Besluit van de Vlaamse Regering omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde [centra voor leerlingenbegeleiding]

  • goedkeuringsdatum
    22/05/1991
  • publicatiedatum
    B.S. 27/07/1991 (pagina 16728)
  • bron

    Numac : 0
  • datum laatste wijziging
    18/05/2018

HOOFDSTUK I INLEIDENDE BEPALINGEN

ART. 1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt begrepen onder:
1° het decreet: het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
2° raadsman : een advocaat, een personeelslid van de onderwijsinstellingen of van de centra voor leerlingenbegeleiding of, voor de werknemer, een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie, en, voor de werkgever, een vertegenwoordiger van een representatieve vereniging van inrichtende machten;
3° vakorganisaties:
a) voor het vrij onderwijs en de vrije centra voor leerlingenbegeleiding de vakorganisaties die zitting hebben in de paritaire comités, bedoeld in artikel 2 van het decreet;
b) voor het officieel onderwijs en de officiële centra voor leerlingenbegeleiding de representatieve vakorganisaties, bedoeld in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
4° tuchtoverheid : de instantie, vermeld in artikel 68 van het decreet, die bevoegd is om een tuchtsanctie op te leggen.

ART. 2.

Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 4 van het decreet, die :
1° vastbenoemd zijn;
2° tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
3° tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur, voor het ontslag vermeld in artikel 25 van het decreet;
4° aangesteld zijn bij mandaat met toepassing van artikel 44quinquies van het decreet, voor het ontslag, vermeld in artikel 44decies, § 2, 2°, van het decreet.
5° tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt, voor het ontslag vermeld in artikel 42, § 6 van het decreet.

ART. 3.

[De inrichtende macht brengt de tuchtmaatregelen die een financiële implicatie hebben voor het personeelslid binnen een termijn van orde van twintig kalenderdagen ter kennis van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde. Deze termijn begint te lopen de dag na het verstrijken van de beroepstermijn, zoals bepaald in artikel 72, 1°, van het decreet, of de dag nadat de inrichtende macht kennis heeft genomen van de beslissing van de kamer van beroep. (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 4, I: 30 december 2000) ]

HOOFDSTUK II DE PREVENTIEVE SCHORSING

ART. 4.

Wanneer een personeelslid strafrechtelijk of tuchtrechtelijk wordt vervolgd of een beroep heeft ingesteld tegen een ontslag om dringende redenen en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van het onderwijs of van de dienst, kan de betrokkene preventief worden geschorst bij wijze van ordemaatregel.

De preventieve schorsing een bewarende maatregel.

Het personeelslid blijft tijdens deze schorsing in de administratieve stand waarin het zich bevond de dag voor de preventieve schorsing. Tijdens de preventieve schorsing mag het personeelslid geen dienstprestaties verrichten.

ART. 5.

Alvorens de preventieve schorsing wordt opgelegd dient het personeelslid gehoord te worden door de afgevaardigde van de inrichtende macht. De redenen om over te gaan tot de preventieve schorsing worden ten laatste drie werkdagen voorafgaand aan dit verhoor schriftelijk meegedeeld aan het betrokken personeelslid.

In hoogdringende gevallen kan de inrichtende macht de preventieve schorsing onmiddellijk uitspreken, onder de verplichting betrokkene na de uitspraak onverwijld te horen.

Tijdens dit verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan door een raadsman.

ART. 6.

De inrichtende macht legt de preventieve schorsing op bij een met redenen omklede beslissing.

De preventieve schorsing wordt aan het personeelslid meegedeeld per aangetekende brief. Die brief vermeldt de beroepsmogelijkheden. Als de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 67bis, § 1 van het decreet, niet te lopen.

De preventieve schorsing gaat in de derde kalenderdag nadat de aangetekende brief met de post is verstuurd. Bij hoogdringende omstandigheden als vermeld in artikel 5, heeft de preventieve schorsing onmiddellijk uitwerking.

ART. 7.

§ 1. De preventieve schorsing wordt uitgesproken voor een termijn van ten hoogste één jaar.

In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten kan de preventieve schorsing echter tot maximum één jaar na de kennisgeving, vermeld in artikel 8, § 5, vierde lid, lopen.

§ 2. Indien binnen de in § 1 vermelde termijnen geen tuchtstraf wordt opgelegd vervallen de effecten van de preventieve schorsing.

In geval van beroep tegen de uitgesproken maatregel kan de preventieve schorsing worden verlengd totdat de secretaris de beslissing, vermeld in artikel 17, heeft meegedeeld.

§ 3. Aan de preventieve schorsing komt van rechtswege een einde bij de tuchtrechtelijke uitspraak over dezelfde feiten waarvoor het personeelslid preventief werd geschorst.

HOOFDSTUK III DE TUCHTMACHT

ART. 8.

§ 1. De tuchtoverheid oefent de tuchtmacht uit.

Indien het personeelslid tijdelijk gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, gebeurt dit op advies van het bevoegde paritair comité of van het bevoegde overlegcomité, vermeld in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Dit advies wordt verstrekt binnen een termijn van twintig werkdagen nadat het verzoek om advies werd ingediend. Is dit advies niet verstrekt binnen deze termijn, dan wordt het geacht verstrekt te zijn.

Zodra de feiten die de toepassing van een tuchtmaatregel kunnen verantwoorden, de tuchtoverheid ter kennis worden gebracht, gaat ze over of doet ze overgaan tot de nodige vaststellingen en verhoren. Wanneer meerdere feiten die verband hebben met elkaar ten laste van het personeelslid worden gelegd, kan dit slechts aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf.

Wanneer in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd dat geen verband heeft met de lopende tuchtprocedure kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven.

De tuchtoverheid deelt onmiddellijk per aangetekende brief aan het personeelslid mee dat ze een tuchtonderzoek instelt, alsook de reden die daartoe aanleiding geeft. De tuchtrechtelijke vervolging begint op de datum van verzending van de aangetekende brief.

§ 2. Vooraleer de tuchtoverheid een tuchtmaatregel kan opleggen, dient zij de betrokkene in zijn middelen van verdediging te horen over alle ten laste gelegde feiten.

De betrokkene mag zich tijdens het verhoor laten bijstaan door een raadsman.

§ 3. De tuchtoverheid stelt een tuchtdossier samen.

Dit tuchtdossier mag door belanghebbende en zijn raadsman op verzoek worden geraadpleegd vooraleer het verhoor plaats heeft. Zij beschikken over een termijn van tenminste tien werkdagen na ontvangst van de oproepingsbrief.

Desgewenst kan het personeelslid kosteloos een kopie van het dossier bekomen.

§ 4. Indien het betrokken personeelslid strafrechtelijk wordt vervolgd door dezelfde feiten kan de tuchtoverheid de behandeling van de tuchtvordering opschorten tot na de kennisgeving bedoeld in §5, laatste lid.

§ 5. De oproeping van het personeelslid om voor de tuchtoverheid te verschijnen moet betekend worden bij een ter post aangetekende brief.

De oproeping dient op straffe van nietigheid melding te maken van:
1° de ten last gelegde feiten;
2° het voorstel van tuchtsanctie;
3° de plaats, dag en uur van het verhoor;
4° het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een raadsman;
5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier bedoeld in § 3 kan worden ingezien.

De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten.

In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt.

§ 6. Van het verhoor wordt ter zitting een procesverbaal opgemaakt, dat getrouw de verklaringen van de gehoorde weergeeft; er wordt voorlezing gedaan en de betrokkene wordt verzocht het te ondertekenen.

Indien de betrokkene ofschoon behoorlijk opgeroepen, niet verschijnt, beslist de tuchtoverheid
bij verstek.

Blijkt de verhindering gewettigd, dan kan het personeelslid tegen de beslissing verzet aantekenen binnen de tien dagen nadat de beslissing hem met een ter post aangetekende brief werd betekend.

In dit geval wordt het dossier heropend en beslist de tuchtoverheid, na een nieuwe behoorlijke oproep, ongeacht het al dan niet aanwezig zijn van het personeelslid.

§ 7. De tuchtoverheid kan ter zitting ambtshalve, en moet, op verzoek van de betrokkene getuigen horen.

In dat geval heeft het verhoor plaats in aanwezigheid van de betrokkene.

§ 8. De tuchtoverheid beslist onverwijld en in ieder geval uiterlijk binnen de zes weken na het opmaken van het proces-verbaal van verhoor of van niet-verschijnen. Na het verstrijken van deze termijn wordt zij geacht af te zien van de uitoefening van haar tuchtrechtelijke bevoegdheid.

De beslissing waarbij een tuchtstraf wordt opgelegd, wordt met redenen omkleed.

§ 9. De volledige beslissing van de tuchtoverheid waarbij de tuchtstraf wordt opgelegd dient zonder verwijl aan het personeelslid te worden betekend bij ter post aangetekende brief.

Deze brief dient de beroepsmogelijkheden te vermelden.

Indien de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 72, 1°, van het decreet, niet te lopen.

[HOOFDSTUK IIIBIS BEROEP TEGEN HET ONTSLAG OM DRINGENDE REDENEN, VERMELD IN ARTIKEL 25 (verv. B.V.R. 3 juli 2009, art. 5) ] [, ARTIKEL 42, § 6, (verv. B.V.R. 24 september 2010, art. 23) ] EN ARTIKEL 44DECIES; § 2, 2° VAN HET DECREET (verv. B.V.R. 3 juli 2009, art. 5) ]

ART. 8bis.

De brief waarbij de inrichtende macht het ontslag om dringende redenen, vermeld in artikel 25, artikel 42, § 6, en artikel 44decies, § 2, 2°, van het decreet, meedeelt, moet de beroepsmogelijkheden vermelden.

Indien de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 25, vierde lid, en artikel 42, § 6, vierde lid, van het decreet, niet te lopen.

HOOFDSTUK IV DE KAMERS VAN BEROEP

ART. 9.

§ 1. De kamers van beroep worden samengesteld uit een effectieve en twee plaatsvervangende voorzitters en uit twaalf effectieve en twaalf plaatsvervangende leden. Een plaatsvervangend lid kan pas zitting hebben als het effectieve lid afwezig is of als het effectieve lid gewraakt wordt.

§ 2. De effectieve en de plaatsvervangende voorzitters worden benoemd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs.

§ 3. De representatieve verenigingen van inrichtende machten enerzijds en de representatieve vakorganisaties anderzijds wijzen een gelijk aantal effectieve en plaatsvervangende leden van de kamers van beroep aan.

§ 4. Tijdens hun mandaat in een van de kamers van beroep kunnen de effectieve en de plaatsvervangende voorzitters en leden geen personeelslid of tuchtoverheid bijstaan of vertegenwoordigen in de kamer waarin ze een mandaat uitoefenen.

§ 5. De leden kunnen aanspraak maken op de reis- en dagvergoeding voor binnenlandse reizen overeenkomstig de geldende reglementering die van toepassing is op de personeelsleden van de Vlaamse overheid.

§ 6. De effectieve voorzitters ontvangen een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 4.000 euro.

Wanneer de effectieve voorzitter verhinderd is en diens functie waargenomen wordt door een plaatsvervangende voorzitter, dan wordt aan deze laatste een vergoeding van 150 euro per zitting toegekend.

De vergoeding wordt jaarlijks aangepast, rekening houdend met het indexcijfer der consumptieprijzen, vermeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, en dit indexcijfer wordt voor 75 % toegepast.

ART. 10.

Het mandaat van de effectieve en de plaatsvervangende voorzitters en van de leden is van onbepaalde duur.

Het mandaat eindigt :
1° in geval van ontslagneming;
2° op vraag van de organisatie die de betrokkene heeft aangewezen;
3° in geval van overlijden.

ART. 11.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, wijst voor iedere kamer van beroep een secretaris en twee plaatsvervangende secretarissen aan onder de ambtenaren van zijn diensten of instellingen.

De secretarissen ontvangen een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 500 euro als de zittingen geheel of gedeeltelijk plaatsvinden buiten de normale diensttijd.

Als de secretaris verhinderd is en zijn functie waargenomen wordt door een plaatsvervangende secretaris, wordt aan die laatste een vergoeding van 25 euro per zitting toegekend die geheel of gedeeltelijk plaatsvindt buiten de normale diensttijd.

ART. 12.

§ 1. De kamers van beroep hebben rechtsgeldig zitting zodra de voorzitter en twee leden, aangewezen door de representatieve verenigingen van inrichtende machten, en twee leden, aangewezen door de representatieve vakorganisaties, aanwezig zijn.

§ 2. De kamers van beroep beslissen bij gewone meerderheid van stemmen. De stemming is geheim. Er moeten evenveel leden die zitting hebben namens de representatieve verenigingen van inrichtende machten, als leden die zitting hebben namens de representatieve vakorganisaties, aan de stemming deelnemen.

In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door loting.

In afwijking van het eerste lid beslissen de kamers van beroep bij beroepsprocedures bij unanimiteit wanneer zij de preventieve schorsing wensen te vernietigen.

§ 3. Bij staking van stemmen na de tweede stemronde is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

§ 4. In afwijking van § 1 en § 2 beslissen de kamers van beroep op een tweede zitting, ongeacht of de vertegenwoordigers, vermeld in § 1 en § 2, aanwezig zijn.

HOOFDSTUK V PROCEDURE IN BEROEP

[Afdeling I Tucht (ing. BVR 3 juli 2009, art. 11)]

ART. 13.

§ 1. Het personeelslid beschikt over de termijn, vermeld in artikel 72, 1°, van het decreet, om met een aangetekende brief beroep in te stellen tegen een tuchtmaatregel bij de bevoegde kamer van beroep.

Als het einde van de termijn zoals bedoeld in het eerste lid, valt binnen de herfst-, kerst-, krokus-, paas- of zomervakantie zoals die voorzien zijn in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap of in het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, dan wordt die termijn opgeschort gedurende de duur van de betrokken vakantie.

Het beroep moet op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.

Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt het met een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs een kopie daarvan naar zijn tuchtoverheid.

Het beroep moet de naam en het adres van de tuchtoverheid bevatten.

§ 2. Na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 72, 1°, van het decreet, of nadat de bevoegde kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, wordt de tuchtmaatregel definitief.

§ 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk het tuchtdossier op bij de tuchtoverheid.

§ 4. De kamers van beroep kunnen de door de tuchtoverheid uitgesproken sanctie niet verzwaren.

ART. 14.

Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en leden van de bevoegde kamer van beroep.

Binnen tien werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

Als zowel de voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.

ART. 15.

De redenen van wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking, kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.

Als een voorzitter of een lid van de kamers van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden.

ART. 16.

§ 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de bevoegde kamer van beroep die plaatsvindt binnen zestig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus.

De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

Het personeelslid of zijn raadsman kan een toelichtende memorie indienen tot uiterlijk 20 werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend. Die memorie mag aanvullende middelen bevatten.

De tuchtoverheid of haar raadsman kan een verweerschrift indienen tot uiterlijk 20 werkdagen na de ontvangst van de toelichtende memorie van het personeelslid of tot uiterlijk 20 werkdagen na het verstrijken van de termijn ingeval het personeelslid geen toelichtende memorie heeft ingediend.

De toelichtende memorie en het verweerschrift worden aangetekend of tegen ontvangstbewijs verstuurd naar de bevoegde kamer van beroep en naar de tegenpartij.

Verweerschriften en toelichtende memories die na de gestelde termijn zijn bezorgd, worden uit de debatten geweerd.

§ 2. De kamers van beroep kunnen een aanvullend onderzoek bevelen en kunnen ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.

De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.

§ 3. De zittingen van de kamers van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.

Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.

§ 4. Als het personeelslid wegens dezelfde feiten strafrechtelijk wordt vervolgd en de tuchtoverheid de behandeling van de tuchtprocedure niet heeft opgeschort tijdens de strafrechtelijke procedure, kan de bevoegde kamer van beroep de behandeling van het beroep opschorten tot na de kennisgeving, vermeld in artikel 8, § 5, vierde lid.

§ 5. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de bevoegde kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen tien werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de bevoegde kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.

ART. 17.

De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van twintig werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan de tuchtoverheid en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.

De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming.

[Afdeling II Ontslag om dringende redenen (ing. BVR 3 juli 2009, art. 11)]

ART. 17bis.

§ 1. Het personeelslid beschikt over de termijn, vermeld in artikel 25, vierde lid, of artikel 42, § 6, vierde lid, van het decreet, om met een aangetekende brief beroep in te stellen tegen een ontslag om dringende redenen.

Het beroep moet op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.

Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt het met een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs een kopie daarvan naar zijn inrichtende macht.

Het beroep moet de naam en het adres van de inrichtende macht bevatten.

§ 2. Na het verstrijken van de beroepstermijn of nadat de bevoegde kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, wordt het ontslag om dringende redenen definitief.

§ 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk de aangetekende brief, vermeld in artikel 25, derde lid, of artikel 42, § 6, derde lid, van het decreet, op bij de inrichtende macht.

ART. 17ter.

Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en leden van de bevoegde kamer van beroep.

Binnen vijf werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

Als zowel de voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.

ART. 17quater.

De redenen van wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking, kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.

Als een voorzitter of een lid van de kamers van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden.

ART. 17quinquies.

§ 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de bevoegde kamer van beroep die plaatsvindt binnen twintig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus. Bij ontvangst van het beroepschrift tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van twintig werkdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode.

De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

De inrichtende macht of haar raadsman kan een verweerschrift indienen tot uiterlijk vijf werkdagen na de ontvangst van een kopie van het beroepschrift.

Het verweerschrift wordt aangetekend of tegen ontvangstbewijs verstuurd naar de bevoegde kamer van beroep en naar de tegenpartij.

Verweerschriften die na de gestelde termijn zijn bezorgd, worden uit de debatten geweerd.

§ 2. De kamers van beroep kunnen een aanvullend onderzoek bevelen en kunnen ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.

De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.

§ 3. De zittingen van de kamers van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.

Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.

§ 4. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de bevoegde kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen drie werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de bevoegde kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.

ART. 17sexies.

De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van vijf werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan de inrichtende macht en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.

De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming.

[Afdeling IIbis. Preventieve schorsing (ing. BVR 24 september 2010, art. 32, I: 1 september 2010)]

ART. 17septies.

§ 1. Het personeelslid beschikt over de termijn, vermeld in artikel 67bis, § 1, van het decreet, om met een aangetekende brief beroep in te stellen bij de kamer van beroep.

De termijn begint te lopen op de dag nadat de aangetekende brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing werd verstuurd.

Het beroep moet alle middelen bevatten die tegen de preventieve schorsing en, indien van toepassing, tegen de afhouding van salaris kunnen worden ingebracht.

Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt het met een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs een kopie daarvan naar de inrichtende macht.

Het beroep moet de naam en het adres van de inrichtende macht bevatten.

§ 2. Nadat de beroepstermijn verstreken is of nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, worden de preventieve schorsing en, indien van toepassing, de afhouding van salaris, definitief.

§ 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk de aangetekende brief en het dossier op, vermeld in artikel 67bis, § 1, van het decreet, bij de inrichtende macht.

ART. 17octies.

§ 1. Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en van de leden van de bevoegde kamer van beroep.

Binnen vijf werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

De redenen tot wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.

Als een voorzitter of een lid van de kamers van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden.

§ 2. Als zowel de effectieve voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.

ART. 17novies.

§ 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de bevoegde kamer van beroep die plaatsvindt binnen twintig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, wordt de termijn verlengd tot en met 31 augustus. Bij ontvangst van het beroepschrift tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van twintig werkdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode.

De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

De inrichtende macht of haar raadsman kan een verweerschrift indienen tot uiterlijk vijf werkdagen na de ontvangst van een kopie van het beroepschrift.

Het verweerschrift wordt aangetekend of tegen ontvangstbewijs verstuurd naar de bevoegde kamer van beroep en naar de tegenpartij.

Verweerschriften die na de gestelde termijn zijn bezorgd, worden uit de debatten geweerd.

§ 2. De kamers van beroep kunnen een aanvullend onderzoek bevelen en kunnen ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.

De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.

§ 3. De zittingen van de kamers van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.

Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.

§ 4. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de bevoegde kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, kan het personeelslid binnen drie werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de bevoegde kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.

ART. 17decies.

De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van vijf werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan de inrichtende macht en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.

De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming.

[Afdeling III Gemeenschappelijke bepalingen (ing. BVR 3 juli 2009, art. 11)]

ART. 18.

De werkingskosten van de kamers van beroep komen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

De zetel van de kamers van beroep is gevestigd te Brussel.

ART. 19.

De kamers van beroep maken hun eigen huishoudelijk reglement op.

HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN

ART. 20.

Dit besluit treedt in werking de dag waarop het decreet bedoeld in artikel 1, 1° in werking treedt.

ART. 21.

De Vlaamse minister van Onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.