Besluit van de Vlaamse Regering [betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties (verv. BVR 30 augustus 2016, art. 10, I: 1 september 2017)]

  • goedkeuringsdatum
    26/04/1990
  • publicatiedatum
    B.S. 25/07/1990 (pagina 14638)
  • bron

    Numac : 0
  • datum laatste wijziging
    14/05/2018

HOOFDSTUK I TOEPASSINGSGEBIED

ART. 1.

Dit besluit is van toepassing op:
1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
3° de leden van de onderwijsinspectie, bedoeld in het decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs;
4° de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten, bedoeld in het decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs;
5° de personeelsleden vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.
 

HOOFDSTUK II [VERLOF VOOR VERMINDERDE PRESTATIES (verv. BVR 30 augustus 2016, art. 12, I: 1 september 2017)]

ART. 2.

§ 1. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, hebben recht op verlof voor verminderde prestaties overeenkomstig de bepalingen van § 2 en § 3.

In afwijking van het eerste lid hebben tijdelijke personeelsleden enkel recht op het verlof voor verminderde prestaties overeenkomstig de bepalingen van § 2 en § 3 op voorwaarde dat ze 720 dagen dienstanciënniteit hebben opgebouwd, zoals bepaald in artikel 4 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, artikel 6 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs en artikel 5, 6°, van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie. Minimum 360 dagen daarvan moeten opgebouwd zijn bij het schoolbestuur of het centrumbestuur, of, indien het personeelslid is aangesteld of geaffecteerd bij een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, bij de scholengemeenschap.

Voor tijdelijk aangestelde personeelsleden moet het verlof voor verminderde prestaties binnen hun aanstellingsperiode vallen.

§ 2. Het recht op verlof voor verminderde prestaties geldt als er een kandidaat-vervanger is die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° hij is in het bezit van het vereiste bekwaamheidsbewijs;
2° hij voldoet aan de eisen van het opvoedingsproject van de inrichtende macht.

De inrichtende macht mag nagaan of de kandidaat-vervanger de eventueel vereiste nuttige ervaring heeft voor het bekwaamheidsbewijs, vermeld in het eerste lid, 1°. Dat onderzoek moet uitgevoerd worden op dezelfde wijze als de wijze die door de inrichtende macht gevolgd wordt bij de aanwerving van een personeelslid op grond van de bepalingen van de hierna volgende decreten :
1° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;
2° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.
3° het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.

In afwijking van het eerste lid geldt het recht op verlof voor verminderde prestaties voor de personeelsleden vermeld in artikel 1, 5° als er een kandidaat-vervanger is die aan de voorwaarden voldoet van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vaststelling van de functies, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen in de Centra voor Basiseducatie.

§ 3. De voorwaarden zoals bedoeld in § 2 moeten niet vervuld zijn:
1° voor een personeelslid in een wervingsambt dat het verlof voor verminderde prestaties opneemt zoals vermeld in artikel 5, § 1, 3° ;
2° op de eerstvolgende ingangsdatum, voor een personeelslid in een wervingsambt dat een verlof voor verminderde prestaties opneemt zoals vermeld in artikel 5, § 1, 1° en 2°, en van wie de oorspronkelijke en vóór 1 juni ingediende aanvraag met de ingangsdatum van 1 september niet werd goedgekeurd op basis van het niet voldaan zijn van de voorwaarden zoals bedoeld in § 2;
3° voor de personeelsleden vermeld in artikel 2, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vaststelling van de functies, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen in de Centra voor Basiseducatie, die het verlof voor verminderde prestaties opnemen zoals vermeld in artikel 5, § 1, 3°.

§ 4. De personeelsleden die niet voldoen aan de bepalingen vermeld in § 1 en § 2, kunnen een verlof voor verminderde prestaties krijgen, op voorwaarde dat de inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, daarmee instemt.

§ 5. Het verlof voor verminderde prestaties wordt toegestaan door:
1° de inrichtende macht of het schoolbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 1°, en 2° ;
2° de inspecteur-generaal voor de inspecteur en de coördinerend inspecteur;
3° de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn gemachtigde, voor de inspecteur-generaal en voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 4° ;
4° het centrumbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 5°.

ART. 3.

Tijdens het verlof voor verminderde prestaties kan het personeelslid de arbeidsprestaties:
1° volledig onderbreken;
2° verminderen tot een halftijdse betrekking;
3° verminderen met een vijfde van een voltijdse betrekking.

In afwijking van het eerste lid kan de inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs een afwijking toestaan op het volume van het verlof. De afwijking op het volume is een recht voor een personeelslid dat zijn overlevingspensioen of overgangsuitkering wil cumuleren met een salaris.

De volledige onderbreking van de arbeidsprestaties omvat alle arbeidsprestaties in de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde ambten die het personeelslid uitoefent in het onderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding.

Het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, kan zowel in aanmerking worden genomen als prestatie-eenheden waarop het verlof voor verminderde prestaties genomen kan worden, als als prestatie-eenheden die het personeelslid nog moet blijven uitoefenen.

Bij vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking blijft het personeelslid een of meer betrekkingen uitoefenen die samen de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een betrekking met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.

Bij vermindering van de arbeidsprestaties met een vijfde moet het personeelslid een betrekking met volledige prestaties uitoefenen. Bovendien moet het personeelslid een of meer betrekkingen blijven uitoefenen die samen vier vijfde van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een betrekking met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.

Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het de arbeidsprestaties vermindert, worden eerst de prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, en vervolgens de prestatie-eenheden waarvoor het wel gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een niet-organieke betrekking.

ART. 4.

Bij een volledige onderbreking van de arbeidsprestaties begint het verlof voor verminderde prestaties op 1 september en eindigt het op 31 augustus van hetzelfde schooljaar.

Bij vermindering van de arbeidsprestaties tot de helft of met een vijfde begint het verlof voor verminderde prestaties op 1 september, 1 januari of 1 april en eindigt het op 31 augustus van hetzelfde schooljaar.

In afwijking van het eerste en tweede lid kan het verlof voor verminderde prestaties eveneens ingaan de dag na het beëindigen van een voorafgaande dienstonderbreking, op voorwaarde dat het verlof voor verminderde prestaties voor hetzelfde volume wordt opgenomen als de voorafgaande dienstonderbreking.

In afwijking van het eerste en tweede lid kan de inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs een afwijking toestaan op de ingangsdatum en einddatum van het verlof.

ART 4/1.

Het verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale en familiale redenen, vermeld in artikel 2, § 1, dat het personeelslid genoten heeft tijdens het schooljaar of dienstjaar, heeft tot gevolg dat het salaris tijdens het jaarlijks vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd.

Het eerste lid is niet van toepassing op:
1° de personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel;
2° de personeelsleden van de categorie van het administratief personeel van de medisch-pedagogische instituten van het Gemeenschapsonderwijs, van de semi-internaten of van de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben;
3° de personeelsleden aangesteld in het ambt van coördinerend inspecteur of van inspecteur-generaal;
4° de personeelsleden van:
a) de internaten met permanente openstelling;
b) het tehuis van het Gemeenschapsonderwijs dat instaat voor de opname van jongeren in het kader van de hulp- en bijstandsregeling.

ART. 5.

§ 1. Het personeelslid kan een verlof voor verminderde prestaties als volgt opnemen:
1° een verlof met volledige onderbreking van de arbeidsprestaties gedurende 24 maanden;
2° een verlof met vermindering van de arbeidsprestaties gedurende 120 maanden. De periode van vermindering omvat zowel de vermindering van de prestaties tot de helft als met een vijfde en bevat eveneens de periodes waarin een afwijking wordt toegestaan op het volume op basis van artikel 3, tweede lid;
3° een verlof met vermindering van de arbeidsprestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar. De periode van vermindering omvat zowel de vermindering van de prestaties tot de helft als met een vijfde en duurt tot aan de effectieve datum van het pensioen. Het personeelslid heeft eenmalig op 1 september de mogelijkheid om over te stappen van een vermindering met een vijfde naar een vermindering met de helft van de arbeidsprestaties of omgekeerd.

Het personeelslid met een verlof verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar heeft éénmalig het recht om zijn verlof te beëindigen en zijn betrekking opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vanaf 1 september. Het personeelslid moet zijn voornemen meedelen aan de inrichtende macht vóór 1 mei.

In afwijking van het voorgaande lid kan de inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs een afwijking toestaan op de datum van 1 september.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de totale duur van het verlof voor verminderde prestaties, worden overschreden als de afwezigheid van een personeelslid dat zorgkrediet heeft genomen, maar geen recht heeft op een onderbrekingsuitkering, wordt omgezet in een verlof voor verminderde prestaties.

ART. 6.

Het verlof voor verminderde prestaties wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het personeelslid ontvangt tijdens de periode waarin hij zijn arbeidsprestaties vermindert, een salaris dat overeenkomt met het volume van de nog effectief uitgeoefende prestaties. Bij een volledige schorsing van de arbeidsprestaties ontvangt het personeelslid geen salaris, salaristoelage, wachtgeld of wachtgeldtoelage.

ART 6/1.

Het verlof voor verminderde prestaties, dat het personeelslid genoten heeft tijdens het schooljaar of dienstjaar, heeft tot gevolg dat het salaris tijdens het jaarlijks vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd.

Het eerste lid is niet van toepassing op :
1° de personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel;
2° de personeelsleden van de categorie van het administratief personeel van de medisch-pedagogische instituten van het Gemeenschapsonderwijs, van de semi-internaten of van de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben;
3° de personeelsleden aangesteld in het ambt van coördinerend inspecteur of van inspecteur-generaal;
4° de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie;
5° de personeelsleden van :
a) de internaten met permanente openstelling;
b) het tehuis van het Gemeenschapsonderwijs dat instaat voor de opname van jongeren in het kader van de hulp- en bijstandsregeling.

ART. 7.

Tijdens het verlof voor verminderde prestaties mag het personeelslid geen vervangende winstgevende activiteit uitoefenen.

De volgende politieke mandaten worden niet als een vervangende winstgevende activiteit beschouwd : gemeenteraadslid, provincieraadslid, lid van het bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn, lid van de raad voor maatschappelijk welzijn of lid van de districtsraad.

ART. 8.

§ 1. Het personeelslid dat verlof voor verminderde prestaties wil nemen, dient daartoe een aanvraag in bij de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waar hij werkt, of bij het centrumbestuur. De personeelsleden van de inspectie dienen hun aanvraag in bij de inspecteur-generaal. De inspecteur-generaal dient zijn aanvraag in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. Bij de aanvraag vermeldt het personeelslid de datum waarop hij wil dat het verlof voor verminderde prestaties zou aanvangen en de duur ervan.

De inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs dient zijn principiële beslissing mee te delen aan het personeelslid binnen vijftien kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag.

§ 2. In geval van weigering moet de inrichtende macht of het centrumbestuur haar weigering schriftelijk motiveren en uiterlijk zeven kalenderdagen voor de aanvang van het verlof voor verminderde prestaties meedelen zowel aan het personeelslid dat het verlof aanvraagt, als aan de kandidaat-vervanger.

ART. 9.

Om de totale duur te berekenen van het verlof voor verminderde prestaties dat een personeelslid over zijn hele loopbaan neemt, wordt alleen rekening gehouden met de duur van de verloven voor verminderde prestaties die zijn ingegaan vanaf 1 september 2017. Bij de berekening van de totale duur wordt ook rekening gehouden met de duur van de verloven voor verminderde prestaties die opgenomen zijn op basis van hoofdstuk IV van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven en terbeschikkingstellingen voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool.

HOOFDSTUK III [AFWEZIGHEID VOOR VERMINDERDE PRESTATIES (verv. BVR 30 augustus 2016, art. 13, I: 1 september 2017)]

ART. 10.

De personeelsleden, vermeld in artikel 1, kunnen een afwezigheid voor verminderde prestaties aanvragen.

Voor tijdelijk of contractueel aangestelde personeelsleden geldt dit enkel voor zover de afwezigheid binnen hun aanstellingsperiode valt.

ART. 11.

De afwezigheid voor verminderde prestaties wordt toegestaan door:
1° de inrichtende macht of het schoolbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 1°, en 2° ;
2° de inspecteur-generaal voor de inspecteur en de coördinerend inspecteur;
3° de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn gemachtigde, voor de inspecteur-generaal en voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 4° ;
4° het centrumbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 5°.

ART. 12.

De afwezigheid voor verminderde prestaties kan worden toegestaan voor al de prestaties of voor een gedeelte van de prestaties waarmee het personeelslid in de instelling, het centrum of de dienst belast is. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de prestaties waarvoor het personeelslid vastbenoemd, tot de proeftijd toegelaten of tijdelijk aangesteld is.

In afwijking van het eerste lid wordt er voor de personeelsleden vermeld in artikel 1, 5° geen onderscheid gemaakt of zij voor bepaalde of onbepaalde duur zijn aangesteld.

Het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, kan zowel in aanmerking worden genomen als prestatie-eenheden waarop de afwezigheid voor verminderde prestaties genomen kan worden, als prestatie-eenheden die het personeelslid nog moet blijven uitoefenen.

Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het de arbeidsprestaties vermindert, worden eerst de prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, en vervolgens de prestatie-eenhedenwaarvoor het wel gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een niet-organieke betrekking.

ART. 13.

§ 1. De totale duur van de afwezigheid, in een keer of in verschillende keren genomen, mag tijdens de volledige loopbaan van het personeelslid niet meer bedragen dan 60 maanden, ongeacht of de afwezigheid werd verkregen voor al de uitgeoefende prestaties of voor een deel ervan.

Om de totale duur te berekenen van de afwezigheid voor verminderde prestaties die een personeelslid over zijn hele loopbaan neemt, wordt alleen rekening gehouden met de duur van de afwezigheden voor verminderde prestaties die zijn ingegaan vanaf 1 september 2017. Bij de berekening van de totale duur wordt ook rekening gehouden met de duur van de afwezigheden voor verminderde prestaties die opgenomen zijn op basis van hoofdstuk VI van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven en terbeschikkingstellingen voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 mag de totale duur van zestig maanden worden overschreden als :
1° het verlof van een personeelslid dat zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken, maar geen recht heeft op een onderbrekingsuitkering, ambtshalve wordt omgezet in een afwezigheid voor verminderde prestaties als vermeld in artikel 20, § 3, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
2° het opvangverlof van een personeelslid ambtshalve wordt omgezet in afwezigheid voor verminderde prestaties omdat bij de terugkeer uit het buitenland blijkt dat geen adoptie heeft plaatsgehad, zoals vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 1994 betreffende het opvangverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra met het oog op adoptie en pleegvoogdij;
3° een personeelslid gebruik maakt van de overgangsmaatregelen, als vermeld in hoofdstuk 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 februari 2000 betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
4° de afwezigheid van een personeelslid dat zorgkrediet heeft genomen, maar geen recht heeft op een onderbrekingsuitkering, wordt omgezet in afwezigheid voor verminderde prestaties.

ART. 14.

Tijdens de afwezigheid voor verminderde prestaties is het personeelslid in de stand non-activiteit. Het heeft voor de prestatie of prestaties waarvoor het afwezig is, geen recht op salaris, salaristoelage, wachtgeld of wachtgeldtoelage.

ART 14/1.

Een afwezigheid voor verminderde prestaties die het personeelslid genoten heeft tijdens het schooljaar of dienstjaar, heeft tot gevolg dat het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd.

Het eerste lid is niet van toepassing op :
1° de personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel;
2° de personeelsleden van de categorie van het administratief personeel van de medisch-pedagogische instituten van het Gemeenschapsonderwijs, van de semi-internaten of van de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben;
3° de personeelsleden aangesteld in het ambt van coördinerend inspecteur of van inspecteur-generaal;
4° de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie;
5° de personeelsleden van :
a) de internaten met permanente openstelling;
b) het tehuis van het Gemeenschapsonderwijs dat instaat voor de opname van jongeren in het kader van de hulp- en bijstandsregeling.

HOOFDSTUK IV [GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN (verv. BVR 30 augustus 2016, art. 14, I: 1 september 2017)]

ART. 15.

Om het aantal prestatie-eenheden te bepalen, vermeld in artikel 3, vierde en vijfde lid, of het aantal prestaties, vermeld in artikel 12, worden de volgende prestaties ook in aanmerking genomen of als prestatie-eenheden beschouwd:
1° de prestaties, verstrekt door personeelsleden met verlof wegens bijzondere opdracht of verlof wegens opdracht als vermeld in artikel 51quater, § 2 en § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en artikel 77quater, § 2 en § 3 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en de artikelen 67 tot en met 70 van het decreet betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie;
2° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof wegens vakbondsopdracht als vermeld in artikel 17 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en artikel 77 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
3° de prestaties, verstrekt voor in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk voor de voorzitters van die groepen, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
4° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof als vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 november 1980 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten;
5° de prestaties, verstrekt door personeelsleden in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel Algemene Beleidscoördinatie en een cel Algemeen Beleid bij een lid van de federale regering als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
6° de prestaties, verstrekt door personeelsleden als medewerker, door een regeringslid, ter beschikking gesteld van zijn voorganger als vermeld in artikel 8, derde lid, van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een Regering of van een College van een Gemeenschap of een Gewest;
7° de prestaties, verstrekt door een personeelslid ter ondersteuning van het college van commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen als vermeld in artikel IV.110 van de Codex hoger onderwijs;
8° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 166, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
9° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;
10° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 69 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs.
11° ...

ART. 16.

Het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties worden opgeschort zodra het personeelslid, binnen de bepalingen die op hem van toepassing zijn, de volgende verloven verkrijgt :
1° bevallingsverlof;
2° verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij;
3° onbezoldigd ouderschapsverlof;
4° geboorteverlof;
5° loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
6° loopbaanonderbreking voor medische bijstand;
7° loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen;
8° zorgkrediet.

ART. 17.

De in artikel 1 bedoelde personeelsleden die, op grond van de bepalingen van hoofdstuk III van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, een bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van vijftig jaar bekomen hebben, kunnen dit verlof verder genieten onder de voorwaarden waaronder het laatst werd toegekend.

Bij een wijziging in hun toestand kunnen de voormelde personeelsleden het bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van vijftig jaar slechts blijven genieten indien zij meer lesuren of uren presteren dan op de dag vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

Voor het vaststellen van het wachtgeld of de wachtgeldtoelage bij terbeschikkingstelling wegens ziekte is, voor de periode gedurende welke het personeelslid verminderde prestaties verricht, de activiteitswedde of de activiteitsweddentoelage die welke voor de nog werkelijk uitgeoefende prestaties verschuldigd is.

HOOFDSTUK V OVERGANGS-, OPHEFFINGS- EN SLOTBEPALINGEN

ART. 17bis.

...

ART. 18.

...

ART. 19.

...

ART. 20.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989.

ART. 21.

De Vlaamse minister van Onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.