Koninklijk besluit betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector.

  • goedkeuringsdatum
    30 SEPTEMBER 1980
  • publicatiedatum
    B.S.10/10/1980
  • datum laatste wijziging
    16/09/2009

COORDINATIE

K.B. 13-4-1982 - B.S. 24-4-1982

K.B. 27-7-1983 - B.S. 6-8-1983

K.B. 14-5-1984 - B.S. 26-5-1984

K.B. 2-5-1985 - B.S. 15-5-1985

K.B. 7-11-1987 - B.S. 25-11-1987

K.B. 28-4-1989 - B.S. 13-5-1989

K.B. 31-10-1990 - B.S. 23-11-1990

K.B. 17-10-1991 - B.S. 15-11-1991

K.B. 11-10-1996 - B.S. 6-11-1996

K.B. 22-10-1998 - B.S. 28-10-1998

K.B. 7-1-2001 - B.S. 27-1-2001

K.B. 4-12-2001 - B.S. 21-12-2001

K.B. 17-12-2002 - B.S. 21-12-2002

K.B. 8-12-2004 - B.S. 28-12-2004

K.B. 27-12-2004 - B.S. 30-12-2004

K.B. 20-1-2005 - B.S. 3-2-2005

K.B. 20-7-2005 - B.S. 29-7-2005

K.B. 27-12-2005 - B.S. 30-12-2005

K.B. 23-11-2006 - B.S. 30-11-2006

K.B. 11-12-2006 - B.S. 15-12-2006

K.B. 10-9-2009 - B.S. 16-9-2009

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 1 september 1980 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Eerste Minister, van Onze Minister van Begroting, en van Onze Minister van Openbaar Ambt en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen

Artikel 1.

[Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :]³

1° "de wet" : de wet van 1 september 1980 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector;

2° ["referentiejaar" : het kalenderjaar waarop de premie betrekking heeft en waarin het personeelslid als bijdragebetalend lid beschouwd wordt, overeenkomstig artikel 4 van dit besluit;]³

["uitbetalingsjaar" : het kalenderjaar tijdens hetwelk de vakbondspremie wordt uitbetaald;]¹

3° "representatieve vakorganisaties" : de vakorganisaties welke representatief zijn, in de zin van artikel 2, § 3, of van artikel 7, 1° , van de wet;

4° "uitbetalingsinstellingen" : de uitbetalingsorganismen bedoeld in artikel 5, § 2, van de wet;

5° "verantwoordelijke leiders" : de vakbondsafgevaardigden waarvan de lijst door elke vakbondsorganisatie medegedeeld wordt aan de Eerste Minister;

6° "afgiftediensten" : de diensten bedoeld in artikel 9 van dit besluit;

7° "de Minister" : de Eerste Minister;

8° "de Commissie" : de Commissie voor de vakbondspremies bedoeld in artikel 20 van dit besluit;

[9° [[...]] ]²

[ ]¹ K.B. 31-10-1990; [ ]² K.B. 20-1-2005; [ ]³ K.B. 27-12-2005; [[ ]] K.B. van 27-12-2005

HOOFDSTUK II. - Toepassingsveld

Art. 2.

De bepalingen van dit besluit zijn toepasselijk op de personeelsleden bedoeld in artikel 1 van de wet, met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 1, § 2, 1° bis en 1° ter van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

HOOFDSTUK III. - Toekenningsvoorwaarden van de vakbondspremie

Art. 3.

De vakbondspremie wordt toegekend aan de in artikel 2 bedoelde personeelsleden die aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° tijdens het [...] referentiejaar [...] bijdragend lid geweest zijn van een representatieve vakorganisatie;

2° in een instelling, bestuur of dienst bedoeld in artikel 1 van de wet in de loop van het referentiejaar tot het personeelsbestand behoord hebben, al dan niet voltijds, ongeacht de duur van de tewerkstelling en de administratieve stand of toestand.

K.B. van 31-10-1990

Art. 4.

§ 1. [Voor de toepassing van de wet wordt uitsluitend als bijdragebetalend lid beschouwd, het vakbondslid dat jaarlijks een individuele bijdrage op een bankrekening betaald heeft die ten minste gelijk is aan 0,74 pct. van de geïndexeerde gewaarborgde jaarlijkse brutobezoldiging, van toepassing op 1 juli van het jaar dat aan het referentiejaar voorafgaat.]²

Die bijdrage wordt berekend op basis van het laagste bedrag dat voorkomt in artikel 3, van het koninklijk besluit van 29 juni 1973, houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de [federale overheidsdiensten]¹.

[...]¹

[ ]¹ K.B. 27-12-2005; [ ]² K.B. van 23-11-2006

§ 2. [Ingeval de jaarlijkse individuele bijdrage van het vakbondslid kleiner is dan de in § 1 bedoelde minimale bijdrage maar ten minste gelijk is aan 3/4 hiervan, dan wordt de vakbondspremie verminderd met 1/4;]

K.B. van 31-10-1990

§ 3. [Ingeval de jaarlijkse individuele bijdrage van het vakbondslid kleiner is dan 3/4 van de in § 1 bedoelde minimale bijdrage maar ten minste gelijk is aan 1/2 hiervan, dan wordt de vakbondspremie verminderd met 1/2;]

K.B. van 31-10-1990

[§ 4. Ingeval de jaarlijkse individuele bijdrage van het vakbondslid kleiner is dan 1/2 van de in § 1 bedoelde minimale bijdrage maar ten minste gelijk is aan 1/4 hiervan, dan wordt de vakbondspremie verminderd met 3/4;]

K.B. van 31-10-1990

Art. 5.

Voor een zelfde referentiejaar kan een zelfde persoon slechts één vakbondspremie aanvragen en verkrijgen.

HOOFDSTUK IV. - Controle van de representativiteit

Art. 6.

Elke vakorganisatie die vraagt om toekenning van de vakbondspremie aan haar leden, richt een ter post aangetekend schrijven aan de Minister waarin zij het bewijs van haar representativiteit levert. Dit schrijven bevat de lijst van de verantwoordelijke leiders van de vakorganisatie en wordt door tenminste één hunner ondertekend.

Iedere wijziging die van invloed kan zijn op de representativiteit van een vakorganisatie, moet binnen dertig dagen en bij ter post aangetekende brief ter kennis van de Minister worden gebracht.

Art. 7.

§ 1. De Minister beslist over de representativiteit van elke vakorganisatie. Hij geeft die organisatie schriftelijk kennis van zijn beslissing.

Hij kan niet beslissen dat een vakorganisatie niet of niet meer representatief is dan nadat hijzelf of zijn gemachtigde, binnen een door hem te stellen termijn, die tenminste dertig dagen moet bedragen, de mondelinge, of schriftelijke verklaringen van een daartoe door de vakorganisatie aangewezen verantwoordelijke leider heeft ontvangen.

§ 2. De Minister deelt de Commissie mede welke vakorganisaties voldoen aan de voorwaarden inzake representativiteit evenals de lijst van hun verantwoordelijke leiders.

HOOFDSTUK V. - Aanvraag van de vakbondspremie

Art. 8.

§ 1. De vakbondspremie wordt door de personeelsleden aangevraagd door middel van een aanvraagformulier.

§ 2. Het aanvraagformulier mag slechts dienen om :

- te bevestigen dat het personeelslid aan de toekenningsvoorwaarden voldoet;

- de controle op het voldoen aan de toekenningsvoorwaarden mogelijk te maken;

- de vakorganisaties en de uitbetalingsinstellingen de gegevens aan de hand te doen welke zij nodig hebben om de uitbetaling te verrichten en om eventueel het bewijs daarvan te leveren.

Art. 9.

De aanvraagformulieren worden verstrekt door de personeelsdiensten, tenzij de Minister andere diensten daarmede belast.

Art. 10.

§ 1. De aanvraagformulieren bevatten, voor elk referentiejaar, de volgende gegevens :

a) Gegevens te verstrekken door de afgiftedient :

- vermelding van het referentiejaar;

- identificatie van de afgiftedienst;

- identificatie van het personeelslid;

- waarmerking.

b) Gegevens te verstrekken door het personeelslid :

- adres;

- nummer van postrekening-courant of bankrekening;

- verklaring op erewoord dat voor het referentiejaar slechts één aanvraagformulier wordt ingediend;

- handtekening;

- eventueel, kwijting in geval van contante uitbetaling;

[- facultatief, de vermelding van het lidnummer bij de representatieve vakorganisatie.]²

c) [...]¹

[ ]¹ K.B. 31-10-1990; [ ]² K.B. van 27-12-2005

§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 8, § 2, kan de Minister de inhoud bedoeld in § 1 wijzigen.

Art. 11.

§ 1. [De aanvraagformulieren zijn, per afgiftedienst, genummerd, op de wijze door de Minister bepaald.]

K.B. van 31-10-1990

§ 2. De Minister kan een eenvormig model voor de aanvraagformulieren aan een of meerdere afgiftediensten opleggen.

§ 3. en § 4. [...]

K.B. van 7-11-1987

Art. 12.

§ 1. [ [[Aan alle personeelsleden die tijdens het referentiejaar voldeden aan de bepalingen van artikel 3, 2° van dit besluit, bezorgt de bevoegde afgiftedienst een behoorlijk ingevuld aanvraagformulier. Het aanvraagformulier tot het bekomen van een vakbondspremie wordt onverwijld na 1 januari en uiterlijk op 31 maart volgend op het referentiejaar uitgereikt. De Minister kan in bijzondere gevallen afwijken van de uiterste uitreikingsdatum.]]

De afgiftedienst dient de uitreiking te registreren met het oog op haar verantwoording.]

K.B. 31-10-1990; [[ ]] K.B. van 27-12-2005

§ 2. [De verzending van het aanvraagformulier door de afgiftedienst naar het laatste hem bekende adres, geldt als uitreiking.]

K.B. van 31-10-1990

Art. 13.

§ 1. Het personeelslid, dat voldoet aan het bepaalde in artikel 3, 1° van dit besluit, vult het aanvraagformulier verder in, en maakt het [onverwijld] over aan zijn vakorganisatie.

K.B. van 13-4-1982

§ 2. [De vakorganisatie en de uitbetalingsinstelling geven gevolg aan de aanvraagformulieren welke vóór 1 juli [[volgend op de uitreiking overgemaakt zijn]].]

K.B. 20-1-2005; [[ ]] K.B. van 27-12-2005

Art. 14.

[...]

K.B. van 31-10-1990

HOOFDSTUK VI. - Uitbetaling van de vakbondspremie

Art. 15.

§ 1. De uitbetalingsinstellingen zijn verantwoordelijk voor het vaststellen dat aan de toekenningsvoorwaarde bedoeld in artikel 3, 1° , voldaan is en voor het uitbetalen van de vakbondspremie.

§ 2. Elke uitbetalingsinstelling dient erkend te zijn door de Minister, op gezamenlijk verzoek van de instelling en van de vakorganisatie(s) die ze heeft (hebben) opgericht. In het verzoekschrift wordt de formele verbintenis aangegaan zich te onderwerpen aan de bepalingen van dit besluit. Het verzoekschrift dient ondertekend te worden door een daartoe gemachtigd beheerder van de uitbetalingsinstelling en een te dien einde door de vakorganisatie aangewezen verantwoordelijke leider.

§ 3. Het verzoekschrift dient vergezeld te zijn van twee exemplaren van de bijlagen van het Belgisch Staatsblad, bedoeld in artikel 3, van de wet van 27 juni 1921, waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend.

§ 4. De erkenning wordt verleend door de Minister indien de instelling waarborgen van goede werking biedt. De erkenning wordt door de Minister ingetrokken, op advies van de Commissie, indien de instelling zich niet schikt naar de bepalingen van dit besluit of grove onregelmatigheden begaat.

Erkenning en intrekking van de erkenning worden schriftelijk betekend aan de uitbetalingsinstelling en aan de betrokken vakorganisatie(s). Met ingang van de datum van betekening van de intrekking is het bepaalde in artikel 19, § 2, van toepassing.

§ 5. Vooraleer te beslissen de erkenning niet te verlenen of in te trekken, dient de Minister of zijn afgevaardigde, binnen de door hem te stellen termijn die tenminste dertig dagen moet bedragen, de mondelinge of schriftelijke verklaringen te ontvangen van een te dien einde door de vakorganisatie aangewezen verantwoordelijke leider en van een daartoe gemachtigd beheerder van de uitbetalingsinstelling.

§ 6. Elke uitbetalingsinstelling laat, binnen dertig dagen na het verschijnen van de bijlagen van het Belgisch Staatsblad, bedoeld in artikel 9, van de hierbovengenoemde wet van 27 juni 1921, twee exemplaren van die bijlagen geworden aan de Minister.

Art. 16.

[§ 1. De Minister bepaalt het bedrag en de nadere regelen van de vereffening van volgende sommen, die aan elk van de uitbetalingsinstellingen moeten worden overgedragen om tot de uitbetaling van de vakbondspremie te kunnen overgaan en om de administratieve werkingskosten, bedoeld in artikel 5, § 2, van de wet, te dekken :

1° 50 % van het bedrag van de in artikel 19 bedoelde afrekening, ingediend in het jaar voorafgaand aan de uitbetaling;

2° 30 % van het bedrag van de in artikel 19 bedoelde afrekening, ingediend in het jaar voorafgaand aan de uitbetaling;

3° 20 % van het bedrag van de in artikel 19 bedoelde afrekening, ingediend in het jaar voorafgaand aan de uitbetaling.

Deze sommen worden overgemaakt aan de uitbetalingsinstellingen van de vakorganisaties, respectievelijk vóór 28 februari, 31 mei en 30 september van het uitbetalingsjaar.

§ 2. Indien op het ogenblik van de indiening in het jaar voorafgaand aan het uitbetalingsjaar van de in artikel 19 voorziene afrekening, een aanpassing van de bedragen bedoeld in artikel 29 of 30 met ingang vanaf het uitbetalingsjaar is voorzien, zullen de sommen bedoeld in § 1, verhoudingsgewijs worden aangepast.

§ 3. In voorkomend geval geschiedt de overdracht van het bedrag van de afrekening bedoeld in artikel 19, verminderd met de sommen bedoeld in § 1, vóór 31 januari van het jaar dat volgt op het uitbetalingsjaar.]

K.B. van 27-12-2005

Art. 17.

[§ 1.]¹ [Elke uitbetalingsinstelling deelt aan de Minister het nummer van haar postrekening-courant of bankrekening mede waarop de [[sommen]] bedoeld in artikel 16 kunnen worden gestort.]²

[ ]¹ K.B. 31-10-1990; [ ]² K.B. 20-7-2005; [[ ]] K.B. van 27-12-2005

[§ 2. De uitbetalingsinstellingen kunnen de in artikel 16 bedoelde [[sommen]] verdelen over verschillende rekeningen en op deze rekeningen de premies en de in artikel 5, § 2 van de wet bedoelde administratieve werkingskosten vereffenen.

§ 3. De rekeningen, bedoeld in § 1 en § 2, mogen uitsluitend gebruikt worden voor de storting van de in artikel 16 bedoelde [[sommen]] en voor de vereffening van de premies en de in artikel 5, § 2 van de wet bedoelde administratieve werkingskosten.]

K.B. 31-10-1990; [[ ]] K.B. van 27-12-2005

Art. 18.

[§ 1. [[§ 1. De vakbondspremie wordt uitbetaald in het [[[...]]]² jaar volgend op het referentiejaar.

Deze betaling gebeurt [[[vóór 31 december [[[[...]]]]]]]¹, hetzij door de uitbetalingsinstelling zelf, hetzij door de gemachtigde welke die instelling daartoe aanwijst in de vakorganisatie.]]

§ 2. De uitbetaling geschiedt door de uitbetalingsinstelling rechtstreeks op de postrekening of de bankrekening van het vakbondslid. Wanneer op het aanvraagformulier het nummer van de postrekening-courant of de bankrekening niet voorkomt, wordt de vakbondspremie via een circulaire cheque op naam van het vakbondslid uitbetaald.

§ 3. De Minister bepaalt welke gegevens op de overschrijvingen of circulaire cheques dienen vermeld.]

K.B. 31-10-1990; [[ ]] K.B. 27-12-2004; [[[ ]]]¹ K.B. 20-1-2005; [[[ ]]]² K.B. 27-12-2005; [[[[ ]]]] K.B. van 27-12-2005

Art. 19.

§ 1. [Uiterlijk op 20 september volgend op de uitreiking bezorgen de uitbetalingsinstellingen een omstandige afrekening. Deze afrekening omvat het totaal bedrag van de vakbondspremies die verschuldigd zijn voor het voorafgaand referentiejaar en van de daarmee verbonden administratieve werkingskosten bedoeld in artikel 5, § 2, van de wet.]

K.B. van 27-12-2005

§ 2. [De uitbetalingsinstelling is gehouden tot de terugbetaling, binnen [[de termijnen bepaald in artikel 18, § 1]], van de sommen welke het bedrag van de regelmatig uitbetaalde premies en de daarmee verbonden administratieve werkingskosten overschrijden, of waarvoor de in dit besluit omschreven verantwoording niet wordt verstrekt. De terug te betalen sommen worden verhoogd met 0,06 pct. verwijlintresten per dag, vanaf het verstrijken van de in § 1 vastgestelde termijn.]

[ ] K.B. 13-4-1982; [[ ]] K.B. van 20-1-2005

HOOFDSTUK VII. - Commissie voor de vakbondspremies

Art. 20.

Er wordt een Commissie voor de vakbondspremies opgericht, waarvan de samenstelling en de werking door Ons wordt bepaald.

Art. 21.

§ 1. De Commissie heeft tot taak :

1° controle uit te oefenen op het voldoen aan de toekenningsvoorwaarden;

2° per uitbetalingsinstelling vast te stellen hoeveel vakbondspremies werkelijk overeenkomstig dit besluit zijn uitbetaald;

3° na te gaan of de vakbondspremies werkelijk uitbetaald zijn;

4° controle uit te oefenen op de uitbetalingsinstellingen;

5° de Minister van advies te dienen met betrekking tot de forfaitaire bepaling van de administratieve werkingskosten [met ingang van het eerstvolgend referentiejaar dat nog geen aanvang heeft genomen.]

K.B. van 28-4-1989

§ 2. Bijzondere controleopdrachten kunnen door de Minister aan de Commissie toevertrouwd worden, op eigen initiatief, of op advies van de Commissie.

Art. 22.

Telkens de omstandigheden het vereisen en minstens jaarlijks brengt de Commissie bij de Minister schriftelijk een omstandig verslag uit omtrent de uitvoering van de in artikel 21 bedoelde opdrachten. Dit verslag vermeldt de ten onrechte uitbetaalde vakbondspremies en bepaalt, met opgave van redenen, wie ervoor aansprakelijk is.

Art. 23.

De Minister stelt het personeel dat de Commissie voor het vervullen van haar taak nodig heeft, te harer beschikking.

Art. 24.

De leden van de Commissie en de personeelsleden die hen bijstaan, zijn verplicht tot geheimhouding van de inlichtingen die zij wegens hun ambt verkrijgen, zowel tijdens de uitoefening als na het beëindigen van dat ambt.

Art. 25.

De uitbetalingsinstellingen houden alle aanvraagformulieren en uitbetalingsbewijzen ter beschikking van de Commissie.

Voor de vervulling van alle bij artikel 21 bedoelde opdrachten beschikt de Commissie over de ruimst mogelijke onderzoeksmacht.

Zij kan ondermeer kennis nemen, zonder verplaatsing, van alle toestandsopgaven, comptabiliteitsbescheiden, verantwoordingsbescheiden en -stukken, zich alle elementen doen voorleggen die voor haar bevindingen van enig belang kunnen zijn en iedere bevoegde persoon horen die ophelderingen kan verstrekken.

Art. 26.

De Commissie heeft het recht ter zetel van de afgiftediensten, vakorganisaties en uitbetalingsinstellingen de waarachtigheid en volledigheid van de gegevens voorkomende op de aanvraagkaarten na te gaan en er alle werkzaamheden te verrichten, nodig om de controle bedoeld in artikel 21 door te voeren.

Art. 27.

Bij elk onderzoek ter zetel van een vakorganisatie of een uitbetalingsinstelling mag een verantwoordelijk leider, respectievelijk een daartoe gemachtigd beheerder, de controleverrichtingen bijwonen.

Art. 28.

De afgiftediensten, de personeelsleden, de vakorganisaties en de uitbetalingsinstellingen moeten aan de Commissie binnen de door haar te stellen termijn alle bijkomende inlichtingen verstrekken waaraan deze voor het vervullen van haar taak behoefte heeft.

HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen

Art. 29.

[Het bedrag van de vakbondspremie is vastgesteld op 700 F voor elk van de referentiejaren [[1977, 1978, 1979, 1980, 1981, [[[1982, 1983, [[[[1984, 1985 en 1986]]]] ]]] ]].

K.B. 13-4-1982; [[ ]] K.B. 27-7-1983; [[[ ]]] K.B. 14-5-1984, [[[[ ]]]] K.B. van 7-11-1987

[Het bedrag van de vakbondspremie is vastgesteld op 800 F voor het referentiejaar 1987, op 900 F voor het referentiejaar 1988, op 1 000 F voor de referentiejaren 1989 en 1990, op 1 300 F voor de referentiejaren 199l en 1992, op 1 500 F voor de referentiejaren 1993 en 1994, op 1 700 F voor de referentiejaren 1995 en 1996, op 2 000 F voor de referentiejaren 1997 en 1998, op 2 750 BEF (68,18 EUR) voor de referentiejaren 1999 en 2000, op 74 EUR voor de referentiejaren 2001 en 2002 [[, op 78 EUR voor de referentiejaren 2003, 2004 en 2005, en op 80 EUR voor de referentiejaren 2006 en 2007]].

[[Het bedrag van de vakbondspremie is voor het referentiejaar 2008 en voor elk van de volgende referentiejaren vastgesteld op 90 EUR per jaar.]] ]

K.B. 11-12-2006; [[ ]] K.B. van 10-9-2009

Art. 30.

[Het bedrag van de administratieve werkingskosten, bedoeld in artikel 5, § 2 van de wet is vastgesteld op 35 F per uit te betalen vakbondspremie voor elk van de referentiejaren vanaf 1 januari 1977 [[tot het referentiejaar 1994 inbegrepen]].]

K.B. 31-10-1990; [[ ]] K.B. van 11-10-1996

[Het bedrag van de administratieve werkingskosten, bedoeld in artikel 5, § 2, van de wet is vastgesteld op 50 F per uit te betalen vakbondspremie voor elk van de referentiejaren vanaf 1 januari 1995 [[tot het referentiejaar 2000 inbegrepen]].]

K.B. 11-10-1996; [[ ]] K.B. van 17-12-2002

[Het bedrag van de administratieve werkingskosten, bedoeld in artikel 5, § 2, van de wet is vastgesteld op 2 EUR per uit te betalen vakbondspremie voor elk van de referentiejaren vanaf 1 januari 2001 [[tot het referentiejaar 2002 inbegrepen]]. ]

K.B. 17-12-2002; [[ ]] K.B. van 8-12-2004

[Het bedrag van de administratieve werkingskosten, bedoeld in artikel 5, § 2, van de wet is vastgesteld op 2,20 EUR per uit te betalen vakbondspremie voor elk van de referentiejaren vanaf 1 januari 2003 [[tot het referentiejaar 2005 inbegrepen]].]

K.B. 8-12-2004; [[ ]] K.B. van 11-12-2006

[Het bedrag van de administratieve werkingskosten, bedoeld in artikel 5, § 2, van de wet is vastgesteld op 2,50 EUR per uit te betalen vakbondspremie voor elk van de referentiejaren vanaf 1 januari 2006 [[tot het referentiejaar 2007 inbegrepen]].]

K.B. 11-12-2006; [[]] K.B. van 10-9-2009

[Het bedrag van de administratieve werkingskosten, bedoeld in artikel 5, § 2, van de wet is vastgesteld op 3 EUR per uit te betalen vakbondspremie voor elk van de referentiejaren vanaf 1 januari 2008.]

K.B. van 10-9-2009

Art. 31.

§ 1. Het vakbondslid dat voor een of meerdere van de referentiejaren 1977, 1978, 1979 en 1980 [voor elke welbepaalde maand] een individuele bijdrage heeft betaald die lager ligt dan de minimumbijdrage bepaald bij artikel 4, § 1, maar ten minste de helft ervan bedraagt, bekomt voor de bedoelde referentiejaren de vakbondspremie, indien aan de overige toekenningsvoorwaarden voldaan is, en voor zover de bijdrageregeling van zijn vakorganisatie vanaf 1 januari 1981 voorziet in een minimumbijdrage die voldoet aan het bepaalde in artikel 4, § 1 en die vanaf voormelde datum toegepast wordt.

K.B. van 13-4-1982

§ 2. Voor het vakbondslid bedoeld in § 1 wordt het bedrag van de premie voor elk van de referentiejaren 1977 en 1978 evenwel verminderd met twee zevenden ervan, behalve indien de bijdrageregeling van zijn vakorganisatie voor de referentiejaren 1979 en 1980 voorzien heeft in een maandelijkse individuele bijdrage die ten minste gelijk was aan 165 F respectievelijk 180 F.

§ 3. [Voor het vakbondslid bedoeld in § 1 waarvan de vakorganisatie slechts vanaf 1 september 1981 luidens haar bijdrageregeling voorziet in een bijdrage die voldoet aan het bepaalde in artikel 4, § 1 en die vanaf voormelde datum toegepast wordt, gelden de overige bepalingen voorzien in § 1 ook voor de periode lopende van 1 januari tot 1 september 1981, en geldt de in § 2 voorziene vermindering ook voor het referentiejaar 1979. Voor de referentiejaren 1980 en 1981 wordt geen vermindering toegepast.]

K.B. van 13-4-1982

§ 4. [In geval de bijdrageregeling van een in dit artikel bedoelde vakorganisatie, omwille van bijzondere individuele omstandigheden voorziet in een verminderde bijdrage die ten minste de helft bedraagt van het in § 1 gestelde minimum, wordt, met ingang van het referentiejaar 1979, voor elke maand gedurende welke deze maatregel op een vakbondslid toegepast werd, het overeenkomstig twaalfde deel van de vakbondspremie bedoeld, naargelang het geval, in § 1 of in de §§ 2 en 3, met de helft verminderd; het resultaat van deze berekening wordt tot de hogere eenheid afgerond.]

K.B. van 13-4-1982

HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen

Art. 32.

Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

Art. 33.

Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.