Bekwaamheidsbewijzen van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars

  • Deze maatregelen worden toegelicht onder voorbehoud van de definitieve goedkeuring door de Vlaamse Regering van het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars.
  • Deze omzendbrief geeft toelichting bij de bekwaamheidsbewijzen van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars.
  • Nieuwe aandachtspunten, geldig vanaf 1 september 2017, vindt u onder punt 5. De bekwaamheidsbewijzen voor katholieke godsdienst worden vereenvoudigd en geactualiseerd.

1. Inleiding

Het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars wordt regelmatig geactualiseerd. De verschillende omzendbrieven die hierover bestonden, worden opgeheven, voor wat deze thematiek betreft. Deze omzendbrief coördineert de relevante informatie.

2. Toepassingsgebied van deze omzendbrief

Deze omzendbrief is van toepassing op de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars van de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijsinstellingen voor lager, basis-, buitengewoon, voltijds secundair en deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Deze omzendbrief geldt niet voor de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer. Informatie hierover vindt u, althans voor wat de leermeesters niet-confessionele zedenleer betreft, in de
omzendbrief: bekwaamheidsbewijzen in het gewoon kleuter-, lager en basisonderwijs en de omzendbrief: bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon basisonderwijs

Belangrijk: Leermeesters godsdienst en godsdienstleraars moeten altijd voorgedragen worden door de bevoegde instanties van de betrokken godsdienst. Meer info hierover vindt u via de omzendbrief Onderwijsinspectie over de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

3. Inhoud van deze omzendbrief

Deze omzendbrief omvat vier onderdelen. Een algemeen gedeelte over de bekwaamheidsbewijzen (punt 4) handelt over de algemene principes en definities.
Een specifiek gedeelte (punt 5) attendeert u op recente vernieuwingen. De aandachtspunten van de vorige schooljaren zijn gebundeld in punt 6. Tenslotte vindt u in punt 7 de website bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraren.

4. De bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars

4.1. Wat is een bekwaamheidsbewijs?

De Vlaamse regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot de verschillende ambten.

Als bekwaamheidsbewijs geldt een studiebewijs en/of de competenties verworven door activiteiten die het personeelslid uitoefent of heeft uitgeoefend,

zowel binnen als buiten het onderwijs. Beide kunnen eventueel worden aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid.

De Vlaamse regering kan voor elk ambt, naast ‘vereiste’ ook ‘voldoende geachte’ en ‘andere’ bekwaamheidsbewijzen vastleggen. Zij kan daarbij onder andere rekening houden met de situatie op de arbeidsmarkt.

Voor leermeesters en leraars anglicaanse godsdienst, islamitische godsdienst, israëlitische godsdienst, katholieke godsdienst, orthodoxe godsdienst en protestantse godsdienst vindt u een oplijsting van de verschillende bekwaamheidsbewijzen in de bijlage bij het Besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars. Via de website bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraren bieden wij u deze aan in de vorm van een elektronische databank, waarin u de recentste informatie kunt opzoeken.

4.2. Wie reikt het bekwaamheidsbewijs uit?

De in de bijlage vermelde diploma’s en getuigschriften moeten uitgereikt zijn
door een Belgische onderwijsinstelling of examencommissie. Ze kunnen eveneens uitgereikt zijn na het volgen van een opleiding die door wet of decreet gelijkgesteld is met een opleiding aan een Belgische universiteit of een door de staat of door de gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling.

Ook bepaalde studiebewijzen die afgeleverd worden door erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (Syntra) komen in aanmerking; in het kader van de leertijd kunnen deze centra een aantal studiebewijzen van secundair onderwijs afleveren. Komen concreet in aanmerking:

- het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

- het diploma secundair onderwijs(beroepssecundair onderwijs).

In afwijking van het bovenvermelde, hebben de hoofden van de betrokken erediensten of van andere organen de bevoegdheid om de hoedanigheid van bedienaar van de erkende eredienst te bevestigen of om aan sommige van de in de bijlagen opgenomen diploma's of getuigschriften goedkeuring te verlenen of om deze diploma's of getuigschriften uit te reiken.

4.3. Het stelsel van bekwaamheidsbewijzen

“Vereiste” of “voldoende geachte” bekwaamheidsbewijzen (VE/VO)

Behalve over het vermelde basisdiploma moet men in principe beschikken over een bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB). Dat betekent dat men een lerarenopleiding gevolgd moet hebben (zie ook onder 4.5.1.1) om te beschikken over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

Wat de aanstelling en de bezoldiging betreft, is er geen onderscheid tussen de vereiste bekwaamheidsbewijzen enerzijds en de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen anderzijds.

“Andere” bekwaamheidsbewijzen (AND)

Aan personen met een 'ander' bekwaamheidsbewijs, wordt tijdelijk een financiering of subsidiëring verleend. Een inrichtende macht moet voorrang verlenen aan kandidaten met een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. Zij kan enkel kandidaten met een “ander” bekwaamheidsbewijs aanwerven bij wijze van tijdelijke uitzonderingsmaatregel. Daarbij moet op eer verklaard worden dat het niet mogelijk was om een houder van een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aan te werven:

-in het Gemeenschapsonderwijs en in de officiële instellingen voor secundair onderwijs wordt deze verklaring afgelegd door de hoofden van de betrokken erediensten;

-in de officiële lagere scholen die niet zijn georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap zijn het de bedienaars van de onderscheiden erediensten die deze verklaring dienen af te leggen;

-in het vrij onderwijs is het de betrokken inrichtende macht die deze verklaring op eer zal afleggen na raadpleging van de hoofden van de betrokken erediensten.

In de praktijk gebeurt dit door het aankruisen van het veldje 'geen kandidaat VE/VO' in de elektronische zending.

Zie omzendbrief: Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het departement Onderwijs referentie : PERS/2005/09 van 29/06/2005.)

Die verklaring op eer hoeft niet afgelegd te worden:

- wanneer de aanstelling van het personeelslid met een 'ander' bekwaamheidsbewijs zich beperkt tot een aanstelling van maximaal 97 dagen;

- wanneer het personeelslid over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs zou beschikken indien het ook in het bezit zou zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid. In dat geval moet de verklaring op eer niet afgelegd worden gedurende de periode die gelijk is aan de minimumduur nodig om een bewijs van pedagogische bekwaamheid te behalen, vermeerderd met één schooljaar. Die periode loopt vanaf de eerste september volgend op de datum van de eerste aanstelling van het personeelslid in het basis- of secundair onderwijs.

Als een personeelslid met een 'ander' bekwaamheidsbewijs aangesteld wordt buiten de twee bovenvermelde gevallen, kan een personeelslid dat een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs bezit en dat zich voor een dergelijke betrekking kandidaat gesteld heeft, 'verhaal' aantekenen. Meer informatie hierover vindt u terug in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars.

De aanstelling van een personeelslid dat een 'ander' bekwaamheidsbewijs heeft, is beperkt tot het lopende schooljaar. Het personeelslid kan eventueel het volgende schooljaar opnieuw aangesteld worden op basis van een 'ander' bekwaamheidsbewijs als opnieuw aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan. Zolang het personeelslid een 'ander' bekwaamheidsbewijs heeft, kan het geen recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of vaste benoeming verwerven. De salarisschaal is lager dan bij de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen.

4.4. Het bekwaamheidsbewijs als bewijs van de vereiste taalkennis van het Nederlands

Vanaf 1 september 2009 is het gehele stelsel van taalkennisvoorwaarden om een betrekking in het onderwijs te kunnen uitoefenen en in aanmerking te komen voor een salaris(toelage) herzien en is het Europees Referentiekader voor Talen van toepassing. De kennis van de onderwijstaal Nederlands kan o.a. aangetoond worden via een Nederlandstalig bekwaamheidsbewijs.
Uitgebreide informatie hierover vindt u in de omzendbrief “Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs” (PERS/2010/01).

4.5. Hoe het besluit en de bijlagen gebruiken?

De bijlagen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars sommen per godsdienst de bekwaamheidsbewijzen en de bijhorende salarisschalen op.

U kunt de actuele overzichten online raadplegen via de website Onderwijs en Vorming en meer specifiek via de website bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraren. Een toelichting over de mogelijkheden van het programma vindt u in de bijhorende handleiding.

De website biedt u 2 zoeksystemen. Via ”van vak naar diploma” kunt u per godsdienstvak de verscheidene bekwaamheidsbewijzen terugvinden. U kunt ook omgekeerd via “van diploma naar vak” op basis van een bekwaamheidsbewijs zoeken tot welk godsdienstvak dit bekwaamheidsbewijs toegang geeft.

4.5.1. Verzamelbenamingen van studiebewijzen

In de bijlagen worden vaak verzamelbenamingen gebruikt, waarmee studiebewijzen gerangschikt worden: ten minste HOLT,BPB, …. Hieronder vindt u enkele veel gebruikte verzamelbenamingen.

4.5.2. Bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB)

Bij de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen staat, voor wat het ambt van godsdienst leraar in het secundair onderwijs betreft, in principe de verzamelbenaming“BPB” vermeld. Dit slaat op het bewijs van pedagogische bekwaamheid. Voor de lijst van de studiebewijzen die in aanmerking komen:zie artikel 3bis van het besluit.

Voor de normaalleergangen, de pedagogische leergangen, het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie en voor de pedagogische getuigschriften uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs moet de onderwijscyclus ten minste 450 lestijden hebben omvat.

4.5.3. Basisdiploma’s

  • Om in aanmerking te komen moet een diploma of getuigschrift uitgereikt in het onderwijs voor sociale promotie of door een centrum voor volwassenenonderwijs een onderwijscyclus van ten minste 900 lestijden hebben omvat.
  • In het kader van de leertijd worden het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) en het diploma secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) die na 1 september 2008 in het deeltijds beroepssecundair onderwijs uitgereikt werden, eveneens als basisdiploma aanvaard.
  • Een volledig overzicht van alle verzamelbenamingen vindt u terug in artikel 5 van het besluit. Hieronder volgen de meest courante.

4.5.3.1. Ten minste master (tot 31.8.2015: ten minste HOLT)

Onder de verzamelbenaming ‘ten minste master’ worden diploma’s van licentiaat, arts, burgerlijk en industrieel ingenieur, hoger technisch of hoger kunstonderwijs van de 3e graad met volledig leerplan, … verstaan. Voor het volledige overzicht: zie punt 4°,1.-6. van artikel 5,§1 van het besluit van 26 september 1990.

4.5.3.2. master (punt 17° van artikel 5,§1)

De definitie 'master' omvat het diploma van initiële master aansluitend op een bachelor, eventueel na schakelprogramma. Met ingang van 1 september 2013 valt hier ook onder:
-de master, aansluitend op een master (manama)
-de graden van gediplomeerde in de aanvullende studiën (GAS) en van gediplomeerde in de gespecialiseerde studiën (GGS).

4.5.3.3. Ten minste bachelor (tot 31.8.2015: ten minste HOKT)

Met “ten minste bachelor” wordt bedoeld: de diploma’s van het hoger onderwijs van het korte type, de gegradueerden (zowel de vroegere uitgereikte als degene die nu uitgereikt worden in het hoger beroepsonderwijs), diploma’s van technisch ingenieur, diploma’s hoger kunstonderwijs van de 1e of 2e graad met volledig leerplan, diploma’s van een hogere technische school of leergang van de 1e of 2e graad, …. Ook alle diploma’s die onder ‘ten minste master’ vallen, worden hieronder gerekend. Voor het volledige overzicht: zie punt 10° van artikel 5,§1.

Gecombineerd “ ten minste bachelor + BPB (tot 31.8.2015: ten minste HOKT + BPB)”

Hiermee is ook bedoeld: het diploma van (kleuter)onderwijzer, van GLSO, van GVSO-groep 1.

Opmerking:
Onder de definitie van ‘ten minste bachelor’ of ‘ten minste bachelor +BPB’ valt niet het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, noch het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, noch het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, noch het pedagogisch getuigschrift uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs.
Deze bovenvermelde pedagogische diploma's of getuigschriften worden uitgesloten omdat ze niet voldoen aan de minimale norm van 900 lestijden die gesteld wordt om als basisdiploma in aanmerking te komen.

4.5.3.4. bachelor

Onder de definitie 'bachelor' (punt 18° van artikel 5,§1) worden in de eerste plaats de diploma's van professioneel gerichte bachelor gerekend. Vanaf 1 september 2013 worden ook de diploma’s van bachelor, aansluitend op een bachelor en ook de diploma’s van academisch gerichte bachelor aanvaard.

Gecombineerd “bachelor + BPB” (punt 19° van artikel 5,§1)

Hiermee is ook bedoeld: het diploma van (kleuter)onderwijzer, van GLSO, van GVSO-groep 1, van bachelor in het onderwijs.

4.5.3.5. HOKT + BPB

“HOKT” komt op zich niet voor in de bijlagen. Gecombineerd, ”HOKT + BPB”, komt wel voor.

Hiermee is onder meer bedoeld: de diploma’s van het hoger onderwijs van het korte type, de gegradueerden (zowel de vroegere uitgereikte als degene die nu uitgereikt worden in het hoger beroepsonderwijs), diploma’s van technisch ingenieur, een diploma van een hogere technische school of leergang van de 1e of 2e graad, in combinatie met een BPB (punt 16° van artikel 5,§1).

Hiermee is ook bedoeld: het diploma van (kleuter)onderwijzer, van GLSO, van GVSO-groep 1.

Met HOKT + BPB wordt niet bedoeld: het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs

4.5.3.6. ten minste HSO


Onder deze verzamelbenaming vallen ondermeer alle diploma’s hoger onderwijs, het diploma van kandidaat, het diploma van de 4e graad beroepssecundair onderwijs, het diploma secundair onderwijs, het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, het certificaat gerangschikt als TSO3 of BSO3, … Voor het volledige overzicht: zie punt 5° van artikel 5,§1.

5. Aandachtspunten vanaf het schooljaar 2017-2018

  • Vanaf 1 september 2017 worden de bekwaamheidsbewijzen voor katholieke godsdienst vereenvoudigd en geactualiseerd.

5.1. Basisonderwijs: leermeester katholieke godsdienst

5.1.1. uitgangspunten bij de vereenvoudiging

De bekwaamheidsbewijzen volgen zoveel mogelijk de principes van de bekwaamheidsbewijzen van het ambt van onderwijzer.

5.1.2. resultaat: bekwaamheidsbewijzen vanaf 1.9.2017

U vindt het concrete resultaat op de website bekwaamheidsbewijzen .

Algemeen kan gesteld worden dat als ‘vereist’ bekwaamheidsbewijs het bekwaamheidsbewijs van ‘onderwijzer’ (en varianten) geldt die de vakspecifieke opleiding katholieke godsdienst gevolgd heeft.

De ‘voldoende’ geachte bekwaamheidsbewijzen omvatten de overige diploma’s van bachelors in onderwijs (en varianten). Voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen zijn ruim omschreven. De voordrachtgevende instantie beschikt over de mogelijkheid om bij het toewijzen van de opdrachten naast de lesbevoegdheid die door het specifieke diploma gegarandeerd wordt (VE) ook met de andere competenties van het individu rekening te houden: vakbekwaamheid die hij bijvoorbeeld via voortgezette opleiding, persoonlijke studie,… verworven heeft.


De “andere” bekwaamheidsbewijzen omvatten enkel nog een diplomaniveau. Een “ten minste HSO” blijft een “ander” bekwaamheidsbewijs.

Opmerking: ook de priester(opleiding) (VE) en het diploma van gediplomeerde voor het godsdienstonderricht in de lagere graad (VO) blijven vermeld in de bekwaamheidsbewijzen. Deze diploma’s worden niet door de Vlaamse overheid uitgereikt maar door de kerkelijke overheid of de door haar erkende instellingen.

Uiteraard blijft de decretale voorwaarde gelden dat de leermeester katholieke godsdienst voorgedragen moet worden door de bevoegde instantie van de erkende eredienst. De gegevens vindt u hier.

Bovenop het door de overheid gevraagde bekwaamheidsbewijs kan deze voordrachtgevende instantie aanvullende criteria stellen (bv. het volgen van een aanvullende opleiding). Deze voorwaarden kunnen ook geraadpleegd worden via de voormelde website bekwaamheidsbewijzen.

Scholen hoeven de documenten m.b.t. de voordracht en de aanvullende criteria niet meer aan hun werkstation te bezorgen.

De vereenvoudiging gaat uiteraard gepaard met overgangsmaatregelen voor de betrokken personeelsleden (zie onder 5. 1 . 3 ).

5.1.3. Overgangsmaatregelen leermeester katholieke godsdienst basisonderwijs

Personeelsleden die op 31 augustus 2017 in het bezit zijn van een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leermeester katholieke godsdienst hebben recht op overgangsmaatregelen als ze:
1° ofwel uiterlijk op 31 augustus 2017 vast benoemd zijn voor het ambt van leermeester godsdienst;

2° ofwel tijdelijk aangesteld geweest zijn in of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in het ambt van leermeester katholieke godsdienst in de loop van de schooljaren 2014-2015, 2015-2016 of 2016-2017.


Er worden overgangsmaatregelen toegekend voor het bekwaamheidsbewijs:

1° De bovenvermelde personeelsleden die voor het ambt van leermeester katholieke godsdienst een vereist bekwaamheidsbewijs of een vereist bekwaamheidsbewijs bij overgangsmaatregel hadden en die vanaf 1 september 2017 geen vereist bekwaamheidsbewijs meer hebben, hebben voor het ambt van leermeester katholieke godsdienst recht op een vereist bekwaamheidsbewijs bij overgangsmaatregel (OM/VE).

2° De bovenvermelde personeelsleden die voor het ambt van leermeester katholieke godsdienst een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs of een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs bij overgangsmaatregel hadden en die vanaf 1 september 2017 geen voldoend geacht bekwaamheidsbewijs meer hebben, hebben voor het ambt van leermeester katholieke godsdienst recht op een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs bij overgangsmaatregel (OM/VO).

Er worden overgangsmaatregelen toegekend voor de salarisschaal:

Het personeelslid behoudt voor het ambt van leermeester katholieke godsdienst de salarisschaal die hij genoot vóór 1 september 2017, tenzij zijn bekwaamheidsbewijs hem recht geeft op een hogere salarisschaal.
De overgangsmaatregelen gelden vanaf 1 september 2017.

5.2. secundair onderwijs: godsdienst leraar katholieke godsdienst

5.2.1. uitgangspunten bij de vereenvoudiging

Als uitgangspunt bij de vereenvoudiging van de bekwaamheidsbewijzen voor katholieke godsdienst gelden zoveel mogelijk de principes waarop de bekwaamheidsbewijzen voor de niet-levensbeschouwelijke algemene vakken geënt zijn:

a) welbepaalde verdeling van diplomaniveaus
Voor algemene vakken in het secundair onderwijs gelden algemene principes aangaande de bekwaamheidsbewijzen die de verschillende (vastgestelde) diplomaniveaus verdelen over de verschillende onderwijsvormen en graden. Bijvoorbeeld: in de derde graad ASO-TSO-KSO gelden enkel masterdiploma’s (+lerarenopleiding) als vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

De lijst voor katholieke godsdienst is zoveel mogelijk hieraan aangepast.

b) maximaal twee samenstellende delen bij een “vereist” of “voldoende geacht” bekwaamheidsbewijs

Bij de niet-levensbeschouwelijke algemene vakken zijn er bij de vereiste resp. voldoende geacht bekwaamheidsbewijzen in principe slechts twee bepalende onderdelen voor het bekwaamheidsbewijs: een basisdiploma en een bewijs van pedagogische bekwaamheid. Bij katholieke godsdienst stond er geregeld een derde element opgenomen, namelijk een criterium over (extra) vakinhoudelijke (levensbeschouwelijke) kennis die aan de leerkracht gevraagd wordt. Dat extra onderdeel is nu niet meer vermeld in de regelgeving.

5.2.2. resultaat: bekwaamheidsbewijzen vanaf 1.9.2017

U vindt het concrete resultaat op de website bekwaamheidsbewijzen .

Algemeen kan gesteld worden dat de ‘vereiste’ bekwaamheidsbewijzen herleid zijn tot vakspecifieke basisdiploma’s van bachelor in het onderwijs resp. master (en voorgangers) aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid.

De ‘voldoende’ geachte bekwaamheidsbewijzen omvatten een (bepaald) diplomaniveau en een bewijs van pedagogische bekwaamheid. Voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen zijn ruim omschreven. Niet elke houder van die bekwaamheidsbewijzen is de geschikte persoon voor het betrokken vak of ambt, maar sommigen kunnen dat wel zijn. De voordrachtgevende instantie beschikt over de mogelijkheid om bij het toewijzen van de opdrachten naast de lesbevoegdheid die door het specifieke diploma gegarandeerd wordt (VE) ook met de andere competenties van het individu rekening te houden: vakbekwaamheid die hij bijvoorbeeld via voortgezette opleiding, persoonlijke studie,… verworven heeft.


De “andere” bekwaamheidsbewijzen omvatten enkel nog een diplomaniveau. Een “ten minste HSO” blijft een “ander” bekwaamheidsbewijs.

Opmerking: ook de priester(opleiding) (VE resp. VO), en het diploma van gediplomeerde voor het godsdienstonderricht in de lagere graad (VO resp. AND) blijven vermeld in de bekwaamheidsbewijzen. Deze diploma’s worden niet door de Vlaamse overheid uitgereikt maar door de kerkelijke overheid of de door har erkende instellingen.

Uiteraard blijft de decretale voorwaarde gelden dat de godsdienstleraar voorgedragen moet worden door de bevoegde instantie. De gegevens vindt u hier.

Bovenop het door de overheid gevraagde bekwaamheidsbewijs kan de voordrachtgevende instantie aanvullende criteria stellen (bv. het volgen van een aanvullende opleiding). Deze voorwaarden kunnen ook geraadpleegd worden via de voormelde website.

Scholen hoeven de documenten m.b.t. de voordracht en de aanvullende criteria niet meer aan hun werkstation te bezorgen.

De vereenvoudiging gaat uiteraard gepaard met overgangsmaatregelen voor de betrokken personeelsleden (zie onder 5.2. 3 ).

5.2.3. Overgangsmaatregelen godsdienstleraren katholieke godsdienst secundair onderwijs

Personeelsleden die op 31 augustus 2017 in het bezit zijn van een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak katholieke godsdienst hebben recht op overgangsmaatregelen als ze:
1° ofwel uiterlijk op 31 augustus 2017 vast benoemd zijn voor het algemeen vak katholieke godsdienst;

2° ofwel tijdelijk aangesteld geweest zijn in of tijdelijk belast geweest zijn met het algemeen vak katholieke godsdienst in de loop van de schooljaren 2014-2015, 2015-2016 of 2016-2017.


Er worden overgangsmaatregelen toegekend voor het bekwaamheidsbewijs:

1° De bovenvermelde personeelsleden die voor het algemeen vak katholieke godsdienst een vereist bekwaamheidsbewijs of een vereist bekwaamheidsbewijs bij overgangsmaatregel hadden en die geen vereist bekwaamheidsbewijs meer hebben in de betreffende graad en/of onderwijsvorm, hebben voor het algemeen vak katholieke godsdienst in de betreffende graad en/of onderwijsvorm recht op een vereist bekwaamheidsbewijs bij overgangsmaatregel (OM/VE).

2° De bovenvermelde personeelsleden die voor het algemeen vak katholieke godsdienst een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs of een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs bij overgangsmaatregel hadden en die geen voldoend geacht bekwaamheidsbewijs meer hebben in de betreffende graad en/of onderwijsvorm, hebben voor het algemeen vak katholieke godsdienst in de betreffende graad en/of onderwijsvorm recht op een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs bij overgangsmaatregel (OM/VO).

Er worden overgangsmaatregelen toegekend voor de salarisschaal:

Het personeelslid behoudt voor het algemeen vak katholieke godsdienst de salarisschaal die hij genoot vóór 1 september 2017, tenzij zijn bekwaamheidsbewijs hem recht geeft op een hogere salarisschaal.

De overgangsmaatregelen gelden vanaf 1 september 2017.

6. Aandachtspunten van de vorige schooljaren

7. Website bekwaamheidsbewijzen leermeesters godsdienst en godsdienstleraars

8. Bijlage