Decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    27 MAART 1991
  • publicatiedatum
    B.S.25/05/1991
  • datum laatste wijziging
    10/08/2016

COORDINATIE

Decr. 17-7-1991 - B.S. 31-8-1991

Decr. 23-10-1991 - B.S. 28-11-1991

Decr. 9-4-1992 - B.S. 16-5-1992

Decr. 28-4-1993 - B.S. 28-5-1993

Decr. 1-12-1993 - B.S. 21-12-1993

Decr. 15-12-1993 - B.S. 15-2-1994

Decr. 15-12-1993 - B.S. 1-3-1994

Decr. 21-12-1994 - B.S. 16-3-1995

Decr. 19-4-1995 - B.S. 20-7-1995

Decr. 8-7-1996 - B.S. 5-9-1996

B.Vl.R. 9-5-1996 - B.S. 25-7-1996

Decr. 15-7-1997 - B.S. 21-8-1997

Decr. 14-7-1998 - B.S. 29-8-1998

Decr. 14-7-1998 - B.S. 29-8-1998

Decr. 1-12-1998 - B.S. 10-4-1999

Decr. 2-3-1999 - B.S. 21-8-1999

B.Vl.R. 9-3-1999 - B.S. 7-5-1999

Decr. 18-5-1999 - B.S. 31-8-1999

Decr. 8-6-2000 - B.S. 25-8-2000

Decr. 20-10-2000 - B.S. 16-12-2000

Decr. 13-7-2001 - B.S. 27-11-2001

Decr. 14-2-2003 - B.S. 1-7-2003

Decr. 10-7-2003 - B.S. 24-10-2003

Decr. 2-4-2004 - B.S. 7-6-2004

Decr. 7-5-2004 - B.S. 31-8-2004

Decr. 7-5-2004 - B.S. 20-9-2004

Decr. 15-7-2005 - B.S. 16-9-2005

Decr. 23-6-2006 - B.S. 20-11-2006

Decr. 7-7-2006 - B.S. 31-8-2006

Decr. 16-5-2007 - B.S. 2-7-2007

Decr. 15-6-2007 - B.S. 31-8-2007

Decr. 22-6-2007 - B.S. 21-8-2007

Decr. 13-7-2007 - B.S. 31-8-2007

Decr. 4-7-2008 - B.S. 1-9-2008

Decr. 13-2-2009 - B.S. 26-3-2009

Decr. 30-4-2009 - B.S. 20-7-2009

Decr. 8-5-2009 - B.S. 28-8-2009

Decr. 8-5-2009 - B.S. 28-8-2009

Decr. 18-12-2009 - B.S. 30-12-2009

Decr. 9-7-2010 - B.S. 31-8-2010

Arr. Grondw.Hof nr. 106/2010, 30-9-2010 - B.S. 18-11-2010

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

Decr. 17-6-2011 - B.S. 20-7-2011

Decr. 1-7-2011 - B.S. 30-8-2011

Decr. 21-12-2012 - B.S. 19-2-2013

Decr. 12-7-2013 - B.S. 30-8-2013

Decr. 19-7-2013 - B.S. 27-8-2013

Decr. 25-4-2014 - B.S. 25-9-2014

Decr. 19-12-2014 - B.S. 30-12-2014

Decr. 19-12-2014 - B.S. 3-2-2015

Decr. 19-6-2015 - B.S. 21-8-2015

Decr. 3-7-2015 - B.S. 15-7-2015

Decr. 3-7-2015 - B.S. 28-7-2015

Decr. 17-6-2016 - B.S. 10-8-2016

De Vlaamse Raad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen en definitie

Artikel 1.

Dit decreet regelt een aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 59bis, § 2, 2° , van de Grondwet. Het kan worden aangehaald als het decreet rechtspositie personeelsleden [gemeenschapsonderwijs].

Decr.18-5-1999

Art. 2.

§ 1. [Dit decreet is van toepassing op de volgende personeelscategorieën :

- het bestuurs- en onderwijzend personeel met inbegrip van de [[leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht]]³;

- het opvoedend hulppersoneel;

- het paramedisch en sociaal personeel;

- het psychologisch, orthopedagogisch en medisch personeel;

- het technisch personeel;

- het administratief personeel;

- het ondersteunend personeel;

[[- het beleids- en ondersteunend personeel;]]²

- het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst;

- het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel;

die in het gemeenschapsonderwijs worden tewerkgesteld bij de scholengroep of in de volgende instellingen :

- de scholen van het basisonderwijs en de instellingen van het secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs, in welke vorm ook;

- de autonome internaten en tehuizen;

- de semi-internaten en de [[internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien]]³;

- [[de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel, verder aangeduid als CLB;]]¹

- de centra voor volwassenenonderwijs;

- [[...]]¹ ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 1-12-1998; [[ ]]² Decr. 10-7-2003; [[ ]]³ Decr. 25-4-2014

§ 2. Dit decreet is niet van toepassing op de voordrachtgevers zoals bedoeld in de artikelen 68 en 69 van het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere omschrijving van de in § 1 genoemde categorieën. In afwachting hiervan blijven evenwel de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht.

Art. 3.

Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :

1° de ARGO : de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs;

2° de centrale raad : de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988;

3° [de instelling : de scholen van het basisonderwijs [[, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de instellingen voor deeltijds kunstonderwijs,]]³ de centra voor volwassenenonderwijs, de autonome internaten en tehuizen, de semi-internaten, de [[internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien]]4, de pedagogische begeleidingsdienst en de [[centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel]]¹. Het internaat [[toegevoegd aan een school, maakt deel uit van die school]]³.]¹ [Voor de personeelsleden die volgens [[artikel 26, § 4, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]², bij de scholengroep aangesteld zijn, en voor de vastbenoemde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel die bij de scholengroep aangesteld zijn, wordt de scholengroep voor de toepassing van dit decreet beschouwd als een instelling;]²

[ ]¹ Decr. 18-5-1999; [ ]² Decr. 13-7-2007; [[ ]]¹ Decr. 14-2-2003; [[ ]]² B.Vl.R. 17-12-2010; [[ ]]³ Decr. 19-7-2013; [[ ]]4 Decr. 25-4-2014

4° [het schooljaar : de periode van 1 september tot 31 augustus van het daaropvolgend jaar voor het kleuter-, lager en secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en voor de CLB's;]

Decr.18-5-1999

5° de titularis : het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt;

6° de bekwaamheidsbewijzen : de door de Vlaamse Regering voor het ambt bepaalde bekwaamheidsbewijzen;

7° de godsdienst : één van de erediensten bedoeld in [de reglementaire bepalingen inzake levensbeschouwelijk onderricht];

B.Vl.R. 17-12-2010

8° de [godsdienstleerkracht] : de godsdienstleraar en de leermeester godsdienst;

Decr. 25-4-2014

9° een ambt : een functie die in de onderwijssector wordt uitgeoefend en door de Gemeenschap wordt gefinancierd. De Vlaamse Regering stelt de verschillende ambten vast en maakt een indeling in wervings-, selectie- en bevorderingsambten. Zolang de Vlaamse Regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht;

10° een betrekking : [de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een instelling, uitgedrukt in een door de inrichtende macht bepaald aantal prestatie-eenheden per week. Als het gaat om een onderwijsopdracht vermeldt de inrichtende macht eveneens het onderwijsniveau, de opleiding, de module, het vak en de specialiteit ervan of de met het vak of specialiteit gelijkgestelde activiteit, de graad en voor het voor het voltijds secundair onderwijs eventueel het HBO5, de onderwijsvorm of de opleidingsvorm.]² [Als het gaat om een opdracht in [[een ambt van het ondersteunend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs]] vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste niveau van bekwaamheidsbewijs. Als het gaat om een opdracht in [[een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs of een ambt van het ondersteunend personeel in het volwassenenonderwijs]] dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau.]¹

Een betrekking kan volledig of onvolledig zijn. Een volledige betrekking stemt overeen met het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties.

[Een personeelslid dat deeltijds werkt, heeft het recht dat deze prestaties maximaal over een proportioneel aantal halve dagen per week worden gespreid;]¹

IN VOEGE VANAF 1/9/2016 (Decr. XXVI, 17-6-2016; Art. VIII.1 en VIII.7) : In artikel 3, 10°, worden de zinnen "Als het gaat om een opdracht in een ambt van het ondersteunend personeel in het gewoon- en buitengewoon secundair onderwijs vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste niveau van bekwaamheidsbewijs. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs of een ambt van het ondersteunend personeel in het volwassenenonderwijs dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau." vervangen door de volgende zin "Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel of in een ambt van het ondersteunend personeel dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau en de puntenwaarde."

[ ]¹ Decr. 15-7-2005; [ ]² Decr. 30-4-2009; [[ ]] Decr. 4-7-2008

11° een vacante betrekking : de betrekking die niet is toegewezen aan een tot de proeftijd toegelaten of vast benoemd personeelslid;

12° opdracht van een personeelslid : aantal prestatie-eenheden per week door een personeelslid verricht in een bepaald ambt in een instelling en, indien het een onderwijsopdracht betreft, in een bepaald onderwijsniveau, [in een bepaalde opleiding of in een bepaalde module of]¹ in een bepaald vak en de specialiteit ervan of een ermede gelijkgestelde activiteit, en in voorkomend geval, [de graad en voor het voltijds secundair onderwijs eventueel het HBO5,]² en de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. De prestatie-eenheid is de basiseenheid die voor een bepaald ambt door de Vlaamse Regering wordt vastgesteld;

[ ]¹ Decr. 15-6-2007; [ ]² Decr. 30-4-2009

13° [de mutatie : de benoeming en affectatie aan een andere scholengroep of een instelling van een andere scholengroep in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is.]¹[Bij toepassing van artikel 31, § 4, vindt de benoeming en affectatie plaats in een ander ambt dan het ambt waarin het personeelslid vast benoemd is;]²

[ ]¹ Decr. 18-5-1999; [ ]² Decr. 21-12-2012

14° de lokale bestuursorganen : de in artikel 5, § 1, 2° en 3° , van het bijzonder decreet van 19 december 1988 bedoelde bestuursorganen alsmede de in artikel 5, § 2, van hetzelfde bijzonder decreet bedoelde bestuurslichamen;

[15° contractueel personeelslid : personeelslid dat werd aangenomen met een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;

16° lokaal comité : het inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;

17° vacature : elke volledige of onvolledige betrekking die, ofwel definitief vacant is, ofwel tijdelijk vacant is, voor een periode van tenminste tien werkdagen;]

Decr.1-12-1998

[18° het Gemeenschapsonderwijs : het Gemeenschapsonderwijs zoals bepaald in artikel 3 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

19° gemeenschapsonderwijs : het gemeenschapsonderwijs zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

20° Raad van het Gemeenschapsonderwijs : de Raad van het Gemeenschapsonderwijs zoals bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

21° afgevaardigd bestuurder : de afgevaardigd bestuurder van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs zoals bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

22° scholengroep : de scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, § 6 van het bijzonder decreet van14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

23° raad van bestuur : de raad van bestuur van een scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, § 5 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

24° directeur : de directeur van een school of een centrum voor leerlingenbegeleiding zoals bedoeld in artikel 5, § 2 en artikel 16 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

25° algemeen directeur : de algemeen directeur zoals bedoeld in artikel 5, § 3 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

26° college van directeurs : het college van directeurs zoals bedoeld in artikel 5, § 3 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

27° instellingshoofd : het hoofd van een instelling zoals bedoeld in artikel 2, § 1. Voor de pedagogische begeleidingsdienst wijst de afgevaardigd bestuurder een personeelslid van de pedagogische begeleidingsdienst als instellingshoofd aan;

28° scholengemeenschap : de scholengemeenschap zoals bedoeld in [[artikel 3, 36°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]² [[en de scholengemeenschap basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 52bis , van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs]]¹;

29° vormingscentrum : de permanente ondersteuningscel voor de gefinancierde centra voor leerlingenbegeleiding, zoals bedoeld in artikel 89 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding;]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 10-7-2003; [[ ]]² B.Vl.R. 17-12-2010

[30° raadsman : een advocaat, een personeelslid van een instelling of wat de werknemer betreft, een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie en wat de werkgever betreft, een vertegenwoordiger van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs;]

Decr.14-2-2003

[31° bevoegde instantie van de godsdienst of betrokken eredienst : de instantie of personen die de bevoegdheid op basis van de eigen interne regelgeving hebben, of de instantie of personen die van het representatieve orgaan van de eredienst of van het hoofd van de eredienst de bevoegdheid krijgen;

32° bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer : de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap, vermeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;]

Decr. 7-7-2006

[33° module : een module zoals bedoeld in artikel 24 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

34° opleiding : een opleiding, zoals bedoeld in artikel 24 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;]

Decr. 15-6-2007

[35° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs [[of in het volwassenenonderwijs]] zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;]

Decr. 30-4-2009; [[ ]] Decr. 12-7-2013

[36° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs en lector in het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding in het volwassenenonderwijs;]

Decr. 9-7-2010

[37° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;]

Decr. 21-12-2012

[38° het net :

- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

- het gesubsidieerd officieel onderwijs : het onderwijs ingericht door publiekrechtelijke rechtspersonen andere dan het gemeenschapsonderwijs en dat in aanmerking komt voor subsidiëring van de Vlaamse Gemeenschap;

- het gesubsidieerd vrij onderwijs : het onderwijs ingericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen en dat in aanmerking komt voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;]

Decr. 19-7-2013

[39° leerkracht levensbeschouwelijk onderricht: de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer;

40° MEDEX: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen;

41° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk;]

Decr. 25-4-2014

[42° internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien: medisch-pedagogische instituten van het gemeenschapsonderwijs, instituten voor buitengewoon secundair onderwijs van het gemeenschapsonderwijs en autonome internaten buitengewoon onderwijs van het gemeenschapsonderwijs met openstelling tijdens schoolvrije dagen die verblijf en begeleiding voor hun internen tijdens de schoolvrije dagen organiseren als bedoeld in artikel 29 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs-III.]

Decr. 25-4-2014

[Voor de toepassing van dit decreet dienen de woorden "centrale raad", "de lokale bestuursorganen" en "bestuur" gelezen te worden als : "het bestuursorgaan of de bestuursorganen die ten aanzien van de instellingen de bestuurshandelingen verrichten overeenkomstig de door of krachtens de wet, het decreet en inzonderheid het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs of het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs toegewezen bevoegdheden."]

Decr.1-12-1998

Art. 4.

[§ 1. ]¹ Voor het berekenen van de dienstanciënniteit in het [gemeenschapsonderwijs]² :

[ ]¹ Decr. 21-12-1994; [ ]² Decr.18-5-1999

a) [bestaat het aantal dagen, gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden met uitzondering van de zomervakantie, als ze in die activiteitsperiode vallen. Dat aantal wordt vermenigvuldigd met 1,2.

In afwijking hiervan bestaat voor het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en voor de personeelsleden van de CLB's, de semi-internaten en de [[internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien]], het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen van het begin tot het einde van een ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden. Dit aantal wordt niet vermenigvuldigd met 1,2.

De dagen, gepresteerd in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijk personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, worden gerekend vanaf het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van alle vakantieperioden;]

Decr. 7-7-2006; [[ ]] Decr. 25-54-2014

b) worden de dagen gepresteerd in een betrekking met onvolledige dienstprestaties, die ten minste de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor de betrekking met volledige dienstprestaties, op dezelfde grond in aanmerking genomen als de dagen gepresteerd in een betrekking met volledige dienstprestaties. Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties wordt met de helft verminderd;

c) mag het aantal dagen gepresteerd in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende betrekkingen met volledige of onvolledige dienstprestaties nooit meer bedragen dan het aantal dagen gepresteerd in een betrekking met volledige dienstprestaties die tijdens dezelfde periode wordt uitgeoefend;

d) vormen dertig dagen een maand;

e) worden als diensten beschouwd de diensten door het personeelslid in het Gemeenschapsonderwijs gepresteerd in de stand dienstactiviteit alsook het verlof dat hem is toegekend overeenkomstig artikel 77. Eveneens als diensten worden beschouwd de perioden tijdens welke het personeelslid zich in de administratieve stand van terbeschikkingstelling bevindt zoals bepaald in artikel 82, a), [...], c) en e);

Decr.10-7-2003

f) [komen de dagen gepresteerd in een ambt van godsdienstleerkracht slechts in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in datzelfde ambt.

De diensten die - zowel in het gemeenschaps- als in het gesubsideerd onderwijs - gepresteerd werden tussen 1 september 1975 en 31 augustus 2001 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst en die in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt. [[De diensten die - zowel in het gemeenschaps- als in het gesubsidieerd onderwijs - gepresteerd werden tot en met 31 augustus 2013 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met anglicaanse godsdienst en die in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt.]] ]

Decr. 13-7-2001; [[ ]] Decr. 19-7-2013

g) kan gedurende een schooljaar een [dienstanciënniteit] van maximaal 360 dagen worden verworven.

Decr.18-5-1999

[§ 2. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen de hiervoor bedoelde diensten enkel in aanmerking indien ze gepresteerd werden in hoofdambt.]

Decr.21-12-1994

[§ 3. De regering bepaalt op welke wijze de volgende diensten mee in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de dienstanciënniteit in de centra voor leerlingenbegeleiding in het gemeenschapsonderwijs :

1° contractueel personeelslid bij een PMS-centrum van het gemeenschapsonderwijs;

2° contractueel personeelslid bij een equipe voor medisch schooltoezicht;

3° klerk, gepresteerd vóór de overdracht naar het gemeenschapsonderwijs en tijdens de wettelijke vooropzegperiode na de overdracht met toepassing van artikel 201 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II;

4° gesubsidieerd contractueel personeelslid.]

Decr.1-12-1998

[§ 4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van opsteller.]

Decr. 22-6-2007

[§ 5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, § 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of artikel 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 79/1 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 100/1 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II of artikel XI.1 van het decreet van 21 december 2012 betreffende het onderwijs XXII, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.]

Decr. 21-12-2012

Art. 5.

De nuttige ervaring is de tijd doorgebracht in het onderwijs of de tijd gedurende welke een persoon, als werknemer in een particuliere of openbare dienst of als zelfstandige een beroep of een ambacht heeft uitgeoefend. Zij wordt aangetoond op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering. Zolang de Vlaamse Regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht.

[Art. 5bis.

Artikel 19, § 2 en § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 1997 betreffende de nuttige ervaring als bekwaamheidsbewijs voor personeelsleden van het onderwijs, wordt bekrachtigd met ingang van 1 september 1997.]

Decr.13-7-2001

HOOFDSTUK II. - Plichten

Art. 6.

[De personeelsleden moeten het belang behartigen van het gemeenschapsonderwijs en van de instelling waarin zij tewerkgesteld zijn. Zij behartigen daarenboven het belang van de leerlingen, de cursisten en de consultanten.]

Decr. 18-5-1999

Art. 7.

De personeelsleden vervullen de taken die hun worden opgedragen, persoonlijk en nauwgezet, met inachtneming van de verplichtingen die hun door of krachtens de wet of het decreet of bij dienstorder zijn opgelegd. [De personeelsleden respecteren daarbij de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder.]

Decr. 19-7-2013

Art. 8.

De personeelsleden moeten zich in hun dienstbetrekkingen en in hun omgang met de leerlingen, de ouders van de leerlingen en het publiek op een correcte wijze gedragen.

De personeelsleden moeten alles vermijden dat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun functie in het onderwijs.

Het is de personeelsleden verboden rechtstreeks of door een tussenpersoon, zelfs buiten hun ambt doch omwille ervan, giften, geschenken, beloningen of enig ander voordeel aan te nemen.

Art. 9.

In de uitoefening van hun ambt moeten de personeelsleden de neutraliteit in acht nemen en aan het pedagogisch project van het [gemeenschapsonderwijs]¹ gestalte geven. Zij mogen daarenboven hun gezag niet aanwenden voor politieke of commerciële doeleinden. [De leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht]² moeten meewerken aan de realisatie van het pedagogisch project van het Gemeenschapsonderwijs en het schoolwerkplan.

[ ]¹ Decr. 18-5-1999; [ ]² Decr. 25-4-2014

Art. 10.

Behoudens overmacht mogen de personeelsleden de uitoefening van hun ambt niet onderbreken zonder voorafgaande toestemming van de rechtstreekse hiërarchische overheid.

Art. 11.

De personeelsleden zijn ertoe gehouden het ambtsgeheim te bewaren.

Art. 12.

[Onverminderd de toepassing van de strafwetten wordt iedere overtreding door een vastbenoemd personeelslid en door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur van de in dit hoofdstuk vermelde bepalingen, al naar het geval, bestraft met een van de in artikel 61 bepaalde tuchtstraffen.]

Decr. 21-12-2012

[HOOFDSTUK IIbis. - Aansprakelijkheid

[[Art.12bis.

§ 1. Dit artikel geldt voor de personeelsleden vermeld in artikel 2, § 1, [[[...]]]².

§ 2. De raad van bestuur - [[[voor het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst]]]² de afgevaardigd bestuurder - sluit voor haar personeelsleden een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid en rechtsbijstand af, zodat alle personeelsleden in het kader van de uitoefening van hun opdracht verzekerd zijn als hun burgerlijke aansprakelijkheid in het gedrang komt of zij gevat worden door een juridische procedure.

Als de raad van bestuur - [[[voor het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst]]]² de afgevaardigd bestuurder - deze verplichting niet naleeft, moet zij de kosten ten laste nemen die het personeelslid ten gevolge van het ontbreken van voormelde verzekering zelf moet dragen.

De polis van voormelde verzekering moet vlot raadpleegbaar zijn voor de personeelsleden.

Als een personeelslid zelf, ten laste van een derde die niet de raad van bestuur of een van haar leden is, een vordering tot schadevergoeding instelt voor fysieke of materiële schade of de daaruit voortvloeiende morele schade opgelopen in of ten gevolge van de uitoefening van zijn ambt, dan moet de raad van bestuur - [[[voor het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst]]]² de afgevaardigd bestuurder - instaan voor de juridische bijstand.

[[[De raad van bestuur bedoeld in deze paragraaf is deze waar het personeelslid in dienst is op het ogenblik dat de feiten zich voordoen die aanleiding geven tot de toepassing van deze paragraaf.]]]¹ ]]

Art. 12bis/1.

Ingeval het personeelslid bij de uitvoering van zijn ambt de werkgever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld.

Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.

De werkgever kan de vergoedingen en de schadeloosstellingen die hem krachtens dit artikel verschuldigd zijn en die na de feiten met het personeelslid zijn overeengekomen of door de rechter vastgesteld, op de wedde inhouden in de voorwaarden als bepaald bij artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.]

Decr. 13-7-2001; [[ ]] Decr. 1-7-2011; [[[ ]]]¹ Decr. 21-12-2012; [[[ ]]]² Decr. 19-6-2015

[HOOFDSTUK IIter. - Bijstand

Art. 12ter.

Een personeelslid kan zich in de procedures, bepaald krachtens dit decreet, steeds laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.]

Decr.14-2-2003

[HOOFDSTUK IIquater . - Ter beschikking stellen van personeelsleden ten behoeve van gebruikers

Art. 12quater.

§ 1. Behoudens de krachtens decreet bepaalde gevallen, kan een personeelslid niet ter beschikking worden gesteld van derden die over deze personeelsleden enig gedeelte van het gezag uitoefenen dat normaal aan de werkgever toekomt.

Geldt evenwel niet als de uitoefening van een gezag in de zin van het eerste lid, het naleven door de derde van de verplichtingen die op hem rusten inzake het welzijn op het werk, alsook instructies die door de derde worden gegeven in uitvoering van een contractuele of statutaire rechtsverhouding die hem met de werkgever verbindt, inzonderheid in het kader van een vorm van samenwerking tussen scholen of een scholengemeenschap.

§ 2. De rechtshandeling waarbij een personeelslid in dienst wordt genomen om ter beschikking te worden gesteld van een gebruiker in strijd met de bepaling van het eerste lid, is nietig vanaf het begin der uitvoering van de tewerkstelling bij de gebruiker.]

Decr.10-7-2003

[HOOFDSTUK IIquinquies. - Secundaire arbeidsvoorwaarden

Art. 12quinquies.

Dit hoofdstuk geldt voor de personeelsleden vermeld in artikel 2, § 1, met uitzondering van het personeel van de pedagogische begeleidingsdiensten.

Art. 12sexies.

De raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - stelt aan haar personeelsleden de middelen ter beschikking die zij nodig hebben om hun opdracht uit te voeren.

Als een personeelslid in het kader van zijn opdracht bovenop deze middelen extra onkosten maakt, moet de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - deze onkosten vergoeden op voorwaarde dat het instellingshoofd van de instelling waar het personeelslid zijn opdracht uitoefent aan het personeelslid vooraf toestemming heeft gegeven om die onkosten te maken.

De middelen waarvoor de kosten gedragen worden door de raad van bestuur en voor het vormingscentrum door de afgevaardigd bestuurder, blijven eigendom van de scholengroep en voor het vormingscentrum van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs.

Art. 12septies.

§ 1. Personeelsleden die in opdracht van de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - verplaatsingen maken met hun eigen wagen, moto of bromfiets hebben recht op de kilometervergoeding gelijk aan het bedrag dat jaarlijks bepaald wordt in uitvoering van artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten. De raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - kan dit bedrag met maximum 10 % verminderen, op voorwaarde dat ze daarnaast een omniumverzekering heeft afgesloten voor dienstverplaatsingen.

Personeelsleden die in opdracht van de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - verplaatsingen maken met het openbaar vervoer genieten, bij de inlevering van het vervoerbewijs, de volledige betaling van de erop vermelde bedragen. De verplaatsingen per trein worden terugbetaald aan het tarief van een standaardbiljet 2e klas.

§ 2. In afwijking op paragraaf 1 mag de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 het bedrag van de kilometervergoeding beperken tot 70 procent van de kilometervergoeding die jaarlijks bepaald wordt in uitvoering van artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten en van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 tot 85 procent van voormelde kilometervergoeding.

§ 3. De bepalingen van dit artikel gelden niet als de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder -een systeem van kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen hanteert, dat gunstiger is dan dit vermeld in paragraaf 1 en 2.]

Decr. 1-7-2011

[HOOFDSTUK IIsexies. - Bescherming van het privéleven

Art. 12octies.

Feiten uit het privéleven die geen weerslag hebben op de relatie tussen de leerling, cursist of consultant en het personeelslid, het schoolleven of op de werking van de centra kunnen geen aanleiding geven tot een maatregel vanwege de inrichtende macht.]

Decr. 21-12-2012

[HOOFDSTUK IIsepties. - Auteursrechten

Art. 12novies.

Het personeelslid dat in uitvoering van zijn aanstelling werken tot stand brengt die vallen binnen het toepassingsgebied van zijn ambt en opdracht, behoudt alle morele rechten op die werken en draagt zijn vermogensrechten over aan de inrichtende macht.

De vermogensrechten worden zonder specifieke vergoeding overgedragen, in hun meest volledige wettelijke omvang, voor alle gekende exploitatievormen en voor de volledige beschermingsduur van de werken. De inrichtende macht kan deze werken vrij naar eigen inzichten exploiteren en is niet verplicht tot exploitatie over te gaan.

Indien het werk in de toekomst geëxploiteerd wordt volgens exploitatievormen die momenteel onbekend zijn, zal het winstaandeel van het personeelslid gelijk zijn aan het winstaandeel dat volgens de marktvoorwaarden die gelden op het ogenblik van exploitatie, toegekend wordt aan auteurs die hun werk volgens dezelfde exploitatievormen in het gewone commerciële circuit uitgeven.]

Decr. 19-7-2013

HOOFDSTUK III. - [Wervingsambten]

Decr.18-5-1999

Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 13.

De wervingsambten worden uitgeoefend door personeelsleden die ofwel tijdelijk aangesteld ofwel vast benoemd zijn. Zij worden toegewezen door werving volgens de hieronder bepaalde regels.

Art. 14.

[Het personeelslid ondertekent bij de eerste indiensttreding het pedagogisch project, de gehechtheids- en de neutraliteitsverklaring van het gemeenschapsonderwijs.]

Decr.18-5-1999

Art. 15.

De prioriteitswetten van 3 augustus 1919 en 27 mei 1947 zijn niet van toepassing op de wervingsambten.

Art. 16.

[...]

Decr.14-2-2003

Afdeling II. - Tijdelijke aanstelling en tijdelijke personeelsleden

Art. 17.

[§ 1. Om als tijdelijk personeelslid te kunnen worden aangesteld moet het personeelslid op het ogenblik van de aanstelling voldoen aan volgende voorwaarden :

1° [[onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie is, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;]]¹

2° [[de burgerlijke en politieke rechten geniet, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;]]¹

3° houder is van een bekwaamheidsbewijs zoals bedoeld in artikel 3, 6°;

4° [[voldoen aan de taalvereisten zoals bepaald in de artikelen 17bis tot en met 17quinquies;]]5

5° van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt [[uit een uittreksel uit het strafregister]]4 dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven;

6° voldoet aan de dienstplichtwetten;

7° zich kandidaat hebben gesteld op een wijze bepaald door het college van directeurs.

§ 2. Bij de indiensttreding moet het personeelslid een medisch attest voorleggen, dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven en waaruit blijkt dat hij in een zodanige gezondheidstoestand verkeert, dat hij geen ziekten of gebreken heeft die [[een gevaar vormen voor de gezondheidstoestand van de leerlingen]]³.

§ 3. Niemand kan als tijdelijk aangesteld personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens onstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling [[...]]³.

§ 4. Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur of raad van bestuur al naar gelang het geval afwijken van de in § 1, 7°, genoemde verplichting.

§ 5. [[Onverminderd de bepalingen van dit decreet worden [[[de leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht]]] door de directeur geworven, op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.]]²

§ 6. Een tijdelijke aanstelling van een personeelslid dat houder is van een "ander bekwaamheidsbewijs" is in duur beperkt tot het lopende schooljaar.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 13-7-2001; [[ ]]² 14-2-2003; [[ ]]³ Decr. 7-7-2006; [[ ]]4 Decr. 22-6-2007; [[ ]]5 Decr. 8-5-2009; [[[ ]]] Decr. 25-4-2014

[Art. 17bis.

[[Een personeelslid voldoet aan de taalvereisten voor de onderwijstaal als zijn aanwerving steunt op een bekwaamheidsbewijs dat behaald is in de onderwijstaal.]]¹

Art. 17ter.

§ 1. Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 17bis, moet met betrekking tot de taalvereisten voor de onderwijstaal voldoen aan de bepalingen van dit artikel.

§ 2. Een personeelslid dat behoort tot het bestuurs- en onderwijzend personeel of tot de pedagogische begeleidingsdienst moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.

§ 3. Een personeelslid dat behoort tot een andere personeelscategorie dan deze bedoeld in § 2 moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.

§ 4. [[In afwijking van paragraaf 2 moet een personeelslid dat aangesteld wordt in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat uitsluitend één of meer levende vreemde talen onderwijst, of belast is met een opdracht die uitsluitend in een vreemde taal wordt gegeven, zoals bedoeld in artikel 157/1 van de Codex Secundair Onderwijs en artikel 27/1 van het decreet betreffende het stelsel van leren en werken, de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.]]²

[[In afwijking van het eerste lid moet een personeelslid dat een taal onderwijst in de opleidingen Arabisch richtgraad 1 en 2, Bulgaars richtgraad 1 en 2, Chinees richtgraad 1 en 2, Fins richtgraad 1 en 2, Grieks richtgraad 1 en 2, Hongaars richtgraad 1 en 2, Japans richtgraad 1 en 2, Pools richtgraad 1 en 2, Russisch richtgraad 1 en 2, Servisch-Kroatisch richtgraad 1 en 2, Tsjechisch richtgraad 1 en 2 en Turks richtgraad 1 en 2 in het studiegebied talen richtgraad 1 en 2 de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.]]¹

Artikel 17quater

Indien de bestuurstaal niet dezelfde taal is als de onderwijstaal, moet het personeelslid dat behoort tot een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, tot de pedagogische begeleidingsdienst, tot het ambt van administratief medewerker of een ambt van het administratief personeel de bestuurstaal beheersen op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.

Indien de bestuurstaal niet dezelfde taal is als de onderwijstaal, moet het personeelslid dat niet bedoeld is in het eerste lid de bestuurstaal beheersen op niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.

[[Een personeelslid voldoet aan de taalvereisten voor de bestuurstaal als hij in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs dat behaald is in de bestuurstaal aan een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde Nederlandstalige onderwijsinstelling.]]¹

Art. 17quinquies.

Een personeelslid dat de wettelijk of decretaal verplichte tweede taal onderwijst, moet deze taal minstens beheersen op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen voor de vaardigheden op het vlak van lezen en schrijven, en op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen voor de vaardigheden op het vlak van luisteren en spreken.

[[Een personeelslid voldoet aan de taalvereisten voor de wettelijk of decretaal verplichte tweede taal als zijn aanwerving steunt op een bekwaamheidsbewijs dat behaald is in de wettelijk of decretaal verplichte tweede taal of indien het personeelslid in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs dat vereist is om deze taal te mogen geven in het secundair onderwijs.]]¹

Art. 17sexies.

§ 1. Het personeelslid bewijst [[eveneens]]¹ de in artikel 17ter tot en met artikel 17quinquies vereiste taalkennis :

1° aan de hand van alle studiebewijzen van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs die het door voormelde artikelen vereiste niveau van taalkennis aantonen;

2° of aan de hand van alle studiebewijzen die gelijkwaardig zijn met de in 1° vermelde studiebewijzen en die het door voormelde artikelen vereiste niveau van taalkennis aantonen;

3° [[of aan de hand van een getuigschrift dat het personeelslid heeft behaald bij een examencommissie. De Vlaamse Regering is gemachtigd een examencommissie in te richten of examens te laten organiseren door een of meerdere instellingen van door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs. De Vlaamse Regering is eveneens gemachtigd om een getuigschrift dat voor 1 september 2009 werd behaald via een wettelijk of reglementair bepaalde examencommissie, in te schalen in de niveaus van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.]]¹

§ 2. Indien een directeur moeilijkheden ondervindt om een kandidaat aan te werven die de vereiste taalbekwaamheid bezit, kan hij een kandidaat aanwerven die niet over de vereiste taalbekwaamheid beschikt. Op aanvraag kent de minister bevoegd voor onderwijs aan deze kandidaat een tijdelijke afwijking toe die geldt voor een termijn van 3 jaar, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanstelling in een ambt in een personeelscategorie bedoeld in de artikelen 17ter tot en met 17quinquies.

Tijdens voormelde periode van 3 jaar komt het personeelslid dat voormelde afwijking heeft verkregen, niet in aanmerking [[voor een vaste benoeming of voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur]]¹, tenzij het personeelslid voor het einde van deze periode aan de voorwaarden inzake taalvereisten, bedoeld in artikel 17ter tot en met 17quinquies, voldoet. [[Voor het personeelslid dat tijdens het schooljaar 2009-2010 op basis van een hiervoor vermelde taalafwijking werd aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel om een taal te onderwijzen in een opleiding Arabisch richtgraad 1 en 2, Chinees richtgraad 1 en 2, Grieks richtgraad 1 en 2, Japans richtgraad 1 en 2, Pools richtgraad 1 en 2, Russisch richtgraad 1 en 2 of Turks richtgraad 1 en 2 in het studiegebied talen richtgraad 1 en 2, wordt de hiervoor vermelde termijn van 3 jaar met 1 jaar verlengd.]]¹ ]

Decr. 8-5-2009; [[ ]]¹ Decr. 9-7-2010; [[ ]]² Decr. 19-7-2013

Art. 18.

§ 1. Elke aanstelling in een wervingsambt en elke wijziging ervan moeten schriftelijk worden vastgesteld en ten minste vermelden :

1° de benaming en het adres van de instelling [en de scholengroep waartoe de instelling behoort];

Decr.18-5-1999

2° de identiteit van het personeelslid;

3° het uit te oefenen ambt en de omvang van de betrekking.

Bovendien wordt in het geschrift vermeld of het gaat om een aanstelling in een vacante of een niet-vacante betrekking en in dit laatste geval desgevallend de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, van het afwezige personeelslid dat hem tijdelijk vervangt.

§ 2. Bij ontstentenis van een geschrift, wordt het personeelslid geacht aangesteld te zijn voor het ambt, voor de opdracht en in de betrekking die het werkelijk uitoefent.

Art. 19.

[§ 1. De kandidaten voor een tijdelijke aanstelling moeten zich bij de scholengroep kandidaat stellen vóór [[15 juni]].

§ 2. De kandidatuur geldt voor de duur van het schooljaar waarvoor zij werd ingediend.

§ 3. Laatstejaarsstudenten kunnen zich kandidaat stellen en voor een aanstelling in aanmerking komen als zij uiterlijk op 15 oktober schriftelijk aan de scholengroep laten weten dat zij aan de aanstellingsvoorwaarden voldoen.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr.14-2-2003

Art. 20.

[§ 1. De tijdelijke aanstelling gebeurt door de directeur.

§ 2. In afwijking van de bepaling van § 1 gebeurt de tijdelijke aanstelling in een autonoom internaat of bij de scholengroep door de raad van bestuur, op voorstel van het betrokken instellingshoofd.

§ 3. In afwijking van de bepaling van § 1 gebeurt de tijdelijke aanstelling in het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst door de afgevaardigd bestuurder, op voorstel van het betrokken instellingshoofd.]

Decr.18-5-1999

Art. 21.

[§ 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen, met uitzondering van deze van het [[basisonderwijs en het]]¹ [[...]]² secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren.

§ 2. Een tijdelijke aanstelling in een instelling kan gebeuren in een vacante en/of niet vacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur. [[Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel.]]6

§ 3. [[Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het in één of meer instellingen van dezelfde scholengroep gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen : zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.]]³

Het recht geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen :

1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;

2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.

Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur moet, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgend schooljaar, vóór 15 juni bij de raad van bestuur, kandideren met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in één of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dit vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.

Het recht op tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.

§ 4. De anciënniteit bedoeld in § 3 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden.

Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties in één of meer instellingen die vanaf 1 april 1999 behoren tot dezelfde scholengroep.

Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 4, § 1, a , het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd.

In afwijking van artikel 4, § 2, dient voor de vaststelling van het recht bedoeld in § 3 in [[het volwassenenonderwijs]]4 en het deeltijds kunstonderwijs die dienstanciënniteit niet in hoofdambt verworven te zijn.

§ 5. [[Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in § 3 bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid [[[uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden]]]³ het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.

Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor [[[opleidingen, modules of]]]¹ alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid [[[uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden]]]³ een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.

Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven [[[in een ambt van leraar voor een opleiding, een module, een vak]]]¹ of een specialiteit waarvoor het personeelslid [[[uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden]]]³ een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht [[[voor dit ambt, die opleiding, die module, dit vak]]]¹ of deze specialiteit en daarenboven ook [[[voor alle opleidingen, modules, vakken en specialiteiten]]]¹ waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.]]5

§ 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengroep.

§ 7. [[Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen :

1° volgens artikel 24, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel;

2° volgens artikel 73quaterdecies , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel, maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengroep in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in § 3 van dit artikel.]]³

[[§ 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en :

1° [[[dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 61, 6° of 7°, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel;]]]²

2° dat wordt ontslagen volgens artikel 73terdecies :

- kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen;

- verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen;

- kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen;

3° een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in toepassing van artikel 73undecies, kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen.

§ 7ter. Een personeelslid dat vast benoemd is en dat wordt [[[ontslagen of afgezet]]]² :

1° [[[volgens artikel 61, 6° of 7°, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel;]]]²

2° volgens artikel 73terdecies, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen.

§ 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24 [[[of na een ontslag of afzetting volgens artikel 61, 6° of 7°]]]², opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in § 3. Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij [[[vóór het ontslag of de afzetting]]]² presteerde in andere instellingen van de scholengroep.

Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 73terdecies of artikel 73quaterdecies opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep in de instelling of de pedagogische entiteit én in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag presteerde.]]³

§ 8. [[Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking.]]5

§ 9. Wanneer de directeur over verscheidene vacatures beschikt, moet hij bij voorrang betrekkingen die definitief vacant zijn toewijzen aan personeelsleden met een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

§ 10. Vastbenoemde personeelsleden die in één of meer instellingen van dezelfde scholengroep een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt hebben, komen prioritair en in de hieronder vermelde volgorde in aanmerking voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, voorzover van toepassing :

1° in instellingen van dezelfde scholengroep, die niet tot een scholengemeenschap behoren;

2° in instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.

§ 11. Personeelsleden met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die hun betrekking niet effectief kunnen opnemen omwille van ziekte, een arbeidsongeval of moederschapsrust behouden hun recht op zulke aanstelling. Zij kunnen aangesteld worden en voor de duur van hun afwezigheid volgens de geldende regels vervangen worden.

§ 12. Behoudens andersluidende overeenkomst met de directeur en op straffe van verlies van zijn recht op de aangeboden betrekking, moet het personeelslid dat zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur doet gelden, die betrekking in haar geheel aanvaarden, zoals ze wordt aangeboden.

Die bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die binnen de scholengroep, een niet-voltijdse betrekking uitoefenen en deze opdracht willen uitbreiden.

De toepassing van deze paragraaf mag niet leiden tot onverantwoorde pedagogische opsplitsing van de te begeven opdracht.

§ 13. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de directeur inzage van de administratieve documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist.

§ 14. De directeur moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.

[[...]]³

§ 15. [[...]]³

§ 16. Voor de toepassing van dit artikel worden ten aanzien van de personeelsleden van het vormingscentrum, de bevoegdheden van de directeur van het CLB uitgeoefend door de afgevaardigd bestuurder.

§ 17. Personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur in een CLB, kunnen met behoud van hun rechten op deze tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, tijdelijk worden tewerkgesteld in :

1° een permanente ondersteuningscel, of

2° de stuurgroep, of

3° de internettensamenwerkingscel, of

4° een tijdelijk project, omschreven in het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding.]

Decr. 14-2-2003; [[ ]]¹ Decr. 10-7-2003; [[ ]]² Decr. 15-7-2005; [[ ]]³ Decr. 13-7-2007; [[ ]]4 Decr. 15-6-2007; [[ ]]5 Decr. 4-7-2008; [[ ]]6 Decr. 9-7-2010; [[[ ]]]¹ Decr. 15-6-2007; [[[ ]]]² Decr. 8-5-2009; [[[ ]]]³ Decr. 19-6-2015

[Art. 21bis.

[[§ 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen van het [[[basisonderwijs en het]]]¹ [[[...]]]² secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren.

§ 2. Een tijdelijke aanstelling in een instelling kan gebeuren in een vacante en/of niet vacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur. [[[Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel.]]]5

§ 3. [[[Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het in één of meer instellingen van dezelfde scholengroep gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen : zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.]]]³

Het recht geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen :

1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net;

2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;

3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur moet, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgend schooljaar, vóór 15 juni bij de raad van bestuur, kandideren met een ter post aangetekende brief.

Als het personeelslid in één of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dit vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.

Het recht op tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.

§ 4. [[[De anciënniteit bedoeld in § 3 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden.

Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties :

- in één of meer instellingen die sinds de oprichting van de scholengemeenschap tot die scholengemeenschap behoren;

- in één of meer instellingen van het basisonderwijs die vanaf 1 september 2005 behoren tot dezelfde scholengemeenschap;

- in één of meer instellingen die vanaf 1 april 1999 behoren tot dezelfde scholengroep.

Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 4, § 1, a , het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd.]]]¹

§ 5. [[[Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in § 3 bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid [[[[uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden]]]]³ het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.

Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid [[[[uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden]]]]³ een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.

Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid [[[[uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden]]]]³ een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.]]]4

§ 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengemeenschap.

§ 7. [[[Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen :

1° [[[[volgens artikel 24 of volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs]]]]¹, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel;

2° [[[[volgens artikel 73quaterdecies of volgens artikel 47quaterdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs]]]]¹, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in § 3 van dit artikel.]]]³

[[[§ 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en :

1° [[[[dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 61, 6° of 7°, of volgens artikel 64, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel;]]]]²

2° dat wordt ontslagen [[[[artikel 73terdecies of volgens artikel 47terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs]]]]¹ :

- kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen;

- verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen;

- kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap en van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen;

3° een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in toepassing van artikel 73undecies, kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen.

§ 7ter. Een personeelslid dat vast benoemd is en dat wordt ontslagen [[[[of afgezet]]]]² :

1° [[[[volgens artikel 61, 6° of 7°, of volgens artikel 64, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel;]]]]²

2° [[[[artikel 73terdecies of volgens artikel 47terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs]]]]¹, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap en van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen.

§ 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24 [[[[of na een ontslag of afzetting volgens artikel 61, 6° of 7°]]]]², opnieuw wordt aangesteld in een instelling van de scholengemeenschap, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in § 3. Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij [[[[vóór het ontslag of de afzetting]]]]² presteerde in andere instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep.

Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 73terdecies of artikel 73quaterdecies opnieuw wordt aangeworven in de instelling of de pedagogische entiteit én in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag presteerde.]]]³

§ 8.[[[Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking.]]]4

§ 9. Wanneer de directeur over verscheidene vacatures beschikt, moet hij bij voorrang betrekkingen die definitief vacant zijn toewijzen aan personeelsleden met een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

§ 10. Vastbenoemde personeelsleden die in één of meer instellingen van de scholengemeenschap een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt hebben, komen prioritair en in de hieronder vermelde volgorde in aanmerking voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, voor zover van toepassing :

1° in instellingen van dezelfde scholengemeenschap;

2° in instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;

3° in instellingen van dezelfde scholengroep die [[[niet]]]¹ tot een scholengemeenschap behoren.

§ 11. Personeelsleden met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die hun betrekking niet effectief kunnen opnemen omwille van ziekte, een arbeidsongeval of moederschapsrust behouden hun recht op zulke aanstelling. Zij kunnen aangesteld worden en voor de duur van hun afwezigheid volgens de geldende regels vervangen worden.

§ 12. Behoudens andersluidende overeenkomst met de directeur en op straffe van verlies van zijn recht op de aangeboden betrekking, moet het personeelslid dat zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur doet gelden, die betrekking in haar geheel aanvaarden, zoals ze wordt aangeboden.

Die bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die binnen de scholengemeenschap een niet-voltijdse betrekking uitoefenen en deze opdracht willen uitbreiden.

De toepassing van deze paragraaf mag niet leiden tot onverantwoorde pedagogische opsplitsing van de te begeven opdracht.

§ 13. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de directeur inzage van de administratieve documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist.

§ 14. De directeur moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.

[[[...]]]³

§ 15. [[[...]]]³ ]] ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. 14-2-2003; [[[ ]]]¹ Decr. 10-7-2003; [[[ ]]]² Decr. 15-7-2005; [[[ ]]]³ Decr. 13-7-2007; [[[ ]]]4 Decr. 4-7-2008; [[[ ]]]5 Decr. 9-7-2010; [[[[ ]]]]¹ Decr. 4-7-2008; [[[[ ]]]]² Decr. 8-5-2009; [[[[ ]]]]³ Decr. 19-6-2015

[Art. 21ter.

[[...]] ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr.14-2-2003

Art. 22.

[...]

Decr. 21-12-2012

Art. 23.

[Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg voor het geheel of een deel van de opdracht :

a) bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;

b) op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk aangesteld personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een ander personeelslid :

- door toepassing van de reglementering op de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling;

- door een nieuwe affectatie of mutatie;

- door vaste benoeming;

- [[door toepassing van artikel 55duodecies;]]³

- [[door toepassing van artikel 48, 49, § 2, 52, 53 of 73sexiesdecies, § 3;]]³

c) op het ogenblik dat het tijdelijk personeelslid vast wordt benoemd in deze betrekking;

d) [[...]]²

e) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. [[Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur;]]¹

f) [[bij het bereiken van de leeftijdsgrens;]]4

g) [[overeenkomstig artikel 24 voor personeelsleden die aangesteld zijn voor bepaalde duur;]]³

h) door afschaffing van de betrekking;

i) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 17;

j) [[voor de personeelsleden die werden aangesteld met miskenning van de in artikel 21 of 21bis bedoelde voorrangsregels;]]¹

k) op het ogenblik dat wordt vastgesteld dat de betrekking buiten de reglementaire normen werd opgericht;

[[l) bij de definitieve pensionering;

m) bij het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel.]]4 ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 14-2-2003; [[ ]]² Decr. 7-7-2006; [[ ]]³ Decr. 13-7-2007; [[ ]]4 Decr. 21-12-2012

[In afwijking van punt f) eindigt de aanstelling van een personeelslid niet na het bereiken van de leeftijdsgrens als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.

Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :

1° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;

2° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt' zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.]

Decr. 21-12-2012

[Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld onder f) als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.]

Decr. 8-5-2009

Art. 24.

[Elk personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur kan, zonder opzegging, om dringende redenen worden ontslagen.

Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan het instellingshoofd.

Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Het ontslag om dringende redenen wordt gegeven :

- door de directeur;

- door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld bij de scholengroep of, op voorstel van het betrokken instellingshoofd door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld in een autonoom internaat;

- door de afgevaardigd bestuurder voor het personeelslid aangesteld in het vormingscentrum of de pedagogische begeleidingsdienst.

[[ [[[Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Als het personeelslid het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De raad van bestuur - en voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven wordt, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 59. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.]]]

Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep.]] ]

Decr. 13-7-2007; [[ ]] Decr. 8-5-2009; [[[ ]]] Decr. 25-4-2014

Art. 25.

[Een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur kan zijn ambt neerleggen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zeven kalenderdagen. Het instellingshoofd kan met een kortere termijn instemmen. Die instemming blijkt uit een geschrift; het vermeldt de datum van ambtsneerlegging en wordt door beide partijen ondertekend.]

Decr. 13-7-2007

Art. 26 en 27.

[...]

Decr. 21-7-12-2012

Afdeling III. - Vacantverklaring met het oog op mutatie en vaste benoeming

Art. 28.

[§ 1. [[De raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - verklaart jaarlijks alle vacante betrekkingen vacant met het oog op een vaste benoeming op 1 juli van het schooljaar en op 1 oktober van het daaropvolgende schooljaar. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen omvat :

1° alle vacante betrekkingen in de betrokken instelling(en) op 1 maart van dat jaar;

2° de betrekkingen die in de periode van 1 maart tot en met 1 september vacant zullen worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis. De raad van bestuur kan deze betrekkingen vacant verklaren;

3° de betrekking van een vastbenoemd personeelslid dat uiterlijk op 1 maart van dat jaar in toepassing van artikel 5, § 1ter, van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Op het ogenblik van deze terbeschikkingstelling wordt de betrekking waar het personeelslid titularis van is een vacante betrekking.

In afwijking van het eerste lid bepaalt de raad van bestuur voor haar centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokaal comité welke vacante betrekkingen hij vacant verklaart. De raad van bestuur moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokaal comité geen akkoord wordt bereikt vacant verklaren als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren.]]

§ 2. [[De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt elk jaar voor 1 april openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend.]]

§ 3. De Vlaamse Regering kan voor de categorieën van personeelsleden die ze aanwijst, de vaste benoeming afhankelijk maken van een onderwijsopdracht waarvan zij het minimum bepaalt. Bij de vaststelling van deze categorieën zal de Vlaamse Regering zich inzonderheid laten leiden door de situatie op de arbeidsmarkt, door het aantal wegens ontstentenis van betrekking in deze categorie ter beschikking gestelde vastbenoemde personeelsleden en de specifieke kenmerken van sommige ambten, vakken, specialiteiten, opleidingen of modules.]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 3-7-2015

[Art. 28bis.

[[...]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 1-7-2011

[Art. 28ter.

[[...]] ]

Decr. 1-12-1998; [[ ]] Decr. 1-7-2011

Art. 29.

[Een betrekking die deel uitmaakt van een instelling, afdeling, vestigingsplaats, filiaal, graad, opleidingsvorm of andere onderverdeling die ingevolge de toepassing van rationalisatie in afbouw is, komt niet in aanmerking voor een vacantverklaring of voor een benoeming in vast verband. In deze betrekking kan ook geen mutatie of een nieuwe affectatie plaatsvinden.]

Decr. 19-7-2013

Afdeling IV. - Mutatie

Art. 30.

[...]

Decr. 18-5-1999

Art. 31.

[§ 1. Een personeelslid kan binnen dezelfde scholengroep [[mits zijn akkoord]]³ een nieuwe affectatie krijgen in een vacante betrekking van het ambt waarin het vast benoemd is, voor zover die betrekking, krachtens de reglementering ter zake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld. [[Dat akkoord]]³ is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds uit één instelling met een tweede en derde [[graad en eventueel het HBO5]]² van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.

Een personeelslid kan, op zijn verzoek, worden gemuteerd in een [[vacante betrekking]]³, voorzover die betrekking, krachtens de reglementering ter zake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld.

De betrekking kan bij wijze van affectatie of mutatie worden toegewezen aan het personeelslid dat in die betrekking werd gereaffecteerd.

§ 2. [[Voor de affectatie of mutatie van [[[een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht]]] is de instemming vereist van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.]]¹ ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 14-2-2003; [[ ]]² Decr. 30-4-2009; [[ ]]³ Decr. 21-12-2012; [[[ ]]] Decr. 25-4-2014

[§ 3. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.

In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.

§ 4. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.

In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.]

Decr. 21-12-2012

Art. 32.

[De raad van bestuur bepaalt de wijze waarop de aanvragen tot affectatie of mutatie worden ingediend.]

Decr. 18-5-1999

Art. 33.

[De nieuwe affectatie of mutatie wordt toegekend door de raad van bestuur. Vooraf wordt het betrokken instellingshoofd geraadpleegd.]

Decr. 18-5-1999

Art. 34.

[§ 1. Het personeelslid verliest bij een nieuwe affectatie of mutatie zijn vroegere affectatie binnen de perken van de nieuwe opdracht. Het personeelslid dat wordt gemuteerd, moet in de scholengroep die het verlaat, ontslag nemen voor de opdracht waarvoor het wordt gemuteerd. De overgang van de ene naar de andere scholengroep moet zonder onderbreking gebeuren.

§ 2. Vastbenoemde personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra kunnen overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling muteren naar het gemeenschapsonderwijs.

De diensten die vóór deze mutatie gepresteerd werden in hetzelfde ambt [[of in geval van toepassing van artikel 31, § 3 of § 4, in het ambt waarin het personeelslid voordien vast benoemd was,]] worden gelijkgesteld met diensten gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. 21-12-2012

[Art. 34bis.

[[...]] ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr.14-2-2003

[Art. 34ter.

[[...]] ]

Decr. 13-7-2001; [[ ]] Decr. 21-12-2012

Afdeling V. - Vaste benoeming

Art. 35.

Een vacant verklaarde betrekking in een wervingsambt kan slechts [geheel of gedeeltelijk]³ door benoeming worden toegewezen :

1° indien, overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen, die betrekking niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid;

2° indien de betrekking niet reeds door [een nieuwe affectatie of]² mutatie is toegewezen.

[Een vacant verklaarde betrekking kan, in afwijking van het 1° van het vorig lid, door benoeming worden toegewezen aan een personeelslid dat daarin is gereaffecteerd of wedertewerkgesteld.]¹

[ ]¹ Decr. 21-12-1994; [ ]² Decr. 18-5-1999; [ ]³ Decr. 21-12-2012

Art. 36.

[§ 1. [[Een personeelslid kan in vast verband worden benoemd als hij op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de bepalingen van artikel 17, met uitzondering van § 1, 7°, en daarenboven :

1° op 30 juni voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 720 dagen dienstanciënniteit telt, waarvan 360 dagen in het betrokken ambt. Als het een leraar betreft in het bezit van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs kan de raad van bestuur eisen dat, van de 720 dagen er 360 werden gepresteerd in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking. [[[...]]]

2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn vermeld in de oproep tot de kandidaten;

3°[[[met het oog op een vaste benoeming op 1 juli op 30 juni voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld of met het oog op een vaste benoeming op 1 oktober op 30 september voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.]]]

Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van deze scholengemeenschap.

[[[Is het personeelslid op 30 juni of op 30 september voor doorlopende duur aangesteld in het ambt van leraar]]], dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft opgebouwd, zoals bepaald in artikel 21, § 5, en artikel 21bis, § 5.

De bepaling van het eerste lid is niet van toepassing :

- op een personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling;

- op een personeelslid bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij is vast benoemd en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Dit personeelslid moet, voor zover hij het ambt van leraar uitoefent, 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;

4° als laatste evaluatie of beoordeling in het betrokken ambt geen evaluatie of beoordeling met eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen bij de scholengroep waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de scholengroep die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze scholengroep die behoren tot deze scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de scholengroep die niet behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze scholengroep die niet behoren tot een scholengemeenschap. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd of niet werd beoordeeld, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn. De benoeming is slechts mogelijk indien de betrekking in hoofdambt wordt uitgeoefend.]]²

§ 2. [[...]]³

§ 3. [[...]]¹ ]

Decr. 14-2-2003; [[ ]]¹ Decr. 7-7-2006; [[ ]]² Decr. 13-7-2007; [[ ]]³ Decr. 4-7-2008; [[[ ]]] Decr. 3-7-2015

[Art. 36bis.

(voetnoot 2)

[[ § 1. De vastbenoemde personeelsleden die een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt uitoefenen, hebben, met het oog op de uitbreiding van hun vaste benoeming [[[voorrang op alle tijdelijke personeelsleden voor het geheel of een deel van een vacant verklaarde betrekking]]], op voorwaarde dat zij :

1° ofwel in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de aangeboden prestaties en zij daarenboven in de scholengroep vast benoemd werden voor hetzelfde ambt;

2° ofwel in het bezit zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs en zij daarenboven in de scholengroep vast benoemd werden in hetzelfde ambt, en voor de leraren in dezelfde [[[opleidingen, modules, vakken of specialiteiten]]] als de aangeboden prestaties.

§ 2. Indien een personeelslid vast benoemd is in instellingen die behoren tot een scholengemeenschap, dan geldt de voorrang in de volgende volgorde voor de betrekkingen :

1° in instellingen van dezelfde scholengemeenschap, ongeacht het net;

2° in instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;

3° in instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Indien een personeelslid vastbenoemd is in instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren, dan geldt de voorrang in de volgende volgorde voor de betrekkingen :

1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;

2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 14-2-2003; [[[ ]]] Decr. 21-12-2012

[§ 3.[[...]] ]

Decr. 10-7-2003; [[ ]] Decr. 21-12-2012

[Art. 36ter.

[[...]] ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr.14-2-2003

[Art. 36quater en 36quinquies.

[[...]] ]

Decr. 1-12-1998; [[ ]] Decr.14-2-2003

Art. 37.

[§ 1. [[De vaste benoeming gebeurt door de raad van bestuur op voorstel van het instellingshoofd, en voor het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst door de afgevaardigd bestuurder.

Een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht wordt na advies van de directeur en met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet vast benoemd op voordracht van de bevoegde instantie van de godsdienst of betrokken eredienst respectievelijk bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.]]²

§ 2. [[Bij ontstentenis van andere kandidaten wordt het personeelslid dat een vacant verklaarde betrekking waarneemt en de in artikel 36 gestelde voorwaarden vervult, [[[...]]] vast benoemd.]]¹

§ 3. Elke vaste benoeming wordt toegekend [[op 1 juli of op 1 oktober]]³ na de vacantverklaring, voor zover de betrekking op dezelfde datum nog vacant is.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 14-2-2003; [[ ]]² Decr. 25-4-2014; [[ ]]³ Decr. 3-7-2015; [[[ ]]] Decr. 1-7-2011

[Art. 37bis.

[[...]] ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr.13-7-2001

Art. 38.

De Vlaamse Regering bepaalt de gevolgen van een nieuwe vaste benoeming ten aanzien van de door het betrokken personeelslid voorheen reeds verkregen vaste benoeming, met dien verstande dat een personeelslid slechts vast benoemd kan zijn ten belope van maximaal één voltijdse betrekking. Het voltijds karakter wordt bepaald in functie van de prestaties vereist voor een voltijdse betrekking in het ambt van de nieuwe benoeming.

Dit artikel is niet van toepassing op de benoemingen die gebeurd zijn overeenkomstig de rechtspositieregeling die vóór 1 april 1991 van toepassing was.

Art. 39.

[§ 1. De raad van bestuur wijst de instelling aan waar het vast benoemd personeelslid zijn betrekking opneemt. Die affectatie vermeldt de omvang van de opdracht.

§ 2. Met ingang van 1 september 2000 krijgen de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel, evenals het ondersteunend personeel ter uitvoering van de rekenplichtigheid zoals bepaald in [[artikel 26, 4°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]] een definitieve affectatie bij de scholengroep.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] B.Vl.R. 17-12-2010

[Art. 39bis.

§ 1. Zonder afbreuk te doen aan het principe dat een personeelslid wordt geaffecteerd aan een instelling die onder de raad van bestuur ressorteert, kunnen de leden van het opvoedend hulppersoneel, het administratief personeel en het ondersteunend personeel van de instellingen die de scholengroep vormen, voor de vervulling van opdrachten in hun instelling voor andere instellingen van de scholengroep of voor de totaliteit van de scholengroep worden ingezet.

§ 2. [[...]] ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr.14-2-2003

Art. 40.

[...]

Decr.18-5-1999

[Art. 40bis.

[[§ 1. Onverminderd de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie geldt de draagwijdte van de vaste benoeming binnen dezelfde categorie en binnen eenzelfde soort ambt :

1° voor het ambt en het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid vast benoemd is, en voor de leraren [[[voor alle opleidingen, modules, vakken en specialiteiten]]]² van dat ambt waarvoor betrokkene het vereiste of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs bezit;

2° voor het ambt en het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid vast benoemd is, en voor de leraren, [[[de opleiding of de module,]]]² het vak of de specialiteit waarin betrokkene zijn opdracht uitoefent op het ogenblik van de vaste benoeming, indien het personeelslid vast benoemd is met een voldoende geacht of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs.

Deze bepaling geldt ook voor de vaste benoemingen die werden toegekend overeenkomstig de reglementering die van toepassing was vóór de inwerktreding van dit decreet.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel worden als vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen beschouwd, zowel de door organieke bepalingen als door overgangsbepalingen erkende bekwaamheidsbewijzen.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel dient onder soort ambt te worden begrepen : het wervings-, selectie- of bevorderingsambt.

§ 4. De Vlaamse regering bepaalt de regels volgens welke [[[de vaste benoeming, de nieuwe affectatie en de mutatie worden meegedeeld]]]¹ aan het departement onderwijs [[[opdat zij zouden]]]¹ uitwerking hebben ten aanzien van de overheid.]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 18-5-1999; [[[ ]]]¹ Decr. 7-7-2006; [[[ ]]]² Decr. 15-6-2007

[Art. 40ter.

§ 1. [[...]]².

§ 2. Het personeelslid dat de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt op zijn verzoek vast benoemd in een vacante betrekking in een wervingsambt, op voorwaarde dat hij :

1° de voorwaarden vervult voor vaste benoeming;

2° de vaste benoeming [[bij de raad van bestuur]]¹ aanvraagt;

3°[[vanaf 1 oktober]]³ voorafgaand aan de datum van vaste benoeming in dienst is in de instelling waar de betrekking te begeven is;

4° tijdelijk personeelslid is of voor een onvolledige betrekking vast benoemd is.

De betrekking hoeft niet vacant verklaard te worden.

Die vaste benoeming heeft steeds [[1 juli of 1 oktober]]³ als ingangsdatum.

§ 3. [[De raad van bestuur heeft de mogelijkheid om het personeelslid dat in de scholengroep wordt gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante betrekking, op zijn verzoek vast te benoemen in die betrekking.

De betrekking hoeft niet vacant verklaard te worden.

Die vaste benoeming heeft steeds [[[1 juli of 1 oktober]]] als ingangsdatum.]]¹ ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]]¹ Decr. 18-5-1999; [[ ]]² Decr. 8-6-2000; [[ ]]³ Decr. 3-7-2015; [[[ ]]] Decr. 3-7-2015

Afdeling VI. - [Ondersteunend en beleids- en ondersteunend personeel

Onderafdeling A. - Secundair onderwijs

Art. 40quater.

Deze onderafdeling is van toepassing op het [[gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de internaten ]]¹.

Art. 40quinquies.

[[§ 1. De personeelscategorie ondersteunend personeel bestaat uit de wervingsambten die door de Vlaamse Regering worden vastgelegd.

§ 2. De ambten bedoeld in § 1 kunnen via voltijdse of halftijdse betrekkingen worden ingevuld. Een halftijdse betrekking wordt steeds toegekend aan één personeelslid. Een voltijdse betrekking wordt toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast.]]³

Art. 40sexies.

Voor de toepassing van hoofdstuk III worden de diensten gepresteerd in ambten van de categorie van het opvoedend hulppersoneel en/of het administratief personeel beschouwd als zijnde gepresteerd in een ambt van het ondersteunend personeel.

Onderafdeling B. - Basisonderwijs

Art. 40septies.

§ 1. [[De personeelscategorie beleids- en ondersteunend personeel bestaat uit de wervingsambten die door de Vlaamse Regering worden vastgelegd.]]¹

§ 2. De ambten bedoeld in § 1 kunnen via voltijdse of deeltijdse betrekkingen worden ingevuld.

§ 3. [[...]]²

§ 4.[[...]]4

Art. 40octies.

De Vlaamse regering bepaalt de administratieve en geldelijke toestand van de personeelsleden van het beleids- en ondersteunend personeel.

In afwachting dat de Vlaamse regering nieuwe uitvoeringsbesluiten vastlegt voor de personeelsleden van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs, gelden voor :

1° de administratieve medewerker de bepalingen die van toepassing zijn voor de administratieve medewerker in het secundair onderwijs met betrekking tot :

- de prestatieregeling;

- de jaarlijkse vakantieregeling;

- de verlofregeling;

- de bezoldiging.

2° de [[ICT-coördinator en de zorgcoördinator]]² de bepalingen die van toepassing zijn voor het onderwijzend personeel met betrekking tot :

- de jaarlijkse vakantieregeling;

- de verlofregeling.]

Decr. 10-7-2003; [[ ]]¹ Decr. 7-7-2006; [[ ]]² Decr. 22-6-2007; [[ ]]³ Decr. 8-5-2009; [[ ]]4 Decr. 19-7-2013

[Afdeling VII. - Scholengemeenschappen in het basisonderwijs

Art. 40novies.

[[§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt aangesteld of geaffecteerd aan een instelling, kunnen :

1° de leden van het bestuurspersoneel van de scholen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;

2° de leden van het onderwijzend personeel van de scholen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor andere scholen van de scholengemeenschap worden ingezet;

3° de leden van het beleids- en ondersteunend personeel van de scholen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor en in andere scholen van de scholengemeenschap of voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;

4° in afwijking van 1° en 2° de personeelsleden, die worden aangesteld in een functie of een betrekking die wordt ingericht ter ondersteuning van de werking van de scholengemeenschap volgens artikel 125duodecies, § 1, en artikel 153sexies, § 4, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, worden ingezet voor de vervulling van opdrachten voor en in andere scholen van de scholengemeenschap of voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap;

[[[5° in afwijking op 2° de personeelsleden, die worden aangesteld met overgedragen lestijden, worden ingezet voor de vervulling van opdrachten voor en in andere scholen van de scholengemeenschap. Hierover moet vooraf in het lokaal comité worden onderhandeld.]]]

§ 2. [[[Bij de toepassing van § 1, 3°, 4° en 5°]]], moeten minstens volgende principes worden gehanteerd :

1° het personeelslid wordt steeds aangesteld of geaffecteerd aan de instelling waar de betrekking reglementair wordt ingericht;

2° de afstand over de openbare weg tussen de school van aanstelling of affectatie en de school waar het personeelslid wordt ingezet mag nooit meer dan 25 km bedragen. Dit geldt niet als het personeelslid instemt om over een grotere afstand ingezet te worden;

3° er moet steeds rekening worden gehouden met de volgens dit decreet bepaalde statutaire toestand van het personeelslid.

§ 3. De bepalingen inzake inzetbaarheid zoals bedoeld in paragraaf 1 en 2, worden, onverminderd artikel 18 en 31, opgenomen in het geschrift waarin de aanstelling wordt vastgesteld, evenals in de functiebeschrijving als vermeld in hoofdstuk VIIIbis.]] ]

Decr. 10-7-2003; [[ ]] Decr. 17-6-2011; [[[ ]]] Decr. 21-12-2012

[Afdeling VIIbis. Scholengemeenschappen in het secundair onderwijs

Art. 40decies.

§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt aangesteld of geaffecteerd aan een instelling, kunnen :

1° onverminderd punt 3°, de leden van het bestuurspersoneel van de scholen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;

2° onverminderd punt 3°, de leden van het ondersteunend personeel van de scholen die de scholengemeenschap vormen mits hun instemming, voor de vervulling van opdrachten voor en in andere scholen van de scholengemeenschap of voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;

3° de personeelsleden, die worden aangesteld in een functie of een betrekking die wordt ingericht ter ondersteuning van de werking van de scholengemeenschap volgens artikel 30, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs, worden ingezet voor de vervulling van opdrachten voor en in andere scholen van de scholengemeenschap of voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap.

§ 2. Bij de toepassing van § 1, 2° en 3°, moeten minstens volgende principes worden gehanteerd :

1° het personeelslid wordt steeds aangesteld of geaffecteerd aan de instelling waar de betrekking reglementair wordt ingericht;

2° de afstand over de openbare weg tussen de school van aanstelling of affectatie en de school waar het personeelslid wordt ingezet mag nooit meer dan 25 km bedragen. Dit geldt niet als het personeelslid instemt om over een grotere afstand ingezet te worden;

3° er moet steeds rekening worden gehouden met de volgens dit decreet bepaalde statutaire toestand van het personeelslid.

§ 3. De bepalingen inzake inzetbaarheid zoals bedoeld in paragraaf 1 en 2, worden, onverminderd artikel 18 en 31, opgenomen in het geschrift waarin de aanstelling wordt vastgesteld, evenals in de functiebeschrijving als vermeld in hoofdstuk VIIIbis.]

Decr. 17-6-2011

HOOFDSTUK IV. - Evaluatie

Art. 41.

§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake de evaluatie van de in artikel 2 bedoelde personeelsleden die vast benoemd zijn [en aangesteld zijn voor doorlopende duur], met uitzondering van de instellingshoofden en de leden van de pedagogische begeleidingsdiensten.

Deze evaluatie betreft de waarde, de geschiktheid, de prestaties, de verdiensten van het personeelslid en zijn inzet voor het Gemeenschapsonderwijs of de instelling.

Decr.18-5-1999

§ 2. [De leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht]³ worden geëvalueerd door het instellingshoofd. In die evaluatie mag geen rekening worden gehouden met de [vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten]¹. Deze zijn bij uitsluiting zaak van de [de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer]².

[ ]¹ Decr. 18-5-1999; [ ]² Decr. 7-7-2006; [ ]³ Decr. 25-4-2014

§ 3. [De Vlaamse Regering bepaalt, met eerbiediging van de rechten van verdediging, de mogelijkheden van beroep tegen de evaluatie "onvoldoende". De termijn voor het instellen van het beroep bedraagt twintig kalenderdagen. Het beroep schort de evaluatie op.]

Decr. 13-7-2007

[§ 4. Dit artikel is met ingang van 1 september 2007 niet van toepassing op de personeelsleden aangesteld in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de CLB's en met ingang van 1 september 2009 ook niet meer op de andere personeelsleden op wie dit decreet van toepassing is.]

Decr. 13-7-2007

HOOFDSTUK V. - Selectie en bevordering

[Art. 41bis.

[[Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het bevorderingsambt van directeur zoals bedoeld in hoofdstuk Vter noch op het mandaat van algemeen directeur bedoeld in hoofdstuk Vquater noch op het mandaat van coördinerend directeur bedoeld in hoofdstuk Vquinquies.]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr.13-7-2001

[Art. 41ter.

De artikelen 31 tot 34 zijn van overeenkomstige toepassing op de selectie- en bevorderingsambten.]

Decr.18-5-1999

[Art. 41quater.

§ 1. Een volledige betrekking in een selectie- of bevorderingsambt wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast.

§ 2. In afwijking van § 1 kan in [[het volwassenenonderwijs]] en in het deeltijds kunstonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan één of meerdere personeelsleden en een betrekking in een bevorderingsambt aan één of twee personeelsleden.]

Decr. 14-2-2003; [[ ]] Decr. 15-6-2007

Art. 42.

Een vacant verklaarde betrekking in een selectie- of bevorderingsambt kan door toelating tot de proeftijd slechts worden toegewezen :

1° indien zij, overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een wegens onstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid;

2° indien de betrekking niet reeds door [een nieuwe affectatie of] mutatie is toegewezen.

Decr. 18-5-1999

[Een vacant verklaarde betrekking kan, in afwijking van 1° van het vorig lid, door toelating tot de proeftijd worden toegewezen aan een personeelslid dat daarin is gereaffecteerd of wedertewerkgesteld.]

Decr. 21-12-1994

[Bij een toelating tot de proeftijd in een vacant verklaarde betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst moet daarenboven ook rekening gehouden worden met de maximumgrens van 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdienst, zoals bepaald in artikel 16, § 5, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. Toelating tot de proeftijd is slechts mogelijk tot voormelde maximumgrens van 85 % wordt bereikt.]

Decr. 8-5-2009

[Art. 42bis.

[[§ 1. Dit artikel is van toepassing op een vastbenoemde directeur die titularis is van een volledige betrekking en die gedurende minstens drie opeenvolgende schooljaren voor zijn volledige betrekking gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4.

§ 2. Als een vastbenoemde directeur gebruik maakt van een verlofstelsel zoals vermeld in § 4, dan moet de raad van bestuur vóór de aanvang van dat verlofstelsel aan de vastbenoemde directeur meedelen of hij de volledige betrekking waarvan hij titularis is, in de loop van zijn verlof al dan niet zal vacant verklaren en, desgevallend, na welke tijdsspanne dat zal gebeuren.

Met de aanvang van een verlofstelsel wordt zowel de aanvang van de eerste aanvraag van een verlofstelsel als de aanvang van een verlenging bedoeld.

Deze mededeling moet schriftelijk gebeuren en minstens voor kennisneming ondertekend worden door de betrokken directeur. Als de betrokken directeur weigert voor kennisname te tekenen, bezorgt de raad van bestuur zijn beslissing aan de directeur met een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft vanaf de dag van verzending. Deze brief wordt voor de verdere procedure beschouwd als de voor kennisgeving ondertekende mededeling. Deze kennisgeving kan niet meer gewijzigd worden, tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de betrokken directeur.

Bij gebrek aan schriftelijke mededeling kan de raad van bestuur de volledige betrekking niet vacant verklaren tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de vastbenoemde directeur.

De vacantverklaring bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden als de betrokken directeur voor een periode van minstens drie opeenvolgende schooljaren voltijds afwezig is geweest omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. Om de duur van de betrokken periode te bepalen, wordt alleen rekening gehouden met ononderbroken perioden van afwezigheid vanaf de voor kennisgeving ondertekende mededeling.

§ 3. In afwijking op § 2, en tot en met 1 september 2012, gelden volgende bepalingen voor de vastbenoemde directeur die op 1 september 2009 al afwezig is, omdat hij gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4.

Als een vastbenoemde directeur op 1 september 2009 minstens gedurende de twee voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was, omdat hij gebruik maakte van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 5 en hij ook gedurende het volledige schooljaar 2009-2010 ononderbroken gebruikt maakt van één of meerdere verlofstelsels vermeld in § 4, dan kan de raad van bestuur zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2010 in aanmerking nemen voor vacantverklaring, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.

Als een directeur op 1 september 2009 slechts gedurende het volledige voorgaande schooljaar ononderbroken afwezig was omdat hij gebruik maakte van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4 en hij ook gedurende de volledige schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 ononderbroken gebruikt maakt van één of meerdere verlofstelsels vermeld in § 4, dan kan de raad van bestuur zijn volledige betrekking in aanmerking nemen voor vacantverklaring vanaf 1 september 2011 maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.

Als de in deze paragraaf bedoelde vastbenoemde directeur ook op 1 september 2012 afwezig is of blijft omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4, dan kan de raad van bestuur vanaf dat ogenblik gebruik maken van de bepalingen van § 2.

§ 4. De in § 1 bedoelde verlofstelsels zijn :

a) verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vastbenoemd zijn;

b) verlof voor het uitoefenen van een mandaat dat toegekend wordt aan de algemeen directeur of coördinerend directeur vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2001 betreffende de mandaten van directeur, algemeen directeur en coördinerend directeur in het niet-tertiair onderwijs;

c) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 77quater, van dit decreet;

d) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 77quater, van dit decreet;

e) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;

f) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de Federale Regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de Federale Regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;

g) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de staat en van de gemeenschappen en of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;

h) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met artikel 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;

i) verlof toegekend aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld zoals bepaald in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;

j) terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009 betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voor de personeelsleden van het onderwijs.

§ 5. De directeur wiens betrekking in toepassing van dit artikel vacant werd verklaard, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of terbeschikkingstelling.

Op het ogenblik dat de betrokken directeur geen gebruik meer maakt van de in § 4 bedoelde verlofstelsels, wordt hij ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was nog niet werd ingenomen door een andere vastbenoemde titularis. In dat geval wordt hij opnieuw titularis van de betrokken betrekking.]] ]

Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. 9-7-2010

Art. 43.

Een betrekking die hetzij deel uitmaakt van een instelling, afdeling, vestigingsplaats, graad, cyclus of andere onderverdeling die ingevolge de toepassing van rationalisatieregelen progressief wordt opgeheven, hetzij slechts voor een beperkte duur kan worden ingericht, komt niet in aanmerking voor een vacantverklaring of een benoeming in vast verband.

[Een betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst komt niet in aanmerking voor een vacantverklaring of een benoeming in vast verband als door deze vaste benoeming de maximumgrens van 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdienst, zoals bepaald in artikel 16, § 5, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, wordt overschreden.]

Decr. 8-5-2009

Art. 44.

[De raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder - maakt de betrekkingen die hij vacant verklaart bekend samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie en vaste benoeming moeten worden ingediend. Deze bekendmaking gebeurt ten minste één maal per jaar. Hij raadpleegt daartoe de instellingshoofden en [[...]] ook het bestuur van de scholengemeenschap over het bestaan van een vacante betrekking in de instelling.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr.10-7-2003

[Voor de scholen van het basisonderwijs zijn de bepalingen betreffende de scholengemeenschappen zoals bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing tijdens de schooljaren 2003-2004 en 2004-2005.]

Decr.10-7-2003

Art. 45.

[De raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder - beslist over de toelating tot de proeftijd. Hij raadpleegt daartoe het instellingshoofd. Een kandidatuur kan, gemotiveerd, worden afgewezen.]

Decr.18-5-1999

Art. 46.

[Om toegelaten te worden tot de proeftijd in een selectie- of bevorderingsambt, moet het personeelslid op het ogenblik van de toelating tot de proeftijd voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° houder zijn van het voorziene vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, organiek of bij overgangsmaatregel;

2° [[als laatste evaluatie of bij ontstentenis hiervan de laatste beoordeling geen evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" hebben verkregen in het desbetreffende selectie- of bevorderingsambt bij de scholengroep waar de betrekking zich situeert. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de scholengroep die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze scholengroep die behoren tot deze scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de scholengroep die niet behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze scholengroep die niet behoren tot een scholengemeenschap. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt aan deze voorwaarde geacht voldaan te zijn;]]

3° voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 14 en 17, § 1 tot en met § 4;

4° beschikken over de bekwaamheden vereist voor het ambt. Deze bekwaamheden en het profiel op basis waarvan zij zijn vastgelegd, worden door de raad voor het gemeenschapsonderwijs vastgelegd. Zij worden getest in een proef die wordt georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van de raad voor het gemeenschapsonderwijs;

5° zich bij de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder - bij een ter post aangetekende brief kandidaat hebben gesteld in de vorm en binnen de termijn vermeld in de oproep tot de kandidaten.]

Decr. 13-7-2001; [[ ]] Decr. 13-7-2007

[Art. 46bis.

§ 1. Om toegelaten te worden tot de proeftijd in een ambt van de pedagogische begeleidingsdienst, moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden van artikel 46, en bovendien ten minste acht jaar dienstanciënniteit hebben, berekend overeenkomstig artikel 4.

Naast de personeelsleden op wie dit decreet van toepassing is, kunnen ook :

- de leden van het onderwijzend personeel van de hogescholen;

- de leden van het academisch personeel van de universiteiten;

- de contractuele personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst;

tot een ambt van de pedagogische begeleidingsdienst worden toegelaten.

De diensten die voormelde personeelsleden verworven hebben in een hogeschool of een universiteit of als contractueel personeelslid van de pedagogische begeleidingsdienst worden mee in aanmerking genomen voor de berekening van de dienstanciënniteit bedoeld in het eerste lid.

Het personeelslid moet aan de voorwaarden van deze paragraaf voldoen, uiterlijk op het ogenblik dat hij zijn ambt opneemt.

§ 2. In afwijking van § 1 kan een ambt van de pedagogische begeleidingsdienst ook door toelating tot de proeftijd worden toegewezen aan een kandidaat die :

1° blijk geeft van een zeer grondig onderwijskundig inzicht;

2° ten minste acht jaar relevante ervaring heeft in of met het onderwijs of de centra of met nascholing.

§ 3. [[Een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is in het ambt van pedagogisch adviseur en dat de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt op zijn verzoek tot de proeftijd toegelaten op voorwaarde dat hij :

1° de voorwaarden voor de toelating tot de proeftijd vervult;

2° de toelating tot de proeftijd aanvraagt bij afgevaardigd bestuurder;

3° op het ogenblik van de toelating tot de proeftijd ten minste vier jaar een functie in de pedagogische begeleidingsdienst uitoefent.

Deze vaste benoeming volgend op het doorlopen van de proeftijd kan daarenboven enkel plaatsvinden voor zover het percentage vastbenoemde personeelsleden gerespecteerd wordt, zoals bepaald in artikel 16, § 5, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.]] ]

Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. 21-12-2012

Art. 47.

[§ 1.] Benoeming in een selectie- of bevorderingsambt kan enkel geschieden indien de betrekking wordt uitgeoefend als hoofdambt.

[§ 2. De Vlaamse regering bepaalt de regels volgens welke de toelating tot de proeftijd, [[de vaste benoeming, de nieuwe affectatie en de mutatie in een selectie- of bevorderingsambt worden meegedeeld]] aan het departement onderwijs [[opdat zij zouden]] uitwerking hebben ten aanzien van de overheid.]

Decr. 21-12-1994; [[ ]] Decr. 7-7-2006

[§ 3. Artikel 40bis is van overeenkomstige toepassing op de selectie- en bevorderingsambten.]

Decr.18-5-1999

Art. 48.

[§ 1. De proeftijd omvat een periode van 12 maanden effectief gepresteerd in de betrekking van het ambt waarin het personeelslid tot de proeftijd is toegelaten. Deze proeftijd is éénmaal verlengbaar voor 12 maanden. Gedurende de proeftijd behoudt het personeelslid zijn aanspraak op de betrekking waarin het geaffecteerd was vóór zijn toelating tot de proeftijd. Gedurende de proeftijd wordt die betrekkingniet vacant verklaard.

[[De prestaties die een personeelslid dat toegelaten is tot de proeftijd levert tijdens de periode dat hij belast is met een van de volgende functies, worden beschouwd als effectieve prestaties :

- het mandaat van algemeen directeur;

- het mandaat van coördinerend directeur in een scholengemeenschap van het secundair onderwijs;

- de aanstelling als directeur belast met een coördinerende opdracht voor een scholengemeenschap van het basisonderwijs bedoeld in artikel 4bis, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende de puntenenveloppen voor de scholengemeenschappen basisonderwijs.]]

§ 2. Tenzij hierover ongunstig advies wordt uitgebracht en onverminderd artikel 49, § 2, wordt het personeelslid bij het beëindigen van de proeftijd in vast verband benoemd.

Het instellingshoofd is bevoegd om advies uit te brengen. Voor het ambt van directeur formuleert vanaf 1 januari 2000 de algemeen directeur een advies aan de raad van bestuur.

§ 3. De vaste benoeming gebeurt door de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdiensten het vormingscentrum door de afgevaardigd bestuurder. Vooraleer wordt beslist een personeelslid niet vast te benoemen, moet het worden gehoord. Het personeelslid moet vooraf op de hoogte zijn gebracht van de motieven. Het kan zich laten bijstaan door een raadsman.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr.21-12-2012

[Art. 48bis.

In afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk heeft, bij uitbreiding van een kleuterschool tot basisschool, de directeur van de betrokken kleuterschool voorrang voor een vaste benoeming in het ambt van directeur van de basisschool.

De [[raad van bestuur]] kan dit personeelslid evenwel ook toelaten tot de proeftijd. Indien hij, na het verstrijken van de proeftijd dit personeelslid niet vast benoemt in het ambt van directeur van de basisschool, moet hij zijn beslissing met redenen omkleden.]

Decr. 9-4-1992; [[ ]] Decr.18-5-1999

[Art. 48ter.

§ 1. In afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk moet een personeelslid dat reeds deeltijds vast benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt, met het oog op een uitbreiding van vaste benoeming in hetzelfde ambt geen proeftijd meer doorlopen. De raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdiensten en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - kan dit personeelslid vast benoemen mits het voldoet aan de bepalingen van artikel 46, 1° tot en met 5°.

[[§ 2. Voor een uitbreiding van een vaste benoeming in een ambt van de pedagogische begeleidingsdienst moet een personeelslid voloen aan § 1 en daarenboven ook voldoen aan de bepalingen van artikel 46bis en moet de afgevaardigd bestuurder ook steeds rekening houden met de maximumgrens van 85 % van de vastgestelde personeelsformatie zoals bepaald in artikel 16, § 5, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. Het personeelslid dat aan voormelde voorwaarden voldoet en daarenboven de leeftijd van 55 jaar of meer heeft bereikt, heeft voorrang bij een uitbreiding van zijn vaste benoeming ten aanzien van personeelsleden die deze leeftijd nog niet hebben bereikt.]] ]

Decr. 7-5-2004; [[ ]] Decr. 8-5-2009

[Art. 48quater.

Bij de omvorming van een centrum voor deeltijds beroepssecundair, onderwijs verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar technisch of beroepssecundair onderwijs wordt georganiseerd, tot een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, heeft de coördinator van het centrum in kwestie voorrang voor een vaste benoeming in het ambt van directeur van het autonome centrum.

In afwijking op de bepalingen van dit hoofdstuk moet het personeelslid geen proeftijd doorlopen in het ambt van directeur. De raad van bestuur kan dit personeelslid vast benoemen in het ambt van directeur van het autonome centrum, mits hij voldoet aan de bepalingen van artikel 46, 1° tot en met 3° en 5°.]

Decr. 22-6-2007

Art. 49.

§ 1. Het in een selectie- of bevorderingsambt vast benoemd personeelslid wordt door [de raad van bestuur] geaffecteerd in de vacante betrekking waarin het zijn proeftijd heeft volbracht.

Decr.18-5-1999

§ 2. Indien de in § 1 bedoelde betrekking tijdens de proeftijd of op het einde van de proeftijd niet meer kan worden ingericht of wanneer tijdens de proeftijd blijkt dat het personeelslid onregelmatig tot de proeftijd werd toegelaten, neemt het personeelslid de in artikel 48, § 1, bedoelde betrekking, waarop het zijn aanspraken heeft behouden, opnieuw op.

[Art. 49bis.

Zonder afbreuk te doen aan het principe dat een personeelslid, toegelaten tot de proeftijd of benoemd, wordt geaffecteerd aan een bepaalde instelling, kunnen de directeur, de directeur aangesteld bij mandaat, de onderdirecteur en de adjunct-directeur van de instellingen die de scholengroep vormen, voor de vervulling van opdrachten voor andere instellingen van de scholengroep of voor de totaliteit van de scholengroep worden ingezet.]

Decr.18-5-1999

Art. 50.

[§ 1. Voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt kan de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder - op voordracht van het college van directeurs een personeelslid aanwijzen :

1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;

2° in een betrekking waarin op grond van artikel 43 geen benoeming mogelijk is;

3° in afwachting van een toelating tot de proeftijd die moet gebeuren uiterlijk op het einde van het tweede volledige schooljaar volgend op de datum waarop de betrekking vacant is geworden. [[Deze bepaling is niet van toepassing op de pedagogische begeleidingsdienst;]]²

[[4° in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst.]]²

[[Tijdens die periode blijft het personeelslid in voorkomend geval titularis van het ambt waarin het vast benoemd is.]]²

[[§ 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de raad van bestuur na de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 23, f), een definitief gepensioneerde waarnemend aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, 1°, 2° en 4°. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet tot de proeftijd worden toegelaten of vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.]]³

§ 2. Het personeelslid dat wordt aangesteld voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 46, 1° tot en met 4°. [[De personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst moeten tevens aan de voorwaarden van artikel 46bis voldoen.]]²

Wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen :

1° kan van de bepalingen van artikel 46, 4°, worden afgeweken;

2° kan in afwijking van artikel 46, 1°, een personeelslid met een ander bekwaamheidsbewijs worden aangesteld. Deze aanstelling is beperkt tot de duur van het lopende schooljaar.

§ 3. Een aanstelling voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt is slechts mogelijk na voorafgaande toepassing van artikel 42, 1°.

§ 4. [[Een waarnemende aanstelling in een selectie- of bevorderingsambt eindigt voor het geheel of een deel van de opdracht :

- [[[volgens artikel 23, a, b, c, d, f, h en k. Als de aanstelling gebeurt op grond van § 1bis geldt artikel 23, f, niet;]]]¹

- op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk waarnemend personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een personeelslid door toelating tot de proeftijd volgens artikel 45;

- door vaste benoeming;

- bij toepassing van de artikelen 52, 53 of 73sexies-decies, § 3.

De raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder - kan om een andere reden dan deze vermeld in het eerste lid de waarnemende aanstelling in een selectie- of bevorderingsambt gedurende de eerste zes maanden beëindigen met een opzegtermijn van vijftien kalenderdagen. Het personeelslid kan instemmen met een kortere opzeggingstermijn. Die instemming wordt schriftelijk meegedeeld. Na het verstrijken van deze periode kan de waarnemende aanstelling enkel [[[op het einde van het schooljaar worden beëindigd, behoudens een andersluidend schriftelijk akkoord tussen beide partijen]]]².]]¹

§ 5. In afwijking van de bepalingen van § 2 en § 4 heeft een personeelslid, dat in de periode van 1 september 1985 tot en met 31 augustus 1990 gedurende tenminste 240 dagen per schooljaar tijdelijk was aangesteld met een coördinatieopdracht in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, voorrang voor waarnemende aanstelling in het selectieambt van coördinator in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betrekking werd uitgeoefend. Het personeelslid moet aantonen dat het aan deze voorwaarden voldoet.

§ 6. Voor een periode van maximaal zestig dagen mag de oproep van de kandidaten zich beperken tot de personeelsleden van de instelling. Bij toepassing van deze bepaling en in afwijking van § 4 eindigt de aanstelling uiterlijk na het verstrijken van voormelde termijn van maximaal zestig dagen.]

Decr. 13-7-2001; [[ ]]¹ Decr. 13-7-2007; [[ ]]² Decr. 8-5-2009; [[ ]]³ Decr. 8-5-2009; [[[ ]]]¹ Decr. 8-5-2009; [[[ ]]]² Decr. 21-12-2012

[Art. 50bis.

[[...]]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr.13-7-2001

[Art. 50ter.

[[...]] ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. 21-12-2012

Art. 51.

Elke waarnemende aanstelling in een selectie- of bevorderingsambt moet schriftelijk worden vastgelegd in overeenstemming met het bepaalde van artikel 18.

Art. 52.

[Een personeelslid dat tot de proeftijd in een selectie- of bevorderingsambt werd toegelaten of met het waarnemen ervan belast werd, kan vrijwillig afzien van de voltooiing van de proeftijd of afstand doen van zijn aanstelling als waarnemend personeelslid. Het personeelslid moet een opzeggingstermijn van vijftien kalenderdagen in acht nemen. De raad van bestuur kan met een kortere termijn instemmen. Die instemming blijkt uit een geschrift dat de datum van ambtsneerlegging vermeldt en door beide partijen wordt ondertekend.]

Decr. 21-12-2012

[Art. 52bis.

Een personeelslid dat een waarnemende aanstelling heeft in een selectie- of bevorderingsambt kan, zonder opzegging, om dringende redenen worden ontslagen.

Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de waarnemende aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de raad van bestuur.

Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Het ontslag om dringende redenen wordt gegeven door de raad van bestuur of door de afgevaardigd bestuurder voor het personeelslid aangesteld in het vormingscentrum of de pedagogische begeleidingsdienst.

[[Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Als het personeelslid het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De raad van bestuur - en voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven wordt, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 59. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke waarnemende aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.]]

Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep.]

Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Art. 53.

[Een personeelslid dat werd benoemd in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen vast benoemd was in een ander ambt in het onderwijs, kan op 1 september vrijwillig afzien van de vaste benoeming in het betrokken ambt.

Het personeelslid deelt dit door middel van een aangetekende brief vóór 1 juni mee aan de raad van bestuur. Het wordt dan op 1 september erop volgend ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in het ambt waarin het voorheen vast benoemd was. De datum van 1 juni kan vervangen worden door een latere datum, ofwel in onderling akkoord tussen het betrokken personeelslid en de raad van bestuur, ofwel eenzijdig door het betrokken personeelslid omwille van een evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' die hem in toepassing van hoofdstuk VIIIter werd toegekend na 15 mei.]

Decr. 21-12-2012

[Art. 53bis.

§ 1. [[Een vastbenoemd directeur kan, op voorstel van de afgevaardigd bestuurder, door de Raad van het Gemeenschapsonderwijs met een twee derde meerderheid in het kader van het beleidsmatig toezicht met een andere opdracht worden belast.]]

§ 2. [[De vastbenoemde directeur neemt een betrekking op in het ambt waarin hij voorheen vast benoemd was bij de scholengemeenschap of de scholengroep waar hij als directeur was aangewezen, tenzij het personeelslid en de raad van bestuur van de scholengroep akkoord gaan met een andere opdracht. De aanstelling van het personeelslid gebeurt via een verlof wegens opdracht of door een betrekking in te richten op basis van de puntenenveloppe die ter ondersteuning aan de scholengemeenschap wordt toegekend.]]

§ 3. Het personeelslid behoudt de wedde verbonden aan het ambt van directeur.

§ 4. Wanneer een vastbenoemde directeur met een andere opdracht wordt belast, wordt de betrekking van directeur onmiddellijk vacant.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. 13-7-2007

[§ 5. [[Het personeelslid dat in toepassing van § 1 met een andere opdracht wordt belast, kan tegen deze beslissing beroep aantekenen bij een beroepsinstantie samengesteld uit de voorzitters van de kamers van beroep. De termijn voor het instellen van het beroep bedraagt twintig kalenderdagen. Het beroep schort de in § 1 vermelde beslissing op.

De raad van bestuur kan de directeur tijdens voormelde beroepsprocedure preventief schorsen volgens artikel 59. Deze preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing aan het betrokken personeelslid wordt meegedeeld en tot de beroepsprocedure is beëindigd.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende het secretariaat en de werking van de beroepsinstantie, de procedure en de redenen tot wraking.]] ]

Decr. 13-7-2007; [[ ]] Decr. 21-12-2012

Art. 54.

[...]

Decr. 21-12-2012

Art. 55.

[§ 1. In afwijking van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, kan de raad van bestuur een lid van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs dat vast benoemd is in deze categorie, de hogere salarisschaal 106 toekennen.

Als de instelling minder dan 400 leerlingen telt, kan de raad van bestuur die hogere salarisschaal toekennen aan één voltijdse betrekking van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.

Als de instelling 400 tot 900 leerlingen telt, kan de raad van bestuur die hogere salarisschaal toekennen aan twee voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.

Als de instelling meer dan 900 leerlingen telt, kan de raad van bestuur die hogere salarisschaal toekennen aan drie voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs.

§ 2. In afwijking op dit hoofdstuk en in afwijking van § 1, kan de raad van bestuur een personeelslid dat in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs vast benoemd is in een ambt van het ondersteunend personeel en dat met toepassing van dit decreet werd geconcordeerd, vast benoemen in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal.

Bij die vaste benoeming moet steeds rekening worden gehouden met het diplomaniveau van het personeelslid.

Het personeelslid hoeft zich geen kandidaat te stellen voor die vaste benoeming.

De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal, heeft tot gevolg dat de betrekking de puntenwaarde krijgt die verbonden is aan die hogere salarisschaal [[...]].

De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere salarisschaal kan alleen plaatsvinden als de verplichtingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling zijn nageleefd.

§ 3. Een personeelslid komt alleen in aanmerking voor de bevordering vermeld in § 1 en § 2, als hij voor zijn opdracht in een ambt van de personeelscategorieën bedoeld in § 1 of § 2 als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen.

Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt die voorwaarde geacht voldaan te zijn.]

Decr. 22-6-2007; [[ ]] Decr. 8-5-2009

[HOOFDSTUK Vbis. - Vastbenoemde personeelsleden tijdelijk belast met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt

Art. 55bis.

§ 1. Na toepassing van en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk III. [[Wervingsambten]]¹ en van de overgangsbepalingen van dit decreet en de bepalingen van hoofdstuk V. Selectie en bevordering kan een opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk worden toegewezen aan een vastbenoemd personeelslid [[of een personeelslid dat is toegelaten tot de proeftijd]]¹ van het gemeenschapsonderwijs, van het gesubsidieerd onderwijs, van de gesubsidieerde centra, van de inspectie, van de pedagogische [[begeleidingsdienst]]¹ of van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, met uitzondering van de gesubsidieerde hogescholen bedoeld in het decreet van 13 juli 1994.

§ 2. Het vastbenoemde personeelslid kan, met zijn instemming, geheel of gedeeltelijk afzien van de uitoefening van de opdracht waarvoor het vast benoemd is om in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk belast te worden met een andere opdracht waarvoor het niet vast benoemd is.

§ 3. Het vastbenoemde personeelslid wordt met de andere opdracht belast overeenkomstig de bepalingen van dit decreet die ofwel de tijdelijke aanstelling in een wervingsambt regelen, met uitzondering van de bepalingen inzake de kandidaatstelling en de voorrang, ofwel de waarnemende aanstelling in selectie- en bevorderingsambten.

§ 4. Tijdens de periode gedurende welke het personeelslid tijdelijk belast wordt met een andere opdracht en voor de beëindiging ervan, gelden de regels die voor de tijdelijke personeelsleden van toepassing zijn op het ambt waarin het personeelslid tijdelijk fungeert.

§ 5. [[In afwijking van § 4 wordt het vastbenoemde personeelslid tijdens de periode van tijdelijke of waarnemende aanstelling verder beschouwd als vastbenoemd personeelslid voor de toepassing van de reglementaire bepalingen inzake :

1° het bevallingsverlof;

2° het verlof wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming;

3° het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, met inbegrip van arbeidsongevallen, van ongevallen op de weg van en naar het werk en van beroepsziekten;

4° de anciënniteit voor het bepalen van het recht op verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;

5° de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten.

Het eerste lid van deze paragraaf geldt eveneens voor het vastbenoemde personeelslid dat overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III. - Wervingsambten als tijdelijk personeelslid wordt aangesteld.]]²

[[§ 6. De personeelsleden met een tijdelijke opdracht, conform § 1, worden in die opdracht beoordeeld, overeenkomstig de bepalingen van artikel 22, § 1 en § 2. Het personeelslid dat de beoordeling "onvoldoende" heeft gekregen, kan van de tijdelijke opdracht worden ontheven.]]¹ [[Deze bepaling is met ingang van 1 september 2007 niet van toepassing op de personeelsleden aangesteld in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de CLB's en met ingang van 1 september 2009 ook niet meer op de andere personeelsleden op wie dit decreet van toepassing is.]]³

[[§ 7. [[[In dit artikel wordt [[[[voor een wervingsambt]]]] met tijdelijke aanstelling bedoeld, de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur.]]] ]]¹

Art. 55ter.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de vastbenoemde personeelsleden die tijdelijk belast worden met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt waarvoor ze niet vastbenoemd zijn.]

Decr. 15-7-1997; [[ ]]¹ Decr. 18-5-1999; [[ ]]² Decr. 15-7-2005; [[ ]]³ Decr. 13-7-2007; [[[ ]]] Decr. 14-2-2003; [[[[ ]]]] Decr. 4-7-2008

[HOOFDSTUK Vter. - Mandaat

Art. 55quater.

[[...]]²

Art. 55quinquies.

[[§ 1. [[[ Elke nieuwe aanstelling in het bevorderingsambt van directeur wordt bij mandaat toegewezen. Deze toewijzing gebeurt :

1. voor de CLB's [[[[...]]]]¹ : vanaf 1 september 2000;

2. voor het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs, [[[[het volwassenenonderwijs]]]]² en het deeltijds kunstonderwijs : vanaf een door de Vlaamse regering te bepalen datum.]]].

§ 2. Elke aanstelling bij mandaat in het ambt van directeur wordt schriftelijk vastgelegd op de wijze en met de vermeldingen bepaald in artikel 18.

§ 3. Onverminderd artikel 55terdecies komen de personeelsleden [[[die vóór een datum die de Vlaamse regering bepaalt tot de proeftijd zijn toegelaten]]] of die belast zijn met het tijdelijk waarnemen van een vacante of een niet-vacante betrekking van directeur [[[op een datum die de Vlaamse regering bepaalt]]] en tot op het ogenblik van vaste benoeming tijdelijk belast blijven met dezelfde betrekking, nog in aanmerking voor een vaste benoeming in dit ambt.]]¹

Art. 55sexies.

De [[raad van bestuur - voor het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder -]]³ bepaalt de wijze van vacantverklaring en kandidaatstelling.

Art. 55septies.

Om in een mandaat van directeur aangesteld te kunnen worden, moet het personeelslid bij de aanvang van dat mandaat voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° houder zijn van het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of overgangsmaatregel;

2° de betrekking uitoefenen in hoofdambt;

3° als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" verkregen hebben. Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn;

4° voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden bedoeld in artikel 14 en 17, § 1 tot en met § 4;

5° zich kandidaat hebben gesteld in de vorm en binnen de termijn die de [[raad van bestuur - voor het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder -]]³ bepaalt;

[[6° beschikken over de bekwaamheden vereist voor het ambt. Deze bekwaamheden en het profiel op basis waarvan zij zijn vastgelegd worden door de raad voor het gemeenschapsonderwijs vastgelegd. Zij worden getest in een proef die wordt georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van de raad voor het gemeenschapsonderwijs.]]¹

De [[raad van bestuur - voor het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder -]]³ kan specifieke vorming opleggen.

Art. 55octies.

De bepalingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling zijn niet van toepassing op de betrekkingen die toegewezen werden bij mandaat.

Art. 55novies.

Prestaties geleverd tijdens een mandaat worden in aanmerking genomen voor de administratieve en geldelijke anciënniteit van het personeelslid.

Art. 55decies.

Als een personeelslid zonder vaste benoeming in het onderwijs aangesteld wordt bij mandaat, wordt dit zowel voor de administratieve als voor de geldelijke toestand beschouwd als een tijdelijke aanstelling.

Art. 55undecies.

§ 1. Het mandaat heeft een onbepaalde duur.

§ 2. De [[raad van bestuur - voor het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder -]]³ kan een einde stellen aan een mandaat :

1° met een gemotiveerde opzeg van 3 maanden;

2° om dringende redenen volgens de procedure, bedoeld in artikel 24.

§ 3. De [[raad van bestuur - voor het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder -]]³ moet een einde stellen aan een mandaat :

1° na een definitieve evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende";

2° door toepassing van artikel 23, § 1, a, f, h, i en k, en artikel 86, 1° tot 8°.

§ 4. Een personeelslid dat belast is met een mandaat van directeur kan op 1 september vrijwillig afzien van het mandaat. Hij deelt dit per aangetekende brief mee aan de [[raad van bestuur - voor het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder -]]³, voor 1 april van hetzelfde jaar.

In onderling overleg kan van beide data worden afgeweken.

Art. 55duodecies.

§ 1. Bij de beëindiging van een mandaat van directeur neemt het vastbenoemd personeelslid een betrekking op bij de [[raad van bestuur]]² en in de instelling van aanwijzing volgens zijn vaste benoeming voorafgaand aan het mandaat, tenzij het personeelslid [[en de raad van bestuur - voor het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder - akkoord gaan]]³ met een mutatie.

§ 2. Bij de beëindiging van een mandaat van directeur ingevolge een evaluatie "onvoldoende" neemt het personeelslid een betrekking op bij de [[raad van bestuur]]¹ en in de instelling van aanwijzing volgens zijn vaste benoeming voorafgaand aan het mandaat. Dit personeelslid kan binnen "hetzelfde ambt" geen beroep doen op zijn anciënniteit voor een betrekking.

[[Het betrokken personeelslid wordt voor de duur van het lopende schooljaar ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking.]]¹

Art. 55terdecies.

Het personeelslid belast met een mandaat van directeur in een vacante betrekking, wordt op zijn verzoek op de leeftijd van 55 jaar vast benoemd in deze betrekking, op voorwaarde dat hij :

1° de voorwaarden vervult voor vaste benoeming;

2° mandaathouder is van de betrekking waarin hij wordt benoemd;

3° de vaste benoeming bij de [[raad van bestuur - voor het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder -]]³ aanvraagt.

Die vaste benoeming heeft steeds 1 januari als ingangsdatum.

Art. 55quaterdecies.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de personeelsleden die worden aangesteld bij mandaat.]

Decr. 14-7-1998; [[ ]]¹ 18-5-1999; [[ ]]² Decr. 20-10-2000; [[ ]]³ Decr. 13-7-2001; [[[ ]]] Decr. 20-10-2000; [[[[ ]]]]¹ Decr. 13-7-2001; [[[[ ]]]]² Decr. 15-6-2007

[HOOFDSTUK Vquater. - Mandaat van algemeen directeur

Art. 55quinquiesdecies.

§ 1. Het mandaat van algemeen directeur, zoals bedoeld in Hoofdstuk III - afdeling 4 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs wordt toegewezen of beëindigd volgens de voorwaarden en op de wijze zoals bepaald in dat decreet. Het mandaat wordt toegekend voor onbepaalde duur en kan op elk ogenblik op gemotiveerde wijze worden beëindigd.

§ 2. Wanneer het mandaat van algemeen directeur vacant is, richt de raad van bestuur een oproep tot alle directeurs van de scholen van de scholengroep om zich kandidaat te stellen voor het mandaat van algemeen directeur. De raad van bestuur bepaalt de termijn waarbinnen de kandidaten zich kandidaat moeten stellen. Deze termijn bedraagt ten minste 10 kalenderdagen.

§ 3. De raad van bestuur stelt vooraf de criteria vast op grond waarvan de kandidaten worden beoordeeld en deelt deze criteria bij de oproep mee aan de kandidaten.

§ 4. Om in een mandaat van algemeen directeur aangesteld te kunnen worden, moet het personeelslid bij de aanvang van dat mandaat beschikken over de bekwaamheden vereist voor het ambt. Deze bekwaamheden en het profiel op basis waarvan zij zijn vastgelegd worden door de raad voor het gemeenschapsonderwijs vastgelegd. Zij worden getest in een proef die wordt georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van de raad voor het gemeenschapsonderwijs.

[[Het personeelslid mag als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconlusie "onvoldoende" hebben verkregen.]]²

[[§ 5. Bij afwezigheid van het personeelslid dat met toepassing van § 1 initieel belast is met het mandaat van algemeen directeur, kan de raad van bestuur een ander personeelslid voor de duur van die afwezigheid belasten met het mandaat. Voor een periode van maximaal 60 dagen mag de raad van bestuur een lid van het college van directeurs aanduiden om het mandaat van algemeen directeur waar te nemen. Bij toepassing van deze bepaling en in afwijking van artikel 55undecies, § 2, eindigt de aanstelling uiterlijk na het verstrijken van voormelde termijn van maximaal 60 dagen.

[[[Als de raad van bestuur geen geschikt personeelslid vindt dat beantwoordt aan de voorwaarde gesteld in paragraaf 4, kan zij van deze voorwaarde afwijken tot op het ogenblik dat zij een geschikt personeelslid aanduidt dat wel aan deze voorwaarde beantwoordt. Bij toepassing van deze bepaling is de aanstelling van het personeelslid beperkt tot een aanstelling van maximum een jaar.]]] ]]²

Art. 55sexiesdecies.

De raad van bestuur deelt de gemotiveerde beslissing tot toewijzing van het mandaat van algemeen directeur schriftelijk mee aan alle kandidaten.

Art. 55septiesdecies.

§ 1. Bij beëindiging van het mandaat van algemeen directeur duidt de raad van bestuur onverwijld een lid van het college van directeurs aan dat tot de dag waarop de nieuwe algemeen directeur zijn mandaat opneemt, de bevoegdheden van algemeen directeur uitoefent. [[De raad van bestuur kan hierbij afwijken van de voorwaarde gesteld in artikel 55quinquies decies, § 4, tot op het ogenblik dat zij een geschikt personeelslid aanduidt dat wel aan deze voorwaarde beantwoordt. Bij toepassing van deze bepaling is de aanstelling van het personeelslid beperkt tot een aanstelling van maximum een jaar.]]³

§ 2. Indien de algemene vergadering of de Raad van het Gemeenschapsonderwijs het mandaat van de algemeen directeur beëindigt, wordt deze beslissing onverwijld medegedeeld aan de voorzitter van de raad van bestuur. De beëindiging van het mandaat door deze organen heeft uitwerking de dag volgend op de ontvangst van de beslissing tot beëindiging van het mandaat bij de voorzitter van de raad van bestuur.

§ 3. [[...]]³

Art. 55octiesdecies.

De directeur van een onderwijsinstelling die het mandaat van algemeen directeur uitoefent, kan aanspraak maken [[op een niet-verworven salarisschaal]]² indien de instellingen die behoren tot de scholengroep waarvan hij algemeen directeur is, ten minste 2000 regelmatig ingeschreven leerlingen tellen op 1 februari van het voorafgaande [[schooljaar]]¹. Voor de scholengroep gelegen in de BSD wordt geen minimaal aantal leerlingen vereist.

De Vlaamse regering bepaalt [[de niet-verworven salarisschaal]]² en de modaliteiten van de toekenning.

[[In afwijking van het bepaalde in artikel 71 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs-VIII, wordt de overname van een onderwijsinstelling voor de gelding van dit artikel geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden.]]¹ ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 13-7-2001; [[ ]]² Decr. 22-6-2007; [[ ]]³ Decr. 21-12-2012; [[[ ]]] Decr. 21-12-2012

[HOOFDSTUK Vquinquies - Mandaat van coördinerend directeur

Art. 55vicies.

§ 1. [[Op voordracht van de scholengemeenschap van het secundair onderwijs kan de scholengroep een personeelslid voltijds of twee personeelsleden elk halftijds bij mandaat aanstellen tot coördinerend directeur van die scholengemeenschap als het personeelslid belast is met taken voor de totaliteit van de instellingen die deel uitmaken van de scholengemeenschap.

Het personeelslid moet tijdelijk aangesteld zijn of vast benoemd zijn als directeur aan een instelling van de scholengemeenschap.]]² [[Het personeelslid mag als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" hebben verkregen.]]³

[[Bij afwezigheid van het personeelslid dat met toepassing van het eerste lid initieel belast is met het mandaat van coördinerend directeur, kan de scholengroep op voordracht van de scholengemeenschap een ander personeelslid voor de duur van die afwezigheid belasten met het mandaat. Dat personeelslid oefent tot de dag waarop het afwezige personeelslid opnieuw effectief zijn mandaat opneemt, de bevoegdheden van coördinerend directeur uit.]]³

§ 2. De directeur die belast wordt met het mandaat van coördinerend directeur kan aanspraak maken [[op een niet-verworven salarisschaal]]³, indien de instellingen die behoren tot de scholengemeenschap ten minste 2000 regelmatig ingeschreven leerlingen tellen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar. [[...]]¹

De Vlaamse regering bepaalt [[de niet-verworven salarisschaal]]³ en de modaliteiten voor de toekenning.

[[In afwijking van het bepaalde in artikel 71 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs-VIII, wordt de overname van een onderwijsinstelling voor de gelding van dit artikel geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden.]]¹ ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 13-7-2001; [[ ]]² Decr. 15-7-2005; [[ ]]³ Decr. 22-6-2007

[HOOFDSTUK Vquinquies/1. - Herinschakeling na definitieve arbeidsongeschiktheid

Afdeling 1. - Algemene bepaling

Art. 55vicies/1.

Dit hoofdstuk is alleen van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, die in vast verband benoemd zijn volgens de bepalingen van dit decreet.

Afdeling 2. - Personeelslid dat bij beslissing van MEDEX definitief ongeschikt bevonden is om zijn gewone werkzaamheden uit te oefenen, maar wel geschikt bevonden is voor specifieke functies die door MEDEX worden bepaald

Art. 55vicies/2.

§ 1. Het vast benoemde personeelslid dat na uitputting van het bezoldigd ziekteverlof ter beschikking gesteld wordt wegens ziekte, kan zijn inrichtende macht verzoeken om een overleg over de mogelijkheden tot tewerkstelling na arbeidsongeschiktheid. De inrichtende macht moet dat overleg zo spoedig mogelijk organiseren en nodigt daartoe de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer uit. Het overleg tussen het personeelslid, de inrichtende macht en de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer resulteert in een advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, dat aan beide partijen wordt bezorgd. De inrichtende macht richt dat advies onmiddellijk aan MEDEX, met de vraag om dat advies mee in overweging te nemen bij het behandelen van het dossier van dat personeelslid voor de pensioencommissie.

§ 2. Als MEDEX beslist dat het personeelslid definitief ongeschikt is om zijn gewone werkzaamheden uit te oefenen, maar wel geschikt bevonden is voor specifieke functies die door MEDEX worden bepaald, organiseert de inrichtende macht onmiddellijk opnieuw een overleg met het personeelslid en, indien het personeelslid hierom verzoekt, de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, om de beslissing van MEDEX te concretiseren. Dat overleg moet leiden tot een van volgende conclusies :

1° tewerkstelling in het ambt van vaste benoeming na een aanpassing van de geïndividualiseerde functiebeschrijving zoals bepaald in artikel 73ter;

2° tewerkstelling in het ambt van vaste benoeming na een aanpassing van de draagwijdte van de vaste benoeming zoals bepaald in afdeling 4;

3° tewerkstelling in een ander ambt dan het ambt van vaste benoeming zoals bepaald in afdeling 5;

4° geen tewerkstelling is mogelijk.

De conclusie van het overleg wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen het personeelslid en de inrichtende macht. Als de conclusie luidt dat geen tewerkstelling mogelijk is, is artikel 77sexies van toepassing. Dat artikel is ook van toepassing als het personeelslid en de inrichtende macht niet tot een overeenkomst komen.

Afdeling 3. - Personeelslid dat een beroep doet op de procedure tot re-integratie zoals bepaald in de wetgeving over het gezondheidstoezicht op de werknemers

Art. 55vicies/3.

§ 1. Deze afdeling is van toepassing op het vast benoemde personeelslid dat door zijn behandelende arts definitief arbeidsongeschikt verklaard is voor het overeengekomen werk, en dat een beroep doet op de procedure tot re-integratie zoals bepaald in artikel 39 tot 41 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers.

Het vast benoemde personeelslid dat door zijn behandelende arts definitief arbeidsongeschikt verklaard is voor het overeengekomen werk, kan bij de inrichtende macht een beroep doen op de procedure tot re-integratie. Wanneer het personeelslid zich met het attest van zijn behandelende arts tot de inrichtende macht richt om zijn recht op een re-integratieprocedure te laten gelden, moet de inrichtende macht zo spoedig mogelijk een overleg organiseren over de mogelijkheden voor ander werk en de maatregelen voor aanpassing van de werkposten. Aan dat overleg nemen minstens deel :

a) de inrichtende macht;

b) het personeelslid;

c) de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer.

Na dat overleg formuleert de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer zijn advies aan de inrichtende macht, dat hij ook aan het personeelslid bezorgt.

§ 2. Als het advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer inhoudt dat het betrokken personeelslid voldoende geschikt is om een andere functie uit te oefenen en als de inrichtende macht en het personeelslid ermee akkoord gaan om dat advies te volgen, sluiten de inrichtende macht en het betrokken personeelslid een schriftelijke overeenkomst betreffende de vorm van tewerkstelling. Die tewerkstelling kan onder een van de volgende vormen :

1° tewerkstelling in het ambt van benoeming na aanpassing van de geïndividualiseerde functiebeschrijving zoals bepaald in artikel 73ter;

2° tewerkstelling in het ambt van vaste benoeming na een aanpassing van de draagwijdte van de vaste benoeming zoals bepaald in afdeling 4;

3° tewerkstelling in een ander ambt dan het ambt van vaste benoeming zoals bepaald in afdeling 5.

Als het advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer niet leidt tot een overeenkomst over tewerkstelling, is artikel 77sexies van toepassing.

Afdeling 4. - Tewerkstelling in het ambt van vaste benoeming via inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming van een leraar

Art. 55vicies/4.

Voor het personeelslid, vermeld in artikel 55vicies/2, § 2, 2°, en artikel 55vicies/3, § 2, 2°, voor wie na overleg is overeengekomen dat hij tewerkgesteld kan blijven in het ambt van vaste benoeming, kan de inrichtende macht voor zover het personeelslid vast benoemd is in het ambt van leraar, in afwijking van artikel 40bis, de draagwijdte van de vaste benoeming inperken. Dat houdt in dat zij uitdrukkelijk vastlegt welke vakken, specialiteiten, opleidingen of modules niet langer tot de draagwijdte van de vaste benoeming behoren. Die inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming mag niet als gevolg hebben dat voor de leraar geen enkel vak, specialiteit, opleiding of module nog tot de draagwijdte van de vaste benoeming behoort. De inperking kan niet slaan op het volume van de vaste benoeming.

De inrichtende macht legt de inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming van een leraar vast in de schriftelijke overeenkomst, vermeld in artikel 55vicies/2, § 2, en artikel 55vicies/3, § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming meegedeeld wordt aan het beleidsdomein Onderwijs en Vorming opdat zij uitwerking zou hebben ten aanzien van de overheid. De aangepaste draagwijdte van de vaste benoeming is persoonsgebonden en is tegenstelbaar aan derden.

Afdeling 5. - Tewerkstelling in een ander ambt dan het ambt van vaste benoeming

Art. 55vicies/5.

§ 1. Aan het personeelslid, vermeld in artikel 55vicies/2, § 2, 3°, en artikel 55vicies/3, § 2, 3°, voor wie na overleg is overeengekomen dat een tewerkstelling in een ander ambt dan het ambt van vaste benoeming beoogd wordt, biedt de inrichtende macht een proefperiode van tewerkstelling in dat andere ambt aan met het oog op een nieuwe vaste benoeming.

Die proefperiode is alleen mogelijk in een ambt waarin het personeelslid nog niet vast benoemd is. Bovendien is de proefperiode alleen mogelijk in een ambt waarvoor het personeelslid aan de aanstellingsvoorwaarden beantwoordt als vermeld in dit decreet.

Voor een personeelslid als vermeld in artikel 55vicies/2 kan de proefperiode maximaal duren tot de dag voor de eerste verjaardag van de beslissing van MEDEX die aanleiding gegeven heeft tot de tewerkstelling in het desbetreffende ambt. Voor een personeelslid als vermeld in artikel 55vicies/3 duurt de proefperiode minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden.

De afspraken betreffende de proefperiode worden vastgelegd in de schriftelijke overeenkomst, vermeld in artikel 55vicies/2, § 2, en artikel 55vicies/3, § 2.

§ 2. Tijdens de proefperiode wordt het personeelslid tewerkgesteld in een niet-organieke betrekking van het nieuwe ambt. Het personeelslid is in dienstactiviteit en behoudt het salaris dat verbonden is aan zijn betrekking in het ambt van vaste benoeming. De inrichtende macht kan in die betrekking een vervanger aanstellen.

§ 3. Uiterlijk twee maanden voor het einde van de proefperiode neemt de inrichtende macht een beslissing over de nieuwe vaste benoeming van het personeelslid. Ze neemt die beslissing na een overleg met het betrokken personeelslid om vast te stellen of de proefperiode geslaagd is of niet. Als de inrichtende macht van oordeel is dat de proefperiode geslaagd is, wordt het personeelslid vast benoemd, zoals bepaald in artikel 55vicies/6. Als de inrichtende macht van oordeel is dat de proefperiode niet geslaagd is, is artikel 77sexies van toepassing.

Art. 55vicies/6.

De nieuwe vaste benoeming betekent het ontslag uit het ambt waarvoor het personeelslid voorheen vast benoemd was en de onmiddellijke vaste benoeming in het nieuwe ambt, voor een overeenstemmend volume. In afwijking van de bepalingen over de vaste benoeming, vindt de nieuwe vaste benoeming plaats ongeacht of er een vacante betrekking in dat ambt beschikbaar is. De betrekking in het ambt waarin het personeelslid voorheen vast benoemd was, wordt een vacante betrekking vanaf de ingangsdatum van de nieuwe vaste benoeming.

Als het een wervingsambt betreft, moet het personeelslid aan de voorwaarden beantwoorden voor vaste benoeming in het betrokken ambt zoals bepaald in artikel 36, § 1, met uitzondering van de punten 1°, 2° en 3°.

Als het een selectie- of bevorderingsambt betreft, moet het personeelslid aan de voorwaarden beantwoorden voor toelating tot de proeftijd in het betrokken ambt zoals bepaald in artikel 46, artikel 46bis, § 1 en § 2, en artikel 47, § 1. In afwijking van artikel 48, § 1 en § 2, wordt het personeelslid meteen vast benoemd.

In afwijking van de bepalingen over de vaste benoeming gaat voor een personeelslid als vermeld in artikel 55vicies/2 de nieuwe vaste benoeming uiterlijk in op de eerste dag van de maand voor de eerste verjaardag van de beslissing van MEDEX die aanleiding gegeven heeft tot de tewerkstelling in het desbetreffende ambt en voor een personeelslid als vermeld in artikel 55vicies/3 uiterlijk op de dag na het einde van de proefperiode.

Na de nieuwe vaste benoeming is de regelgeving met betrekking tot het nieuwe ambt van vaste benoeming volledig op het personeelslid van toepassing.

Art. 55vicies/7.

Een nieuwe vaste benoeming zoals bepaald in artikel 55vicies/6 is eveneens mogelijk voor een personeelslid als vermeld in artikel 55vicies/5, § 1, aan wie geen proefperiode aangeboden kan worden omdat het personeelslid al deeltijds in het ambt vast benoemd is. De inrichtende macht bepaalt dan de ingangsdatum van de nieuwe vaste benoeming, die op de eerste dag van een maand moet liggen.".

HOOFDSTUK VI. - Rechten van personeelsleden bij het overnemen van onderwijsinstellingen [, bij de overheveling van een vestigingsplaats of een filiaal [[, bij de samensmelting van filialen of bij de overheveling van een hbo5- of een SLO-opleiding]] ]

Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. 12-7-2013

[Art. 55vicies/8.

§ 1. De personeelsleden van een instelling van een scholengroep van het Gemeenschapsonderwijs die door een andere scholengroep wordt overgenomen, krijgen de hoedanigheid van personeelslid van de scholengroep die de instelling overneemt.

§ 2. De personeelsleden bedoeld in paragraaf 1, die vast benoemd zijn of tot de proeftijd zijn toegelaten in de instelling die wordt overgenomen, gaan over als vast benoemd personeelslid, respectievelijk tot de proeftijd toegelaten personeelslid naar de scholengroep die de instelling overneemt.

De personeelsleden bedoeld in paragraaf 1 die als tijdelijk personeelslid in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de instelling die wordt overgenomen en voor hun prestaties door het Ministerie van Onderwijs en Vorming worden bezoldigd, gaan over als tijdelijk personeelslid naar de scholengroep die de instelling overneemt.

§ 3. De diensten die het personeelslid volgens de bepalingen van dit decreet heeft gepresteerd in een ambt, betrekking, opleiding, module, vak of specialiteit in de instelling die wordt overgenomen, worden geacht gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, dezelfde opleiding, dezelfde module, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit in de scholengroep die de instelling overneemt.

§ 4. Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling, een toelating tot de proeftijd of een vaste benoeming die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overlaat, wordt geacht gedaan te zijn bij de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overlaat, wordt geacht ook gedaan te zijn bij de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overneemt.

De mededeling door de raad van bestuur van de scholengroep van de vacante betrekkingen met het oog op een vaste benoeming in de instelling die wordt overgenomen, wordt geacht gedaan te zijn door de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overneemt.

§ 5. Personeelsleden die in de instelling die wordt overgenomen op het ogenblik van de overname recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21, § 3, of 21bis, § 3, behouden dit recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de scholengroep die de instelling overneemt.]

Decr. 19-6-2015

Art. 56.

[§ 1. [[De personeelsleden van een instelling die door het Gemeenschapsonderwijs wordt overgenomen, verkrijgen op hun verzoek de hoedanigheid van personeelslid van het gemeenschapsonderwijs.]]¹

§ 2. De personeelsleden bedoeld in § 1 gaan, al naar gelang het geval zij vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn in de instelling die overgenomen wordt, als vastbenoemd of tijdelijk aangesteld personeelslid over.

Voor overname in de hoedanigheid van tijdelijk personeelslid komen in aanmerking de personeelsleden die op de laatste effectieve lesdag voor de overname in dienst zijn en voor hun prestaties door de Vlaamse Gemeenschap worden bezoldigd.

§ 3. [[De diensten gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs worden beschouwd als diensten gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs. Voor de toepassing van dit decreet worden de diensten [[[gepresteerd in een ambt, betrekking, opleiding, module]]]³, vak of specialiteit in de overgenomen instelling geacht gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, [[[dezelfde opleiding, dezelfde module,]]]³ hetzelfde vak of dezelfde specialiteit in de scholengroep, en, [[[in voorkomend geval]]]², de scholengemeenschap die na overname bevoegd is voor de instelling.]]¹

§ 4. [[Een kandidatuurstelling voor een tijdelijke aanstelling of voor een vaste benoeming gedaan bij de inrichtende macht die haar instelling overlaat, wordt geacht gedaan te zijn bij de raad van bestuur [[[die de instelling overneemt]]]¹. [[[De mededeling van de vacante betrekkingen met het oog op een vaste benoeming in de instelling die wordt overgenomen, wordt eveneens geacht gedaan te zijn bij de raad van bestuur die deze instelling overneemt.]]]¹ ]]¹

§ 5. [[De personeelsleden die voor de overname recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21, § 3, of 21bis, § 3, van dit decreet, of in artikelen 23, § 3, of 23bis, § 3, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs behouden dit recht na de overname.]]² ]

Decr. 15-7-1997; [[ ]]¹ Decr. 18-5-1999; [[ ]]² Decr. 8-5-2009; [[[ ]]]¹ Decr. 14-2-2003; [[[ ]]]² Decr. 10-7-2003; [[[ ]]]³ Decr. 15-6-2007

[Art. 56/1.

§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :

1° overheveling van een vestigingsplaats :

a) in het basisonderwijs : een herstructurering zoals vermeld in artikel 3, 22°, van het decreet van 25 februari 1997 basisonderwijs, waarbij een school een vestigingsplaats, zijnde een gedeelte van een school, zoals vermeld in artikel 3, 56°, van hetzelfde decreet, afschaft en een andere school tegelijkertijd op dezelfde locatie een vestigingsplaats opricht;

b) in het voltijds gewoon secundair onderwijs : de overheveling van een vestigingsplaats, zoals vermeld in [[artikel 206, § 2, 4°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]¹;

c) in het volwassenenonderwijs : de overheveling van het geheel van het onderwijsaanbod georganiseerd in een vestigingsplaats zoals vermeld in artikel 2, 33°, 40° en 44°, en artikel 65 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

2° overheveling van een filiaal : de overheveling van een filiaal in het deeltijds kunstonderwijs zoals vermeld in artikel 91, 6° en 8°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II;

3° samensmelting : de samensmelting van filialen in het deeltijds kunstonderwijs zoals vermeld in artikel 91, 6° en 9°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II.

§ 2. Wanneer één van de volgende situaties zich voordoet, stellen de betrokken inrichtende machten, en in het deeltijds kunstonderwijs ook de andere instanties die bij de organisatie van het filiaal betrokken zijn, ten behoeve van de situatie van het personeel een schriftelijke overeenkomst op :

1° de overheveling van een vestigingsplaats of een filiaal naar een instelling van een andere inrichtende macht;

2° de samensmelting tot een nieuwe instelling van een andere inrichtende macht.

De overeenkomst houdt minstens rekening met :

1° de personeelsleden die in de vestigingsplaats of het filiaal tewerkgesteld zijn in het schooljaar voorafgaand aan de overheveling of de samensmelting, en met de omvang van die tewerkstelling;

2° de omvang van de omkadering die bij de overheveling of de samensmelting betrokken is.

In het volwassenenonderwijs is de schriftelijke overeenkomst niet vereist als er bij de overheveling geen leraarsuren worden overgedragen. Als echter bij een overheveling zonder leraarsuren toch een schriftelijke overeenkomst afgesloten wordt, is alleen § 3 van toepassing.

§ 3. Als de overeenkomst vermeld in § 2 erin voorziet dat de overheveling of de samensmelting gepaard gaat met een overname van personeelsleden, verkrijgen deze personeelsleden mits hun toestemming de hoedanigheid van personeelslid van de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling behoort of waartoe de nieuwe instelling na de samensmelting behoort, ten belope van de opdracht waarvoor ze bij die inrichtende macht tewerkgesteld worden. Deze personeelsleden gaan, al naargelang ze vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn, over als vastbenoemde of tijdelijk aangestelde personeelsleden. De personeelsleden die voor de overheveling of de samensmelting recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21, § 3, en artikel 21bis, § 3, van dit decreet of in artikel 23, § 3, en artikel 23bis, § 3, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, behouden dit recht na de overheveling of de samensmelting.

De diensten die het personeelslid volgens de bepalingen van dit decreet of volgens de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs gepresteerd heeft in een ambt, betrekking, opleiding, module, vak of specialiteit bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal voor de overheveling of voor de samensmelting behoorde, worden geacht ook gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, dezelfde opleiding, dezelfde module, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling of de nieuwe instelling na de samensmelting behoort.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling, die geldt bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal voor de overheveling of voor de samensmelting behoorde, wordt geacht ook gedaan te zijn bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling of de nieuwe instelling na de samensmelting behoort.

§ 4. [[...]]²

§ 5. [[...]]² ]

Decr. 8-5-2009; [[ ]]¹ B.Vl.R. 17-12-2010; [[ ]]² Decr. 3-7-2015

[Art. 56/2.

§ 1. Bij de overheveling van een hbo5- of een SLO-opleiding in het volwassenenonderwijs verkrijgen de personeelsleden die tijdens het schooljaar voorafgaand aan de overheveling tewerkgesteld zijn in een betrekking in deze hbo5- of een SLO-opleiding, de hoedanigheid van personeelslid van inrichtende macht die deze hbo5- of een SLO-opleiding overneemt ten belope van de opdracht waarin ze tijdens het schooljaar voorafgaand aan de overheveling tewerkgesteld waren.

Deze personeelsleden gaan, al naargelang ze vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn, over als vastbenoemde of tijdelijk aangestelde personeelsleden. De personeelsleden die voor de overheveling recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals vermeld in artikel 21, § 3, en artikel 21bis, § 3, van dit decreet of in artikel 23, § 3, en artikel 23bis, § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, behouden dit recht na de overheveling.

[[De diensten die het personeelslid volgens de bepalingen van dit decreet of volgens de bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs gepresteerd heeft in een ambt, betrekking, opleiding, module of vak bij de inrichtende macht waartoe de HBO5- of SLO-opleiding voor de overheveling behoorde, worden geacht ook gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, dezelfde opleiding, dezelfde module of hetzelfde vak bij de inrichtende macht waartoe de HBO5- of SLO-opleiding na de overheveling behoort.]]¹

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling, die geldt bij de inrichtende macht waartoe de hbo5- of SLO-opleiding voor de overheveling behoorde, wordt geacht ook gedaan te zijn bij de inrichtende macht waartoe de hbo5- of SLO-opleidingna de overheveling behoort.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan een personeelslid afzien van de hoedanigheid van personeelslid van de inrichtende macht die de hbo5- of SLO-opleiding overneemt als de hbo5- of SLO-opleiding wordt overgenomen door een instelling die behoort tot een ander net.

In afwijking van paragraaf 1 kan een vast benoemd personeelslid afzien van de hoedanigheid van personeelslid van de inrichtende macht die de hbo5- of SLO-opleiding overneemt, op voorwaarde dat dit personeelslid na de overheveling van de hbo5- of SLO-opleiding bij de inrichtende macht die de hbo5- of SLO-opleiding overhevelt niet ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking of niet bijkomend ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tenzij dit personeelslid kan worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante betrekking voor de duur van een volledig schooljaar.

§ 3. [[...]]² ]

Decr. 12-7-2013; [[ ]]¹ Decr. 25-4-2014; [[ ]]² Decr. 3-7-2015

[HOOFDSTUK VIbis. - Rechten van personeelsleden bij wijziging van de samenstelling van een scholengemeenschap

Art. 56bis.

§ 1. Wanneer een instelling die voorheen niet tot een scholengemeenschap behoorde, toetreedt tot een scholengemeenschap, dan worden de diensten die voor de toetreding tot de scholengemeenschap in deze instelling werden gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit geacht ook gepresteerd te zijn in dat ambt, deze betrekking, dat vak of deze specialiteit in deze scholengemeenschap.

[[Het personeelslid dat in de instelling die toetreedt tot een scholengemeenschap in de loop van het voorgaande schooljaar tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur, behoudt bij de toetreding tot de scholengemeenschap zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur onder de voorwaarden gesteld in dit decreet. Het personeelslid behoudt eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Dit recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt vanaf het ogenblik van de toetreding voor alle instellingen van de scholengemeenschap waartoe de instelling is toegetreden.

Het personeelslid dat in de instelling die toetreedt tot een scholengemeenschap uiterlijk op het einde van het voorgaande schooljaar vastbenoemd en geaffecteerd is, behoudt bij de toetreding tot de scholengemeenschap alle rechten en plichten die verbonden zijn aan deze vaste benoeming en affectatie. Het personeelslid dat deeltijds vastbenoemd is, beantwoordt bij de toetreding tot de scholengemeenschap, en onverminderd artikel 36bis, van de voorwaarden gesteld in dit decreet voor een uitbreiding van zijn vaste benoeming in alle instellingen van de scholengemeenschap waartoe de instelling is toegetreden.]]

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die in toepassing van dit decreet reeds werd gedaan bij de raad van bestuur of inrichtende macht van de betrokken instelling, wordt geacht ook gedaan geweest te zijn voor de scholengemeenschap waartoe de instelling zal behoren.

§ 2. Wanneer instelling die voorheen tot een scholengemeenschap behoorde, toetreedt tot een andere scholengemeenschap, dan worden de diensten die voor de toetreding tot deze andere scholengemeenschap in deze instelling werden gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit geacht ook gepresteerd te zijn in dat ambt, deze betrekking, dat vak of deze specialiteit in deze andere scholengemeenschap.

[[Het personeelslid dat in de instelling die toetreedt tot een andere scholengemeenschap in de loop van het voorgaande schooljaar tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur, behoudt bij de toetreding tot de andere scholengemeenschap zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur onder de voorwaarden gesteld in dit decreet. Het personeelslid behoudt eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Dit recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt vanaf het ogenblik van de toetreding voor alle instellingen van de scholengemeenschap waartoe de instelling is toegetreden.

Het personeelslid dat in de instelling die toetreedt tot een andere scholengemeenschap uiterlijk op het einde van het voorgaande schooljaar vastbenoemd en geaffecteerd is, behoudt bij de toetreding tot de andere scholengemeenschap alle rechten en plichten die verbonden zijn aan deze vaste benoeming en affectatie. Het personeelslid dat deeltijds vastbenoemd is, beantwoordt bij de toetreding tot de scholengemeenschap, en onverminderd artikel 36bis, aan de voorwaarden gesteld in dit decreet voor een uitbreiding van zijn vaste benoeming in alle instellingen van de scholengemeenschap waartoe de instelling is toegetreden.]]

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die in toepassing van dit decreet reeds werd gedaan bij de raad van bestuur of een inrichtende macht van de scholengemeenschap of de scholengroep, wordt geacht ook gedaan geweest te zijn voor de scholengemeenschap waartoe de instelling zal behoren.

§ 3. [[Wanneer een instelling uit een scholengemeenschap treedt, en niet opnieuw toetreedt tot een scholengemeenschap, dan worden de diensten die in deze instelling in de scholengemeenschap werden gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit steeds geacht gepresteerd te zijn in dat ambt, deze betrekking, dat vak of deze specialiteit in een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort.

Het personeelslid dat in de instelling die uit een scholengemeenschap treedt in de loop van het voorgaande schooljaar tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur, behoudt bij de uittreding uit de scholengemeenschap zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur onder de voorwaarden gesteld in dit decreet. Het personeelslid behoudt eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Dit recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt vanaf het ogenblik van de uittreding voor alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Het personeelslid dat in de instelling die uit een scholengemeenschap treedt uiterlijk op het einde van het voorgaande schooljaar vastbenoemd en geaffecteerd is, behoudt bij de uittreding uit de scholengemeenschap alle rechten en plichten die verbonden zijn aan deze vaste benoeming en affectatie. Het personeelslid dat deeltijds vastbenoemd is, beantwoordt bij de uittreding uit de scholengemeenschap, en onverminderd artikel 36bis, aan de voorwaarden gesteld in dit decreet voor een uitbreiding van zijn vaste benoeming in alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.]]

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die in toepassing van dit decreet reeds werd gedaan bij de raad van bestuur of een inrichtende macht van de scholengemeenschap, wordt geacht ook gedaan geweest te zijn bij de betrokken raad van bestuur.

§ 4. [[...]] ]

Decr. 15-7-2005; [[ ]] Decr. 1-7-2011

[HOOFDSTUK VIter. - Concordantie

Art. 56ter.

§ 1. De Vlaamse Regering kan bij het wijzigen van een personeelscategorie, een ambt, [[een opleiding, een module,]]² een vak, een specialiteit of de classificatie van een vak of specialiteit, ambtshalve concordanties opstellen. Een ambtshalve concordantie is de omzetting van de bestaande benaming van een personeelscategorie, een ambt, [[een opleiding, een module,]]² een vak, een specialiteit of een classificatie van een vak of specialiteit naar een nieuwe benaming.

§ 2. [[Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering de nadere administratieve en geldelijke bepalingen voor de betrokken personeelsleden vastleggen.

Het betreft bepalingen inzake :

- de prestaties geleverd als tijdelijk personeelslid;

- de rechten met betrekking tot de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur;

- de kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling, een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;

- de vacantverklaring van betrekkingen met het oog op een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;

- de draagwijdte van de vaste benoeming;

- de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling;

- de bekwaamheidsbewijzen;

- de [[[salarisschalen;]]]

[[[- de nuttige ervaring.]]] ]]¹

§ 3. Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming worden de concordanties die voor 1 september 2005 werden vastgelegd, beschouwd als zijnde vastgelegd overeenkomstig dit artikel.]

Decr. 15-7-2005; [[ ]]¹ Decr. 7-7-2006; [[ ]]² Decr. 15-6-2007; [[[ ]]] Decr. 22-6-2007

[Art. 56quater.

§ 1. De Vlaamse Regering kan bij het wijzigen of invoeren van een personeelscategorie, een ambt, een opleiding, een module, een vak, een specialiteit of de classificatie van een vak of specialiteit, voorwaarden voor individuele concordanties bepalen.

Een individuele concordantie houdt de omzetting in van de bestaande benaming van een personeelscategorie, een ambt, een opleiding, een module, een vak, een specialiteit of een classificatie van een vak of specialiteit naar een nieuwe benaming voor een welbepaald personeelslid.

De individuele concordantie is persoonsgebonden en eenmalig.

§ 2. Over een individuele concordantie wordt steeds overlegd tussen de raad van bestuur of zijn afgevaardigde en het personeelslid.

Als beide partijen tot een overeenkomst komen, wordt een individueel concordantieformulier opgesteld dat door beide partijen wordt ondertekend.

De Vlaamse Regering bepaalt hoe de individuele concordantie wordt meegedeeld opdat ze uitwerking zou hebben ten aanzien van de overheid.

§ 3. Als de raad van bestuur of zijn afgevaardigde en het personeelslid geen overeenkomst bereiken als vermeld in § 2, dan deelt de raad van bestuur of zijn afgevaardigde de reden hiervan schriftelijk mee aan het betrokken personeelslid.

Het personeelslid kan vervolgens bij de Commissie Bezwaarschriften, hierna commissie te noemen, een gemotiveerd bezwaarschrift neerleggen.

Het personeelslid kan zich ook met een bezwaarschrift tot de commissie wenden als de raad van bestuur nalaat om een beslissing te nemen.

Dat bezwaarschrift houdt in dat het personeelslid een eigen voorstel indient tot concordantie of dat het personeelslid een voorstel indient om geen concordantie te verkrijgen.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de indiening van een bezwaarschrift.

De commissie hoort de betrokken partijen. Ze houdt bij haar uitspraak rekening met de bepalingen van § 1.

Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid niet aanvaardt, is de door de raad van bestuur gemaakte keuze voor het personeelslid bindend en definitief vanaf de vastgelegde ingangsdatum van de concordantie.

Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid aanvaardt, is die beslissing ten aanzien van de raad van bestuur bindend en definitief vanaf de vastgelegde ingangsdatum van de concordantie.

De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling van de commissie.

§ 4. De Vlaamse Regering kan inzake een individuele concordantie nadere administratieve en geldelijke bepalingen vastleggen voor de personeelsleden voor wie krachtens § 1 een individuele concordantie nodig is. Het betreft bepalingen over :

1° de prestaties geleverd als tijdelijk personeelslid;

2° de rechten met betrekking tot de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur;

3° de kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling, een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;

4° de vacantverklaring van betrekkingen met het oog op een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie;

5° de draagwijdte van de vaste benoeming;

6° de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling;

7° de bekwaamheidsbewijzen;

8° de salarisschalen;

9° de nuttige ervaring.]

Decr. 22-6-2007

HOOFDSTUK VII. - Maatregelen van orde

Art. 57.

De maatregelen van orde bedoeld in dit hoofdstuk zijn enkel van toepassing op de vast benoemde personeelsleden.

De in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen van orde zijn geen tuchtmaatregelen.

Afdeling I. - Overplaatsing in het belang van de dienst

Art. 58.

[§ 1. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen inzake de overplaatsing in het belang van de dienst binnen de scholengroep, met dien verstande dat :

1° deze maatregel slechts kan worden toegepast nadat is vastgesteld dat de minimale verstandhouding die voor de goede werking van de dienst of van het onderwijs nodig is, blijvend gestoord is;

2° de beslissing genomen wordt door raad van bestuur, na advies van de betrokken instellingshoofden;

3° de rechten van verdediging gegarandeerd worden.

§ 2. Een personeelslid kan, met onderling akkoord van de betrokken raden van bestuur, naar een instelling van een andere scholengroep worden overgeplaatst.]

Decr.18-5-1999

Afdeling II. - Preventieve schorsing

Art. 59.

[De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen inzake de preventieve schorsing.

[[De preventieve schorsing is enkel mogelijk indien het belang van het onderwijs of van de dienst dit vereist. De preventieve schorsing is een administratieve maatregel uitgesproken door de raad van bestuur - [[[voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum]]] : door de afgevaardigd bestuurder - na advies van het instellingshoofd.

In het geval van een tuchtvordering wordt de preventieve schorsing uitgesproken voor de duur van het tuchtonderzoek en mag ze, behoudens bij een strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, of in het kader van een beroepsprocedure volgens artikel 71, niet meer dan één jaar bedragen.

De preventieve schorsing kan maximum zes maanden bedragen indien er binnen deze periode geen tuchtvordering wordt ingesteld, behoudens bij een strafrechtelijk onderzoek of een strafrechtelijke vervolging.]]¹

[[Wanneer het personeelslid strafrechtelijk vervolgd wordt of wanneer het personeelslid tuchtrechtelijk vervolgd wordt wegens een ernstig vergrijp waarbij het personeelslid op heterdaad betrapt is of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn, kan de raad van bestuur - de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum - beslissen tot een afhouding van salaris. Er mag niet meer dan een vijfde van het laatste bruto-activiteitssalaris of -wachtgeld worden ingehouden. De afhouding van het salaris of het wachtgeld mag niet voor gevolg hebben dat het salaris van het personeelslid verminderd wordt tot een bedrag lager dan het netto belastbaar bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop de betrokkene recht zou hebben indien hij het voordeel zou genieten van het stelsel van sociale zekerheid van werknemers.

Indien in aansluiting op een preventieve schorsing met afhouding van salaris beslist wordt geen tuchtstraf of de tuchtstraf blaam op te leggen, wordt het afgehouden salaris betaald.

Indien in aansluiting op een preventieve schorsing met afhouding van salaris een tuchtstraf opgelegd wordt waar een salarisverlies aan verbonden is, dan wordt het bedrag van het tijdens de preventieve schorsing afgehouden salaris in mindering gebracht op het bedrag van het salarisverlies verbonden aan de tuchtstraf. Indien het bedrag van het afgehouden salaris groter is dan het bedrag van het salarisverlies verbonden aan de tuchtstraf, wordt het verschil aan de betrokkene betaald.]]²

Het in het eerste lid bedoelde besluit garandeert de rechten van verdediging.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 8-5-2009; [[ ]]² Decr. 9-7-2010; [[[ ]]] Decr. 9-7-2010

[Art. 59bis.

[[Artikel 59 geldt eveneens voor de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn [[[voor doorlopende duur en voor de personeelsleden die tijdelijk of waarnemend aangesteld zijn en ontslagen worden om dringende redenen volgens artikel 24 of artikel 52bis]]].]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 14-2-2003; [[[ ]]] Decr. 25-4-2014

[Art. 59ter.

§ 1. Met uitzondering van de preventieve schorsing in toepassing van artikel 24, artikel 52bis, artikel 53bis, § 5, en artikel 73undecies, § 4, kan het personeelslid tegen de preventieve schorsing [[of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris]] in beroep gaan bij de kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Op straffe van verval dient het beroep ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na het versturen van de ter post aangetekende brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing.

Het beroep wordt ingesteld bij beroepsschrift en moet alle middelen bevatten die tegen de preventieve schorsing [[of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris]] kunnen worden ingebracht. Daartoe ontvangt het betrokken personeelslid met dezelfde zending als die waarmee hem de preventieve schorsing wordt meegedeeld, een kopie van zijn dossier.

Het personeelslid dat over nieuwe elementen beschikt, kan tegen zijn preventieve schorsing [[of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris]] een beroep instellen, van zodra minstens drie maanden verstreken zijn sinds de dag na het versturen van de ter post aangetekende brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing.

§ 2. [[Het beroep schort de preventieve schorsing niet op; de afhouding van salaris wordt wel opgeschort.]]

§ 3. [[Ten aanzien van betwistingen inzake het niet in acht nemen door de raad van bestuur - de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst - van de bepalingen van artikel 59 of het kennelijk onredelijke karakter van de preventieve schorsing doet de kamer van beroep in laatste aanleg uitspraak. De kamer van beroep kan de preventieve schorsing bevestigen of vernietigen. Als de preventieve schorsing waartegen beroep werd aangetekend, gepaard gaat met een tuchtonderzoek, beslist de kamer van beroep in afwijking van artikel 72, 3°, bij unanimiteit wanneer ze de preventieve schorsing wenst te vernietigen.

Bij een beroep tegen een preventieve schorsing met afhouding van salaris of tegen de afhouding van salaris heeft de kamer van beroep de bevoegdheid om de afhouding van salaris te bevestigen, te vernietigen of te beperken.]]

§ 4. De Vlaamse Regering kan de nadere regelen van de beroepsprocedure bepalen en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden.]

Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. 1-7-2011

Afdeling III. - De terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst

Art. 60.

[...]

Decr. 19-7-2013

HOOFDSTUK VIII. - Tuchtregeling

[Art. 60bis.

[[Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende personeelsleden :

- de vastbenoemde personeelsleden;

[[[- de personeelsleden die toegelaten zijn tot de proeftijd;]]]

- de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;

- de vastbenoemde personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking en die zijn gereaffecteerd of wedertewerkgesteld.]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 14-2-2003; [[[ ]]] Decr. 8-5-2009

Afdeling I. - Tuchtstraffen

Art. 61.

§ 1. In geval van tekortkoming aan hun plichten kunnen de [...]² personeelsleden één van de volgende sancties oplopen :

1° de blaam;

2° de afhouding van de wedde;

3° de schorsing bij tuchtmaatregel;

4° de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel;

5° [de terugkeer tot de tijdelijke aanstelling voor het personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt, de terugzetting in rang voor het personeelslid dat vast benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt of het uitstel van vaste benoeming voor een bepaalde duur van het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur.]³ [De terugzetting in rang is niet van toepassing op de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst;]4

6° [het ontslag. Naargelang de aard van de redenen waarom een ontslag gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen;]5

[7° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom de afzetting gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen.]5

[Betreft het [[een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht]] dan kan de tuchtstraf enkel worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.]¹

[ ]¹ Decr. 18-5-1999; [ ]² Decr. 13-7-2001; [ ]³ Decr. 7-7-2006; [ ]4 Decr. 8-5-2009; [ ]5 Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. 25-4-2014

§ 2. [...]

Decr. 4-7-2008

Art. 62.

[§ 1. De tuchtstraffen, bedoeld in artikel 61, worden uitgesproken door de raad van bestuur.

§ 2. In afwijking op § 1 worden de tuchtstraffen, bedoeld in artikel 61, voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum uitgesproken door de afgevaardigd bestuurder.

§ 3. Een tuchtstraf is definitief ofwel na het verstrijken van de termijn van twintig kalenderdagen, bedoeld in artikel 73, tweede lid, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, zoals bedoeld in artikel 71, tweede lid. De raad van bestuur, of de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, is gehouden de beslissing van de kamer van beroep uit te voeren.]

Decr. 4-7-2008

[Art. 62bis.

[[Als het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en met toepassing van de geldende decretale en reglementaire bepalingen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, oefent de raad van bestuur waarbij het personeelslid een opdracht verricht, voor die opdracht de tuchtmacht uit volgens de decretale en reglementaire bepalingen die ter zake van toepassing zijn. Als het gereaffecteerde of wedertewerkgestelde personeelslid de tuchtstraf ontslag of afzetting oploopt, kan de definitieve beslissing tot het ontslag of de afzetting ook betrekking hebben op de oorspronkelijke vaste benoeming, op voorwaarde dat de raad van bestuur, vermeld in artikel 62, § 1, van dit decreet, of de overheid, vermeld in artikel 68, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, dat ontslag of die afzetting ten opzichte van de oorspronkelijke vaste benoeming bevestigt binnen de hierna vermelde termijnen. De raad van bestuur die de tuchtmacht uitoefent, deelt hiertoe vanaf het ogenblik dat de beslissing definitief is binnen een termijn van twintig kalenderdagen de definitieve beslissing tot ontslag of afzetting, in voorkomend geval de beslissing van de kamer van beroep, en het tuchtdossier waarop zij haar uitspraak heeft gesteund mee aan de raad van bestuur of aan de hiervoor vermelde overheid, die de oorspronkelijke vaste benoeming heeft uitgesproken. De raad van bestuur of de overheid die de oorspronkelijke vaste benoeming heeft uitgesproken, heeft na ontvangst van het dossier twintig kalenderdagen de tijd om aan het betrokken personeelslid mee te delen of zij de definitieve beslissing tot ontslag of afzetting al of niet bevestigt. Als de hiervoor vermelde raad van bestuur of overheid geen juridische verantwoordelijkheid meer draagt voor het personeelslid en er geen rechtsopvolger is aangeduid, beslist de kamer van beroep of de definitieve beslissing tot ontslag of afzetting al of niet betrekking heeft op de oorspronkelijke vaste benoeming. Als de definitieve beslissing tot ontslag of afzetting wordt bevestigd, kan het personeelslid tegen die beslissing geen nieuw beroep aantekenen bij de kamer van beroep.]]

De Vlaamse regering kan nadere modaliteiten bepalen volgens dewelke deze tuchtmacht wordt uitgeoefend.]

Decr. 14-2-2003; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Art. 63.

[De afhouding van het salaris wordt toegepast ten hoogste zes maanden en mag niet meer dan één vijfde van het laatste bruto-activiteitssalaris of -wachtgeld bedragen.]

Decr. 1-7-2011

Art. 64.

De schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor ten hoogste één jaar. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd doch blijft in de administratieve stand waarin het zich bevond op de dag vóór de schorsing. De schorsing heeft de halvering van de laatste bruto-activiteitswedde of - wachtgeld voor gevolg.

Art. 65.

De terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel mag niet minder dan één jaar duren en niet langer dan twee jaar.

Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en ontvangt een wachtgeld ten bedrage van de helft van de bruto-activiteitswedde of -wachtgeld.

Art. 66.

De afhouding van de wedde of het wachtgeld of de toekenning van een wachtgeld mag niet voor gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid verminderd wordt tot een bedrag lager dan het netto belastbaar bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop de betrokkene recht zou hebben indien hij het voordeel zou genieten van het stelsel van sociale zekerheid van werknemers.

Art. 67.

[§ 1. Bij de terugkeer tot de tijdelijke aanstelling blijft het personeelslid in de betrekking die het als vast benoemd personeelslid bekleedde de dag voorde tuchtuitspraak.

[[Het personeelslid behoort dan tot de groep bedoeld in artikel 21, § 3, en artikel 21bis, § 3.]]¹

Het kan niet uit zijn betrekking worden verwijderd door toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling.

Het artikel 23, § 1, b) en e) is niet van toepassing op deze personeelsleden. Het personeelslid dat bij tuchtmaatregel is teruggezet tot de tijdelijke aanstelling, komt slechts opnieuw in aanmerking voor een vaste benoeming na verloop van twee volledige schooljaren volgend op de uitspraak.

§ 2. De terugzetting in rang heeft tot gevolg dat de [[salarisschaal]]² wordt toegekend, die verbonden is aan het ambt dat definitief wordt toegewezen door de terugzetting in rang.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere gevolgen van deze sanctie inzonderheid van de gevolgen ten aanzien van de andere personeelsleden.

§ 3. De centrale raad, en met ingang van 1 januari 2000 de raad van bestuur, wijst een instelling aan waar een personeelslid dat bij tuchtmaatregel in rang is teruggezet, die betrekking dient op te nemen.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 14-2-2003; [[ ]]² Decr. 22-6-2007

[§ 4. Bij het uitstel van vaste benoeming blijft het personeelslid aangesteld voor doorlopende duur en blijft ook het recht op zulke aanstelling behouden. Het komt slechts opnieuw in aanmerking voor een vaste benoeming na verloop van twee volledige schooljaren volgend op de uitspraak.]

Decr. 7-7-2006

Art. 68.

[...]

Decr. 13-7-2007

Art. 69.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake de uitoefening van de tuchtmacht, alsmede de toepasselijke procedure. Een tuchtstraf kan geen uitwerking hebben over een periode voor de tuchtuitspraak. Het hiervoor bedoelde besluit garandeert de rechten van verdediging.

Afdeling II. - Doorhaling van de tuchtstraffen

Art. 70.

§ 1. De doorhaling van de tuchtstraf, [met uitzondering van het ontslag of de afzetting], gebeurt van rechtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op :

- één jaar voor de blaam;

- drie jaar voor de afhouding van de wedde;

- vijf jaar voor de tuchtschorsing;

- zeven jaar voor de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel.

De termijn loopt vanaf de datum van de tuchtuitspraak.

§ 2. Onverminderd de uitvoering van de tuchtstraf, heeft de doorhaling tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden inzonderheid bij de aanspraken op een selectie- of bevorderingsambt, noch bij de toekenning van de evaluatie die wordt uitgebracht na de doorhaling. De doorgehaalde tuchtstraf wordt uit het personeelsdossier verwijderd.

Decr. 8-5-2009

Afdeling III. - De kamer van beroep

Art. 71.

Er wordt een [kamer van beroep]¹ ingesteld bevoegd voor het personeel waarop dit decreet van toepassing is.

[De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep dat een personeelslid heeft ingesteld tegen de tuchtstraf die de raad van bestuur, of de afgevaardigd-bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum heeft uitgesproken. De kamer van beroep heeft de bevoegdheid om de tuchtstraf te bevestigen of te vernietigen, of om een lichtere tuchtstraf uit te spreken. Ze doet tevens uitspraak in alle aangelegenheden waarvoor door of krachtens dit decreet bevoegdheid werd verleend.]²

[ ]¹ Decr. 13-7-2007; [ ]² Decr. 1-7-2011

Art. 72.

[De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake de samenstelling en de uitoefening van het mandaat van de leden van de kamer van beroep, met dien verstande dat :

1° de kamer van beroep wordt voorgezeten door een onafhankelijk persoon;

2° er een pariteit is tussen de vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties;

3° de kamer van beroep beslist bij gewone meerderheid van stemmen;

4° de voorzitter stemgerechtigd is. Bij staking van stemmen na een tweede stemronde is de stem van de voorzitter doorslaggevend;

5° bij stemming er steeds pariteit moet zijn tussen de vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties, behoudens bij een tweede zitting wanneer op de eerste zitting de vertegenwoordigers van een van beide geledingen afwezig bleven.

De Vlaamse Regering stelt de voorzitter aan en bepaalt de vergoedingen waar hij recht op heeft.]

Decr. 13-7-2007

Art. 73.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende [het secretariaat en]¹ de werkwijze van de [kamer van beroep]², de procedure en de redenen tot wraking.

[De termijn voor het instellen van het beroep bedraagt twintig kalenderdagen. Deze termijn kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Het beroep heeft een schorsende werking.]³

[ ]¹ Decr. 13-7-2001; [ ]² Decr. 13-7-2007; [ ]³ Decr. 21-12-2012

[HOOFDSTUK VIIIbis. - Functiebeschrijving

Art. 73bis.

§ 1. [[Dit hoofdstuk geldt voor de personeelsleden en de instellingen bedoeld in dit decreet.]]²

§ 2. Voor de bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder "instelling" desgevallend ook de pedagogische entiteit zoals bedoeld in artikel 31, § 1, verstaan.

Art. 73ter.

§ 1. [[Voor de personeelsleden vermeld in artikel 73bis worden, in het kader van hun begeleiding, geïndividualiseerde functiebeschrijvingen opgesteld.]]²

Een functiebeschrijving moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument dat het mogelijk maakt een autonoom personeelsbeleid te voeren dat gericht is op het verstrekken van kwaliteitsvol onderwijs.

§ 2. Een functiebeschrijving is verplicht voor elk personeelslid dat aangesteld is voor meer dan 104 dagen. Ze kan ook opgesteld worden voor personeelsleden die voor een kortere duur aangesteld zijn.

§ 3. De raad van bestuur [[- voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder -]]² of de scholengemeenschap, indien de instelling tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen in het lokaal comité, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de principes vermeld in dit hoofdstuk.

§ 4. De directeur wijst voor ieder personeelslid van zijn instelling twee evaluatoren aan. De raad van bestuur wijst voor elk van de personeelsleden van een autonoom internaat en voor elk personeelslid waarvoor de scholengroep als instelling wordt beschouwd, twee evaluatoren aan. Hierbij wordt rekening gehouden met volgende principes :

1° voor personeelsleden tewerkgesteld in wervingsambten moet één van beide evaluatoren steeds de directeur of adjunct-directeur zijn. Wordt het wervingsambt evenwel uitgeoefend in een autonoom internaat, dan moet één van beide evaluatoren steeds de beheerder van dat internaat zijn;

2° voor de eerste evaluator gelden volgende bepalingen :

- de eerste evaluator moet een personeelslid zijn van de instelling waar het betrokken personeelslid is tewerkgesteld.

Voor een personeelslid dat tewerkgesteld is ter ondersteuning van of op het niveau van de scholengemeenschap, kan de eerste evaluator een personeelslid zijn dat tewerkgesteld is in een andere instelling van de scholengemeenschap.

Voor een personeelslid dat tewerkgesteld is bij de scholengroep is de eerste evaluator een personeelslid dat tewerkgesteld is bij de scholengroep of in een instelling van de scholengroep;

- voor een personeelslid dat aangesteld is in een wervingsambt, moet de eerste evaluator aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt. Voor een personeelslid dat aangesteld is in een selectieambt, moet de eerste evaluator aangesteld zijn in een bevorderingsambt. Voor een personeelslid dat aangesteld is in een bevorderingsambt, is de eerste evaluator de directeur;

- de eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid te coachen in diens functioneren. Het houden van functioneringsgesprekken is een onderdeel van deze taak;

3° voor de tweede evaluator gelden volgende bepalingen :

- is de eerste evaluator een personeelslid dat aangesteld is in een selectieambt c.q. bevorderingsambt, dan is de tweede evaluator dat minstens ook, of is hij een lid van de raad van bestuur;

- de rol van de tweede evaluator wordt bepaald binnen de algemene afspraken bedoeld in § 3 en in artikel 73novies, maar deze afspraken mogen geen afbreuk doen aan de rol en de taken van de eerste evaluator zoals vastgelegd in dit artikel en in artikel 73decies. Deze afspraken moeten minstens inhouden dat het personeelslid en de eerste evaluator op hun verzoek tijdens de in hoofdstuk VIIIbis enVIIIter bedoelde procedure steeds een beroep kunnen doen op de tweede evaluator.

[[De personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst die aangesteld zijn in het ambt van pedagogisch adviseur hebben eveneens twee evaluatoren. Hierbij gelden volgende bepalingen :

- de adviseur-coördinator is de eerste evaluator. Hij heeft als voornaamste taak het personeelslid te coachen in diens functioneren. Het houden van functioneringsgesprekken is een onderdeel van deze taak;

- de afgevaardigd bestuurder is de tweede evaluator. Zijn rol wordt bepaald binnen de algemene afspraken bedoeld in § 3 en in artikel 73novies, maar deze afspraken mogen geen afbreuk doen aan de rol en de taken van de eerste evaluator zoals vastgelegd in dit artikel en in artikel 73decies. Deze afspraken moeten minstens inhouden dat het personeelslid en de eerste evaluator op hun verzoek tijdens de in hoofdstuk VIIIbis en VIIIter bedoelde procedure steeds een beroep kunnen doen op de tweede evaluator.]]²

§ 5. [[In afwijking van § 4 worden de beheerder van een autonoom internaat en de directeur geëva-lueerd door de raad van bestuur. De directeur van het vormingscentrum en de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst worden geëvalueerd door de afgevaardigd bestuurder. Deze personeelsleden hebben geen tweede evaluator.

Voor de toepassing van hoofdstuk VIIIbis en van hoofdstuk VIIIter wordt deze evaluator steeds beschouwd als eerste evaluator.

De eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid te coachen in diens functioneren. Het houden van functioneringsgesprekken is een onderdeel van deze taak.]]²

§ 6. Een opleiding tot evaluator is aangewezen voor wie als evaluator wordt aangesteld.

§ 7. Het personeelslid en de eerste evaluator [[...]]² leggen per ambt en per instelling waar het personeelslid fungeert, een geïndividualiseerde functiebeschrijving vast. Daarbij houden ze rekening met de algemene afspraken die in uitvoering van § 3 zijn vastgelegd en met de bepalingen van het arbeidsreglement.

Personeelslid en eerste evaluator [[...]]² leggen in de functiebeschrijving de taken en instellingsgebonden opdrachten van het personeelslid vast en de wijze waarop het personeelslid deze taken en opdrachten moet uitvoeren.

In de functiebeschrijving worden ook de instellingsspecifieke doelstellingen opgenomen.

De functiebeschrijving bevat eveneens de rechten en plichten inzake permanente vorming en nascholing. Als het personeelslid nascholing wordt opgelegd, komen de kosten ten laste van de inrichtende macht.

Ten slotte kunnen aan de functiebeschrijving, naar aanleiding van een functioneringsgesprek of op basis van de afspraken gemaakt op het einde van de vorige evaluatieperiode, ook persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden toegevoegd.

§ 8. De functiebeschrijving van [[de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht]]4 moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.

[[Art. 73ter/1.

Bij het toewijzen van instellingsgebonden opdrachten aan personeelsleden moet het instellingshoofd rekening houden met de tijd die de personeelsleden besteden aan hun vertegenwoordiging in lokale inspraakorganen opgericht door of krachtens een wet of een decreet, en met de tijd die een vakbondsafgevaardigde besteedt aan zijn vertegenwoordiging in de Vlaamse Onderwijsraad of in de stuurgroep vermeld in artikel 2, 42°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.]]³

Art. 73quater.

[[Onverminderd [[[artikel 73ter en 73ter/1]]] legt de Vlaamse Regering voor het basisonderwijs voor de verschillende ambten vast welke taken niet tot het taken- en opdrachtenpakket kunnen behoren. Deze taken mogen niet in de functiebeschrijving opgenomen worden.

Onverminderd [[[artikel 73ter en 73ter/1]]] wordt voor het basisonderwijs ook rekening gehouden met de bepalingen van hoofdstuk X, afdeling 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.]]¹

Bij het verdelen van de instellingsgebonden opdrachten tussen alle personeelsleden in het kader van de schoolopdracht, wordt o.a. rekening gehouden met :

1° de aard van de hoofdopdracht van de personeelsleden in de instelling, het voltijds of deeltijds karakter ervan en de tijd die hieraan besteed wordt;

2° het principe van de billijke verdeling van de taken, inzonderheid met betrekking tot personeelsleden die nog in andere instellingen werkzaam zijn;

3° de mogelijkheden en capaciteiten van de personeelsleden;

4°[[...]]³.

Art. 73quinquies.

§ 1. Voor de wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs wordt, voor zover dit ambt een lesopdracht omvat, bij het vastleggen van de functiebeschrijvingen, onverminderd [[artikel 73ter en 73ter/1]]³, rekening gehouden met volgende principes :

1° de hoofdtaak van de leraar is het lesgeven, in de brede zin van het woord. Het gaat om een geïntegreerde lerarenopdracht, die betrekking heeft op alles wat als vanzelfsprekend bij het lerarenberoep hoort, vertrekkend vanuit de brede professionaliteit van de lesgever. Tot deze geïntegreerde lerarenopdracht behoren taken zoals :

- de planning en voorbereiding van lessen;

- het lesgeven zelf;

- de klaseigen leerlingenbegeleiding;

- de evaluatie van de leerlingen;

- de nascholing;

- het overleg en de samenwerking met directie, collega's, CLB en ouders;

2° naast de hoofdtaak kan van de leraar ook een beperkt aantal instellingsgebonden opdrachten worden gevraagd, zoals :

- het opnemen van verantwoordelijkheden die het les- of klasgebeuren overschrijden;

- het opnemen van een of andere specifieke rol of opdracht;

- het vervangen van afwezige leraars en aanvullend toezicht houden;

- vertegenwoordiging in schoolexterne organen.

§ 2. De lijst van de instellingsgebonden opdrachten, bedoeld in § 1, 2°, wordt opgemaakt door de directeur en onderhandeld in het lokaal comité.

Binnen de lijst van instellingsgebonden opdrachten wordt bepaald welke eerder beleidsondersteunend zijn en welke dat niet zijn. Tegenover eerder beleidsondersteunende opdrachten moeten in principe ondersteunende omkaderingselementen worden geplaatst. De criteria die zullen worden gebruikt om deze opdrachten al dan niet als eerder beleidsondersteunend te kwalificeren en ze te verdelen onder alle personeelsleden, alsook de criteria voor de verdeling van de omkaderingselementen worden onderhandeld in het lokaal comité.

Bij het verdelen van de instellingsgebonden opdrachten tussen alle personeelsleden wordt o.a. rekening gehouden met :

1° de aard van de hoofdtaak van de personeelsleden in de instelling, het voltijds of deeltijds karakter ervan en de tijd die hieraan besteed wordt;

2° het principe van de billijke verdeling van de taken, inzonderheid met betrekking tot personeelsleden die nog in andere instellingen werkzaam zijn;

3° de mogelijkheden en capaciteiten van de personeelsleden;

4°[[...]]³.

Art. 73sexies.

§ 1. Als de eerste evaluator [[...]]² en het betrokken personeelslid het niet eens raken over de functiebeschrijving of bepaalde onderdelen ervan, beslist de raad van bestuur. De raad van bestuur hoort vooraf de eerste evaluator en het betrokken personeelslid. [[In het geval de directeur van het vormingscentrum of de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst het niet eens raken met hun eerste evaluator, beslist deze.]]²

§ 2. De eerste evaluator [[...]]² ondertekent de functiebeschrijving; het betrokken personeelslid ondertekent de functiebeschrijving voor kennisname.

§ 3. Een functiebeschrijving kan alleen worden aangepast :

1° ingevolge afspraken die de eerste evaluator [[...]]² en het personeelslid maken tijdens een functioneringsgesprek;

2° na overleg tussen eerste evaluator [[...]]² en het personeelslid bij een belangrijke wijziging van de opdracht van het personeelslid;

3° bij aanvang van een nieuwe evaluatieperiode.]

Decr. 13-7-2007; [[ ]]¹ Decr. 4-7-2008; [[ ]]² Decr. 8-5-2009; [[ ]]³ Decr. 1-7-2011; [[ ]]4 Decr. 25-4-2014; [[[ ]]] Decr. 1-7-2011

[HOOFDSTUK VIIIter. - Evaluatie

Art. 73septies.

§ 1. [[Dit hoofdstuk geldt voor de personeelsleden en de instellingen bedoeld in dit decreet.]]²

§ 2. Voor de bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder "instelling" desgevallend ook de pedagogische entiteit zoals bedoeld in artikel 31, § 1, verstaan.

AFDELING I. - De evaluatie

Art. 73octies.

§ 1. Een evaluatie moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument, dat het mogelijk maakt een autonoom personeelsbeleid te voeren gericht op het verstrekken van kwaliteitsvol onderwijs.

§ 2. Ieder personeelslid dat een functiebeschrijving heeft, zoals bedoeld in hoofdstuk VIIIbis, moet minimaal om de vier schooljaren geëvalueerd worden op basis van die functiebeschrijving. Er kan bij een evaluatie enkel rekening worden gehouden met prestaties geleverd in het lopende schooljaar en de drie voorafgaande schooljaren.

Een personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgesteld volgens de bepalingen van hoofdstuk VIIIbis, kan niet worden geëvalueerd.

§ 3. De evaluatie heeft betrekking op het volledig functioneren van het personeelslid ten opzichte van de geïndividualiseerde functiebeschrijving, met inbegrip van de voor de betrokken evaluatieperiode afgesproken persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen.

Art. 73novies.

De raad van bestuur [[- voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder -]]² of de scholengemeenschap, indien de instelling tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake evaluatie in het lokaal comité, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de principes vermeld in dit hoofdstuk.

Art. 73decies.

§ 1. Met het oog op de evaluatie zoals bedoeld in artikel 73octies, wordt er een evaluatiegesprek gehouden tussen de eerste evaluator [[...]]² en het betrokken personeelslid.

Het evaluatiegesprek heeft als eerste doel het functioneren van het personeelslid te verbeteren daar waar dit nodig is en het te ondersteunen. Het is niet louter op het verleden gericht. Na het gesprek moeten niet enkel de goede en sterke punten, maar ook de eventueel te verbeteren punten van het personeelslid duidelijk zijn. Het evaluatiegesprek kan bijgevolg aanleiding geven tot het bijsturen naar de toekomst toe en het kan leiden tot nieuwe, duidelijke afspraken.

§ 2. Het evaluatiegesprek, vermeld in § 1, leidt steeds tot een evaluatieverslag.

Dit evaluatieverslag, opgesteld door de eerste evaluator [[...]]² beschrijft op zorgvuldige wijze het volledig functioneren van het personeelslid ten opzichte van de functiebeschrijving, met inbegrip van de voor de betrokken evaluatieperiode eventueel afgesproken persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen en bevat steeds een eindconclusie.

De eerste evaluator [[...]]² ondertekent en dateert het evaluatieverslag en legt het voor aan het betrokken personeelslid. Het personeelslid ondertekent en dateert ter kennisneming en bezorgt het onmiddellijk terug aan de eerste evaluator [[...]]². De eerste evaluator bezorgt onmiddellijk een kopie van dit evaluatieverslag aan het personeelslid. De eerste evaluator bezorgt eveneens een kopie van dit evaluatieverslag ter kennisneming aan de tweede evaluator en aan de raad van bestuur.

Als het evaluatieverslag de eindconclusie "onvoldoende" bevat, moet het - op straffe van nietigheid - steeds de beroepsmogelijkheden bevatten.

§ 3. [[De leerkracht levensbeschouwelijk onderricht]]4 wordt voor de niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten geëvalueerd door de eerste evaluator. Voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten levert de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer een bijdrage tot deze evaluatie.

Afdeling II. - De evaluatie met eindconclusie "onvoldoende"

Art. 73undecies.

§ 1. Een evaluatie, bedoeld in afdeling I, kan leiden tot een evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende".

§ 2. [[Tegen een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kan het personeelslid beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van het college van beroep, zoals vermeld in artikel 73septiesdecies, § 1. Die kamer van het college van beroep garandeert de rechten van verdediging.]]³

Als het personeelslid, binnen de in artikel 73septies decies, § 5, 1°, voorziene termijn, geen beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" definitief na het verstrijken van deze termijn.

[[Als het personeelslid, binnen de in artikel 73septiesdecies, § 5, 1°, voorziene termijn, beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" definitief na de uitspraak van de bevoegde kamer van het college van beroep voor zover die kamer de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" niet vernietigt.]]³

§ 3. Na een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende", en voor zover deze niet leidt tot het ontslag zoals bedoeld in dit hoofdstuk, moet betrokkene een nieuwe evaluatie krijgen. Deze nieuwe evaluatie moet een periode van ten minste twaalf maanden effectieve prestaties omvatten. Deze periode start op het ogenblik dat het evaluatieverslag wordt voorgelegd aan het betrokken personeelslid overeenkomstig artikel 73decies, § 2.

§ 4. De raad van bestuur kan de directeur na een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" preventief schorsen volgens artikel 59. Deze preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de kopie van het evaluatieverslag wordt overhandigd aan het betrokken personeelslid overeenkomstig artikel 73decies, § 2, en tot de termijn of de procedure bedoeld in § 2 verstreken is.

Art. 73duodecies.

Bij de eerder beleidsondersteunende instellingsgebonden opdrachten, waartegenover ondersteunende omkaderingselementen staan, moet het aandeel van de extra omkadering in de opdracht van het betrokken personeelslid, aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, voldoende zijn, zo niet kan het personeelslid hiervoor geen evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" krijgen.

Art. 73terdecies.

Het personeelslid dat in een wervingsambt vast benoemd is of tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur wordt, met toepassing van artikel 86, 11°, ontslagen door de raad van bestuur als het in éénzelfde instelling voor dat wervingsambt ofwel twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" ofwel drie definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" in zijn loopbaan heeft gekregen.

Het ontslag geldt voor het ambt in die instelling waarop de evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" betrekking hebben.

Art. 73quaterdecies.

Het personeelslid dat in een wervingsambt tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur wordt, met toepassing van artikel 86, 10°, door de raad van bestuur ontslagen als het voor dat wervingsambt één definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen.

Het ontslag geldt voor het ambt in die instelling waarop de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" betrekking heeft.

Art. 73quinquies decies.

§ 1. Het personeelslid dat belast is met een mandaat [[...]]¹, zoals bedoeld in dit decreet, wordt na één definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" door de raad van bestuur ontheven van zijn mandaat.

§ 2. [[In afwijking van § 1 wordt het personeelslid dat belast is met een mandaat van directeur in een CLB én dat vast benoemd is in het ambt van directeur, met toepassing van artikel 86, 11°, ontslagen door de raad van bestuur als het in éénzelfde instelling voor het ambt van directeur ofwel twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" ofwel drie definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" in zijn loopbaan heeft gekregen.]]¹

Als de in het vorig lid bedoelde directeur voorheen vast benoemd was in een ander ambt in het onderwijs, dan kan de raad van bestuur deze directeur echter ook na één definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" uit zijn ambt verwijderen. Deze directeur wordt door de betrokken raad van bestuur dan onmiddellijk ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in het ambt waarin hij voorheen was vast benoemd.

Het personeelslid dat belast is met een mandaat van directeur in een CLB en dat niet vast benoemd is in het ambt van directeur en voorheen ook geen vaste benoeming had in een ander ambt in het onderwijs, wordt, met toepassing van artikel 86, 10°, ontslagen door de raad van bestuur als het voor zijn ambt één definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen.

Art. 73sexies decies.

§ 1. Het personeelslid dat in een selectie- of bevorderingsambt vast benoemd is, wordt, met toepassing van artikel 86, 11°, ontslagen door de raad van bestuur [[of door de afgevaardigd bestuurder voor het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst]]² als het, in toepassing van hoofdstuk VIIIbis en VIIIter, in éénzelfde instelling voor dat selectie-of bevorderingsambt ofwel twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" ofwel drie definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" in zijn loopbaan heeft gekregen.

Het ontslag geldt voor het ambt in die instelling waarop de evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" betrekking hebben.

§ 2. De raad van bestuur [[of de afgevaardigd bestuurder voor het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst]]² kan een personeelslid dat vast benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen vast benoemd was in een ambt in het onderwijs, na één definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende", in toepassing van hoofdstuk VIIIbis en VIIIter, voor dat selectie- of bevorderingsambt uit dit ambt verwijderen.

Het betrokken personeelslid wordt door de betrokken raad van bestuur onmiddellijk ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in het ambt waarin hij voorheen vast benoemd was.

§ 3. Het personeelslid dat in een selectie- of bevorderingsambt waarnemend aangesteld is of tot de proeftijd is toegelaten, wordt, met toepassing van artikel 86, 10°, ontslagen door de raad van bestuur [[of door de afgevaardigd bestuurder voor het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst]]² als het, in toepassing van hoofdstuk VIIIbis en VIIIter, voor dat selectie- of bevorderingsambt één definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen.

Het ontslag geldt voor het ambt in die instelling waarop de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" betrekking heeft.

Afdeling III. - Het college van beroep

Art. 73septies decies.

§ 1. Er wordt een college van beroep opgericht, bestaande uit drie kamers waarvan één voor het gemeenschapsonderwijs ten behoeve van het personeel waarop dit decreet van toepassing is.

§ 2. [[De bevoegde kamer van het college van beroep]]³ doet in een met redenen omklede beslissing uitspraak over de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" door enerzijds na te gaan of de evaluatie op een zorgvuldige en kwaliteitsvolle manier is gebeurd, anderzijds dient zij de redelijkheid van de sanctie te beoordelen.

[[De bevoegde kamer van het college van beroep]]³ heeft de volgende bevoegdheden :

1° nagaan of de procedureregels op het niveau van de instelling zijn nageleefd. Aan de hand van elementen uit het dossier moet worden nagegaan of

- zowel de procedure betreffende de evaluatie als de procedure betreffende het vastleggen van de functiebeschrijvingen werden nageleefd;

- de rechten van verdediging niet werden geschonden;

2° nagaan of de evaluatie is gebeurd volgens de regels en in de geest van de functiebeschrijvingen en evaluatie;

3° oordelen of de beslissing betreffende een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" steunt op motieven die de toekenning van een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" in rechte en in feite aanvaardbaar maken;

4° oordelen of er een redelijke verhouding bestaat tussen de feiten en de uiteindelijke beslissing tot het geven van een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende";

5° de beslissing betreffende een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" vernietigen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake de samenstelling en de uitoefening van het mandaat van de leden van het college van beroep met dien verstande dat :

1° [[iedere kamer van het college van beroep]]³ wordt voorgezeten door een onafhankelijk persoon;

2° er een pariteit is tussen de vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties;

3° [[de bevoegde kamer van het college van beroep]]³ beslist bij gewone meerderheid van stemmen;

4° de voorzitter stemgerechtigd is : bij staking van stemmen na een tweede stemronde is de stem van de voorzitter doorslaggevend;

5° bij de stemming er steeds pariteit moet zijn tussen de vertegenwoordigers van de werkgevers-en werknemersorganisaties, behoudens bij een tweede zitting wanneer op de eerste zitting de vertegenwoordigers van één van beide organisaties afwezig bleven.

De Vlaamse Regering benoemt de voorzitter en bepaalt de vergoedingen waarop hij recht heeft.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep.

§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende de beroepsprocedure en betreffende de werking van [[de kamers van het college van beroep]]³, in het procedurereglement, met dien verstande dat :

1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met de eindconclusie "onvoldoende" door de eerste evaluator, de raad van bestuur voor de beheerder van een autonoom internaat en de directeur of de afgevaardigd bestuurder voor de directeur van het vormingscentrum. Deze termijn kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode;

2° het beroep de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" opschort;

3° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek;

4° de rechten van verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd.]

Decr. 13-7-2007; [[ ]]¹ Decr. 4-7-2008; [[ ]]² Decr. 8-5-2009; [[ ]]³ Decr. 9-7-2010; [[ ]]4 Decr. 25-4-2014

HOOFDSTUK IX. - Administratieve standen

Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 74.

De administratieve standen waarin de personeelsleden zich geheel of gedeeltelijk kunnen bevinden zijn :

- dienstactiviteit;

- non-activiteit;

- terbeschikkingstelling.

Art. 75.

Een personeelslid wordt voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden, behoudens een uitdrukkelijke bepaling die het personeelslid van rechtswege of bij beslissing van een ter zake bevoegd orgaan van [het Gemeenschapsonderwijs] in een andere administratieve stand plaatst.

Decr.18-5-1999

Afdeling II. - Dienstactiviteit

Art. 76.

Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling heeft het personeelslid in actieve dienst recht op een wedde en op verhoging tot hogere wedde en kan zijn aanspraak doen gelden op een selectie- en bevorderingsambt.

Art. 77.

Het personeelslid krijgt onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden, verlof gelijkgesteld met dienstactiviteit.

In afwachting van de uitvaardiging door de Regering van deze verlofstelsels blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire verlofstelsels van toepassing.

[Als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering uitgevaardigde verlofstelsels wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten verlof het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar, enkel voor de bezoldiging, een aantal kalenderdagen eveneens als dergelijk verlof wordt beschouwd. De aldus met een periode van verlof gelijkgestelde dagen worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van verlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Om dat aantal kalenderdagen te berekenen :

1° worden het aantal kalenderdagen genoten verlof opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;

2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;

3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.]

Decr. 22-6-2007

[Art. 77bis.

De terbeschikkingstellingen wegens bijzondere opdracht toegekend aan de personeelsleden wordt omgezet in een verlof wegens opdracht in het belang van het onderwijs op voorwaarde dat :

- deze terbeschikkingstellingen worden toegekend vóór 1 september 1998; en

- dat in het ministerieel besluit dat hen deze terbeschikkingstelling toestond, werd gestipuleerd dat hen een wachtgeld of wachtgeldtoelage zou worden toegekend, die gelijk is aan de activiteitswedde of activiteitstoelage, die ze zouden genoten hebben indien ze in dienst waren gebleven.]

Decr.18-5-1999

[Art. 77ter.

De personeelsleden die deelnemen aan de nascholingsactiviteiten zoals bedoeld in [[titel II, hoofdstuk II, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs]] bevinden zich van rechtswege in de stand "dienstactiviteit" gedurende de periode van nascholing. Zij blijven alle voordelen genieten die zij in hun ambt genoten, met inbegrip van de weddenverhogingen en bijkomende vergoedingen.]

Decr. 14-2-2003; [[ ]] Decr. 19-6-2015

[Art. 77quater.

§ 1. Personeelsleden kunnen een verlof wegens bijzondere opdracht of een verlof wegens opdracht opnemen voor diensten of projecten met belang voor het onderwijs.

Het betreft diensten of projecten die de werking van het onderwijs ten goede komen door deelname, ondersteuning en begeleiding te leveren inzake vernieuwingen of experimenten op onderwijsvlak, inzake het onderwijsbeleid of inzake het onderwijsonderzoek.

§ 2. Personeelsleden kunnen onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering een verlof wegens bijzondere opdracht bekomen, zonder terugbetaling van het salaris, in het kader van de hiernavolgende diensten of projecten :

1° de pedagogische begeleidingsdiensten en nascholing op initiatief van het Gemeenschapsonderwijs;

2° de Europese scholen;

3° de projecten waarbij er een vervanging is door gesubsidieerde contractuelen, die door het departement Onderwijs worden bezoldigd, of door personeelsleden bedoeld in artikel X.57 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV;

4°[[een opdracht in de vereniging die de rijdende kleuterschool Vlaanderen organiseert volgens de artikelen 168 en 169 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;]]8

5° de functie van secretaris van een reaffectatiecommissie;

[[...]]9

7° [[...]]4

8°[[...]]6

9° de projecten die kaderen in een door de Vlaamse Gemeenschap onderschreven Europese en bilaterale uitwisselingsprojecten;

10° de door de Europese Unie ondersteunde Europese onderwijsprojecten;

11° [[...]]³

12°[[...]]6

13° het begeleiden en ondersteunen van de inspraakstructuren in het onderwijs;

[[14° een opdracht in de internationale school Ferney-Voltaire;]]5

[[15° de projecten van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.]]6

De Vlaamse regering kan de in het eerste lid bedoelde lijst uitbreiden met initiatieven en projecten die een bijzonder belang voor het onderwijs vertonen.

[[De Vlaamse Regering stelt voor de verloven wegens bijzondere opdracht de nadere modaliteiten vast. Het totale aantal verloven wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in het eerste lid, 15°, wordt voor het gemeenschaps- en het gesubsidieerd onderwijs samen vastgelegd op maximaal [[[42]]] voltijdse equivalenten, waarvan er minimaal 12 voltijdse equivalenten worden voorbehouden voor het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve groeperingen van inrichtende machten.]]6

§ 3. De personeelsleden kunnen onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering een verlof wegens opdracht bekomen, mits een terugbetaling van het salaris, voor een dienst of project in het belang van het onderwijs.

De Vlaamse regering bepaalt naast de in het eerste lid bedoelde voorwaarde :

1° ten aanzien van de dienst/het project

- [[...]]8

- [[...]]²

- voor welke diensten en projecten het verlof wegens opdracht beperkt wordt tot een bepaalde maximumduur;

2° ten aanzien van het betrokken personeelslid

- voor welke diensten en projecten het verlof wegens opdracht in hoofde van het personeelslid beperkt wordt tot een bepaalde maximumduur;

- de gevolgen voor de administratieve en geldelijke rechtspositie van het betrokken personeelslid;

3° [[ten aanzien van de instelling waar het personeelslid geaffecteerd of aangesteld is :

- de wijze waarop zij in het beslissingsproces wordt betrokken.]]¹

[[§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten waarbij een financiële bijdrage aan een organisatie kan worden gevraagd voor de administratieve kosten met betrekking tot het aanvragen voor een personeelslid van een verlof wegens opdracht, verlof voor vakbondsopdrachten, verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet, of verlof voor prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen erkende politieke groeperingen of hun voorzitters. Deze financiële bijdrage wordt uitsluitend gevraagd aan organisaties die er zich toe verbonden hebben het salaris van het personeelslid, verhoogd met alle vergoedingen en bijslagen die door het Ministerie van Onderwijs en Vorming worden uitbetaald, voor de voormelde periode terug te betalen aan het Ministerie van Onderwijs en Vorming na voorlegging van een schriftelijke betalingsstaat.

§ 5. Als een organisatie in het kader van een verlof wegens opdracht beroep doet op een personeelslid voor een periode die geen volledig schooljaar, met inbegrip van de zomervakantie, omvat, dan wordt aan de organisatie naast de terugbetaling van het salaris van het betrokken personeelslid voor de periode van het genoten verlof een bijkomende salariskost aangerekend. Deze bijkomende salariskost wordt berekend op basis van een aantal kalenderdagen volgens volgende principes :

1° alle kalenderdagen van het genoten verlof wegens opdracht worden opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar;

2° het resultaat van de optelling wordt met 0,2 vermenigvuldigd;

3° het resultaat wordt naar de lagere eenheid afgerond.]]7 ]

Decr. 14-2-2003; [[ ]]¹ Decr. 7-7-2006; [[ ]]² Decr. 22-6-2007; [[ ]]³ Decr. 13-2-2009; [[ ]]4 Decr. 8-5-2009; [[ ]]5 Decr. 8-5-2009; [[ ]]6 Decr. 19-7-2013; [[ ]]7 Decr. 3-7-2015; [[ ]]8 Decr. 25-4-2014; [[ ]]9 Decr. 17-6-2016; [[[ ]]] Decr. 19-12-2014

[Art. 77quinquies.

Een personeelslid dat met toepassing van artikelen 41 en 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 door de werkgever verwijderd werd uit een risico kan door de bevoegde inrichtende macht belast worden met pedagogische of administratieve taken in een niet organieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum in kwestie en/of voor de scholengemeenschap. Mits onderling akkoord kan het personeelslid deze taken ook uitoefenen in een andere instelling van de scholengemeenschap.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere administratieve en geldelijke gevolgen van deze maatregel.]

Decr. 7-7-2006

[Art. 77sexies.

Na uitputting van de krachtens de wet of het decreet voorgeschreven procedures tot re-integratie of wedertewerkstelling, en met behoud van de bepalingen over verlof en terbeschikkingstelling, kan de raad van bestuur een vast benoemd personeelslid als vermeld in artikel 55vicies/2 of artikel 55vicies/3 de uitoefening van zijn ambt ontzeggen.]

Decr. 25-4-2014

[Art. 77septies.

§ 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden die gebruik maken van een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.

§ 2. In afwijking van de bepalingen betreffende tijdelijke aanstelling kan een personeelslid vermeld in paragraaf 1, tijdens de duur van zijn langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen zijn tijdelijke aanstelling niet uitbreiden in vergelijking tot het volume van zijn tijdelijke aanstelling op de vooravond van het verlof. De toepassing van artikel 21 en artikel 21bis is eveneens beperkt tot het volume van zijn tijdelijke aanstelling op de vooravond van het verlof.

§ 3. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden betreffende vaste benoeming, kan een personeelslid dat op de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen deeltijds vast benoemd is, zijn vaste benoeming slechts uitbreiden tot een volume dat maximaal gelijk is aan het volume van werkhervatting dat in de beslissing over het verlof goedgekeurd werd.

§ 4. Het deel van de vast benoemde opdracht waarvoor het personeelslid het verlof vermeld in paragraaf 1 neemt, wordt na een periode van 24 maanden van voormeld verlof een vacante betrekking.

§ 5. Het personeelslid wiens betrekking volgens paragraaf 4 als vacant wordt beschouwd, blijft na de vacantwording van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof.]

Decr. 19-6-2015

[Art. 77octies.

IN VOEGE VANAF 1/9//2016 (Decr. XXVI, 17-6-2016; Art. VIII.3 en VIII.7) : een artikel 77octies wordt ingevoegd dat luidt als volgt : "Art. 77octies. Het personeelslid heeft recht op borstvoedingspauzes op het werk conform de bepalingen die opgenomen zijn in de cao nr. 80 van de Nationale Arbeidsraad van 27 november 2001 zoals gewijzigd bij de cao nr. 80bis van 13 oktober 2010. De periode van de borstvoedingspauze wordt bezoldigd en gelijkgesteld met dienstactiviteit."

Decr. 17-6-2016

Afdeling III. - Non-activiteit

Art. 78.

Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling heeft het personeelslid in de stand non-activiteit geen recht op wedde.

Het kan alleen onder de door de Regering bepaalde voorwaarden aanspraak maken op verhoging tot een hogere wedde en op een selectie- of bevorderingsambt.

Art. 79.

[...]

Decr. 7-7-2006

Art. 80.

Onder de door de Regering bepaalde voorwaarden is het personeelslid in de stand non-activiteit :

a) wanneer het in vredestijd sommige militaire prestaties vervult of voor de civiele bescherming of voor taken van openbaar nut wordt aangewezen op grond van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980;

b) wanneer het een afwezigheid van lange duur gewettigd door familiale redenen wordt toegestaan;

c) wanneer het afwezig is op grond van een machtiging om zijn ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid uit te oefenen. In dit geval is het personeelslid in non-activiteit voor de niet uitgeoefende prestaties;

[d) wanneer het met politiek verlof is, met inbegrip van de periode van eventuele uitgestelde indiensttreding na het beëindigen van het mandaat;]

Decr. 28-4-1993

[e) wanneer het ambt dat het als vastbenoemd personeelslid uitoefent niet langer beschouwd kan worden als hoofdambt in de zin van de bezoldigingsregeling die op hem van toepassing is. In dit geval is het personeelslid in non-activiteit voor de prestaties waarvoor het vast benoemd is, maar waarvoor het geen wedde meer ontvangt;]

Decr. 13-7-2001

[f) wanneer het personeelslid ingevolge een beslissing van de pensioencommissie van Medex toegelaten wordt tot het tijdelijk pensioen. Tijdens deze periode van non-activiteit blijft het personeelslid titularis van zijn betrekking. Als het personeelslid na het tijdelijk pensioen weer in dienst treedt, wordt de periode van non-activiteit gelijkgesteld met dienstactiviteit.]

Decr. 19-7-2013

In afwachting dat de Vlaamse Regering de hiervoor bedoelde voorwaarden vastlegt, blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire bepalingen van toepassing.

Art. 81.

Ongewettigde afwezigheid plaatst het personeelslid ambtshalve in de stand non-activiteit, onverminderd de tuchtstraf die eraan kan worden verbonden.

Tijdens de periodes van ongewettigde afwezigheid kan het personeelslid geen aanspraak maken op bevordering tot een hogere wedde en op een selectie- of bevorderingsambt.

Afdeling IV. - Terbeschikkingstelling

Art. 82.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 65 en 66 betreffende de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel kan het personeelslid onder de door de Regering bepaalde voorwaarden, zonder opzegging, ter beschikking worden gesteld :

a) wegens ontstentenis van betrekking;

b) [...]¹

c) wegens ziekte of gebrekkigheid;

d) wegens persoonlijke aangelegenheid;

e) [...]³

f) wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen.

In afwachting dat de Vlaamse Regering de voorwaarden ter zake vastlegt, blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire bepalingen van toepassing.

[Een overeenkomstig a) en c), ter beschikking gesteld personeelslid kan gedurende twee jaar zijn aanspraken op een selectie- of bevorderingsambt en op bevordering tot een hoger salaris doen gelden.]²

[ ]¹ Decr. 14-2-2003; [ ]² Decr. 8-5-2009; [ ]³ Decr. 19-7-2013

[De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten bij een voorafgaande periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden, en die een nieuwe periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden onmiddellijk voorafgaan, worden eveneens als een periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden beschouwd.

Onverminderd de berekeningswijze van de tijdens de zomervakantie toe te kennen uitgestelde bezoldiging en als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering vastgelegde voorwaarden wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar een aantal kalenderdagen niet worden bezoldigd. Om dat aantal kalenderdagen te berekenen :

1° worden alle kalenderdagen genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;

2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;

3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.

Als ten gevolge van die berekening het maandsalaris niet volledig verschuldigd is, wordt het in dertigsten verdeeld in overeenstemming met de regeling die in dit geval voor de vastbenoemde personeelsleden wordt toegepast.

Onverminderd de berekeningswijze van de geldelijke anciënniteit voor tijdelijke personeelsleden met het recht op uitgestelde bezoldiging, komen de voormelde dagen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden waarop het personeelslid nog recht heeft.

In afwijking van de bepalingen van het vijfde lid eindigt de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden, toegekend voor een volledig schooljaar of dienstjaar steeds bij het einde van dat schooljaar of dienstjaar, de zomervakantie inbegrepen.]

Decr. 22-6-2007

Art. 83.

§ 1. Niemand kan ter beschikking worden gesteld of gehouden [vanaf de datum waarop hij aanspraak kan maken op een rustpensioen] en dertig dienstjaren telt die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen.

Decr. 21-12-2012

§ 2. Het bepaalde van de vorige paragraaf is niet van toepassing op de personeelsleden :

1° die ter beschikking werden gesteld wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking;

2° directeurs van een kleuterschool of lagere school of basisschool, onderwijzers, leermeesters niet-confessionele zedenleer, leermeesters godsdienst, leermeesters lichamelijke opvoeding en bijzondere leermeesters die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking bij toepassing van de wettelijke bepalingen tot opheffing van de vierde graden of van artikel 22, derde lid, a) en c), van de wetten op het lager onderwijs, gecoördineerd op 20 augustus 1957 of nog van de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 oktober 1975 houdende de eerste maatregelen tot rationalisatie van het gewoon lager onderwijs, van toepassing vanaf het schooljaar 1975-1976;

3° de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking en op wie de bepalingen toepasselijk zijn van :

a) artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 49 van 2 juli 1982 betreffende de oprichtingsnormen en de herstructurering van instellingen in het secundair onderwijs met volledig leerplan;

b) artikel 39 van het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs;

c) artikel 25 van het koninklijk besluit nr. 460 van 17 september 1986 tot vaststelling van het rationalisatieplan en het programmatieplan van het hoger onderwijs van het korte type en tot wijziging van de wetgeving betreffende de organisatie van het hoger onderwijs van het lange type;

d) artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 461 van 17 september 1966 houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het onderwijs voor sociale promotie;

e) artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 541 van 31 maart 1987 houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het aanvullend secundair beroepsonderwijs en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 460 van 17 september 1986 tot vaststelling van het rationalisatieplan en het programmatieplan van het hoger onderwijs van het korte type en tot wijziging van de wetgeving betreffende de organisatie van het hoger onderwijs van het lange type;

f) artikel 11bis van het koninklijk besluit nr. 467 van 1 oktober 1986 betreffende de rationalisatie en programmatie en de normen inzake personeelsomkadering van de psycho-medisch-sociale centra en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot de Fondsen voor schoolgebouwen;

[4° [[...]]

5° die volledig, halftijds of een vierde ter beschikking zijn gesteld in toepassing van de overgangsmaatregel zoals bepaald in artikel 9quinquies van het besluit van 11 februari 2000 betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra.

De terbeschikkingstelling zoals bedoeld in het eerste lid, kan ook aanvangen na of verder lopen dan het tijdstip waarop het personeelslid het recht heeft verkregen op een pensioen ten laste van de Schatkist;]¹

[6° die ter beschikking gesteld zijn of worden wegens persoonlijke aangelegenheid.]²

[7° die ter beschikking zijn gesteld wegens ziekte en waarvoor er een geschil voor een arbeidsrechtbank lopende is. Dit geschil moet handelen over het niet-erkennen van een afwezigheid ten gevolge van een arbeidsongeval of een beroepsziekte of over de consolidatiedatum;

8° die ter beschikking zijn gesteld wegens ziekte en waarvoor de procedure buitendienstongeval niet is afgesloten.]³

[ ]¹ Decr. 14-2-2003; [ ]² Decr. 22-6-2007; [ ]³ Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. 8-5-2009

Art. 84.

[De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn :

a) wegens volledige ontstentenis van betrekking of om de redenen vermeld in [[artikel 82, eerste lid, c), e) en f)]], aanspraak kunnen maken op een wachtgeld;

b) wegens volledige ontstentenis van betrekking doch volledig of gedeeltelijk gereaffecteerd of wedertewerkgesteld zijn, aanspraak kunnen maken op een wedde;

c) wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking aanspraak kunnen maken op een wedde.]

Dit wachtgeld, de toelagen en de vergoedingen die eventueel aan die personeelsleden worden toegekend zijn onderworpen aan de mobiliteitsregeling die geldt voor de bezoldiging van de personeelsleden in dienstactiviteit.

Decr. 28-4-1993; [[ ]] Decr. 8-5-2009

Art. 85.

[...]

Decr.9-4-1992

HOOFDSTUK X. - Definitieve ambtsneerlegging

Art. 86.

Onverminderd de bepalingen van artikel 23 in verband met de beëindiging van de tijdelijke aanstelling worden de tijdelijk aangestelde en de vast benoemde personeelsleden tenzij anders bepaald [...] zonder opzegging ontslagen :

Decr. 13-7-2007

1° indien zij niet meer voldoen aan één van de volgende voorwaarden :

a) [onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie zijn, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;]¹

b) [de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in a).]

c) de verplichtingen van de dienstplichtwetten nakomen;

Decr. 13-7-2001

2° indien zij na een geoorloofde afwezigheid, zonder geldige redenen behoudens overmacht, hun dienst niet hervatten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijven;

3° indien zij zonder geldige redenen hun betrekking verlaten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijven;

4° indien zij zich bevinden in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;

5°[[als ze worden toegelaten tot het definitief vroegtijdig pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;]]

6° indien zij na terugroeping in actieve dienst, onder meer bij reaffectatie of wedertewerkstelling zonder geldige redenen weigeren de door een ter zake bevoegd orgaan aangewezen betrekking te bekleden;

7° vanaf het ogenblik waarop hun onregelmatige vaste benoeming of tijdelijke aanstelling wordt ingetrokken. In dat geval behoudt het personeelslid evenwel de aan zijn voorafgaande toestand verbonden rechten;

8°[[...]];]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. 25-4-2014

9° [vanaf het ogenblik waarop de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer, aan de opdracht van [[de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht]] een einde maakt;]

Decr. 13-7-2007; [[ ]] Decr. 25-4-2014

[10° vanaf het ogenblik dat voor het personeelslid dat in een wervingsambt tijdelijk aangesteld is voor bepaalde duur of tijdelijk aangesteld is in een selectie- of bevorderingsambt, de voorwaarden voor een ontslag in toepassing van [[artikel 73quaterdecies, 73quinquiesdecies]] of artikel 73sexiesdecies, § 3, vervuld zijn;

11° vanaf het ogenblik dat voor het vastbenoemde personeelslid of het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur, de voorwaarden voor een ontslag in toepassing van [[artikel 73terdecies, 73quinquiesdecies]] of artikel 73sexies decies, § 1, vervuld zijn.]

Decr. 13-7-2007; [[ ]] Decr. 4-7-2008

Art. 87.

[De beslissing waarbij een personeelslid in toepassing van artikel 86 of [[artikel 88, 3°]] wordt ontslagen, wordt met redenen omkleed en ter kennis gebracht van de betrokkenen.

Een afschrift van de beslissing wordt toegezonden aan het instellingshoofd.

Onverminderd artikel 88bis kan deze kennisgeving enkel geschieden hetzij bij ter post aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.]

Decr. 13-7-2007; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Art. 88.

[Voor de vast benoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging :

1° het vrijwillige ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste vijftien kalenderdagen;

2°[[het bereiken van de leeftijdsgrens;]]²

3° [[het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 61, 6° of 7°;]]¹

4° bij toepassing van artikel 83, § 1;

5°[[de definitieve pensionering;]]²

[[6° het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel.]]²

[[In afwijking van punt 2° geeft het bereiken van de leeftijdsgrens geen aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.

Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :

1° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;

2° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt', zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.]]² ]

Decr. 13-7-2007; [[ ]]¹ Decr. 8-5-2009; [[ ]]² Decr. 21-12-2012

[Art. 88bis.

[[Een vastbenoemd personeelslid dat in toepassing van artikel 86, 9°, 10° of 11°, of [[[artikel 88, 3°]]]² [[[wordt ontslagen of afgezet]]]¹, wordt pas definitief uit zijn ambt verwijderd na een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt vastgesteld volgens het aantal arbeidsdagen dat vereist is om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.

Deze opzeggingstermijn begint te lopen vanaf de betekening van de beslissing bedoeld in artikel 87.

Tijdens deze opzeggingstermijn wordt het personeelslid beschouwd als tijdelijk aangesteld. Het kan door de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum door de afgevaardigd bestuurder - met een andere opdracht worden belast en het kan, naar rato van de grootte van zijn oorspronkelijke opdracht, worden vervangen.

Het personeelslid ontvangt het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het vast benoemd was.

Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 13-7-2007; [[[ ]]]¹ Decr. 8-5-2009; [[[ ]]]² Decr. 19-6-2015

HOOFDSTUK XI. - Slot-, opheffings- en overgangsbepalingen

Art. 89.

[...]

Decr.18-5-1999

Art. 90.

[...]

Decr.14-2-2003

[Art. 90bis.

[[...]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr.14-2-2003

Art. 91.

[§ 1. Voor de toepassing van [[artikel 21, § 3, en artikel 21bis, § 3]]¹ komen alleen de diensten na 1 september 1988 in aanmerking.

§ 2. Diensten gepresteerd in een instelling van de scholengroep, of binnen de lokale raad waaronder de instelling ressorteerde vóór de inwerkingtreding van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, worden voor de toepassing van de anciënniteitsregels beschouwd als diensten gepresteerd in de scholengroep.

§ 3. Diensten gepresteerd in een instelling van de scholengemeenschap, of binnen de lokale raad of scholengroep waaronder de instelling ressorteert bij de oprichting van de scholengemeenschap, worden voor de toepassing van de anciënniteitsregels beschouwd als diensten gepresteerd in de scholengemeenschap.]

[[Voor de scholen van het basisonderwijs zijn de bepalingen betreffende de scholengemeenschappen zoals bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing tijdens de schooljaren 2003-2004 en 2004-2005.]]² ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 14-2-2003; [[ ]]² Decr.10-7-2003

[§ 4. De diensten verworven vóór 1 september 2000 in een PMS-centrum van het Gemeenschapsonderwijs of in het Vormingscentrum van de PMS-centra van het Gemeenschapsonderwijs, worden voor de toepassing van artikel 21 en artikel 36, § 1, 1°, geacht verworven te zijn bij het CLB waar het personeelslid kandideert voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur en in het na concordantie overeenstemmende ambt met toepassing van artikel 182 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding.

§ 5. Voor de toepassing van artikel 21 wordt de dienstanciënniteit van de tijdelijke personeelsleden die namens het Gemeenschapsonderwijs deel uitmaken van de stuurgroep bedoeld in de artikelen 199 tot en met 204 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, geacht te zijn verworven en effectief gepresteerd in het CLB of de CLB's waar het personeelslid werd toegewezen vanaf 1 september 2000.]

Decr.14-2-2003

Art. 91bis.

[...]

Decr.18-5-1999

Art. 92.

[...]

Decr.14-2-2003

Art. 93.

[...]

Decr.18-5-1999

Art. 94.

[...]

Decr.18-5-1999

[Art. 94bis.

[[...]] ]

Decr. 15-12-1993; [[ ]] Decr.14-2-2003

Art. 95.

[...]

Decr. 21-12-2012

[Art. 95bis.

[[...]] ]

Decr. 14-7-1998; Decr.21-12-2012

Art. 96.

De Vlaamse Regering kan bijzondere maatregelen treffen inzake de terugkeer ten behoeve van de personeelsleden die werkzaam zijn in de Bondsrepubliek Duitsland en op wie dit decreet van toepassing is.

Art. 97.

§ 1. De leden van het administratief personeel die op 1 april 1991 een totaal van 720 dagen dienstanciënniteit in een administratief ambt van het Gemeenschapsonderwijs hebben, worden op hun verzoek op die datum vast benoemd, voor zover ze die betrekking in hoofdambt bekleden en het om een betrekking gaat waarin niet moet worden voorzien door reaffectatie. Daarenboven moeten de betrokkenen lichamelijk geschikt zijn zoals vereist in de ter zake geldende reglementsbepalingen. Voor de vaststelling van deze anciënniteit komen eveneens de contractuele diensten in aanmerking.

§ 2. Voor de vaststelling van de voorrang voor het administratief personeel komen de diensten gepresteerd als contractuele in aanmerking.

§ 3. De personeelsleden die wensen gebruik te maken van de bepalingen in § 1 dienen in het bezit te zijn van de bekwaamheidsbewijzen vereist voor het administratief personeel vastgelegd door de Vlaamse Regering.

§ 4. De benoeming kan slechts opgesteld worden voor de betrekking waarvan de opdracht die rekening houdende met de rationalisatie- en omkaderingsnormen, een waarborg biedt inzake stabiliteit van de betrekking na 1 september 1991.

§ 5. De maatregel van § 1 is alleen van toepassing op personeelsleden die nog over geen enkele vaste benoeming beschikken in het onderwijs of een administratie.

§ 6. De dienstanciënniteit bedoeld in dit artikel wordt berekend overeenkomstig artikel 4 van dit decreet. In afwijking van de bepalingen van artikel 4 wordt de anciënniteit niet met 1,2 vermenigvuldigd en is punt c) niet van toepassing.

[Art. 97bis.

Voor de toepassing van de artikelen 4, 5, 21 en 36, § 1, 1° , van dit decreet, worden de diensten in aanmerking genomen die de personeelsleden gepresteerd hebben in een betrekking van de categorie van het administratief personeel in het rijksonderwijs/gemeenschapsonderwijs, in de periode van 1 september 1985 tot 31 maart 1991, en die bezoldigd werden met een wedde door het ministerie van onderwijs/departement onderwijs.]

Decr.21-12-1994

Art 98.

De tuchtprocedures ingeleid voor het in werking treden van dit decreet worden voortgezet overeenkomstig de desbetreffende wets-, decreets- en reglementsbepalingen van kracht voor de inwerkingtreding van dit decreet.

Art. 99.

De diensten gepresteerd door de personeelsleden in de semi-internaten en in de [internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien] vóór het van kracht worden van dit decreet komen in aanmerking voor de in artikel 4 bedoelde anciënniteit.

Decr.25-4-2014

Art. 100.

[...]

Decr.14-2-2003

[Art. 100bis.

[[§ 1. De bepalingen inzake functiebeschrijving gelden vanaf 1 september 2007.

§ 2. De bepalingen inzake evaluatie gelden voor de personeelsleden van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de CLB's vanaf 1 september 2007. Voor de personeelsleden van het basisonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, de autonome internaten en tehuizen, de semi-internaten en de [[[internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien]]] gelden ze vanaf 1 september 2009.

§ 3. De beoordelings- en evaluatieprocedures ingezet in toepassing van artikel 22 of 41 en de beroepsprocedure ingezet in toepassing van artikel 24 en artikel 61, 6°, moeten verder worden gezet overeenkomstig de decreets- en reglementsbepalingen die golden op het ogenblik van het opstarten van deze procedures. Hiertoe blijft een raad van beroep fungeren. Deze raad van beroep is samengesteld uit :

1° een voorzitter en twee plaatsvervangende voorzitters, onafhankelijke personen die aangesteld worden door de Vlaamse Regering;

2° twee leden aangewezen door de voorzitter van de raad van beroep onder de leden bedoeld in § 2, overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde regelen;

3° een vaste secretaris en een plaatsvervangende secretaris, door de afgevaardigd bestuurder aangewezen onder de ambtenaren van niveau A van zijn administratieve diensten. Een secretaris is belast met het opstellen van het verslag over de zaak.

Bij de aanwijzing van de leden bedoeld in 2°, wijst de Vlaamse Regering voor respectievelijk het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het hoger onderwijs, het buitengewoon onderwijs, de psycho-medisch- sociale centra, de pedagogische begeleidingsdienst en de categorie van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel telkens acht leden aan, waarvan telkens vier titularis van een wervings- of selectieambt en telkens vier titularis van een bevorderingsambt zijn. Voor de categorie van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel worden vier leden titularis van een wervingsambt en vier leden titularis van een selectieambt aangeduid. Deze leden zijn vast benoemde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.

De voorzitter wijst overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde regelen de leden aan.

De Vlaamse Regering bepaalt de vergoedingen waarop de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter recht hebben.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende de samenstelling, het secretariaat en de werking van de raad van beroep, de procedure en de redenen tot wraking.]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. 13-7-2007; [[[ ]]] Decr. 25-4-2014

[Art. 100ter.

[[Alle beroepen die tijdens het schooljaar 2007-2008 werden ingediend bij de kamer van beroep tegen een ontslag om dringende redenen of tegen een tuchtstraf worden geacht conform de regelgeving te zijn ingediend.]]³

Art. 100quater.

[[In het buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de internaten, kunnen vanaf het schooljaar 2006-2007 geen personeelsleden meer tijdelijk worden aangesteld of worden vast benoemd in betrekkingen in de categorie van het opvoedend hulppersoneel of het administratief personeel.]]²

Art. 100quinquies.

[[§ 1. De personeelsleden die op 30 juni 2006 vast benoemd zijn, toegelaten zijn tot de proeftijd, ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking of tijdelijk aangesteld zijn in een vacante betrekking in een ambt in de categorie van het opvoedend hulppersoneel worden, mits inachtneming van [[[de bepalingen inzake de globale puntenenveloppe opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]], met ingang van 1 september 2006 geconcordeerd naar het ambt van opvoeder. Die concordantie is persoonsgebonden.

De concordantie heeft geen gevolgen voor de geldelijke en administratieve rechtspositie van het personeelslid.

§ 2. De personeelsleden die op 30 juni 2006 vast benoemd zijn, ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking of tijdelijk aangesteld zijn in een vacante betrekking in een ambt in de categorie van het administratief personeel worden, op voorwaarde van [[[de bepalingen inzake de globale puntenenveloppe opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]], met ingang van 1 september 2006 geconcordeerd naar het ambt van administratief medewerker. Die concordantie is persoonsgebonden.

De concordantie heeft geen gevolgen voor de geldelijke en administratieve rechtspositie van het personeelslid.

§ 3. Van de concordantie, vermeld in §§ 1 en 2, kan mits wederzijds akkoord tussen inrichtende macht en betrokken personeelslid worden afgeweken. De afwijking kan enkel op 1 september 2006 worden toegepast en de concordantie is eveneens persoonsgebonden.

Het personeelslid volgt vervolgens de geldelijke en administratieve rechtspositie die verbonden is aan het ambt waarnaar hij als gevolg van de afwijking wordt geconcordeerd.

Bij de toepassing van deze paragraaf moet de inrichtende macht steeds rekening houden met [[[artikel 30 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]].

§ 4. Het personeelslid behoudt bij de concordantie steeds de salarisschaal die hij genoot op 30 juni 2006 en de daarmee overeenstemmende puntenwaarde, zoals bepaald in [[[de bepalingen inzake de globale puntenenveloppe opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]].

§ 5. Het personeelslid dat op het ogenblik van de concordantie, vermeld in §§ 1 en 2, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 betreffende de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de psychomedisch-sociale centra of van hetbesluit van de Vlaamse Regering van 11 februari 2000 betreffende de volledige terbeschikkingstellling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding, ter beschikking gesteld is in een ambt van het opvoedend hulppersoneel of van het administratief personeel, wordt beschouwd als ambtshalve geconcordeerd zoals vermeld in §§ 1 en 2.

§ 6. In afwijking op artikel 48 kan de raad van bestuur het personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2006 toegelaten is tot de proeftijd in het selectieambt van opvoeder-huismeester of directiesecretaris vast benoemen in dit ambt op voormelde datum.]]²

Art. 100sexies.

[[§ 1. Een tijdelijk personeelslid kan vrijwillig afstand doen van de in artikel 100quinquies vastgelegde concordantie. Deze vrijwillige afstand is eenmalig en is onomkeerbaar.

§ 2. De in artikel 100quinquies vastgelegde concordantie eindigt voor een tijdelijk personeelslid van rechtswege als het personeelslid gedurende een ononderbroken periode van twee kalenderjaren niet in het onderwijs is tewerkgesteld. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de militaire dienst en de perioden van wederoproeping, de ziekte- en bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, de loopbaanonderbreking en de verloven zonder behoud van wedde(toelage) voor een maximumduur van 6 werkdagen per schooljaar.

§ 3. De in artikel 100quinquies vastgelegde concordantie eindigt voor een vastbenoemd personeelslid van rechtswege bij ontslag uit het onderwijs of ingevolge een bevordering in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 55.]]¹

Art. 100septies.

[[...]]¹

Art. 100octies.

De regering kan maatregelen nemen ter uitvoering van de overgangsbepalingen inzake ondersteunend, administratief en opvoedend hulppersoneel.]

Decr. 14-7-1998; [[ ]]¹ Decr. 14-2-2003; [[ ]]² Decr. 7-7-2006; [[ ]]³ Decr. 4-7-2008; [[[ ]]] B.Vl.R. 17-12-2010

[Art. 100novies.

De artikelen 100ter tot en met 100octies zijn niet van toepassing op de PMS-centra en op de CLB's.]

Decr.1-12-1998

[Art. 100decies.

§ 1. In afwijking tot hetgeen bepaald is in hoofdstuk III, afdeling II van dit decreet blijven de tijdelijke aanstellingen in de centra voor leerlingenbegeleiding tot en met 31 augustus 2000 de bevoegdheid van de centrale raad van de ARGO, bedoeld in artikel 5, § 1, 1° van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs. De centrale raad stelt aan op voorstel van het hoofd van de instelling.

§ 2. Voor de toepassing van dit decreet moet tot 31 augustus 2000 onder "CLB" worden verstaan "het psycho-medisch-sociaal centrum".]

Decr.18-5-1999

[Art. 100undecies.

§ 1. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn in een gefinancierde instelling van het basisonderwijs als gesubsidieerd contractueel personeelslid, als contractueel personeelslid ten laste van het departement onderwijs of als contractueel personeelslid zoals bedoeld in artikel 154, § 1, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid in een administratieve functie in een gefinancierde instelling van het basisonderwijs beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 4, 21, 21bis, 36 en 56. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het ambt van administratief medewerker in de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs.

Een personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven. De beperking tot 720 dagen geldt niet voor de toepassing van artikel 55, § 2bis.

De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep die het ontslag heeft gegeven.

§ 2. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn als contractueel personeelslid ten laste van het departement onderwijs in een gefinancierde instelling van het basisonderwijs of secundair onderwijs, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid in een ambt van het onderwijzend, opvoedend of paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel in een gefinancierde instelling van het basisonderwijs of secundair onderwijs beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 4, 21, 21bis, 36 en 56. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het betrokken ambt of in het ambt van beleidsmedewerker in de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs.

Het personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven.

De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep die het ontslag heeft gegeven.

§ 3. De personeelsleden die op 30 juni 2003 vast benoemd zijn of ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking in een ambt van rekenplichtig correspondent, eerste rekenplichtige correspondent, klerk, klerk-typist, eerste klerk-typist of opsteller in de categorie van het administratief personeel in een school van het basisonderwijs, worden met ingang van 1 september 2003 geconcordeerd naar het ambt van administratief medewerker in de categorie van het beleids- en ondersteunend personeel. Deze concordantie is persoonsgebonden. Deze concordantie heeft geen gevolgen voor de geldelijke en administratieve rechtspositie van het personeelslid. Het personeelslid behoudt bij de concordantie steeds de [[salarisschaal]] die het genoot op 30 juni 2003.

De diensten gepresteerd in ambten van de categorie van het administratief personeel worden beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker in de categorie van het beleids- en ondersteunend personeel.

De vastbenoemde administratieve medewerkers die werden geconcordeerd zoals bedoeld in het eerste lid, worden aangesteld of geaffecteerd in het ambt van administratief medewerker dat wordt ingericht op basis van de puntenenveloppes zoals bedoeld in artikel 153novies en artikel 192, § 4, van het decreet van 25 februari betreffende het basisonderwijs.

Voor de personeelsleden die op 1 september 2003 worden geconcordeerd naar een vastbenoemd ambt van administratief medewerker met onvolledige prestaties, zijn voor de vaste benoemingen op 1 januari 2004 en 1 januari 2005 de bepalingen van artikel 36ter niet van toepassing.

§ 4. Diensten gepresteerd door de personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking en die in de maand juni 2003 tewerkgesteld zijn als administratieve hulp in het basisonderwijs, worden mits instemming van de raad van bestuur, beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 4, 21, 21bis, 36 en 56 met dien verstande dat een personeelslid op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen kan verwerven. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het ambt van administratief medewerker in de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs.

§ 5. In afwijking van de bepalingen van hoofdstuk III en onverminderd de bepalingen van artikel 40septies , stelt de raad van bestuur vóór 15 oktober 2003 de lijst op met de vacante betrekkingen van administratief medewerker of beleidsmedewerker, die kunnen worden ingericht op basis van de puntenenveloppe zoals bedoeld in hoofdstuk IX, afdeling IIIbis, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Bij het opstellen van deze lijst houdt de raad van bestuur rekening met de betrekkingen die op 15 september 2003 vacant zijn. Een betrekking die op deze wijze werd vacant verklaard kan op 1 januari 2004 door benoeming worden toegewezen.

§ 6. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn als contractueel personeelslid ten laste van het departement onderwijs in een gefinancierd CLB of in het vormingscentrum, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid in een ambt van het technisch of het administratief personeel in een gefinancierd CLB of in het vormingscentrum beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 4, 21, 21ter, 36, 36quater en 56. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het betrokken ambt. Het personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep die het ontslag heeft gegeven.

§ 7. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 21, 21bis en 21ter, kan het personeelslid bedoeld in § 1, § 2, § 4 en § 6 dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, op straffe van verlies van zijn recht voor schooljaar 2003-2004, vóór 15 augustus 2003 bij de raad van bestuur, kandideren met een ter post aangetekende brief.]

Decr. 10-7-2003; [[ ]] Decr. 22-6-2007

[§ 8. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn in een gefinancierde instelling van het secundair onderwijs als contractueel personeelslid ten laste van het departement Onderwijs, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid in een administratieve functie in een gefinancierde instelling van het secundair onderwijs beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in de artikelen 4, 21, 21bis, 36 en 56. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het ambt van administratief medewerker in de personeelscategorie van het ondersteunend personeel in het secundair onderwijs.

Het personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven. De beperking tot 720 dagen geldt niet voor de toepassing van artikel 55, §§ 1 en 2.

De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep die het ontslag heeft gegeven.

§ 9. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn als contractueel personeelslid ten laste van het departement Onderwijs in een gefinancierde instelling van het deeltijds kunstonderwijs of van het volwassenenonderwijs, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid ten laste van het departement Onderwijs in een ambt van een personeelscategorie van het deeltijds kunstonderwijs of volwassenenonderwijs beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in de artikelen 4, 21, 36 en 56. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het overeenkomstig ambt.

Het personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven.

De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep die het ontslag heeft gegeven.

§ 10. Diensten als contractueel personeelslid ten laste van het departement Onderwijs die gepresteerd zijn door de personeelsleden die in de maand juni 2004 tewerkgesteld zijn als contractueel personeelslid ten laste van het departement Onderwijs bij het Gemeenschapsonderwijs, worden mits instemming van de raad van bestuur en het akkoord van het bevoegd lokaal comité, beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in de artikelen 4, 21, 21bis, 36 en 56, met dien verstande dat een personeelslid op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen kan verwerven.

Deze diensten worden in dat geval beschouwd als zijnde gepresteerd bij de betrokken scholengroep. De raad van bestuur beslist voor welk ambt deze diensten in aanmerking komen. Als de raad van bestuur de diensten in aanmerking laat komen voor het ambt van administratief medewerker in het beleids- en ondersteunend personeel of het ambt van administratief medewerker in het ondersteunend personeel, geldt de beperking van 720 dagen dienst-anciënniteit niet voor de toepassing van artikel 55, § 1, § 2 of § 2bis.]

Decr.7-5-2004

[Art. 100duodecies.

Met ingang van 1 juli 2015 heeft een nieuwe vaste benoeming voor een personeelslid dat is aangesteld in een ambt van een opvangcentrum, geen uitwerking ten aanzien van de overheid.]

Decr. 3-7-2015

[Art. 100terdecies.

Met het oog op een vaste benoeming op 1 juli 2015 moet de raad van bestuur de volgende betrekkingen in afwijking van de geldende regelgeving in aanmerking nemen voor een vaste benoeming :

1° betrekkingen in het gewoon secundair onderwijs die de school inricht met uren-leraar die de school in toepassing van artikel 21 van de Codex Secundair Onderwijs of van artikel 90, § 1, 9°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap tijdens het schooljaar 2013-2014 heeft overgedragen;

2° betrekkingen in het buitengewoon secundair onderwijs die de school inricht met lesuren die de school in toepassing van artikel 21 van de Codex Secundair Onderwijs tijdens het schooljaar 2013-2014 heeft overgedragen;

3° betrekkingen die een school voor gewoon secundair onderwijs inricht met uren-leraar die ze heeft ontvangen van een andere school van hetzelfde schoolbestuur of van een ander schoolbestuur binnen hetzelfde net volgens artikel 19 of volgens artikel 20 van de Codex Secundair Onderwijs;

4° betrekkingen die een school voor buitengewoon secundair onderwijs inricht met lesuren die ze heeft ontvangen van een andere school van hetzelfde schoolbestuur of van een ander schoolbestuur binnen hetzelfde net volgens artikel 19 of volgens artikel 20 van de Codex Secundair Onderwijs.]

Decr. 3-7-2015

Art. 101.

§ 1. De bepalingen van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs, gewijzigd bij de wetten van 31 maart 1967, 6 juli 1970, 27 juli 1971, 11 juli 1973, 19 december 1974, 18 februari 1977, 2 juli 1981 en 31 juli 1984, de koninklijke besluiten nr. 269 van 31 maart 1984, nr. 456 van 10 september 1986, de decreten van 5 juli 1989 en 31 juli 1990 en het koninklijk besluit van 28 september 1984, geheel of gedeeltelijk, worden opgeheven op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum.

§ 2. Opgeheven worden :

1° het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 houdende het statuut van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, gewijzigd bij ...; de bijlagen 1 en 2 bij dit koninklijk besluit worden evenwel opgeheven op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;

2° het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede de internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, gewijzigd bij ..., met uitzondering van de artikelen 35, 78 en 92 die worden opgeheven met ingang van 1 januari 1990 en met uitzondering van artikel 20 [en artikel 33, 6° ] voor wat betreft de personeelsleden van het aanvullend secundair beroepsonderwijs en het onderwijs voor sociale promotie; wat evenwel het personeel van de inspectiediensten bedoeld in artikel 70, § 2, van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs betreft, wordt dit besluit opgeheven op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;

Decr.21-12-1994

3° het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, gewijzigd bij ... [uitgezonderd voor zover het bekwaamheidsbewijzen vaststelt in het niet-universitair hoger onderwijs];

Decr.1-12-1993

4° het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de gespecialiseerde Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de Rijksvormingscentra en van de inspectiediensten belast met het toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra, gewijzigd bij ..., met uitzondering van de artikelen 2; 16; 71; 85,1; 86,1 en 198, het hoofdstuk IX en hoofdstuk XI, afdeling 4, die worden opgeheven op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;

5° het koninklijk besluit van 22 juli 1969 tot vaststelling van de regels voor de rangschikking van de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling in het Rijksonderwijs.

§ 3. In artikel 9, 1° lid van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving worden de woorden "die door de Minister van Openbaar Onderwijs op voordracht van de hoofden van de betrokken erediensten worden benoemd" geschrapt.

§ 4. In het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1990 houdende de regeling van de uitoefening van de bevoegdheden van de commissaris van de Vlaamse Regering bij de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs worden de artikelen 10 en 11, 2° lid, opgeheven.

Art. 102.

§ 1. Op het ogenblik dat ter uitvoering van het artikel 16, § 2, van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, de onderwijsinstellingen van het hoger kunstonderwijs worden ingedeeld onder het hoger onderwijs van het lange type en op het ogenblik dat de rechtspositieregeling voor de personeelsleden van deze onderwijsinstelligen van kracht wordt, worden deze onderwijsinstellingen en hun personeelsleden onttrokken aan het toepassingsgebied van dit decreet.

§ 2. In afwachting dat door [het Vlaams Parlement]² de rechtspositie wordt geregeld van de personeelsleden van het hoger onderwijs van het lange type is onderhavig decreet van toepassing op het personeel van de instellingen van het hoger onderwijs van het lange type.

[§ 3. In afwijking op § 2 zijn, tot op een door de Vlaamse regering te bepalen datum, artikel 3, 4° ; artikel 21; artikel 23, § 1, b, tweede en derde streepje; artikel 30, artikelen 32 tot en met 34; artikel 35, 2° ; artikel 36, § 1, 1° ; artikel 40, § 1; artikel 42, 2° ; artikel 46, 1° en 4° en artikelen 90 tot en met 94 niet van toepassing op het bestuurs- en onderwijzend personeel van de instellingen voor het hoger onderwijs van het lange type, de instellingen voor het hoger onderwijs van de tweede en derde graad en de instellingen voor het hoger kunstonderwijs.

Het bepaalde in artikel 36, § 1, tweede lid, staat niet in de weg dat, in afwijking van § 2, tot op een door de Vlaamse regering te bepalen datum, vaste benoemingen in een niet-uitsluitend ambt kunnen worden gedaan.

In afwachting van de uitvoering van de bepalingen van artikel 10, § 6 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, bepaalt voor het hoger onderwijs van het lange type, het hoger onderwijs van de tweede en derde graad en het hoger kunstonderwijs, het bevoegde bestuursorgaan van [[het Gemeenschapsonderwijs]], de specificatie van de bekwaamheidsbewijzen.]¹

[ ]¹ Decr. 15-12-1993; [ ]² Decr. 23-6-2006; [[ ]] Decr.18-5-1999

Art. 103.

In afwijking op artikel 3, 6° , en in afwachting dat voor het normaalonderwijs en het middelbaar technisch normaalonderwijs uitvoering wordt verleend aan artikel 10, afdeling 2, van de wet van 7 juli 1970 worden voor de toepassing van dit decreet de selectieambten van het onderwijzend personeel als wervingsambten gerangschikt.

[Art. 103bis.

[[De personeelsleden die in het basisonderwijs aangesteld zijn als leermeester godsdienst belast met anglicaanse godsdienst hebben tot en met 31 augustus 2013 recht op de salarisschaal 121.]] ]

Decr. 13-7-2001; [[ ]] Decr. 19-7-2013

[Art. 103ter.

[[De personeelsleden die in het gewoon of het buitengewoon secundair onderwijs aangesteld zijn als godsdienstleerkracht belast met anglicaanse godsdienst, hebben tot en met 31 augustus 2013 :

1° in de eerste graad en in de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs recht op de salarisschaal 300;

2° in de tweede graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs en in de derde en vierde graad van het beroepssecundair onderwijs recht op de salarisschaal 384;

3° in de derde graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs recht op de salarisschaal 301;

4° in opleidingsvorm 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs, recht op de salarisschaal 300;

5° in opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs recht op dezelfde salarisschaal als in de overeenkomende graad en onderwijsvorm van het gewoon secundair onderwijs.]] ]

Decr. 13-7-2001; [[ ]] Decr. 19-7-2013

[Art. 103quater.

[[Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming zijn de salarissen die op basis van diensten gepresteerd tot en met 31 augustus 2013 overeenkomstig artikel 103bis of artikel 103ter van dit decreet werden uitgekeerd aan godsdienstleerkrachten belast met anglicaanse godsdienst in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs in hoofde van deze personeelsleden, definitief verworven.]] ]

Decr. 13-7-2001; [[]] Decr. 19-7-2013

[Art. 103quinquies.

Onverminderd de bepalingen van dit decreet en in afwijking op artikel 35 en artikel 37, § 3, kan de raad van bestuur eenmalig op 1 september 2004 een vaste benoeming uitspreken in een betrekking die wordt ingericht in uren-leraar, lesuren of lestijden die worden toegekend in het kader van het geïntegreerd onderwijs in het basis- en secundair onderwijs en het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon basis- en secundair onderwijs.

Deze vaste benoeming kan slechts worden uitgesproken als de raad van bestuur de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstellingen heeft nageleefd tot op het niveau van de instelling waar de vaste benoeming wordt uitgesproken.]

Decr.7-5-2004

[Art. 103sexies.

§ 1. De prestaties die een personeelslid tussen 1 september 2002 en 31 augustus 2006 geleverd heeft in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon secundair onderwijs, kunnen beschouwd worden als gepresteerd in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers. Hiertoe pleegt de raad van bestuur of haar afgevaardigde overleg met ieder van de betrokken personeelsleden.

Als de raad van bestuur of haar afgevaardigde en een personeelslid overeenkomen dat de verrichte prestaties beschouwd worden als prestaties in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers, dan wordt een individueel concordantieformulier opgesteld. Dit formulier, waaruit ook gedetailleerd blijkt welke prestaties beschouwd worden als prestaties in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers, wordt ondertekend door de raad van bestuur of haar afgevaardigde en door het betrokken personeelslid. De concordantie heeft dan uitwerking met ingang van 1 september 2006 en moet ingediend worden ten laatste op 15 september 2006. De concordantie is persoonsgebonden en eenmalig.

§ 2. Als de raad van bestuur of haar afgevaardigde en een personeelslid ter zake geen overeenkomst bereiken, dan deelt de raad van bestuur of haar afgevaardigde de reden hiervan schriftelijk mee aan het betrokken personeelslid. Het personeelslid kan dan bij de Commissie Bezwaarschriften, hierna commissie genoemd, tot uiterlijk twintig kalenderdagen nadat de beslissing van de raad van bestuur hem werd meegedeeld een gemotiveerd bezwaarschrift neerleggen. Het personeelslid kan zich ook tot de commissie wenden als de raad van bestuur nalaat om een beslissing te nemen. In dat geval dient het bezwaarschrift uiterlijk op 5 oktober bij de commissie ingediend te worden.

Dat bezwaarschrift houdt in dat het personeelslid een eigen voorstel indient tot concordantie naar het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers op grond van § 1 of dat het personeelslid een voorstel indient om geen concordantie te verkrijgen.

De commissie hoort de betrokken partijen. Ze houdt bij haar uitspraak eveneens rekening met de bepalingen van § 1.

Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid niet aanvaardt, is de door de raad van bestuur gemaakte keuze in hoofde van het personeelslid bindend en definitief vanaf 1 september 2006.

Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid aanvaardt, is deze beslissing ten aanzien van de raad van bestuur bindend en definitief vanaf 1 september 2006.

De commissie bestaat uit de administrateur-generaal van het Agentschap voor Onderwijsdiensten of zijn afgevaardigde en de bevoegde leden van het college van inspecteurs-generaal of hun afgevaardigden.

§ 3. De individuele concordantie bedoeld in § 1 heeft voor gevolg dat :

1° de diensten, gepresteerd in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, worden geacht ook te zijn gepresteerd in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;

2° voor personeelsleden die vast benoemd zijn, de draagwijdte van hun vaste benoeming zoals bedoeld in artikel 40bis, § 1, wordt uitgebreid met het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;

3° het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, wordt geacht ook te zijn verworven voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;

4° een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verworven voor de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, ook geldt voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;

5° een reaffectatie of wedertewerkstelling in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, ook blijft gelden als reaffectatie of wedertewerkstelling in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers.

§ 4. De kandidaatstellingen die in toepassing van dit decreet plaatsvonden voor de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs voor het schooljaar 2006-2007, worden - waar nodig - geacht gebeurd te zijn voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers.

§ 5. In afwijking van artikel 28bis, § 2, deelt de raad van bestuur tijdens het schooljaar 2006-2007 de lijst van vacant verklaarde betrekkingen in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs mee na 15 september 2006 en vóór 15 oktober 2006.

De vacante betrekkingen worden vastgesteld op basis van de toestand op 15 september 2006. De vacante betrekkingen in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die werden meegedeeld vóór 15 mei 2006 op basis van de toestand op 15 april 2006, hebben geen uitwerking.]

Decr. 7-7-2006

[Art. 103septies.

Met behoud van de toepassing van hoofdstuk IX van van het decreet van 13 juli 2001 betreffende onderwijs XIII-mozaïek blijven het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en de ter uitvoering ervan genomen bepalingen van toepassing op de leden van de pedagogische begeleidingsdienst.]

Decr. 8-5-2009

[Art. 103octies.

De salarisschaal, het bekwaamheidsbewijs en de geldelijke anciënniteit die tussen 1 september 1999 en 30 september 2000 conform de op dat ogenblik geldende regelgeving werden toegekend aan een personeelslid dat tijdens voormelde periode in een betrekking in een bepaald ambt aangesteld was, en als het gaat om het ambt van leraar in een bepaald vak of specialiteit, in een centrum voor volwassenenonderwijs, worden voor dat ambt en als het gaat om het ambt van leraar in dat vak of die specialiteit als verworven beschouwd.

et personeelslid behoudt deze salarisschaal voor het in het eerste lid bedoelde ambt, vak of specialiteit bij een aanstelling in een centrum voor volwassenenonderwijs, het bekwaamheidsbewijs en de geldelijke anciënniteit bij wijze van overgangsmaatregel, tenzij het personeelslid voor dat ambt, dat vak of die specialiteit in een centrum voor volwassenenonderwijs conform de vigerende regelgeving recht heeft op een betere salarisschaal, een beter bekwaamheidsbewijs en een betere geldelijke anciënniteit.]

Decr. 8-5-2009

[Art. 103novies.

[[§ 1. Een personeelslid dat werd aangesteld op basis van artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs of op basis van artikel 27 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken kan na 1 september 2009 opnieuw worden aangesteld in een zelfde ambt en voldoet vanaf 1 september 2009 aan de taalvereisten zoals bepaald in de artikelen 17bis tot en met 17quater.

§ 2. Een personeelslid dat de grondige kennis van de tweede taal bewees en werd aangesteld op basis van artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs kan na 1 september 2009 opnieuw worden aangesteld in een zelfde ambt en voldoet vanaf 1 september 2009 aan de taalvereisten voor de wettelijk of decretaal verplichte tweede taal zoals bepaald in artikel 17quinquies.

§ 3. Een personeelslid dat tot en met het academiejaar 2009-2010 een diploma behaalt of behaald heeft dat beschouwd wordt als een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer in het basisonderwijs, wordt geacht aan de voorwaarde van artikel 17quinquies te voldoen voor een aanstelling in het ambt van onderwijzer in een basisschool gelegen in het Vlaamse Gewest.]] ]

Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. 9-7-2010

[Art. 103decies.

In afwijking van artikel 21, § 3, en artikel 21bis, § 3, kan een personeelslid zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur doen gelden in een internaat dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen, zoals bedoeld in artikel 29 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs-III, van een andere scholengroep die voor 1 september 2015 geen internaat had dat de opvang verzekerde van leerlingen tijdens de schoolvrije dagen, op voorwaarde dat dit personeelslid :

- uiterlijk op 1 september 2015 het recht zou hebben verworven op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een internaat dat de opvang verzekert van leerlingen tijdens de schoolvrije dagen

en

- geen personeelslid is bedoeld in artikel 9, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2014 betreffende verblijf en begeleiding tijdens de schoolvrije dagen in de internaten van het gemeenschapsonderwijs tijdens de transitiefase.

Vanaf het ogenblik dat het personeelslid effectief een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur toegewezen krijgt in toepassing van de bepalingen van het eerste lid, kan hij deze bepalingen niet meer inroepen in een andere scholengroep.

Een personeelslid kan gedurende een periode van maximum vijf opeenvolgende schooljaren beroep doen op dit artikel. Deze periode vangt aan met ingang van 1 september 2015.]

Decr. 19-6-2015

Art. 104.

Dit decreet treedt in werking op 1 april 1991.

- (1): Opgeheven, voor zover het betrekking heeft op de hogescholen (B.Vl.R. 9-5-1996; Art. 2, 36° )

- (2): Artikel 36bis, § 1, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs schendt artikel 24 van de Grondwet niet in zoverre het de inrichtende machten het recht ontzegt de uitbreiding van de vaste benoeming te weigeren van personeelsleden die reeds vast benoemd zijn in een deeltijdse betrekking en die in het verleden voldoening hebben gegeven, wanneer die weigering gebaseerd is op de omstandigheid dat die personeelsleden niet voldoen aan door de inrichtende macht aanvullend opgestelde selectiecriteria. Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet niet in zoverre zij het niet mogelijk maakt de uitbreiding van de vaste benoeming van personeelsleden die reeds vast benoemd zijn in een deeltijdse betrekking en die in het verleden voldoening hebben gegeven, aan aanvullende selectievoorwaarden te onderwerpen. (Arrest Grondwettelijk Hof nr. 106/2010, 30-9-2010 - B.S. 18-11-2010)