Besluit van de Vlaamse regering houdende maatregelen betreffende het prestatiestelsel, het jaarlijks vakantieverlof, sommige administratieve standen en de bezoldigingsregeling van het ondersteunend personeel tewerkgesteld in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    25 OKTOBER 2002
  • publicatiedatum
    B.S.29/11/2002
  • datum laatste wijziging
    29/06/2011

(opschrift gewijzigd bij B.Vl.R. 8-9-2006)

COORDINATIE

B.Vl.R. 8-9-2006 - B.S. 24-11-2006

B.Vl.R. 4-9-2009 - B.S. 16-10-2009

B.Vl.R. 27-5-2011 - B.S. 20-6-2011

B.Vl.R. 27-5-2011 - B.S. 29-6-2011

De Vlaamse regering,

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, inzonderheid op artikel 3, 12°, artikel 77, 80, tweede lid, 82, eerste lid, en artikel 84, eerste lid, gewijzigd bij het decreet van 28 april 1993;

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, inzonderheid op artikel 5, 13°, artikel 51, 54, eerste lid, gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2001, artikel 56, eerste lid, en artikel 58, eerste lid, gewijzigd bij het decreet van 28 april 1993;

Gelet op het decreet betreffende het onderwijs XIII-mozaïek van 13 juli 2001, inzonderheid op artikel IX.9;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 4 juni 1999;

Gelet op het protocol nr. 343 van 6 juli 1999 en op het protocol nr. 421 van 13 juli 2001 houdende de conclusies van de onderhandelingen, die werden gevoerd in de gemeenschappelijke vergaderingen van Sectorcomité X en van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op het protocol nr. 118 van 6 juli 1999 en op het protocol 193 van 13 juli 2001 houdende de conclusies van de onderhandelingen, die werden gevoerd in het overkoepelend onderhandelingscomité, bedoeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op het advies L.29.584/1 van de Raad van State, gegeven op 16 december 1999;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op de leden van het ondersteunend personeel die werken in het [gewoon en buitengewoon]¹ secundair onderwijs, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, en die onderworpen zijn aan:

het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;

het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra.

[De ambten die de leden van het ondersteunend personeel kunnen uitoefenen bestaan uit de volgende wervingsambten :

1° administratief medewerker;

2° opvoeder.]

[ ]¹ B.Vl.R. 8-9-2006; [ ]² B.Vl.R. van 4-9-2009

HOOFDSTUK I. - Prestatiestelsel

Art. 2.

[§ 1.] Het aantal uren, vereist voor een ambt met volledige prestaties, voor de in artikel 1 bedoelde leden van het ondersteunend personeel wordt vastgesteld als volgt:

1° voor de schooljaren 1998-1999, 1999-2000 en 2000-2001 :

a) voor het ambt van administratief medewerker : 38 uur;

b) voor het ambt van opvoeder : minimum 36 uur en maximum 39 uur.

2° vanaf 1 september 2001 :

a) voor het ambt van administratief medewerker : 36 uur;

b) voor het ambt van opvoeder : minimum en maximum 36 uur.

[§ 2. Het personeelslid dat zitting heeft in een lokaal inspraakorgaan dat opgericht is door of krachtens een wet of een decreet, krijgt dienstvrijstelling om de vergaderingen van dat inspraakorgaan bij te wonen. De dienstvrijstelling wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.]

B.Vl.R. van 27-5-2011

HOOFDSTUK II. - Jaarlijks vakantieverlof

Art. 3.

[Voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 1°, geldt vanaf 1 januari 2011 het volgende vakantieverlof :

1° voor het ambt van administratief medewerker gelden de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2011 betreffende de regeling van de jaarlijkse vakantie voor de administratief medewerker en voor bepaalde personeelsleden van het administratief personeel in het onderwijs;

2° voor het ambt van opvoeder gelden de bepalingen van artikel 1, § 4, en artikelen 2, 3 en 4 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.]

B.Vl.R. van 27-5-2011

HOOFDSTUK III. - Non-activiteit, verlof of terbeschikkingstelling

Art. 4.

Met ingang van het schooljaar 1998-1999 zijn de reglementaire bepalingen inzake non-activiteit, verlof en terbeschikkingstelling die gelden voor de leden van het administratief personeel onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de personeelsleden die het ambt van administratief medewerker uitoefenen.

Met ingang van het schooljaar 1998-1999 zijn de reglementaire bepalingen inzake non-activiteit, verlof en terbeschikkingstelling die gelden voor de leden van het opvoedend hulppersoneel onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de personeelsleden die het ambt van opvoeder uitoefenen.

HOOFDSTUK IV. - Bezoldigingsregeling

Art. 5.

Met ingang van het schooljaar 1998-1999 wordt de bezoldiging van de personeelsleden die het ambt van administratief medewerker uitoefenen, vastgesteld op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs.

Met ingang van het schooljaar 1998-1999 wordt de bezoldiging van de personeelsleden die het ambt van opvoeder uitoefenen, vastgesteld op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.

HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen

Art. 6.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998.

Art. 7.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.