Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de regeling omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de mandaatsbeëindiging, het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid en het geneeskundig toezicht voor het academisch personeel bij de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap

  • goedkeuringsdatum
    1/12/1998
  • publicatiedatum
    B.S. 13/02/1999 (pagina 4262)
  • bron

    Numac : 1999035159
  • datum laatste wijziging
    14/12/2018

AFDELING 1 DE TUCHTREGELING

ART. 1.

§ 1. Ten aanzien van het academisch personeel kan het universiteitsbestuur de volgende tuchtstraffen uitspreken:
1° schriftelijke berisping;
2° gehele of gedeeltelijke schorsing van het dienstverband voor bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke in houding van het salaris;
3° terugzetting in graad;
4° ontslag;
5° afzetting.

§ 2. Onverminderd de regels rond het opleggen van tuchtstraffen kan het universiteitsbestuur een lid van het academisch personeel schorsen in het belang van de dienst als een strafrechtelijke vervolging tegen het betreffende lid is ingesteld of als het belang van de universiteit dit vordert.

§ 3. Het universiteitsbestuur bepaalt de gronden die kunnen leiden tot een tuchtstraf. Het universiteitsbestuur stelt de tuchtrechtelijke procedure vast. Deze procedure moet ten minste voorzien in een voorafgaandelijke schriftelijke mededeling van de bezwarende gronden, in een voorafgaandelijke hoorplicht en in een mogelijkheid tot beroep. De tuchtregeling mag geen afbreuk doen aan de academische vrijheid.

§ 4. Tevens bepaalt het universiteitsbestuur de voorwaarden waaronder eerder uitgesproken tuchtstraffen uit het personeelsdossier kunnen worden geschrapt.

AFDELING 2 DE ADMINISTRATIEVE STANDEN

ART. 2.

§ 1. De administratieve standen zijn:
1° dienstactiviteit;
2° onderbreking van de ambtsvervulling:
a) gehele of gedeeltelijke onderbreking van de ambtsvervulling met behoud van salaris;
b) gehele of gedeeltelijke onderbreking van de ambtsvervulling met geheel of gedeeltelijk verlies van salaris.

Deze onderbrekingen van de ambtsvervulling worden met dienstactiviteit gelijkgesteld.

§ 2. Dienstactiviteit is de toestand waarbij het academisch personeelslid effectieve prestaties verricht of zich in een hiermee gelijkgestelde toestand bevindt. Elk personeelslid wordt geacht in actieve dienst te zijn, tenzij het, met toepassing van uitdrukkelijke bepalingen, van rechtswege hetzij bij beslissing van het universiteitsbestuur in een andere stand is geplaatst.

Gelijkgestelde toestanden met dienstactiviteit zijn de periodes van gewettigde afwezigheid onverminderd het bepaalde in § 1, jaarlijkse vakantie en omstandigheidsverlof.

Onder gewettigde afwezigheid moet worden verstaan:
1° ziekte en ongeval;
2° zwangerschapsverlof;
Deze periodes van afwezigheid moeten gedekt zijn door een geneeskundig getuigschrift.
3° arbeidsongeval.

Het universiteitsbestuur stelt regels vast omtrent de duur van de vakantie en het omstandigheidsverlof en hetgeen daarop betrekking heeft.

§ 3. Het academisch personeelslid heeft recht op loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, voor de bijstand aan of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid en voor ouderschapsverlof volgens de regeling die opgenomen is in het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen.

Het universiteitsbestuur neemt hiertoe de nodige uitvoeringsmaatregelen.

§ 4. Behoren tot de stand gehele of gedeeltelijke onderbreking van de ambtsvervulling met behoud van salaris:

Wat het zelfstandig academisch personeel betreft:
1° het sabbatsverlof;
2° de duur van het gastprofessoraat aan een andere universiteit of het bezetten van een leerstoel aan een buitenlandse universiteit;
3° vervullen van wetenschappelijke opdrachten buiten de universiteiten vermeld in artikel II.2 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.

Onder sabbatsverlof wordt verstaan maximaal twee jaar verlof over de gehele carrière voor herbronning.

In het geval de activiteiten bedoeld in sub 2° en 3° bezoldigd worden, dan komen deze bedragen toe aan de universiteit, zo niet is er geen sprake van een onderbreking van de ambtsvervulling maar van een nevenactiviteit.

§ 5. Behoren tot de stand gehele of gedeeltelijke onderbreking van de ambtsvervulling met geheel of gedeeltelijk verlies van salaris:
1° Wat het assisterend academisch personeel betreft:
a) stage- of proefperiodes die een doctor-assistent doorloopt met het oog op een aanstelling in een andere funtie;
b) de periodes van de door het universiteitsbestuur toegestane onderbreking van de ambtsvervulling voor het vervullen van bezoldigde wetenschappelijke opdrachten;
De totale duur van die onderbreking kan ten hoogste twee jaar bedragen indien de wetenschappelijke opdrachten volledig kaderen in het onderzoeksopzet van het doctoraats proefschrift. In de andere gevallen is de duur beperkt tot ten hoogste één jaar.
c) eriodes van schorsing van het mandaat voor het volbrengen van de militieverplichtingen of vervangende burgerdienst;
2° Wat het zelfstandig academisch personeel betreft: de volledige onderbreking van de ambtsvervulling gedurende maximaal twee jaar om persoonlijke redenen;
3° Wat het zelfstandig en assisterend academisch personeel betreft: de periodes van onderbreking van de ambtsvervulling om sociale of familiale redenen. Sechts twee dergelijke onderbrekingen kunnen worden toegestaan en de totale duur ervan kan ten hoogste één jaar bedragen voor het assisterend academisch personeel en ten hoogste twee jaar voor het zelfstandig academisch personeel.

§ 6. Het universiteitsbestuur kan de in artikel 2, §§ 4 en 5, met uitzondering van § 5, 1°, c, bedoelde onderbrekingen van de ambtsvervulling toestaan op verzoek van het personeelslid. Het universiteitsbestuur stelt hiervoor regels vast.

AFDELING 3 DE AMBTS- OF MANDAATSBEËINDIGING

ART. 3.

De volgende omstandigheden geven aanleiding tot ambts- of mandaatsbeëindiging:
1° het vrijwillig ontslag;
2° het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
3° verstrijken van de mandaatsperiode zonder verlenging of omdat geen verlenging toegelaten is;
4° bij het ontbreken van een gunstige beoordeling van een academisch personeelslid in tijdelijk dienstverband voor een duur van ten hoogste drie jaar met uitzicht op een vaste benoeming als vermeld in artikel V.28, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 en van een docent in het tenure trackstelsel na afloop van de aanstellingstermijn vermeld in artikel V.29 van voormelde codex;
5° het ontslag of de afzetting bij wege van tuchtstraf.
6° beëindiging wegens afwezigheid door ziekte van meer dan 666 werkdagen wanneer de definitieve ongeschiktheid werd vastgesteld door de administratieve gezondheidsdienst op voorstel van het controle orgaan ingesteld krachtens artikel 4;
7° beëindiging wegens afwezigheid door ziekte van meer dan 365 kalenderdagen vanaf de dag dat de betrokkene de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt;
8° de beëindiging na een voortdurende onverenigbaarheid als vermeld in artikel V.17/1, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
9° het ontslag na evaluatie als vermeld in artikel V.46 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.

De vanaf 1 januari 1994 geregistreerde dagen afwezigheid door ziekte worden meegerekend bij de vaststelling van het totaal aantal ziektedagen.

AFDELING 4 DE REGELING VAN HET ONDERZOEK NAAR DE LICHAMELIJKE GESCHIKTHEID EN HET GENEESKUNDIG ONDERZOEK

ART. 4.

Het universiteitsbestuur stelt een regeling vast voor het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid van en het geneeskundig toezicht op het academisch personeel.

Voor de toepassing van dit artikel en van het artikel 3, 6° en 7° wijst het universiteitsbestuur een "controleorgaan" aan.

AFDELING 5 OPHEFFINGSBEPALINGEN

ART. 5.

(niet opgenomen)

(Heft het besluit van de Vlaamse regering van 27 februari 1992 tot vaststelling van de regeling omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de mandaatsbeëindiging, het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid en het geneeskundig toezicht voor het assisterend academisch personeel bij de universiteiten op)

AFDELING 6 OVERGANGSMAATREGELEN

ART. 6.

De beslissingen van het universiteitsbestuur inzake de terbeschikkingstelling van leden van het vast benoemd wetenschappelijk personeel wegens bijzondere opdracht, genomen op grond van de vorige regelgeving, worden geacht een regelmatige onderbreking van de ambtsvervulling te zijn zoals bedoeld in dit besluit.

AFDELING 7 SLOTBEPALINGEN

ART. 7.

...

ART. 8.

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1999.

ART. 9.

De Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.