Bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon basisonderwijs

  • referentie
    BaO/2010/03
  • publicatiedatum
    22/06/2010
  • datum laatste wijziging
    15/03/2022
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs
  • opheffing
    BaO/2008/02 - bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon basisonderwijs
  • opheffing
    BaO/2007/07 (pers) - bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon basisonderwijs
  • opheffing
    PERS/2006/05 - Mededeling: bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon basisonderwijs
  • opheffing
    PERS/2005/14 - bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon basisonderwijs: aandachtspunten vanaf het schooljaar 2005-2006
  • opheffing
    PERS/2003/11 - Mededeling: bekwaamheidsbewijzen buitengewoon basisonderwijs - nieuw vanaf 1 september 2003 (18/08/03)
  • contact
    Vragen naar uw werkstation

Deze omzendbrief coördineert de reglementering over de bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon basisonderwijs en bestaat uit een algemeen gedeelte (punt 1 t.e.m. 4), een specifiek gedeelte met de aandachtspunten voor het schooljaar 2021-2022(punt 5) en een archiefgedeelte (punt 6) dat de aandachtspunten van de voorbije schooljaren bundelt.

Onder punt 5 worden de wijzigingen toegelicht die gelden voor het schooljaar 2021-2022. De wijzigingen beperken zich met ingang van 1 september 2021 tot wijzigingen aan de bekwaamheidsbewijzen van het ambt van ICT-coördinator. Vanaf 1 januari 2022 wordt het ambt van beleidsondersteuner ingevoerd waarvoor bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen voorzien worden. Dit gebeurt in uitvoering van cao XII.  Daarnaast wordt ook in een loonsverhoging voor de directies voorzien – meer uitleg hierover vindt u onder punt 5.2.2. Ook worden de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen van de ambten van kleuteronderwijzer ASV en onderwijzer ASV met ingang van 1 maart 2022 verruimd. Deze laatste 2 maatregelen gelden onder voorbehoud van definitieve goedkeuring ervan door de Vlaamse Regering.

   

1. Inleiding

Het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs wordt regelmatig geactualiseerd. Hierbij vindt u de wijzigingen die betrekking hebben op het buitengewoon basisonderwijs.

2. Toepassingsgebied van deze omzendbrief

Deze omzendbrief is van toepassing op:

- de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de instellingen voor buitengewoon basisonderwijs met volledig leerplan, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap (met uitzondering van de leermeesters godsdienst: zie hiervoor de omzendbrief PERS/2012/03 bekwaamheidsbewijzen van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraar)

- de leden van het paramedisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel, het psychologisch personeel en het medisch personeel van de instellingen voor buitengewoon basisonderwijs, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap;

- de leden van het beleids- en ondersteunend personeel van de instellingen voor buitengewoon basisonderwijs met volledig leerplan, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap;

- de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het paramedisch personeel, het sociaal, het medisch en het psychologisch personeel van de medisch pedagogische instituten, de opvangcentra en de semi-internaten georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap.

3. Inhoud van deze omzendbrief

Deze omzendbrief omvat vier onderdelen. Een algemeen gedeelte over de bekwaamheidsbewijzen (punt 1-4) handelt over de algemene principes en definities. Een specifiek gedeelte (punt 5) attendeert u op recente vernieuwingen, aandachtspunten. De aandachtspunten van de vorige schooljaren zijn gebundeld in het archiefgedeelte (punt 6). Ten slotte vindt u in punt 7 de website bekwaamheidsbewijzen buitengewoon basisonderwijs.

4. De bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon basisonderwijs

4.1. Wat is een bekwaamheidsbewijs?

De Vlaamse regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot de ambten van het buitengewoon basisonderwijs. Als 'bekwaamheidsbewijs' geldt een 'basisdiploma' dat kan worden aangevuld met een 'bewijs van pedagogische bekwaamheid'(BPB). De Vlaamse regering kan voor elk ambt, naast 'vereiste' ook 'voldoende geachte' en 'andere' bekwaamheidsbewijzen vastleggen. Zij kan daarbij onder andere rekening houden met de situatie op de arbeidsmarkt.

4.2. Wie reikt het bekwaamheidsbewijs uit?

De in bijlage vermelde bekwaamheidsbewijzen moeten in principe uitgereikt zijn door een Belgische onderwijsinstelling of examencommissie. Ze kunnen eveneens uitgereikt zijn na het volgen van een opleiding die door wet of decreet gelijkgesteld is met een opleiding aan een Belgische universiteit of een door de staat of door de gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling. 

In afwijking hiervan komen ook sommige studiebewijzen in aanmerking die afgeleverd worden door erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (Syntra); in het kader van de leertijd kunnen deze centra een aantal studiebewijzen van secundair onderwijs afleveren.
Concreet gaat het om:

- het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

- het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

- het diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs).

Daarnaast heeft de bevoegde instantie niet-confessionele zedenleer, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, de bevoegdheid om de attesten uit te reiken die opgenomen zijn in de bijlage voor leermeester niet-confessionele zedenleer, ter aanvulling van het basisdiploma. Ook de hoofden van de erediensten kunnen studiebewijzen uitreiken. Zie hiervoor de omzendbrief Bekwaamheidsbewijzen van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraar.

4.3. Het stelsel van bekwaamheidsbewijzen

De bekwaamheidsbewijzen worden ingedeeld als volgt:

Vereiste bekwaamheidsbewijzen (VE)

Wie voor een ambt een vereist bekwaamheidsbewijs heeft, is specifiek opgeleid om dat ambt uit te oefenen. In de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel, moet het personeelslid steeds over een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschikken. Een bewijs van pedagogische bekwaamheid geeft aan dat de houder ervan een pedagogische opleiding heeft gevolgd. De basisdiploma's van kleuteronderwijzer, onderwijzer, GLSO, GVSO-groep 1, bachelor in het onderwijs en educatieve bachelor gelden tegelijkertijd als bewijs van pedagogische bekwaamheid.

Voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen (VO)

Wie voor een ambt een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs heeft, is niet specifiek voor dat ambt opgeleid. Wel moet het personeelslid in de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel ook hier telkens over een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschikken. Het schoolbestuur kan bij een aanwerving vrij kiezen tussen kandidaten met een vereist bekwaamheidsbewijs of kandidaten met een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

Andere bekwaamheidsbewijzen (AND)

Aan personen met een 'ander' bekwaamheidsbewijs, wordt tijdelijk een financiering of subsidiëring verleend. Een schoolbestuur moet voorrang verlenen aan kandidaten met een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. Het kan enkel kandidaten met een 'ander' bekwaamheidsbewijs aanwerven bij wijze van tijdelijke uitzonderingsmaatregel. Daarbij moet het schoolbestuur aan het Ministerie van Onderwijs en Vorming op eer verklaren dat het niet mogelijk was om een houder van een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aan te werven. In de praktijk gebeurt dit door het aankruisen van het veldje 'geen kandidaat VE/VO' in de elektronische zending.

(Zie omzendbrief: Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en Vorming referentie : PERS/2005/09 van 29/06/2005.)

Het schoolbestuur hoeft die verklaring op eer niet af te leggen:

- wanneer de aanstelling van het personeelslid met een 'ander' bekwaamheidsbewijs zich beperkt tot een aanstelling van maximaal 97 dagen;

- wanneer het personeelslid over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs zou beschikken indien het ook in het bezit zou zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid. Deze periode is gelijk aan de minimumduur nodig om een bewijs van pedagogische bekwaamheid te behalen, vermeerderd met één schooljaar. De bedoelde periode loopt vanaf de 1e september volgend op de datum van de eerste aanstelling in het buitengewoon kleuter -, lager en basisonderwijs.

Wanneer het schoolbestuur een personeelslid met een 'ander' bekwaamheidsbewijs aanstelt buiten de twee bovenvermelde gevallen, kan een personeelslid dat een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs bezit en dat zich voor het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld, verhaal aantekenen bij het schoolbestuur. Meer informatie hierover vindt u terug in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs.

De aanstelling van een personeelslid dat een 'ander' bekwaamheidsbewijs heeft, is beperkt tot het lopende schooljaar. Het personeelslid kan eventueel het volgende schooljaar opnieuw aangesteld worden op basis van een 'ander' bekwaamheidsbewijs als opnieuw aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan.

Zolang het personeelslid een 'ander' bekwaamheidsbewijs heeft, kan het geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of vaste benoeming verwerven. De salarisschaal is lager dan bij de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen.

4.4. Regeling voor buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften

Buitenlandse studiebewijzen moeten erkend worden door Naric-Vlaanderen om als een bekwaamheidsbewijs te kunnen gelden.

Er bestaan twee grote systemen:

- de academische erkenning van buitenlandse diploma's;

- de professionele erkenning (EER-leerkrachten).

4.5. Regeling voor diploma's behaald in de Franstalige Gemeenschap

De diploma's uitgereikt door erkende onderwijsinstellingen in de Franse Gemeenschap van België zijn evenwaardig met de overeenkomstige diploma's die erkende onderwijsinstellingen in Vlaanderen uitreiken. Er is dus geen beslissing tot gelijkwaardigheid nodig voor een diploma van de Franse Gemeenschap in Vlaanderen.

4.6. Het bekwaamheidsbewijs als bewijs van de vereiste taalkennis van het Nederlands

Vanaf 1 september 2009 is het gehele stelsel van taalkennisvoorwaarden om een betrekking in het onderwijs te kunnen uitoefenen en in aanmerking te komen voor een salaris(toelage) herzien en is het Europees Referentiekader voor Talen van toepassing. De kennis van de onderwijstaal Nederlands kan o.a. aangetoond worden via een Nederlandstalig bekwaamheidsbewijs. Uitgebreide informatie hierover vindt u in de omzendbrief “Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs (PERS/2010/01)

4.7. Hoe het besluit en de bijlagen gebruiken?

De bekwaamheidsbewijzen zijn per ambt opgenomen in de bijlagen van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990. U kunt ze raadplegen op de v. Een toelichting over de mogelijkheden van het programma vindt u in de bijhorende handleiding.

4.7.1.  Basisdiploma's

Het overzicht van de aanvaarde basisdiploma's vindt u terug in artikel 7 van het besluit van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs. Deze lijst bevat een reeks studiebewijzen die gerangschikt zijn volgens niveau en gaan van de diploma's uitgereikt in overeenstemming met de wetgeving op de academische graden tot de studiebewijzen van het niveau lager secundair onderwijs.

Het komt voor dat voor een ambt geen specifiek studiebewijs wordt gevraagd maar een 'algemeen diplomaniveau', al dan niet aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid. Welke studiebewijzen tot een dergelijke verzamelbenaming behoren, kunt u terugvinden in artikel 8 van het besluit. Voor de ambten van het basisonderwijs, komen de basisdiploma's van bachelor in het onderwijs, educatieve bachelor, kleuteronderwijzer, onderwijzer en geaggregeerde voor het secundair onderwijs- groep 1 (vroegere GLSO/ regenten) uiteraard het meest voor.

In het kader van de leertijd worden het getuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) en het diploma secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) die na 1 september 2008 in het deeltijds beroepssecundair onderwijs uitgereikt werden, eveneens als basisdiploma aanvaard.

Opmerking:

Om in aanmerking te komen als basisdiploma, moet een diploma of getuigschrift uitgereikt in het onderwijs voor sociale promotie of door een centrum voor volwassenenonderwijs, een onderwijscyclus van ten minste 900 lestijden hebben omvat.

4.7.2. Bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB)

De bewijzen van pedagogische bekwaamheid die gelden in het buitengewoon basisonderwijs, zijn strikt omschreven in artikel 4, §2 van het besluit.

Zoals opgenomen in artikel 4, §5 van het besluit worden een aantal diploma’s en studiebewijzen echter enkel als bewijs van pedagogische bekwaamheid erkend indien zij ten laatste in het academiejaar 2014-2015 uitgereikt worden. Meer informatie hierover vindt u onder de aandachtspunten 2015-2016.


Opmerking: Voor de normaalleergangen, de pedagogische leergangen, het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie en voor de pedagogische getuigschriften uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs, moet de onderwijscyclus ten minste 450 lestijden hebben omvat.

Voorbeeld: van enkele bekwaamheidsbewijzen voor het ambt van leermeester ASV, specialiteit lichamelijke opvoeding:

Voldoende geacht  

Licentiaat- lichamelijke opleiding + BPB  

  

148  

Master in de revalidatiewetenschappen en de kinesitherapie + BPB  

  

148  

4.7.3.  Website bekwaamheidsbewijzen buitengewoon basisonderwijs

De bijlagen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs sommen per ambt de bekwaamheidsbewijzen op. U kunt deze overzichten online raadplegen via de website Onderwijs en Vorming en meer specifiek via bekwaamheidsbewijzen buitengewoon basisonderwijs.

De website bekwaamheidsbewijzen buitengewoon basisonderwijs biedt u 2 zoeksystemen. ”Van ambt naar diploma” kunt u per ambt de verscheidene bekwaamheidsbewijzen terug vinden. U kunt ook omgekeerd via “van diploma naar ambt” op basis van een bekwaamheidsbewijs zoeken tot welke ambten dit bekwaamheidsbewijs toegang geeft.

Voor de ambten van het onderwijzend en paramedisch personeel worden bij de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen hoofdzakelijk concrete diploma's opgenomen, zoals bv. bachelor in het onderwijs: lager onderwijs, educatieve bachelor in het secundair onderwijs, master in de kinesitherapie, kleuteronderwijzer, ...

Voor de overige ambten geldt een algemeen diplomaniveau, zoals ten minste bachelor, of een combinatie met concrete studiebewijzen, zoals bij het ambt van studiemeester-opvoeder internaat.

Bij de 'andere' bekwaamheidsbewijzen wordt steeds gebruik gemaakt van een algemeen diplomaniveau al dan niet aangevuld met enkele concrete studiebewijzen. Deze algemene niveaus worden aangeduid via een aantal 'definities'. Hieronder vindt u informatie over de belangrijkste definities.

4.7.3.1. Ten minste master

De term ‘diploma van master’ omvat het diploma van een initiële master aansluitend bij een bachelor, eventueel na een schakelprogramma.

Met ingang van 1 september 2013 vallen hier ook onder:

- de master, aansluitend op een master (manama);

- de graden van gediplomeerde in de aanvullende studiën (GAS) en van gediplomeerde in de gespecialiseerde studiën (GGS).

Met ingang van 1 september 2019 wordt hier ook de nieuwe educatieve master onder gerekend.

Onder de definitie 'ten minste master' worden niet alleen de bovenvermelde diploma's van master gerekend, maar ook de diploma’s van licentiaat, arts, burgerlijk en industrieel ingenieur, hoger technisch of hoger kunstonderwijs van de 3e graad met volledig leerplan, enz.  Voor het volledige overzicht zie punt 1° tot en met 11° van artikel 7 van het besluit van 31 juli 1990.

4.7.3.2. Ten minste bachelor

De term ‘diploma van bachelor’ omvat diploma’s van:

- professioneel gerichte bachelor uitgereikt na het volgen van een initiële bacheloropleiding;

- bachelor, aansluitend op een bachelor (vanaf 1 september 2013);

- academisch gerichte bachelor (vanaf 1 september 2013).

Onder de definitie 'ten minste bachelor' worden in de eerste plaats de bovenvermelde diploma's van bachelor gerekend. Bovendien omvat de verzamelbenaming ook de diploma's van het hoger onderwijs van het korte type (HOKT), de diploma's van gegradueerde (zowel de vroeger uitgereikte als de nu uitgereikte in het hoger beroepsonderwijs en vanaf 1 september 2019 ook de diploma’s van het educatief graduaat in het secundair onderwijs), diploma's van technisch ingenieur, diploma's van hoger kunstonderwijs van de eerste of tweede graad met volledig leerplan, diploma's van een hogere technische leergang van de tweede graad, ...

Ook alle diploma's die onder de definitie 'ten minste master' vallen, worden hieronder gerekend. Voor het volledige overzicht zie punt 1° tot en met 42° van artikel 7, van het besluit van 31 juli 1990.

De diploma's van onderwijzer, kleuteronderwijzer, GLSO en GVSO-groep 1, evenals de … bachelors in het onderwijs en de nieuwe educatieve bachelors in het kleuteronderwijs, in het lager onderwijs en in het secundair onderwijs, maar ook de educatieve master en het educatief graduaat in het secundair onderwijs vallen eveneens onder de definitie 'ten minste bachelor, zij voldoen tezelfdertijd als basisdiploma en als 'bewijs van pedagogische bekwaamheid'.

Opmerking:

De definitie van 'ten minste bachelor’ omvat niet:

- het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie;

- het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, noch het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie;

- het pedagogisch getuigschrift uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs.


Bovenvermelde pedagogische diploma's of getuigschriften worden uitgesloten omdat ze niet voldoen aan de minimale norm van 900 lestijden die gesteld wordt om als basisdiploma in aanmerking te komen.

Voorbeeld: bekwaamheidsbewijzen voor het ambt van administratief medewerker.

Vereist  

Ten minste HSO  

202  

ten minste bachelor  

158  

ten minste master  

542  

Een personeelslid met een diploma van het hoger secundair onderwijs (HSO) aangevuld met een getuigschrift van pedagogische bekwaamheid uitgereikt door het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie komt niet in aanmerking voor het ambt van administratief medewerker met het algemeen diplomaniveau 'ten minste bachelor. Het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid behoort niet tot de groep van studiebewijzen die vermeld worden onder 'ten minste bachelor’.

4.7.3.3. 'Ten minste HSO'

Onder deze definitie vallen onder meer alle diploma's hoger onderwijs, het diploma van kandidaat, het diploma van de 4e graad beroepssecundair onderwijs, het diploma secundair onderwijs, het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, het certificaat gerangschikt als TSO3 of BSO3, ... Voor het volledige overzicht zie zowel punt 1 tot en met 56bis van artikel 7 als de definities ASBO, HSBO, HSTO en HSKO, die opgenomen zijn in artikel 8 van het besluit van 31 juli 1990.

4.7.3.4. Andere definities

Andere definities, zoals bv. HOKT, HSTO, ... vindt u eveneens terug in artikel 8 van het besluit van 31 juli 1990.

5. Aandachtspunten schooljaar 2021-2022

5.1. Met ingang van 1 september 2021: ambt van ICT-coördinator

Naar aanleiding van de introductie van het ambt van ICT-coördinator in het (buiten)gewoon secundair onderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en het volwassenenonderwijs, worden de bekwaamheidsbewijzen van het in het buitengewoon basisonderwijs al geruime tijd bestaande ambt van ICT-coördinator aangepast. Vanaf 1 september 2021 kunnen enkel nog de volgende bekwaamheidsbewijzen gehanteerd worden:

  • Ten minste HSO aan puntengewicht 63;
  • Ten minste bachelor aan puntengewicht 85;
  • Ten minste master aan puntengewicht 126.

Dat betekent dat er voor ICT-coördinatoren die tot nu toe aangesteld werden met hetzij 82 of 120 punten enerzijds respectievelijk 3 en 6 punten extra ingezet zullen moeten worden. Anderzijds worden de middelen voor ICT-coördinatie vergroot: zie hiervoor de Mededeling betreffende de ICT-coördinatie.

5.2. Met ingang van 1 januari 2022

5.2.1. Nieuw ambt van beleidsondersteuner

In het buitengewoon basisonderwijs wordt vanaf 1 januari 2022 een nieuw ambt van beleidsondersteuner ingevoerd.

Hiervoor worden de volgende bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen vastgelegd:

  • Ten minste bachelor met salarisschaal 148;
  • Ten minste master met salarisschaal 501.

5.2.2. Loonsverhoging directies

In cao XII is opgenomen dat voor alle directies van het basis-, secundair, deeltijds kunst- en volwassenenonderwijs op termijn een loonspanning van 35% voorzien wordt, vergeleken met het salaris dat de directeur zou ontvangen als leraar in hetzelfde onderwijsniveau.

Met ingang van 1 januari 2022 wordt hiervoor al een eerste opstap voorzien, zodat alle directies basisonderwijs minimaal 28% meer verdienen dan mochten ze (kleuter)onderwijzer in een buitengewone basisschool zijn. Deze loonspanning van 28% geldt op elke salaristrap. Wanneer er nog geen loonspanning van 28% bereikt werd op een welbepaalde salaristrap, zal het concrete salaris van de directeur stijgen. Voor de gevallen waar deze spanning al gold (vooral bij een lagere geldelijke anciënniteit), heeft deze maatregel geen effect op het concrete loon dat de directeur zal ontvangen. 

In de bijlage bekwaamheidsbewijzen is de loonsverhoging niet zichtbaar: de bedragen die aan de bestaande salarisschaalcode 879 gekoppeld zijn, worden immers wel verhoogd, maar de bestaande salarisschaalcode 879 blijft behouden.

Wat betekent dit voor u concreet?

Het jaarsalaris van directeur werd op 01/01/2022 vergeleken met dat van leerkracht binnen hetzelfde onderwijsniveau. Wanneer deze verhouding kleiner is dan de minimale loonspanning van 28%, wordt het bruto jaarsalaris meteen verhoogd, zodat deze minimale loonspanning is gerealiseerd.

In de tabel hieronder vindt u terug vanaf welke anciënniteit er een effectieve loonsverhoging zal zijn – gezien de spanning in 2023 hoger ligt, zal die op meer mensen effect hebben.

 

 

Met ingang van 01/01/2022 

Met ingang van 01/01/2023 

 

 

Anciënniteit nodig om een loonsverhoging te verkrijgen 

Salarisschaal directeur 

Salarisschaal leerkracht 

28%  

31%  

879 

141/148 

36j 

21j 

Voorbeeld: directeur basisonderwijs met 25j anciënniteit

Salarisschaal 

Anciënniteit 

Bruto jaarsalaris 

Loonspanning 

April 2022 minimaal 28% 

Januari 2023 minimaal 31% 

Directeur 879 

25j 

                 38.197,65  

29% 

Geen verhoging 

Verhoging tot 31% 

Leerkracht 141/148 

25j 

                 29.604,15  

  

  

  

Verder willen we nog melden dat de salarisuitbetaling van april 2022 zal bestaan uit twee delen:

  • De berekening voor april 2022 aan de ingevoerde loonspanning van 28 %;
  • Een herziening van januari 2022 tot en met maart 2022 aan de loonspanning.

Omdat het salaris van april 2022 een betaling voor meerdere maanden bevat, kan dit hoger zijn dan de volgende maand. De details van de persoonlijke berekening zijn te raadplegen op de salarisbrief.

5.3. Met ingang van 1 maart 2022: verruiming van de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen bij de ambten van kleuteronderwijzer ASV en onderwijzer ASV

Omwille van de tekorten die basisscholen ondervinden bij het vinden van leerkrachten voor het kleuter- en lager onderwijs, worden de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen bij de ambten van kleuteronderwijzer ASV en onderwijzer ASV verruimd met het bekwaamheidsbewijs ‘ten minste master + BPB’.

Dat betekent dat vanaf 1 maart 2022 houders van een diploma van master, licentiaat, ingenieur, meester, hoger kunstonderwijs van de 3e graad, … die om het even welke lerarenopleiding gevolgd hebben (bv. GPB-opleiding, specifieke lerarenopleiding, educatieve master of bachelor, …) vanaf dan een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben en op termijn dus ook een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur en vaste benoeming kunnen verwerven.

Zij ontvangen dezelfde salarisschaal als de andere leden van het onderwijzend personeel: dit is hetzij salarisschaal 141 voor het ambt van kleuteronderwijzer ASV, hetzij salarisschaal 148 voor het ambt van onderwijzer ASV.

6. Aandachtspunten van de vorige schooljaren

7. Website bekwaamheidsbewijzen buitengewoon basisonderwijs