Besluit van de Vlaamse regering betreffende de oprichting, de samenstelling en de werking van het overkoepelend onderhandelingscomité; van het gesubsidieerd vrij onderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    04 OKTOBER 1995
  • publicatiedatum
    B.S.18/11/1995
  • datum laatste wijziging
    10/10/2000

De Vlaamse regering,

Gelet op het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs, inzonderheid op de artikelen 4 en 11;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting, gegeven op 6 september 1995;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op :

1° de vrije door de Vlaamse gemeenschap gesubsidieerde :

- instellingen voor het kleuteronderwijs, lager onderwijs, basisonderwijs en secundair onderwijs;

- instellingen van het onderwijs voor sociale promotie;

- instellingen van het deeltijds kunstonderwijs;

- internaten;

- psycho-medisch-sociale centra;

2° de personeelsleden tewerkgesteld in de instellingen bedoeld in 1° .

Art. 2.

Voor de toepassing van dit besluit wordt begrepen onder :

1° het decreet : het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

2° het O.O.C. : het overkoepelend onderhandelingscomité zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet;

3° vakorganisaties : de representatieve vakorganisaties zoals bedoeld in artikel 7, 1° van het decreet;

4° groeperingen van inrichtende machten : de representatieve groeperingen van inrichtende machten zoals bedoeld in artikel 7, 2° van het decreet;

5° voorzitter : de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs.

HOOFDSTUK II. - Oprichting en samenstelling van het O.O.C.

Art. 3.

Het O.O.C. wordt opgericht bij het departement onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 4.

§ 1. De afvaardiging van de overheid met inbegrip van haar voorzitter bestaat uit maximum tien leden.

§ 2. De leden van de afvaardiging van de overheid worden door de voorzitter gekozen uit de personen die bevoegd zijn om de overheid te verbinden.

§ 3. De afvaardiging van de overheid mag zich laten bijstaan door technici.

Art. 5.

§ 1. Elke vakorganisatie stelt vrij haar afvaardiging samen die uit maximum vier leden bestaat.

§ 2. De afvaardiging van elke vakorganisatie mag zich laten bijstaan door maximum twee technici per op de agenda ingeschreven punt.

Art. 6.

§ 1. Elke groepering van inrichtende machten stelt vrij haar afvaardiging samen die uit maximum vier leden bestaat.

§ 2. De afvaardiging van elke groepering van inrichtende machten mag zich laten bijstaan door maximum twee technici per op de agenda ingeschreven punt.

HOOFDSTUK III. - Werking van het O.O.C.

Afdeling 1. - Voorzitterschap en secretariaat

Art. 7.

§ 1. Het O.O.C. wordt voorgezeten door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.

Hij kan een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde als plaatsvervanger aanwijzen.

§ 2. De voorzitter opent, leidt en sluit de debatten.

Hij staat in voor de goede werking van het O.O.C., hij handhaaft de orde in de vergaderingen en zorgt voor de naleving van het decreet en van dit besluit.

Art. 8.

§ 1. De voorzitter wijst een secretaris aan, alsook de administratieve dienst die het secretariaat organiseert.

§ 2. De secretaris van het O.O.C. verricht zijn opdracht onder de leiding en het toezicht van de voorzitter. Hij is belast met :

- het bezorgen van de uitnodigingen voor de vergaderingen, met de agenda en de bijkomende documenten;

- het bijhouden van het archief van het O.O.C. zijnde de uitnodigingen, agenda's met bijgevoegde documenten, de notulen en de protocollen;

- het uitvoeren van iedere taak die nuttig is voor de goede werking van het O.O.C., op eigen initiatief of in opdracht van het O.O.C. of zijn voorzitter;

het opstellen van de notulen van de vergaderingen.

Afdeling 2. - Vergaderingen

Onderafdeling 1. - Bijeenroeping

Art. 9.

Het O.O.C. vergadert op uitnodiging van de voorzitter; hij bepaalt de datum van de vergaderingen.

Art. 10.

De uitnodigingen met de agenda, datum, plaats en uur van de vergadering worden door de secretaris ten minste tien werkdagen voor de datum van de vergadering toegezonden aan de leden van de afvaardiging van de overheid, aan de vakorganisaties en aan de groeperingen van inrichtende machten. De postdatum geldt als bewijs van de verzending.

In dringende gevallen, waarover de voorzitter oordeelt, kan hij de termijn verminderen tot drie werkdagen zonder dat zulks noodzakelijkerwijze de toepassing van artikel 15, derde lid voor gevolg heeft.

Bij elke uitnodiging wordt de documentatie gevoegd die voor de onderhandeling nodig is.

Onderafdeling 2. - Agenda

Art. 11.

De voorzitter stelt de agenda op rekening houdende met de in artikel 13 bedoelde initiatieven.

De agenda vermeldt binnen welke van de in artikel 15 voorziene termijnen de onderhandelingen moeten worden beëindigd.

Art. 12.

Iedere afvaardiging heeft het recht, ter vergadering, wijzigingen aan de agenda voor te stellen.

Wijzigingen die door de aanwezige afvaardigingen eenparig worden aangenomen, worden doorgevoerd.

Onderafdeling 3. - Onderhandelingen

Art. 13.

De aangelegenheden vermeld in artikel 8 van het decreet worden aan onderhandeling onderworpen op initiatief van de overheid, van een vakorganisatie of van een groepering van inrichtende machten.

Art. 14.

Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de overheid, noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van de vakorganisaties of afgevaardigden van de groeperingen van inrichtende machten, maakt de onderhandelingen ongeldig.

Art. 15.

De onderhandeling over een bepaalde materie wordt beëindigd binnen de termijn van 30 dagen sedert de dag van de vergadering waarop dat agendapunt voor de eerste maal ter sprake werd gebracht.

Bij onderlinge overeenkomst tussen de aanwezige afgevaardigden kan de termijn worden verlengd.

De voorzitter kan de termijn beperken tot tien dagen wanneer hij oordeelt dat een punt dringend moet worden behandeld.

Na het verstrijken van de overeenkomstig dit artikel vastgestelde termijn is de onderhandeling ten einde en maakt de voorzitter het in artikel 17 bedoelde ontwerp van protocol op.

Afdeling 3. - Notulen en protocollen

Art. 16.

De notulen van elke vergadering van het O.O.C. vermelden uitsluitend :

1° de agenda;

2° de naam van de aanwezige en van de al of niet met kennisgeving afwezige leden van de afvaardiging van de overheid;

3° de benaming van de aanwezige en van de al of niet met kennisgeving afwezige vakorganisaties, alsmede de naam van de aanwezige en van de met kennisgeving afwezige leden van de afvaardiging van die vakorganisaties;

4° de benamingen van de aanwezigen en van de al of niet met kennisgeving afwezige groeperingen van inrichtende machten, alsmede de naam van de aanwezige en van de met kennisgeving afwezige leden van de afvaardiging van die groeperingen van inrichtende machten;

5° de naam van de technici;

6° de behandelde agendapunten;

7° de agendapunten waarvoor de onderhandeling is beëindigd.

De notulen worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris. Een afschrift ervan wordt toegezonden aan de leden van de afvaardiging van de overheid en aan de vakorganisaties en groeperingen van inrichtende machten.

Art. 17.

§ 1. De voorzitter maakt het ontwerp van protocol op overeenkomstig artikel 9 van het decreet en legt het, binnen vijftien dagen na de beëindiging van de onderhandeling, voor akkoord voor aan de andere leden van de afvaardiging van de overheid en aan de vakorganisaties en groeperingen van inrichtende machten.

§ 2. Zij beschikken over een termijn van vijftien werkdagen sedert de postdatum van de verzending bij een ter post aangetekende brief van dit document, om hun opmerkingen aan de voorzitter ter kennis te brengen. De voorzitter kan evenwel op voorstel van een afvaardiging en na de andere betrokken afvaardigingen binnen de voormelde termijn van vijftien dagen gehoord te hebben, die termijn wijzigen.

§ 3. Wordt geen tekstwijziging voorgesteld dan wordt het ontwerp de definitieve tekst van het protocol. In het tegengestelde geval worden de opmerkingen onderzocht tijdens een volgende vergadering. Aan de hand van dat onderzoek stelt de voorzitter de definitieve tekst van het protocol op.

§ 4. Een afschrift van de definitieve tekst van het protocol wordt toegezonden aan de leden van de afvaardiging van de overheid, aan de vakorganisaties en aan de groeperingen van inrichtende machten.

§ 5. De voorzitter verzoekt de leden van de afvaardiging van de overheid en de vakorganisaties en de groeperingen van inrichtende machten die het protocol wensen te ondertekenen, dat te doen binnen de termijn die hij, na de vakorganisaties en groeperingen van inrichtende machten te hebben gehoord, bepaalt.

Art. 18.

De secretaris stuurt een afschrift van de protocollen aan de door de voorzitter aangewezen administratieve diensten.

Afdeling 4. - Representativiteit

Art. 19.

§ 1. Elke vakorganisatie en elke groepering van inrichtende machten die zitting wenst te hebben in het O.O.C. richt daartoe bij aangetekend schrijven een aanvraag tot de voorzitter.

§ 2. Bij de aanvraag worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat de betrokken vakorganisatie of groepering van inrichtende machten voldoet aan, respectievelijk artikel 7, 1° of artikel 7, 2° van het decreet.

Art. 20.

§ 1. De voorzitter onderzoekt of de aanvragers voldoen aan bedoeld artikel 7 van het decreet en deelt binnen de twee werkdagen na ontvangst van de aanvraag mee of de aanvrager al dan niet zitting krijgt, in het O.O.C.

§ 2. Bij discussie omtrent het voldoen aan artikel 7 van het decreet beslist de Vlaamse regering.

Afdeling 5. - Huishoudelijk reglement

Art. 21.

Het huishoudelijk reglement van het O.O.C. regelt de gevallen waarin dit besluit niet voorziet.

Afdeling 6. - Werkingskosten

Art. 22.

De werkingskosten van het O.O.C. vallen ten laste van het departement onderwijs.

HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen

Art. 23.

Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 1995.

Art. 24.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.