Besluit van de Vlaamse Regering [betreffende het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding (verv. BVR 17 oktober 2014, art. 13, I: 1 januari 2015)]

  • goedkeuringsdatum
    15/02/2008
  • publicatiedatum
    B.S. 10/04/2008 (pagina 19344)
  • bron

    Numac : 2008201042
  • datum laatste wijziging
    09/08/2018

Aanhef

De Vlaamse Regering,

Gelet op de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, inzonderheid op artikel 83, § 7, vijfde lid, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 1997;

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, inzonderheid op artikel 77, eerste lid, en op artikel 82, eerste lid, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003;

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, inzonderheid op artikel 51, eerste lid, en op artikel 56, eerste lid, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003;

Gelet op het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, inzonderheid op artikel 68, eerste lid, en op artikel 73, eerste lid;

Gelet op het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, inzonderheid op artikel 192, vierde lid, ingevoegd bij het decreet van 22 juni 2007;

Gelet op het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV, inzonderheid op artikel X.58;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 september 1968, 30 mei 1975, 25 november 1976, 20 december 1976, 16 december 1981, 20 juli 1982 en 1 februari 1988 en bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 april 1990, 13 november 1991, 23 juni 1993, 22 juli 1993, 8 december 1993, 9 november 1994, 21 december 1994, 12 september 2003, 29 oktober 2004, 20 januari 2006 en 31 maart 2006;

Gelet op het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 genomen ter uitvoering van artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs,gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 juli 1985 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 april 1977, 30 maart 1981, 20 juli 1982 en 28 april 1983, en bij de wet van 31 juli 1984, en bij de koninklijke besluiten van 22 maart 1985, 27 maart 1985, en bij de wet van 1 augustus 1985, en bij de koninklijke besluiten van 12 november 1986, 13 januari 1988 en 20 december 1988 en bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 april 1990, 13 november 1991, 19 december 1991, 16 december 1992, 22 juli 1993, 8 december 1993, 9 november 1994, 20 januari 2006 en 31 maart 2006;

Gelet op het koninklijk besluit van 18 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 december 1983, en bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 april 1992, 15 september 2000, 5 december 2003 en 31 maart 2006;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 juli 1976 genomen voor de toepassing van artikel 40 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters,de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 1982 en bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 en 13 november 1991;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 juli 1976 genomen voor de toepassing van artikel 45 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 november 1978 en 7 december 1983;

Gelet op het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de gespecialiseerde Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de Rijksvormingscentra en van de inspectiediensten belast met het toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch- sociale centra, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 augustus 1985 en 21 oktober 1985, en bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 april 1992, 15 april 1997 en 7 september 2001;

Gelet op het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de verlofregeling van het vastbenoemd technisch personeel van de centra voor leerlingenbegeleiding, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2006;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende het ziekte-, bevallings- en borstvoedingsverlof toegekend aan tijdelijk aangestelde personeelsleden van de onderwijsinstellingen, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 25 januari 1995 en 24 november 1998;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 12 juli 2007 en op 12 december 2007;

Gelet op protocol nr. 646 van 9 november 2007 houdende de conclusies van de onderhandelingen, gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op protocol nr. 411 van 9 november 2007 houdende de conclusies van de onderhandelingen, gevoerd in het overkoepelend onderhandelingscomité vermeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op het advies nr. 43.970/1 van de Raad van State, gegeven op 10 januari 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I Toepassingsgebied

ART. 1.

§ 1. Behoudens hoofdstuk II, afdeling III, is dit besluit van toepassing op de volgende personeelsleden :
1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
4° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;
5° de personeelsleden vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.

§ 2. Hoofdstuk II, afdeling III, is van toepassing op de personeelsleden van het onderwijs, vermeld in artikel V.66 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, gecodificeerd op 28 oktober 2016.

§ 3. Voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit wordt verstaan onder :
1° MST-equipes : de gesubsidieerde equipes voor medisch schooltoezicht, bedoeld in de wet van 21 maart 1964 op het medisch schooltoezicht;
2° Medex : het Bestuur van de Medische Expertise van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Dit bestuur is de opvolger van de Administratieve Gezondheidsdienst (AGD).
 

HOOFDSTUK II Ziekteverlof

Afdeling I Vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten personeelsleden

ART. 2.

Deze afdeling is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, die vast benoemd zijn of, voor de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, die tot de proeftijd zijn toegelaten.

ART. 3.

§ 1. De personeelsleden als vermeld in artikel 2 krijgen voor de hele duur van hun loopbaan, dertig kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof per twaalf maanden sociale anciënniteit zoals bepaald in artikel 5.

In afwijking van het eerste lid kan een personeelslid dat op het ogenblik van zijn afwezigheid wegens ziekte nog geen zesendertig maanden sociale anciënniteit telt, negentig kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof krijgen.

§ 2. In afwijking van § 1 wordt :
1° voor de personeelsleden van de MST-equipes, voor de periode vóór 1 september 2000, het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof per twaalf maanden sociale anciënniteit bepaald op vijftien dagen;
2° voor de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs, voor de periode vóór 1 september 2003, het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof per twaalf maanden sociale anciënniteit bepaald op vijftien dagen;
3° voor de personeelsleden die voor 1 januari 2018 uitsluitend aangesteld geweest zijn in een functie in een centrum voor basiseducatie en die op 1 januari 2018 of later uitsluitend prestaties verrichten in een centrum voor basiseducatie, wordt het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof voor de periode vóór 1 januari 2018 per twaalf maanden sociale anciënniteit, bepaald op vijftien dagen.

§ 3. Het ziekteverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Tijdens dat verlof heeft het personeelslid recht op salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage.
 

ART. 4.

Als een personeelslid als vermeld in artikel 2 afwezig is wegens ziekte de kalenderdag vóór een wettelijke feestdag, een weekend, een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie en eveneens afwezig is wegens ziekte de kalenderdag na dezelfde wettelijke feestdag, hetzelfde weekend, dezelfde herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie, dan word(t)(en) de tussenliggende kalenderdag(en) eveneens als afwezigheid wegens ziekte aangerekend. Dit geldt eveneens indien een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie of een wettelijke feestdag aansluit of voorafgaat aan een weekend.

Als een personeelslid als vermeld in artikel 2 gedurende minimum 10 kalenderdagen afwezig is wegens ziekte in een periode van 15 kalenderdagen vóór de zomervakantie en eveneens gedurende minimum 10 kalenderdagen afwezig is wegens ziekte in een periode van 15 kalenderdagen na dezelfde zomervakantie, dan wordt de zomervakantie eveneens als afwezigheid wegens ziekte aangerekend.

In afwijking van het eerste en tweede lid word(t)(en) de tussenliggende kalenderdag(en) niet als afwezigheid wegens ziekte aangerekend als het personeelslid op eigen initiatief met een medisch attest aan het controleorgaan, vermeld in artikel 7, het bewijs levert dat de tweede ziekteperiode geen verband houdt met de eerste ziekteperiode.

ART. 5.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 3 is de sociale anciënniteit van een personeelslid gelijk aan de som van :
1° zijn geldelijke anciënniteit zoals die vastgesteld wordt op basis van de bepalingen van de bezoldigingsregeling of van de bezoldigingsregelingen die, op het ogenblik van de afwezigheid wegens ziekte, op hem van toepassing is;
2° de duur van de diensten die hij gepresteerd heeft vóór de leeftijd, vermeld in de klasse van zijn salarisschaal, voor zover die diensten voldoen aan de andere vereisten, gesteld in de toe te passen bezoldigingsregeling;
3° in voorkomend geval, de geldelijke anciënniteit, verworven in opdrachten die in het onderwijs met volledig leerplan als bijbetrekking werden beschouwd, op voorwaarde dat de diensten nog niet volgens punt 1° en 2° zijn meegerekend. Voor de berekening van die anciënniteit geldt de berekeningswijze van diensten die als hoofdambt worden beschouwd;
4° in voorkomend geval, de geldelijke anciënniteit, verworven in bijbetrekking in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, op voorwaarde dat de diensten nog niet volgens punt 1°, 2° of 3° zijn meegerekend;
5° in voorkomend geval, de duur van de diensten die voor de berekening van de geldelijke anciënniteit op grond van een van de volgende bepalingen wel in aanmerking werden genomen, op voorwaarde dat ze volgens punt 1°, 2°, 3° of 4° nog niet werden meegeteld :
a) het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;
b) het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs,
c) het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur;
d) de bepalingen van hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 houdende geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie en tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs.

§ 2. De sociale anciënniteit vermeld in § 1 wordt verminderd met de tijd, die als in aanmerking komende dienst geldt op grond van artikel 17 van het voormelde koninklijk besluit van 15 april 1958.

§ 3. In afwijking van § 1 en § 2 wordt :
1° voor de berekening van de sociale anciënniteit van de personeelsleden van de MST-equipes, voor de periode vóór 1 september 2000, alleen rekening gehouden met de geldelijke anciënniteit, verworven in een gesubsidieerde MST-equipe;
2° de sociale anciënniteit voor de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs, voor de periode vóór 1 september 2003, berekend op basis van de prestaties, vermeld in artikel 14bis, 14ter en 14quater, van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, en op basis van de prestaties, geleverd als werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" en in het "Derde arbeidscircuit";
3° voor de berekening van de sociale anciënniteit voor de personeelsleden van de centra voor basiseducatie die voor 1 januari 2018 uitsluitend aangesteld geweest zijn in een functie in een centrum voor basiseducatie en die op 1 januari 2018 of later uitsluitend prestaties verrichten in een centrum voor basiseducatie, voor de periode vóór 1 januari 2018 alleen rekening gehouden met de geldelijke anciënniteit, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 houdende geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie en tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, op 31 december 2017. Als het personeelslid voor 1 januari 2018 aangesteld werd in meer dan één functie in een centrum voor basiseducatie, wordt de hoogste geldelijke anciënniteit in aanmerking genomen op die datum.

§ 4. Voor het bepalen van het aantal genoten dagen ziekteverlof wordt de duur van de afwezigheden wegens ziekte vanaf 1 januari 1958 geteld. Voor de telling van het aantal genoten dagen ziekteverlof worden alleen de dagen bezoldigd ziekteverlof meegeteld die vallen binnen de periode die meetelt voor de berekening van het recht op het bezoldigd ziekteverlof. Het langdurig verlof, toegestaan tussen 1 januari 1958 en 1 juli 1968 krachtens artikel 3, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit van 30 december 1959 betreffende de ziekte- en bevallingsverloven der leden van het personeel van het Rijksonderwijs, wordt niet meegeteld.

In afwijking van het eerste lid wordt voor de telling van het aantal genoten dagen ziekteverlof voor :
1° de personeelsleden van de MST-equipes geen rekening gehouden met het aantal dagen ziekteverlof genoten vóór 1 september 2000;
2° de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs geen rekening gehouden met het aantal dagen ziekteverlof genoten vóór 1 september 2003;
3° de personeelsleden van de centra voor basiseducatie, vermeld in paragraaf 3, 3°, geen rekening gehouden met het aantal dagen ziekteverlof dat ze opgenomen hebben vóór 1 januari 2018.
 

ART. 6.

Een aantal afwezigheden wordt als bezoldigd ziekteverlof beschouwd en, in afwijking van artikel 3, § 1 en § 2, zonder tijdsbeperking toegestaan. Het gaat om de afwezigheid naar aanleiding van :
1° een arbeidsongeval;
2° een ongeval op de weg naar en van het werk;
3° een beroepsziekte;
4° een bedreiging door een beroepsziekte.

Deze dagen afwezigheid worden niet in mindering gebracht van het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het personeelslid nog recht heeft.

ART. 7.

Het personeelslid dat afwezig is wegens ziekte, staat onder het geneeskundig toezicht van het controleorgaan dat de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs heeft aangewezen ter uitvoering van artikel V.19 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.
 

ART. 8.

Het personeelslid kan niet definitief ongeschikt worden verklaard wegens ziekte, voor hij het bezoldigd ziekteverlof heeft opgebruikt waarop hij krachtens artikel 3 voor het geheel van zijn loopbaan recht heeft.

ART. 9.

§ 1. Is de afwezigheid te wijten aan een ongeval, veroorzaakt door de fout van een derde, en dat geen ongeval is als vermeld in artikel 6, dan ontvangt het personeelslid zijn salaris of salaristoelage alleen als voorschot op de door de derde verschuldigde vergoeding. Het salaris of de salaristoelage wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in haar rechten doet treden tegen de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt. Het salaris of de salaristoelage wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval.

Om het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof te bepalen waarop het personeelslid krachtens artikel 3 recht heeft, wordt de afwezigheid als gevolg van een dergelijk ongeval niet in aanmerking genomen ten belope van het percentage aansprakelijkheid waarvoor de derde aansprakelijk is gesteld en :
1° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid heeft betaald;
2° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid niet heeft betaald maar de reden van de niet-betaling het gevolg is van de onvermogendheid van de derde, op voorwaarde dat de aansprakelijkheid en de periode van afwezigheid ten gevolge van het ongeval door een rechtbank is vastgesteld of door de derde werd erkend;
3° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid niet heeft betaald wegens een beslissing van de Vlaamse Gemeenschap om het salaris of de salaris-toelage niet terug te vorderen van de derde.

§ 2. Als de afwezigheid te wijten is aan een arbeidsongeval bij een andere werkgever, dan ontvangt het personeelslid zijn salaris of salaristoelage alleen als voorschot op de door de arbeidsongevallenverzekeraar verschuldigde vergoeding. Het salaris of de salaristoelage wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in de rechten doet treden van het betrokken personeelslid en zijn werkgever. Het salaris of de salaristoelage wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de verzekeraar van het arbeidsongeval bij de andere werkgever.

In het eerste lid wordt onder werkgever verstaan : de werkgever waar het betrokken personeelslid een aanstelling of een arbeidsovereenkomst heeft, waarbij het salaris of de salaristoelage betaald wordt door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

In het eerste lid wordt onder andere werkgever verstaan : de werkgever waar het betrokken personeelslid op het ogenblik van het arbeidsongeval een aanstelling of een arbeidsovereenkomst heeft, waarbij het salaris niet betaald wordt door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

Om het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof te bepalen waarop het vastbenoemde of tot de proeftijd toegelaten personeelslid met toepassing van artikel 3 recht heeft, wordt de afwezigheid als gevolg van een dergelijk ongeval niet in aanmerking genomen als de arbeidsongevallenverzekeraar overeenkomstig het eerste lid heeft betaald.

Afdeling II Tijdelijk aangestelde personeelsleden

ART. 10.

Deze afdeling is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, die tijdelijk zijn aangesteld.

De bepalingen van deze afdeling gelden enkel voor de afwezigheid wegens ziekte die ligt binnen de periode van aanstelling van een tijdelijk personeelslid.

ART. 11.

§ 1. Het personeelslid, vermeld in artikel 10, dat, eenmaal zijn opdracht effectief heeft opgenomen een eerste keer afwezig is wegens ziekte, krijgt een aantal kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof, berekend naar rata van één dag per reeks van tien dagen waarvoor een salaris of een salaristoelage wordt verstrekt als tijdelijk personeelslid sinds 1 april 1969.

Voor de toepassing van het eerste lid tellen alleen die perioden mee waarvoor het personeelslid vermeld in artikel 10, als tijdelijk personeelslid in hoofdambt of in bijbetrekking, van 1 april 1969 af, een salaris of salaristoelage van de onderwijsadministratie heeft verkregen, ongeacht de aard van de instelling of het centrum waar die diensten werden gepresteerd. Per schooljaar mogen maximaal 300 kalenderdagen worden aangerekend.

§ 2. Als het personeelslid opnieuw afwezig is wegens ziekte, is het aantal kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof waarop het aanspraak kan maken, gelijk aan het aantal kalenderdagen, berekend volgens § 1, verminderd met het aantal kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof dat het sinds 1 april 1969 heeft genoten.

§ 3. Voor de telling van het aantal genoten dagen ziekteverlof worden alleen de dagen bezoldigd ziekteverlof meegeteld die vallen binnen de periode die meetelt voor de berekening van het recht op het bezoldigd ziekteverlof.

ART. 12.

In afwijking van artikel 11 kan het personeelslid, vermeld in artikel 10, dat aangesteld werd voor de volledige duur van het schooljaar en dat eenmaal zijn opdracht effectief heeft opgenomen en dat afwezig is wegens ziekte, voor dat jaar aanspraak maken op dertig kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof als de toepassing van artikel 11 in zijn geval minder gunstig is.

Als het betrokken personeelslid echter vrijwillig of gedwongen zijn ambt neerlegt of onderbreekt voor het einde van het schooljaar, wordt het bedrag, gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging die het op grond van het eerste lid van dit artikel heeft gekregen en de bezoldiging waarop het aanspraak zou kunnen maken hebben door de toepassing van artikel 11, aan de belanghebbende teruggevraagd.

ART 12/1.

§ 1. In afwijking van artikel 11 worden voor de tijdelijke personeelsleden die voor 1 januari 2018 uitsluitend aangesteld geweest zijn in een functie in een centrum voor basiseducatie en die op 1 januari 2018 of later uitsluitend prestaties verrichten in een centrum voor basiseducatie, het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof voor de periode vóór 1 januari 2018, bepaald op vijftien dagen per twaalf maanden geldelijke anciënniteit.

Voor de personeelsleden vermeld in het eerste lid, wordt de geldelijke anciënniteit berekend op 31 december 2017 conform het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 houdende geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de centra voor basiseducatie en tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs. Als het personeelslid voor 1 januari 2018 aangesteld is in meer dan één functie in een centrum voor basiseducatie, wordt de hoogste geldelijke anciënniteit genomen op die datum.

§ 2. Bij de personeelsleden vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt geen rekening gehouden met het aantal dagen ziekteverlof dat ze opgenomen hebben vóór 1 januari 2018.

ART. 13.

Als een personeelslid vermeld in artikel 10, afwezig is wegens ziekte de kalenderdag vóór een wettelijke feestdag, een weekend, een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie en eveneens afwezig is wegens ziekte de kalenderdag na dezelfde wettelijke feestdag, hetzelfde weekend, dezelfde herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie, dan word(t)(en) de tussenliggende kalenderdag(en) eveneens aangerekend als afwezigheid wegens ziekte. Dit geldt eveneens indien een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie of een wettelijke feestdag aansluit of voorafgaat aan een weekend.

In afwijking van het eerste lid word(t)(en) de tussenliggende kalenderdag(en) niet als afwezigheid wegens ziekte aangerekend als het personeelslid, op eigen initiatief met een medisch attest aan het controleorgaan, vermeld in artikel 17, het bewijs levert dat de tweede ziekteperiode geen verband houdt met de eerste ziekteperiode.

ART. 14.

De afwezigheden wegens ziekte, vermeld in artikel 11, 12 en 13, zijn periodes van bezoldigd verlof en worden gelijkgesteld met dienstactiviteit. Als die periode zich binnen zijn aanstelling bevindt, heeft het personeelslid tijdens dat verlof recht op een salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage.

ART. 15.

Als de afwezigheid wegens ziekte van een personeelslid vermeld in artikel 10, langer duurt dan de periode waarvoor het werd aangesteld, mag de toepassing van de bepalingen van artikel 11, 12 en 13 niet tot gevolg hebben dat de betrokkene bezoldigd wordt gedurende een periode na de datum waarop zijn tijdelijke aanstelling geëindigd is.

ART. 16.

Een aantal afwezigheden wordt als bezoldigd ziekteverlof beschouwd en, in afwijking van artikel 11, zonder tijdsbeperking toegestaan als die periode zich bevindt binnen de aanstelling van het personeelslid, vermeld in artikel 10. Het gaat om de afwezigheid naar aanleiding van :
1° een arbeidsongeval;
2° een ongeval op de weg naar en van het werk;
3° een beroepsziekte;
4° een bedreiging door een beroepsziekte.

Deze dagen afwezigheid worden niet in mindering gebracht van het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het personeelslid nog recht heeft.

ART. 17.

Het personeelslid dat afwezig is wegens ziekte, staat onder het geneeskundig toezicht van het controleorgaan dat de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs heeft aangewezen ter uitvoering van artikel V.19 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.
 

ART. 18.

§ 1. Is de afwezigheid te wijten aan een ongeval, veroorzaakt door de fout van een derde en dat geen ongeval is als vermeld in artikel 16, dan ontvangt het personeelslid zijn salaris of salaristoelage alleen als voorschot op de door de derde verschuldigde vergoeding. Het salaris of de salaristoelage wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in haar rechten doet treden tegen de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt. Het salaris of de salaristoelage wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval.

Als het personeelslid het werk hervat, wordt het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vermeerderd met het aantal dagen ten belope van het percentage aansprakelijkheid waarvoor de derde aansprakelijk is gesteld. De aanvulling gebeurt pas :
1° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid heeft betaald;
2° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid niet heeft betaald maar de reden van de niet-betaling het gevolg is van de onvermogendheid van de derde, op voorwaarde dat de aansprakelijkheid en de periode van afwezigheid ten gevolge van het ongeval door een rechtbank is vastgesteld of door de derde werd erkend;
3° wanneer de derde overeenkomstig het eerste lid niet heeft betaald wegens een beslissing van de Vlaamse Gemeenschap om het salaris of de salaristoelage niet terug te vorderen van de derde;

en nadat het personeelslid heeft verklaard dat de periode van afwezigheid ten gevolge van het ongeval werd beëindigd. Hij doet die verklaring met een formulier dat de minister of zijn gemachtigde vaststelt. De aanvulling van het recht op een aantal dagen bezoldigd ziekteverlof heeft alleen gevolgen voor de latere afwezigheden.

§ 2. Als de afwezigheid te wijten is aan een arbeidsongeval bij een andere werkgever, dan ontvangt het personeelslid zijn salaris of salaristoelage alleen als voorschot op de door de arbeidsongevallenverzekeraar verschuldigde vergoeding. Het salaris of de salaristoelage wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in de rechten doet treden van het betrokken personeelslid en zijn werkgever. Het salaris of de salaristoelage wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de verzekeraar van het arbeidsongeval bij de andere werkgever.

In het eerste lid wordt onder werkgever verstaan : de werkgever waar het betrokken personeelslid een aanstelling of een arbeidsovereenkomst heeft, waarbij het salaris of de salaristoelage betaald wordt door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

In het eerste lid wordt onder andere werkgever verstaan : de werkgever waar het betrokken personeelslid een aanstelling of een arbeidsovereenkomst heeft op het ogenblik van het arbeidsongeval, waarbij het salaris niet betaald wordt door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

Om het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof te bepalen waarop het tijdelijk personeelslid met toepassing van artikel 10 en 11 recht heeft, wordt de afwezigheid als gevolg van een dergelijk ongeval niet in aanmerking genomen als de arbeidsongevallenverzekeraar overeenkomstig het eerste lid heeft betaald.

Het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof wordt vermeerderd met het aantal dagen waarvoor de arbeidsongevallenverzekeraar overeenkomstig het eerste lid heeft betaald.

Afdeling III Contractuele personeelsleden

ART. 19.

Deze afdeling is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 2, die worden betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. De bepalingen gelden alleen voor de afwezigheid die ligt binnen de periode van hun arbeidsovereenkomst.

ART. 20.

Een aantal afwezigheden wordt als bezoldigd ziekteverlof beschouwd en zonder tijdsbeperking toegestaan. Het gaat om de afwezigheid naar aanleiding van :
1° een arbeidsongeval;
2° een ongeval op de weg naar en van het werk;
3° een beroepsziekte;
4° een bedreiging door een beroepsziekte,

Gedurende die periode van afwezigheid en op voorwaarde dat die periode zich binnen de periode van de arbeidsovereenkomst bevindt, behoudt het personeelslid het recht op een salaris en salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage.

ART. 21.

Het personeelslid dat afwezig is wegens ziekte, staat onder het geneeskundig toezicht van het controleorgaan dat de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs heeft aangewezen ter uitvoering van artikel V.19 van de codificatie van sommige bepalingen van 28 oktober 2016.
 

ART. 22.

Is de afwezigheid te wijten aan een ongeval, veroorzaakt door de fout van een derde en dat geen ongeval is als vermeld in artikel 20, dan ontvangt het personeelslid zijn salaris alleen als voorschot op de door de derde verschuldigde vergoeding. Het salaris wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in haar rechten doet treden tegen de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt. Het salaris wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval.

HOOFDSTUK III Verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte

ART. 23.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, zolang ze recht hebben op bezoldigd ziekteverlof als het tijdelijke personeelsleden betreft of zolang ze niet in de stand terbeschikkingstelling wegens ziekte geplaatst worden als het vastbenoemde of tot de proeftijd toegelaten personeelsleden betreft.

Dit hoofdstuk is ook van toepassing op de personeelsleden die aangesteld zijn in een mandaat.

ART. 24.

§ 1. Het personeelslid, vermeld in artikel 23, kan gemachtigd worden om onmiddellijk aansluitend op een periode van bezoldigd ziekteverlof, omwille van een ernstige of langdurige ziekte zijn ambt of ambten met verminderde prestaties uit te oefenen met het oog op het volledig hernemen van de opdracht die het personeelslid uitoefende aan de vooravond van het ziekteverlof.

Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte kan door het controleorgaan worden toegestaan op aanvraag van het personeelslid of op voorstel van het controleorgaan zelf. In beide gevallen stuurt het personeelslid een geneeskundig attest en een plan, opgemaakt door de behandelende arts, in naar het controleorgaan. In dat plan vermeldt de behandelende arts de vermoedelijke duur van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte en het volume van de nog te verrichten prestaties tijdens de periode van dat verlof. Met het volume van de nog te verrichten prestaties wordt de verhouding bedoeld, uitgedrukt in procenten, tussen het aantal nog te verrichten prestatie-eenheden en het aantal prestatie-eenheden die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. Als het controleorgaan oordeelt dat de gezondheidstoestand van de betrokkene dat toelaat, brengt het de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, de directeur van de school, instelling of centrum waar het betrokken personeelslid is tewerkgesteld en het betrokken personeelslid zelf op de hoogte van die beslissing. Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte kan pas aanvangen na de voorafgaande goedkeuring van het plan door het controleorgaan.

§ 2. De personeelsleden die de periode vermeld in artikel 32, zesde lid, hebben opgebruikt, hebben het recht om onder de voorwaarden vermeld in paragraaf 1, een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte aan te vragen.

§ 3. De personeelsleden van wie de tewerkstelling met verminderde prestaties eindigt overeenkomstig de volgende bepalingen, hebben het recht om onder de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte aan te vragen :
1° artikel 32bis van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk;
2° artikel 19bis het koninklijk besluit van 5 januari 1971 betreffende de schadevergoeding voor beroepsziekten in de overheidssector.

§ 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte onmiddellijk aansluiten op de periode, vermeld in paragraaf 2 of in paragraaf 3.

ART. 25.

Het personeelslid dat een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte krijgt, moet zijn ambt of ambten opnieuw opnemen voor het volume dat vastgelegd is in het plan. Het aantal nog te verrichten prestaties moet wel ten minste 50 % bedragen van het aantal prestatie-eenheden die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang het geval, op een volledige lestijd, een volledig lesuur, of een volledig uur. Het volume blijft ongewijzigd gedurende de volledige periode van het verlof zoals vermeld in het plan.

De prestaties, verricht door personeelsleden die belast zijn met een opdracht aan een hogeschool, als vermeld in artikel 2, 39°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, komen enkel en alleen in aanmerking om het volume te bepalen van de nog te verrichten prestaties.

ART. 26.

Het controleorgaan kan het plan toestaan of weigeren. Als het controleorgaan het plan goedkeurt voor een periode van meer dan twee maanden, gaat het op het einde van iedere periode van twee maanden na of de gezondheidstoestand van het personeelslid de verdere uitvoering van het plan nog wettigt. Daarover maakt het bij de ingang van het plan onmiddellijk afspraken met het personeelslid.

Als het personeelslid zich op de afgesproken datum niet ter controle kan aanbieden, legt het controleorgaan, mits voorafgaande verwittiging door en in samenspraak met het personeelslid, een nieuwe afspraak vast, zonder de termijn van twee maanden te overschrijden.

Als het controleorgaan het plan of de verdere uitvoering ervan niet goedkeurt, kan het personeelslid beroep aantekenen overeenkomstig de bepalingen van artikel 20/2, derde en vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte.

ART. 27.

Aan het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte wordt een einde gesteld in de volgende gevallen :
1° op het ogenblik dat het personeelslid de opdracht herneemt die het uitoefende aan de vooravond van het verlof;
2° als het controleorgaan niet instemt met de verdere uitvoering van het plan;
3° op het ogenblik dat het personeelslid geen recht meer heeft op bezoldigd ziekteverlof of in de stand terbeschikkingstelling wegens ziekte geplaatst wordt;
4° als het volume van de nog uitgeoefende prestaties kleiner wordt dan het volume vermeld in het plan;
5° als de duur van de periode van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte verstrijkt;
6° als het personeelslid zich zonder wettige redenen onttrekt aan de controle van het controleorgaan.

ART. 28.

Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte wordt geschorst zodra het personeelslid, binnen de statutaire bepalingen die op hem van toepassing zijn, een dienstonderbreking opneemt. Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte wordt ook geschorst in het geval van ziekte.

ART. 28/1.

§ 1. Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte wordt beschouwd als ziekteverlof en wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

De aanrekening van dit ziekteverlof gebeurt als volgt :
1° per dag wordt een halve dag ziekteverlof aangerekend als het personeelslid een opdracht uitoefent die kleiner is dan 75 % van het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties;
2° per dag wordt een vierde dag ziekteverlof aangerekend als het personeelslid een opdracht uitoefent die minstens 75 % bedraagt van het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties.

§ 2. Tijdens het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte heeft het personeelslid recht op het salaris dat of de salaristoelage die het zou gehad hebben als het geen verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte zou genoten hebben.

Met behoud van de toepassing van artikel 25, eerste lid, zal het personeelslid dat een bijkomende aanstelling verwerft tijdens de periode van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, pas recht hebben op een salaris of een salaristoelage voor die bijkomende aanstelling vanaf het ogenblik dat het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte beëindigd is.

Als een gedeelte van de opdracht wegvalt tijdens de periode van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte en als het personeelslid nog aan alle gestelde voorwaarden blijft voldoen, zal het salaris of de salaristoelage vastgesteld worden op basis van de nog resterende opdracht.

[HOOFDSTUK III/1 Langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen (ing. BVR 17 oktober 2014, art. 14, I: 1 januari 2015)]

ART. 28/2.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, als ze minstens voor vijftig percent van een voltijdse opdracht vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn.

Dit hoofdstuk is ook van toepassing op de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, die aangesteld zijn in een mandaat.

ART. 28/3.

Het personeelslid, vermeld in artikel 28/2, dat om medische redenen zijn ambt niet meer kan uitoefenen voor de omvang van zijn aanstelling en/of benoeming op het moment van de aanvraag, kan gemachtigd worden om onmiddellijk aansluitend op een periode van afwezigheid, als vermeld in artikel 28/4, vanwege een ernstige of langdurige ziekte zijn ambt of ambten met verminderde prestaties uit te oefenen in de vorm van een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen. Dat verlof kan alleen toegestaan worden aan een personeelslid voor wie een volledige herneming van de opdracht waarvoor hij is aangesteld of benoemd op het moment van de aanvraag, niet meer mogelijk is.

ART. 28/4.

§ 1. Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen kan aanvangen na een periode van ten minste dertig dagen ononderbroken afwezigheid door :
1° ziekteverlof;
2° terbeschikkingstelling wegens ziekte;
3° verlof voor verminderde prestaties na een arbeidsongeval;
4° wederaanpassing met een halve dagtaak.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kunnen personeelsleden die op de vooravond van de aanvraag van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen minstens halftijds werken en daarnaast een dienstonderbreking hebben opgenomen, overstappen naar het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen. In dat geval eindigt de dienstonderbreking op het ogenblik dat het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen ingaat.

ART. 28/5.

Het personeelslid dat een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen krijgt, neemt zijn ambt of ambten opnieuw op voor het volume dat goedgekeurd is door de arts van het controleorgaan. Het aantal nog te verrichten prestaties bedraagt ten minste 50 % en maximaal 75 % van het aantal prestatie-eenheden die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties.

Met het volume van de nog te verrichten prestaties wordt de verhouding bedoeld, uitgedrukt in procenten, tussen het aantal nog te verrichten prestatie-eenheden en het aantal prestatie-eenheden die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties.

In afwijking van het eerste lid neemt een personeelslid dat vast benoemd is in een ambt dat slechts kan toegewezen worden aan één personeelslid of aan twee personeelsleden die elk met een halve opdracht worden belasten dat een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen krijgt, zijn ambt opnieuw voor 50 % op.

De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang het geval, op een volledige lestijd, een volledig lesuur, of een volledig uur.

Het volume van de nog te verrichten prestaties blijft ongewijzigd gedurende de volledige periode, vermeld in artikel 28/6, tweede lid.

In afwijking van het vorige lid kan het personeelslid, als zijn gezondheidstoestand achteruitgaat, tijdens een lopende periode van langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen een nieuw onderzoek aanvragen bij het controleorgaan om het percentage van de werkhervatting te verminderen. In dat geval wordt bij de aanvraag opnieuw een omstandig geneeskundig verslag gevoegd van een geneesheer-specialist, die ook een voorstel voor een aangepast percentage doet. Die aanvraag gebeurt dan voor een periode zoals bepaald in artikel 28/6, tweede lid.

De prestaties, verricht door personeelsleden die belast zijn met een opdracht aan een hogeschool, als vermeld in artikel V.80, 21°, van de Codex Hoger Onderwijs, komen alleen in aanmerking om het volume te bepalen van de nog te verrichten prestaties.

Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen kan alleen worden genomen voor de opdrachten waarvoor het personeelslid vastbenoemd of tot de proeftijd toegelaten is.

ART. 28/6.

Het personeelslid stuurt zijn aanvraag volgens de bepalingen van artikel 20/4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte naar het controleorgaan.

Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt toegekend tot 31 augustus van het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin het verlof een aanvang heeft genomen.

ART. 28/7.

De aanvraag voor het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt door de controlearts
1° toegestaan;
2° toegestaan maar met aanpassing van het percentage van de nog te verrichten prestaties;
3° geweigerd.

ART. 28/8.

Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen kan pas aanvangen na de voorafgaande goedkeuring door de controlearts of de arts-scheidsrechter ingeval van een beroepsprocedure.

ART. 28/9.

Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen kan meermaals worden verlengd, telkens voor een periode van twaalf maanden. In dat geval moet telkens een nieuwe aanvraag ingediend worden bij het controleorgaan.

ART. 28/10.

Aan het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt een einde gesteld in de volgende gevallen :
1° als niet meer voldaan is aan het volume van de werkhervatting, vermeld in artikel 28/5;
2° als de duur van de goedgekeurde periode van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen verstrijkt;
3° als de controlearts bij een aanvraag zoals vermeld in artikel 28/5, zesde lid, beslist dat het personeelslid niet meer in aanmerking komt voor langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen;

ART. 28/11.

Een dienstonderbreking waarvoor het personeelslid een salaris of wachtgeld ontvangt, maakt geen einde aan het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.

Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt geschorst zodra het personeelslid, een dienstonderbreking opneemt waarvoor het personeelslid geen salaris of wachtgeld ontvangt.

ART. 28/12.

Een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking maakt geen einde aan het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.

Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt eerst genomen op de opdracht waarvoor een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking wordt uitgesproken en waarvoor het personeelslid niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is.

ART. 28/13.

Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen wordt niet aangerekend op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het personeelslid nog recht heeft.

ART. 28/14.

Tijdens het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen heeft het personeelslid recht op een salaris of salaristoelage voor de uitgeoefende prestaties. Voor de niet-verrichte prestaties waarvoor het personeelslid het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen opneemt, ontvangt het personeelslid 60 % van zijn salaris of salaristoelage.

Het personeelslid heeft geen recht op salaris of salaristoelage voor opdrachten of delen van opdrachten die het ambt met volledige prestaties overschrijden.

HOOFDSTUK IV Terbeschikkingstelling wegens ziekte

ART. 29.

Het personeelslid, vermeld in artikel 2, wordt door de inrichtende macht of het schoolbestuur ter beschikking gesteld, nadat het personeelslid het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het recht had, heeft opgebruikt.

ART. 30.

Het personeelslid dat wegens ziekte ter beschikking gesteld is, ontvangt een wachtgeld of wachtgeldtoelage waarvan het bedrag bepaald wordt per jaar geldelijke anciënniteit, op basis van het laatste activiteitssalaris, naar rata van :
1° 5 % voor de eerste vijf jaren;
2° 4 % voor de vijf volgende jaren;
3° 2 % voor de andere jaren.

Het bedrag van deze wachtgelden of wachtgeldtoelagen mag niet lager zijn dan de helft van het laatste activiteitssalaris en mag niet hoger zijn dan drie vierde van het laatste activiteitssalaris.

ART. 31.

§ 1. In afwijking van artikel 30 heeft het personeelslid dat wegens ziekte ter beschikking gesteld is, recht op een wachtgeld of wachtgeldtoelage waarvan het bedrag gelijk is aan zijn laatste activiteitssalaris, als de aandoening waaraan hij lijdt als ernstige en langdurige ziekte wordt erkend.

Medex beslist of de aandoening waaraan het personeelslid lijdt, een dergelijke ziekte is. De beslissing mag in geen geval genomen worden vooraleer het personeelslid voor een periode van ten minste zes maanden voor de aandoening waaraan hij lijdt met ziekteverlof was en/of wegens ziekte ter beschikking gesteld is geweest.

Elke eerste beslissing brengt een herziening mee van de toestand van het personeelslid, met geldelijke terugwerking tot de begindatum van zijn terbeschikkingstelling.

§ 2. In afwijking van § 1 heeft elke latere beslissing van Medex uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van de beslissing. Als de beslissing op de eerste dag van een maand wordt betekend, heeft de beslissing toch uitwerking vanaf de eerste dag van die maand.

ART. 32.

Als Medex voorstelt dat een personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ziekte geschikt is om onmiddellijk bij wijze van wederaanpassing gedurende een bepaalde periode met een halve dagtaak te werken en zodra het personeelslid aan dat voorstel gevolg geeft, is de terbeschikkingstelling wegens ziekte ambtshalve beëindigd.

Het personeelslid heeft in het geval vermeld in het eerste lid, het recht elke week een of meer ambten uit te oefenen die samen de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. Voor het berekenen van de halve opdracht die het personeelslid moet blijven uitoefenen, komen de uren waarvoor hij tijdelijk is aangesteld en komen de prestaties in een opdracht aan een hogeschool als vermeld in artikel 2, 39°, van het hetzelfde decreet van 13 juli 1994 eveneens in aanmerking. De nog te verrichten prestaties moeten steeds worden afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.

Het personeelslid mag de halftijdse prestaties alleen uitoefenen gedurende de periode die in de beslissing van het voormelde bestuur wordt vermeld. Die periode is echter ambtshalve tot een maximum van negentig kalenderdagen beperkt.

Het personeelslid dat, tijdens de toegestane lopende periode van halftijdse prestaties, afwezig is wegens ziekte, behoudt na deze afwezigheid het recht om de halftijdse prestaties voor het nog resterend aantal dagen van de toegestane periode verder te zetten. Dit recht geldt niet indien het gaat om een afwezigheid wegens ziekte die langer dan veertien opeenvolgende kalenderdagen duurt.

Met behoud van de toepassing van artikel 24, § 1, eerste lid, mag het personeelslid in een periode van tien jaar zijn ambt in totaal niet meer dan negentig kalenderdagen met dergelijke halftijdse prestaties uitoefenen. Voor het bepalen ven de negentig kalenderdagen worden alleen periodes van halftijdse prestaties wegens ziekte geteld.

Het personeelslid heeft recht op een periode van maximaal negentig kalenderdagen halftijdse prestaties, op voorwaarde dat het in de periode van maximaal tien jaar die aan die periode voorafgaat nog geen negentig kalenderdagen met halftijdse prestaties heeft genoten.

Tijdens de periode dat het personeelslid die halftijdse prestaties uitoefent, wordt de halftijdse afwezigheid wegens ziekte beschouwd als verlof, gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Tijdens dit verlof heeft het personeelslid recht op het salaris dat of de salaristoelage die het zou hebben gehad mocht het zijn volledige dagtaak hebben uitgeoefend.

HOOFDSTUK V Wijzigingsbepaling

ART. 33.

In het opschrift van hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 8 juli 1976 genomen voor de toepassing van artikel 40 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat worden de woorden "Verlof wegens ziekte of gebrekkigheid" en de woorden "Verlof voor verminderde dienstprestaties wegens ziekte of gebrekkigheid" geschrapt.

HOOFDSTUK VI Opheffingsbepalingen

ART. 34.

In het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 9, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2004;
2° artikel 9bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1981 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2004;
3° artikel 9ter, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2004;
4° artikel 10;
5° artikel 11, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
6° artikel 12 en 13;
7° artikel 14, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
8° artikel 15, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 februari 1988 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
9° artikel 16, 17 en 29.

ART. 35.

Artikel 11, 12, 13 en 14 van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 genomen ter uitvoering van artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, opgeheven.

ART. 36.

In het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 14 en 15;
2° artikel 16, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
3° artikel 17 en 18;
4° artikel 19, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
5° artikel 20, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 januari 1988 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
6° artikel 21 en 22;
7° artikel 41, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 april 1983 en 27 maart 1985 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 1992;
8° artikel 42, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 april 1983 en 27 maart 1985.

ART. 37.

Artikel 9, 10, 11 en 12 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, opgeheven.

ART. 38.

Artikel 6, 7, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 8 juli 1976 genomen voor de toepassing van artikel 45 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, opgeheven.

ART. 39.

Artikel 83, § 7, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 1997, wordt, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, opgeheven.

ART. 40.

Artikel 190, 191, 192 en 193 van het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de gespecialiseerde Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de Rijksvormingscentra en van de inspectiediensten belast met het toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch- sociale centra, worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, opgeheven.

ART. 41.

In het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de verlofregeling van het vastbenoemd technisch personeel van de centra voor leerlingenbegeleiding worden de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 14, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2001;
2° artikel 14bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 266 van 31 december 1983 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2001;
3° artikel 15;
4° artikel 16, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
5° artikel 17 en 18;
6° artikel 19, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
7° artikel 20, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 januari 1988 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;
8° artikel 21 en 22.

ART. 42.

Artikel 2, 3, 4 en 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende het ziekte-, bevallings- en borstvoedingsverlof toegekend aan tijdelijk aangestelde personeelsleden van de onderwijsinstellingen, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, opgeheven.

ART. 43.

In het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte worden, voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is, de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 19;
2° artikel 20, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 1995.

ART. 44.

In artikel 192 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003 en 22 juni 2007, wordt het tweede lid opgeheven.

HOOFDSTUK VII Overgangsbepaling

ART. 45.

De berekeningswijze van het bezoldigd ziekteverlof voor de in artikel 2 en 10 genoemde personeelsleden heeft voor de periode tot en met 31 augustus 2007 geen gevolgen, noch voor de personeelsleden, noch voor de inrichtende machten en is definitief verworven.

Indien het bedrag hoger is dan het bedrag vastgesteld op grond van artikel 30 ontvangt het lid van het administratief personeel, het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs dat vóór 1 september 2007 wegens ziekte ter beschikking was gesteld en na die datum ononderbroken in die administratieve stand blijft, verder het wachtgeld of de wachtgeldtoelage waarop het op grond van de op 31 augustus 2007 geldende reglementering recht had.

HOOFDSTUK VIII Slotbepalingen

ART. 46.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007, met uitzondering van artikel 19, 20, 21 en 22 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2003.

ART. 47.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.