondheid van de niet-gerealiseerde inschrijving.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.

§ 3. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving gegrond acht, schrijven de ouders de leerling in een andere school in.

Indien het om een niet-gerealiseerde inschrijving gaat op basis van artikel 37undecies, schrijven de ouders de leerling in een andere school in uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.

Op vraag van de ouders worden zij bij het zoeken naar een andere school bijgestaan door het LOP, inzonderheid door de CLB's die deel uitmaken van dat LOP.

§ 4. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.

§ 5. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Regering, overeenkomstig artikel 50, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.]]¹

Art. 37quindecies.

[[§ 1. [[[...]]]5

Bij een niet-gerealiseerde inschrijving [[[...]]]5 start het LOP een bemiddeling wanneer de ouders er uitdrukkelijk om verzoeken.

§ 2. Het LOP bemiddelt binnen een termijn van tien kalenderdagen, die ingaat op de dag na de betekening of afgifte, als vermeld in artikel 37terdecies, tussen de leerling en zijn ouders en de schoolbesturen van de scholen binnen het werkingsgebied, met het oog op een definitieve inschrijving van de leerling in een school.

De bemiddeling schort de termijn van dertig kalenderdagen, als vermeld in artikel 37quater decies, § 1, op.

§ 3. Wanneer de bemiddeling van het LOP binnen de termijn, als vermeld in § 2, niet resulteert in een definitieve inschrijving, wordt de CLR gevat om haar oordeel uit te spreken over de gegrondheid van de weigeringsbeslissing. De CLR formuleert dit oordeel binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen die ingaat de dag na het verstrijken van de termijn, als vermeld in § 2.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.

§ 4. Indien de CLR de weigeringsbeslissing gegrond acht, schrijven de ouders de leerling in een andere school in.

Indien het gaat om een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van artikel 37undecies, schrijven de ouders de leerling in een andere school in uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR, als vermeld in § 3, tweede lid.

De ouders kunnen bij het zoeken naar een andere school bijgestaan worden door het LOP, inzonderheid door de CLB's die deel uitmaken van dat LOP.

§ 5. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.

§ 6. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Regering, overeenkomstig artikel 50, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.]]¹

Art. 37sedecies.

§ 1. De CLR kan in een situatie als vermeld in artikel 37quindecies, § 5, de Vlaamse Regering adviseren een bedrag op de werkingsmiddelen van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had van de school terug te vorderen of in te houden.

De CLR stelt de Vlaamse Regering onverwijld in kennis van dit advies.

§ 2. Binnen een termijn van veertien kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het advies, beslist de Vlaamse Regering over het opleggen van een financiële sanctie die kan bestaan uit een terugvordering of inhouding op de werkingsmiddelen van de school.

Voorafgaandelijk aan het opleggen van een sanctie gaat de Vlaamse Regering na of de betrokken leerling alsnog in de betrokken school werd ingeschreven.

§ 3. De terugvordering of inhouding, als vermeld in paragraaf 1 en 2 :

1° kan niet meer bedragen dan tien procent van het werkingsbudget van de school;

2° kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou zijn getroffen.

[[§ 4. Onverminderd de toepassing van § 1 tot § 3, kan de CLR het dossier aanhangig maken bij het orgaan dat in toepassing van artikel 33, § 2, van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap en in toepassing van artikel 40 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid het mandaat heeft van onafhankelijk mechanisme.]]4

Art. 37septies decies.

Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 37quindecies duidt de Vlaamse Regering per provincie, een LOP-deskundige en een onderwijsinspecteur aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen.

Art. 37duodevicies.

Voor de toepassing van artikel 37quater decies tot en met artikel 37septies decies bepaalt de Vlaamse Regering de nadere procedureregelen. Zij garandeert daarbij de hoorplicht.

Afdeling 4. - Aanmeldingsprocedures

Onderafdeling A. - Beginselen

Art. 37undevicies.

[[§ 1. Aanmelden is het kenbaar maken van een intentie tot inschrijven voor een bepaald schooljaar in een of meerdere scholen of vestigingsplaatsen waarbij een volgorde van keuze wordt aangegeven.

§ 2. De aanmeldingsperiode kan bestaan uit meerdere deelperiodes voor de leerlingen vermeld in artikel 37quater, artikel 37quinquies, artikel 37sexies en artikel 37septies. [[[In voorkomend geval wordt het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, gecommuniceerd overeenkomstig artikel 37novies, § 2, tweede lid.]]]4 Met respect voor de bepaalde volgorde kunnen twee of meerdere deelperiodes tegelijk plaatsvinden.

De deelperiodes voor de aanmeldingen van de leerlingen vermeld in artikel 37quater en artikel 37quinquies kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag van september van het voorafgaande schooljaar.

De deelperiodes voor de aanmeldingen van de leerlingen vermeld in artikel 37sexies en artikel 37septies kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar.

Voorafgaand aan en tijdens de aanmeldingsperiode kunnen er geen inschrijvingen gebeuren [[[voor het volgende schooljaar]]]4. Indien de aanmeldingsperiode bestaat uit meerdere deelperiodes mogen de betrokken leerlingen na elke deelperiode, overeenkomstig artikel 37vicies quater, ingeschreven worden.

In afwijking van het vierde lid kan een schoolbestuur voorafgaand aan de deelperiodes vermeld in het derde lid leerlingen als vermeld in artikel 37quater of artikel 37quinquies inschrijven zonder aanmeldingsperiode vanaf de eerste schooldag van september van het voorafgaande schooljaar onder de voorwaarde dat geen enkele van de betrokken leerlingen geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de capaciteit, bedoeld in artikel 37novies, § 4.

[[[Voorafgaand aan de aanmeldingsperiode kunnen er inschrijvingen gebeuren voor het huidige schooljaar. Tijdens de aanmeldingsperiode kan een inschrijving voor het huidige schooljaar gebeuren, op voorwaarde dat :

1° op het moment van de vraag tot inschrijving nog een vrije plaats is;

2° de inschrijving gemeld wordt aan het LOP of voor scholen buiten het werkingsgebied van een LOP aan de schoolbesturen van scholen in dezelfde gemeente;

3° alle leerlingen die gunstig gerangschikt werden tijdens de aanmeldingsperiode ook effectief worden ingeschreven.]]]4

Na de aanmeldingsperiode gebeuren de inschrijvingen, in afwijking van artikel 37ter, § 1, chronologisch.]]¹

Art. 37vicies.

[[Een schoolbestuur kan in één van de volgende situaties een aanmeldingsprocedure instellen :

1° voor het optimaliseren van het inschrijvingsproces;

2° voor het streven naar een evenredige verdeling, zoals bedoeld in artikel 37septies.

Een schoolbestuur kan een aanmeldingsprocedure instellen voor één of meerdere niveaus waarvoor het schoolbestuur overeenkomstig artikel 37duodecies, § 1, een inschrijvingsregister hanteert.]]¹

Art. 37vicies semel.

[[§ 1. In gemeenten waar een LOP aanwezig is, moet de aanmeldingsprocedure bij een dubbele meerderheid door het LOP zijn goedgekeurd.

De dubbele meerderheid is bereikt wanneer de goedkeuring verleend wordt door, enerzijds meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, 1°, 2° en 3°, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I, en anderzijds, meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, 4° tot en met 12°, van voormeld decreet.

§ 2. In gemeenten zonder LOP kan een schoolbestuur of kunnen meerdere schoolbesturen samen na kennisgeving aan de schoolbesturen van de andere scholen actief binnen die gemeenten een aanmeldingsprocedure instellen.

In gemeenten buiten, maar grenzend aan, een werkingsgebied van een LOP, kan een schoolbestuur, mits akkoord van het betrokken LOP, aansluiten bij de door dat LOP goedgekeurde aanmeldingsprocedure, als vermeld in paragraaf 1.

In het geval van aansluiting bij de door het LOP goedgekeurde aanmeldingsprocedure van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, blijven de respectieve ordeningscriteria zoals opgenomen in artikel 37vicies bis en artikel 37vicies ter, onverminderd gelden.

§ 3. De Vlaamse Regering kan, in situaties als vermeld in artikel 37vicies, 1°, een schoolbestuur of meerdere schoolbesturen samen verplichten tot het instellen van een aanmeldingsprocedure voor hun scholen wanneer de vragen tot inschrijving van onderwijszoekenden de door de schoolbesturen, overeenkomstig artikel 37novies bepaalde capaciteit, benaderen of overschrijden en er als dusdanig een capaciteitsprobleem dreigt of heerst waardoor het recht op inschrijving vermeld in afdeling 3 van dit hoofdstuk niet meer kan worden gegarandeerd.

In afwijking van het eerste lid moeten de schoolbesturen die een school, scholen voor buitengewoon onderwijs uitgezonderd, hebben binnen het werkingsgebied van het LOP Antwerpen, Brussel-Hoofdstad of Gent een aanmeldingsprocedure instellen die geldt voor alle scholen, scholen voor buitengewoon onderwijs uitgezonderd, gelegen binnen dat respectieve werkingsgebied.

§ 4. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen voorzien ter ondersteuning van het instellen van een aanmeldingsprocedure, en bepaalt hiervoor de nadere modaliteiten.]]¹

Onderafdeling B. Ordeningscriteria

Art. 37vicies bis.

[[§ 1. Op het einde van de aanmeldingsperiode of een deelperiode ordent het schoolbestuur of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP voor elk van zijn scholen gelegen in het Vlaamse Gewest alle aangemelde leerlingen als volgt :

1°[[[eerst de leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit;]]]²

2° dan de kinderen van personeelsleden van de school, zoals bepaald in artikel 37quinquies;

3° dan de overige kinderen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria :

a) afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats;

b) afstand van het werkadres van één van beide ouders tot de school of vestigingsplaats;

c) toeval. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met minstens ordeningscriterium a), b) of d);

d) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met minstens ordeningscriterium a), b) of c).

Indien leerlingen overeenkomstig artikel 37undevicies § 2, vijfde lid, worden ingeschreven, kunnen schoolbesturen ervoor kiezen om de ordening van de groepen vermeld in 1° of 2° van het eerste lid al dan niet te behouden.

Voor alle betrokken scholen en vestigingsplaatsen geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan kan, op school- of vestigingsplaatsniveau, gemotiveerd afgeweken worden.

§ 2. Indien de vooraf bepaalde capaciteit, als vermeld in artikel 37novies, § 1, bereikt wordt in een te ordenen groep, zoals opgenomen in paragraaf 1, dan wordt binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, als vermeld in paragraaf 1.

Indien slechts één van de vooraf bepaalde contingenten zoals bepaald in artikel 37septies bereikt wordt in een te ordenen groep, zoals opgenomen in paragraaf 1, dan worden de leerlingen binnen die groep van dat contingent geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, als vermeld in paragraaf 1, en nemen ze in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in.

§ 3. Van zodra de vooraf bepaalde capaciteit, als vermeld in artikel 37novies, § 1, bereikt wordt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend met toepassing van paragraaf 1 en 2 van dit artikel, en zo in het aanmeldingsregister, als vermeld in artikel 37vicies quater, § 1, opgenomen.

§ 4. Bij de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3 moet een schoolbestuur, desgevallend met uitzondering van de schoolbesturen voor haar scholen voor buitengewoon onderwijs, of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP betrokken bij een aanmeldingsprocedure de aangemelde leerlingen ordenen met het oog op een evenredige verdeling overeenkomstig artikel 37septies.]]¹

Art. 37vicies ter.

[[§ 1. Op het einde van de aanmeldingsperiode ordent het schoolbestuur of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP voor elk van zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad alle aangemelde leerlingen als volgt :

1°[[[eerst de leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit;]]]²

2° dan de kinderen van personeelsleden van de school, zoals bepaald in artikel 37quinquies;

3° dan kinderen van ouders die in overeenstemming met artikel 37sexies het Nederlands in voldoende mate machtig zijn;

4° dan de overige kinderen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria :

a) afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats;

b) afstand van het werkadres van één van beide ouders tot de school of vestigingsplaats;

c) toeval. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met minstens ordeningscriterium a), b) of d);

d) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met minstens ordeningscriterium a), b) of c).

Indien leerlingen overeenkomstig artikel 37undevicies § 2, vijfde lid, worden ingeschreven, kunnen schoolbesturen ervoor kiezen om de ordening van de groepen vermeld in 1° of 2° van het eerste lid al dan niet te behouden.

Voor alle betrokken scholen en vestigingsplaatsen geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan kan, op school- of vestigingsplaatsniveau, gemotiveerd afgeweken worden.

§ 2. Indien de vooraf bepaalde capaciteit, als vermeld in artikel 37novies, § 1, bereikt wordt in een te ordenen groep, zoals opgenomen in paragraaf 1, dan wordt binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, als vermeld in paragraaf 1. [[[In voorkomend geval gelden de aantallen en het percentage, vermeld in artikel 37sexies, § 3, niet binnen de groep aangemelde leerlingen van dezelfde [[[[leefentiteit]]]] als vermeld in artikel 37quater of de groep aangemelde kinderen van personeelsleden van de school, vermeld in artikel 37quinquies.]]]²

Indien slechts één van de vooraf bepaalde contingenten zoals bepaald in artikel 37septies bereikt wordt in een te ordenen groep, zoals opgenomen in paragraaf 1, dan worden de leerlingen binnen die groep van dat contingent geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, als vermeld in paragraaf 1, en nemen ze in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in. [[[In voorkomend geval gelden de aantallen en het percentage, vermeld in artikel 37sexies, § 3, niet binnen de groep aangemelde leerlingen van dezelfde [[[[leefentiteit]]]] als vermeld in artikel 37quater of de groep aangemelde kinderen van personeelsleden van de school, vermeld in artikel 37quinquies.]]]²

§ 3. Van zodra de vooraf bepaalde capaciteit, als vermeld in artikel 37novies, § 1, bereikt wordt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend met toepassing van paragraaf 1 en 2, en zo in het aanmeldingsregister, als vermeld in artikel 37vicies quater, § 1, opgenomen.

§ 4. Bij de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3 moet een schoolbestuur, desgevallend met uitzondering van de schoolbesturen voor haar scholen voor buitengewoon onderwijs, of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP betrokken bij een aanmeldingsprocedure de aangemelde leerlingen ordenen met het oog op een evenredige verdeling overeenkomstig artikel 37septies.]]¹

Onderafdeling C. Het beëindigen van de aanmeldingsprocedure en het inschrijven van de leerlingen

Art. 37vicies quater.

[[§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 37novies, bepaalde capaciteit betrokken bij de aanmeldingsprocedure, een aanmeldingsregister in dien verstande dat voor een door het schoolbestuur bepaalde capaciteit die exact uit andere door het schoolbestuur bepaalde capaciteiten bestaat er geen aanmeldingssregister gehanteerd moet worden.

Een schoolbestuur komt, per aanmeldingsregister, met toepassing van artikel 37vicies bis of 37vicies ter tot een gunstige of niet-gunstige rangschikking van alle aangemelde leerlingen en neemt die rangschikking op in het aanmeldingsregister. Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, kan het LOP [[[of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur]]]4 de rangschikking van de aangemelde leerlingen in het aanmeldingsregister uitvoeren.

§ 2. Van de scholen of vestigingsplaatsen waar de aangemelde leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen, wijst het schoolbestuur of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP [[[of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur]]]4 de aangemelde leerling toe aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de ouders bij de aanmelding opgaven.

Deze leerling wordt vervolgens verwijderd uit het aanmeldingsregister van de verschillende scholen en vestigingsplaatsen waarvoor de ouders een lagere keuze gemaakt hebben. De daardoor vrijgekomen plaatsen in de aanmeldingsregisters worden, voor zover mogelijk, ingenomen door de op basis van dezelfde combinatie van ordeningscriteria [[[, en in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad met inachtname van artikel 37sexies, § 4,]]]² eerstvolgend gerangschikte leerling.

Het innemen van vrijgekomen plaatsen in het aanmeldingsregister wordt herhaald totdat geen toewijzingen als vermeld in het eerste lid meer mogelijk zijn. [[[Daarna worden de niet-toegewezen leerlingen geordend volgens de ordeningscriteria, vermeld in artikel 37vicies quinquies, § 2, 9°, d).]]]4

De ouders krijgen binnen vier werkdagen na de aldus bekomen definitieve toewijzing schriftelijk of via elektronische drager melding over de school of vestigingsplaats waaraan de aangemelde leerling is toegewezen en over de periode waarbinnen de ouders de aangemelde leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijftien schooldagen.

Aan de ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de ouders een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats, de aangemelde leerling heeft ingenomen.

Indien de ouders binnen de periode, vermeld in het vierde lid, geen gebruikmaken van de mogelijkheid tot inschrijving, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.

Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan de door de ouders opgegeven ordeningscriteria die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, overeenkomstig § 1, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van disfuncties en eerstelijnsklachten, bedoeld in artikel 37vivies quinquies, § 2, 10°, b), leidt tot een andere beslissing.

[[[Wanneer een via aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen.]]]4

[[[Leerlingen wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen worden overeenkomstig artikel 37duodecies, § 2, vervangen. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden, in afwijking van artikel 37duodecies, § 2, leerlingen als vermeld in artikel 37septies die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 37sexies, wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen vervangen door de eerstvolgend gerangschikte leerlingen als vermeld in artikel 37septies die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 37sexies, met behoud van artikel 37quater en artikel 37quinquies. Deze ouders krijgen binnen vier werkdagen na de nodige vaststellingen door het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager melding dat de aangemelde leerling alsnog is toegewezen. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijf schooldagen.]]]4

§ 3. [[[Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden]]]4, krijgen de ouders binnen vier werkdagen, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats.

Aan de ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de ouders hadden gekozen, de aangemelde leerling heeft ingenomen.

§ 4. Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, kan het LOP de schriftelijke meldingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, uitvoeren. [[[De betrokken schoolbesturen kunnen beslissen een niet-gunstige rangschikking gelijk te stellen met een niet-gerealiseerde inschrijving, overeenkomstig artikel 37novies, § 4, en kunnen de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijvingen zoals bepaald in artikel 37ter decies, mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe aangeduide schoolbestuur.]]]4

§ 5. Overeenkomstig artikel 37duodecies en artikel 37vivies quinquies, § 2, 8°, wordt de volgorde van de [[[toegewezen leerlingen en de volgorde van de niet-toegewezen leerlingen]]]4 overgenomen in het inschrijvingsregister.]]¹

Onderafdeling D. - Goedkeuring aanmeldingsprocedures

Art. 37vicies quinquies.

[[ § 1. [[[Uiterlijk op 15 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, legt een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP een voorstel van aanmeldingsprocedure voor aan de CLR.

In afwijking van het eerste lid legt voor het buitengewoon onderwijs een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP dat wenst aan te melden voor type 9 voor de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, het aanmeldingsdossier uiterlijk op 16 februari 2015 voor aan de CLR.]]]4

§ 2. Het dossier daartoe bevat minstens de volgende onderdelen :

1° de start en de duur van de aanmeldingsperiode of alle deelperiodes en de motivering ervan, overeenkomstig artikel 37undevicies;

2° het middel of de middelen tot aanmelden;

3° de wijze waarop scholen hun capaciteit, [[[het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden]]]4 hun aanmeldingsmiddelen, de aanmeldingsperiode of alle deelperiodes en inschrijvingsperiodes bekendmaken;

4°[[[de manier waarop de mogelijkheid om een leerling in één aanmeldingsdossier voor verschillende scholen of vestigingsplaatsen tegelijk aan te melden, indien de aanmeldingsprocedure geldt voor meerdere scholen en vestigingsplaatsen, wordt geoperationaliseerd, waarbij tegelijkertijd vermeden wordt dat voor eenzelfde leerling meerdere aanmeldingsdossiers aangelegd kunnen worden binnen het eigen aanmeldingssysteem;]]]4

5° een regeling waarbij de aanmeldingen van [[[leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit]]]², als vermeld in artikel 37quater, aan elkaar gekoppeld kunnen worden, of een motivering om deze regeling niet te voorzien;

6° de regeling om bij verschillende scholen of vestigingsplaatsen een duidelijke voorkeurorde op te geven;

7° een regeling voor de communicatie aan de ouders, als vermeld in artikel 37vicies quater;

8° een regeling over het bijhouden van het aanmeldingsregister per school of vestigingsplaats en de overdracht van de informatie over de aangemelde leerlingen aan het schoolbestuur;

9° de verdere concretisering van de ordeningscriteria. Dit bestaat uit :

a) het bepalen van de wijze waarop de noties afstand, in afwijking van artikel 3, 4°, en werkadres, bedoeld in artikel 37vicies bis, § 1, 3°, en artikel 37vicies ter, § 1, 4°, gehanteerd worden;

b) de hantering van de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze, bedoeld in artikel 37vicies bis, § 1, 3°, en artikel 37vicies ter, § 1, 4°, gemaakt door de ouders bij de ordening en de toewijzing, als vermeld in artikel 37vicies quater;

c) de hantering van toeval, bedoeld in artikel 37vicies bis, § 1, 3°, en artikel 37vicies ter, § 1, 4°;

d) het bepalen van de verhouding en de volgorde tussen de verschillende gekozen ordeningscriteria [[[, en de ordeningscriteria, in toepassing van artikel 37vicies quater, § 2, derde lid, die gehanteerd worden bij de rangschikking van de niet-toegewezen leerlingen;]]4;

e) het maken van afspraken rond het bepalen van de evenredige verdeling, als vermeld in artikel 37septies, van de scholen en vestigingsplaatsen, met onder meer het bepalen van de geografische omschrijving waarbinnen de toetsing zal gebeuren [[[en de elementen die in overweging worden genomen bij de berekening van de contingenten]]]4;

f) het bepalen van de mate waarin scholen de vrijheid hebben om hun instroom met het oog op de evenredige verdeling, als vermeld in artikel 37septies, te sturen;

g) de gemotiveerde afwijking, vermeld in artikel 37vicies bis, § 1, derde lid, en artikel 37vicies ter, § 1, derde lid;

10° beslissingen aangaande de uitvoeringsmodaliteiten :

a) de wijze waarop ouders en scholen bij de aanmeldingsprocedure ondersteund zullen worden en wie daarbij betrokken zal zijn;

b) de wijze waarop zal omgegaan worden met de behandeling van disfuncties en eerstelijnsklachten over het verloop van de aanmeldingsprocedure;

c) de wijze waarop enerzijds de werving, de toeleiding en de ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van scholen zal gebeuren met het oog op de evenredige verdeling, als vermeld in artikel 37septies;

d) de wijze waarop de aanmeldingsprocedure gemonitord en geëvalueerd zal worden;

11° de wijze waarop over de aanmeldingsprocedure en alle genomen beslissingen daarin gecommuniceerd wordt aan alle belanghebbenden;

[[[12° het al dan niet door de schoolbesturen mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe aangeduide schoolbestuur, van :

a) de rangschikking van de aangemelde leerlingen;

b) het uitreiken van de melding van de definitieve toewijzing of van de melding over het niet kunnen toewijzen van de leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats;

c) de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijvingen.]]]4

§ 3. De CLR toetst het voorstel van aanmeldingsprocedure aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en de aanmeldingsprocedures, vermeld in afdelingen 3 en 4, en de volgende uitgangspunten :

1° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen en dit, voor zover mogelijk, in een school in hun buurt;

2° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie;

3° het bevorderen van sociale mix en cohesie;

4° voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad daarnaast ook de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalige karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs.

§ 4. [[[De CLR neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk twee maanden na de indiening. Enkel indien de einddatum van deze periode van twee maanden valt in de periode tussen 15 juli en 15 augustus, valt de beslissing uiterlijk in de week volgend op 16 augustus.]]]4 ]]¹

Art. 37vicies sexies.

[[§ 1. Bij een negatief besluit van de CLR over het voorstel van aanmeldingsprocedure kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP uiterlijk op 30 november van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, een van volgende initiatieven nemen :

1° een aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure indienen bij de CLR. In dat geval toetst de CLR het voorstel overeenkomstig artikel 37vicies quinquies, § 3. De CLR neemt over het aangepaste voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan;

2° het voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 37vicies quinquies voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel overeenkomstig artikel 37vicies quinquies, § 3. De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het verloop van de procedure.

§ 2. Bij een negatief besluit, van de CLR over het, overeenkomstig paragraaf 1, 1°, voorgelegde aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit het aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure of het voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 37vicies quinquies, voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel overeenkomstig artikel 37vicies quinquies, § 3.

De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het verloop van de procedure.

§ 3. Bij een negatief besluit, van de Vlaamse Regering over het, overeenkomstig paragraaf 1, 2°, voorgelegde voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 37vicies quinquies, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit een aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure voorleggen aan de CLR. In dat geval toetst de CLR het voorstel overeenkomstig artikel 37vicies quinquies, § 3.

De CLR neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

§ 4. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Regering, overeenkomstig artikel 50, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.]]¹

Art. 37vicies septies.

Bij een positief besluit van de CLR of de Vlaamse Regering blijft de aanmeldingsprocedure van kracht voor de inschrijvingen voor de schooljaren volgend op het schooljaar waarin het positief besluit werd genomen, totdat :

1° de betrokken regelgeving gewijzigd wordt;

2° het betrokken schoolbestuur, groep schoolbesturen of het LOP de lopende aanmeldingsprocedure wil wijzigen of stopzetten.]

Decr. 25-11-2011; [[ ]]¹ Decr. 8-6-2012; [[ ]]² Decr. 19-7-2013; [[ ]]³ Decr. 25-4-2014; [[ ]]4 Decr. 21-3-2014; [[[ ]]]¹ Decr. 21-12-2012; [[[ ]]]² Decr. 19-7-2013; [[[ ]]]³ Decr. 4-4-2014; [[[ ]]]4 Decr. 25-4-2014; [[[ ]]]5 Decr. 21-3-2014; [[[ ]]]6 Decr. 19-6-2015; [[[[ ]]]] Decr. 25-4-2014

HOOFDSTUK V. - Opdracht van het basisonderwijs

Afdeling 1. - Onderwijsaanbod

Art. 38.

Ieder schoolbestuur bepaalt de inhoud van het basisonderwijs in zijn scholen en bepaalt vrij zijn eigen pedagogische en onderwijskundige methodes.

Art. 39.

Het onderwijsaanbod in het gewoon kleuteronderwijs omvat ten minste, en waar mogelijk in samenhang, de volgende leergebieden :

- lichamelijke opvoeding;

- muzische vorming;

- Nederlands;

- [- wetenschappen en techniek;

- mens en maatschappij;]

- wiskundige initiatie.

Decr. 25-4-2014

Art 40.

Het onderwijsaanbod in het gewoon lager onderwijs omvat ten minste, en waar mogelijk in samenhang, de volgende leergebieden :

- lichamelijke opvoeding;

- muzische vorming;

- Nederlands;

- wiskunde;

- [- wetenschappen en techniek;

- mens en maatschappij;]³

[- Frans,]²

en volgende leergebiedoverschrijdende thema's

- leren leren;

- sociale vaardigheden;

[- informatie en communicatietechnologie.]¹

[ ]¹ Decr. 22-6-2007; [ ]² Decr. 8-5-2009; [ ]³ Decr. 25-4-2014

Art. 41.

§ 1. In de officiële lagere scholen omvat het onderwijsaanbod bovendien wekelijks ten minste twee lestijden onderwijs in de erkende godsdiensten en in de op die godsdiensten berustende zedenleer en ten minste twee lestijden onderwijs in de niet-confessionele zedenleer.

§ 2. [In de officiële scholen wordt het godsdienstonderwijs verstrekt door bedienaars van de betrokken godsdienst of door hun afgevaardigde.]

In de scholen van het gemeenschapsonderwijs en van het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt de cursus in de niet-confessionele zedenleer bij voorrang gegeven door een personeelslid dat daartoe een initiële of voortgezette opleiding heeft gevolgd.

Decr.14-2-2003

Art. 42.

In de vrije lagere scholen wordt hetzij onderwijs in één of meer erkende godsdiensten en in de op deze godsdiensten berustende zedenleer, hetzij het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer, hetzij beide, hetzij onderwijs in de cultuurbeschouwing verstrekt.

In de vrije lagere scholen wordt de cursus in de niet-confessionele zedenleer bij voorrang gegeven door een personeelslid dat daartoe een initiële of voortgezette opleiding heeft gevolgd.

Art. 43.

[§ 1. [[Het leergebied Frans is verplicht in het vijfde en zesde jaar gewoon lager onderwijs. Het leergebied Frans kan aangeboden worden vanaf het eerste jaar gewoon lager onderwijs in de scholen van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en, op voorwaarde dat de leerlingen de onderwijstaal voldoende beheersen, vanaf het derde jaar gewoon lager onderwijs in de scholen buiten het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.]]

§ 2. [[Taalinitiaties in het Frans, Engels en Duits behoren facultatief tot het onderwijsaanbod van het gewoon basisonderwijs.

Als een taalinitiatie als vermeld in het eerste lid, wordt georganiseerd, wordt eerst taalinitiatie in het Frans aangeboden.]]

§ 3. Het in § 2 bedoelde aanbod wordt bepaald door het schoolbestuur met toepassing van de regelgeving inzake participatie.

§ 4. De onderwijsinspectie waakt over een kwaliteitsvolle invulling van de taalinitiatie.]

Decr. 7-5-2004; [[ ]] Decr. 19-7-2013

Afdeling 2. - Eindtermen en ontwikkelingsdoelen

Art. 44.

[§ 1. De ontwikkelingsdoelen voor het gewoon kleuteronderwijs, eindtermen voor het gewoon lager onderwijs en ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs worden vastgelegd door het Vlaams Parlement bij wijze van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse regering, genomen op advies van de Vlaamse Onderwijsraad.

De Vlaamse regering legt het besluit ten laatste één maand na de goedkeuring ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement.

De eindtermen en ontwikkelingsdoelen hebben uitwerking vanaf de datum die het decreet aangeeft.

§ 2. De regering houdt hierbij rekening met wat volgt :

1° Ontwikkelingsdoelen voor het kleuteronderwijs zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de overheid wenselijk acht voor die leerlingenpopulatie en die de school bij haar leerlingen moet nastreven.

2° Eindtermen voor het lager onderwijs zijn minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Met minimumdoelen wordt bedoeld : een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes bestemd voor die leerlingenpopulatie.

Eindtermen kunnen leergebiedgebonden of leergebiedoverschrijdend zijn.

Elke school heeft de maatschappelijke opdracht de leergebiedgebonden eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht en vaardigheden bij de leerlingen te bereiken. Het bereiken van de eindtermen zal worden afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie. De leergebiedgebonden eindtermen met betrekking tot attitudes dienen door elke school bij de leerlingen te worden nagestreefd.

Leergebiedoverschrijdende eindtermen zijn minimumdoelen die niet specifiek behoren tot één leergebied, maar onder meer door middel van meer leergebieden of onderwijsprojecten worden nagestreefd. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht de leergebiedoverschrijdende eindtermen bij de leerlingen na te streven. De school toont aan dat ze met een eigen planning aan de leergebiedoverschrijdende eindtermen werkt.

[[De eindtermen worden ontwikkeld gebruikmakend van descriptorelementen vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.]]

3° Ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs zijn doelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de overheid wenselijk acht voor zoveel mogelijk leerlingen van de leerlingenpopulatie. In samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding en zo mogelijk in overleg met de ouders en eventueel andere betrokkenen, kiest de klassenraad de ontwikkelingsdoelen die aan individuele leerlingen of groepen worden aangeboden en uitdrukkelijk nagestreefd.

De ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs kunnen worden vastgelegd per type.

4° Voor het onderwijs in een erkende godsdienst, een op die godsdienst berustende zedenleer, in de niet-confessionele zedenleer, de eigen cultuur en religie en de cultuurbeschouwing worden geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen bepaald.]

Decr. 14-2-2003; [[ ]] Decr. 21-12-2012

[Art. 44bis.

[[§ 1. Een schoolbestuur kan oordelen dat de conform artikel 44 vastgelegde ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen en/ of ermee onverzoenbaar zijn. In dat geval dient het schoolbestuur bij de regering een afwijkingsaanvraag in. Deze aanvraag is slechts ontvankelijk indien precies wordt aangegeven waarom de ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten en/of waarom ze ermee onverzoenbaar zijn. Het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen voor.

§ 2. De regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en beslist in voorkomend geval of de vervangende ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die welke conform artikel 44 werden vastgelegd en toelaten gelijkwaardige studiebewijzen en diploma's af te leveren.

De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria :

1° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;

2° de vereiste inhoud :

a) het onderwijsaanbod in de ontwikkelingsdoelen voor het kleuteronderwijs omvat minstens inhouden voor lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands, [[[wetenschappen en techniek, mens en maatschappij]]]², wiskundige initiatie;

b) het onderwijsaanbod in de eindtermen voor het lager onderwijs omvat minstens inhouden voor lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands, [[[wetenschappen en techniek, mens en maatschappij]]]², wiskunde, leren leren, informatie en communicatietechnologie en sociale ontwikkeling of sociale vaardigheden, het onderwijsaanbod omvat ook inhouden voor het leergebied Frans [[[...]]]¹;

c) het onderwijsaanbod in de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van het type 2 zoals bepaald in artikel 10 omvat minstens inhouden voor lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands, [[[wetenschappen en techniek, mens en maatschappij]]]², wiskunde, leren leren, informatie en communicatietechnologie en sociale ontwikkeling of sociale vaardigheden.

Deze inhouden moeten enkel in hun geheel evenwaardig zijn met de inhouden waarvoor conform artikel 44 ontwikkelingsdoelen en eindtermen werden vastgelegd;

3° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen slaan op kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes;

4° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen zijn geformuleerd in termen wat van leerlingen verwacht kan worden;

5° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen zijn zo geformuleerd dat, afhankelijk van het statuut van de eindtermen, nagegaan kan worden in welke mate de leerlingen deze verwerven of de scholen deze nastreven bij de leerlingen;

6° aangegeven wordt welke eindtermen leergebiedgebonden, leergebiedoverschrijdend of attitudinaal zijn.

Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid, wint de regering het gemotiveerd advies in van de onderwijsinspectie en van een commissie ad hoc.

Voor de samenstelling van deze laatste commissie stelt de regering een lijst op van onafhankelijke deskundigen, na overleg met een gemengde commissie met vertegenwoordigers van de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de Vlaamse Hogescholenraad. Deze lijst geldt voor een periode van vier jaar.

Uit voornoemde lijst kiezen de aanvrager en de regering elk één deskundige. Beide deskundigen wijzen binnen acht dagen in gemeen overleg een derde deskundige aan, die tevens voorzitter van de commissie is. Als er geen consensus bereikt wordt, wijst de regering uit de voornoemde lijst de derde deskundige aan.

De regering bepaalt de verdere regels van deze procedure, met dien verstande dat de aanvrager gehoord wordt.

§ 3. Het schoolbestuur dient uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de vervangende ontwikkelingsdoelen/eindtermen zullen gelden, een afwijkingsaanvraag in. De regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.

De regering legt dit besluit binnen de zes maand ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. Indien het Vlaams Parlement dit besluit niet bekrachtigt, houdt het op rechtskracht te hebben.

§ 4. In afwijking van wat bepaald is in § 3, kan het schoolbestuur een afwijkingsaanvraag indienen binnen een termijn van één maand na de publicatie van een bekrachtigingsdecreet, indien deze publicatie gebeurt na 1 september van het schooljaar voorafgaand aan de inwerkingtreding.

In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, is het schoolbestuur gebonden door de eindtermen en ontwikkelingsdoelen vanaf 1 september volgend op de bekrachtiging van de goedkeuring van de afwijkingsaanvraag.]] ]

Decr. 15-7-1997; [[ ]] Decr. 22-6-2007; [[[ ]]]¹ Decr. 8-5-2009; [[[ ]]]² Decr. 25-4-2015

Afdeling 3. - Leerplan, handelingsplan en schoolwerkplan

Art. 45.

§ 1. Met inachtneming van de door de regering opgelegde [of gelijkwaardig verklaarde] ontwikkelingsdoelen en eindtermen, maakt ieder schoolbestuur voor haar gewoon onderwijs, met uitzondering voor wat godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing betreft, een leerplan, zijnde een plan waarin het vanuit het eigen pedagogisch project in het algemeen of de eigen visie op de leergebieden in het bijzonder de doelen formuleert voor haar leerlingen. In een leerplan zijn op een herkenbare wijze de leergebiedgebonden eindtermen en ontwikkelingsdoelen verwerkt.

Leergebiedoverschrijdende eindtermen kunnen door het schoolbestuur als doelen opgenomen worden in het leerplan.

Decr. 15-7-1997

§ 2. Met het oog op het waarborgen van het onderwijspeil worden de leerplannen op advies van de inspectie door de regering goedgekeurd, op basis van criteria die de regering heeft vastgelegd. De regering spreekt zich niet uit over de geformuleerde didactische werkvormen of pedagogische methodes.

De leerplannen voor godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing dienen niet door de regering goedgekeurd te worden.

[§ 3. De leerplannen voor godsdienst, niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en respecteren de bekrachtigde eindtermen en ontwikkelingsdoelen.]

Decr. 19-7-2013

Art. 46.

Met inachtneming van de door de regering opgelegde [of gelijkwaardig verklaarde] ontwikkelingsdoelen wordt in het buitengewoon onderwijs voor één of meer leerlingen samen op basis van zijn (hun) opvoedings- en onderwijsbehoeften, een handelingsplan opgemaakt. Dit plan bevat voor een bepaalde periode de pedagogisch-didactische planning voor bedoelde leerling(en) en legt onder meer de keuze aan ontwikkelingsdoelen vast, die de klassenraad in opdracht van het schoolbestuur voor hem (hen) wil nastreven.

Het handelingsplan geeft in voorkomend geval weer hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd.

Decr. 15-7-1997

[Bepaalde eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of van andere types van het buitengewoon basisonderwijs kunnen door een beslissing van de klassenraad in een handelingsplan worden opgenomen.

Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders.]

Decr. 14-2-2003

[In het handelingsplan opgenomen ontwikkelingsdoelen met betrekking tot godsdienst, niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing zijn gebaseerd op de overeenkomstige leerplannen en zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder.]

Art. 47.

§ 1. Ieder schoolbestuur maakt voor elk van zijn scholen een schoolwerkplan dat ten minste volgende elementen bevat :

1° de omschrijving van het pedagogisch project zijnde het geheel van fundamentele uitgangspunten dat door het schoolbestuur voor de school wordt vastgelegd;

2° de organisatie van de school en voornamelijk de indeling in leerlingengroepen;

3° de wijze waarop het leerproces van de leerlingen wordt beoordeeld en hoe daarover wordt gerapporteerd;

4° de voorzieningen in het gewoon onderwijs voor leerlingen met een handicap of die leerbedreigd zijn, inclusief de samenwerkingsvormen met andere scholen van gewoon en/of buitengewoon onderwijs;

[5°[[de wijze waarop de school via haar zorg- en gelijke onderwijskansenbeleid werkt aan de optimale leer- en ontwikkelingskansen van al haar leerlingen.]] ]

Decr. 10-7-2003; [[ ]] Decr. 6-7-2012

§ 2. Tijdens de schooldoorlichting neemt de onderwijsinspectie kennis van het schoolwerkplan zonder de inhoud ervan te beoordelen.

Afdeling 4. - Organisatie van de schooltijd

Art. 48.

§ 1. De leerlingen krijgen achtentwintig lestijden onderwijs- en opvoedingsactiviteiten per week.

§ 2. In afwijking van § 1 kan een negenentwintigste lestijd worden georganiseerd na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité.

[§ 3. De bepalingen van § 1 en § 2 gelden niet voor de leerlingen die ingeschreven zijn in een ziekenhuisschool.]

Decr.13-7-2001

Art. 49.

De regering bepaalt in welke gevallen revalidatie tijdens de lestijden mogelijk is, alsook het maximum aantal uren.

Met revalidatie worden bedoeld therapeutische behandelingen die tijdens de lestijden verstrekt worden aan leerlingen en worden uitgevoerd door hulpverleners die niet aan de school verbonden zijn en die hiertoe door de wet zijn gemachtigd.

Art. 50.

De regering bepaalt de vakantieperioden, regelt de organisatie van de schooltijd en bepaalt in welke gevallen de lessen kunnen geschorst worden.

Afdeling 5. - [Zorgvuldig bestuur]

Decr.13-7-2001

Art. 51.

§ 1. Een schoolbestuur mag informatie verstrekken over het eigen opvoedings- en onderwijsaanbod, maar het mag geen oneerlijke concurrentie voeren.

§ 2. [Er mag in de school geen politieke propaganda gevoerd worden en er mogen geen politieke activiteiten worden georganiseerd.]²

[§ 2bis. In afwijking van § 2 kunnen politieke activiteiten in de school worden toegelaten buiten de periodes waarin er schoolactiviteiten zijn en buiten de periode van 90 dagen voorafgaand aan een verkiezing. Personeelsleden en leerlingen worden niet gevraagd of aangezet om aan deze activiteiten deel te nemen. Het schoolbestuur kan niet betrokken worden bij de organisatie van een politieke activiteit en houdt rekening met het beginsel van gelijke behandeling bij de toepassing van deze bepaling.

Onder politieke activiteiten wordt hier verstaan alle activiteiten die worden georganiseerd door politieke partijen of politieke mandatarissen van politieke partijen, waarvan de standpunten en gedragingen niet in strijd zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.]²

§ 3. [ Een schoolbestuur kan handelsactiviteiten verrichten, voor zover deze geen daden van koophandel zijn en voor zover ze verenigbaar zijn met zijn onderwijsopdracht. ]¹

[§ 4. Een schoolbestuur dat mededelingen toelaat die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, waakt erover dat :

1° door het schoolbestuur verstrekte leermiddelen of verplichte activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen;

2° facultatieve activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen, behoudens indien deze mededelingen louter attenderen op het feit dat de activiteit of een gedeelte van de activiteit ingericht werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;

3° bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;

4° bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen.]¹

[ ]¹ Decr. 13-7-2001; [ ]² Decr. 1-7-2011

Art. 52.

Vragen in verband met de toepassing van artikel 51 en klachten met betrekking tot de overtreding ervan kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de [Commissie zorgvuldig bestuur, bedoeld in artikel V.21 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek.]

Decr.13-7-2001

Afdeling 6. - Het getuigschrift basisonderwijs

Art. 53.

Voor zover haar scho(o)l(en) voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 45 en 62 kan ieder schoolbestuur, op voordracht en na beslissing van de klassenraad een getuigschrift basisonderwijs uitreiken aan de regelmatige leerlingen uit het gewoon lager onderwijs.

De klassenraad oordeelt autonoom of een regelmatige leerling in voldoende mate [die doelen uit het leerplan die het bereiken van de eindtermen beogen] heeft bereikt om een getuigschrift basisonderwijs te bekomen.

Decr. 25-4-2014

Art. 54.

Aan leerlingen uit het buitengewoon lager onderwijs kan het getuigschrift basisonderwijs uitgereikt worden indien de leerdoelen van het gevolgde handelingsplan door de onderwijsinspectie als gelijkwaardig worden beschouwd met die van het gewoon lager onderwijs.

Art. 55.

Iedere leerling die bij het voltooien van het lager onderwijs geen getuigschrift basisonderwijs krijgt, heeft recht op een [schriftelijke motivering met inbegrip van bijzondere aandachtspunten voor de verdere schoolloopbaan, en een] verklaring met de vermelding van het aantal en de soort van gevolgde schooljaren lager onderwijs, afgeleverd door de directie. [De beslissing omtrent het toekennen van het getuigschrift basisonderwijs wordt uiterlijk op 30 juni aan de ouders meegedeeld. De ouders worden geacht die beslissing uiterlijk op 1 juli in ontvangst te hebben genomen. Indien de ouders niet akkoord gaan met de genomen beslissing volgt er, op vraag van de ouders, een overleg met de directeur en zijn afgevaardigde, binnen een termijn vastgelegd in het schoolreglement. De school kan dit overleg niet weigeren. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Dit overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen om het niet toekennen van het getuigschrift basisonderwijs te bevestigen of te wijzigen. De ouders nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen schriftelijk in ontvangst. Bij het niet in ontvangst nemen van deze beslissing door de ouders op de voorziene datum wordt ze toch geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum. Indien de ouders niet akkoord gaan met de beslissing, wijst de school de ouders schriftelijk op de mogelijkheid tot beroep zoals bepaald in hoofdstuk IV, afdeling 2, onderafdeling E.]

Decr. 4-4-2014

Art. 56.

Op advies van de inspectie duidt de regering per provincie [ten minste één officiële en ten minste één vrije school] aan die dienen als examencommissies met het oog op het bekomen van een getuigschrift basisonderwijs.

De onderwijsinspectie is bevoegd om de organisatie en de werking van die examencommissies na te gaan.

Decr. 19-6-2015

Art. 57.

De regering bepaalt de procedure tot aflevering van het getuigschrift basisonderwijs alsook de vorm ervan en legt de vergoeding voor de in artikel 56 bedoelde scholen vast. [Het meegeven van het getuigschrift en rapport kan om geen enkele reden worden ingehouden, ook niet bij verzuim door de ouders van hun financiële verplichtingen.]

Decr. 4-4-2014

[Art. 57bis.

De Vlaamse Regering kan de algemene gelijkwaardigheid vastleggen van buitenlandse studiebewijzen met het getuigschrift basisonderwijs, afgeleverd door scholen die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap.

Bij de vastlegging van de algemene gelijkwaardigheid houdt de Vlaamse Regering rekening :

1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering de eindtermen bepaald krachtens afdeling 2 van hoofdstuk V van dit decreet als referentiekader;

2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. ]

Decr. 1-7-2011

[Art. 57ter.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen die niet in een besluit als vermeld in artikel 57bis zijn opgenomen, met het getuigschrift basisonderwijs, afgegeven in de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering waarborgt dat binnen deze procedure rekening wordt gehouden :

1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden de eindtermen bepaald krachtens afdeling 2 van hoofdstuk V van dit decreet als referentiekader gebruikt;

2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur als referentiekader gebruikt.

[[De financiële bijdrage die de houder van een buitenlands studiebewijs moet betalen aan de erkenningsautoriteit voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van de gelijkwaardigheid van het buitenlands studiebewijs bedraagt 90 euro per aanvraag en per studiebewijs. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan het bedrag verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen en subsidiair-beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag dan vermeerderen tot maximaal 500 euro indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure.]] ]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 19-7-2013

[Art. 57quater.

§ 1. De scholen zijn ertoe gemachtigd om een attest uit te reiken ter vervanging van een verloren getuigschrift aan de houders van het getuigschrift. Het attest vermeldt de datum van de uitreiking van het getuigschrift.

§ 2. Personen die in toepassing van de wetgeving betreffende de namen en de voornamen een wijziging van hun naam of voornaam hebben verkregen, kunnen bij de scholen waar ze het getuigschrift basisonderwijs hebben behaald of bij de Vlaamse Gemeenschap een verzoek indienen om het getuigschrift basisonderwijs te laten vervangen door een getuigschrift met hun nieuwe naam. Bij de aanvraag moet het oorspronkelijk behaalde getuigschrift worden ingeleverd en moeten stukken worden gevoegd die de naamswijziging aantonen. ]

Decr. 29-6-2012

HOOFDSTUK VI. - Organiseren van basisonderwijs

Art. 58.

De Gemeenschap - of [het Gemeenschapsonderwijs] namens de Gemeenschap -, de provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten of andere publiekrechtelijke personen of private personen kunnen scholen en/of vestigingsplaatsen voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs oprichten.

Decr.10-7-2003

Art. 59 en 60.

[...]

Decr.14-2-2003

Art. 61.

De gemeenten met een bijzonder taalstatuut hebben voor wat het organiseren van kleuteronderwijs en/of lager onderwijs betreft de verplichtingen zoals bepaald in artikel 6 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs en in artikel 7, § 3 van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken.

HOOFDSTUK VII. - Erkenning, financiering en subsidiering van scholen

Afdeling 1. - Erkenning van scholen

Art. 62.

[§ 1.] Een school kan erkend worden indien zij :

Decr. 14-2-2003

1° georganiseerd is onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur;

2° gevestigd is in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;

3° een structuur aanneemt zoals vastgesteld bij dit decreet. Onder structuur wordt verstaan de grote indelingen binnen een onderwijsniveau en de duur van deze indelingen;

4° een pedagogisch geheel vormt dat gevestigd is in een zelfde complex van gebouwen of in elk geval in eenzelfde of aangrenzende gemeente of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, behoudens door de regering verleende afwijking;

5° beschikt over voldoende didactisch materieel en over een aangepaste schooluitrusting;

6° [de bepalingen naleeft over de taalregeling in het onderwijs en de taalkennis van het personeel;]

Decr. 8-5-2009

7° de controle van de onderwijsinspectie mogelijk maakt;

8° de reglementering inzake vakantieperioden en de aanwending van de onderwijstijd, zoals bedoeld in artikel 50 in acht neemt;

9°[de reglementering betreffende eindtermen, ontwikkelingsdoelen of met ingang van een datum te bepalen door de Vlaamse Regering de erkende onderwijskwalificaties, leerplannen en handelingsplannen naleven;]

Decr. 21-12-2012

[10° een beleidscontract of beleidsplan heeft met een centrum voor leerlingenbegeleiding;]

Decr. 1-12-1998

[11° in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigt;]

Decr. 28-6-2002

[12° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school- of arbeidsreglement.]

Decr. 6-6-2008

[§ 2. Een officiële school beantwoordt onverminderd § 1 aan volgende erkenningsvoorwaarden :

1° een open karakter hebben door open te staan voor alle leerlingen, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerling;

2° de leerplannen volgen van het gemeenschapsonderwijs, OVSG of POV, of eigen leerplannen ermee verenigbaar;

3° een schoolwerkplan, schoolreglement en schoolboeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter bedoeld in 1°;

4° begeleid worden door de begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs, OVSG of POV;

5° het godsdienstonderwijs of het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer wordt door een leermeester gegeven.]

Decr.14-2-2003

Art. 63.

[De Vlaamse Regering kent de erkenning [[van een school]] toe op advies van de inspectie, overeenkomstig artikel 35 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.]¹

[De erkenning van een vestigingsplaats gebeurt door middel van de meldingsprocedure, vermeld in artikel 35bis van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.]²

[ ]¹ Decr. 8-5-2009; [ ]² Decr. 19-6-2015; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Art. 64.

§ 1. [De Vlaamse Regering kan de erkenning [[van een school, een vestigingsplaats, een onderwijsniveau of een type in een vestigingsplaats]]² ervan opheffen met inachtname van artikel 36 tot en met artikel 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.]²

§ 2. [...]²

[§ 3. [[...]]¹ ]¹

[ ]¹ Decr. 14-2-2003; [ ]² Decr. 8-5-2009; [[ ]]¹ Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. 19-7-2013

Art. 65.

Een schoolbestuur kan voor de scholen die erkend zijn, in toepassing van de artikelen 53, 54 en 56, van rechtswege geldende getuigschriften basisonderwijs uitreiken.

Afdeling 2. - Financiering en subsidiëring van scholen

Art. 66.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de scholen die erkend zijn en in aanmerking komen om gefinancierd of gesubsidieerd te worden.

Art. 67.

§ 1. Elk schoolbestuur draagt de kosten van en financiële verantwoordelijkheid voor de organisatie van het onderwijs in zijn scholen en vestigingsplaatsen.

Voor de scholen en vestigingsplaatsen die aan de in artikel 68 bepaalde voorwaarden voldoen komt de gemeenschap financieel tussen, voor het gemeenschapsonderwijs door een financiering, en voor het gesubsidieerd onderwijs door een subsidiëring, onder de vorm van :

1° salarissen;

2° een werkingsbudget;

3° investeringsmiddelen.

§ 2. De regering kan jaarlijks een toelage toekennen voor anderstalige nieuwkomers. Ze bepaalt de toekenningsvoorwaarden, alsook de berekeningswijze van de toelage.

[§ 3. [[...]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr.13-7-2001

Onderafdeling A. - Financierings- en subsidiëringsvoorwaarden

Art. 68.

§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de specifieke voorwaarden die gesteld zijn voor het verkrijgen van salarissen, een werkingsbudget of investeringsmiddelen, verkrijgt een schoolbestuur financiering of subsidiëring voor zijn scholen of vestigingsplaatsen die :

1° voldoen aan de erkenningsvoorwaarden bedoeld in artikel 62;

2° [voldoen aan de programmatie- en rationalisatienormen en de afstanden zoals bepaald in uitvoering van hoofdstuk VIII van dit decreet;]²

[3° deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform opgericht overeenkomstig artikel IV.2, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I.

Onder "samenwerken" wordt verstaan :

- de in artikel IV.4, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet bedoelde gegevens leveren, en

- de in het kader van artikel IV.4, eerste lid, van hetzelfde decreet gemaakte afspraken naleven;]¹

[Dit punt is niet van toepassing op de scholen van het buitengewoon basisonderwijs type 5.]4

[4° - voor wat betreft het gesubsidieerd onderwijs : geen afbreuk doen aan de besluitvormingsprocedures bedoeld in artikelen 19 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Deze voorwaarde sluit tevens in dat de directeur met betrekking tot de hem door de inrichtende macht gedelegeerde bevoegdheden die voorwerp uitmaken van advies of overleg, voldoende gemandateerd wordt om in de verhouding tot de schoolraad autonoom te kunnen optreden;

- voor wat betreft het gemeenschapsonderwijs : de bevoegdheden van de schoolraad respecteren.]³

[ ]¹ Decr. 28-6-2002; [ ]² Decr. 10-7-2003; [ ]³ Decr. 2-4-2004; [ ]4 Decr. 4-7-2008

§ 2. De opname in de financierings- of subsidiëringsregeling gebeurt door de regering die de procedure daartoe vastlegt.

Art. 69.

Een schoolbestuur verliest de financiering of subsidiëring van haar scho(o)l(en) of vestigingsplaats(en) of types die niet meer voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 68, § 1, 2°.

Art. 70.

Wanneer een gefinancierde of gesubsidieerde school of vestigingsplaats niet meer voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 62, kan de regering na toepassing van artikel 64 :

de erkenning opheffen : de school of vestigingsplaats verliest de financiering of subsidiëring zodra de regering de erkenning opheft;

de financiering of subsidiëring geheel of gedeeltelijk inhouden wanneer het schoolbestuur kan aantonen dat de voorwaarden bepaald in artikel 62 binnen een termijn overeengekomen met de regering opnieuw vervuld zullen zijn.

Art. 71.

[...]

Decr. 21-12-2012

[Art. 71bis.

De regering kan de financiering of subsidiëring geheel of gedeeltelijk inhouden wanneer een gefinancierde of gesubsidieerde school niet meer voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 68, § 1, 3°.]

Decr. 28-6-2002

Onderafdeling B. - Aanneming van werken, leveringen en diensten

Art. 72.

Een schoolbestuur dat werken, leveringen of diensten aanneemt die geheel of gedeeltelijk betaald worden met :

middelen uit de dotatie van [het Gemeenschapsonderwijs]¹,

het werkingsbudget ter beschikking gesteld van gesubsidieerde scholen,

middelen ter beschikking gesteld door [Agion]²,

moet een overeenkomst afsluiten volgens de toepasselijke procedure en onder de toepasselijke voorwaarden die voor het Rijk gelden.

[ ]¹ Decr. 10-7-2003; [ ]² Decr. 8-5-2009

Onderafdeling C. - De salarisfinanciering of -subsidiëring

Art. 73.

§ 1. Een schoolbestuur bekomt voor haar personeelsleden die tot de categorieën bestuurs- en onderwijzend, [beleids- en ondersteunend,]medisch, paramedisch, psychologisch, orthopedagogisch of sociaal personeel behoren een salaris indien die personeelsleden voldoen aan de volgende voorwaarden :

Decr.10-7-2003

1° [onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;]

Decr.13-7-2001

2° [de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;]

Decr.13-7-2001

3° houder zijn van de bekwaamheidsbewijzen zoals bedoeld in artikel 74;

4° aangeworven zijn met inachtname van de reglementering inzake de reaffectatie en wedertewerkstelling;

5° in dienst zijn op grond van de reglementering inzake de personeelsformatie;

6° in een gezondheidstoestand verkeren die de gezondheid van de leerlingen niet in gevaar brengt.

§ 2. De salarissen worden door [Agodi] rechtstreeks en maandelijks aan de betrokken personeelsleden uitbetaald.

Decr. 21-12-2012

Art. 74.

[De regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen, rekening houdend met Onderafdeling 1 van Afdeling 5 van Hoofdstuk X van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV.]

Decr.14-2-2003

Art. 75.

[...]

Decr. 21-12-2012

Onderafdeling D. - De werkingsbudgetten

[1° Algemene bepalingen

Art. 76.

Ieder schooljaar krijgen de schoolbesturen een werkingsbudget voor de werking, de uitrusting, het groot onderhoud van hun scholen, voor het werken aan rationeel energiegebruik in hun scholen en om tegemoet te komen aan de kosteloosheid vermeld in artikel 27 en aan de maximumfacturen vermeld in artikel 27bis.

Bij de aanwending van het werkingsbudget moet ieder schoolbestuur rekening houden met een gelijke behandeling van al zijn gefinancierde of gesubsidieerde scholen en van al zijn leerlingen.

Art. 77.

Ieder schoolbestuur van een gesubsidieerde school moet aan Agodi verantwoording afleggen over het gebruik van zijn werkingsbudget. De verificatiediensten van Agodi kunnen ter plaatse controle uitoefenen zonder dat die controle betrekking mag hebben op de opportuniteit.

De regering bepaalt nader de controlemaatregelen en ontwikkelt een methode die jaarlijks toelaat om een globaal zicht te krijgen op de besteding van de werkingsbudgetten in het basisonderwijs.

Art. 78.

§ 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden volgende kenmerken :

1° leerlingenkenmerken :

a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingenkenmerk 1 te noemen;

b) het krijgen van een schooltoelage : er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling, als vermeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap van 8 juni 2007 uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die in toepassing van voornoemd decreet, enkel omwille van ongewettigde afwezigheid of onvoldoende aanwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, eveneens meegerekend;

c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingenkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd;

d) de leerling heeft zijn woonplaats in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd, hierna leerlingenkenmerk 4 te noemen. Onder schoolse vertraging wordt het aantal leerjaren vertraging verstaan die een leerling oploopt ten aanzien van het leerjaar waarin hij zich zou bevinden als hij normaal zou vorderen. Voor leerlingen woonachtig in het Vlaamse Gewest wordt onder "buurt" de statistische sector verstaan. De statistische sector is de territoriale basiseenheid zoals vastgelegd door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor leerlingen woonachtig in het Brussels Gewest wordt onder "buurt" de gemeente waar zij wonen verstaan;

2° schoolkenmerken :

a) het schoolbestuur organiseert gewoon kleuteronderwijs, hierna schoolkenmerk 1 te noemen;

b) het schoolbestuur organiseert gewoon lager onderwijs, hierna schoolkenmerk 2 te noemen;

c) het schoolbestuur organiseert buitengewoon kleuteronderwijs met uitzondering van type 4, hierna schoolkenmerk 3 te noemen;

d) het schoolbestuur organiseert buitengewoon kleuteronderwijs van type 4, hierna schoolkenmerk 4 te noemen;

e) het schoolbestuur organiseert buitengewoon lager onderwijs met uitzondering van type 4, hierna schoolkenmerk 5 te noemen;

f) het schoolbestuur organiseert buitengewoon lager onderwijs van type 4, hierna schoolkenmerk 6 te noemen;

g) het schoolbestuur van een school voor buitengewoon basisonderwijs begeleidt één of meer leerlingen in het geïntegreerd basisonderwijs, als vermeld in artikel 11, hierna schoolkenmerk 7 te noemen;

h) het schoolbestuur organiseert, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, neutraal onderwijs, hierna voorafname 1 (V1) te noemen;

i) het schoolbestuur biedt, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde grondwet, de keuze aan tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, hierna voorafname 2 (V2) te noemen.

§ 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld :

1° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging, is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een onderwijsinstelling, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd;

2° in een tweede fase wordt voor elke leerling vastgesteld wat het percentage schoolse vertraging is van de buurt. Leerlingen die behoren tot de trekkende bevolking, vermeld in artikel 3, 52ter, en thuislozen, vermeld in artikel [[3, 52° bis/2,]]6 worden geacht te wonen in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd.

Voor alle leerlingen uit het gewoon basisonderwijs wordt het 75e percentiel van de buurtscores bepaald. Leerlingen die hun woonplaats hebben in een buurt met een score hoger dan of gelijk aan het 75e percentiel beantwoorden aan de indicator 'woonplaats hebben in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd'.

Leerlingenkenmerk 4 is enkel van toepassing voor leerlingen die in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wonen.

§ 3. De regering bepaalt de wijze waarop de leerlingenkenmerken worden vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming worden verzameld. Voor leerlingenkenmerk 4 bepaalt de regering de wijze waarop de buurten worden afgebakend.

2° Werkingsbudgetten in het gefinancierde en gesubsidieerde gewoon basisonderwijs

A. Vaststelling van het totale werkingsbudget en de verdeling ervan in deelbudgetten

Art. 79.

§ 1. Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsbudgetten voor het gewoon basisonderwijs [[402.900.000]]³ euro.

§ 2. 1° Vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs.

2° Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs.

3° Voor het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs.

4° Vanaf 2018 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs jaarlijks op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs.

§ 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van [[402.900.000]]³ euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :

1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :

a) punten 1 = het totale aantal punten voor schoolkenmerk 1 en 2, berekend na de toepassing van artikel 81, voor de leerlingen van het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar;

b) punten 0 = het totale aantal punten voor schoolkenmerk 1 en 2, berekend na de toepassing van artikel 81, voor de leerlingen van het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het voorlaatste schooljaar;

2° A2 = (Cx-1/Cx-2), waarbij :

a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.

De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht;

[[3° in afwijking van § 3, 2°, is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 [[[en 2011]]] gelijk aan 1;]]²

[[ 4° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4;]]5

[[5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4;]]7

[[6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4;

7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 8.101.000 euro.]]9

§ 4. 1° [[het bedrag verkregen door toepassing van § 3 wordt voor de begrotingsjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2015 verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2, en met 70 % van de loonkosten die vrijkomen door toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen.]]²

2° Het bedrag verkregen door de toepassing van § 3, wordt voor het begrotingsjaar 2016 verhoogd met de loonkosten die vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2, en met 40 % van de loonkosten die vrijkomen door toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen.

3° Het bedrag, verkregen door de toepassing van § 3 wordt vanaf het begrotingsjaar 2017 verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2.

Art. 80.

§ 1. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 79, wordt een budget van 3 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %), waarbij :

1° B = werkingsbudget verkregen na de toepassing van artikel 79;

2° lln_Neu = leerlingen in het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs;

3° lln_tot = het totaal aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs;

4° lln_LB = leerlingen van het officieel gewoon lager onderwijs.

§ 2. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na toepassing van artikel 79, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V2 = B * lln_LB * 4,5 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %).

§ 3. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 79 en na toepassing van § 1 en § 2, wordt een percentage berekend dat in aanmerking komt voor verdeling op basis van de leerlingenkenmerken. Dat budget wordt berekend volgens de volgende formule :

(B - V1 - V2) * Pjaar x = B_lli, waarbij :

1°[[Pjaarx = percentage voor het begrotingsjaar in kwestie. Dat percentage bedraagt 14,5625 % voor de begrotingsjaren 2014 en 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 stijgt dit percentage jaarlijks met 0,1875 % tot 15,5 % vanaf 2020. Vanaf begrotingsjaar 2021 is het dit percentage van 15,5 % dat zal worden toegepast;]]9

2° B_lli = werkingsbudget dat verdeeld zal worden op basis van leerlingenkenmerken.

Het werkingsbudget per leerlingenkenmerk wordt als volgt bepaald : B_lli / 4, respectievelijk : B_lliOpl, B_lliSt, B_lliTa, B_lliBu, met :

a) B_lliOpl= werkingsbudget leerlingenkenmerk 1;

b) B_lliSt= werkingsbudget leerlingenkenmerk 2;

c) B_lliTa= werkingsbudget leerlingenkenmerk 3;

d) B_lliBu= werkingsbudget leerlingenkenmerk 4.

§ 4. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van volgende formule : B_SchK = B - V1 - V2 - B_lli.

[[Voor het begrotingsjaar 2010 wordt het B_SchK bepaald door toepassing van volgende formule :

B_SchK = GPP_SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 81, 1° en 2°,

waarbij : GPP_SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009.]]²

B. Verdelingsmechanisme van de deelbudgetten

Art. 81.

B_SchK, vermeld in artikel 80, § 4, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 1 en 2, vermeld in artikel 78, § 1 :

1° voor de leerlingen van het kleuteronderwijs en van het lager onderwijs wordt het puntengewicht als volgt bepaald :

a) voor een kleuter : 6 punten, met dien verstande dat het aantal regelmatige kleuters op de eerste schooldag van februari worden gewogen met volgend percentage : 88,48 %;

b) voor een leerling lager onderwijs : 8 punten;

2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk vermeld in § 1, het aantal leerlingen geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht verkregen na toepassing van 1°;

3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP_SchK te noemen.

Art. 82.

§ 1. Het budget V1, vermeld in artikel 80, § 1, wordt als volgt verdeeld : V1 wordt gedeeld door alle leerlingen van het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V1, hierna GW_V1 te noemen.

§ 2. Het budget V2, vermeld in artikel 80, § 2, wordt als volgt verdeeld : V2 wordt gedeeld door alle leerlingen van het officieel gewoon lager onderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V2, hierna GW_V2 te noemen.

Art. 83.

Het budget leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 80, § 3, wordt verdeeld in een bedrag per leerling per kenmerk volgens de volgende formules :

1) B_ClliOpl= B_lliOpl/ClliOpl;

2) B_ClliSt= B_lliSt/ClliSt;

3) B_ClliTa= B_lliTa/ClliTa;

4) B_ClliBu= B_lliBu/ ClliBu;

met :

a) B_ClliOpl= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 1;

b) B_ClliSt= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 2;

c) B_ClliTa= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 3;

d) B_ClliBu= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 4;

e) ClliOpl= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

f) ClliSt= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

g) ClliTa= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

h) ClliBu= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4.

ClliOpl, ClliSt, ClliTaen ClliBuworden respectievelijk via de volgende formules berekend :

1° ClliOpl= S alle scholenClliOpl_school,

waarbij ClliOpl_school = MIN (Proc._school_iOpl; Gemid_tot_iOpl + (2 x Stdev_tot_iOpl)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliOpl_school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 1;

b) Proc_school_iOpl = het Procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

c) Gemid_tot_iOpl = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

d) Stdev_tot_iOpl = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie die in aanmerking komen voor leerlingenkenmerk 1;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : Proc_school_iOpl of Gemid_tot_iOpl + (2 x Stdev_tot_iOpl); het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 1;

2° ClliSt= S alle scholenClliSt_school,

waarbij : ClliSt_school = MIN (Proc_school_iSt; Gemid_tot_iSt + (2 x Stdev_tot_iSt)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliSt_school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 2;

b) Proc_school_iSt = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

c) Gemid_tot_iSt = het gemiddeld van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

d) Stdev_tot_iSt = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie die in aanmerking komen voor leerlingenkenmerk 2;

e) MIN= de laagste waarde van de twee : Proc_school_iSt of Gemid_tot_iSt + (2 x Stdev_tot_iSt); het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 2;

3° ClliTa= S alle scholenClliTa_school,

waarbij ClliTa_school = MIN (Proc_school_iTa; Gemid_tot_iTa + (2 x Stdev_tot_iTa)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliTa _school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 3;

b) Proc_school_iTa = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

c) Gemid_tot_iTa = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen per school dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

d) Stdev_tot_iTa = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie die in aanmerking komen voor leerlingenkenmerk 3;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : Proc_school_iTa of Gemid_tot_iTa + (2 x Stdev_tot_iTa); het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 3;

4° ClliBu= S alle scholenClliBu_school,

waarbij ClliB_school = MIN (Proc_school_iBu; Gemid_tot_iBu + (2 x Stdev_tot_iBu)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliBu_school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 4;

b) Proc_school_iBu = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4;

c) Gemid_tot_iBu = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 voor alle scholen samen;

d) Stdev_tot_iBu = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie die in aanmerking komen voor leerlingenkenmerk 4;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : Proc_school_iBu of Gemid_tot_iBu + (2 x Stdev_tot_iBu). het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 4.

C. Berekening van het werkingsbudget per school

Art. 84.

Het werkingsbudget per school wordt voor een deel berekend op basis van schoolkenmerken en voor een deel op basis van leerlingenkenmerken.

Art. 85.

§ 1. Per school wordt het totaal aantal punten berekend door het aantal leerlingen, geteld overeenkomstig artikel 87, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht voor schoolkenmerk 1 en 2.

§ 2. Het werkingsbudget per school is de som van :

1° het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school met de GPP_SchK, zoals bepaald in artikel 81, 3°;

2° het bedrag, verkregen door het resultaat de van volgende vermenigvuldigingen :

a) B_ClliOplx ClliOpl_school;

b) B_ClliStx ClliSt_school;

c) B_ClliTax ClliTa_school;

d) B_ClliBux ClliBu_school;

3° GW_V1, zoals bepaald in artikel 82, § 1, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school;

4° GW_V2, zoals bepaald in artikel 82, § 2, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen lager onderwijs in de school.

§ 3. Het budget, verkregen na de toepassing van § 2, wordt voor het Gemeenschapsonderwijs jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 36, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs waarbij :

1° de som van het bedrag dat met toepassing van artikel 85, § 2, verkregen is, voor het geheel van de scholen van het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs tot en met 2015 verminderd wordt met 30 percent van de loonkosten van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs, in 2016 met 60 percent en in 2017 met 100 percent van die loonkosten;

2° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2, verkregen is, voor het geheel van de scholen van het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs verhoogd wordt met de middelen vastgelegd voor het optrekken van het vakantiegeld tot 92 % voor het contractuele onderhouds- of meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs, toegekend via de betreffende onderwijs-cao. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag [[554.000]]¹ euro.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt zoals bepaald in artikel 79.

§ 4. Het werkingsbudget verkregen na de toepassing van artikel 85, § 2, wordt voor het gesubsidieerd onderwijs jaarlijks toegekend aan de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs.

Daarbij worden de middelen voor de schoolbesturen van het vrij gesubsidieerd onderwijs verhoogd met de middelen tot harmonisering van de lonen tussen het onderhouds-, meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gesubsidieerd vrij onderwijs en dat personeel van het Gemeenschapsonderwijs, toegekend via de respectieve onderwijs-cao's. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag [[3.239.000]]¹ euro.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door toepassing van de A2-coëfficiënt zoals bepaald in artikel 79.

Die cao-middelen worden verdeeld pro rata het aantal punten per school van het vrij gesubsidieerd onderwijs, dat verkregen is na de toepassing van artikel 85, § 1.

§ 5. De werkingsbudgetten van de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd gewoon basisonderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 % van de werkingsmiddelen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.

[[§ 6. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de werkingsmiddelen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd gewoon basisonderwijs of de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.]]4

3° Werkingsbudgetten in het gefinancierde en gesubsidieerde buitengewoon onderwijs

A. Vaststelling van het totale werkingsbudget en de verdeling ervan in deelbudgetten

Art. 85bis.

§ 1. Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsmiddelen voor het buitengewoon basisonderwijs [[35.599.000]]³ euro.

§ 2. 1° Vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs.

2° Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs.

3° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs.

4° Vanaf 2018 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs.

§ 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van [[35.599.000]]³ euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :

1° A1 = 0,6 +0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :

a) punten 1 = het totale aantal punten voor schoolkenmerk 3, 4, 5 en 6, zoals berekend na toepassing van artikel 85quater, voor de leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar;

b) punten 0 = het totaal aantal punten voor schoolkenmerk 3, 4, 5 en 6, zoals berekend na toepassing van artikel 85quater, voor de leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het voorlaatste schooljaar;

2° A2 = (Cx-1/Cx-2), waarbij :

a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.

De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht;

[[3° in afwijking van 2° is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 [[[en 2011]]] gelijk aan 1;]]²

[[ 4° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4;]]5

[[5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4;]]7

[[6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4;

7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015, verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 731.000 euro.]]9

§ 4. 1° [[het bedrag verkregen door toepassing van § 3 wordt voor de begrotingsjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2015 verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2, en met 70 % van de loonkosten die vrijkomen door toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen.]]²

2° Het bedrag verkregen door de toepassing van § 3, wordt voor het begrotingsjaar 2016 verhoogd met de loonkosten die vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2, en met 40 % van de loonkosten die vrijkomen door toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen.

3° Het bedrag verkregen door de toepassing van § 3, wordt vanaf het begrotingsjaar 2017 verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2.

Art. 85ter.

§ 1. Van het werkingsbudget buitengewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 85bis, wordt een budget van 3 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 %+ lln_LB * 4,5 %), waarbij :

1° B = werkingsbudget verkregen na toepassing van artikel 85bis ;

2° lln_Neu = leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs;

3° lln_tot = het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs;

4° lln_LB = leerlingen van het officieel buitengewoon lager onderwijs.

§ 2. Van het werkingsbudget buitengewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 85bis, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V2 = B * lln_LB * 4,5 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %).

§ 3. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule : B_SchK = B - V1 - V2.

[[Voor het begrotingsjaar 2010 wordt het B_SchK bepaald door toepassing van volgende formule :

B_SchK = GPP_SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 85quater, 1° en 2°,

waarbij : GPP_SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009.]]²

B. Verdelingsmechanisme van de deelbudgetten

Art. 85quater.

B_SchK, zoals bepaald in artikel 85ter, § 3, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 3, 4, 5, 6 en 7 :

1° voor de leerlingen van het buitengewoon kleuteronderwijs, het buitengewoon lager onderwijs en van het geïntegreerd basisonderwijs wordt het puntengewicht als volgt vastgesteld :

Buitengewoon kleuteronderwijs niet type 4

9 punten

Buitengewoon kleuteronderwijs wel type 4

11 punten

Buitengewoon lager onderwijs niet type 4

13 punten

Buitengewoon lager onderwijs wel type 4

15 punten

Geïntegreerd onderwijs - gedeeltelijk en permanente integratie

1,1 punten

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie voor leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs [[type basisaanbod en type 2]]10

1,1 punten

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie van leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs [[type 4, 6 of 7]]10 met een bijkomende mentale handicap

1,1 punten

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie van normaal begaafde leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs [[type 3 of 9]]10

4,4 punten

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie van normaal begaafde leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs type 4 of 7

5,5 punten

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie van normaal begaafde leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs type 6

8,8 punten

Met dien verstande dat in het buitengewoon kleuteronderwijs het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari wordt gewogen met volgend percentage : 94,5 %;

2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk vermeld in 1° het aantal leerlingen, geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht;

3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten.

Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP_SchK te noemen.

Art. 85quinquies.

§ 1. Het budget V1, zoals bepaald in artikel 85ter, wordt als volgt verdeeld : V1 wordt gedeeld door alle leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V1, hierna GW_V1 te noemen.

§ 2. Het budget V2, zoals bepaald in artikel 85ter, wordt als volgt verdeeld : V2 wordt gedeeld door alle leerlingen van het officieel buitengewoon lager onderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V2, hierna GW_V2 te noemen.

C.1. Berekening van het werkingsbudget per school

Art. 85sexies.

Het werkingsbudget per school wordt berekend op basis van schoolkenmerken.

Art. 86.

§ 1. Per school wordt het totale aantal punten berekend door de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen, geteld overeenkomstig artikel 87, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht voor schoolkenmerk 3, 4, 5, 6.

§ 2. Het werkingsbudget per school van het buitengewoon basisonderwijs is de som van :

1° het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school met de GPP_SchK, zoals bepaald in artikel 85quater, § 3;

2° GW_V1, zoals bepaald in artikel 85sexies, § 1, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school;

3° GW_V2, zoals bepaald in artikel 85sexies, § 2, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen lager onderwijs in de school.

§ 3. Het budget verkregen na de toepassing van § 2, wordt voor het Gemeenschapsonderwijs jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 36, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs waarbij :

1° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs tot en met 2015 verminderd wordt met 30 percent van de loonkosten van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs, in 2016 met 60 percent en in 2017 met 100 percent van die loonkosten;

2° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs verhoogd wordt met de middelen, vastgelegd voor het optrekken van het vakantiegeld tot 92 % voor het contractuele onderhouds- of meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs, toegekend via de betreffende onderwijs-cao. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 86.000 euro.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door toepassing van de A2-coëfficiënt zoals bepaald in artikel 79.

§ 4. Het werkingsbudget verkregen na de toepassing van § 2 wordt voor het gesubsidieerd onderwijs jaarlijks toegekend aan de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs.

Daarbij worden de middelen voor de schoolbesturen van het vrij gesubsidieerd onderwijs verhoogd met de middelen tot harmonisering van de lonen tussen het onderhouds-, meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gesubsidieerd vrij onderwijs en dat personeel van het Gemeenschapsonderwijs, toegekend via de betreffende onderwijs-cao's. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag [[287.000 euro]]¹.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, zoals bepaald in artikel 79.

Die cao-middelen worden verdeeld pro rata het aantal punten per school van het vrij gesubsidieerd onderwijs, dat verkregen is na de toepassing van artikel 86, § 1.

§ 5. De werkingsbudgetten van de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 % van de werkingsmiddelen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.

[[§ 6. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de werkingsmiddelen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs of de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.]]4

C.2. Berekening van de integratietoelage per school

Art. 86bis.

Per school wordt het totale aantal punten berekend door de vermenigvuldiging van het aantal GON-leerlingen die begeleid worden vanuit de school voor buitengewoon basisonderwijs, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht, zoals bepaald in artikel 85quater.

De integratietoelage per school van het buitengewoon basisonderwijs is het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school, zoals berekend in het eerste lid, met de GPP_SchK, zoals bepaald in artikel 85quater, § 3.

[[De integratietoelagen van de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 procent van de integratietoelagen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.

Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de integratietoelagen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs of de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.]]8

4° Teldagen

Art. 87.

§ 1. Het werkingsbudget wordt ieder schooljaar per school berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen dat ingeschreven is op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.

§ 2. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor scholen in programmatie de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

Die teldag geldt in het gewoon basisonderwijs voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de vijf daaropvolgende schooljaren.

Die teldag geldt in het buitengewoon basisonderwijs voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de twee daaropvolgende schooljaren.

§ 3. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden "de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als "de maand september" en wordt het woord "teldag" telkens gelezen als "telperiode".

Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en scholen voor type 5 worden de woorden "op basis van het aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven op de eerste schooldag van februari" gelezen als "op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".

§ 5. Het werkingsbudget van een school voor type 5 kan alleen volledig worden aangewend als een door de regering vastgelegd gemiddelde van onderwijsdagen per kind gedurende de telperiode wordt bereikt.

Als dat gemiddelde niet wordt bereikt, dan wordt het werkingsbudget evenredig verminderd.

§ 6. De teldag voor de integratietoelage is de eerste schooldag van oktober van het vorige schooljaar.]

Decr. 4-7-2008; [[ ]]¹ Decr. 19-12-2008; [[ ]]² Decr. 18-12-2009; [[ ]]³ Decr. 18-12-2009; [[ ]]4 Decr. 8-7-2011; [[ ]]5 Decr. 1-6-2012; [[ ]]6 Decr. 6-7-2012; [[ ]]7 Decr. 21-12-2012; [[ ]]8 Decr. 25-4-2014; [[ ]]9 Decr. 19-12-2014; [[ ]]10 Decr. 21-3-2014; [[[ ]]] Decr. 23-12-2010

Onderafdeling E. - De investeringsmiddelen

Art. 88.

§ 1. [Het Gemeenschapsonderwijs]¹ en de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs kunnen voor hun scholen een beroep doen op de door de Gemeenschap aan [het Gemeenschapsonderwijs]¹ of aan de [Agion]² toegekende investeringsmiddelen voor zover :

hun scholen voldoen aan de subsidiërings- of financieringsvoorwaarden;

de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding is aangetoond en er binnen een bepaalde gebiedsomschrijving geen bestaande gebouwen of voorzieningen beschikbaar zijn die geheel of gedeeltelijk door de Gemeenschap zijn gefinancierd of gesubsidieerd;

de werken beantwoorden aan de vastgestelde fysische en financiële normen.

§ 2. De regering legt de fysische en financiële normen vast.

[ ]¹ Decr. 10-7-2003; [ ]² Decr. 22-6-2007

Art. 89.

De jaarlijks in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap ingeschreven vastleggingsmachtigingen bestemd voor investeringen in onroerend goed in het onderwijs worden over het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gemeenschapsonderwijs verdeeld naar rato van de vervangingswaarde van de schoolgebouwen van elk hiervoor vermeld onderwijsnet. Hierbij wordt rekening gehouden met een dekkingsgraad van 100 % in het gefinancierd onderwijs. De dekkingsgraad is 70 % voor de scholen in het gesubsidieerd basisonderwijs.

Art. 90.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 89 wordt per onderwijsnet de vervangingswaarde van de schoolgebouwen vastgesteld op basis van de volgende berekeningswijze :

benodigde oppervlakte x eenheidsprijs

afschrijvingstermijn

Per onderwijsnet is de benodigde oppervlakte gelijk aan de som van de produkten van de gemiddelde oppervlakte per onderwijsniveau en het aantal leerlingen in het overeenkomstig onderwijsniveau.

De gemiddelde oppervlakte per onderwijsniveau wordt berekend op basis van een voor alle netten gelijke oppervlakte per leerling, rekening houdend met de objectieve verschillen inzake schoolgrootte.

§ 2. Overeenkomstig de in § 1 bedoelde formule wordt de waarde van de parameters telkens voor een periode van vijf jaar vastgesteld.

De eenheidsprijs per vierkante meter ten bedrage van [641,42 euro] en de afschrijvingsperiode, die vijftig jaar bedraagt, zijn voor alle netten en niveaus gelijk.

Decr.7-7-2006

Onderafdeling F. - Speciale onderwijsleermiddelen

Art. 91.

[§ 1. Regelmatige leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften die gewoon gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs volgen, kunnen speciale onderwijsleermiddelen ter beschikking krijgen.

§ 2. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse Gebarentaal of schrijftolken, dan moet de leerling beantwoorden aan een van de onderstaande criteria :

a) via een tonaal audiometrische test een verlies aantonen van 70 dB of meer aan beide oren, voor de zuivere toonstimuli van 500, 1000 of 2000 Hz (gemiddelde waarde Fletcher-index) en/of een verlies van 70 dB of meer aan het beste oor voor de zuivere toonstimuli van 1000, 2000 en 4000 Hz (gemiddelde waarde);

b) bij een gemiddeld verlies van minder dan 70 dB, via een vocaal audiometrische test minder dan 30 % herkende woorden scoren bij optimale versterking (categorie 4 in de BIAP-classificatie).

Het audiometrisch bewijs of audiogram dient te worden verstrekt door een erkend revalidatiecentrum of -dienst of door een erkende universitaire dienst voor audiometrisch onderzoek.

Indien de vraag voor een speciaal onderwijsleermiddel een vraag voor ondersteuning door een tolk Vlaamse Gebarentaal of een schrijftolk is, wordt bij de aanvraag aangetoond dat de betrokken leerling voldoende de Vlaamse Gebarentaal beheerst of over voldoende leesvaardigheden beschikt om op een zinvolle manier van de ondersteuning door een tolk gebruik te maken.

§ 3. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse Gebarentaal of schrijftolken, dan bepaalt de Vlaamse Regering :

1° het per schooljaar en academiejaar totaal beschikbaar urenpakket voor tolken Vlaamse Gebarentaal en voor schrijftolken;

2° de procedure voor de aanvraag en toekenning van de schrijftolken en tolken Vlaamse Gebarentaal bij het Agodi; het Agodi zal hiertoe eveneens een intern beroep voorzien;

3° de diplomavoorwaarden voor de tolken Vlaamse Gebarentaal en schrijftolken;

4° de te indexeren loonkost voor de tolken Vlaamse Gebarentaal en de loonkost voor de schrijftolken.

§ 4. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse Gebarentaal, dan verleent de Vlaamse Regering voor de realisatie van de tolkuren voor tolken Vlaamse Gebarentaal een subsidie aan een door de Vlaamse Regering te bepalen centraal tolkenbureau, op voorwaarde dat dat laatste zich engageert om :

1° als bemiddelaar op te treden tussen de aanvrager en de tolken Vlaamse Gebarentaal, met inbegrip van het verlenen van bijstand bij het opmaken van het aanvraagdossier, het toewijzen van een tolk, rekening houdend met de specifieke noden en wensen van de aanvrager en het aanbod, het opmaken en bijhouden van tolkenlijsten en van prestatiebladen van de erkende tolken voor doven en slechthorenden, het uitbetalen van de tolken op basis van hun prestaties, het uitbetalen van de verplaatsingsvergoedingen van de tolken en het jaarlijks rapporteren omtrent de activiteiten;

2° als klachtenbemiddelaar op te treden omtrent de tolkendienstverlening in het algemeen en misbruiken aan de klachtencommissie te signaleren, overeenkomstig artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 1994 houdende vaststelling van de regels volgens dewelke het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap de kosten van bijstand door tolken voor doven en slechthorenden ten laste neemt;

3° voldoende uitgerust te zijn om :

- te kunnen voorzien in optimale bereikbaarheid ten behoeve van gebruikers en hiervoor over een aangepast oproepsysteem te beschikken;

- te kunnen voorzien in een optimale dienstverlening ten behoeve van gebruikers en hiervoor een online overzicht voor opvolging van de beschikbare tolkuren ter beschikking te stellen;

- te kunnen voorzien in inspraak in de aanwending van de tolkuren door de ouders.

De subsidie van de Vlaamse Regering, vermeld in het eerste lid, bestaat uit een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal werkingsmiddelen voor de overheadkost voor het door de Vlaamse Regering te bepalen centraal tolkenbureau, aangevuld met de lonen en verplaatsingskosten, bestemd voor de tolken Vlaamse Gebarentaal.

§ 5. De procedure voor de aanvraag en toekenning en het intern beroep en de werking van het door de Vlaamse Regering te bepalen centraal tolkenbureau worden om de drie jaar geëvalueerd. De eerste evaluatie vindt plaats gedurende het schooljaar 2015-2016. Tijdens deze evaluatie wordt de betrokkenheid van de doelgroep verzekerd.

§ 6. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen een andere vorm aannemen dan hetgeen vermeld is onder paragraaf 2 tot en met 5, dan bepaalt de Vlaamse Regering de procedure voor de aanvraag en de criteria voor toekenning van deze middelen.]

Decr. 19-7-2013

Onderafdeling G. - Sociale voordelen en gezondheidstoezicht

Art. 92 t.e.m. 95.

[...]

Decr. 30-11-2007

HOOFDSTUK VIII. - [Programmatie en rationalisatie van scholen]

Decr.10-7-2003

Art. 96.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de gefinancierde en gesubsidieerde scholen [...].

Decr.10-7-2003

Afdeling 1. - Vrije keuzeschool

Art. 97.

[Elke officiële school voor gewoon onderwijs kan de vrije keuze verzekeren indien zij begeleid wordt door een officieel CLB en indien de oudervereniging van de school aansluit bij het ondersteuningscentrum van ouderverenigingen van het officieel onderwijs.]

Decr.14-2-2003

Art. 98.

[...]

Decr.14-2-2003

Art. 99.

Een vrije school voor gewoon onderwijs, gebaseerd op een godsdienst of levensbeschouwing, die op grond van artikel 25, § 1, 2° opgericht wordt om de vrije keuze te verzekeren, is een vrije keuzeschool indien ze erkend is door de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of levensbeschouwing.

Art. 100.

§ 1. Een vrije keuzeschool zoals bedoeld in [de artikelen 97 en 99]³ voldoet aan de programmatienormen indien er [op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar]¹ zestien regelmatige leerlingen [...]² zijn ingeschreven.

[ ]¹ Decr. 20-10-2000; [ ]² Decr. 14-2-2003; [ ]³ Decr.15-7-2005

§ 2. Een vrije keuzeschool die voldoet aan § 1 kan een beroep doen op de door de Gemeenschap aan [het Gemeenschapsonderwijs]¹ of aan [Agion]² toegekende investeringsmiddelen.

[ ]¹ Decr. 10-7-2003; [ ]² Decr. 8-5-2009

§ 3. De directeur van een vrije keuzeschool die voldoet aan § 1 krijgt de weddeschaal van directeur toegekend.

§ 4. De norm bepaald in § 1 is de rationalisatienorm zolang de school vrije keuzeschool is en de bepaling van § 2 geldt zolang de school vrije keuzeschool blijft.

Art. 101.

§ 1. [In elke gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs die voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen kunnen per 1 september types van vrije keuze, met uitzondering van type 5, worden gefinancierd of gesubsidieerd indien het type binnen de provincie niet georganiseerd wordt in een school van dezelfde groep.]

§ 2. De volgens § 1 nieuw opgerichte types van vrije keuze moeten twee schooljaren voldoen aan de door de regering vastgelegde programmatienormen.

§ 3. Een volgens § 1 opgericht type kan niet tot een ander type omgevormd worden.

[§ 4. In aanvulling op § 1 tot § 3 moet een schoolbestuur dat een nieuw type van vrije keuze wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden :

1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité;

2° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor het nieuwe type;

3° de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe type worden in het dossier weergegeven.

De regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.

§ 5. De oprichting vanaf 1 september van een nieuw type van vrije keuze kan pas na een gunstige beslissing van de regering.

Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi.

In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van een type 9 van vrije keuze gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.

De regering neemt deze beslissing na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.]

Decr. 21-3-2014

Afdeling 2. - Programmatie

Onderafdeling A. - [Programmatie van scholen]

Decr. 22-6-2007

Art. 102.

[§ 1. Buiten de gevallen zoals bedoeld in artikel 100, kan een nieuwe school voor gewoon basisonderwijs per 1 september in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden, indien ze op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar de door de regering vastgelegde programmatienormen bereikt en gelegen is op een voldoende afstand van elke andere school of vestigingsplaats voor gewoon kleuter-, lager-, of basisonderwijs van dezelfde groep. Een nieuwe school is een school die opgericht wordt vanaf 1 september 2003.

In gemeenten met een bevolkingsdichtheid van vijfhonderd of minder inwoners per km² is de afstand drie kilometer, in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van meer dan vijfhonderd inwoners per km² is de afstand twee kilometer.

§ 2. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de in programmatie zijnde school het tweede, derde [[, vierde, vijfde en zesde]] bestaansjaar telkens op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar de door de regering vastgelegde programmatienormen bereiken.

Indien dit niet het geval is, wordt de school met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd.]

Decr. 10-7-2003; [[ ]] Decr. 22-6-2007

[§ 3. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "op de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "tijdens de maand september".]

Decr. 22-6-2007

Art. 103.

§ 1. Een nieuwe school voor buitengewoon onderwijs kan per 1 september in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden indien zij [op de eerste schooldag van oktober] van het oprichtingsjaar :

ten minste twee types organiseert, type 5 uitgezonderd;

voor elk type de door de regering vastgelegde programmatienormen bereikt;

voor alle georganiseerde types samen de door de regering vastgelegde programmatienormen bereikt.

Decr. 20-10-2000

[§ 1bis. In afwijking van § 1 kan, indien er [[binnen de provincie]] nog geen school van die groep bestaat, één nieuwe school voor buitengewoon onderwijs per 1 september in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden indien zij op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar de door de Vlaamse Regering vastgestelde programmatienorm bereikt.]

Decr. 15-7-2005; [[ ]] Decr. 19-7-2013

§ 2. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe school het tweede en derde bestaansjaar telkens [op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar] de door de regering vastgelegde programmatienormen bereiken zowel voor de totale schoolbevolking als voor elk type afzonderlijk.

Indien dit niet het geval is wordt de school met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet gefinancierd of gesubsidieerd.

Decr. 20-10-2000

§ 3. In afwijking van § 1 kan aan een door de regering aangeduide medische instelling per 1 september één school voor type 5 in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden indien de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen gedurende de maand september van het oprichtingsjaar voldoet aan de door de regering vastgestelde programmatienormen.

Voor het type 5 wordt de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen gedurende de maand september van het tweede en derde bestaansjaar vergeleken met de programmatienorm.

Art. 104.

De directeur van de volgens de artikelen 102 en 103 gefinancierde of gesubsidieerde school krijgt vanaf 1 september van het oprichtingsjaar de weddeschaal van directeur.

Art. 105.

[§ 1. De volgens artikelen 102 of 103 gefinancierde of gesubsidieerde scholen kunnen na het derde bestaansjaar een beroep doen op de door de Gemeenschap aan [[het Gemeenschapsonderwijs]]¹ of aan de [[Agion]]² toegekende investeringsmiddelen.]¹

[§ 2.]¹ In afwijking van § 1, kan een nieuwe gefinancierde of gesubsidieerde school die voorheen vestigingsplaats was, vanaf het oprichtingsjaar een beroep doen op de door de Gemeenschap aan [het Gemeenschapsonderwijs]² of aan de [Agion]³ toegekende investeringsmiddelen.

[ ]¹ Decr. 14-7-1998; [ ]² Decr. 10-7-2003; [ ]³ Decr. 22-6-2007; [[ ]]¹ Decr. 10-7-2003; [[ ]]² Decr. 22-6-2007

[Art. 105bis.

Bij het vastleggen van de verschillende programmatienormen neemt de regering de volgende principes in acht :

1° de programmatienormen zijn verschillend naargelang de bevolkingsdichtheid van de gemeenten;

2° a) voor het gewoon basisonderwijs worden programmatienormen vastgelegd voor de eerste zes bestaansjaren;

b) voor het buitengewoon basisonderwijs worden programmatienormen vastgelegd voor de eerste drie bestaansjaren;

3° a) de programmatienormen voor het gewoon basisonderwijs liggen tussen 25 en 165 leerlingen;

b) de programmatienormen voor het buitengewoon basisonderwijs liggen tussen 5 en 180 leerlingen.]

Decr. 22-6-2007

Onderafdeling B. - Fusies en herstructureringen

Art. 106.

Elke school kan vanaf het [tweede] schooljaar dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling met één of meer andere scholen gefusioneerd worden.

Een fusie van scholen heeft uitwerking op 1 september. De school door fusie ontstaan wordt niet als een nieuwe oprichting beschouwd. De programmatienormen zijn niet van toepassing.

Decr.10-7-2003

Art. 107.

Schoolbesturen kunnen hun scholen herstructureren vanaf het [tweede]² schooljaar dat ze opgenomen zijn in de financierings- of subsidieregeling. [Zij kunnen hun scholen overhevelen naar een ander schoolbestuur.]¹

Een herstructurering heeft uitwerking op 1 september. [De overheveling van een school naar een ander schoolbestuur heeft ten aanzien van [[het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming]] uitwerking op 1 september.]¹

[...]²

[ ]¹ Decr. 15-7-1997; [ ]² Decr. 10-7-2003; [[ ]] Decr. 21-12-2012

Art. 108.

Wegens uitzonderlijke redenen van tijdelijke aard [kunnen leerlingen, overeenkomstig artikel 35bis van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, tijdelijk buiten de bestaande vestigingsplaats ondergebracht worden]². De programmatienormen [en rationalisatienormen]¹ zijn hier niet van toepassing.

[ ]¹ Decr. 7-7-2006; [ ]² Decr. 19-6-2015

[Afdeling 2bis - Oprichten van vestigingsplaatsen, niveaus of types

Onderafdeling A - Oprichten van vestigingsplaatsen]

Decr. 22-6-2007

[Art. 108bis.

[[§ 1. Elke school voor gewoon kleuter-, lager-, of basisonderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen, mag één of meer vestigingsplaatsen oprichten. Daartoe moeten de school en al haar reeds bestaande vestigingsplaatsen en niveaus op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken en moeten de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.

§ 2. In afwijking van § 1 kan een school voor gewoon basisonderwijs in programmatie, vanaf het tweede jaar dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling, één of meer vestigingsplaats(en) oprichten. In voorkomend geval gelden de programmatienormen.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "op de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "tijdens de maand september" en worden de woorden "op de eerste schooldag van februari" gelezen als de woorden "tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".]] ]

Decr. 10-7-2003; [[ ]] Decr. 22-6-2007

Art. 109.

[§ 1. Elke school voor buitengewoon basisonderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen, mag binnen een afstand van minder dan twee kilometer van de administratieve vestigingsplaats één of meer vestigingsplaats(en) oprichten.

§ 2. Elke school voor buitengewoon basisonderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen, mag op een afstand van twee kilometer en meer van de administratieve vestigingsplaats één of meer vestigingsplaats(en) oprichten. Daartoe moeten de school al haar reeds bestaande types in scholen en al haar reeds bestaande types in vestigingsplaatsen op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken en moeten de types in de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.

§ 3. In afwijking van § 1 en § 2 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling één of meer vestigingsplaats(en) oprichten. In voorkomend geval gelden de programmatienormen.

§ 4. Onverminderd de bepalingen in § 1, § 2 en § 3 kan een school voor type 5 pas een nieuwe vestigingsplaats oprichten na goedkeuring door de regering.

§ 5. Voor de toepassing van dit artikel op een school voor type 5 worden de woorden "op de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "tijdens de maand september" en worden de woorden "op de eerste schooldag van februari" gelezen als de woorden "tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".]

Decr. 22-6-2007

[Onderafdeling B - Oprichten van een niveau ]

Decr. 22-6-2007

Art. 110.

[§ 1. Elke gefinancierde of gesubsidieerde school of vestigingsplaats die alleen gewoon lager onderwijs of alleen gewoon kleuteronderwijs organiseert, kan gefinancierde of gesubsidieerde basisschool of vestigingsplaats basisonderwijs worden. Daartoe moeten de school en elke vestigingsplaats of niveau van de school op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van het nieuwe niveau de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken en moet het nieuw opgerichte niveau de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.

§ 2. Elke gefinancierde of gesubsidieerde school die alleen buitengewoon lager onderwijs organiseert of alleen buitengewoon kleuteronderwijs organiseert, kan voor de door haar georganiseerde types basisschool worden. Daartoe moeten de school en elk type in de school en elk type in de vestigingsplaatsen van de school op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van het nieuwe niveau de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.

§ 3. In afwijking van § 2 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling een niveau oprichten. In voorkomend geval gelden de programmatienormen.

§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden "op de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "tijdens de maand september".]

Decr. 22-6-2007

[Onderafdeling C - Oprichten van een type]

Decr. 22-6-2007

Art. 111.

[§ 1. Met uitzondering van de scholen voor type 5, kan een school voor buitengewoon onderwijs die voldoet aan de rationalisatienorm, per 1 september een nieuw type oprichten, met uitzondering van type 5, op voorwaarde dat :

1° de school als geheel op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen;

2° het opgerichte type op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienorm.

§ 2. In afwijking van § 1 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van de scholen voor type 5, in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling één of meer types, met uitzondering van type 5, oprichten op voorwaarde dat de school het voorgaande schooljaar voldeed aan de door de regering vastgelegde programmatienormen. In dat geval zijn de programmatienormen van toepassing.]¹

[§ 3. In aanvulling op § 1 en § 2 moet een schoolbestuur dat een nieuw type wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden :

1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité;

2° het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste begeleidingsmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmoge- lijkheden voor kinderen met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld;

3° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor het nieuwe type;

4° de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe type worden in het dossier weergegeven.

De regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.

§ 4. De oprichting vanaf 1 september van een nieuw type kan pas na een gunstige beslissing van de regering.

Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt.

In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.

De regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.

§ 5. De scholen voor buitengewoon basisonderwijs die tijdens het schooljaar 2014-2015 een aanbod type 1 of type 8 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 10, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering.

[[De oprichting van type 9 in het schooljaar 2015-2016 wordt niet beschouwd als een herstructurering.]] ]²

[ ]¹ Decr. 22-6-2007; [ ]² Decr. 21-3-2014

[Onderafdeling D - Oprichten van een type door omvorming ]

Decr. 22-6-2007

Art. 112.

§ 1. Met uitzondering van scholen voor type 5, kan elke gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs die voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen per 1 september een bestaand type dat aan de door de regering vastgelegde rationalisatienorm voldoet, geleidelijk, jaar na jaar, omvormen tot een ander type, het type 5 uitgezonderd, op voorwaarde dat :

- het type dat wordt omgevormd jaar na jaar wordt opgeheven in alle vestigingsplaatsen van de school;

- het nieuwe type [op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar]¹ van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, de door de regering vastgelegde [rationalisatienorm]² bereikt.

[ ]¹ Decr. 20-10-2000; [ ]² Decr. 22-6-2007

§ 2. Tijdens de periode van omvorming kunnen er in het type dat opgeheven wordt, geen nieuwe leerlingen ingeschreven worden.

§ 3. De leerlingen van het type dat opgeheven wordt, komen niet in aanmerking voor de berekening van de door de regering vastgelegde rationalisatienormen.

§ 4. De omvorming van een bestaand type van buitengewoon onderwijs moet doorgevoerd worden in alle vestigingsplaatsen van de school waar dit type georganiseerd wordt.

§ 5. Er kan maar één type tegelijkertijd omgevormd worden.

[§ 6. In een school kunnen, gedurende de programmatieperiode geen types omgevormd worden.]

Decr. 22-6-2007

[Art. 112bis.

In afwijking van de artikelen 101, 103, 111 en 112 kan er in het schooljaar 2009-2010 [[, 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 [[[, 2013-2014 en 2014-2015]]] ]] geen nieuw aanbod voor type 7 ontstaan.]

Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. 5-7-2013; [[[ ]]] Decr. 21-3-2014

Onderafdeling G. - Programmatienormen

Art. 113.

[...]

Decr. 22-6-2007

Afdeling 3. - Rationalisatie

Onderafdeling A. - Algemeen

Art. 114.

[§ 1. De teldag voor de rationalisatie is de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.

§ 2. In afwijking van § 1 is de teldag voor het behalen van de rationalisatienormen voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering of voor scholen die door een beslissing van de regering moeten afbouwen, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. In het geval van een herstructurering geldt deze teldag voor het schooljaar van de herstructurering, in het geval van afbouw geldt deze teldag voor de duur van de afbouw.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 wordt het woord "teldag" telkens gelezen als het woord "telperiode" en worden de woorden "eerste schooldag van februari" telkens gelezen als de woorden "periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".

Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden "de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "de maand september".]

Decr. 22-6-2007

Art. 115.

[§ 1. Scholen, vestigingsplaatsen, niveaus of types die op de teldag, zoals bepaald in artikel 114, § 1, niet aan de voor hen geldende rationalisatienormen of behoudsnormen voldoen, blijven gesubsidieerd of gefinancierd als op de vorige teldag de volgende voorwaarden vervuld waren :

1° de school in haar geheel voldeed aan de rationalisatienormen of behoudsnormen;

2° elke vestigingsplaats, elk niveau, elk type van de school en elk type van de vestigingsplaatsen voldeden aan de voor hen geldende rationalisatienormen of behoudsnormen.

§ 2. Scholen, vestigingsplaatsen, niveaus of types die op de teldag, zoals bepaald in artikel 114, § 2, niet aan de voor hen geldende rationalisatienormen of behoudsnormen voldoen blijven gesubsidieerd of gefinancierd als op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar de volgende voorwaarden vervuld waren :

1° de school in haar geheel voldeed aan de rationalisatienormen of behoudsnormen;

2° elke vestigingsplaats, elk niveau, elk type van de school en elk type van de vestigingsplaatsen [[, die tijdens het lopende schooljaar nog deel uitmaken van de school,]] voldeden aan de voor hen geldende rationalisatienormen of behoudsnormen.]

Decr. 9-7-2010; [[]] Decr. 25-4-2014

Onderafdeling B. - Behoud in het buitengewoon onderwijs

Art. 116.

[In afwijking van de rationalisatienormen kan een gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs die twee of meer types organiseert, deze types behouden, wanneer de school als geheel op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar de door de regering vastgestelde rationalisatienormen bereikt en elk type afzonderlijk op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar de door de regering vastgelegde behoudsnorm bereikt.

Types die door de regering vastgelegde behoudsnormen niet bereiken, worden met ingang van 1 september van het daaropvolgende schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd.]

Decr. 22-6-2007

Art. 117.

In afwijking van de rationalisatienormen kan elke gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs die tegelijk de types 2 en 4 organiseert, gefinancierd of gesubsidieerd blijven indien zij op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar de door de regering vastgelegde behoudsnormen bereikt.

[...]

Decr. 22-6-2007

Art. 118.

§ 1. In afwijking van de rationalisatienormen kunnen gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor type 5, waar twee taalafdelingen gefinancierd of gesubsidieerd worden of waar de onderwijstaal niet deze is van het taalgebied, gefinancierd of gesubsidieerd blijven als zij op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar de door de regering vastgelegde behoudsnormen bereikt.

[...]

§ 2. De bepalingen van artikel 120, § 5 zijn niet van toepassing op de in onderhavig artikel bedoelde scholen.

Decr. 22-6-2007

Art. 119.

Indien voor een bepaald type in een bepaalde provincie, per groep geen enkele school de rationalisatienorm bereikt, kan, behalve voor type 5, in afwijking op die norm één school van deze groep in die provincie dat type behouden.

Onderafdeling C. - Rationalisatienormen

Art. 120.

§ 1. Voor het gewoon basisonderwijs legt de regering vier categorieën van rationalisatienormen vast :

1° de rationalisatienormen voor scholen;

2° de rationalisatienormen voor vestigingsplaatsen;

3° de rationalisatienormen voor geïsoleerde scholen;

4° de rationalisatienormen voor geïsoleerde vestigingsplaatsen.

§ 2. Een geïsoleerde school is een school voor gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs of basisonderwijs waarvan elke vestigingsplaats op een bepaalde afstand gelegen is van elke andere school voor gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs of basisonderwijs of vestigingsplaats van een andere school voor gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs of basisonderwijs van dezelfde groep [en van hetzelfde taalstelsel] waar onderwijs van hetzelfde niveau gegeven wordt.

In gemeenten met een bevolkingsdichtheid van vijfhonderd of minder inwoners per km2 is de afstand 3 kilometer, in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van meer dan vijfhonderd inwoners per km2 is de afstand twee kilometer.

De geïsoleerde school blijft geïsoleerd als er op basis van de vrije keuze een school wordt opgericht binnen een straal van drie kilometer, respectievelijk 2 kilometer.

§ 3. Een geïsoleerde vestigingsplaats is een vestigings-plaats voor gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs of basisonderwijs die op ten minste 2 kilometer gelegen is van elke andere vestigingsplaats voor gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs en basisonderwijs van dezelfde groep [en van hetzelfde taalstelsel] waar onderwijs op hetzelfde niveau gegeven wordt.

Deze vestigingsplaats blijft geïsoleerd als er op basis van de vrije keuze een school binnen een straal van twee kilometer wordt opgericht.

§ 4. Binnen elke van de in § 1 opgesomde categorieën worden afzonderlijke rationalisatienormen vastgelegd per niveau en liggen de rationalisatienormen het laagst voor vestigingsplaatsen en scholen in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan vijfenzeventig inwoners per km² en het hoogst voor vestigingsplaatsen en scholen in gemeenten met meer dan vijfhonderd inwoners per km².

§ 5. De programmatienormen en rationalisatienormen voor scholen en vestigingsplaatsen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad zijn die van de geïsoleerde scholen en vestigingsplaatsen in gemeenten met minder dan vijfenzeventig inwoners per km².

§ 6. Voor de programmatienormen en rationalisatienormen worden alle scholen verbonden aan kinderopvangcentra georganiseerd of erkend door Kind en Gezin en alle scholen, rechtstreeks verbonden aan internaten voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben, geacht gelegen te zijn in een gemeente met minder dan vijfenzeventig inwoners per km2.

Decr. 22-6-2007

Art. 121.

§ 1. Voor het buitengewoon basisonderwijs legt de regering drie categorieën van rationalisatienormen en behoudsnormen vast :

1° de rationalisatienormen en behoudsnormen voor vestigingsplaatsen;

2° de rationalisatienormen en behoudsnormen voor scholen;

3° de rationalisatienormen en behoudsnormen voor scholen en vestigingsplaatsen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

§ 2. Binnen elke categorie worden er afzonderlijke rationalisatienormen vastgelegd per type en liggen de rationalisatienormen het laagst voor vestigingsplaatsen en scholen in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan vijfenzeventig inwoners per km² en het hoogst voor vestigingsplaatsen en scholen in gemeenten met [vijfenzeventig en meer] inwoners per km².

Decr.14-7-1998

Afdeling 4. - Telling

Art. 122 en 123.

[...]

Decr. 22-6-2007

Art. 124.

Bij het tellen van de leerlingen gelden volgende principes :

1° in scholen met twee taalafdelingen worden de leerlingen van beide taalafdelingen samengeteld voor het behoud van de financiering of subsidiëring van de school.

De leerlingen van elke taalafdeling worden afzonderlijk geteld voor het behoud van de financiering of subsidiëring van de afdeling;

2° in scholen met verscheidene vestigingsplaatsen [, de scholen voor buitengewoon onderwijs van het type 5 uitgezonderd,]² worden de leerlingen van elke vestigingsplaats afzonderlijk geteld voor de rationalisatienorm van de vestigingsplaats. Voor het buitengewoon onderwijs geldt dit alleen voor de vestigingsplaatsen die op twee kilometer of meer van de administratieve vestigingsplaats gelegen zijn.

Voor de rationalisatienorm van de school worden de leerlingen van alle vestigingsplaatsen samengeteld;

3° in scholen met verschillende onderwijsniveaus worden voor het gewoon basisonderwijs de leerlingen van elk niveau afzonderlijk geteld; voor het buitengewoon basisonderwijs worden per type de leerlingen van kleuter- en lager onderwijs samengeteld;

4° de voor de telling in aanmerking te nemen leerlingen zijn de regelmatige leerlingen die op de teldag zijn ingeschreven;

5° in afwijking van 4° wordt voor de scholen van type 5 [en voor een CKG-school]¹ het gemiddelde van de tijdens de tellingsperiode ingeschreven regelmatige leerlingen berekend.

[ ]¹ Decr. 22-6-2007; [ ]² Decr. 4-7-2008

Afdeling 5. - Afwijkingen

Art. 125.

[...]

Decr. 22-6-2007

[HOOFDSTUK VIIIbis . - Scholengemeenschappen

Afdeling 1. - Algemene bepaling

Art. 125bis.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het gefinancierd en gesubsidieerd basisonderwijs.

Art. 125ter.

Een scholengemeenschap is een vrijwillig tot stand gebracht samenwerkingsverband tussen scholen, dat ten minste de bevoegdheden bedoeld in afdeling 4 uitoefent.

Een scholengemeenschap stelt zich tot doel :

1° het verhogen van het draagvlak van de betrokken scholen;

2° een efficiënter gebruik van de beschikbare middelen en een beter management.

Afdeling 2. - Oprichting

Art. 125quater.

Het schoolbestuur beslist over de toetreding van zijn scho(o)l(en) tot een scholengemeenschap.

Art. 125quinquies.

[[§ 1. Een scholengemeenschap wordt opgericht :

1° bij beslissing als de scholengemeenschap wordt gevormd door scholen van hetzelfde schoolbestuur;

2° bij overeenkomst als de scholengemeenschap wordt gevormd door scholen van verschillende schoolbesturen.

De beslissing of de overeenkomst regelt de organisatie en de werking van de scholengemeenschap.

§ 2. Op 1 september 2014 treedt de beslissing of overeenkomst in werking voor een periode van zes schooljaren. De beslissing of overeenkomst eindigt op 31 augustus 2020.

§ 3. In afwijking van paragraaf 2 eindigen de overeenkomsten of beslissingen die in werking treden in de loop van de zesjaarlijkse periode, vermeld in paragraaf 2, op 31 augustus 2020.

§ 4. Tijdens de voormelde periode kan de beslissing of overeenkomst inzake de vorming van een scholengemeenschap evenwel worden gewijzigd, zodat een school alsnog tot de scholengemeenschap kan toetreden of uit de scholengemeenschap kan stappen.

Een school kan uit de scholengemeenschap stappen in een van de volgende gevallen :

1° indien de scholengemeenschap minder dan negenhonderd gewogen regelmatige leerlingen telt op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar;

2° indien de school overgenomen wordt door een schoolbestuur van een andere groep als vermeld in artikel 3, 21°, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap, ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt;

3° indien de school behoort tot een schoolbestuur met bepaalde kenmerken en voor zover de uitstap plaatsvindt op 1 september 2017, 2018 of 2019. In voorkomend geval genereert desbetreffende school extra middelen voor het betrokken schoolbestuur. De Vlaamse Regering bepaalt :

a) aan welke kenmerken een desbetreffend schoolbestuur moet voldoen, met dien verstande dat een dergelijk schoolbestuur niet tot een scholengemeenschap kan behoren;

b) de vorm, de wijze van berekening, de toekenning en de aanwending van die extra middelen, met dien verstande dat de berekening ervan op lineaire basis gebeurt;

c) de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van die middelen, voor zover ze de personeelsomkadering betreffen, betrekkingen kunnen worden ingericht en hoe de omrekening naar gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen gebeurt.

Wijzigingen van een beslissing of overeenkomst treden in werking op 1 september na de datum waarop de wijziging tot stand is gekomen.

§ 5. De beslissing of overeenkomst wordt voor 15 juni voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding bezorgd aan AgODi.]]12

Afdeling 3. - Criteria voor het vormen van scholengemeenschappen

Art. 125sexies.

§ 1. Een scholengemeenschap omvat meerdere scholen basisonderwijs die al dan niet behoren tot eenzelfde schoolbestuur en/of eenzelfde onderwijsnet, met dien verstande dat een scholengemeenschap zowel het niveau kleuter- én lager onderwijs omvat.

§ 2. In afwijking van § 1 kan een scholengemeenschap één of meerdere vestigingsplaatsen bevatten van scholen waaraan de regering op basis van artikel 62, 4°, een afwijking toegekend heeft.

Art. 125septies.

§ 1. Elke scholengemeenschap bevat zowel kleuter- als lager onderwijs en telt op de eerste schooldag van februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de scholengemeenschap ten minste 900 gewogen leerlingen.

§ 2. Bij het tellen van de leerlingen gelden de volgende regels :

1° alleen de regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar worden geteld;

2° in afwijking van 1° worden voor de basisscholen verbonden aan een Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning en scholen voor type 5 de leerlingen geteld op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari;

3° elke leerling telt voor één teleenheid. De regering kan hierop een afwijking toekennen op basis van de bevolkingsdichtheid van de gemeenten en op basis van de inschrijving en het buitengewoon basisonderwijs;

4° het aantal gewogen leerlingen per scholengemeenschap is gelijk aan de som van het aantal gewogen leerlingen per school.

§ 3. De telling voor het voldoen aan de norm van scholengemeenschap geldt voor een periode van zes schooljaren.

[[§ 3bis. In afwijking van paragraaf 3 geldt de telling om te voldoen aan de norm van de scholengemeenschap voor overeenkomsten of beslissingen die in werking treden op 1 september 2011, voor een periode van drie schooljaren.]]10

§ 4. [[In afwijking van paragraaf 3 geldt de telling om te voldoen aan de norm van de scholengemeenschap voor overeenkomsten of beslissingen die in werking treden op 1 september 2012 of 1 september 2013, als vermeld in artikel 125quinquies, § 2, tot en met 31 augustus 2014.]]10

§ 5. [[In afwijking van paragraaf 3 geldt de telling voor het voldoen aan de norm van de scholengemeenschap voor overeenkomsten of beslissingen die in werking treden in de loop van de periode van zes schooljaren zoals bedoeld in artikel 125quinquies, § 3, tot op 31 augustus 2020.]]12

Art. 125octies.

§ 1. Elke scholengemeenschap is gelegen binnen maximaal [[vijf]]² aangrenzende onderwijszones. Met onderwijszones worden bedoeld, één van de 44 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage gevoegd bij [[de coördinatie betreffende het secundair onderwijs ]]9.

§ 2. Indien de scholen van eenzelfde groep binnen de grenzen van een provincie [[of binnen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest]]12 de norm van 900 leerlingen niet bereiken, dan kunnen in afwijking van § 1 scholengemeenschappen gevormd worden over méér dan [[vijf]]² aangrenzende zones.

[[§ 3. Het schoolbestuur van een school met meerdere vestigingsplaatsen die gelegen zijn in verschillende zones bepaalt tot welke zone de volledige school behoort.]]²

[[Art. 125octies 1.

§ 1. Een scholengemeenschap behoort tot één van de volgende contingenten :

1° categorie 1 :gemeenschapsonderwijs : maximum 44 scholengemeenschappen;

2° categorie 2 : gesubsidieerd officieel onderwijs : maximum 95 scholengemeenschappen;

3° categorie 3 : gesubsidieerd vrij confessioneel onderwijs : maximum 248 scholengemeenschappen;

4° categorie 4 : gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs : maximum 5 scholengemeenschappen.

§ 2. Een scholengemeenschap bestaande uit scholen die behoren tot verschillende categorieën bedoeld in § 1, wordt verrekend op het contingent van die categorie waartoe de meeste scholen van de scholengemeenschap behoren.

Is het aantal scholen uit de verschillende categorieën evenwel gelijk, dan wordt door de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs en/of de betrokken representatieve verenigingen van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, bepaald op welk contingent de scholengemeenschap wordt verrekend.

§ 3. De Raad voor het Gemeenschapsonderwijs of de betrokken representatieve vereniging van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, beslist welke voorgestelde scholengemeenschappen niet kunnen worden gevormd indien het vastgestelde contingent in de betrokken categorie wordt overschreden.]]²

Afdeling 4. - Bevoegdheden van de scholengemeenschap

Art. 125novies.

§ 1. Volgende bevoegdheden worden op het niveau van de scholengemeenschap uitgeoefend. De scholengemeenschap :

1° maakt afspraken over de aanwending van de puntenenveloppe toegekend aan de scholengemeenschap zoals bepaald in artikel 125duodecies;

[[1°bis maakt afspraken over het zorgbeleid in de scholen van de scholengemeenschap;

1°ter maakt afspraken over de aanwending van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid toegekend aan de scholengemeenschap zoals bepaald in artikel 125duodecies1;

1°quater duidt een personeelslid aangesteld in het ambt van zorgcoördinator aan als aanspreekpunt, voor de overheid, voor de kleuterparticipatie binnen de scholengemeenschap;]]7

2° maakt afspraken over de aanwending van de punten beleids- en ondersteunend personeel die op het niveau van de scholengemeenschap kunnen worden samengelegd;

3° maakt afspraken over de wijze waarop de puntenenveloppe voor ICT aangewend wordt binnen de scholengemeenschap;

[[3°bis [[[...]]]¹ ]]4

4° maakt afspraken over de wijze waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs haar deskundigheid ter beschikking stelt voorzover er een school voor buitengewoon onderwijs deel uitmaakt van de scholengemeenschap;

5° maakt afspraken over het sluiten van een samenwerkingsakkoord met één of meer scholen voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs die niet tot de scholengemeenschap behoren; met een scholengemeenschap basisonderwijs of secundair onderwijs; met één of meer instellingen voor secundair onderwijs, deeltijdskunstonderwijs en/of volwassenenonderwijs.

Deze bepaling geldt niet voor samenwerkingsovereenkomsten die afgesloten zijn vooraleer de scholengemeenschap gevormd is;

6° maakt afspraken over het opnemen van bijkomende scholen in de scholengemeenschap;

7° [[maakt algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen en evaluaties;]]5

[[8° [[[maakt algemene afspraken over de interne afstemming van het personeelsbeleid binnen de scholengemeenschap;]]]³ ]]6

§ 2. Het schoolbestuur/de schoolbesturen kan/kunnen de beslissingsbevoegdheid inzake de in § 1 bedoelde aangelegenheden overdragen naar het niveau van de scholengemeenschap.

Art. 125decies.

De scholengemeenschap kan het initiatief nemen om afspraken te maken omtrent de volgende aangelegenheden :

1° de overdracht van lestijden en uren uit het urenpakket;

2° [[de inhoud en de toepassing van de engagementsverklaring vermeld in artikel 37;]]8

3° de overdracht van punten zorg naar andere scholengemeenschappen teneinde speciale projecten met betrekking tot zorg mogelijk te maken zoals bedoeld in artikel [[172]]7. Deze overdrachten zijn enkel mogelijk naar scholengemeenschappen die binnen dezelfde zone(s) of aangrenzende zone(s) liggen;

4° [[...]]10

5° het gebruik van de infrastructuur;

[[6° de overdracht naar een andere scholengemeenschap van punten voor het voeren van een zorgbeleid verkregen op basis van artikel 125duodecies1, § 1, op voorwaarde dat een school op basis van artikel 125quinquies [[[, § 3, tweede lid, 1° en 2°, of § 6, tweede lid, 1° en 2°,]]]³ de scholengemeenschap verlaat en toetreedt tot de scholengemeenschap naar waar de punten voor het voeren van een zorgbeleid worden overgedragen.]]8

Art. 125undecies.

Schoolbesturen kunnen aan de scholengemeenschap bijkomende bevoegdheden toewijzen, tenzij dit krachtens een wet, een bijzonder decreet of een decreet wordt verboden. De bijkomend toegewezen bevoegdheden worden opgenomen in de beslissing of overeenkomst.

Afdeling 5. - Voordelen voor de scholengemeenschap

Art. 125duodecies.

[[§ 1. De scholengemeenschap ontvangt jaarlijks een door de Vlaamse Regering vastgelegde puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking.

§ 2. Bij het tellen van de leerlingen voor de puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking gelden de volgende regels :

[[[1° scholen die op basis van artikel 125quinquies een nieuwe scholengemeenschap vormen, worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de scholengemeenschap, voor de berekening van de puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking van die scholengemeenschap op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap geen deel uitmaakte van een andere scholengemeenschap [[[[en op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsdieringsregeling]]]]4;]]]²

1°bis alleen de regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar worden geteld. [[[Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen zoals bepaald in artikel 125quinquies, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling;]]]4

2° in afwijking van 1° worden voor de basisscholen verbonden aan een Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning en scholen voor type 5 de leerlingen geteld op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari;

3° elke leerling telt voor één teleenheid. De Vlaamse Regering kan hierop afwijking toekennen op basis van de bevolkingsdichtheid van de gemeente en op basis van de inschrijving in het buitengewoon basisonderwijs;

4° het aantal gewogen leerlingen per scholengemeenschap is gelijk aan de som van het aantal gewogen leerlingen per school.

§ 3. In afwijking van § 1 behoudt de scholengemeenschap die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar minder dan 900 gewogen regelmatige leerlingen telt, gedurende maximaal twee opeenvolgende schooljaren, het recht op een puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking van de scholengemeenschap. De puntenenveloppe is deze voor scholengemeenschappen met 900 gewogen regelmatige leerlingen.]]²

[[§ 4. Scholengemeenschappen, waar scholen van het gemeenschapsonderwijs deel van uitmaken, kunnen de puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking aanwenden om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur in de scholengroep, waar één of meerdere scholen van de scholengemeenschap deel van uit maken, school- of klasvrij te maken.]]³

[[§ 5. De betrekkingen die worden ingericht op basis van de puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking van de scholengemeenschap komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.]]11

[[Art. 125duodecies 1.

[[[§ 1. De scholengemeenschap ontvangt jaarlijks een door de regering vastgelegde puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid. Deze puntenenveloppe kan enkel voor dit doel, zoals omschreven in artikel 153septies, aangewend worden.

Bij het vastleggen van de berekeningswijze van deze puntenenveloppe neemt de regering volgende principes in acht :

[[[[1° Scholen die, op basis van artikel 125quinquies,[[[[[...]]]]]² toetreden tot een al bestaande scholengemeenschap, worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, voor de berekening van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid van de scholengemeenschap, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling en geen deel uitmaakte van een andere scholengemeenschap.

Scholen die op basis van artikel 125quinquies, [[[[[§ 3 of § 6]]]]]¹, toetreden tot een al bestaande scholengemeenschap, worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, voor de berekening van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid van die scholengemeenschap op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap deel uitmaakte van een scholengemeenschap die op 31 augustus van het schooljaar voor de toetreding van de school tot haar nieuwe scholengemeenschap ophoudt te bestaan.

Scholen die op basis van artikel 125quinquies een nieuwe scholengemeenschap vormen, worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de scholengemeenschap, voor de berekening van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid van die scholengemeenschap op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap geen deel uitmaakte van een andere scholengemeenschap; [[[[[en op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.]]]]] ]]]]¹

1°bis elke scholengemeenschap ontvangt per school voor gewoon basisonderwijs dat de scholengemeenschap telt op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar een sokkel aan punten. [[[[Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, zoals bepaald in artikel 125quinquies, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.]]]]4

2° de overige punten worden lineair toegekend op basis van de leerlingenaantallen in het gewoon basisonderwijs en het aantal kleuters in het buitengewoon basisonderwijs binnen de scholengemeenschap.

Voor de lineaire toekenning wordt er een puntengewicht vastgelegd voor :

a) kleuters in het gewoon basisonderwijs;

b) kleuters in het buitengewoon basisonderwijs;

c) leerlingen lager onderwijs in het gewoon basisonderwijs.

§ 2. Bij het tellen van de leerlingen voor deze puntenenveloppe gelden de volgende regels :

1° in het gewoon basisonderwijs worden alleen de regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar geteld. [[[[Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, zoals bepaald in artikel 125quinquies, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling;]]]]4

2° in afwijking van 1° worden voor de CKG-scholen de leerlingen geteld op basis van het gemiddelde aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari;

3° in het buitengewoon basisonderwijs worden alleen de regelmatige kleuters op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar geteld. [[[[Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, zoals bepaald in artikel 125quinquies, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling;]]]]4

4° in afwijking van punt 3°, worden in de scholen voor type 5 de kleuters geteld op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari.

§ 3. Maximaal 10 % van de puntenenveloppe kan aangewend worden voor het aanstellen van personeelsleden die een beleidsondersteunende functie, in het kader van het zorgbeleid zoals omschreven in artikel 153septies, uitoefenen ten behoeve van de scholengemeenschap. Van dit percentage kan na akkoord in het bevoegd lokaal comité worden afgeweken.

[[[[De betrekkingen die worden ingericht op basis van de overeenkomstig deze paragraaf aangewende punten komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.]]]]³

§ 4. De scholengemeenschap kent, tijdens de schooljaren 2008-2009, 2009-2010 [[[[, 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 en 2013-2014]]]]², aan elke school van de scholengemeenschap jaarlijks minimum het aantal punten toe dat de school, op basis van haar leerlingenaantal op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, kon inrichten op basis van de berekeningswijze, geldig tijdens het schooljaar 2007-2008 voor de puntenenveloppe toegekend voor een personeelsomkadering ter ondersteuning van het op school gevoerde zorgbeleid.

§ 5. De verdeling van de puntenenveloppe door de scholengemeenschap mag niet tot gevolg hebben dat bijkomende personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar.

§ 6. De regering bepaalt de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van de puntenenveloppe betrekkingen kunnen worden ingericht en bepaalt op welke wijze de omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen gebeurt.]]]¹ ]]4

Art. 125terdecies.

In afwijking van artikelen 142, 146ter en 153bis , kan er door de betrokken schoolbesturen tussen scholen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap méér dan 3 procent van het lestijdenpakket en/of urenpakket worden overgedragen, mits :

1° de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;

2° akkoord van het bevoegd lokaal comité;

3° de overdracht gebeurt vóór 15 oktober van het lopende schooljaar;

4° de overdracht niet voor gevolg heeft dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking.

De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. De scholengemeenschap moet met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan [[Agodi]]11 waarin ze verklaart deze bepaling in acht te nemen.

Art. 125quaterdecies.

Schoolbesturen kunnen, in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap gemaakt zijn, punten samenleggen op het niveau van de scholengemeenschap mits :

1° de samenlegging gebeurt vóór 15 oktober van het lopende schooljaar;

2° de samenlegging niet voor gevolg heeft dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking.

De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. De scholengemeenschap moet met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan [[Agodi]]11 waarin ze verklaart deze bepaling in acht te nemen.]

Decr. 10-7-2003; [[ ]]¹ Decr. 7-5-2004; [[ ]]² Decr. 15-7-2005; [[ ]]³ Decr. 7-7-2006; [[ ]]4 Decr. 22-6-2007; [[ ]]5 Decr. 13-7-2007; [[ ]]6 Decr. 15-12-2006; [[ ]]7 Decr. 4-7-2008; [[ ]]8 Decr. 9-7-2010; [[ ]]9 B.Vl.R. 17-12-2010; [[ ]]10 Decr. 17-6-2011; [[ ]]11 Decr. 19-7-2013; [[ ]]12 Decr. 25-4-2014; [[[ ]]]¹ Decr. 4-7-2008; [[[ ]]]² Decr. 8-5-2009; [[[ ]]]³ Decr. 17-6-2011; [[[ ]]]4 Decr. 25-4-2014; [[[[ ]]]]¹ Decr. 8-5-2009; [[[[ ]]]]² Decr. 17-6-2011; [[[[ ]]]]³ Decr. 19-7-2013; [[[[ ]]]]4 Decr. 25-4-2014; [[[[[ ]]]]]¹ Decr. 17-6-2011; [[[[[ ]]]]]² Decr. 25-4-2014; [[[[[ ]]]]] Decr. 25-4-2014

[Afdeling 6. - Inspraak van het personeel op niveau van de scholengemeenschap

Onderafdeling 1. - Scholengemeenschappen gesubsidieerd officieel onderwijs

Art. 125quinquies decies.

Deze onderafdeling is van toepassing op de scholengemeenschappen basisonderwijs die uitsluitend bestaan uit scholen die behoren tot het gesubsidieerd officieel onderwijs.

Art. 125sexies decies.

In elke scholengemeenschap wordt een lokaal comité opgericht op het niveau van de scholengemeenschap, verder OCSG genoemd.

Het vorige lid is niet van toepassing op de scholengemeenschappen die uitsluitend bestaan uit scholen die behoren tot hetzelfde schoolbestuur. In dat geval worden de bevoegdheden van het OCSG zoals vastgelegd in deze onderafdeling uitgeoefend door het afzonderlijk bijzonder comité opgericht krachtens artikel 4, § 1, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

Art. 125septies decies.

§ 1. Elk OCSG is samengesteld uit afgevaardigden van enerzijds de schoolbesturen en anderzijds de representatieve vakorganisaties. Als representatieve vakorganisaties worden beschouwd de vakorganisaties die zitting hebben in het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - Afdeling 2 - Onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap".

§ 2. De afvaardiging van de schoolbesturen bestaat uit minstens één lid van elk schoolbestuur zonder dat haar totale afvaardiging groter mag zijn dan de totale afvaardiging van de representatieve vakorganisaties.

De vertegenwoordigers van de schoolbesturen moeten bevoegd zijn om hun respectief schoolbestuur te verbinden.

§ 3. De afvaardiging van de representatieve vakorganisaties bestaat uit maximaal één lid per representatieve vakorganisatie per schoolbestuur en wordt vrij door hen samengesteld.

§ 4. De effectieve leden van het OCSG kunnen zich laten vervangen op de wijze zoals bepaald in het werkingsreglement. De leden van de afvaardiging van de schoolbesturen kunnen zich alleen laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde.

Art. 125duodevicies.

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties genieten de rechten en plichten voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en haar uitvoeringsbesluiten.

Art. 125undevicies.

§ 1. De afgevaardigden van de schoolbesturen bepalen wie onder hen het voorzitterschap van het OCSG waarneemt. De voorzitter waakt over de goede werking van het OCSG.

§ 2. Het secretariaat van het OCSG wordt waargenomen door een secretaris die onder en door de vertegenwoordigers van het personeel wordt gekozen. Mits akkoord van alle leden van het OCSG kan het secretariaat ook worden waargenomen door een secretaris die geen deel uitmaakt van het OCSG.

Art. 125vicies.

§ 1. Het OCSG is bevoegd om te onderhandelen over de aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is voor zover deze aangelegenheden een repercussie kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de onderliggende scholen en/of van de scholengemeenschap zelf.

§ 2. De leden van het OCSG hebben een informatierecht met betrekking tot alle aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is.

Ze hebben bovendien ten minste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met de tewerkstelling.

Deze inlichtingen hebben betrekking op :

1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren;

2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling;

3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap.

§ 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap.

§ 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd.

§ 5. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kunnen bij de afgevaardigden van de schoolbesturen stappen zetten in het gemeenschappelijk belang van het personeel werkzaam in de scholengemeenschap.

Art. 125vicies semel.

De aangelegenheden waarover moet onderhandeld worden, worden op de agenda geplaatst door de voorzitter van het OCSG. Ook de andere leden van het OCSG kunnen punten op de agenda zetten. Met het oog op de onderhandelingen ontvangen de leden van het OCSG vooraf alle documenten die nodig en nuttig zijn om met voldoende kennis van zaken standpunten te kunnen innemen.

Art. 125vicies bis.

Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de schoolbesturen, noch die van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van representatieve vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig.

Art. 125vicies ter.

§ 1. De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een protocol waarin worden opgetekend :

1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen;

2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties, alsook het standpunt van de afvaardiging van een of meer representatieve vakorganisaties;

3° ofwel het respectieve standpunt van de afvaardiging van de schoolbesturen en dat van de afvaardigingen van de verschillende representatieve vakorganisaties.

§ 2. Ingeval van eenparig akkoord of ingeval van akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties kunnen, noch op het niveau van de individuele schoolbesturen, noch op het niveau van de individuele scholen beslissingen genomen worden die afwijken van het protocol.

Art. 125vicies quater.

Maatregelen die na onderhandeling worden genomen vermelden de datum van het protocol bedoeld in artikel 125vicies ter.

Art. 125vicies quinquies.

§ 1. Het OCSG neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. Het bepaalt minimaal :

1° de wijze waarop het OCSG wordt samengeroepen, de termijn van bijeenroeping en het aantal vergaderingen per schooljaar met een minimum van drie;

2° de wijze waarop documenten zullen bezorgd worden;

3° de wijze waarop leden van het OCSG een punt op de agenda van het OCSG kunnen zetten en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;

4° de taken van de voorzitter;

5° de taken van de secretaris;

6° de termijnen voor het beëindigen van de onderhandeling;

7° de wijze waarop de notulen en protocollen tot stand komen;

8° de wijze waarop de agenda, bijgevoegde documentatie, notulen en protocollen zullen bewaard worden;

9° de wijze waarop de effectieve leden zich kunnen laten vervangen en de wijze waarop en de gevallen waarin de afvaardigingen technici kunnen laten deelnemen aan de vergaderingen;

10° de concretisering van de bevoegdheden zoals vermeld in artikel 125vicies;

11° de concretisering van de rechten en plichten bedoeld in artikel 125duodevicies;

12° de nominatieve lijst van de effectieve vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de effectieve vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties alsook de vertegenwoordigers die hen kunnen vervangen.

§ 2. Indien er binnen een termijn van drie maanden na de oprichting van het OCSG geen akkoord is over een werkingsreglement, is het model van werkingsreglement bij eenparigheid opgesteld door onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten van toepassing.

Art. 125vicies sexies.

De werkingskosten van het OCSG komen ten laste van de schoolbesturen.

Onderafdeling 2. - Netoverschrijdende scholengemeenschappen

Art. 125vicies septies.

Deze onderafdeling is van toepassing op de netoverschrijdende scholengemeenschappen die uitsluitend bestaan uit scholen die basisonderwijs inrichten.

Art. 125duodetricies.

In elke scholengemeenschap wordt een lokaal comité opgericht op het niveau van de scholengemeenschap, verder OCSG genoemd.

Art. 125undetricies.

§ 1. Elk OCSG is samengesteld uit afgevaardigden van enerzijds de schoolbesturen en anderzijds de representatieve vakorganisaties. Als representatieve vakorganisaties worden beschouwd de vakorganisaties die zitting hebben in Sectorcomité X - Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - Afdeling 2 - Onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" en/of het Overkoepelend Onderhandelingscomité Gesubsidieerd Vrij Onderwijs".

§ 2. De afvaardiging van de schoolbesturen bestaat uit minstens één lid van elk schoolbestuur zonder dat haar totale afvaardiging groter mag zijn dan de totale afvaardiging van de representatieve vakorganisaties.

De vertegenwoordigers van de schoolbesturen moeten bevoegd zijn om hun respectief schoolbestuur te verbinden.

§ 3. De afvaardiging van de representatieve vakorganisaties bestaat uit maximaal één lid per representatieve vakorganisatie per schoolbestuur en wordt vrij door hen samengesteld.

In afwijking van het vorige lid mag voor de schoolbesturen van de scholengemeenschap die behoren tot het gesubsidieerd vrij onderwijs waar maar één representatieve vakorganisatie vertegenwoordigd is in het lokaal comité of de lokale comités, deze representatieve vakorganisatie maximaal drie vertegenwoordigers afvaardigen naar het OCSG. Zijn er twee representatieve vakorganisaties vertegenwoordigd in het lokaal comité of de lokale comités, dan mag de representatieve vakorganisatie met het grootst aantal vertegenwoordigers in het lokaal comité of de lokale comités maximaal twee vertegenwoordigers afvaardigden naar het OCSG. De andere representatieve vakorganisatie mag dan maximaal één vertegenwoordiger afvaardigen.

§ 4. De effectieve leden van het OCSG kunnen zich laten vervangen op de wijze zoals bepaald in het werkingsreglement. De leden van de afvaardiging van de schoolbesturen kunnen zich alleen laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde.

Art. 125tricies.

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd officieel onderwijs of Gemeenschapsonderwijs genieten de rechten en plichten voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en haar uitvoeringsbesluiten.

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd vrij onderwijs genieten de rechten en de plichten voorzien in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs.

Art. 125tricies semel.

§ 1. De afgevaardigden van de schoolbesturen bepalen wie onder hen het voorzitterschap van het OCSG waarneemt. De voorzitter waakt over de goede werking van het OCSG.

§ 2. Het secretariaat van het OCSG wordt waargenomen door een secretaris die onder en door de vertegenwoordigers van het personeel wordt gekozen. Mits akkoord van alle leden van het OCSG kan het secretariaat ook worden waargenomen door een secretaris die geen deel uitmaakt van het OCSG.

Art. 125tricies bis.

§ 1. Het OCSG is bevoegd om te onderhandelen over de aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is voor zover deze aangelegenheden een repercussie kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de onderliggende scholen en/of van de scholengemeenschap zelf.

§ 2. De leden van het OCSG hebben een informatierecht met betrekking tot alle aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is.

Ze hebben bovendien ten minste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met de tewerkstelling.

Deze inlichtingen hebben betrekking op :

1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren;

2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling;

3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap.

§ 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap.

§ 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd.

§ 5. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kunnen bij de afgevaardigden van de schoolbesturen stappen zetten in het gemeenschappelijk belang van het personeel werkzaam in de scholengemeenschap.

Art. 125tricies ter.

De aangelegenheden waarover moet onderhandeld worden, worden op de agenda geplaatst door de voorzitter van het OCSG. Ook de andere leden van het OCSG kunnen punten op de agenda zetten. Met het oog op de onderhandelingen ontvangen de leden van het OCSG vooraf alle documenten die nodig en nuttig zijn om met voldoende kennis van zaken standpunten te kunnen innemen.

Art. 125tricies quater.

Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de schoolbesturen, noch die van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van representatieve vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig.

Art. 125tricies quinquies.

§ 1. De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een protocol waarin worden opgetekend :

1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen;

2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties, alsook het standpunt van de afvaardiging van een of meer representatieve vakorganisaties;

3° ofwel het respectieve standpunt van de afvaardiging van de schoolbesturen en dat van de afvaardigingen van de verschillende representatieve vakorganisaties.

§ 2. Ingeval van eenparig akkoord of ingeval van akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties kunnen, noch op het niveau van de individuele schoolbesturen, noch op het niveau van de individuele scholen beslissingen genomen worden die afwijken van het protocol.

Art. 125tricies sexies.

Maatregelen die na onderhandeling worden genomen vermelden de datum van het protocol bedoeld in artikel 125tricies quinquies.

Art. 125tricies septies.

§ 1. Het OCSG neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. Het bepaalt minimaal :

1° de wijze waarop het OCSG wordt samengeroepen, de termijn van bijeenroeping en het aantal vergaderingen per schooljaar met een minimum van drie;

2° de wijze waarop documenten zullen bezorgd worden;

3° de wijze waarop leden van het OCSG een punt op de agenda van het OCSG kunnen zetten en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;

4° de taken van de voorzitter;

5° de taken van de secretaris;

6° de termijnen voor het beëindigen van de onderhandeling;

7° de wijze waarop de notulen en protocollen tot stand komen;

8° de wijze waarop de agenda, bijgevoegde documentatie, notulen en protocollen zullen bewaard worden;

9° de wijze waarop de effectieve leden zich kunnen laten vervangen en de wijze waarop en de gevallen waarin de afvaardigingen technici kunnen laten deelnemen aan de vergaderingen;

10° de concretisering van de bevoegdheden zoals vermeld in artikel 125tricies bis;

11° de concretisering van de rechten en plichten bedoeld in artikel 125tricies;

12° de nominatieve lijst van de effectieve vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de effectieve vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties alsook de vertegenwoordigers die hen kunnen vervangen.

§ 2. Indien er binnen een termijn van drie maanden na de oprichting van het OCSG geen akkoord is over een werkingsreglement, is het model van werkingsreglement bij eenparigheid opgesteld door Sectorcomité X, onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en het Overkoepelend Onderhandelingscomité van toepassing.

Art. 125duodequadragies.

De werkingskosten van het OCSG komen ten laste van de schoolbesturen.]

Decr. 4-7-2008

HOOFDSTUK IX. - Personeelsformatie in het basisonderwijs

Art. 126.

[De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het gefinancierd of gesubsidieerd gewoon en buitengewoon basisonderwijs, tenzij anders bepaald.]

Decr.10-7-2003

[Art. 126bis.

[[...]] ]

Decr. 14-2-2003; [[ ]] Decr. 22-6-2007

Afdeling 1. - Directie

Art. 127.

In iedere school wordt een ambt van directeur gefinancierd of gesubsidieerd.

Art. 128.

[...]

Decr.14-7-1998

Art. 129.

[§ 1. In een school die ontstaan is uit vrijwillige fusie [[met uitzondering van scholen voor type 5]] kan één van de wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde directeurs van de bij de fusie betrokken scholen door het schoolbestuur belast worden met de functie van adjunct-directeur, op voorwaarde dat :

1° de scholen die bij de fusie betrokken zijn op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar een leerlingenaantal bereikten dat tenminste 15 % boven de rationalisatienormen [[voor scholen]] ligt. Als meer dan twee scholen bij de fusie betrokken zijn, is het toegelaten dat één school die verhoogde rationalisatienorm niet bereikt;

2° tenminste twee directeurs van de bij de fusie betrokken scholen vastbenoemd zijn.

§ 2. De functie van adjunct-directeur wordt tijdelijk niet georganiseerd gedurende de tijdelijke uitdiensttreding om welke reden ook van :

de directeur;

diegene die de functie van adjunct-directeur waarneemt.

De functie van adjunct-directeur wordt niet meer georganiseerd zodra :

de directeur definitief uit dienst treedt;

de functie van adjunct-directeur definitief niet meer waargenomen wordt tenzij er nog een directeur is die ter beschikking gesteld is zoals bedoeld in § 1;

het schoolbestuur een nieuwe kleuter-, lagere of basisschool opricht in dezelfde of aangrenzende gemeente.]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 22-6-2007

Afdeling 2. - Onderwijzend personeel

Art. 130.

§ 1. In iedere school worden onderwijsambten gefinancierd of gesubsidieerd.

§ 2. [Het aantal financierbare of subsidieerbare betrekkingen in de ambten van het onderwijzend personeel is afhankelijk van het toegekende lestijdenpakket en van het aantal toegekende extra of bijkomende lestijden.]³

[Beneden een door de Vlaamse Regering vastgelegd leerlingenaantal moet de directie, afhankelijk van de beslissing van het schoolbestuur, een gedeeltelijke lesopdracht of een gedeeltelijke opdracht van zorg of ICT opnemen. De gedeeltelijke opdracht van zorg of ICT kan opgenomen worden op basis van de puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking van de scholengemeenschap, [[de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid]]², de puntenenveloppe voor ICT-coördinatie of op basis van de in artikel 153sexies, § 4, vermelde vrij aan te wenden samengelegde punten op het niveau van de scholengemeenschap. Het schoolbestuur kan zijn beslissing maar herzien als dat niet leidt tot een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking.]²

[Het schoolbestuur kan de directie geheel of gedeeltelijk ontslaan van een gedeeltelijke lesopdracht en die toewijzen aan een lid van het onderwijzend personeel dat zoals bepaald in artikel 154, § 2, aangeworven wordt ten laste van het werkingsbudget, bedoeld in artikel 76.

De personeelsleden die door de lokale bestuursorganen van [[het Gemeenschapsonderwijs]]¹ aangeworven worden, vallen onder de toepassing van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.

De personeelsleden die door de schoolbesturen van de gesubsidieerde onderwijsinstellingen aangeworven worden, vallen onder toepassing van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden uit het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra.]¹

[ ]¹ Decr. 14-7-1998; [ ]² Decr. 7-7-2006; [ ]³ Decr. 6-7-2012; [[ ]]¹ Decr. 10-7-2003; [[ ]]² Decr. 4-7-2008

Onderafdeling A. - [Basisomkadering

Sectie 1. - Basisomkadering in het gewoon basisonderwijs

Subsectie 1. - Samenstelling van de basisomkadering]

Decr. 6-7-2012

Art. 131.

[De basisomkadering in het gewoon basisonderwijs bestaat uit de lestijden volgens de schalen en de SES-lestijden.

Die lestijden worden, per niveau, aan de scholen toegekend volgens de bepalingen van subsecties 2, 3 en 4. Er kan, om budgettaire redenen, een aanwendingspercentage vastgelegd worden dat voor één of meerdere schooljaren toegepast moet worden op de basisomkadering verkregen volgens subsecties 2, 3 en 4.]

Decr. 6-7-2012

[Subsectie 2. - Lestijden volgens de schalen]

Decr. 6-7-2012

Art. 132.

[§ 1. De lestijden volgens de schalen worden ieder schooljaar per niveau en per school berekend.

Het aantal lestijden volgens de schalen waarop de school per niveau recht heeft, is het aantal lestijden dat verkregen wordt door het aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven in het betrokken niveau op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, af te zetten op de lestijdschaal, vermeld in bijlage 2, en te vermenigvuldigen met een SES-percentage van 97,16. Als het resultaat van die vermenigvuldiging voor een niveau in een school kleiner is dan 26, dan heeft de school voor dat niveau recht op 26 lestijden.

De lestijden volgens de schalen worden per niveau binnen een school als volgt afgerond : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen in het gewoon onderwijs in programmatie de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de vijf daaropvolgende schooljaren.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "de maand september" en wordt het woord "teldag" telkens gelezen als het woord "telperiode".

Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "door het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven in het betrokken niveau op de eerste schooldag van februari" gelezen als de woorden "door het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven in het betrokken niveau tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".]

Decr. 6-7-2012

[Subsectie 3. - SES-lestijden]

Decr. 6-7-2012

Art. 133.

[§ 1. Voor de toepassing van de subsecties 3, 4, 5 en 6 gelden de volgende leerlingkenmerken :

a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingkenmerk 1 te noemen;

b) het krijgen van een schooltoelage : er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling, als vermeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die met toepassing van voornoemd decreet alleen door ongewettigde afwezigheid of onvoldoende aanwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, eveneens meegerekend;

c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

§ 2. De regering bepaalt de wijze waarop de leerlingkenmerken worden vastgesteld en legt de procedure vast volgens welke de gegevens door het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming worden verzameld.]

Decr. 6-7-2012

Art. 134.

[§ 1. Het aantal SES-lestijden waarop de school voor het kleuteronderwijs recht heeft, voor het schooljaar (J)-(J+1), is de som van A, B en C waarbij :

1° A = het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige kleuters, die beantwoorden aan leerlingkenmerk 1, dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, met 0,2710 lestijden;

2° B = S x het aantal regelmatige kleuters dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden, waarbij :

S = X / het aantal regelmatige leerlingen dat de school telde op de eerste schooldag van februari van het jaar J-1, waarbij :

X = het aantal regelmatige leerlingen die beantwoorden aan de volgende cumulatieve voorwaarden :

i° ze beantwoorden uiterlijk op 28 februari J aan leerlingkenmerk 2 voor het schooljaar (J-2)-(J-1);

ii° ze zijn op de eerste schooldag van februari van het jaar J-1 regelmatig ingeschreven in de school;

3° in afwijking van punt 2° is B, voor scholen voor gewoon basisonderwijs die zijn opgericht vanaf 1 september 2011, gedurende hun twee eerste bestaansjaren gelijk aan het resultaat van 0,25 x het aantal regelmatige kleuters dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden.

In afwijking van punt 2° is B, voor scholen voor gewoon basisonderwijs die, zoals bepaald in artikel 3, 15°, fusioneren gedurende het schooljaar dat de fusie uitwerking heeft en het daaropvolgende schooljaar gelijk aan het resultaat van 0,25 x het aantal regelmatige kleuters dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden;

4° C = het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige kleuters, die beantwoorden aan leerlingkenmerk 3, dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, met 0,29116 lestijden.

§ 2. Het aantal SES-lestijden waarop de school voor het lager onderwijs recht heeft, voor het schooljaar (J)-(J+1), is de som van A, B en C waarbij :

1° A = het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs, die beantwoorden aan leerlingkenmerk 1, dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, met 0,26710 lestijden;

2° B = S x het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden, waarbij :

S = X / het aantal regelmatige leerlingen dat de school telde op de eerste schooldag van februari van het jaar J-1, waarbij :

X = het aantal regelmatige leerlingen die beantwoorden aan de volgende cumulatieve voorwaarden :

i° ze beantwoorden uiterlijk op 28 februari J aan leerlingkenmerk 2 voor het schooljaar (J-2)-(J-1);

ii° ze zijn op de eerste schooldag van februari van het jaar J-1 regelmatig ingeschreven in de school;

3° in afwijking van punt 2° is B, voor scholen voor gewoon basisonderwijs die zijn opgericht vanaf 1 september 2011 gedurende hun twee eerste bestaansjaren gelijk aan het resultaat van 0,25 x het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden.

In afwijking van punt 2° is B, voor scholen voor gewoon basisonderwijs die, zoals bepaald in artikel 3, 15°, fusioneren gedurende het schooljaar dat de fusie uitwerking heeft en het daaropvolgende schooljaar gelijk aan het resultaat van 0,25 x het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden;

4° C = het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs, die beantwoorden aan leerlingkenmerk 3, dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, met 0,29116 lestijden.

§ 3. De SES-lestijden verkregen volgens paragraaf 1 en paragraaf 2 worden per niveau als volgt afgerond : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere gelegen geheel getal.

§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen is artikel 132, § 4, niet van toepassing.]

Decr. 6-7-2012

[Subsectie 4. - Additionele lestijden volgens de schalen]

Decr. 6-7-2012

Art. 135.

[§ 1. Er worden additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs toegekend aan scholen die aan de voorwaarde, zoals bepaald in paragraaf 2, voldoen. Deze lestijden worden berekend volgens de bepalingen van paragraaf 3.

§ 2. Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen :

Het resultaat van de breuk 24*A/B is groter dan 18,5.

Waarbij :

1° A = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen zoals bepaald in artikel 132.

2° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 2. De lestijden bepaald in artikel 173quater worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

§ 3. De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het lager onderwijs worden als volgt berekend :

Het verschil van C en D wordt gemaakt en afgerond naar het bovenliggende geheel getal.

Waarbij :

- C = 24*A / 18,5 waarbij A = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen zoals bepaald in artikel 132.

- D : de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 2. De lestijden bepaald in artikel 173quater worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

§ 4. Er worden additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs toegekend aan scholen die aan de voorwaarde, zoals bepaald in paragraaf 5, voldoen. Deze lestijden worden berekend volgens de bepalingen van paragraaf 6.

§ 5. Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen :

Het resultaat van de breuk 24*A/B is groter dan 18,5.

Waarbij :

1° A = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen zoals bepaald in artikel 132.

2° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 1. De lestijden bepaald in artikel 141, § 2, worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

§ 6. De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het kleuteronderwijs worden als volgt berekend :

Het verschil van C en D wordt gemaakt en afgerond naar het bovenliggende geheel getal.

Waarbij :

- C = 24*A / 18,5 waarbij A = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen zoals bepaald in artikel 132.

- D : de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 1. De lestijden bepaald in artikel 141, § 2, worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.]

Decr. 6-7-2012

[Subsectie 5. - Aanwending]

Decr. 6-7-2012

Art. 136.

[De regering bepaalt de ambten waarin een school met de basisomkadering, zoals bepaald in artikel 131, betrekkingen kan inrichten en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de basisomkadering, zoals bepaald in artikel 131, naar deze betrekkingen.]

Decr. 6-7-2012

[Subsectie 6. - Monitoring]

Decr. 6-7-2012

Art. 137.

[Het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming voert jaarlijks een monitoring uit van de bepalingen in deze sectie. Hierbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de evolutie van de verschillende componenten van de basisomkadering. De resultaten van deze monitoring worden aan de Regering bezorgd.]

Decr. 6-7-2012

[Sectie 2. - Lestijden volgens de schalen in het buitengewoon basisonderwijs

Art. 137bis.

§ 1. De lestijden volgens de schalen worden ieder schooljaar per school berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen die zijn ingeschreven op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar en aan de hand van de lestijdenschalen die door de regering worden vastgelegd.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen in het buitengewoon onderwijs in programmatie, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de twee daaropvolgende schooljaren.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op scholen voor type 5 worden de woorden "de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "de maand september" en wordt het woord "teldag" telkens gelezen als het woord "telperiode".

Voor de toepassing van dit artikel op scholen voor type 5 worden de woorden "op basis van het aantal regelmatige leerlingen die zijn ingeschreven op de eerste schooldag van februari" gelezen als de woorden "op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen die zijn ingeschreven tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".

§ 5. De lestijden volgens de schalen van een school voor type 5 kunnen uitsluitend volledig worden aangewend als een door de regering vastgelegd gemiddelde van onderwijsdagen per kind gedurende de telperiode wordt bereikt. Als dat gemiddelde niet wordt bereikt, worden de lestijden volgens de schalen evenredig verminderd.

§ 6. In afwijking van paragraaf 1 is het aantal lestijden volgens de schalen voor scholen voor type 5 die betrokken zijn bij of die ontstaan zijn door een fusie, gelijk aan de som van de lestijdenpakketten van de scholen in kwestie.

Art. 137ter.

De regering legt voor het buitengewoon basisonderwijs lestijdenschalen vast voor elk type.

Art. 137quater.

De regering bepaalt de ambten waarin een school met de lestijden volgens de schalen betrekkingen kan inrichten, en op welke wijze de omrekening gebeurt van de lestijden volgens de schalen naar de gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen die in deze ambten worden ingericht.

[[Als de regering bepaalt dat lestijden volgens de schalen kunnen worden omgezet in uren kinderverzorging, dan komen de betrekkingen die worden ingericht op basis van deze omgezette lestijden niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. ]]

Art. 137quinquies.

De regering kan voor het buitengewoon basisonderwijs, om budgettaire redenen, aanwendingspercentages vastleggen die voor een of meer schooljaren op de lestijden volgens de schalen moeten worden toegepast.]

Decr. 6-7-2012; [[ ]] Decr. 19-7-2013

Onderafdeling B. - Aanvullende lestijden

[Sectie 1. - Algemene bepalingen]

Art. 138.

§ 1. Naast de lestijden volgens de schalen worden volgende categorieën aanvullende lestijden gefinancierd of gesubsidieerd :

1° lestijden voor godsdienst en niet-confessionele zedenleer :

- in het gewoon lager onderwijs zijn dit aanvullende lestijden voor elke erkende godsdienst en voor de niet-confessionele zedenleer of voor cultuurbeschouwing;

- in het buitengewoon lager onderwijs zijn dit aanvullende lestijden voor de minder gevolgde cursussen in de godsdienst of niet-confessionele zedenleer;

2° lestijden voor kinderen die geïntegreerd onderwijs volgen;

3° lestijden voor de opvang van anderstalige nieuwkomers;

[3°bis lestijden voor de opvang van gewezen anderstalige nieuwkomers;]²

4° lestijden voor het permanent onderwijs aan huis in het buitengewoon onderwijs;

[5°[[...]] ]¹

[ ]¹ Decr. 13-7-2001; [ ]² Decr. 4-7-2008; [[ ]] Decr. 6-7-2012

[6° lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid [[in het buitengewoon basisonderwijs]]²;

7° [[lestijden [[[in het buitengewoon basisonderwijs]]] ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap;]]¹ ]

Decr. 28-6-2002; [[ ]]¹ Decr. 7-7-2006; [[ ]]² Decr. 6-7-2012; [[[ ]]] Decr. 6-7-2012

[8°[[...]] ]

Decr. 22-6-2007; [[ ]] Decr. 6-7-2012

[De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden voor het permanent onderwijs aan huis in het buitengewoon onderwijs komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.]

Decr. 19-7-2013

§ 2. De regering kan [...] beslissen een nieuwe categorie aanvullende lestijden te financieren of te subsidiëren.

Decr. 7-7-2006

Art. 139.

[De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van aanvullende lestijden, vermeld in artikel 138, 1°, 2°, 3°, [[3°bis, 4°, en 7°]], alsook het aantal en de wijze van berekening ervan.]

Decr. 7-7-2006; [[ ]] Decr. 6-7-2012

[Sectie 2. - Lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid [[in het gewoon basisonderwijs]]¹

[[...]]² ]

Decr. 28-6-2002; [[ ]]¹ Decr. 8-5-2009; [[ ]]² Decr. 6-7-2012

[Sectie 3. - Aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs

Art. 139decies.

De bepalingen van deze sectie zijn uitsluitend van toepassing op de scholen voor buitengewoon basisonderwijs.

Subsectie 1. - Gelijkekansenindicatoren

Art. 139undecies.

§ 1.Voor de toepassing van deze sectie gelden de volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :

1° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;

2° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximaal één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

§ 2. Het beantwoorden aan de in § 1 vermelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer door de ouders. De regering legt de procedure vast waarmee de gegevens worden gemeld aan het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening met de vigerende regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De documenten of verklaringen die aantonen dat leerlingen aan één of meer van de gelijkekansindicatoren beantwoorden, worden ten minste vijf jaar bewaard op school.

§ 3. De regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe. Het hoogste gewicht wordt toegekend aan de in § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator. De in § 1, 2°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen in combinatie met de andere gelijkekansenindicator.

Subsectie 2. - Toekenning van de middelen

Art. 139duodecies.

§ 1. Scholen kunnen voor een periode van drie schooljaren aanvullende lestijden krijgen, voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen :

1° op 1 februari van het voorafgaande schooljaar ten minste 40 % externe en semi-interne regelmatige leerlingen [[type basisaanbod]] en type 3 tellen, die beantwoorden aan de in artikel 139undecies, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator;

2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 139ter decies batig gerangschikt zijn onder de in 1° bedoelde scholen en ten minste 6 aanvullende lestijden genereren.

§ 2. In afwijking van § 1 krijgen scholen gedurende de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 slechts voor een periode van twee schooljaren aanvullende lestijden.

§ 3. De regering voorziet voor de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 in een sociale overgangsmaatregel voor de scholen die in het schooljaar 2008-2009 lestijden voor het voeren van een onderwijsvoorrangsbeleid kregen.

Artikel 139ter decies

§ 1. De toekenning van de middelen gebeurt driejaarlijks als volgt :

1° de in artikel 139duode cies bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan de in artikel 139undecies, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator. Binnen eenzelfde percentage worden de scholen volgens het absolute aantal van deze leerlingen gerangschikt;

2° de leerlingen genereren een aantal punten op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing zijn.

§ 2. De regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel aanvullende lestijden een punt vertegenwoordigt.

De regering bepaalt de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van de aanvullende lestijden betrekkingen kunnen worden ingericht en op welke wijze de lestijden, rekening houdend met bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen, naar de gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen worden omgerekend.

De regering bepaalt tevens de regelen inzake de toekenning of herverdeling, tijdens een lopende periode van drie schooljaren, van nieuwe of vrijkomende aanvullende lestijden.

§ 3. In de lestijden bekomen op basis van artikel 139duo decies, § 3, kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.

Subsectie 3. - Aanwending van de middelen

Art. 139 quater decies.

§ 1. Een school die aanvullende lestijden krijgt, werkt in het eerste trimester van het eerste schooljaar een gelijkekansenbeleid uit. Vanuit een analyse van haar beginsituatie geeft de school aan :

1° welke concrete doelstellingen zij op het vlak van de leerlingen, de personeelsleden en de school wil bereiken. De regering bepaalt doelstellingen die kunnen worden gekozen binnen de volgende thema's :

a) een gericht aanbod rond taalvaardigheid;

b) het aanbieden van onderwijsgerichte opvoedingsondersteuning aan ouders;

c) het opnemen van de (laagdrempelige) sociale functie in een netwerk met partners uit andere sectoren;

2° op welke manier zij die doelstellingen wil bereiken;

3° op welke manier zij zichzelf in de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar evalueert.

§ 2. De aanvullende lestijden kunnen enkel worden aangewend om de in § 1 bedoelde doelstellingen te bereiken.

Art. 139quinquies decies.

De scholen betrekken in het ontwikkelen en realiseren van de in artikel 139 quater decies, § 1, bedoelde doelstellingen het centrum voor leerlingenbegeleiding waardoor ze worden begeleid.

Art. 139sexies decies.

§ 1. De onderwijsinspectie gaat telkens in de loop van het laatste schooljaar na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij een positieve evaluatie kan de school voor een nieuwe periode van drie schooljaren aanvullende lestijden krijgen indien opnieuw aan alle voorwaarden van artikel 139duodecies voldaan is.

Bij een negatieve evaluatie verliest de school elk recht op de in artikel 139duodecies bedoelde aanvullende lestijden voor de volgende periode van drie schooljaren, tenzij de school een engagement tot remediëring aangaat. In dat geval krijgt ze de helft van het aantal aanvullende lestijden waarop ze in geval van positieve evaluatie recht zou hebben.

Een engagement tot remediëring moet aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° de scholen verbinden er zich toe een stappenplan op te stellen dat aan de volgende criteria voldoet :

a) het uitgangspunt van het stappenplan zijn de geformuleerde knelpunten in het evaluatieverslag van de onderwijsinspectie van de betrokken school;

b) de geformuleerde doelstellingen tot remediëring in het stappenplan passen binnen de doelstellingen van artikel 139 quater decies, § 1, 1°;

c) de doelstellingen zijn outputgericht, concreet en operationeel geformuleerd. Ze moeten voldoende controleerbaar zijn;

d) het stappenplan wordt vóór 1 mei van het schooljaar dat op de negatieve evaluatie volgt aan de onderwijsinspectie bezorgd;

e) de doelstellingen moeten gerealiseerd zijn vóór 1 juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie;

2° de scholen verbinden er zich toe om een beroep te doen op externe begeleiding en ondersteuning bij het opstellen en de uitvoering van het stappenplan.

De onderwijsinspectie gaat in de maand juni van het schooljaar dat op de negatieve evaluatie volgt opnieuw na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij een positieve evaluatie kan de school vanaf het tweede schooljaar weer een beroep doen op het volledige aantal van de in artikel 139duodecies bedoelde aanvullende lestijden. Bij een negatieve evaluatie verliest de school het recht op de in artikel 139duodecies bedoelde aanvullende lestijden voor de volgende twee schooljaren.

§ 2. De regering legt de nadere criteria en procedurele bepalingen, waarmee de onderwijsinspectie de controle uitvoert, vast.

Ze voorziet voor de school in een beroepsmogelijkheid tegen een negatieve evaluatie. Het beroep wordt ingesteld bij een college van inspecteurs.]

Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. 21-3-2014

Onderafdeling C. - Telling

Art. 140.

[§ 1. Bij het tellen van de leerlingen in het gewoon basisonderwijs gelden de volgende regels :

1° er wordt afzonderlijk geteld per taalstelsel;

2° de leerlingen van het kleuteronderwijs en het lager onderwijs worden afzonderlijk geteld;

3° in een school met verschillende vestigingsplaatsen worden, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, de leerlingen van alle vestigingsplaatsen samengeteld. Er is echter een afzonderlijke telling voor de vestigingsplaatsen die op 1 februari van het voorgaande schooljaar gelegen zijn op ten minste 1,5 kilometer, in een rechte lijn gemeten, van elke andere vestigingsplaats behorende tot dezelfde groep en gelegen in dezelfde stad of gemeente, waar onderwijs van hetzelfde onderwijsniveau wordt georganiseerd. Een niveau kleuter- of lager onderwijs dat het enige niveau kleuter- of lager onderwijs is van een groep in een welbepaalde stad of gemeente telt per definitie apart, behalve in zijn eerste bestaansjaar. Een niveau in een vestigingsplaats dat op 1 september wordt opgericht, zal voor het eerste schooljaar geen afzonderlijke telling van haar leerlingen hebben. De regering bepaalt de wijze waarop de vestigingsplaatsen gegeopositioneerd worden. De afstand tussen de gegeopositioneerde vestigingsplaatsen wordt berekend volgens de formule vervat in bijlage 3;

4° alleen de regelmatige leerlingen worden geteld;

5° elke leerling telt voor één teleenheid;

6° in afwijking van punt 5° wordt, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, zoals bepaald in artikel 132, en voor de berekening van de aanvullende lestijden voor elke erkende godsdienst en voor de niet-confessionele zedenleer of voor cultuurbeschouwing, zoals bepaald in artikel 138, § 1, 1°, de coëfficiënt 1,5 toegepast op de leerlingen :

a) die verblijven in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning;

b) die verblijven in tehuizen voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben;

c) die geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;

d) van wie de ouders tot de trekkende bevolking behoren;

e) die thuisloos zijn, zoals bepaald in artikel 3, 52° bis/2.

De regering bepaalt de wijze waarop wordt vastgesteld of aan die criteria is voldaan.

De wegingen van 1,5 kunnen niet cumulatief gebeuren;

7° in afwijking van punt 5° wordt, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, zoals bepaald in artikel 132, op de leerlingen van vestigingsplaatsen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest liggen, de coëfficiënt 1,11 toegepast;

8° in afwijking van punten 5°, 6° en 7° wordt, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, zoals bepaald in artikel 132, op een leerling die in aanmerking komt voor zowel een weging van 1,11 als een weging van 1,5, een weging van 1,665 toegepast;

9° in afwijking van punt 5° wordt, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, zoals bepaald in artikel 132, op de leerlingen van vestigingsplaatsen die in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan 100 inwoners per vierkante kilometer, de coëfficiënt 1,05 toegepast;

10° in afwijking van punten 5°, 6° en 9° wordt, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, zoals bepaald in artikel 132, op een leerling die in aanmerking komt voor zowel een weging van 1,05 als een weging van 1,5, een weging van 1,575 toegepast;

11° alvorens artikel 132 toe te passen wordt het gewogen aantal leerlingen per niveau als volgt afgerond op het niveau van de samengetelde vestigingsplaatsen of desgevallend apart tellende vestigingsplaatsen : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 2. Bij het tellen van de leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs gelden de volgende regels :

1° er wordt afzonderlijk geteld per taalstelsel;

2° in het buitengewoon onderwijs worden de leerlingen per type geteld, kleuteronderwijs en lager onderwijs samen;

3° in een school met verschillende vestigingsplaatsen worden de leerlingen van alle vestigingsplaatsen samengeteld;

4° alleen de regelmatige leerlingen worden geteld;

5° elke leerling telt voor één teleenheid.]

Decr. 6-7-2012

Onderafdeling D. - Aanwending van het lestijdenpakket

Art. 141.

§ 1. Het lestijdenpakket wordt aangewend vanaf 1 september en geldt voor de duur van een schooljaar.

§ 2. [Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, op de instapdata vermeld in artikel 12, § 2, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar.

Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, van scholen die, na hun programmatieperiode, een vestigingsplaats met kleuteronderwijs opgericht hebben conform artikel 108bis, gedurende het tweede, derde en vierde bestaansjaar van deze vestigingsplaats, voor zover het niveau kleuter in deze vestigingsplaats nog bestaat, op de instapdag vermeld in artikel 12, § 2, 1°, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar.

Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, van scholen die, na hun programmatieperiode, een niveau kleuter opgericht hebben conform artikel 110, gedurende het tweede, derde en vierde bestaansjaar van dit niveau, voor zover dit niveau nog bestaat, op de instapdag vermeld in artikel 12, § 2, 1°, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar.]¹

[De betrekkingen die worden ingericht op basis van herberekende lestijden komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.]²

[ ]¹ Decr. 6-7-2012; [ ]² Decr. 19-7-2013

[§ 3. Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden voor het schooljaar 2016-2017 de lestijden voor het kleuteronderwijs berekend volgens artikel 132, § 1, herberekend op 1 juni 2016 bij een stijging in de school van het aantal kleuters dat voldoet aan artikel 133, § 1, c), of artikel 173quinquies/2, § 1, 2°.]

Decr. 13-11-2015

Art. 142.

[§ 1. Het schoolbestuur of zijn afgevaardigde beslist, met toepassing van de reglementering inzake medezeggenschap, overleg en onderhandeling, over de aanwending van het lestijdenpakket, alsook over :

1° de herverdeling, binnen eenzelfde school, van lestijden tussen de verschillende niveaus;

2° de overdracht van lestijden naar een andere school van eenzelfde of een ander schoolbestuur, zonder dat de overdracht meer mag bedragen dan drie procent van het totale lestijdenpakket dat het lopende schooljaar wordt gefinancierd of gesubsidieerd voor de school die overdraagt.

§ 2. [[De overdracht van lestijden moet vóór 15 oktober van het lopende schooljaar gebeuren. De regering kan de soorten lestijden bepalen waarbij van deze datum afgeweken wordt.]]

§ 3. Er kunnen geen lestijden overgedragen worden van een school of afdeling van het Nederlands taalstelsel naar een school of afdeling van het Frans taalstelsel of omgekeerd.]

Decr. 14-2-2003; [[ ]] Decr. 22-6-2007

Art. 143.

[De in artikel 142 bedoelde herverdeling mag niet voor gevolg hebben dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking tenzij de terbeschikkinggestelde personeelsleden voor de hele verdere duur van het schooljaar in een school van hetzelfde schoolbestuur en/of van dezelfde scholengemeenschap overeenkomstig de geldende reglementering kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld.

De in artikel 142 bedoelde overdracht mag niet voor gevolg hebben dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking.]²

De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft [ten aanzien van de overheid]¹. Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan [Agodi]³ waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen.

[ ]¹ Decr. 10-7-2003; [ ]² Decr. 6-7-2012; [ ]³ Decr. 21-12-2012

Art. 144.

[De betrekkingen die worden ingericht op basis van overgedragen of herverdeelde lestijden komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.]²

Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan [het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming]¹ waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen.

Het niet naleven van deze bepaling heeft voor gevolg dat de vaste benoeming geen uitwerking heeft ten aanzien van [het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming]¹.

[ ]¹ Decr. 21-12-2012; [ ]² Decr. 19-7-2013

Art. 145.

[...]

Decr. 28-6-2002

Onderafdeling E. - Bijzondere bepalingen bij vrijwillige fusies

Art. 146.

§ 1. Bij vrijwillige fusie krijgt de gefusioneerde school [, met uitzondering van scholen voor type 5,] een aantal bijkomende lestijden om haar in staat te stellen de negatieve effecten van de fusie-operatie op te vangen op voorwaarde dat alle betrokken scholen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar een leerlingenaantal bereiken dat minstens 15 procent boven de vereiste rationalisatienorm [voor scholen] ligt.

Als méér dan twee scholen bij de fusie betrokken zijn is het toegelaten dat één van die scholen de verhoogde norm niet bereikt.

Decr. 22-6-2007

§ 2. De regering bepaalt op welke wijze de bijkomende lestijden berekend worden.

[De betrekkingen die worden ingericht op basis van deze bijkomende lestijden komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.]

Decr. 19-7-2013

Afdeling 3. - Paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel

[Onderafdeling A. - Gewoon basisonderwijs

Art. 146bis.

[[In het gewoon kleuteronderwijs wordt het ambt van kinderverzorger gefinancierd of gesubsidieerd. Dit ambt wordt geput uit een afzonderlijk urenpakket dat berekend wordt op basis van normen en criteria die door de regering worden vastgelegd.

De regering bepaalt hoeveel uren er voor een voltijdse opdracht kinderverzorger uit dit urenpakket geput worden en legt de modaliteiten vast waaronder dit ambt kan worden ingericht.]]

Decr. 20-10-2000; [[ ]] Decr.13-7-2001

[Art 146ter.

§ 1. Het schoolbestuur of zijn afgevaardigde beslist, met toepassing van de reglementering inzake medezeggenschap, overleg en onderhandeling, over de aanwending van het afzonderlijk urenpakket, alsook over de overdracht van uren naar een andere school van eenzelfde of een ander schoolbestuur, zonder dat de overdracht meer mag bedragen dan drie procent van het totale afzonderlijke urenpakket kinderverzorger dat het lopende schooljaar wordt gefinancierd of gesubsidieerd voor de school die overdraagt.

§ 2. De beginselen bepaald in artikel 142, §§ 2 en 3, 143 en 144 zijn van overeenkomstige toepassing op deze overdracht.]

Decr.14-2-2003

[Onderafdeling B. - Buitengewoon basisonderwijs]

Decr.20-10-2000

Art. 147.

In een school voor buitengewoon onderwijs wordt een urenpakket paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel gefinancierd of gesubsidieerd, bestaande uit uren volgens de richtgetallen en aanvullende uren.

Art. 148.

De uren volgens de richtgetallen worden jaarlijks berekend door het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de teldag te vermenigvuldigen met de richtgetallen die door de regering per type worden vastgelegd.

De teldag is dezelfde als die voor de vaststelling van de lestijden volgens de schalen zoals bepaald in het [artikel 137bis].

Decr. 6-7-2012

Art. 149.

In afwijking van artikel 148, komen de volgende soorten leerlingen niet in aanmerking voor de berekening van het in artikel 147 bedoeld urenpakket in de school :

- leerlingen die als intern of semi-intern zijn ingeschreven, met uitzondering van de internaten en semi-internaten van het gemeenschapsonderwijs, indien er in het internaat of semi-internaat voldoende paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel aanwezig is.

De regering bepaalt de wijze waarop kan vastgesteld worden of er voldoende paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel aanwezig is;

- leerlingen die permanent onderwijs aan huis volgen;

- leerlingen die onderwijs van het type 5 volgen, met uitzondering voor de paramedische discipline logopedie in een school voor type 5 verbonden aan een preventorium. De regering bepaalt welke leerlingen in aanmerking komen en de wijze waarop het urenpakket wordt berekend;

- leerlingen die tijdens de schooluren revalidatie krijgen of therapeutische behandelingen ondergaan in één van de disciplines die binnen de personeelsformatie in het onderwijs voorkomen van personen van wie het ambt noch door onderwijs, noch door welzijn wordt gefinancierd of gesubsidieerd. [De Vlaamse regering kan per type de voorwaarden vastleggen waaronder leerlingen van deze bepaling kunnen worden uitgesloten, voor zover voor deze regeling de nodige kredieten worden ter beschikking gesteld door het Ministerie van Sociale Zaken en het departement Welzijn.]

Decr.13-7-2001

Art. 150.

§ 1. Uit de uren volgens de richtgetallen worden de financierbare of subsidieerbare uren van de voltijdse en deeltijdse betrekkingen van psycholoog, arts, verpleger, logopedist, kinesitherapeut, maatschappelijk werker, ergotherapeut, orthopedagoog en kinderverzorger geput.

§ 2. De regering bepaalt voor iedere categorie ambten hoeveel uren een voltijdse opdracht uit de uren volgens de richtgetallen put.

Art. 151.

[...]

Decr.10-7-2003

Art. 152.

Bij het tellen van de leerlingen gelden de regels zoals beschreven in artikel 140.

Art. 153.

Naast de uren volgens de richtgetallen kunnen aanvullende uren voor kinderen die geïntegreerd onderwijs volgen worden gefinancierd of gesubsidieerd.

De regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van deze aanvullende uren, legt het aantal aanvullende uren vast en de wijze van berekening ervan.

[Art. 153bis.

§ 1. Het schoolbestuur of zijn afgevaardigde beslist, met toepassing van de reglementering inzake medezeggenschap, overleg en onderhandeling, over de aanwending van het urenpakket paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel alsook over de overdracht van uren naar een andere school voor buitengewoon basisonderwijs van eenzelfde of een ander schoolbestuur, zonder dat de overdracht meer mag bedragen dan drie procent van het totale afzonderlijke urenpakket paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel dat het lopende schooljaar wordt gefinancierd of gesubsidieerd voor de school die overdraagt.

§ 2. De beginselen bepaald in artikel 142, §§ 2 en 3, 143 en 144 zijn van overeenkomstige toepassing op deze overdracht.]

Decr.14-2-2003

[Afdeling 3 bis. - Beleids- en ondersteunend personeel

Onderafdeling A. - Algemeen

Art. 153ter.

In iedere school worden ambten van de personeelscategorie beleids- en ondersteunend personeel gefinancierd of gesubsidieerd.

Art. 153quater.

De oprichting van betrekkingen in de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel is gebaseerd op punten.

Art. 153quinquies.

[[§ 1. Aan iedere school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs wordt jaarlijks een puntenenveloppe toegekend voor administratieve ondersteuning.

§ 2. [[[Aan iedere school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs wordt jaarlijks een puntenenveloppe toegekend voor ICT-coördinatie. De scholen kunnen de middelen alleen aanwenden als ze deel uit maken van een scholengemeenschap, scholengroep of een samenwerkingsplatform, als vermeld in artikel X.53 van het decreet betreffende het onderwijs XIV van 14 februari 2003.]]]³ ]]³

Art. 153sexies.

§ 1. [[De regering bepaalt hoe de puntenenveloppe voor ICT-coördinatie en voor administratieve ondersteuning berekend wordt en bepaalt eveneens de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van de puntenenveloppe betrekkingen kunnen worden opgericht.]]³

§ 2. De oprichting van betrekkingen in ambten, bedoeld in § 1, is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de weddenschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent. De regering legt de puntenwaarde vast volgens de weddenschaal.

§ 3. Het schoolbestuur/de schoolbesturen kan/kunnen de puntenenveloppes voor [[...]]³ ICT en administratieve ondersteuning alleen voor dat doel gebruiken.

§ 4. [[Maximaal 10 % van de punten uit de puntenenveloppen ICT en administratieve ondersteuning kunnen samen gelegd worden op het niveau van de scholengemeenschap. [[[Van dit percentage kan per puntenenveloppe na akkoord in het bevoegd lokaal comité worden afgeweken.]]]²

In afwijking van § 3 kunnen de punten voor ICT en administratieve ondersteuning die op het niveau van de scholengemeenschap samen gelegd worden, vrij aangewend worden. Scholengemeenschappen, waar scholen van het Gemeenschapsonderwijs deel van uitmaken, kunnen deze vrij aan te wenden punten aanwenden om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur in de scholengroep, waar één of meerdere scholen van de scholengemeenschap deel van uitmaken, school- of klasvrij te maken. Dit samen leggen mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden bijkomend ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan Agodi waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen.]]³

[[§ 5.[[[De punten voor ICT kunnen samengelegd worden op het niveau van een samenwerkingsplatform, zoals bedoeld in artikel X.53 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV. De punten voor ICT kunnen op het niveau van het samenwerkingsplatform enkel voor ICT-coördinatie gebruikt worden.

Dit samenleggen mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden bijkomend ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan [[[[Agodi]]]] waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen.]]]¹ ]]¹

[[§ 6. De betrekkingen die worden ingericht op basis van de overeenkomstig de paragrafen 4 en 5 aangewende punten komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.]]4

Onderafdeling B. - [Zorg- en gelijke onderwijskansenbeleid]

Decr. 19-7-2013

Art. 153septies.

[[Elke school in het gewoon basisonderwijs voert een zorg- en gelijke onderwijskansenbeleid met het oog op de optimale leer- en ontwikkelingskansen van alle leerlingen. Binnen de haar toegekende omkadering zorgt de school voor :

1° de coördinatie van alle zorg- en gelijke onderwijskanseninitiatieven op het niveau van de school en in voorkomend geval afstemming met het beleid ter zake van de scholengemeenschap;

2° het ondersteunen van het handelen van het onderwijzend personeel;

3° het begeleiden van leerlingen;

4° de bevordering van de kleuterparticipatie.]]4

Art. 153octies.

[[...]]³

Onderafdeling C. - Administratieve ondersteuning

Art. 153novies.

§ 1. Aan iedere school voor kleuter-, lager- en basisonderwijs wordt jaarlijks op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de teldag of op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de telperiode die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, een puntenenveloppe voor administratief personeel toegekend.

§ 2. In afwijking van § 1 wordt aan de scholen voor [[...]]² buitengewoon basisonderwijs van het type 5 een forfaitaire puntenenveloppe toegekend. De grootte van deze puntenenveloppe wordt vastgelegd door de Vlaamse regering.]

Decr. 10-7-2003; [[ ]]¹ Decr. 15-7-2005; [[ ]]² Decr. 7-7-2006; [[ ]]³ Decr. 4-7-2008; [[ ]]4 Decr. 19-7-2013; [[[ ]]]¹ Decr. 22-6-2007; [[[ ]]]² Decr. 8-5-2009; [[[ ]]]³ Decr. 1-7-2011; [[[[ ]]]] Decr. 21-12-2012

[Afdeling 3ter. - Vervangingseenheden voor korte afwezigheden

Art. 153decies.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :

1° samenwerkingsplatform : scholen die samenwerken binnen :

a) een scholengemeenschap;

b) een samenwerkingsverband tussen een of meer scholengemeenschappen en een of meer scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap;

c) een samenwerkingsverband tussen verschillende scholengemeenschappen;

2° korte afwezigheden : de afwezigheden van de personeelsleden die aangesteld zijn in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, voor wie op basis van andere regelgeving geen vervanger kan worden gefinancierd of gesubsidieerd.

Art. 153undecies.

§ 1. Vanaf het schooljaar 2008-2009 kent de regering aan alle gefinancierde en gesubsidieerde scholen basisonderwijs, die deel uitmaken van een samenwerkingsplatform, jaarlijks vervangingseenheden voor korte afwezigheden toe. De regering bepaalt het aantal, de berekenings- en aanwendingswijze van de vervangingseenheden voor korte afwezigheden. De regering bepaalt eveneens de ambten die in aanmerking komen voor deze vervangingen.

[[De betrekkingen die worden ingericht op basis van de vervangingseenheden komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.]]

§ 2. De vervangingseenheden voor korte afwezigheden worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsplatform.

§ 3. Er wordt een convenant op het niveau van het samenwerkingsplatform afgesloten tussen de schoolbesturen en een of meer representatieve vakorganisaties. Het convenant omvat minimaal :

1° de aanleiding voor het sluiten van het convenant;

2° de doelstellingen;

3° de wijze waarop vervangingen in korte afwezigheden zullen gebeuren;

4° afspraken over de opvolging van de aanwending van de vervangingseenheden;

5° de gegevens van de participanten;

6° de duur van het convenant;

7° de datum van inwerkingtreding.

De scholen wenden de vervangingseenheden aan conform de bepalingen van het convenant. De scholen in een samenwerkingsplatform kunnen, binnen de bepalingen van het convenant, een eigen beleid voeren betreffende vervangingen van korte afwezigheden van personeelsleden die aangesteld zijn in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, afhankelijk van eigen lokale behoeften en prioriteiten.]

Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. 19-7-2013

Afdeling 4. - Personeel ten laste van het werkingsbudget

Art. 154.

[§ 1.] Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget bedoeld in artikel 76 onder meer administratief, meester-, vak- en dienstpersoneel, opvoedend hulppersoneel en personeel voor specifieke opdrachten aanwerven.

Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

[§ 2. [[Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 76 [[[of artikel 173quinquies/2]]], of van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.

Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of de salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 21-12-2012; [[[ ]]] Decr. 13-11-2015

Afdeling 5. - Afwijkingen

Art. 155.

[§ 1.]² Met het oog op bijzondere omstandigheden en in afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk kan de regering op vraag van het schoolbestuur in het buitengewoon onderwijs bijkomende lestijden en/of bijkomende uren toekennen voor het onderwijzend en paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

[Het totaal aantal bijkomende lestijden en/of bijkomende uren mag niet meer bedragen dan 0,5 procent van het totaal aantal lestijden of uren dat het voorgaand schooljaar werd toegekend aan respectievelijk het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs. Voor de berekening van het aantal bijkomende lestijden en/of bijkomende uren gebeurt de omrekening van de voltijdse ambten naar lestijden of uren op basis van de minimumprestaties eigen aan ieder ambt.]³ [De regering zal het salarisequivalent van vijf procent van deze [[bijkomende]] lestijden of -uren met ingang van 1 januari 1998 prioritair aanwenden om de integratietoelage voor het geïntegreerd basisonderwijs aan te passen.]¹

[De betrekkingen die worden ingericht op basis van de bijkomende lestijden of bijkomende uren komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.]4

[ ]¹ Decr. 14-7-1998; [ ]² Decr. 7-7-2006; [ ]³ Decr. 1-7-2011; [ ]4 Decr. 19-7-2013; [[ ]] Decr. 7-7-2006

[§ 2. [[In het kader van het geïntegreerd onderwijs gericht op de begeleiding van [[[leerlingen met een autismespectrumstoornis]]]¹ en in afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk kan de regering, op vraag van het schoolbestuur, in het buitengewoon onderwijs [[[voor het schooljaar 2015-2016]]]³ bijkomende lestijden en bijkomende uren toekennen voor het onderwijzend en paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

[[[Het aantal bijkomende lestijden bedraagt 861 en het aantal bijkomende uren bedraagt 795.]]]¹

[[[De betrekkingen die worden ingericht op basis van de bijkomende lestijden of bijkomende uren komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.]]]² ]] ]

Decr. 7-7-2006; [[ ]] Decr. 4-7-2008; [[[ ]]]¹ Decr. 8-5-2009; [[[ ]]]² Decr. 19-7-2013; [[[ ]]]³ Decr. 19-6-2015

Art. 156.

[...]

Decr.28-6-2002

HOOFDSTUK X. - Opdracht van het personeel in het basisonderwijs

Afdeling 1. - Functiebeschrijvingen

Art. 157 t.e.m. 162.

[...]

Decr. 13-7-2007

Afdeling 2. - Prestatieregeling

Art. 163.

§ 1. De regering bepaalt voor elk ambt het minimum en het maximum aantal lestijden en/of uren voor de wekelijkse hoofdopdracht en het maximum aantal klokuren voor de wekelijkse schoolopdracht.

De schoolopdracht wordt in principe gepresteerd binnen de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen.

§ 2. In afwijking van § 1 valt de deelname aan oudercontacten en aan personeelsvergaderingen buiten in § 1 bedoelde maximum wekelijkse schoolopdracht.

Deze opdrachten vallen niet noodzakelijk binnen de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen.

§ 3. Andere afwijkingen op § 1 kunnen maar toegepast worden na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité.

[§ 4. De regering bepaalt de wekelijkse opdracht voor de ambten van de categorie beleids- en ondersteunend personeel.]

Decr.10-7-2003

[Art. 163bis.

In de hoofdopdracht kunnen bijzondere pedagogische taken en/of lestijden beleidsondersteuning begrepen zijn.

Maximum 3 % van het lestijden- en urenpakket kan aangewend worden als lestijden bijzondere pedagogische taken. Het maximum kan enkel worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité.]

Decr.13-7-2001

Art. 164.

De criteria voor de invulling van hoofd- en schoolopdracht worden vastgelegd na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité.

[In elke school wordt bij de voorbereiding van het schooljaar onderhandeld over de algemene regels om de vaststelling van het aantal lestijden / [[uren]] prestatie tussen het minimum en het maximum van de hoofdopdracht en de schoolopdracht op een billijke en transparante wijze te bepalen.]

Decr. 15-7-2005; [[ ]] Decr. 7-7-2006

[Art. 164bis.

Personeelsleden kunnen niet belast worden met lestijden of uren buiten het lestijden- en urenpakket, behoudens indien deze in de plage gelegen zijn.

Als een schoolbestuur dit verbod overtreedt, valt de bezoldiging ten laste van het schoolbestuur.

[[Binnen een scholengemeenschap mag in het gewoon lager onderwijs maximaal 10 procent plage worden ingericht ten opzichte van de totale personeelsformatie op basis waarvan de betrekkingen van onderwijzer in het gewoon lager onderwijs worden ingericht. Alleszins mag het percentage plage dat in het gewoon lager onderwijs wordt ingericht vanaf het schooljaar 2011-2012 niet hoger liggen dan het percentage plage dat in schooljaar 2010-2011 in de scholengemeenschap werd ingericht. Voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren, gelden de percentages, vermeld in het vorige lid, per school. Bij het bepalen van de criteria, zoals vermeld in artikel 164, moet er rekening mee gehouden worden dat onderwijzers slechts met een derde lestijd zoals bepaald in artikel 3, 43°bis, van dit decreet, kunnen worden belast als deze lestijd om organisatorische redenen noodzakelijk is.

Alle plage zoals bepaald in artikel 3, 43°bis, van dit decreet die in het basisonderwijs wordt ingericht, moet aan het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming worden gemeld met inbegrip van haar invulling.]] ]

Decr. 22-6-2007; [[ ]] Decr. 1-7-2011

Art. 165.

De directeur bepaalt voor elk personeelslid het wekelijks aantal lestijden en /of uren hoofdopdracht en het wekelijks aantal klokuren schoolopdracht.

Hij houdt daarbij rekening met :

1° de maxima bedoeld in artikel 163, § 1;

2° de bepalingen van artikel 163, § 2 en § 3;

3° de criteria bedoeld in artikel 164 [en 164bis].

Decr. 1-7-2011

Afdeling 3. - Begeleiding

Art. 166.

§ 1. [De vakorganisaties, aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie, kunnen beschikken over personeelsleden uit het onderwijs met ofwel een [[verlof wegens bijzondere opdracht]]¹, ofwel een verlof wegens vakbondsopdracht overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen.

In tegenstelling met de geldende reglementaire bepalingen zijn de representatieve vakorganisaties er evenwel niet toe gehouden, voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden die genieten van een verlof wegens vakbondsopdracht, aan de overheid een som terug te storten die gelijk is aan het globaal bedrag van de wedden, weddetoelagen, salarissen, vergoedingen en toelagen die door de overheid aan deze personeelsleden werden uitgekeerd.

Deze personeelsleden moeten door die vakorganisaties belast worden [[met de begeleiding van onderwijsvernieuwingen voor wat betreft de gevolgen ervan voor de personeelsleden en]]² met de begeleiding en de ondersteuning van de lokale comités.]

Decr. 15-7-1997; [[ ]]¹ Decr. 10-7-2003; [[ ]]² Decr.15-7-2005

§ 2. Het totaal aantal toegevoegde personeelsleden mag voor de verschillende in § 1 bedoelde vakorganisaties samen niet meer dan vijftien bedragen.

Art. 167.

De regering bepaalt de wijze van verdeling van de in artikel 166 bedoelde personeelsleden en legt de aanvraagprocedure vast.

HOOFDSTUK XI. - [Projecten

Afdeling 1. - [Rijdende kleuterschool Vlaanderen]

Decr. 21-12-2012

[Art. 168.

[[Eén vereniging zonder winstoogmerk ontvangt de subsidie, vermeld in artikel 169, vanaf de data, vermeld in artikel 169, en één voltijds verlof wegens bijzondere opdracht als ze voldoet aan de volgende voorwaarden :

1° ze stelt zich tot doel de participatie van de kleuters van de kermisexploitanten en ze organiseert een rijdende kleuterschool Vlaanderen ter bevordering daarvan. De rijdende kleuterschool Vlaanderen zal de toer van de foren volgen;

2° ze leeft de erkenningsvoorwaarden na, vermeld in artikel 62, § 1, 2°, 5°, 6°, 7° en 11°;

3° ze voorziet in onderwijsaanbod dat ten minste de leergebieden, vermeld in artikel 39, omvat. De geformuleerde ontwikkelingsdoelen voor die leergebieden, vermeld in artikel 44, § 1, worden nagestreefd;

4° ze houdt zich aan de bepalingen, vermeld in artikel 27 en 27bis;

5° ze aanvaardt alleen kleuters die zijn ingeschreven in een erkende school;

6° ze bezorgt jaarlijks uiterlijk op 15 september een financieel verslag over het afgelopen schooljaar;

7° ze toont de betrokkenheid met en de kennis van de doelgroep aan;

8° ze toont aan dat ze voldoende ervaring heeft met het organiseren van een rijdende kleuterschool.]] ]

Decr. 21-12-2012; [[ ]] Decr. 25-4-2014

[Art. 169.

[[§ 1. Vanaf het schooljaar 2015-2016 wordt aan de vzw een subsidie toegekend van maximaal 28.000 euro voor het project de rijdende kleuterschool Vlaanderen.

§ 2. De subsidie, vermeld in paragraaf 1, wordt als volgt uitbetaald :

1° een eerste schijf van 80% uiterlijk één maand na de ondertekening van het subsidiebesluit;

2° een saldo van 20% nadat het financieel verslag, vermeld in artikel 168, goedgekeurd is.

§ 3. Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt de subsidie die aan de vzw toegekend wordt, jaarlijks geïndexeerd tegen 75% van het prijsindexcijfer dat berekend wordt voor de toepassing van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.

§ 4. Vanaf het schooljaar 2015-2016 wordt aan de vzw ook een verlof wegens bijzondere opdracht voor één kleuteronderwijzer toegekend.

§ 5. De regering bepaalt de verdere procedure voor de aanvraag en de toekenning van de subsidie, vermeld in paragraaf 1, en het verlof wegens bijzondere opdracht, vermeld in paragraaf 4. De toekenning van de subsidie en het verlof wegens bijzondere opdracht gebeuren telkens voor een periode van vijf schooljaren.]] ]

Decr. 21-12-2012; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Art. 170 tot en met 171.

[...]

Decr.9-12-2005

[Afdeling 2. - Buitengewone onderwijsontwikkelingen

Art. 172.

[[Conform artikel 125decies, § 1, 3°, van dit decreet kunnen scholengemeenschappen punten voor het voeren van een zorgbeleid, verkregen op basis van artikel 125duodecies1, § 3, naar andere scholengemeenschappen overdragen, teneinde speciale projecten met betrekking tot zorg mogelijk te maken. Dit overdragen dient vóór 15 oktober van het lopende schooljaar te gebeuren.]]¹

Art. 172bis.

[[...]]² ]

Decr. 10-7-2003; [[ ]]¹ Decr. 4-7-2008; [[ ]]² Decr. 19-7-2013

[Afdeling 3. Project voor opvang van de effecten van de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het schooljaar 2015-2016.

Art. 172ter.

§ 1. Met het oog op het opvangen van de effecten van de leerlingendaling die zich met de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften al hebben voorgedaan in scholen voor buitengewoon basisonderwijs op de teldag van de eerste schooldag van februari 2015 in vergelijking met de teldag van de eerste schooldag van februari 2014, kent de regering voor het schooljaar 2015-2016 lestijden en uren toe aan het buitengewoon basisonderwijs ten belope van 2346 lestijden onderwijzend personeel en 2174 uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

Deze lestijden of uren worden beschouwd als extra lestijden of extra uren, zoals bedoeld in artikel 3, 14° en 14° bis, van dit decreet.

§ 2. De lestijden en uren worden ingericht in de scholen voor buitengewoon basisonderwijs en aangewend om leraren en lerarenteams voor gewoon basisonderwijs te ondersteunen in het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, in het bijzonder leerlingen met een inschrijvingsverslag, verslag of gemotiveerd verslag voor type 1, type basisaanbod, type 2 of type 3.

§ 3. De lestijden en uren worden proportioneel verdeeld per onderwijsnet op basis van het aandeel van de in paragraaf 1 bedoelde effecten in de scholen van het betrokken onderwijsnet.

§ 4. Per onderwijsnet wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie.

De regering beslist, op voorstel van deze commissie, over de toewijzing van de in paragraaf 3 bedoelde lestijden en uren aan de scholen voor buitengewoon basisonderwijs van het onderwijsnet. De commissie houdt bij het uitwerken van het voorstel van toewijzing ten minste rekening met de volgende criteria :

1° de effecten van de leerlingendaling, vermeld in paragraaf 1, op niveau van de individuele scholen;

2° de organiseerbaarheid van de ondersteuning van de scholen zoals bedoeld in paragraaf 2;

3° de aanwezige expertise in de scholen voor buitengewoon basisonderwijs in functie van de aanwending voor de ondersteuningsbehoeften in scholen voor gewoon basisonderwijs zoals vermeld in paragraaf 2.

De commissie begeleidt de samenwerkende scholen bij de aanstelling en de inzetbaarheid van personeelsleden in betrekkingen in deze lestijden en uren.

§ 5. Het personeelslid dat in een betrekking wordt aangesteld op basis van deze lestijden of uren, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs zijn, naargelang van het geval, van toepassing op deze aanstelling, met uitzondering van de volgende bepalingen :

1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waar de betrekking wordt opgericht, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid en is, naargelang van het geval, een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een tewerkstelling. Indien deze aanstelling een tewerkstelling is, dan wordt ze beschouwd als een wedertewerkstelling;

2° het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in de betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikelen 21 en 21bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, naargelang van het geval;

3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking.

§ 6. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.

§ 7. Onverminderd paragraaf 5 en paragraaf 6 wordt de regering gemachtigd om voor de duur van het project, zoals bepaald in paragraaf 1, af te wijken van de bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, voor de personeelsleden die worden aangesteld in een betrekking die in een school voor buitengewoon basisonderwijs wordt ingericht met lestijden en uren, bedoeld in paragraaf 1. Deze afwijkingen betreffen de uitwerking van een aangepaste prestatieregeling, van bijkomende aanstellingsvoorwaarden en van aanvullende secundaire arbeidsvoorwaarden.

De regering wordt gemachtigd de wijze vast te leggen waarop de lestijden en uren kunnen worden omgezet in ambten en betrekkingen.

De regering neemt deze beslissing op basis van een voorstel van een gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X - Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - afdeling 2 - onderafdeling `Vlaamse Gemeenschap' en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs.

Een personeelslid kan enkel aangesteld worden in een betrekking die in een school voor buitengewoon basisonderwijs wordt ingericht met lestijden of uren, bedoeld in paragraaf 3, als het instemt met de afwijkingen die de regering heeft vastgelegd.

§ 8. Een stuurgroep die wordt opgericht in de schoot van deze gemeenschappelijke vergadering, zoals bepaald in paragraaf 7, staat in voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de uitvoering van dit tijdelijk project. De onderwijsinspectie zal, in het kader van de reguliere schooldoorlichting, toezicht houden op de correcte aanwending van deze middelen.]

Decr. 3-7-2015

[HOOFDSTUK XIIbis. - Bijzondere bepalingen voor gesubsidieerde officiële scholen

Art. 173bis.

Een [[publiekrechtelijke rechtspersoon]] kan de onderwijsbevoegdheid van een gesubsidieerde officiële school slechts overdragen aan een schoolbestuur uit het vrij onderwijs, indien het in de nodige garanties voorziet opdat de keuze wordt aangeboden tussen onderricht in één der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

De regelen, bepaald in het eerste lid, betreffen de overdracht van onderwijsbevoegdheid die ingang vinden vanaf 1 september 2002.]

Decr. 14-2-2003; [[ ]] Decr. 1-7-2011

[HOOFDSTUK XIIter. Dringende maatregelen in het kader van de capaciteitsproblematiek

Art. 173ter.

§ 1. In afwijking van artikel 102, § 1, kan de regering, buiten de gevallen zoals bedoeld in artikel 100, in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van meer dan 1500 inwoners per km2 een nieuwe school voor gewoon basisonderwijs per 1 september in de financierings- of subsidieregeling opnemen als aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldaan is :

1° op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar bereikt de school de door de regering vastgestelde programmatienormen;

2° de school is gelegen op afstand van minimaal 250 meter van elke andere school of vestigingsplaats voor gewoon kleuter-, lager, of basisonderwijs van dezelfde groep;

3° de school wordt niet opgericht op hetzelfde of een aangrenzend kadastraal perceel waar reeds een bestaande gefinancierde of gesubsidieerde school of vestigingsplaats voor gewoon kleuter-, lager, of basisonderwijs van dezelfde groep gevestigd is.

§ 2. In afwijking van artikel 3, 8°, wordt in § 1 onder de "bevolkingsdichtheid" verstaan "de bevolkingsdichtheid zoals deze berekend werd door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek en zoals dat op de eerste schooldag van februari voorafgaand aan de start van het schooljaar beschikbaar is".

Art. 173quater.

§ 1. Voor de scholen voor gewoon basisonderwijs die op basis van artikel 132, § 1, tellen worden er bijkomende lestijden volgens de schalen toegekend op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar of worden er lestijden afgetrokken van de lestijden volgens de schalen zoals berekend op basis van artikel 132, § 1, op voorwaarde dat de scholen liggen in gemeenten die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :

1°[[a) ofwel gelegen zijn in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op voorwaarde dat dit gewest, voor het schooljaar (X, X+1), een totale aangroei kent van minstens 2400 regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs, die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen, gesubsidieerd of gefinancierd door de Vlaamse overheid, op het grondgebied van dit gewest, op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5;

b) ofwel gelegen zijn in een administratief arrondissement van het Vlaamse Gewest dat, voor het schooljaar (X, X+1), een totale aangroei kent van minstens 2400 regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs, die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen op het grondgebied van dit administratief arrondissement, op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5;]]³

2° voor het schooljaar (X, X+1) moet de totale aangroei van het aantal regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs die ingeschreven waren in de [[vestigingsplaatsen]]³ op het grondgebied van deze gemeenten op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X minstens 240 leerlingen bedragen ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5.

[[§ 1bis. In afwijking van paragraaf 1 worden er [[[vanaf 1 september 2015]]]², voor het schooljaar (X, X+1), ook voor de scholen voor gewoon basisonderwijs die op basis van artikel 132, § 1, tellen, bijkomende lestijden volgens de schalen toegekend op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar op voorwaarde dat de scholen liggen in een gemeente die op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X niet meer voldeed aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1, maar op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-1 wél voldeed aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1.]]²

§ 2. De berekening van de bijkomende lestijden volgens de schalen of van het aantal lestijden dat afgetrokken wordt van de lestijden volgens de schalen gebeurt per schooljaar (X, X+1) als volgt :

1° het resultaat van A min B wordt berekend, waarbij :

A = het aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven zijn in de school op de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X;

B = het aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven waren in de school op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X.

Indien het resultaat van A min B groter of gelijk is aan 12 dan worden er bijkomende lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het schooljaar (X, X+1).

Indien dit resultaat kleiner of gelijk is aan "-12" worden er lestijden afgetrokken van het aantal lestijden volgens de schalen waar de school recht op heeft op basis van het aantal regelmatige leerlingen op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar (X, X+1);

2° indien het resultaat groter of gelijk is aan "12", dan heeft de school, voor het schooljaar (X, X+1), recht op een aantal bijkomende lestijden volgens de schalen dat gelijk is aan dit resultaat.

Indien dit resultaat kleiner of gelijk is aan "-12" dan wordt dit resultaat afgetrokken van het aantal lestijden volgens de schalen op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar (X, X+1).

§ 3. Het aantal bijkomende lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de herberekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september tot 30 juni van het lopende schooljaar.

§ 4. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar (X, X+1) vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 5. Uit de bijkomende lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de herberekening kunnen de volgende betrekkingen en opdrachten geput worden :

- de eventuele onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van onderwijzer;

- de eventuele betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

§ 6. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven zijn in de school op de eerste schooldag van oktober" gelezen als de woorden "gemiddeld aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven zijn in de school tijdens de maand september" en worden de woorden "op de teldag" telkens gelezen als de woorden "volgens de telperiode".

Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven waren in de school op de eerste schooldag van februari" gelezen als de woorden "gemiddeld aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven waren in de school tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".

Art. 173quinquies.

§ 1. Ten laatste in juni 2011 wordt hoofdstuk XIIter, Dringende maatregelen in het kader van de capaciteitsproblematiek, artikelen 173ter en 173quater, geëvalueerd.

§ 2. 1° In de schoot van de Vlaamse Regering wordt een taskforce 'capaciteitsproblematiek scholen' opgericht, die elke aanvraag voor financiering en subsidiëring voor infrastructuur die een oplossing biedt voor het capaciteitsprobleem in een bepaalde gemeente, toetst op doelmatigheid;

2° de taskforce 'capaciteitsproblematiek scholen' bereidt de evaluatie voor;

3° aan deze taskforce 'capaciteitsproblematiek scholen' nemen vertegenwoordigers van de beleidsdomeinen Onderwijs, Ruimtelijke Ordening en Welzijn deel gezien de verstrengeling van de problemen en de toekomstige oplossingen in de drie beleidsdomeinen.

[[Artikel 173quinquies/1.

§ 1. Voor het schooljaar (X, X+1) worden er aan de scholen voor gewoon basisonderwijs, die op basis van artikel 132, § 1, tellen en die deel uitmaken van een schoolbestuur of voor wat het gemeenschapsonderwijs betreft van een scholengroep zoals bepaald in het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998 dat een stijging van 12 kleuters kent op de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X in vergelijking met de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X-1, bijkomende lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs toegekend op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar op voorwaarde dat de scholen liggen in gemeenten die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :

1°[[[a) ofwel gelegen zijn in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op voorwaarde dat dit gewest, voor het schooljaar (X, X+1), een totale aangroei kent van minstens 2400 regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs, die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen, gesubsidieerd of gefinancierd door de Vlaamse overheid, op het grondgebied van dit gewest, op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5;

b) ofwel gelegen zijn in een administratief arrondissement van het Vlaamse Gewest dat, voor het schooljaar (X, X+1), een totale aangroei kent van minstens 2400 regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs, die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen op het grondgebied van dit administratief arrondissement, op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5;]]]²

2° voor het schooljaar (X, X+1) moet de totale aangroei van het aantal regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs die ingeschreven waren in de [[[vestigingsplaatsen]]]² op het grondgebied van deze gemeenten op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X minstens 240 leerlingen bedragen ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5.

[[[§ 1bis. In afwijking van paragraaf 1 worden er [[[vanaf 1 september 2015]]]², voor het schooljaar (X, X+1), ook aan de scholen voor kleuteronderwijs die op basis van artikel 132, § 1, tellen, en die deel uitmaken van een schoolbestuur, of voor wat het gemeenschapsonderwijs betreft van een scholengroep zoals bepaald in het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998, dat een stijging van 12 kleuters kent op de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X in vergelijking met de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X-1, bijkomende lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs toegekend op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar op voorwaarde dat de scholen liggen in een gemeente die op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X niet meer voldeed aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1, maar op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-1 wél voldeed aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1.]]]¹

§ 2. De berekening van de bijkomende lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs gebeurt per schooljaar (X, X+1) als volgt :

1° het resultaat van A min B wordt berekend, waarbij :

A = het aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven zijn in de school op de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X;

B = het aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven waren in de school op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X. Indien het resultaat van A min B groter of gelijk is aan 12, dan worden er bijkomende lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs toegekend aan de school voor het schooljaar (X, X+1);

2° indien het resultaat groter of gelijk is aan 12, dan heeft de school, voor het schooljaar (X, X+1), recht op een aantal bijkomende lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs dat gelijk is aan het resultaat van A min B.

§ 3. Het aantal bijkomende lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de herberekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september tot 30 juni van het lopende schooljaar.

§ 4. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar (X, X+1) vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 5. De regering bepaalt de ambten waarin een school met deze bijkomende lestijden volgens de schalen betrekkingen kan inrichten en de wijze waarop de omrekening gebeurt van deze bijkomende lestijden volgens de schalen naar deze betrekkingen.

§ 6. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven zijn in de school op de eerste schooldag van oktober" gelezen als de woorden "gemiddeld aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven zijn in de school tijdens de maand september".

Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven waren in de school op de eerste schooldag van februari" gelezen als de woorden "gemiddeld aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven waren in de school tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari.]]¹ ]

Decr. 9-7-2010; [[ ]]¹ Decr. 6-7-2012; [[ ]]² Decr. 19-7-2013; [[ ]]³ Decr. 25-4-2014; [[[ ]]]¹ Decr. 19-7-2013; [[[ ]]]² Decr. 25-4-2014

[HOOFDSTUK XIIter/1. Dringende maatregel in het kader van het stijgend aantal leerlingen met thuistaal niet de onderwijstaal.

Art. 173quinquies/2.

§ 1. Aan de scholen voor gewoon basisonderwijs die aan een van volgende criteria voldoen, wordt een extra toelage toegekend uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands voor het schooljaar 2015-2016 die berekend wordt volgens paragraaf 2 :

1° de school kent op de eerste schooldag van februari 2016 een stijging van het aantal kleuters die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2015-2016;

2° de school telt op de eerste schooldag van februari 2016 minstens één leerling die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar jonger dan vijf jaar is en die op de eerste schooldag van februari 2016, gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :

a) hij is een nieuwkomer, dit wil zeggen dat hij pas vanaf 1 juli 2015 of later in België verblijft;

b) hij heeft niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal;

c) hij beheerst onvoldoende de onderwijstaal om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;

d) hij is maximaal negen maanden ingeschreven, vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen, in een school met het Nederlands als onderwijstaal.

§ 2. De extra toelage waar de school recht op heeft, is 950 euro maal (C + (D-C)), waarbij, als D-C negatief is, dit gelijkgesteld wordt aan 0.

C = het totale aantal kleuters in de school dat op de eerste schooldag van februari 2016 voldoet aan paragraaf 1, 2°;

D = de totale stijging aan kleuters in de school, die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), op de eerste schooldag van februari van 2016 ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2015-2016.]

Decr. 13-11-2015

[HOOFDSTUK XIIquater. - Waarborgregeling lichamelijke opvoeding

Art. 173sexies.

Elke school voor gewoon basisonderwijs wendt per niveau, voor lichamelijke opvoeding, ten minste het aantal lestijden aan volgens de regeling die door de regering vastgelegd wordt. De regering baseert zich hierbij op het systeem van aanvullende lestijden lichamelijke opvoeding dat per niveau toegekend werd voor het schooljaar 2011-2012.]

Decr. 6-7-2012

[HOOFDSTUK XIIquinquies. - Waarborgregeling bij daling van het leerlingenaantal in het buitengewoon onderwijs

Art. 173septies.

§ 1. Bij het realiseren van een relatieve minderkost in het buitengewoon basisonderwijs ten opzichte van het referentieschooljaar [[2013-2014]], worden per schooljaar de vrijgekomen middelen, via enveloppefinanciering, ingezet voor de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs.

§ 2. De regering bepaalt de procedure voor de berekening van de enveloppe en houdt voor de verdeling van de enveloppe over het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en over de scholen minstens rekening met de volgende principes :

1° de vastgestelde verschuivingen van leerlingen van het buitengewoon naar het gewoon basisonderwijs als gevolg van effectieve terugkeer uit of verminderde instroom in het buitengewoon basisonderwijs voor de verdeling van de enveloppe over het gewoon en buitengewoon basisonderwijs. De regering houdt hierbij ook rekening met de demografie;

2° de relatieve aanwezigheid van leerlingen met een verslag als vermeld in artikel 15 of 16 voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor gewoon basisonderwijs;

3° de vastgestelde verschuivingen in de leerlingenpopulaties van de types voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor buitengewoon basisonderwijs.

§ 3. De regering bepaalt tevens de wijze waarop en de ambten waarin de middelen uit de enveloppe kunnen worden ingezet voor uitbreiding van zorg in de scholen voor gewoon basisonderwijs of voor versterking van het onderwijs en de zorg in scholen voor buitengewoon basisonderwijs en voor welke leerlingen deze middelen kunnen worden aangewend.]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 3-7-2015

HOOFDSTUK XIII. - Terugvorderingen, inhoudingen en sancties

Afdeling 1. - Terugvorderingen

Art. 174.

§ 1. Elke ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring wordt teruggevorderd van het schoolbestuur. Een ten onrechte uitbetaald salarisgedeelte wordt evenwel teruggevorderd van het betrokken personeelslid indien het schoolbestuur niet verantwoordelijk is voor de onterechte uitbetaling.

§ 2. De terugvordering van ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring aan of voor rekening van het schoolbestuur kan ook gebeuren door inhouding op het nog uit te betalen werkingsbudget.

Art. 175 en 176.

[...]

Decr. 4-7-2008

Afdeling 2. - Sancties

Art. 177.

§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 174 kunnen volgende overtredingen, na aanmaning, aanleiding geven tot [sancties door de Vlaamse regering]¹ :

1° het niet naleven van de toelatingsvoorwaarden zoals bedoeld in de artikelen 12, 15 en 16;

2° [...]¹

3° [het niet naleven van de bepalingen inzake de keuze en de vrijstelling van keuze tussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer zoals bedoeld in artikel 29;]²

4° het niet naleven van de procedure tot het schorsen en uitsluiten van leerlingen zoals bedoeld in artikel 32;

5° het miskennen van recht op het onderwijs aan huis zoals bedoeld in de artikelen 34 en 35;

6° het niet naleven van de bepalingen met betrekking tot de organisatie van de schooltijd zoals bedoeld in de artikelen 48, 49 en 50;

7° [...]¹

8° het misbruiken van het werkingsbudget en investeringsmiddelen;

9° de misbruiken bij het tellen van de regelmatige leerlingen voor programmatie, rationalisatie, lestijdenpakket en urenpakket;

10° [de misbruiken bij het berekenen en aanwenden van lestijden, uren en punten.]³

11° [...]³

[ ]¹ Decr. 13-7-2001; [ ]² Decr. 7-7-2006; [ ]³ Decr. 22-6-2007

§ 2. [...]

Overtredingen bedoeld in § 1, 6° worden vastgesteld door de onderwijsinspectie.

Decr.13-7-2001

Art. 178.

De sanctie voor het in overtreding zijnde schoolbestuur kan een gedeeltelijke terugbetaling van het werkingsbudget zijn, zonder dat de terugvordering of inhouding méér kan bedragen dan 10 procent van het werkingsbudget van de school waar de overtreding is vastgesteld.

[ De in het eerste lid bedoelde terugvordering of inhouding kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.]

Decr.13-7-2001

Art. 179.

Het niet naleven van de verplichtingen inzake :

1° het hebben van het schoolreglement zoals bedoeld in artikel 37,

2° het hebben van het handelingsplan zoals bedoeld in artikel 46,

3° het hebben van het schoolwerkplan zoals bedoeld in artikel 47,

4° het invullen en tijdig doorsturen van de voorgeschreven formulieren of gevraagde gegevens voor elementen waar de directie niet afhankelijk is van derden;

5° medewerking aan de door de regering opgelegde acties of onderzoeksverrichtingen, kan, na aanmaning, aanleiding geven tot tijdelijke inhouding van betaling van de voorschotten op het werkingsbudget of tijdelijke inhouding van de betaling van de schijven van de dotatie aan [het Gemeenschapsonderwijs] ten belope van dat deel van de schijven dat redelijkerwijze geacht mag worden toe te komen aan de betrokken school.

Decr.10-7-2003

Art. 180.

De regering bepaalt de verdere regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Het hiervoor bedoelde besluit waarborgt de rechten van verdediging.

[Art. 180bis.

Vragen in verband met de toepassing van en klachten in verband met inbreuken op :

1° [[de beginselen in zake kosteloosheid in het basisonderwijs, vermeld in artikel 27 en van de bijdrageregeling, vermeld in artikel 27bis en 27ter;]]

2° de beginselen bedoeld in artikel 51 kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de Commissie zorgvuldig bestuur, bedoeld in artikel V.21 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaiek.]

Decr. 13-7-2001; [[ ]] Decr. 6-7-2007

HOOFDSTUK XIV. - Opheffings- , wijzigings-, overgangs- en ingangsbepalingen

Afdeling 1. - Opheffingsbepalingen

Art. 181.

Het koninklijk besluit van 12 januari 1981 tot vaststelling van de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van de Raad van het pluralistisch onderwijs wordt opgeheven.

Art. 182.

Worden voor het basisonderwijs opgeheven :

1° het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs met uitzondering van de artikelen 20, § 2 en 21;

2° de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving met uitzondering van de artikelen 4, 9de, 10de en 11de lid, 5, 13, § 2 tot en met 22ter, 28, § 2, 31 en 42;

3° het koninklijk besluit van 2 december 1969 tot vaststelling van de normen voor de oprichting van betrekkingen van rekenplichtig-correspondenten en geselecteerd rekenplichtig-correspondent in de Rijksonderwijsinrichtingen;

4° de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs, met uitzondering van artikel 20, 1ste lid;

5° het koninklijk besluit van 17 december 1973 betreffende de socio-culturele en sportactiviteiten georganiseerd of gesubsidieerd door de Staat in het lager- en kleuteronderwijs;

6° het koninklijk besluit van 1 februari 1978 houdende organiek reglement van de verbeteringsraad voor het basisonderwijs van de Staat (Nederlands taalstelsel);

7° het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs;

8° de artikelen 1, 2, § 1 en § 3, 3, 4, 5, 6, 7, § 1 en § 2, 9, 10, 14, 15, 21 tot en met 32 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs;

9° het koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semi-internaten;

10° de artikelen 1, 2, 3, § 1 en § 4, 4 tot en met 7 en 9 tot en met 12 van het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch personeel worden bepaald in de inrichtingen voor het buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semi-internaten;

11° de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, met uitzondering van de artikelen 1, §1 en § 7, 5 , 10, 11, 12 en 13;

12° het koninklijk besluit van 15 juni 1984 betreffende het kantonnaal examen tot uitreiking van het getuigschrift basisonderwijs - reglement;

13° de artikelen 1, 2, 3, 4, 1° tot en met 19°, 6, 11 tot en met 14, 15, 19, 21, § 1 en 22 tot en met 25 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1984 houdende rationalisatie en programmatie van het gewoon kleuter- en lager onderwijs;

14° de artikelen 1 tot en met 9, 10, § 1 en § 2, 12, § 1, 15, 16, 17, 19, 20 en 21, § 1, 1°, 3° en 4°, § 2 en § 3, 22 tot en met 38, 40, 41 en 42 van het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende de rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs;

15° de artikelen 2, 3 en 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;

16° artikel 41 van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;

17° de artikelen 1, 2, 1° tot en met 6°, 7° eerste lid, 8° tot en met 14°, 19°, 20°, 22°, 23°, 3, 4, 5, 6, 10, 20 tot en met 31 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 april 1993 betreffende de organisatie van het gewoon kleuter- en lager onderwijs op basis van het lestijdenpakket.

Art. 183.

Worden voor het basisonderwijs opgeheven op een datum te bepalen door de regering :

1° het koninklijk besluit van 14 maart 1960 houdende toepassing van artikel 4 van de wet van 29 mei 1959;

2° de artikelen 2, § 2 en § 4, 7, § 3, 8, 8bis, 11, 12, 13, 16, 17, 18, 19 en 20 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs;

3° de artikelen 3, § 2 en § 3 en 8 van het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch personeel worden bepaald in de inrichtingen voor het buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semi-internaten;

4° de artikelen 4, 20°, 21°, 22° en 23°, 7 tot en met 10, 14bis, 16 tot en met 18, 20 en 21, § 2 en § 3 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1984 houdende rationalisatie en programmatie van het gewoon kleuter- en lager onderwijs;

5° de artikelen 10, § 3, § 4, § 5, 11, 12, § 2, 13, 14, 18, 21, § 1, 2° en 39 van het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende de rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs;

6° de artikelen 2, 7° tweede en derde lid, 15°, 16°, 17°, 18°, 21°, 24°, 25° en 26°, 7, 8, 9, 11 tot en met 19 en de bijlagen 1, 2, 3 en 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 april 1993 betreffende de organisatie van het gewoon kleuter- en lager onderwijs op basis van het lestijdenpakket.

Art. 184.

In afwachting van het in werking treden van de besluiten in uitvoering van dit decreet, blijft de terzake geldende regelgeving, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet van kracht is, van toepassing.

Afdeling 2. - Wijzigingsbepalingen

Art. 185.

§ 1. In artikel 2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving wordt lid b geschrapt.

§ 2. In artikel 4 van dezelfde wet wordt het zevende lid geschrapt.

§ 3. In artikel 8, eerste lid van dezelfde wet worden de woorden "alsmede in de pluralistische inrichtingen" geschrapt.

§ 4. Artikel 33bis van dezelfde wet wordt geschrapt.

Art. 186.

§ 1. Artikel 87 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten wordt aangevuld met volgend lid :

"In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de verenigingen zonder winstoogmerk die niet bij bovenvermelde representatieve verenigingen zijn aangesloten per schooljaar een forfaitaire toelage per organieke betrekking in het basisonderwijs ontvangen, zoals bepaald in artikel 89, § 3, als ze op 1 september van het voorgaande schooljaar minder dan 425 organieke betrekkingen in het basisonderwijs tellen, zoals bepaald in artikel 89, § 3.

Hiertoe leggen zij aan de Vlaamse regering een ontwerp van begeleidingsplan voor.

De Vlaamse regering bepaalt het bedrag van de forfaitaire toelage."

§ 2. Aan artikel 90, § 2 van hetzelfde decreet wordt een 14° toegevoegd luidend als volgt :

"14° om de inspraakstructuren begeleiding en ondersteuning te bieden."

Afdeling 3. - Overgangsbepalingen

Art. 187.

[Leerlingen die vóór 1 september 2006 in het kader van Geïntegreerd Onderwijs begeleid werden in een erkende niet gesubsidieerde school voor gewoon onderwijs, behouden in het schooljaar 2006-2007 deze begeleiding.]

Decr.7-7-2006

Art. 188.

[Scholen die een herstructurering hebben doorgevoerd op 1 september 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 of 2007 hebben de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar als teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen tijdens het schooljaar van de herstructurering.

In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor kleuteronderwijs of van een niveau kleuteronderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.

In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor basisonderwijs of lager onderwijs of van een onderwijsniveau lager onderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de vijf daaropvolgende schooljaren.

In het geval van oprichting van een type in een school voor buitengewoon basisonderwijs geldt die teldag voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.]

Decr. 22-6-2007

[Art. 188bis.

Scholen die opgericht werden op 1 september 2004, 2005, 2006 of 2007 hebben een programmatieperiode van vier schooljaren.]

Decr. 22-6-2007

[Art. 188ter.

De teldag voor de berekening van het werkingsbudget is voor scholen die op 1 september 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 of 2007 betrokken waren bij een herstructurering, voor het schooljaar van de herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor kleuteronderwijs of van een niveau kleuteronderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.

In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor basisonderwijs of lager onderwijs of van een onderwijsniveau lager onderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de vijf daaropvolgende schooljaren.

In het geval van oprichting van een type in een school voor buitengewoon basisonderwijs geldt die teldag voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.]

Decr. 22-6-2007

[Art. 188quater.

Scholen die voor het schooljaar 2007-2008 van de regering een afwijking gekregen hebben op de rationalisatienormen, komen in aanmerking om een beroep te doen op de bepalingen van artikel 115 voor het schooljaar 2008-2009.]

Decr. 22-6-2007

Art. 189.

Voor de gefinancierde of gesubsidieerde scholen of vestigingsplaatsen die op 1 september 1997 geïsoleerd zijn op basis van het koninklijk besluit van 2 augustus 1984 houdende rationalisatie en programmatie van het gewoon kleuter- en lager onderwijs gelden de rationalisatienormen bedoeld in artikel 120, § 1, 3° en 4°.

Art. 190.

Scholen die op 1 september 1997 gefinancierd of gesubsidieerd zijn, worden geacht te voldoen aan de bepalingen van artikel 62.

De betrokken schoolbesturen moeten geen erkenningsaanvraag indienen; evenmin moeten zij een aanvraag tot opname in de financierings- of subsidiëringsregeling indienen.

Art. 191.

[Leerlingen die vóór 1 september 2003 op basis van de vigerende regelgeving inzake vrije keuze recht hebben op een tussenkomst in de kosten van het vervoer naar een bepaalde school, behouden dat recht totdat ze het lager onderwijs beëindigd hebben of van school veranderen.]

Decr.14-2-2003

Art. 192.

§ 1. Het administratief personeel dat in het gefinancierd basisonderwijs op 1 september 1997 op basis van het koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semi-internaten of op basis van het koninklijk besluit van 2 december 1969 tot vaststelling van de normen voor de oprichting van betrekkingen van rekenplichtig-correspondent en geselecteerd rekenplichtig-correspondent in de rijksonderwijsinstellingen in dienst is, is rechtsgeldig in dienst en heeft recht op salaris zoals bedoeld in artikel 73.

§ 2. Vanaf 1 september 1997 vermindert het aantal financierbare uren telkens een rekenplichtig-correspondent uit dienst treedt, met het aantal financierbare uren dat betrokkene presteerde.

[§ 3. In afwijking van [[artikelen 79, § 4, en 85bis, § 4]]² kan de Vlaamse regering vanaf een door haar vast te stellen datum een regeling uitwerken om de coëfficiënten per leerling die bereikt worden door toepassing van artikel [[153novies]]¹, op een gelijk niveau te brengen voor elk onderwijsnet, maar dat het niveau van het gesubsidieerd onderwijs niet mag overstijgen. Deze gelijkstelling wordt gespreid in de tijd en gebeurt ten laste van de in [[artikelen 79, § 4, en 85bis, § 4]]², bedoelde jaarlijks vrijkomende loonkost van rekenplichtige correspondenten.

§ 4. Het aantal financierbare uren zoals bedoeld in § 2 kan worden omgezet in een puntenenveloppe voor administratieve ondersteuning zoals bedoeld in artikel 153novies . Voor deze omzetting wordt voor een voltijdse betrekking een puntengewicht van 63 punten aangerekend. De raad van het gemeenschapsonderwijs verdeelt deze omgezette punten over de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs.

Onverminderd de bepalingen van artikel 100undecies van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, kan op basis van deze omgezette punten een personeelslid tijdelijk worden aangesteld als administratief medewerker.]

Decr. 10-7-2003; [[ ]]¹ Decr. 7-7-2006; [[ ]]² Decr. 4-7-2008

Art. 193.

De lagere scholen van het gesubsidieerd officieel onderwijs die op 1 september 1997 nog niet toegankelijk zijn voor jongens en meisjes krijgen tot 1 september 2000 de tijd om hun school toegankelijk te maken voor beide geslachten.

Art. 194.

[...]

Decr. 6-7-2012

[Art. 194bis.

De scholen die op 1 september 1995 en op 1 september 1996 ontstaan zijn uit een vrijwillige fusie, conform de ministeriële omzendbrief OND/II/1/CDG/SVC/SD van 27 juli 1995, verliezen hun adjunct-directeur en hun bijkomende lestijden niet na een herstructurering die uiterlijk op 1 september 1997 plaatsvond, tenzij die herstructurering voor het betrokken schoolbestuur gepaard gaat met de oprichting van een nieuwe kleuter-, lagere of basisschool in dezelfde of aangrenzende gemeente.]

Decr.14-7-1998

[Art. 194ter.

[[...]] ]

Decr. 13-7-2001; [[ ]] Decr. 6-7-2012

[Art. 194quater.

§ 1. Aan iedere school voor gewoon kleuter-, lager- en basisonderwijs, die geen deel uit maakt van een scholengemeenschap, wordt [[...]] jaarlijks op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de teldag of op basis van het gemiddelde aantal regelmatige leerlingen tijdens de telperiode die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, een puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid toegekend.

§ 2. De regering bepaalt de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van de puntenenveloppe betrekkingen kunnen worden ingericht en bepaalt op welke wijze de omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen gebeurt.]

Decr. 4-7-2008; [[ ]] Decr. 25-4-2014

[Art. 194quinquies.

Tijdens de schooljaren 2001-2002 en 2002-2003 kunnen in het gewoon basisonderwijs geen nieuwe scholen in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden en kunnen er geen structuurwijzigingen worden doorgevoerd waardoor de school in programmatie gaat. Deze bepaling geldt niet ten aanzien van :

- de scholen die opgericht worden overeenkomstig artikel 97, 98 en 99;

- de scholen die in de artikel 138, § 1, 1°, bedoelde aanvullende lestijden cultuurbeschouwing inrichten.]

Decr.13-7-2001

[Art. 194sexies.

In afwijking van artikel 139ter, 139ter /1 en 139quater behouden de scholen voor gewoon basisonderwijs tijdens het schooljaar 2011-2012 de aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkonderwijskansenbeleid, die ze in het schooljaar 2010-2011 hebben ontvangen.]

Decr. 1-7-2011

[Art. 194septies.

Gedurende het schooljaar 2010-2011 zijn artikel 139septies en 139octies niet van toepassing.]

Decr. 1-7-2011

[Art. 194octies.

Er wordt, voor de schooljaren 2012-2013, 2013-2014 en 2014-2015 voorzien in een sociale overgangsmaatregel voor de scholen die aan de voorwaarden vervat in bijlage 4 van dit decreet voldoen en dit volgens de bepalingen van deze bijlage.

[[De betrekkingen die worden ingericht op basis van deze sociale maatregel komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.]] ]

Decr. 6-7-2012; [[ ]] Decr. 19-7-2013

Afdeling 4. - Inwerkingtreding

Art. 195.

De bepalingen van dit decreet treden in werking op 1 september 1997 behalve :

[1° artikel 11, 16, 24, § 2, 67, § 2, 138, 2°, en 153 die in werking treden met ingang van 1 september 1994;]

Decr.13-7-2001

2° de artikelen 91, 129 en 146 treden in werking met ingang van 1 september 1995;

3° de artikelen 33, 37, 103, § 3, 109, § 4, 123, § 2, 124, 5° en [134, § 2] die in werking treden met ingang van 1 september 1998;

Decr.14-7-1998

4° de artikelen 46 en 47 die in werking treden met ingang van 1 september 1999;

5° het artikel 7, § 2 dat in werking treedt met ingang van [1 september 2003];

Decr.14-2-2003

6° de artikelen 5, 1° lid, 12, 44, 92, § 5, 128 en 157 tot en met 165 die in werking treden op een datum te bepalen door de regering.

[Bijlage - Lijst met materialen die kosteloos ter beschikking worden gesteld

Bewegingsmateriaal

Constructiemateriaal

Handboeken, schriften, werkboeken en -blaadjes, fotokopieën, software

ICT-materiaal

Informatiebronnen

Kinderliteratuur

Knutselmateriaal

Leer- en ontwikkelingsmateriaal

Meetmateriaal

Multimediamateriaal

Muziekinstrumenten

Planningsmateriaal

Schrijfgerief

Tekengerief

Atlas (ET WO 6.11)

Globe (ET WO 6.2)

Kaarten (ET WO 6.1bis, 6.2, 6.4, 6.7 en 6.8)

Kompas (ET WO 6.3)

Passer (ET WIS 3.5)

Tweetalige alfabetische woordenlijst (ET FR 2.3)

Zakrekenmachine (ET WIS 1.26 & 1.27).

Decr. 6-7-2007

[Bijlage 2.

Lestijdenschaal gewoon basisonderwijs bij het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.]

Toegevoegd met Decr. 6-7-2012, en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

Decr. 6-7-2012

[Bijlage 3.

Formule voor de berekening van de afstand in meters tussen twee vestigingsplaatsen bij het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997]

Toegevoegd met Decr. 6-7-2012, en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

Decr. 6-7-2012

[Bijlage 4.

Sociale maatregel in het kader van het nieuwe omkaderingssysteem in het gewoon basisonderwijs tijdens de schooljaren 2012-2013, 2013-2014 en 2014-2015 bij het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997

A. Lager onderwijs

I. De additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs worden, in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2012-2013, toegekend aan scholen die aan de voorwaarde, zoals bepaald in II, voldoen en worden berekend volgens de bepalingen van III.

II. Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen :

Het quotiënt 24A/B is groter dan 16. Waarbij :

1° A = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013 zoals bepaald in artikel 132.

2° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 2, en de additionele lestijden volgens de schalen in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 1, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 173quater worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

III. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het lager onderwijs zijn gelijk aan K op voorwaarde dat K een positief getal is en voor afronding groter of gelijk is aan 1. In alle andere gevallen ontvangt de school geen additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs.

Waarbij K het resultaat is van volgende berekening :

K = G - (C+2)

Waarbij :

o K als volgt wordt afgerond : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

o C = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 2, en de additionele lestijden volgens de schalen in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 1, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 173quater worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

o G = (E/D)*F waarbij :

o E = de som van :

° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden toegekend op basis van artikel 173 quater, waar de school voor het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had;

° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding waar de school in het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had;

° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag;

° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag.

o D = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011-2012.

o F = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013.

o Als het resultaat van E/D groter is dan 1,6, dan wordt E/D gelijkgesteld aan 1,6.

§ 2. In afwijking van § 1 worden, voor een school die ontstaat op 1 september 2012 uit een fusie, zoals bepaald in artikel 3, 15°, D en E als volgt bepaald :

o D = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de verschillende scholen die fusioneren telden op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011 - 2012.

o E = de som van : ° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden toegekend op basis van artikel 173 quater, waar de scholen die fusioneren voor het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden;

° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding waar de scholen die fusioneren in het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden;

° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag.

° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag.

§ 3. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2012 tot 31 augustus 2013.

§ 4. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2012-2013 vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 5. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :

- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van onderwijzer;

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

IV. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2013-2014 = K*(2/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2013 tot 31 augustus 2014.

§ 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2013-2014 vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :

- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van onderwijzer;

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

V. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2014-2015 = K*(1/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2014 tot 31 augustus 2015.

§ 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2014-2015 vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :

- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van onderwijzer;

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

B. Kleuteronderwijs

VI. De additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs worden, in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2012-2013, toegekend aan scholen die aan de voorwaarde, zoals bepaald in VII, voldoen en worden berekend volgens de bepalingen van VIII.

VII. Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen :

Het quotiënt van 24A/B is groter dan 16.

Waarbij :

1° A = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013 zoals bepaald in artikel 132.

2° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 1, en de additionele lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 4, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 141, § 2, worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

VIII. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het kleuteronderwijs zijn gelijk aan K op voorwaarde dat K een positief getal is en voor afronding groter of gelijk is aan 1. In alle andere gevallen ontvangt de school geen additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs.

Waarbij K het resultaat is van volgende berekening : K = G - (C+2)

Waarbij :

o K als volgt wordt afgerond : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

o C = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 1, en de additionele lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 4, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 141, § 2, worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

o G = (E/D)*F waarbij :

o E = de som van :

° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden bepaald in artikel 141, § 2, waar de school voor het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had;

° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding, uitgezonderd de herrekende lestijden op de instapdagen, waar de school in het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had;

° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag.

° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid, toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had.

° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag.

o D = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011-2012.

o F = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013.

o Als het resultaat van E/D groter is dan 1,6, dan wordt E/D gelijkgesteld aan 1,6.

§ 2. In afwijking van § 1 worden, voor een school die ontstaat op 1 september 2012 uit een fusie, zoals bepaald in artikel 3, 15°, D en E als volgt bepaald :

o D = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de verschillende scholen die fusioneren telden op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011-2012.

o E = de som van :

° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden bepaald in artikel 141, § 2, waar de scholen die fusioneren voor het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden;

° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding, uitgezonderd de herrekende lestijden op de instapdagen, waar de scholen die fusioneren in het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden;

° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag.

° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid, toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden.

° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag.

§ 3. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2012 tot 31 augustus 2013.

§ 4. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2012-2013 vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 5. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :

- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer;

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

IX. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2013-2014 = K*(2/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2013 tot 31 augustus 2014.

§ 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2013-2014 vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :

- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer;

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

X. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2014-2015 = K*(1/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2014 tot 31 augustus 2015.

§ 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2014-2015 vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :

- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer;

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.]

Decr. 6-7-2012