Decreet basisonderwijs

  • goedkeuringsdatum
    25 FEBRUARI 1997
  • publicatiedatum
    B.S.17/04/1997
  • zie ook
  • datum laatste wijziging
    26/07/2019

COORDINATIE

(1) Decr. van 15/07/1997 (B.S. 21/8/1997)

(2) Decr. van 15/07/1997 (B.S. 29/08/1997)

(3) Decr. van 19/12/1997 (B.S. 30/12/1997)

(4) Decr. van 14/07/1998 (B.S. 29/08/1998)

(5) Decr. van 14/07/1998 (B.S. 29/08/1998)

(6) Decr. van 01/12/1998 (B.S. 10/04/1999)

(7) Arr. nr. 19/99 van dd. 17/02/1999 (B.S. 17/03/1999)

(8) Decr. van 22/12/1999 (B.S. 30/12/1999)

(9) Decr. van 20/10/2000 (B.S. 16/12/2000)

(10) Decr. van 22/12/2000 (B.S. 30/12/2000)

(11) Decr. van 13/07/2001 (B.S. 27/11/2001)

(12) Decr. van 28/06/2002 (B.S. 14/09/2002)

(13) Decr. van 14/02/2003 (B.S. 01/07/2003)

(14) Decr. van 10/07/2003 (B.S. 24/10/2003)

(15) Decr. van 02/04/2004 (B.S. 06/08/2004)

(16) Decr. van 07/05/2004 (B.S. 31/08/2004)

(17) Decr. van 07/05/2004 (B.S. 15/10/2004)

(18) Decr. van 24/12/2004 (B.S. 21/02/2005)

(19) Decr. van 24/06/2005 (B.S. 24/08/2005)

(20) Decr. van 15/07/2005 (B.S. 16/09/2005)

(21) Decr. van 09/12/2005 (B.S. 02/02/2006)

(22) Decr. van 30/06/2006 (B.S. 13/12/2006)

(23) Decr. van 07/07/2006 (B.S. 31/08/2006; err. 13/10/2006)

(24) Decr. van 15/12/2006 (B.S. 06/02/2007)

(25) Decr. van 22/12/2006 (B.S. 29/12/2006)

(26) decr. van 22/06/2007 (B.S. 21/08/2007)

(27) Decr. van 06/07/2007 (B.S. 24/08/2007)

(28) Decr. van 13/07/2007 (B.S. 31/08/2007)

(29) B.VL.R. van 13/07/2007 (B.S. 31/08/2007)

(30) Decr. van 30/11/2007 (B.S. 11/02/2008)

(31) Decr. van 01/02/2008 (B.S. 04/03/2008)

(32) Decr. van 06/06/2008 (B.S. 18/07/2008)

(33) Decr. van 04/07/2008 (B.S. 01/09/2008)

(34) decr. van 04/07/2008 (B.S. 20/10/2008)

(35) Decr. van 19/12/2008 (B.S. 29/12/2008)

(36) Decr. van 20/03/2009 (B.S. 09/04/2009)

(37) Decr. van 08/05/2009 (B.S. 28/08/2009)

(38) Decr. van 08/05/2009 (B.S. 28/08/2009)

(39) Decr. van 18/12/2009 (B.S. 30/12/2009)

(40) Decr. van 18/12/2009 (B.S. 29/01/2010)

(41) B.VL.R. van 26/02/2010 (B.S. 11/05/2010)

(42) Decr. van 09/07/2010 (B.S. 31/08/2010)

(43) Decr. van 23/12/2010 (B.S. 31/12/2010)

(44) Decr. van 17/12/2010 (B.S. 24/06/2011)

(45) Decr. van 17/06/2011 (B.S. 20/07/2011)

(46) Decr. van 01/07/2011 (B.S. 30/08/2011)

(47) Decr. van 08/07/2011 (B.S. 25/07/2011)

(48) Decr. van 25/11/2011 (B.S. 23/02/2012)

(49) Decr. van 23/12/2011 (B.S. 30/12/2011)

(50) Decr. van 01/06/2012 (B.S. 22/06/2012)

(50/1) Decr. van 08/06/2012 (B.S. 23/07/2012) detail ;

(51) Decr. van 29/06/2012 (B.S. 27/07/2012)

(52) Decr. van 06/07/2012 (B.S. 30/08/2012)

(53) decr. van 21/12/2012 (B.S. 31/12/2012)

(54) Decr. van 21/12/2012 (B.S. 19/02/2013)

(55) Decr. van 05/07/2013 (B.S. 30/07/2013)

(56) Decr. van 19/7/2013 (B.S. 27/08/2013)

(57) Decr. van 21/03/2014 (B.S. 28/08/2014)

(58) Decr. van 04/04/2014 (B.S. 20/08/2014)

(59) Decr. van 25/04/2014 (B.S. 25/09/2014)

(60) Decr. van 19/12/2014 (B.S. 30/12/2014)

(61) Decr. van 19/12/2014 (B.S. 27/01/2015)

(62) Decr. van 03/07/2015 (B.S. 28/07/2015)

(63) Decr. van 19/06/2015 (B.S. 21/08/2015)

(64) Decr. van 13/11/2015 (B.S. 23/11/2015)

(65) Decr. van 17/06/2016 (B.S. 10/08/2016)

(66) Decr. van 15/07/2016 (B.S. 06/09/2016)

(67) B.VL.R. van 28/10/2016 (B.S. 29/12/2016)

(68) Decr. van 18/11/2016 (B.S. 13/12/2016)

(69) Decr. van 23/12/2016 (B.S. 29/12/2016)

(70) Decr. van 16/06/2017 (B.S. 18/08/2017)

(71) Decr. van 30/06/2017 (B.S. 03/07/2017)

(72) Decr. van 24/11/2017 (B.S. 15/01/2018)

(73) Decr. van 22/12/2017 (B.S. 29/12/2017)

(74) Decr. van 26/01/2018 (B.S. 09/03/2018)

(75) Decr. van 23/03/2018 (B.S. 16/04/2018)

(76) Decr. van 27/04/2018 (B.S. 25/06/2018)

(77) Decr. van 08/06/2018 (B.S. 26/06/2018)

(78) Decr. van 15/06/2018 (B.S. 17/08/2018)

(79) Decr. van 06/07/2018 (B.S. 20/08/2018)

(80) Decr. van 06/07/2018 (B.S. 30/08/2018)

(81) Decr. van 21/12/2018 (B.S. 28/12/2018)

(82) Decr. van 21/12/2018 (B.S. 11/01/2019)

(83) Decr. van 15/03/2019 (B.S. 08/05/2019)

(84) Decr. van 22/03/2019 (B.S. 15/05/2019)

(85) Decr. van 03/05/2019 (B.S. 29/05/2019)

(86) Decr. van 05/04/2019 (B.S. 24/06/2019)

(87) Decr. van 17/05/2019 (B.S. 26/07/2019)

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.

[26

§ 1. De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op het gewoon en het buitengewoon, erkend, gefinancierd en gesubsidieerd basisonderwijs, tenzij het uitdrukkelijk anders vermeld wordt. Het decreet is niet van toepassing op de internaten, semi-internaten, opvangcentra en observatiecentra die verbonden zijn aan basisscholen.

§ 2. In afwijking van § 1 is [42artikel 27quater42] van toepassing op internaten.

26]

HOOFDSTUK II. - Afkortingen en definities

Art. 3.

Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :

1° [13aanvullende lestijden : lestijden toegekend [52...52] voor specifieke behoeften bepaald door de regering;13]

2° aanvullende uren : uren paramedische, medische, psychologische, sociale of orthopedagogische hulp toegekend voor specifieke behoeften;

3° administratieve vestigingsplaats : vestigingsplaats door het schoolbestuur gekozen als administratieve zetel van de school;

4° afstand : de kortst mogelijke afstand gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, éénrichtingsverkeer en autosnelwegen;

[26

4°bis Agion : Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs;

4°ter Agodi : Agentschap voor Onderwijsdiensten;

26] [48

4° quater anderstalige nieuwkomer :

a) een leerling die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar vijf jaar of ouder is en [65die op de dag van de voorziene instap in de school65] , gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :

1) hij is een nieuwkomer, dit wil zeggen dat hij maximaal één jaar ononderbroken in België verblijft;

2) hij heeft niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal;

3) hij beheerst onvoldoende de onderwijstaal om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;

4) hij is maximaal negen maanden ingeschreven, vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen, in een school met het Nederlands als onderwijstaal;

b) een leerling die officieel verblijft in een open asielcentrum, zijnde een collectieve opvangstructuur zoals bedoeld in artikel 2, 10°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde categorieën van vreemdelingen en die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar vijf jaar of ouder is.

Dat de leerling voldoet aan de voorwaarden, vermeld in punt a), 1) en 2), wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer van de ouders. Met die verklaring op eer wordt voor het beantwoorden aan de voorwaarde vermeld in punt 1) echter geen rekening gehouden, als in het inschrijvings- of leerlingendossier documenten aanwezig zijn die deze verklaring tegenspreken. Dat de leerling voldoet aan de voorwaarde vermeld in punt b) wordt bewezen aan de hand van een attest, uitgereikt door het open asielcentrum waar hij officieel verblijft. De verklaringen die aantonen dat anderstalige nieuwkomers voldoen aan de voorwaarden, worden ten minste vijf jaar in de school bewaard en moeten eventueel ter verificatie worden voorgelegd.

48]

5° [14 het Gemeenschapsonderwijs : een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, opgericht bij het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;14]

6° basisschool : school waar kleuteronderwijs en lager onderwijs georganiseerd wordt;

7° behoudsnorm : gunstige rationalisatienorm die in welbepaalde situaties in het buitengewoon onderwijs mag toegepast worden;

8° [86 [ (tot 01/09/2020) bevolkingsdichtheid van een gemeente : het aantal inwoners per km² [42zoals berekend door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek en zoals dat op 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de zesjaarlijkse [45periode45] voor scholengemeenschappen, vermeld in artikel 125quinquies [65...65] beschikbaar is.42] ] [ (vanaf 01/09/2020) bevolkingsdichtheid van een gemeente: het aantal inwoners per vierkante kilometer dat opgenomen is in de gemeentemonitor van de Vlaamse overheid en dat op 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, vermeld in artikel 125quinquies, beschikbaar is;] 86]

De bevolkingsdichtheid in aanmerking te nemen voor een school die vestigingsplaatsen heeft in verschillende gemeenten wordt vastgesteld op grond van volgende berekening : de totale bevolking van deze gemeenten wordt gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km². Voor een vestigingsplaats wordt de bevolkingsdichtheid van de gemeente waarin die vestigingsplaats werkelijk gelegen is, in aanmerking genomen;

[26

8°bis bijkomende lestijden : lestijden die niet behoren tot het lestijdenpakket en geen extra lestijden zijn;

8°ter bijkomende uren : uren die niet behoren tot het urenpakket en geen extra uren zijn;

26]

[578° quater brede basiszorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school vanuit een visie op zorg de ontwikkeling van alle leerlingen stimuleert en problemen tracht te voorkomen door een krachtige leeromgeving te bieden, de leerlingen systematisch op te volgen en actief te werken aan het verminderen van risicofactoren en aan het versterken van beschermende factoren; 57]

9° [57...57]

[269°bis CKG-school : school die verbonden is aan een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning;26]

[11 [26 9°ter26] CLB : centrum voor leerlingenbegeleiding zoals bedoeld in het decreet van [7627 april 2018 betreffende leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding76] 11]

[489° quater CLR : Commissie inzake Leerlingenrechten als vermeld in afdeling 2 van hoofdstuk IV van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I; 48]

[769° quater/1 consultatieve leerlingenbegeleiding: de kernactiviteit van een centrum voor leerlingenbegeleiding waarbij het versterking biedt aan de school bij problemen van individuele leerlingen of groepen van leerlingen;76]

[579° quinquies compenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school orthopedagogische of orthodidactische hulpmiddelen aanbiedt, waaronder technische hulpmiddelen, waardoor de doelen van het gemeenschappelijk curriculum of de doelen die na dispensatie voor de leerling bepaald zijn, bereikt kunnen worden; 57]

[65 9° sexies : contactonderwijs : onderwijs waarbij er een rechtstreeks en regelmatig contact is tussen de leraar of beg eleider van een onderwijsactiviteit en de leerling, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking; 65]

10° [13POV : Provinciaal Onderwijs Vlaanderen;13]

11° departement : bevoegde dienst of ambtenaar van het departement onderwijs van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;

12° [57differentiërende maatregelen: maatregelen waarbij de school, binnen het gemeenschappelijk curriculum, een beperkte variatie aanbrengt in het onderwijsleerproces om beter tegemoet te komen aan de behoeften van individuele leerlingen of groepen van leerlingen;57]

[5712° bis dispenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school doelen toevoegt aan het gemeenschappelijk curriculum of de leerling vrijstelt van doelen van het gemeenschappelijk curriculum en die, waar mogelijk, vervangt door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het onderwijsniveau ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs, nog in voldoende mate kunnen bereikt worden;57]

[5712° ter disproportionaliteit/disproportioneel: onredelijkheid van aanpassingen aangetoond na een proces van afweging met toepassing van de criteria als vermeld in artikel 2, § 2 en § 3, van het Protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding; 57]

13° [54 [75erkend onderwijs : onderwijs dat voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 62 of artikel 62bis en erkend is door de Vlaamse Regering zoals bepaald in artikel 35 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;75] 54]

14° extra lestijden : lestijden toegekend in het kader van een tijdelijk project;

[2614°bis [33extra uren : uren die toegekend zijn in het kader van tijdelijke projecten;33] 26]

[3314°ter extra-muros activiteiten : activiteiten die plaatsvinden buiten de schoolmuren en georganiseerd worden voor één of meer leerlingengroepen. Activiteiten die volledig buiten de schooluren georganiseerd worden, vallen hier niet onder;33]

15° fusie van scholen : de samenvoeging tot één nieuwe school van twee of méér scholen die gelijktijdig worden afgeschaft of de samenvoeging tot één school van twee of méér scholen waarbij één van de betrokken scholen blijft bestaan en de andere(n) opslorpt;

16° gefinancierd onderwijs : gemeenschapsonderwijs dat voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 68;

17° Gemeenschap : de Vlaamse Gemeenschap;

[5717° bis gemeenschappelijk curriculum: de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven en de schoolgebonden planning voor het nastreven van de leergebiedoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen; 57]

18° gemeenschapsonderwijs : onderwijs georganiseerd door of namens de Gemeenschap;

19° gesubsidieerd onderwijs : vrij onderwijs of officieel onderwijs, met uitzondering van het gemeenschapsonderwijs, dat voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 68;

20° godsdienst of levensbeschouwing : een godsdienst of levensbeschouwing erkend door de overheid die terzake bevoegd is;

21° groep : indeling van de scholen en vestigingsplaatsen in het gewoon basisonderwijs en van de scholen in het buitengewoon basisonderwijs naargelang ze behoren tot het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs, het gesubsidieerd vrij onderwijs naargelang van de onderscheidene godsdiensten, of tot het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs;

[7621° bis handelingsgericht advies: het CLB geeft advies aan de leerling, de ouders of het schoolteam over keuzemogelijkheden en gedragsalternatieven of eventueel bepaalde hulp;76]

22° [10 herstructurering : 10]

[10

a) in het gewoon onderwijs : wijziging in de structuur van een school op het vlak van vestigingsplaatsen en/of onderwijsniveaus en/of leerlingengroepen. Een wijziging op het vlak van leerlingengroepen is een herstructurering wanneer er leerlingengroepen afgesplitst worden naar één of meer nieuwe scholen. Een fusie wordt niet als een herstructurering beschouwd;

b) in het buitengewoon onderwijs : wijziging in de structuur van een school op het vlak van vestigingsplaatsen en/of onderwijsniveaus en/of types en/of leerlingengroepen. Een wijziging op het vlak van de leerlingengroepen is een herstructurering wanneer er leerlingengroepen afgesplitst worden naar één of meerdere scholen. Een fusie [65en veranderingen van bestaande types of niveaus binnen bestaande vestigingsplaatsen in de school zonder dat het bestaande aanbod in de totale school wijzigt, worden65] niet als een herstructurering beschouwd;

10]

23° [11hoofdopdracht : lesopdracht voor het onderwijzend personeel, kindgebonden opdracht voor het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. In de hoofdopdracht kunnen bijzondere pedagogische taken en/of lestijden beleidsondersteuning begrepen zijn;11]

24° [56huisonderwijs : 56]

[56 - het onderwijs dat verstrekt wordt aan leerplichtigen van wie de ouders beslist hebben om hen niet in te schrijven in een door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school; 56]

[56- onder huisonderwijs wordt eveneens verstaan het onderwijs dat aan een leerplichtige wordt verstrekt in het kader van de toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan; 56]

[70 24° /1 individueel aangepast curriculum : een curriculum waarbij leerdoelen op maat van de leerling met een verslag [79als vermeld in artikel 15,79] worden geformuleerd. De leerdoelen op maat van de leerling worden gekozen door de klassenraad in afstemming met de ouders, waar mogelijk de leerling, de CLB-medewerker en in voorkomend geval externe ondersteuners, vertrekkende van de ontwikkelingsdoelen en de leerdoelen die het bereiken van de eindtermen beogen. Dit curriculum kan, indien dit noodzakelijk is voor de leerling, ook gebaseerd worden op de ontwikkelingsdoelen van het buitengewoon onderwijs. Het curriculum wordt naargelang de studievoortgang van de leerling aangepast. Deze leerdoelen moeten worden nagestreefd en beogen de maximale ontplooiing van de leerling en een zo volwaardig mogelijke participatie aan het klas- en schoolgebeuren in de school voor gewoon onderwijs. Leerlingen die een individueel aangepast curriculum volgen komen niet in aanmerking voor het getuigschrift basisonderwijs behoudens wanneer voldaan is aan de voorwaarden van artikel 54; 70]

[4824° bis kadastraal perceel : een deel van het Belgisch grondgebied dat door een kadastraal perceelnummer wordt geïdentificeerd zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 20 september 2002 tot vaststelling van de vergeldingen en de nadere regels voor de afgifte van kadastrale uittreksels en inlichtingen; 48]

25° klassenraad : team van personeelsleden dat onder leiding van de directeur of zijn afgevaardigde samen de verantwoordelijkheid draagt [59of zal dragen59] voor de begeleiding van en het onderwijs aan een bepaalde leerlingengroep of individuele leerling;

[2625°bis kleuterparticipatie : de inschrijving in en deelname aan het kleuteronderwijs van niet-leerplichtige leerlingen met het oog op het realiseren van de ontwikkelingsdoelen;26]

26° kleuterschool : school waar alleen kleuteronderwijs georganiseerd wordt;

27° lagere school : school waar alleen lager onderwijs georganiseerd wordt;

[4827° bis [56leefentiteit56] : leerlingen met ten minste één gemeenschappelijke ouder, als vermeld in 41°, of leerlingen met eenzelfde hoofdverblijfplaats; 48]

[7627° ter leerlingenbegeleiding: een geheel van preventieve en begeleidende maatregelen. Leerlingenbegeleiding situeert zich op vier domeinen: de onderwijsloopbaan, leren en studeren, psychisch en sociaal functioneren en preventieve gezondheidszorg. De maatregelen vertrekken steeds vanuit een geïntegreerde en holistische benadering voor de vier begeleidingsdomeinen en dit vanuit een continuüm van zorg;76]

28° leerlingengroep : aantal leerlingen dat samen voor een bepaalde periode eenzelfde opvoedings- of onderwijsactiviteit volgt;

[57 28° bis leerling met specifieke onderwijsbehoeften: leerling met langdurige en belangrijke participatieproblemen die te wijten zijn aan het samenspel tussen:

a) één of meerdere functiebeperkingen op mentaal, psychisch, lichamelijk of zintuiglijk vlak en;

b) beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en;

c) persoonlijke en externe factoren;

57]

29° leergebied : samenhangend geheel van leerinhouden;

30° leerplicht : periode binnen dewelke men verplicht is onderwijs te volgen, zoals vastgelegd in [59artikel 1, § 1, § 3, § 759] van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;

31° leerplichtige : jongere onderworpen aan de leerplicht;

32° lestijd : een periode van vijftig minuten die als eenheid voor de bepaling van de duur van de onderwijsactiviteiten wordt gebruikt;

33° [52lestijdenpakket : 52]

[52

a) in het gewoon basisonderwijs : pakket lestijden dat bestaat uit de lestijden volgens de schalen, de SES-lestijden en de aanvullende lestijden, toegekend aan een school om de financierbare of subsidieerbare personeelsformatie van het onderwijzend personeel te bepalen, inclusief de eventuele lesopdracht van de directie;

b) in het buitengewoon basisonderwijs : het pakket lestijden dat bestaat uit de lestijden volgens de schalen en de aanvullende lestijden, toegekend aan een school om de financierbare of subsidieerbare personeelsformatie van het onderwijzend personeel te bepalen, inclusief de eventuele lesopdracht van de directie;

52]

34° [52lestijden volgens de schalen : resultaat van de verrekening van het aantal regelmatige leerlingen op een welbepaalde teldag of tijdens een welbepaalde telperiode aan de hand van schalen of bekomen als additionele lestijden volgens de schalen volgens de berekeningswijzen vermeld in dit decreet;52]

35° lokaal comité : het lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan bevoegd voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden;

36° [4836° LOP : lokaal overlegplatform als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I;48]

37° officieel onderwijs : onderwijs georganiseerd door een [46publiekrechtelijke rechtspersoon46] ;

38° onderwijs aan huis : onderwijs dat thuis of in een medische instelling verstrekt wordt aan zieke [37leerlingen37] of [37leerlingen37] met een handicap;

39° onderwijsinspectie : de inspectie, zoals bedoeld in [38het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs38] of de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, voor zover belast met taken op het gebied van het basisonderwijs;

[14

39°bis onderwijsnet :

- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

- het gesubsidieerd officieel onderwijs : het onderwijs ingericht [46...46] door publiekrechtelijke rechtspersonen andere dan het gemeenschapsonderwijs en dat in aanmerking komt voor subsidiëring van de Vlaamse Gemeenschap;

- het gesubsidieerd vrij onderwijs : het onderwijs ingericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen en dat in aanmerking komt voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;

14]

40° onderwijsniveau : indeling van het onderwijs in kleuteronderwijs, lager onderwijs, secundair onderwijs en hoger onderwijs;

41° ouders : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige onder hun bewaring hebben;

42° OVSG : Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap;

[48 42° bis pedagogisch project : het geheel van de fundamentele uitgangspunten voor een school en haar werking; 48]

43° periode van normale aanwezigheid van de leerlingen : periode die loopt vanaf 15 minuten vóór de eerste les 's morgens tot 15 minuten na de laatste les 's middags en vanaf 15 minuten vóór de eerste les 's namiddags tot 15 minuten na de laatste les 's avonds

[1343°bis plage : lestijden of uren buiten het lestijden- en urenpakket die zich situeren boven het minimum maar binnen het maximum van de hoofdopdracht;13]

44° preventorium : medische instelling die onder meer in residentieel verband kuurmogelijkheden biedt aan kinderen en jongeren van [13twee jaar en zes maanden13] tot achttien jaar en waar buitengewoon onderwijs van type 5 gegeven wordt;

45° programmatienorm : aantal regelmatige leerlingen dat op een [23welbepaalde teldag of tijdens een welbepaalde telperiode23] in een school [23...23] of een type moet ingeschreven zijn om in de financierings- of subsidiëringsregeling te worden opgenomen;

[1445°bis [26puntenenveloppe : het aantal punten waarover een school en/of scholengemeenschap op basis van het aantal regelmatige leerlingen op een welbepaalde teldag of op basis van het gemiddeld aantal leerlingen tijdens de telperiode beschikt en dat het aantal organiseerbare betrekkingen van beleids- en ondersteunend personeel en/of bestuurs- en onderwijzend personeel bepaalt;26] 14]

[23

45°ter randgemeenten : de gemeenten van het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;

45°quater taalgrensgemeenten : de gemeenten van het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 3, 1°, van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs;

23]

46° [26rationalisatienorm : het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag of tijdens een welbepaalde telperiode in een school, een vestigingsplaats, een onderwijsniveau of een type moet ingeschreven zijn om na de programmatieperiode nog gefinancierd of gesubsidieerd te blijven;26]

47° regering : de Vlaamse regering;

[57 47° bis remediërende maatregelen: maatregelen waarbij de school effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het gemeenschappelijk curriculum; 57]

48° salaris : wedde, weddetoelage, bijwedde, toelagen en vergoedingen;

49° school : pedagogisch geheel, waar onderwijs georganiseerd wordt en dat onder leiding staat van één directeur;

50° [11schoolbestuur : de inrichtende macht zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, dit is de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor één of meer scholen;11]

51° schooljaar : de periode van 1 september tot en met 31 augustus;

52° schoolopdracht van het personeel : het geheel van taken die een personeelslid in schoolverband uitvoert;

[1452°bis scholengemeenschap basisonderwijs : is een samenwerkingsverband dat beantwoordt aan de criteria van de artikelen 125sexies tot en met 125octies;14]

[8452° bis/1 selectieve participatietoeslagen leerling: de selectieve participatietoeslagen, zoals opgenomen in boek 2, deel 2, titel 1, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;84]

[52

[8452° bis/1/184] SES-lestijden : lestijden, toegekend op basis van de socio-economische status van leerlingen in het gewoon basisonderwijs die gevat wordt door leerlingkenmerken;

[76 [8452° bis/1/284] systematisch contact: een periodiek contact waarop de leerling en het centrum voor leerlingenbegeleiding in persoon samenzitten en er een uniform aanbod voor populaties of doelgroepen wordt voorzien ter uitvoering van het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg;76]

52° bis/2 thuisloze : de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezin verband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten die gefinancierd of gesubsidieerd worden door het Departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse Gemeenschap; [78of de leerling is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling als vermeld in artikel 479 van de programmawet I van 24 december 200278]

52]

[1252°ter trekkende bevolking : binnenschippers, kermis- en circusexploitanten en -artiesten en woonwagenbewoners, bedoeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden;12]

53° type : indeling van het buitengewoon onderwijs op basis van de bijzondere opvoedings- en onderwijsbehoeften die een bepaalde groep leerlingen gemeenschappelijk heeft;

[57 53° bis uitbreiding van zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school de maatregelen uit de fase van verhoogde zorg onverkort verderzet en het CLB een proces van handelingsgerichte diagnostiek opstart. Het CLB richt zich daarbij op een uitgebreide analyse van de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling en op de ondersteuningsbehoeften van de leerkracht(en) en ouders met het oog op het formuleren van adviezen voor het optimaliseren van het proces van afstemming van het onderwijs- en opvoedingsaanbod op de zorgvraag van de leerling. Het CLB bepaalt in samenspraak met de school en de ouders welke bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise, hetzij ten aanzien van de school of de leerling, al dan niet in zijn context, wenselijk is alsook de omvang en de duur daarvan;57]

54° [13urenpakket :13]

[13

a) in gewoon onderwijs : het aantal uren toegekend aan een school om de gefinancierde of gesubsidieerde formatie voor kinderverzorgers in het kleuteronderwijs te bepalen;

b) in het buitengewoon onderwijs : het aantal uren toegekend aan een school om de gefinancierde of gesubsidieerde formatie voor het paramedisch, medisch, psychologisch, orthopedagogisch en sociaal personeel te bepalen. Dit pakket bestaat uit uren volgens de richtgetallen en aanvullende uren.

13]

55° uren volgens de richtgetallen : resultaat van de verrekening van het aantal regelmatige leerlingen op een welbepaalde [23teldag of tijdens een welbepaalde telperiode23] aan de hand van de richtgetallen door de regering vastgelegd;

[1255°bis [57verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school extra zorg voorziet onder de vorm van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, afgestemd op de specifieke onder- wijsbehoeften van bepaalde leerlingen, en voorafgaand aan de fase van uitbreiding van zorg;57] 12]

56° vestigingsplaats : gebouw of gebouwencomplex waarin een school of een gedeelte van een school gehuisvest is;

57° vrij onderwijs : onderwijs georganiseerd door een natuurlijk persoon of een private rechtspersoon;

58° ziekenhuisschool : school voor buitengewoon basisonderwijs van type 5 verbonden aan een ziekenhuis waar kinderen omwille van ernstige medische redenen worden opgenomen;

[57 59° zorgcontinuüm: opeenvolging van de fasen in de organisatie van de onderwijsomgeving op het gebied van brede basiszorg, verhoogde zorg en uitbreiding van zorg. 57]

HOOFDSTUK III. - Structuur van het basisonderwijs

Afdeling 1. - Kleuteronderwijs, lager onderwijs en basisonderwijs

Art. 4.

Het basisonderwijs omvat kleuteronderwijs en lager onderwijs. Er is gewoon en buitengewoon basisonderwijs.

Art. 5.

Het kleuteronderwijs is basisonderwijs voor kinderen vanaf [13twee jaar en zes maanden13] en loopt tot de aanvang van het lager onderwijs.

Er is gewoon en buitengewoon kleuteronderwijs.

Art. 6.

§ 1. Het lager onderwijs is basisonderwijs dat aanvangt met het begin van de leerplicht, bestemd is voor kinderen na het kleuteronderwijs en loopt tot de aanvang van het secundair onderwijs.

Er is gewoon en buitengewoon lager onderwijs.

§ 2. Het gewoon lager onderwijs duurt zes jaar, het buitengewoon lager onderwijs duurt zeven jaar.

Art. 7.

§ 1. Elk schoolbestuur beslist of het alleen kleuteronderwijs, alleen lager onderwijs of beide organiseert.

[14In nieuwe scholen voor gewoon onderwijs, opgericht vanaf 1 september 2003, moet zowel kleuter- als lager onderwijs worden georganiseerd.14]

§ 2. [63Het schoolbestuur bepaalt vrij de organisatie van zijn kleuteronderwijs en lager onderwijs. Het legt die organisatie vast in het schoolwerkplan.63]

§ 3. [63In scholen met lager onderwijs moet het lager onderwijs steeds volledig georganiseerd worden. In scholen met kleuteronderwijs moet het kleuteronderwijs steeds volledig georganiseerd worden. Deze verplichting geldt, voor wat het gewoon kleuteronderwijs betreft, vanaf het schooljaar 2016-2017. 63]

[63In het gewoon basisonderwijs moet het kleuteronderwijs volledig georganiseerd zijn vanaf het derde bestaansjaar van dat onderwijsniveau in de school en het lager onderwijs volledig georganiseerd zijn vanaf het zesde bestaansjaar van dat onderwijsniveau in de school.63]

Afdeling 2. [79Gewoon en buitengewoon basisonderwijs79]

Art. 8.

Het gewoon basisonderwijs wordt zodanig georganiseerd dat, op grond van een pedagogisch project, in de school een opvoedings- en leeromgeving gecreëerd wordt waarin de leerlingen een ononderbroken leerproces kunnen doormaken. Die omgeving wordt aangepast aan de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen. [58 Een school die beslist het ononderbroken leerproces van een leerling te onderbreken door deze leerling het aanbod van het afgelopen schooljaar gedurende het daaropvolgende schooljaar nogmaals te laten volgen, neemt deze beslissing na overleg met het CLB. De genomen beslissing wordt ten aanzien van de ouders schriftelijk gemotiveerd en mondeling toegelicht, waarbij de school ook aangeeft welke bijzondere aandachtspunten er in het daaropvolgende schooljaar voor de leerling zijn.58]

Het gewoon basisonderwijs is in principe verantwoordelijk voor het onderwijs aan alle leerlingen van bedoelde leeftijdscategorie. Het moet door blijvende aandacht en verbreding van de zorg zoveel mogelijk leerlingen blijvend begeleiden. [57Het werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het CLB en de ouders en doet, in het bijzonder voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de leerling. De specifieke onderwijsbehoeften van leerlingen en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.57]

Art. 9.

Het buitengewoon basisonderwijs is het onderwijs dat op grond van een pedagogisch project aangepast onderwijs, opvoeding, verzorging en therapie verstrekt aan leerlingen waarvan de totale persoonlijkheidsontwikkeling tijdelijk of permanent, niet of onvoldoende door het gewoon onderwijs kan verzekerd worden.

Art. 10.

[57

§ 1. Het buitengewoon basisonderwijs is ingedeeld in volgende types :

1° type basisaanbod, voor kinderen voor wie de onderwijsbehoeften dermate zijn en voor wie al tijdens het gewoon kleuteronderwijs of tijdens het gewoon lager onderwijs aantoonbaar blijkt dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te kunnen blijven meene- men in een school voor gewoon onderwijs;

2° type 2, voor kinderen met een verstandelijke beperking.

Kinderen met een verstandelijke beperking voldoen aan alle onderstaande criteria :

a) ze hebben significante beperkingen in het intellectueel functioneren, wat op basis van een psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een totaal intelligentiequotiënt op een gestandaardiseerde en genormeerde intelligentietest [79 dat twee of meer standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdsgenoten79] , rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;

b) ze hebben significante beperkingen in het [79adaptief gedrag79] , wat op basis van psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een uitslag op een gestandaardiseerde en genormeerde schaal voor [79adaptief gedrag79] , die [79twee of meer79] standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdgenoten, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;

c) de functioneringsproblemen zijn ontstaan vóór de leeftijd van 18 jaar;

d) het besluit "verstandelijke beperking" wordt genomen na een periode van procesdiagnostiek;

3° type 3, voor kinderen met een emotionele of gedragsstoornis die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.

Kinderen met een emotionele of gedragsstoornis zijn kinderen bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld :

a) een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit;

b) een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis;

c) de gedragsstoornis in enge zin, `conduct disorder';

d) een angststoornis;

e) een stemmingsstoornis;

f) een hechtingsstoornis;

4° type 4, voor kinderen met een motorische beperking.

Kinderen met een motorische beperking zijn kinderen bij wie op basis van specifieke medische diagnostiek, een uitval wordt vastgesteld in de neuromusculoskeletale en beweginggerelateerde functies, meer bepaald :

a) de functies van gewrichten en beenderen;

b) de spierfuncties, meer bepaald de spierkracht, de tonus en het uithoudingsvermogen, met gedeeltelijke of volledige uitval van :

1) een van de of beide bovenste of onderste ledematen;

2) de linkerzijde, de rechterzijde of beide zijden;

3) de romp;

4) overige;

c) de bewegingsfuncties;

d) een door medische diagnostiek geobjectiveerde problematiek met weerslag op het beweginggerelateerd functioneren die niet terug te brengen is tot criterium a) tot en met c) maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;

5° type 5, voor kinderen die opgenomen zijn in een ziekenhuis, een residentiële setting of verblijven in een preventorium.

De regering bepaalt de voorwaarden waaraan de residentiële setting moet voldoen opdat er een school voor buitengewoon onderwijs type 5 aan verbonden kan zijn.

Kinderen in type 5 beantwoorden aan alle onderstaande voorwaarden :

a) de medische, psychiatrische of residentiële opvang of begeleiding laat niet toe dat de kinderen voltijds in een school aanwezig zijn;

b) de kinderen hebben behoefte aan een individueel of geïndividualiseerd aanbod dat in de residentiële omgeving verstrekt wordt;

6° type 6, voor kinderen met een visuele beperking.

Kinderen met een visuele beperking zijn kinderen bij wie op basis van specifieke oogheelkundige diagnostiek een gezichtsstoornis werd vastgesteld die beantwoordt aan minstens een van de volgende criteria :

a) een optimaal gecorrigeerde gezichtsscherpte die kleiner dan of gelijk is aan 3/10 voor het beste oog;

b) een of meer gezichtsvelddefecten die meer dan 50% van de centrale zone van 30° beslaan of die het gezichtsveld concentrisch tot minder dan 20° verkleinen;

c) een volledige altitudinale hemianopsie, een oftalmoplegie, een oculomotorische apraxie of een oscillopsie.

Onder altitudinale hemianopsie wordt verstaan: halfzijdige blindheid of blindheid in de helft van het gezichtsveld met verschillende varianten die door hersenbeschadiging veroorzaakt is.

Onder oculomotorische apraxie wordt verstaan: het niet kunnen fixeren van de ogen op één voorwerp en het niet kunnen volgen van bewegende voorwerpen.

Onder oftalmoplegie wordt verstaan : verlamming van de oogspieren.

Onder oscillopsie wordt verstaan: subjectieve instabiliteit van het gezichtsveld of het symptoom waarbij het beeld dat iemand van de omgeving heeft, beweegt zodra het hoofd wordt bewogen;

d) een ernstige gezichtsstoornis die uit een geobjectiveerde cerebrale pathologie voortvloeit, zoals cerebrale visuele inperking;

e) een door een oogarts geobjectiveerde visuele problematiek die niet tot criterium a) tot en met d) terug te brengen is, maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;

7° type 7, voor kinderen met een auditieve beperking of een spraak- of taalstoornis.

Kinderen met een auditieve beperking zijn kinderen die, op basis van een audiologisch onderzoek door een neus-, keel- en oorarts, beantwoorden aan een van de onderstaande criteria :

a) volgens de Fletcher-index een gemiddeld gehoorverlies hebben voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz van 40 dB of meer voor het beste oor zonder correctie;

b) als de Fletcher-index minder dan 40 dB bedraagt: een foneemscore van 80% of minder hebben bij de spraakaudiometrie met woorden met een medeklinker-klinker- medeklinker-samenstelling bij 70 dB geluidsterkte;

c) een door een neus-, keel- en oorarts geobjectiveerde auditieve problematiek hebben die niet terug te brengen is tot criterium a) of b), maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten.

Kinderen met een spraak- of taalstoornis zijn kinderen zonder een verstandelijke beperking, zoals bepaald in 2°, waarvoor, op basis van een multidisciplinair onderzoek door een erkend gespecialiseerd team met minstens een logopedist, audioloog en neus-, keel- en oorarts, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld :

a) voor leerlingen jonger dan 6 jaar :

1) kinderafasie met een terugval in de taalontwikkeling of;

2) een vermoeden van ontwikkelingsdysfasie, gebaseerd op de vaststelling van een zeer moeizame spraak- en taalontwikkeling en met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;

b) voor leerlingen vanaf 6 jaar: diagnose ontwikkelingsdysfasie of kinderafasie;

8° type 9, voor kinderen met een autismespectrumstoornis en die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.

Kinderen met een autismespectrumstoornis zijn kinderen bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld :

a) de autistische stoornis;

b) een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet-anders-omschreven.

Het basisaanbod buitengewoon onderwijs wordt niet erkend, gefinancierd of gesubsidieerd in het buitengewoon kleuteronderwijs.

§ 2. De regering legt diagnostische protocollen vast voor de oriëntering naar de types als vermeld in § 1, 2° tot 8°.

57]

Art. 11.

[79... 79]

[37Afdeling 3. - Overleg fundamentele onderwijshervormingen37]

[37

Art. 11bis.

De regering informeert de afgevaardigden van de inrichtende machten en de representatieve vakorganisaties over elke geplande fundamentele onderwijshervorming.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de afgevaardigden van de inrichtende machten een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de afgevaardigden van de inrichtende machten.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de representatieve vakorganisaties een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de representatieve vakorganisaties.

37]

[56Afdeling 3bis. - Screening niveau onderwijstaal, taaltraject en taalbad56]

[56

Art. 11ter.

§ 1. Voor elke leerling die voor het eerst in het gewoon lager onderwijs instroomt, voert de school een verplichte screening uit, die nagaat wat het niveau van de leerling inzake de onderwijstaal is. Deze screening kan nooit voor de inschrijving van de leerling uitgevoerd worden en gebeurt met een valide en betrouwbaar screeningsinstrument. Indien de resultaten van deze screening daar aanleiding toe geven, voorziet de school een taaltraject dat aansluit bij de beginsituatie en de specifieke noden van de betrokken leerling inzake de onderwijstaal.

[65In afwijking van het eerste lid, is de screening niet verplicht voor anderstalige nieuwkomers zoals bepaald in artikel 3, 4° quater. Deze leerlingen krijgen in elk geval een taaltraject dat aansluit bij hun beginsituatie en specifieke noden inzake de onderwijstaal.65]

§ 2. Voor leerlingen die bij de eerste instroom in het gewoon lager onderwijs de onderwijstaal onvoldoende beheersen om de lessen te kunnen volgen, kunnen scholen een taalbad organiseren.

Met taalbad wordt bedoeld voltijdse en intensieve onderwijsactiviteiten die tot doel hebben de leerling door onderdompeling in de onderwijstaal deze onderwijstaal te laten verwerven in functie van een snelle integratie in de reguliere onderwijsactiviteiten.

Schoolbesturen kunnen dit taalbad individueel of gezamenlijk organiseren. De duur van het taalbad voor de leerling is maximaal een jaar.

§ 3. In het geval scholen het taalbad gezamenlijk organiseren, is er wederzijdse samenwerking tussen de school van inschrijving en de school die het taalbad aan de leerling verstrekt. Dat houdt onder andere in het organiseren van het vervoer van de ingeschreven leerling naar de school waar het taalbad wordt georganiseerd, de communicatie tussen de school van inschrijving en de school waar het taalbad wordt georganiseerd, het opvolgen van de leerling die het taalbad volgt door de school waar de leerling is ingeschreven.

§ 4. De leerkracht die het onderwijs in het taalbad verstrekt, wordt betrokken bij de beslissing over de duur van het taalbad.

§ 5. Na het taalbad integreert de leerling zich in de school van inschrijving waar hij de reguliere onderwijsactiviteiten volgt.

§ 6. In afwijking van artikel 3, 22°, a), wordt het inrichten van een taalbad niet beschouwd als een herstructurering.

§ 7. De leerlingen die een taalbad volgen, tellen alleen mee voor financiering of subsidiering in de school waar ze zijn ingeschreven op de teldag.

56]

HOOFDSTUK IV. - Leerlingen in het basisonderwijs

Afdeling 1. - Toelatingsvoorwaarden

Onderafdeling A. - [65Toelatingsvoorwaarden tot het kleuteronderwijs65]

Art. 12.

[13

§ 1. Om toegelaten te worden [65tot65] het kleuteronderwijs moet een kind ten minste twee jaar en zes maanden zijn.

§ 2. Voor het gewoon kleuteronderwijs gelden voor kinderen tussen twee jaar en zes maanden en drie jaar de volgende instapdata :

1° de eerste schooldag na de zomervakantie;

2° de eerste schooldag na de herfstvakantie;

3° de eerste schooldag na de kerstvakantie;

4° de eerste schooldag van februari;

5° de eerste schooldag na de krokusvakantie;

6° de eerste schooldag na de paasvakantie;

[207° de eerste schooldag na hemelvaartsdag.20]

13] [65

Art. 12/1.

§ 1. In het gewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar nog één schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden. In dit geval is de leerling onderworpen aan de controle op de leerplicht. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.

Voor leerplichtige leerlingen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is enkel een advies van een CLB vereist.

§ 2. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden. In dit geval is de leerling onderworpen aan de controle op de leerplicht. Het volgen van kleuteronderwijs kan daarna nog met één schooljaar verlengd worden. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.

Voor leerplichtige leerlingen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is enkel een advies van een CLB vereist.

65]

[65Onderafdeling B. Toelatingsvoorwaarden tot het lager onderwijs65]

Art. 13.

[36

§ 1. Om toegelaten te worden tot het gewoon lager onderwijs moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar. Als hij nog niet de leeftijd van zeven jaar heeft bereikt of zal bereiken voor 1 januari van het lopende schooljaar, moet hij bovendien aan een van de volgende voorwaarden voldoen :

1° [54het voorgaande schooljaar ingeschreven zijn geweest in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende Nederlandstalige school voor kleuteronderwijs en gedurende die periode ten minste 220 halve dagen aanwezig geweest zijn; halve dagen aanwezigheid in de rijdende kleuterschool zoals bepaald in artikel 168 van dit decreet worden beschouwd als aanwezigheid in de erkende school waar de leerling ingeschreven is;54]

2° [59toegelaten zijn door de klassenraad. 59]

[59De beslissing omtrent de toelating wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk de tiende schooldag van september bij inschrijving vóór 1 september van het lopende schooljaar, of, bij inschrijving vanaf 1 september, uiterlijk tien schooldagen na deze inschrijving. In afwachting van deze mededeling is de leerling ingeschreven onder opschortende voorwaarde. Bij overschrijding van de genoemde termijn is de leerling ingeschreven. 59]

[59 De schriftelijke mededeling aan de ouders van een negatieve beslissing bevat tevens de motivatie.59]

3° [59...59]

§ 2. Met uitzondering van de eerste zin is paragraaf 1 niet van toepassing op leerlingen die worden ingeschreven in Franstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten die deel uitmaken van het Nederlandse taalgebied.

[42§ 2bis. In afwijking van § 1, 1°, bepaalt de Vlaamse Regering wanneer een leerling geacht wordt voldoende aanwezig te zijn, wanneer de school overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt.42]

§ 3. De leerling die met toepassing van dit artikel verplicht wordt ingeschreven in het kleuteronderwijs, kan voor het onderricht in een van de erkende godsdiensten of de niet-confessionele zedenleer lessen bijwonen in de lagere school die zijn ouders daarvoor kiezen.

§ 4. Om toegelaten te worden tot het buitengewoon lager onderwijs moet een leerling zes jaar zijn voor 1 januari van het lopende schooljaar.

36]

Art. 14.

[65

§ 1. In afwijking van artikel 13, § 1, kan een leerling die 5 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar toegelaten worden tot het gewoon lager onderwijs. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van het CLB en na toelating door de klassenraad overeenkomstig artikel 13, § 1, 2°, nemen de ouders daaromtrent een beslissing.

§ 2. In afwijking van artikel 13, § 4, kan een leerling die 5 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar toegelaten worden tot het buitengewoon lager onderwijs. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.

§ 3. Een leerling die 5 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar en die in het lager onderwijs toegelaten is, is onderworpen aan de leerplicht.

65] [65

Art. 14/1.

§ 1. Een leerling die het getuigschrift basisonderwijs behaald heeft, kan geen lager onderwijs meer volgen tenzij, na toelating door de klassenraad.

§ 2. In het gewoon lager onderwijs kan een leerling die 14 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na gunstig advies van de klassenraad en een advies van het CLB. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.

§ 3. [79 In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die veertien jaar wordt voor 1 januari van het lopende schooljaar, nog een schooljaar het lager onderwijs volgen. De ouders nemen daarover een beslissing na kennis te nemen van en toelichting te krijgen bij de adviezen van de klassenraad en het CLB.79]

[79

Een inschrijving in het type basisaanbod wordt op het einde van het tweede schooljaar geevalueerd door de klassenraad en het CLB. Het CLB informeert de ouders en de leerling op een actieve wijze over de onderstaande mogelijkheden.

Als de klassenraad en het CLB op basis van de evaluatie, vermeld in het tweede lid, en in overleg met de ouders en met betrokkenheid van de leerling, beslissen dat de aanpassingen, waaronder remedierende, differentierende, compenserende of dispenserende maatregelen, proportioneel zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs, dan :

1° heft het CLB, naargelang de situatie, het verslag op, maakt het een gemotiveerd verslag op of past het bestaande verslag aan op basis van de reele noden van de leerling. Deze aanpassing aan het verslag kan gebeuren met een addendum, voorzien van de datum van opmaak;

2° ondersteunen de school voor buitengewoon onderwijs en het CLB de ouders bij het vinden van en bij de overstap naar een school voor gewoon onderwijs waar de leerling wordt ingeschreven in geval van een gemotiveerd verslag of onder ontbindende voorwaarde wordt ingeschreven in geval van een verslag met het oog op de afweging van redelijke aanpassingen;

3° maken de betrokken scholen, de centra voor leerlingenbegeleiding en de ouders, met betrokkenheid van de leerling, afspraken met het oog op de eventuele ondersteuning, vermeld in artikel 172quinquies.

Als de klassenraad en het CLB op basis van de evaluatie, vermeld in het tweede lid, en in overleg met de ouders en met betrokkenheid van de leerling, beslissen dat de aanpassingen, waaronder remedierende, differentierende, compenserende of dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs, motiveert het CLB dat in het verslag conform artikel 15. De motivatie kan opgenomen worden in een addendum, voorzien van de datum van opmaak. De inschrijving in de school voor buitengewoon onderwijs kan dan verlengd worden. Uiterlijk na twee schooljaren volgt dan opnieuw een evaluatie.

79]

§ 4. Een leerling die 15 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar kan niet meer toegelaten worden tot het lager onderwijs.

65]

Onderafdeling [65C. [79 Bijkomende toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon onderwijs en voorwaarden voor een individueel aangepast curriculum in het gewoon basisonderwijs79] 65]

Art. 15.

[57

§ 1. Naast de toelatingsvoorwaarden bepaald in [65de artikelen 12, § 1, 12/1, § 2, 13, § 4, en 14, § 265] is voor de toelating van een leerling tot het buitengewoon onderwijs, met uitzondering voor de toelating tot type 5, [65of voor een individueel aangepast curriculum in het gewoon basisonderwijs, het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject met de opmaak van65] een verslag van een CLB vereist, opgesteld met inachtname van [86artikel 7 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding86] , waaruit blijkt :

1° dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;

2° dat met toepassing van de principes van artikel 8, tweede lid, de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;

3° dat de onderwijsbehoeften van de leerling werden omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap;

4° dat de onderwijsbehoeften niet louter toe te schrijven zijn aan een SES-kenmerk van de leerling, vermeld in artikel 133;

5° welk type voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 10, § 1, 1° tot 8°, met uitzondering van 5°.

Voor de toelating van een leerling tot het type 5, als vermeld in artikel 10, § 1, 5°, is een attest vereist dat uitgereikt is door de behandelende [65arts65] van de medische of psychiatrische voorziening ofwel door de directeur van de residentiële setting. De Vlaamse Regering bepaalt wat het attest moet inhouden.

§ 2. Voor een leerling die voor het eerst naar school gaat en wil starten in het buitengewoon onderwijs moet in afwijking van § 1, 1° en 2°, worden aangetoond dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling in het gemeenschappelijk curriculum mee te nemen en moet in afwijking van § 1, 5°, bepaald worden welk type voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 10, § 1, 2° tot 8°, met uitzondering van 5°.

[86Voor een leerling die voor het eerst naar school gaat en met een individueel aangepast curriculum wil starten in het gewoon onderwijs moet in afwijking van paragraaf 1, 1° en 2°, worden aangetoond dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling in het gemeenschappelijk curriculum mee te nemen en moet in afwijking van paragraaf 1, 5°, bepaald worden welk type voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 10, § 1, 2°, 4°, 6° of 7°. 86]

§ 3. [63Het verslag bestaat uit een attest en een protocol ter verantwoording. De regering bepaalt wat het attest moet inhouden. Het protocol ter verantwoording bevat de verantwoording van de elementen vermeld in paragraaf 1, 1° tot 5°, en, in voorkomend geval, in paragraaf 2.63]

§ 4. Een leerling kan alleen het buitengewoon onderwijs volgen van het type waarnaar hij in het verslag georiënteerd wordt, met uitzondering van type 5.

§ 5. [86Voor leerlingen die tijdens het schooljaar 2014-2015 met een inschrijvingsverslag ingeschreven waren in een school voor buitengewoon of gewoon onderwijs geldt paragraaf 1 alleen bij wijziging van onderwijsniveau, van type of bij overgang van buitengewoon onderwijs naar gewoon onderwijs of omgekeerd.86]

§ 6. [65 Als niet meer voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, heft het CLB het verslag op.65]

[65

Als voor een leerling die beschikt over een verslag, een gemotiveerd verslag wordt opgemaakt, vervalt het verslag.

Als een CLB voor een leerling met een verslag, een gemotiveerd verslag of verslag opmaakt met het oog op een overgang van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs, dan vervalt het verslag dat de leerling had in het basisonderwijs.

65]

§ 7. Bij onenigheid tussen ouders, school en CLB over het afleveren van het verslag kan, op initiatief van een van de betrokken partijen, een beroep gedaan worden op een Vlaamse Bemiddelingscommissie.

De regering bepaalt de samenstelling, de bevoegdheden en de werkingsprincipes van deze commissie.

57] [79

§ 8. Als een leerling, die met toepassing van paragraaf 5 nog beschikt over een inschrijvingsverslag, overgaat van het buitengewoon basisonderwijs naar het gewoon basisonderwijs [86 of omgekeerd86] , dan heft het CLB het inschrijvingsverslag op of maakt het naargelang de situatie van de leerling een gemotiveerd verslag of een verslag op. Voor een leerling met een verslag heft het CLB, naargelang de situatie, het verslag op, maakt een gemotiveerd verslag op of past het bestaande verslag aan. Aanpassingen aan gemotiveerde verslagen en verslagen kunnen gebeuren met een addendum, voorzien van de datum van opmaak.

§ 9. Leerlingen met een verslag die een individueel aangepast curriculum volgen in het gewoon basisonderwijs, komen in aanmerking voor ondersteuning met toepassing van [86artikel 172quinquies en artikel 172quinquies/186] .

§10. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 5°, kan voor leerlingen in het gewoon onderwijs voor wie een handelingsgericht diagnostisch traject is afgerond met een vermoeden van een emotionele of gedragsstoornis waarvoor een aanbod in type 3 nodig is, eenmalig een voorlopig verslag type 3 opgemaakt worden door het CLB, ook al is niet voldaan aan de voorwaarden betreffende diagnostiek, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 3°. Dit voorlopig verslag voldoet aan alle vereisten zoals bepaald in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 4°.

De opmaak van een voorlopig verslag leidt tot de inschrijving van de leerling in een school voor buitengewoon onderwijs type 3. In geval van onenigheid kunnen ouders een beroep doen op de Vlaamse Bemiddelingscommissie, vermeld in paragraaf 7.

Een voorlopig verslag is geldig gedurende het lopende schooljaar. Als de diagnose, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 3°, nog niet beschikbaar is bij de start van het daaropvolgende schooljaar, kan het CLB het voorlopig verslag uitzonderlijk met maximaal een schooljaar verlengen.

Indien het handelingsgericht diagnostisch traject leidt tot een diagnose, als vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 3°, wordt het voorlopig verslag opgeheven en wordt er een verslag opgesteld dat voldoet aan alle voorwaarden zoals bepaald in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 5°.

Indien het handelingsgericht diagnostisch traject niet leidt tot een diagnose, als vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 3°, wordt het voorlopig verslag opgeheven door het betrokken CLB. Tenzij de ouders beslissen tot een inschrijving in een school voor gewoon onderwijs, behoudt de leerling het recht om in de school type 3 ingeschreven te blijven tot het einde van het lopende schooljaar.

79]

Onderafdeling [65D. [79Bijkomende voorwaarden om in het gewoon basisonderwijs in aanmerking te komen voor ondersteuning vanuit het buitengewoon onderwijs79] 65]

Art. 16.

[57 [79

§ 1. Om als school voor gewoon basisonderwijs in aanmerking te komen voor ondersteuning met toepassing van [86artikel 172quinquies en artikel 172quinquies/186] is voor regelmatige leerlingen het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject met de opmaak van een gemotiveerd verslag door een CLB vereist, tenzij ze al beschikken over een verslag als vermeld in artikel 15. In dat gemotiveerd verslag wordt :

1° gemotiveerd dat met toepassing van de principes, vermeld in artikel 8, tweede lid, het inzetten van de ondersteuning, in combinatie met compenserende of dispenserende maatregelen, nodig en voldoende geacht wordt om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen;

2° de specifieke deskundigheid omschreven die vereist is vanuit een of meer van de types, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1° tot en met 4°, en 6° tot en met 8°.

De Vlaamse Regering bepaalt de verdere inhoud van het gemotiveerd verslag

79]

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor een leerling, die toegelaten werd tot het geïntegreerd onderwijs op basis van een inschrijvingsverslag voor het buitengewoon onderwijs, slechts een gemotiveerd verslag opgemaakt [79bij wijziging van het onderwijsniveau of het type, vermeld in paragraaf 1, 2°79] . [79De overgang van het kleuteronderwijs naar het lager onderwijs wordt in dit verband niet beschouwd als een wijziging van onderwijsniveau.79]

§ 3. [79Bij wijziging van het onderwijsniveau of het type, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt een nieuw gemotiveerd verslag opgesteld. De overgang van het kleuteronderwijs naar het lager onderwijs wordt in dit verband niet beschouwd als een wijziging van onderwijsniveau. Een wijziging van het type, vermeld in paragraaf 1, 2°, binnen hetzelfde onderwijsniveau kan gebeuren met een addendum bij het gemotiveerd verslag, voorzien van de datum van opmaak.79]

[79§ 4. Als niet meer voldaan is aan de criteria, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° of 2°, heft het CLB het gemotiveerd verslag op. Als een CLB voor een leerling met een gemotiveerd verslag, een gemotiveerd verslag of verslag opmaakt met het oog op een overgang van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs, dan vervalt het gemotiveerd verslag dat de leerling had in het basisonderwijs. 79]

57]

[79§ 5. Voor leerlingen met gedrags- of emotionele problemen waarvoor scholen, met toepassing van artikel 172quinquies, in het schooljaar 2017-2018 al een beroep konden doen op ondersteuning ook al was er geen gemotiveerd verslag of verslag voor die leerlingen afgeleverd, moet ten laatste tegen 1 januari 2019 een gemotiveerd verslag of verslag zijn opgemaakt als er voor deze leerlingen verder nood is aan ondersteuning vanaf het schooljaar 2018-2019.79]

Art. 17. t.e.m. art. 19.

[65 ... 65]

Onderafdeling E. - Regelmatige leerling

Art. 20.

[13

§ 1. Een regelmatige leerling is een leerling die :

1° voldoet aan de toelatingsvoorwaarden zoals bepaald in [65de artikelen 12, 12/1, 13, 14, 14/1, 15 of 1665] ;

2° slechts in één school is ingeschreven.

§ 2. In het lager onderwijs, of als leerplichtige in het kleuteronderwijs, moet de leerling daarenboven voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° aanwezig zijn, behoudens gewettigde afwezigheid;

2° deelnemen aan alle onderwijsactiviteiten die voor hem of zijn leergroep worden georganiseerd, behoudens vrijstelling bedoeld in de artikelen 29 en 30. [56Deelnemen aan het taalbad wordt beschouwd als een onderwijsactiviteit die voor hem of zijn leerlingengroep wordt georganiseerd.56]

[14...14]

§ 3. [79Leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van type 5, kunnen gemiddeld per schooljaar maximaal halftijds lessen of activiteiten volgen in een school voor gewoon basisonderwijs. In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB ondersteunt de school voor buitengewoon onderwijs de school voor gewoon onderwijs79]

13]

Art. 21.

[78

Een school registreert elke inschrijving binnen zeven kalenderdagen, en uiterlijk op de eerste dag van de effectieve lesbijwoning, in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, met vermelding van het moment van de inschrijving en de datum van de voorziene start van de lesbijwoning.

Als de leerling in kwestie al was ingeschreven in een school, meldt de administratieve toepassing voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, deze inschrijving automatisch als schoolverandering aan de vorige school, met vermelding van de datum van de voorziene start van de lesbijwoning.

Bij een inschrijving voor het volgende schooljaar, die plaatsvindt voor 1 juli van het voorafgaande schooljaar, meldt de administratieve toepassing voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, de schoolverandering aan de oude school op 1 juli.

Een leerling kan uitgeschreven worden op basis van een melding van schoolverandering van de leerling in kwestie door de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Als de voorziene start van de lesbijwoning niet gepland wordt op de eerste schooldag van september, blijft de leerling tot die datum ingeschreven in de oude school.

78]

Art. 22.

§ 1. De regering regelt de controle op de inschrijvingen, ze bepaalt op welke wijze dubbele inschrijvingen geregulariseerd worden, ze regelt de controle op de leerplicht en op het geregeld schoolbezoek van de leerplichtigen en bepaalt in welke gevallen afwezigheid gewettigd is.

[31De regering neemt maatregelen om de kleuterparticipatie te stimuleren en kan met dat doel gegevens met betrekking tot niet-ingeschreven kleuters uitwisselen met door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instellingen die het welzijn van kinderen beogen en met de gemeenten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie.31]

§ 2. De directie is verplicht medewerking te verlenen aan de controle op de inschrijvingen en het geregeld schoolbezoek.

[4§ 3. [30...30] 4]

Art. 23.

[13In afwijking van [37artikel 20, § 1, 2°37] , worden de leerlingen die onderwijs volgen in een school van type 5 of een dienst bedoeld in artikel X.1, 2°, van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV beschouwd als regelmatige leerling in de school waar zij zijn ingeschreven. Deze school heeft daardoor de verplichting alle medewerking te verlenen bij het onderwijs dat aldus aan haar leerling verstrekt wordt.13]

De leerling is daarenboven regelmatige leerling :

in de ziekenhuisschool, voor de dagen dat hij ten minste één lestijd onderwijs krijgt;

in het preventorium, wanneer voldaan is aan de bepalingen van [37artikel 20, § 1, 1°, en § 237] .

Art. 24.

[79...79]

Afdeling 2. - Rechten en plichten van leerlingen en ouders

Onderafdeling A. - Vrije keuze, leerplicht en de inschrijving

Art. 25.

§ 1. Ouders kunnen hun kinderen onderwijs laten volgen in een school of ze kunnen kiezen voor huisonderwijs.

Ouders hebben bovendien de vrije keuze tussen officieel onderwijs en vrij onderwijs.

Dit betekent dat de Gemeenschap verplicht is :

1° op verzoek van ouders die officieel onderwijs in een school zoals bedoeld in [13artikel 9713] wensen en dat binnen een afstand van vier kilometer niet vinden, hetzij een officiële school zoals bedoeld in [13artikel 9713] in de financierings- of subsidiëringsregeling op te nemen, hetzij tussen te komen in de kosten van het vervoer naar dergelijke officiële school;

2° op verzoek van ouders die vrij onderwijs gebaseerd op een erkende godsdienst of vrij onderwijs gebaseerd op een erkende levensbeschouwing wensen en dat binnen een afstand van vier kilometer niet vinden hetzij dergelijke vrije school in de subsidiëringsregeling op te nemen, hetzij tussen te komen in de kosten van het vervoer naar dergelijke vrije school.

[26

§ 1bis. De tussenkomst in de kosten van het vervoer bedoeld in § 1, 1° en 2°, bedraagt voor het gesubsidieerd onderwijs per schooljaar 75 % van de kostprijs van een treinkaart van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen. De Vlaamse Regering stelt de nadere uitvoeringsregels met betrekking tot de toekenning en de uitbetaling van deze tussenkomst vast.

Het Gemeenschapsonderwijs neemt de tussenkomst in de kosten van het vervoer bedoeld in § 1, 1°, ten laste van haar werkingsmiddelen.

26]

§ 2. Opdat de Gemeenschap de in § 1, 1° en 2° bedoelde verplichting om een officiële of een vrije school in de financierings- of subsidiëringsregeling op te nemen, op zich moet nemen, zijn er ten minste ouders van zestien leerlingen nodig.

§ 3. Het Vlaams Parlement kan de afstandsregeling bedoeld in § 1, 1° en 2° vervangen door regio's of subregio's, door het Vlaams Parlement vastgesteld, waarbinnen de verplichtingen betreffende de vrije keuze moeten worden nagekomen.

[23

Art. 25bis.

[57...57]

23]

Art. 26.

§ 1. Ouders zijn verplicht ervoor te zorgen dat hun leerplichtig kind daadwerkelijk onderwijs volgt, dit wil zeggen ingeschreven is in een school en er regelmatig aanwezig is, of huisonderwijs volgt. [59Voor leerplichtige leerlingen in het basisonderwijs is de leerplicht voltijds.59]

Voor de leerplichtige van vreemde nationaliteit geldt dit vanaf de zestigste dag na de inschrijving in het vreemdelingen- of in het bevolkingsregister zoals bepaald in artikel 1, § 7 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.

§ 2. Indien het kind in de onmogelijkheid verkeert om onderwijs te volgen, kan de [57onderwijsinspectie57] , op vraag van de ouders, beslissen tot een tijdelijke of permanente vrijstelling van de leerplicht.

§ 3. [59Inbreuken op de regelgeving met betrekking tot de leerplicht worden gesanctioneerd conform artikel 5 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.59]

[13

Art. 26bis.

Ouders die opteren voor huisonderwijs zoals voorzien in artikel 25, § 1, verbinden zich ertoe onderwijs te verstrekken of te laten verstrekken dat beantwoordt aan volgende minimumeisen :

1° het onderwijs is gericht op de ontplooiing van de volledige persoonlijkheid en de talenten van het kind en op de voorbereiding van het kind op een actief leven als volwassene;

2° het onderwijs bevordert het respect voor de grondrechten van de mens en voor de culturele waarden van het kind zelf en van anderen.

13] [56

Art. 26bis/l.

§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs moeten uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar waarin de leerplichtige huisonderwijs volgt, een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs, indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

De informatie over het huisonderwijs moet minstens de volgende elementen bevatten :

1° de persoonsgegevens van de ouders en de leerplichtige die het huisonderwijs volgt;

2° de gegevens van wie het huisonderwijs zal geven, met inbegrip van het opleidingsniveau van de lesgever(s) van het huisonderwijs;

3° de taal waarin het huisonderwijs zal worden verstrekt;

4° de periode wanneer het huisonderwijs zal plaatsvinden;

5° de onderwijsdoelen die met het huisonderwijs zullen worden nagestreefd;

6° de afstemming van het huisonderwijs op de leerbehoeften van de leerplichtige;

7° en, de bronnen en leermiddelen die zullen worden gebruikt voor het huisonderwijs.

[65In het geval dat voor twee of meerdere leerplichtige kinderen gezamenlijk huisonderwijs wordt georganiseerd en de plaats waar dit huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het adres waar de kinderen gedomicilieerd zijn, dan kan voor deze leerplichtige kinderen één gezamenlijke verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over huisonderwijs ingediend worden door de organisator van het huisonderwijs. De bijhorende informatie over het huisonderwijs moet naast de elementen vermeld in het tweede lid ook het adres bevatten waarop het huisonderwijs effectief wordt verstrekt.65]

De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zullen hiertoe een document ter beschikking stellen.

In afwijking van het eerste lid dienen ouders die hun leerplichtige kinderen inschrijven in één van volgende scholen, geen verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie in te dienen :

1° Europese scholen;

2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° scholen gelegen in het buitenland [65, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt65] .

§ 2. In afwijking van de termijn, vermeld in paragraaf 1, kunnen de ouders van volgende leerplichtigen steeds een verklaring van huisonderwijs en bijhorende informatie over het huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap :

1° leerplichtigen die zich in de loop van een schooljaar domiciliëren in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;

2° leerplichtigen die in de loop van een schooljaar naar het buitenland gaan, maar gedomicilieerd blijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;

3° leerplichtigen die begeleid worden door een centrum voor leerlingenbegeleiding en indien dat centrum voor leerlingenbegeleiding na de nodige informatie door de ouders, geen gemotiveerd bezwaar indient tegen het starten met huisonderwijs, binnen de tien werkdagen nadat het betrokken centrum voor leerlingenbegeleiding op de hoogte werd gesteld van de verklaring.

56] [56

Art. 26bis/2.

§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs zijn verplicht de leerplichtige in te schrijven bij de examencommissie met het oog op het verkrijgen van een getuigschrift Basisonderwijs als vermeld in artikel 56, uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige elf jaar is geworden voor 1 januari [59, of, indien de leerplichtige geboren werd in 2002, uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige twaalf jaar is geworden voor 1 januari.59] .

Als de leerplichtige zich niet tijdig aandient bij de examencommissie of na maximaal twee pogingen en uiterlijk in het schooljaar waarin hij of zij dertien jaar is geworden voor 1 januari het getuigschrift Basisonderwijs niet verkrijgt, moeten de ouders de leerplichtige inschrijven, hetzij in een school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :

1° Europese scholen;

2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° scholen gelegen in het buitenland [65, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt65] .

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 moeten ouders van de volgende leerplichtigen, de leerplichtige niet inschrijven bij de examencommissie :

1° leerplichtigen aan wie een centrum voor leerlingenbegeleiding uitdrukkelijk een vrijstelling geeft voor het examen, vermeld in paragraaf 1;

2° indien de leerplichtige in het bezit is van een individuele gelijkwaardigheidsbeslissing met minstens het niveau van het basisonderwijs;

3° leerplichtigen die ingeschreven zijn in één van volgende scholen :

a) Europese scholen;

b) internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

c) internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

d) scholen gelegen in het buitenland [65, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt65] .

56] [13

Art. 26ter.

§ 1. De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen omschreven in artikel 26bis.

§ 2. De ouders zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de controle op het huisonderwijs.

[76§ 2bis. De onderwijsinspectie controleert de deelname aan systematische contacten en de medewerking aan profylactische maatregelen zoals vermeld artikel 6, § 4, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.76]

§ 3. Wanneer de controle van de onderwijsinspectie niet aanvaard wordt of wanneer de onderwijsinspectie bij twee opeenvolgende controles vaststelt dat het verstrekte onderwijs kennelijk niet beantwoordt aan de in artikel 26bis bedoelde doelstellingen, schrijven de ouders de leerling in [56hetzij in een school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen : 56]

[56

1° Europese scholen;

2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° scholen gelegen in het buitenland [65, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt.65]

56]

[26Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht voor de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend mits de onderwijsinspectie voorafgaandelijk toestemming verleent. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt. De regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast.26]

13] [13

Art. 26quater.

De Vlaamse regering bepaalt de formele voorwaarden die moeten vervuld worden bij het organiseren van huisonderwijs.

13] [56

Art. 26quater/1.

De artikelen 26bis tot en met 26quater zijn niet van toepassing op het huisonderwijs als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan.

56]

Art. 27.

[27

In de door de gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde basis-, kleuter- of lagere scholen kan geen direct of indirect inschrijvingsgeld worden gevraagd. Evenmin kunnen er bijdragen worden gevraagd voor kosten die gemaakt worden om een eindterm te realiseren of een ontwikkelingsdoel na te streven.

De lijst met materialen die bij gebruik kosteloos ter beschikking dienen gesteld te worden om de eindtermen te realiseren of de ontwikkelingsdoelen na te streven, vormt een bijlage 1 bij dit decreet.

27] [27

Art. 27bis.

§ 1. Het schoolbestuur kan aan de ouders een bijdrage vragen voor :

1° activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor het realiseren van de eindtermen of het nastreven van de ontwikkelingsdoelen;

2° verplichte materialen die niet begrepen zitten onder artikel 27 en waarvan de ouders het te besteden bedrag niet zelf kunnen bepalen;

3° meerdaagse extra-muros activiteiten.

§ 2. [61Voor de berekening van het maximumbedrag van de bijdrage, vermeld in § 1, 1° en 2°, wordt vanaf 1 september 2015 uitgegaan van de volgende basisbedragen per schooljaar:

- voor het kleuteronderwijs: 40 euro;

- voor het lager onderwijs: 80 euro.

Deze basisbedragen zijn per schooljaar aanpasbaar op basis van de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie begint volgens de volgende formule:

Nx = basisbedrag (Cx/100,60);

waarbij:

Nx gelijk is aan het geïndexeerde bedrag voor schooljaar x-y;

Cx de gezondheidsindex is van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar (x) waarin het schooljaar begint;

100,6 de gezondheidsindex is van de maand januari 2014.

Hierbij wordt Nx afgerond naar het hoger gelegen geheel getal dat een veelvoud is van vijf.

61]

§ 3. In afwijking van § 1, 2°, kan het schoolbestuur beslissen om de bijdrage die aan de ouders gevraagd wordt voor verplichte kledij die omwille van een sociale finaliteit aangeboden wordt, niet op te nemen in de maximumfactuur. Deze afwijking is enkel mogelijk mits schriftelijk advies van de schoolraad.

§ 4. [49Voor de berekening van het maximumbedrag van de bijdrage in § 1, 3°, wordt vanaf 1 januari 2012 uitgegaan van het volgende basisbedrag voor het lager onderwijs : 360 euro.

Dit bedrag is per schooljaar aanpasbaar op basis van de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie begint volgens de volgende formule :

Nx = 360(Cx/107,85);

waarbij :

Nx gelijk is aan het geïndexeerde bedrag voor schooljaar x-y;

Cx de gezondheidsindex is van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar (x) waarin het schooljaar begint;

107,85 de gezondheidsindex is van de maand januari 2008.

Hierbij wordt Nx afgerond naar het hoger gelegen geheel getal dat een veelvoud is van vijf.

Voor het kleuteronderwijs mag er geen bijdrage gevraagd worden voor meerdaagse extra-murosactiviteiten.

49]

Art. 27ter.

§ 1. De kosten die niet vervat zitten in artikel 27bis, § 1, zijn niet onderworpen aan de maximumfactuur. Deze kosten worden kenbaar gemaakt in de bijdrageregeling. De gevraagde kostprijs moet steeds in verhouding zijn tot de geleverde prestatie.

§ 2. Na overleg binnen de schoolraad legt het schoolbestuur de lijst vast van bijdragen die aan de ouders kunnen worden gevraagd, zoals bepaald in artikel 27bis en § 1 van dit artikel evenals de afwijkingen die op deze bijdrageregeling worden toegekend.

[49 Deze bijdragen kunnen niet in één keer aan de ouders gevraagd worden, maar enkel gespreid over minstens drie keer gedurende het schooljaar.49]

§ 3. Vragen in verband met de toepassing van de beginselen vermeld in de artikelen 27, 27bis en 27ter en klachten in verband met inbreuken op deze beginselen kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de Commissie Zorgvuldig Bestuur [67...67] .

Art. 27quater.

Het kostgeld van een leerplichtig kind wiens ouders geen vaste verblijfplaats hebben, en toevertrouwd is aan één van de erkende internaten, [67...67] of aan gelijk welk ander internaat toegevoegd aan een gesubsidieerde school, georganiseerd door een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten, door een andere openbare of privépersoon, valt ten laste van zijn ouders.

De gemeenschap draagt bij in het kostgeld. Deze bijdrage wordt toegevoegd aan de werkingstoelagen toegekend aan het erkend internaat, aan het internaat toegevoegd aan een gesubsidieerde school of aan het autonoom internaat en wordt in mindering gebracht op het in het vierde lid bedoelde kostgeld. Deze bijdrage is gelijk aan de bijdrage, vermeld in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit, vermeld in het eerste lid.

De bijdrage wordt uitgekeerd aan het internaatsbestuur dat het kind huisvest op voorlegging van een staat ingediend door het internaatsbestuur en juist verklaard door de bevoegde diensten van Agodi.

Het internaatsbestuur bepaalt autonoom het kostgeld.

27]

Art. 28.

[11

§ 1. Bij de [42...42] inschrijving van hun kind informeert het schoolbestuur de ouders schriftelijk over onder meer :

1° de juridische aard en de samenstelling van hun schoolbestuur;

2° het pedagogisch project van de school;

3° de organisatie van de schooluren;

4° de voor- en naschoolse opvang indien daarin voorzien is;

5° het leerlingenvervoer indien daarin voorzien is;

6° [75in voorkomend geval dat voor de school een aanvraag tot voorlopige erkenning bij de bevoegde overheid is ingediend of een voorlopige erkenning voor één schooljaar van de bevoegde overheid is verkregen;

Het schoolbestuur informeert de ouders onmiddellijk tijdens het schooljaar van voorlopige erkenning over de beslissing van de bevoegde overheid over de erkenning.

75]

7° het begeleidend CLB;

[148° de samenstelling van de scholengemeenschap indien de school behoort tot een scholengemeenschap;14]

[239° de samenstelling van de schoolraad.23]

§ 2. In afwijking van § 1 informeert het schoolbestuur van een ziekenhuisschool, bij de [42...42] inschrijving, de ouders schriftelijk over onder meer :

1° de wijze waarop ouders overleg kunnen plegen met de directie van de school en contact kunnen opnemen met de voorzitter van het schoolbestuur;

2° het pedagogisch project van de school;

3° het begeleidend CLB.

11]

Art. 29.

[13Bij elke inschrijving13] van hun leerplichtig kind in het officieel lager onderwijs bepalen de ouders, bij ondertekende verklaring, of hun kind een cursus in één der erkende godsdiensten of een cursus niet-confessionele zedenleer volgt. [70Die keuze kunnen ze uiterlijk op 30 juni van het lopende schooljaar wijzigen voor het volgende schooljaar.70]

Ouders die op basis van hun religieuze of morele overtuiging bezwaren hebben tegen het volgen van één van de aangeboden cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer bekomen op aanvraag een vrijstelling.

De regering legt het model van de ondertekende verklaring en de procedure tot het bekomen van de vrijstelling vast en bepaalt op welke wijze de lestijden waarvoor men is vrijgesteld moeten ingevuld worden. [13De lestijden waarvoor men is vrijgesteld mogen niet worden ingevuld met activiteiten die betrekking hebben op andere leergebieden.13]

Art. 30.

[57

...

57]

Art. 31.

[78§1.78] [58Bij verandering van school door een leerling [78draagt de oude school de leerlingengegevens over aan de nieuwe school, onder de volgende voorwaarden78] :58]

[58

1° de gegevens hebben enkel betrekking op de leerlingspecifieke onderwijsloopbaan;

2° de overdracht gebeurt enkel in het belang van de persoon op wie de onderwijsloopbaan betrekking heeft;

3° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de ouders er zich expliciet tegen verzetten, na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien;

[634° [65een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag65] van een CLB in het kader van het decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften dient verplicht te worden overgedragen door de oude school aan de nieuwe school. Tevens zal het CLB dat verbonden was aan de oude school een verslag of een gemotiveerd verslag verplicht overdragen aan het CLB dat verbonden is met de nieuwe school. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen deze overdrachten niet verzetten.63]

Gegevens die betrekking hebben op schending van leefregels door de leerling zijn echter nooit tussen scholen overdraagbaar.

58]

[78§ 2. Paragraaf 1 is, met uitzondering van het eerste lid, 4°, ook van toepassing bij schoolverandering van basisonderwijs naar secundair onderwijs.78]

Onderafdeling B. - [58Preventieve schorsing, tijdelijke en definitieve uitsluiting van leerlingen58]

Art. 32.

[58

§ 1. Een preventieve schorsing is een uitzonderlijke maatregel die de directeur of zijn afgevaardigde voor een leerplichtige leerling in het lager onderwijs kan hanteren als bewarende maatregel om de leefregels te handhaven en om te kunnen nagaan of een tuchtsanctie aangewezen is. De leerling mag gedurende maximaal vijf opeenvolgende schooldagen de lessen en activiteiten van zijn leerlingengroep niet volgen. De directeur of zijn afgevaardigde kan, mits motivering aan de ouders, beslissen om desbetreffende periode eenmalig met maximaal vijf opeenvolgende schooldagen te verlengen indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond. De preventieve schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en de school stelt de ouders in kennis van de preventieve schorsing. De school voorziet opvang voor de leerling, tenzij de school aan de ouders motiveert waarom dit niet haalbaar is.

§ 2. De directeur of zijn afgevaardigde kan, in uitzonderlijke gevallen, een leerplichtige leerling in het lager onderwijs tijdelijk uitsluiten. Een tijdelijke uitsluiting is een tuchtsanctie die inhoudt dat de gesanctioneerde leerling gedurende minimaal één schooldag en maximaal vijftien opeenvolgende schooldagen de lessen en activiteiten van zijn leerlingengroep niet mag volgen. Een nieuwe tijdelijke uitsluiting kan enkel na een nieuw feit. De school voorziet opvang voor de leerling, tenzij de school aan de ouders motiveert waarom dit niet haalbaar is.

[65 ... 65]

§ 3. De directeur of zijn afgevaardigde kan, in uitzonderlijke gevallen, een leerplichtige leerling in het lager onderwijs definitief uitsluiten. Een definitieve uitsluiting is een tuchtsanctie die inhoudt dat de gesanctioneerde leerling wordt uitgeschreven op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk één maand, vakantieperioden tussen 1 september en 30 juni niet inbegrepen, na de schriftelijke kennisgeving, vermeld in artikel 33, 5°. In afwachting van een inschrijving in een andere school mag de gesanctioneerde leerling de lessen en activiteiten van zijn leerlingengroep niet volgen. De school voorziet opvang voor de leerling, tenzij de school aan de ouders motiveert waarom dit niet haalbaar is.

Tegen deze beslissing is beroep mogelijk zoals voorzien in artikel 37/4.

58]

Art. 33.

[58

Tijdelijke en definitieve uitsluitingen kunnen alleen uitgevoerd worden na een procedure die de rechten van verdediging waarborgt en waarin de volgende principes gerespecteerd worden :

1° het voorafgaandelijke advies van de klassenraad moet worden ingewonnen. In geval van een definitieve uitsluiting moet de klassenraad uitgebreid worden met een vertegenwoordiger van het CLB die een adviserende stem heeft;

2° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de ouders schriftelijk ter kennis gebracht;

3° de ouders en de leerling hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling, met inbegrip van het advies van de klassenraad, en worden gehoord, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon;

4° de tuchtstraf moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten;

5° de genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd en ter kennis gebracht aan de ouders van de betrokken leerling. De school verwijst in de kennisgeving naar de mogelijkheid tot het instellen van het beroep en neemt de bepalingen uit het schoolreglement die hier betrekking op hebben, op in die kennisgeving.

58]

Onderafdeling C. - Onderwijs aan huis

Art. 34.

[86

§ 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis.

§ 2. De regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid omwille van een chronische ziekte en een langdurige afwezigheid.

Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid vanwege een chronische ziekte.

§ 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van lestijden tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan.

De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden, vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.

§ 4. Het schoolbestuur is verplicht om de ouders van leerlingen die recht hebben of zullen hebben op tijdelijk onderwijs aan huis te informeren over het recht op, en de mogelijkheden en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis.

§ 5. De uitdrukkelijke vraag van de ouders voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om tijdelijk onderwijs aan huis te organiseren.

De verplichting om tijdelijk onderwijs aan huis in te richten, vervalt voor de school ten aanzien van de leerling of de kleuter gedurende zijn verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of bij zijn opname in een dienst als bedoeld in artikel IV 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.

§ 6. Het recht op tijdelijk onderwijs aan huis kan gecombineerd worden met het recht op synchroon internetonderwijs als bedoeld in artikel 36/1.

86]

Art. 35.

§ 1. [37Leerlingen die vijf jaar of ouder geworden zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar 37] die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 15, § 1, maar voor wie het omwille van een handicap permanent onmogelijk is [37...37] onderwijs te volgen op school, hebben na gunstig advies van de [57onderwijsinspectie57] , recht op permanent onderwijs aan huis.

§ 2. [57De ouders kiezen in overleg met het CLB de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon onderwijs van hun vrije keuze om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. Omwille van omstandigheden eigen aan het kind en mits omstandige motivering kan een andere school voor buitengewoon onderwijs worden gekozen.57]

Art. 36.

De regering bepaalt op welke wijze het permanent onderwijs aan huis georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het permanent onderwijs aan huis te organiseren.

[86Onderafdeling C/1. Synchroon internetonderwijs86]

[86

Art. 36/1.

§ 1. Synchroon internetonderwijs, verder in deze onderafdeling SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen.

SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden.

§ 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is:

1° de leerling wordt minstens 5 jaar vóór 1 januari van het lopende schooljaar;

2° de school beschikt over bewijsstukken voor de afwezigheid van de leerling ten gevolge van ziekte of ongeval;

3° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De ouders brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts;

4° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol:

a) SIO komt tegemoet aan de ondersteuningsbehoefte van de leerling conform paragraaf 1, tweede lid. SIO wordt niet aangewend als permanent alternatief voor onderwijs op school;

b) op basis van het ziektebeeld en de inschatting van het ziekteverloop mag aangenomen worden dat de leerling die langdurig of veelvuldig afwezig zal zijn, het SIO zal gebruiken voor een periode van minimaal 36 halve lesdagen;

c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken.

De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen.

§ 3. Het schoolbestuur is verplicht om de ouders van leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO.

§ 4. De uitdrukkelijke vraag van de ouders voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren.

§ 5. Het recht op SIO kan gecombineerd worden met het recht op tijdelijk onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 34, een verblijf in een ziekenhuis, een residentiële setting of een preventorium waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of met een opname in een dienst als bedoeld in artikel IV 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.

Het recht op SIO kan niet gecombineerd worden met permanent onderwijs aan huis als bedoeld in artikel 35.

86]

Onderafdeling D. - Schoolreglement

Art. 37.

[11

§ 1. Een schoolbestuur moet, met uitzondering van de ziekenhuisscholen, voor elk van zijn scholen met toepassing van de regelgeving inzake medezeggenschap een schoolreglement opstellen dat de betrekkingen tussen het schoolbestuur en de ouders en leerlingen regelt.

§ 2. Voor het kleuteronderwijs bevat het schoolreglement ten minste de volgende elementen :

1° geldelijke en niet-geldelijke ondersteuning die niet afkomstig is van de Vlaamse Gemeenschap en de rechtspersonen die daarvan afhangen;

2° de bijdrageregeling bedoeld in [37artikel 27ter, § 237] ;

[36

3° de engagementsverklaring tussen de school en de ouders waarin wederzijdse afspraken worden opgenomen over oudercontact, voldoende aanwezigheid, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement ten aanzien van de onderwijstaal.

Met betrekking tot het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal bevat het schoolreglement de bepaling dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren [46en dat de ouders positief staan ten aanzien van extra initiatieven en maatregelen die de school neemt om de taalachterstand van hun leerlingen weg te werken.46] . [46Scholen gelegen in een gemeente waar een lokaal overlegplatform, bedoeld in [67deel VIII van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs67] , is opgericht, kunnen andere bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal toevoegen op voorwaarde dat daarover in het lokaal overlegplatform een akkoord is bereikt.46]

[46Scholen gelegen in een gemeente waar geen lokaal overlegplatform is opgericht, kunnen andere bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal toevoegen op voorwaarde dat daarover een akkoord bereikt is met minstens twee derde van de scholen met dezelfde onderwijstaal gelegen in die gemeente.46] ;

36]

[374° de afspraken inzake het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, de controle op de naleving ervan en de sancties die kunnen opgelegd worden bij overtreding van het rookverbod;37]

[375° [65de bepalingen in verband met onderwijs aan huis en synchroon internetonderwijs;65] 37]

[58

6° de wijze waarop in voorkomend geval de schoolraad en ouderraad, vermeld in artikel 10 en 46 in het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad, worden samengesteld;

7° het recht op inzage door de ouders en hun recht op toelichting bij de gegevens die op de leerling betrekking hebben, waaronder de evaluatiegegevens, die worden verzameld door de school. Indien na de toelichting blijkt dat de ouders een kopie willen van de leerlingengegevens, hebben ze kopierecht. [77...77] Iedere kopie dient persoonlijk en vertrouwelijk behandeld te worden, mag niet verspreid worden noch publiek worden gemaakt en mag enkel gebruikt worden in functie van de onderwijsloopbaan van de leerling. [77Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) wordt, in de gevallen waarin volledige inzage afbreuk zou doen aan de rechten van derden, inzage in de gegevens verleend in de vorm van een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage;77]

8° informatie over extra-murosactiviteiten;

58]

[63 9° de vermelding dat bij schoolverandering leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe school tenzij, en voor zover de regelgeving de overdracht niet verplicht stelt, de ouders er zich expliciet tegen verzetten na op hun verzoek deze gegevens te hebben ingezien; 63]

[7910° de mededeling dat de school bij schoolverandering binnen het basisonderwijs verplicht is een kopie van het gemotiveerd verslag, vermeld in artikel 16 van dit decreet, en een kopie van het verslag, vermeld in artikel 15 van dit decreet, over te dragen aan de nieuwe school.79]

[76

11° de contactgegevens van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school samenwerkt, en de concrete afspraken over de dienstverlening tussen de school en het centrum voor leerlingenbegeleiding;

12° een korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding, waarmee de school haar visie en werking in verband met leerlingenbegeleiding verduidelijkt.

76]

§ 3. Voor het lager onderwijs bevat het schoolreglement ten minste de volgende elementen :

1° [58het reglement inzake tucht en schending van de leefregels van de leerlingen met inbegrip van een preventieve schorsing, een tijdelijke uitsluiting of een definitieve uitsluiting en inzake de beroepsprocedure zoals vermeld in [65...65] onderafdeling F van deze afdeling, inbegrepen het hanteren van redelijke en haalbare termijnen;58]

2° [58de procedure volgens dewelke het getuigschrift basisonderwijs wordt toegekend, met inbegrip van de beroepsprocedure vermeld in onderafdeling E van deze afdeling;58]

3° [65de bepalingen in verband met onderwijs aan huis en synchroon internetonderwijs;65]

4° richtlijnen inzake afwezigheden en te laat komen;

5° afspraken in verband met huiswerk, agenda's [58, leerlingenevaluatie58] en rapporten;

6° geldelijke en niet-geldelijke ondersteuning die niet afkomstig is van de Vlaamse Gemeenschap en de rechtspersonen die daarvan afhangen;

7° de bijdrageregeling bedoeld in [37artikel 27ter, § 237] ;

[158° de wijze waarop de leerlingenraad [58, schoolraad en ouderraad als vermeld in artikel 10 en 46 in het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad, in voorkomend geval worden58] samengesteld;15]

[36

9° de engagementsverklaring tussen de school en de ouders waarin wederzijdse afspraken worden opgenomen over oudercontact, voldoende aanwezigheid, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement ten aanzien van de onderwijstaal.

Met betrekking tot het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal bevat het schoolreglement de bepaling dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren [56en dat de ouders positief staan ten aanzien van extra initiatieven en maatregelen die de school neemt om de taalachterstand van hun leerlingen weg te werken.56] . [54Scholen gelegen in een gemeente waar een lokaal overlegplatform, bedoeld in [67deel VIII van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs67] , is opgericht, kunnen andere bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal toevoegen op voorwaarde dat daarover in het lokaal overlegplatform een akkoord is bereikt.54]

[54Scholen gelegen in een gemeente waar geen lokaal overlegplatform is opgericht, kunnen andere bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal toevoegen op voorwaarde dat daarover een akkoord bereikt is met minstens twee derde van de scholen met dezelfde onderwijstaal gelegen in die gemeente.54] ;

36]

[3710° de afspraken inzake het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, de controle op de naleving ervan en de sancties die kunnen opgelegd worden bij overtreding van het rookverbod;37]

[58

11° het recht op inzage door de ouders en hun recht op toelichting bij de gegevens die op de leerling betrekking hebben, waaronder de evaluatiegegevens, die worden verzameld door de school. Indien na de toelichting blijkt dat de ouders een kopie willen van de leerlingengegevens, hebben ze kopierecht. [77...77] Iedere kopie dient persoonlijk en vertrouwelijk behandeld te worden, mag niet verspreid worden noch publiek worden gemaakt en mag enkel gebruikt worden in functie van de onderwijsloopbaan van de leerling.

[77Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) wordt, in de gevallen waarin volledige inzage afbreuk zou doen aan de rechten van derden, inzage in de gegevens verleend in de vorm van een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage;77]

12° informatie over extra-murosactiviteiten;

58]

[6313° de vermelding dat bij schoolverandering leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe school tenzij, en voor zover de regelgeving de overdracht niet verplicht stelt, de ouders er zich expliciet tegen verzetten na op hun verzoek deze gegevens te hebben ingezien;63]

[65

[7914° de mededeling dat de school bij schoolverandering binnen het basisonderwijs verplicht is een kopie van het gemotiveerd verslag, vermeld in artikel 16 van dit decreet, en een kopie van het verslag, vermeld in artikel 15 van dit decreet, over te dragen aan de nieuwe school;79]

15° eventuele beroepsprocedures buiten de verplichte beroepsprocedures zoals vermeld in punt 1° en punt 2°.

65] [76

16° de contactgegevens van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school samenwerkt, en de concrete afspraken over de dienstverlening tussen de school en het centrum voor leerlingenbegeleiding;

17° een korte beschrijving van het beleid op leerlingenbegeleiding, waarmee de school haar visie en werking in verband met leerlingenbegeleiding verduidelijkt.

76]

§ 4. [48...48]

[46§ 5. Voor materies waarbij ouders een individuele keuze kunnen maken, die door een regelgeving gegarandeerd wordt, kan die individuele keuze niet via het schoolreglement geregeld worden.446]

11]

[58Onderafdeling E. Beroepsmogelijkheid tegen het niet verkrijgen van het getuigschrift basisonderwijs58]

[58

Art. 37/1.

Ouders die niet akkoord gaan met het niet toekennen van een getuigschrift basisonderwijs aan hun kind, hebben toegang tot een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het schoolreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling. Ouders kunnen evenwel slechts een beroep instellen na het overleg zoals bepaald in artikel 55.

De ouders stellen het beroep in bij het schoolbestuur. Het beroep wordt gedateerd en ondertekend en vermeldt ten minste het voorwerp van het beroep met beschrijving van de feiten en motivering van de ingeroepen bezwaren. Bij deze beschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd.

58] [58

Art. 37/2.

Het beroep als vermeld in artikel 37/1 dat behandeld wordt door de beroepscommissie leidt tot :

1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als :

a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het schoolreglement, is overschreden;

b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het schoolreglement;

2° hetzij de bevestiging van het niet toekennen van het getuigschrift basisonderwijs, hetzij de toekenning van het getuigschrift basisonderwijs. Het schoolbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor de beslissing van de beroepscommissie.

Het resultaat van het beroep wordt aan de ouders schriftelijk ter kennis gebracht uiterlijk op 15 september daaropvolgend.

58] [58

Art. 37/3.

§ 1. De beroepscommissie wordt opgericht door het schoolbestuur.

§ 2. Het schoolbestuur bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;

2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van de klassenraad die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen, waaronder alleszins de directeur of zijn afgevaardigde, eventueel aangevuld met een lid van het schoolbestuur; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan dat schoolbestuur en aan de school die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet uit te reiken.

In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen :

a) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;

b) wordt een lid van de ouderraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school die besliste het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt a) van toepassing is;

3° de voorzitter wordt door het schoolbestuur onder de externe leden aangeduid.

§ 3. Het schoolbestuur bepaalt de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;

2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3° een beroepscommissie hoort de ouders in kwestie;

4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad die het getuigschrift basisonderwijs niet toegekend heeft;

5° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van individuele personeelsleden van het onderwijs;

6° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de reglementaire onderwijsbepalingen en met het schoolreglement.

58]

[58Onderafdeling F. Beroepsmogelijkheid tegen definitieve uitsluiting58]

[58

Art. 37/4.

§ 1. De ouders die een beslissing tot definitieve uitsluiting betwisten, hebben toegang tot een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het schoolreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling.

De ouders stellen het beroep in bij het schoolbestuur. Het verzoekschrift wordt gedateerd en ondertekend en vermeldt ten minste het voorwerp van beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren. Bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken gevoegd worden.

Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie.

§ 2. Het beroep als vermeld in § 1 door een beroepscommissie leidt tot :

1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als :

a) de in het schoolreglement opgenomen termijn voor indiening van het beroep is overschreden;

b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het schoolreglement;

2° hetzij de bevestiging van de definitieve uitsluiting, hetzij de vernietiging van de definitieve uitsluiting. Het schoolbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor deze beslissing van de beroepscommissie.

§ 3. Het resultaat van het beroep wordt aan de ouders gemotiveerd en schriftelijk ter kennis gebracht binnen de vervaltermijn bepaald in het schoolreglement.

Bij overschrijding van deze vervaltermijn is de omstreden definitieve uitsluiting van rechtswege nietig.

58] [58

Art. 37/5.

§ 1. De beroepscommissie wordt opgericht door het schoolbestuur.

§ 2. Het schoolbestuur bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° de samenstelling van de beroepscommissie kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;

2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden intern aan het schoolbestuur of aan de school waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, met uitzondering van de directeur of zijn afgevaardigde die de beslissing heeft genomen; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het schoolbestuur en aan de school waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen.

In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen :

a) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;

b) wordt een lid van de ouderraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt a) van toepassing is;

3° de voorzitter wordt door het schoolbestuur onder de externe personen aangeduid.

58] [58

Art. 37/6.

§ 1. Het schoolbestuur bepaalt de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;

2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3° een beroepscommissie hoort de ouders in kwestie;

4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad die een advies over de definitieve uitsluiting heeft gegeven;

5° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden van het onderwijs;

6° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het schoolreglement.

§ 2. Het beroep schort de uitvoering van de beslissing tot uitsluiting niet op.

[87

Art. 37/6/1.

[87...87]

Voor de toepassing van de termijnen bepaald in hoofdstuk IV/1, hoofdstuk IV/2 en hoofdstuk IV/3 worden de door de regering, overeenkomstig artikel 50, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.

87] 58]

[48Afdeling 3. - [87...87] 48]

[48Onderafdeling A. [87...87] 48]

[48

Art. 37bis.

[87...87]

48]

[48Onderafdeling B. - [87...87] 48]

[48

Art. 37ter. t.e.m. Art. 37septies.

[87...87]

48]

[48Onderafdeling C. - [87...87] 48]

[48

Art. 37octies. t.e.m. Art. 37undecies.

[87...87]

48]

[48Onderafdeling D. [87...87] 48]

[48

Art. 37duodecies. t.e.m. Art. 37duodevicies.

[87...87]

48]

[48Afdeling 4. - [87...87] 48]

[48Onderafdeling A. - [87...87] 48]

[48

Art. 37undevicies.

[50/1

[87...87]

50/1] 48] [48

Art. 37vicies.

[50/1

[87...87]

50/1] 48] [48

Art. 37vicies semel.

[50/1

[87...87]

50/1] 48]

[48Onderafdeling B. [87...87] 48]

[48

Art. 37vicies bis.

[50/1

[87...87]

50/1] 48] [48

Art. 37vicies ter.

[50/1

[87...87]

50/1] 48]

[48Onderafdeling C. [10...10] 48]

[48

Art. 37vicies quater.

[50/1

[87...87]

50/1] 48]

[48Onderafdeling D. - [87...87] 48]

[48

Art. 37vicies quinquies.

[50/1

[87...87]

50/1] 48] [48

Art. 37vicies sexies.

[50/1

[87...87]

50/1] 48] [48

Art. 37vicies septies.

[87...87]

48]

[87Hoofdstuk IV/1. Recht op inschrijving in het gewoon onderwijs voor scholen gelegen in het Nederlandse taalgebied87]

[87Afdeling 1. Recht op inschrijving87]

[87

Art. 37/7.

De gezamenlijke doelstellingen van het inschrijvingsrecht, als instrument van het beleid op gelijke onderwijskansen, zijn:

1° het waarborgen van de vrije schoolkeuze van alle ouders en leerlingen;

2° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen en dit, voor zover mogelijk, in een school in hun buurt;

3° het bevorderen van sociale mix en cohesie;

4° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie.

87] [87

Art. 37/8.

§ 1. Elke leerling heeft recht op inschrijving in de school of een vestigingsplaats, gekozen door zijn ouders. Is de leerling 12 jaar of ouder, dan gebeurt de schoolkeuze in samenspraak met de leerling. Bij de keuze van een vestigingsplaats wordt rekening gehouden met het onderwijsaanbod in de betreffende vestigingsplaats.

§ 2. Voorafgaand aan een inschrijving biedt het schoolbestuur schriftelijk of via elektronische drager het pedagogisch project, vermeld in artikel 28, § 1, 2°, en 47, § 1, 1°, en het schoolreglement, vermeld in artikel 37, aan de ouders en de leerling aan en geeft hierbij, indien de ouders dit wensen, toelichting. Indien het schoolbestuur het pedagogisch project of het schoolreglement via elektronische drager ter beschikking stelt, vraagt het de ouders of ze een papieren versie wensen te ontvangen.

De inschrijving wordt genomen op het moment van ondertekening voor akkoord van de ouders van dit pedagogisch project en dit schoolreglement.

Bij elke wijziging van het pedagogisch project of het schoolreglement informeert het schoolbestuur de ouders schriftelijk of via elektronische drager over die wijziging en geeft hierbij, indien ouders dit wensen, toelichting. Ouders geven opnieuw schriftelijk akkoord. Ouders die erom verzoeken ontvangen steeds een papieren versie van het pedagogisch project of het schoolreglement. Indien de ouders zich met de wijziging niet akkoord verklaren, dan wordt aan de inschrijving van het kind een einde gesteld op 31 augustus van het lopende schooljaar.

Een wijziging van het pedagogisch project of schoolreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving.

§ 3. De inschrijvingen voor de kleuters, die tijdens een bepaald schooljaar wel twee jaar en zes maanden worden maar op de laatste instapdatum van dat schooljaar niet meer kunnen instappen, starten op dezelfde dag als de inschrijvingen voor de andere kleuters van hetzelfde geboortejaar.

§ 4. Een school registreert elke inschrijving binnen zeven kalenderdagen, en uiterlijk op de eerste dag van de effectieve lesbijwoning, in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming, met vermelding van:

1° de datum en het tijdstip van de inschrijving;

2° de datum van de voorziene start van de lesbijwoning in het geval van schoolverandering in de loop van het schooljaar.

87] [87

Art. 37/9.

§ 1. Behoudens de bij decreet bepaalde gevallen van uitschrijving, zoals bepaald in artikel 32, § 3, artikel 37/8, § 2, derde lid, artikel 37/10 en artikel 37/11, § 3, geldt een inschrijving van een leerling in een school voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school.

Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen heen, tenzij de capaciteit van de vestigingsplaats is of wordt overschreden of de leerling er niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet. De voortgang van het leerproces, waarbij een verandering van vestigingsplaats noodzakelijk is, kan niet worden gestuit.

Het behoud van inschrijving kan, als de vestigingsplaats of het niveau in de vestigingsplaats(en) van de leerling betrokken is bij een herstructurering en verdwijnt uit de school, ook gegarandeerd worden in een andere school betrokken bij de herstructurering of in een andere school van hetzelfde schoolbestuur, gelegen op een billijke afstand. Het behoud van inschrijving wordt, als de school van de leerling betrokken is bij een fusie, gegarandeerd in de fusieschool of in een andere school van hetzelfde schoolbestuur gelegen op een billijke afstand. In voorkomende situaties informeert het schoolbestuur de betrokken ouders.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kunnen schoolbesturen van basisscholen waarvan de capaciteit van het kleuteronderwijs groter is dan die van het lager onderwijs, opteren voor een nieuwe inschrijving bij de overgang tussen beide onderwijsniveaus. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.

§ 3. Indien zijn betrokken scholen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan een schoolbestuur ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van een autonome kleuterschool naar een lagere of basisschool de inschrijvingen van de ene naar de andere school te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.

§ 4. Indien zijn betrokken scholen of vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan een schoolbestuur ervoor opteren om de desbetreffende scholen of vestigingsplaatsen als één geheel te beschouwen en één capaciteit te bepalen voor de verschillende scholen of vestigingsplaatsen, gelegen binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden door hetzij maximaal twee kadastrale percelen, hetzij door een weg, samen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheden gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.

87] [87

Art. 37/10.

De vaststelling van een recentere inschrijving voor hetzelfde schooljaar in een andere school voor gewoon onderwijs, via de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming, beëindigt een eerdere inschrijving van rechtswege.

Een leerling die reeds in de eigen school schoolloopt en van wie een recentere inschrijving voor het volgend schooljaar in een andere school voor gewoon onderwijs wordt vastgesteld via de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming, wordt pas uitgeschreven in de school waar de leerling schoolloopt vanaf 1 juli van het lopende schooljaar.

Wanneer de voorziene startdatum van de meest recente inschrijving verschilt van de eerste schooldag van september of de voorziene instapdatum voor kleuters van het jongste geboortejaar, wordt de leerling pas uitgeschreven vanaf de datum van de effectieve start van de lesbijwoning.

87] [87

Art. 37/11.

§ 1. Het recht op inschrijving, vermeld in artikel 37/8, § 1, geldt onverkort voor leerlingen die het gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad.

§ 2. Leerlingen die beschikken over een verslag als vermeld in artikel 15 worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Dit verslag maakt deel uit van de informatie die ouders bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Het ter beschikking stellen van het verslag door de ouders gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, binnen een redelijke termijn na de inschrijving over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum. Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennisneemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.

Op basis van het overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het eerste lid, beslist de school binnen een redelijke termijn en uiterlijk zestig kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn.

Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in het gemeenschappelijk curriculum, proportioneel acht, heft het CLB het verslag op of maakt het een gemotiveerd verslag op. Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in het gemeenschappelijk curriculum of studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, disproportioneel acht, wordt de inschrijving ontbonden op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit.

§ 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag als vermeld in artikel 15 nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.

§ 4. Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs dat opgemaakt werd in het kader van het geïntegreerd onderwijs, die van school veranderen binnen het gewoon basisonderwijs, geldt een onverkort recht op inschrijving.

Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs dat opgemaakt werd met het oog op de toegang tot of de inschrijving in het buitengewoon onderwijs, of met het oog op een individueel aangepast curriculum in het gewoon onderwijs, die van school veranderen binnen het gewoon basisonderwijs of die overgaan van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs, geldt een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.

87]

[87Afdeling 2. Organisatie van de inschrijvingen87]

[87Onderafdeling A. Beslissing over kunnen weigeren op basis van capaciteit87]

[87

Art. 37/12.

§ 1. Een schoolbestuur beslist jaarlijks, en uiterlijk op 15 november, voor elk van zijn scholen en vestigingsplaatsen, en eventueel per geboortejaar of leerjaar per school of per vestigingsplaats, of het voor het daaropvolgende schooljaar leerlingen wil kunnen weigeren omwille van bereikte capaciteit. Een schoolbestuur bepaalt eveneens, voor elk van deze scholen en vestigingsplaatsen, en eventueel geboortejaren of leerjaren per school of per vestigingsplaats, of het leerlingen uit de voorrangsgroepen, zoals bepaald in artikel 37/22, §§ 3 en 4, wil kunnen weigeren.

§ 2. Voor de scholen en vestigingsplaatsen, en eventueel geboortejaren of leerjaren per school of per vestigingsplaats, waarvoor het schoolbestuur beslist geen leerlingen te zullen weigeren omwille van capaciteit gelden de regels voor niet-aanmeldende scholen, vermeld in onderafdeling B, tenzij het schoolbestuur beslist aan te sluiten bij een aanmeldingsprocedure. In dat geval zijn de bepalingen uit onderafdeling B van toepassing.

Voor de scholen en vestigingsplaatsen, en eventueel geboortejaren of leerjaren per school of per vestigingsplaats, waarvoor het schoolbestuur beslist te willen kunnen weigeren omwille van capaciteit, en de scholen, vermeld in § 3, tweede lid, die verplicht worden tot aanmelden worden de inschrijvingen georganiseerd via een aanmeldingsprocedure. Hiervoor gelden de regels voor aanmeldende scholen, vermeld in onderafdeling C.

Voor de onderdelen waarvoor het schoolbestuur besliste ook leerlingen uit de voorrangsgroepen te willen kunnen weigeren, gelden de regels, zoals vermeld in artikel 37/22.

§ 3. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van paragraaf 1, en wanneer er een capaciteitsprobleem dreigt of heerst doordat de vragen tot inschrijving de door de schoolbesturen bepaalde capaciteit benaderen of overschrijden, waardoor het recht op inschrijving, vermeld in artikel 37/8, niet meer kan worden gegarandeerd, een schoolbestuur of meerdere schoolbesturen samen verplichten tot het organiseren van een gezamenlijke aanmeldingsprocedure voor hun scholen.

De verplichting tot een gezamenlijke aanmeldingsprocedure geldt in ieder geval voor alle schoolbesturen die een school hebben binnen het werkingsgebied van het LOP Antwerpen of LOP Gent, voor hun scholen binnen dat respectievelijke werkingsgebied.

87]

[87Onderafdeling B. Organisatie van de inschrijvingen in niet-aanmeldende scholen87]

[87

Art. 37/13.

§ 1. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag van september van het voorafgaande schooljaar. Het schoolbestuur bepaalt de startdatum van de inschrijvingen en communiceert deze startdatum aan alle belanghebbenden.

Het schoolbestuur van scholen en vestigingsplaatsen, gelegen in het werkingsgebied van een LOP, respecteert de afspraken over de startdata van de inschrijvingen binnen het LOP.

De Vlaamse Regering kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, gebieden afbakenen waarbinnen een centrale startdatum wordt bepaald voor de inschrijvingen in alle scholen, wanneer het naast elkaar blijven bestaan van verschillende startdata de transparantie van het inschrijvingsgebeuren aantast of de problematiek van de dubbele inschrijvingen in stand houdt.

§ 2. Alle leerlingen worden in chronologische volgorde ingeschreven en genoteerd in het inschrijvingsregister.

Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

§ 3. Een niet-aanmeldende school kan anderstalige nieuwkomers, als bedoeld in artikel 3, 4° quater, weigeren, wanneer het aantal anderstalige nieuwkomers in de betreffende vestigingsplaats minstens vier bedraagt in vestigingsplaatsen tot en met 100 leerlingen, en minstens acht bedraagt in vestigingsplaatsen met meer dan 100 leerlingen, op voorwaarde dat de geweigerde anderstalige nieuwkomers een plaats gegarandeerd wordt binnen een school, gelegen op een redelijke afstand en rekening houdend met de vrije keuze van de ouders.

Schoolbesturen met scholen of vestigingsplaatsen gelegen in het werkingsgebied van een LOP maken daartoe binnen het LOP afspraken.

87] [87

Art. 37/14.

Een schoolbestuur dat omwille van uitzonderlijke omstandigheden in de onmogelijkheid verkeert om bijkomende inschrijvingen te realiseren in een of meerdere scholen, vestigingsplaatsen, schooljaren of geboortejaren, moet een aanvraag indienen bij de CLR om alsnog leerlingen te kunnen weigeren op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden.

De CLR beslist, binnen een termijn van veertien kalenderdagen na het ontvangen van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, of en onder welke voorwaarden weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toegestaan worden.

Indien het schoolbestuur reeds leerlingen geweigerd heeft, voorafgaand aan de aanvraag bij de CLR of de beslissing door de CLR, worden deze alsnog ingeschreven indien de CLR beslist geen weigeringen op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden, toe te staan.

87]

[87Onderafdeling C. Organisatie van de inschrijvingen in aanmeldende scholen87]

[87

Art. 37/15.

Aanmelden is het digitaal kenbaar maken door ouders van een intentie tot inschrijven voor een bepaald schooljaar in één of meerdere scholen of vestigingsplaatsen voor de daartoe door het schoolbestuur beschikbaar gestelde plaatsen. Als de betrokken leerling voor meerdere scholen of vestigingsplaatsen wordt aangemeld, wordt een volgorde van keuze aangegeven.

Na afsluiten van de aanmeldingsperiode worden de aangemelde leerlingen geordend, conform artikel 37/23, 37/24 en 37/25, en in voorkomend geval, volgens artikel 37/22. De leerlingen die gunstig geordend worden, zijnde binnen de door het schoolbestuur bepaalde capaciteit, verwerven een recht op inschrijving voor een beschikbaar gestelde plaats. Binnen gezamenlijke aanmeldingsprocedures wordt slechts één gunstige ordening weerhouden, zijnde de gunstige ordening in de school van hoogste keuze van de betreffende leerling. Leerlingen die niet gunstig geordend worden, worden in de volgorde zoals in het aanmeldingsregister, opgenomen als geweigerde leerlingen in het inschrijvingsregister.

87] [87

Art. 37/16.

§ 1. Een schoolbestuur, alle deelnemende schoolbesturen samen of het LOP, meldt uiterlijk op 15 november van het voorafgaande schooljaar, via het daartoe ontwikkelde formulier, aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap:

[871° voor welke scholen en vestigingsplaatsen, en eventueel geboortejaren of leerjaren per school of per vestigingsplaats, het de inschrijvingen zal organiseren via een aanmeldingsprocedure;87]

2° voor welke scholen en vestigingsplaatsen, en eventueel geboortejaren of leerjaren per school of per vestigingsplaats, het leerlingen uit de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/22, wil kunnen weigeren;

3° welk standaarddossier het zal hanteren bij de organisatie van de aanmeldingsprocedure, of van welk standaarddossier het schoolbestuur of het LOP wenst af te wijken, als vermeld in artikel 37/18. Een standaarddossier is een dossier waarin de verschillende stappen van een aanmeldingsprocedure concreet worden uitgewerkt.

[87...87]

[87...87]

§ 2. Elk schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen, of het LOP, dat de inschrijvingen laat voorafgaan door een aanmeldingsprocedure richt een commissie op die instaat voor de eerstelijnsbehandeling van disfuncties en klachten betreffende de aanmeldingsprocedure. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere bepalingen betreffende de samenstelling en opdracht van de disfunctiecommissie.

87] [87

Art. 37/17.

§ 1. Voor aanmeldende scholen, gelegen in het werkingsgebied van een LOP, moet de aanmeldingsprocedure bij dubbele meerderheid door het LOP zijn goedgekeurd.

De dubbele meerderheid is bereikt wanneer de goedkeuring verleend wordt door enerzijds meer dan de helft van de participanten, bedoeld in artikel VIII.4, § 1, 1°, 2° en 3°, en anderzijds, meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel VIII.4, § 1, 4° tot en met 12°, telkens van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016.

§ 2. Voor scholen in gemeenten, gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP, kan een schoolbestuur of kunnen meerdere schoolbesturen samen een aanmeldingsprocedure instellen na kennisgeving aan de schoolbesturen van de andere scholen in de gemeente, en op voorwaarde dat alle aanmeldende scholen in de betreffende gemeente deelnemen aan de aanmeldingsprocedure.

§ 3. Schoolbesturen kunnen, over scholen, gemeenten en werkingsgebieden van een LOP heen, samen een aanmeldingsprocedure instellen, mits het respecteren van de voorwaarden, vermeld in de eerste en tweede paragraaf.

In het geval van aansluiting bij de door het LOP goedgekeurde aanmeldingsprocedure van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, blijven de respectieve ordeningscriteria, vermeld in artikel 37/22, artikel 37/23 en artikel 37/24 onverminderd gelden.

§ 4. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen voorzien ter ondersteuning van het instellen van een aanmeldingsprocedure en bepaalt hiervoor de nadere modaliteiten.

87] [87

Art. 37/18.

Uiterlijk op 15 november van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, legt een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP, wanneer ze wensen af te wijken van een standaarddossier, de betreffende afwijkingen voor aan de CLR.

De CLR toetst de afwijkingen van een standaarddossier aan de bepalingen, vermeld in afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk, en aan de doelstellingen, vermeld in artikel 37/7, en neemt hierover een besluit, uiterlijk twee maanden na de indiening, en in ieder geval voor 24 december.

87] [87

Art. 37/19.

§ 1. Bij een negatief besluit van de CLR over de afwijkingen van een standaarddossier kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, een van volgende initiatieven nemen:

1° aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap en de Commissie inzake leerlingenrechten melden de aanmeldingen te zullen organiseren conform een standaarddossier;

2° aangepaste afwijkingen indienen bij de CLR. In dat geval toetst de CLR de aangepaste afwijkingen aan de doelstellingen, vermeld in artikel 37/7 en de bepalingen van afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk, en neemt het een besluit, uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan;

3° het voorstel van afwijkingen van het standaarddossier, vermeld in artikel 37/16, voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel aan de doelstellingen, vermeld in artikel 37/7, en de bepalingen van afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk. De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelingen inzake het verloop van de procedure.

§ 2. Bij een negatief besluit van de CLR over de, overeenkomstig paragraaf 1, 2°, voorgelegde aangepaste afwijkingen van een standaarddossier, kan het betrokken schoolbestuur, meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP beslissen de aanmeldingsprocedure te organiseren volgens een standaarddossier, of uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit het aangepast voorstel van afwijkingen van een standaarddossier, vermeld in artikel 37/16, voorleggen aan de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering toetst de voorgestelde afwijkingen van het standaarddossier aan de doelstellingen uit artikel 37/7 en de bepalingen van afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk, en neemt een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelingen inzake het verloop van de procedure.

§ 3. Bij een negatief besluit van de Vlaamse Regering over het, overeenkomstig paragraaf 1, 3°, voorgelegde voorstel van afwijkingen van een standaarddossier, vermeld in artikel 37/16, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP beslissen de aanmeldingsprocedure te organiseren volgens een standaarddossier, of uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit, en eenmalig, een aangepast voorstel van afwijkingen van een standaarddossier voorleggen aan de CLR. In dat geval toetst de CLR het aangepaste voorstel aan de doelstellingen, vermeld in artikel 37/7, en de bepalingen van afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk.

De CLR neemt over het voorstel van afwijkingen van een standaarddossier een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

87] [87

Art. 37/20.

§ 1. [87...87]

§ 2. Daarnaast maakt het schoolbestuur de resterende vrije plaatsen, zijnde het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, desgevallend per contingent als vermeld in artikel 37/24, minstens bekend op volgende momenten:

1° voor de start van de inschrijvingen of, in voorkomend geval, de aanmeldingen van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/22, §§ 2 en 3;

2° voor de start van de aanmeldingsperiode, vermeld in artikel 37/21;

3° voor de start van de vrije inschrijvingsperiode, vermeld in artikel 37/27.

[87...87]

§ 3. Een schoolbestuur kan de capaciteit verhogen na de start van de inschrijvingen, mits toepassing van de volgens artikel 37/24 te bepalen contingenten.

Voor scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP moet de capaciteitsverhoging door het LOP zijn goedgekeurd. Schoolbesturen van scholen, gelegen in gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP, delen de capaciteitsverhoging ter kennisgeving mee aan de schoolbesturen van de andere scholen, gelegen in die gemeente.

§ 4. Een schoolbestuur weigert elke bijkomende inschrijving wanneer de capaciteit als vermeld in paragraaf 1 overschreden wordt en als een bijkomende inschrijving na de start van de inschrijvingen voor volgend schooljaar er toe zou leiden dat de capaciteit voor dat volgende schooljaar overschreden zou worden.

§ 5. Een aanmeldende school kan anderstalige nieuwkomers, als bedoeld in artikel 3, 4° quater, weigeren, wanneer het aantal anderstalige nieuwkomers in de betreffende vestigingsplaats minstens vier bedraagt in vestigingsplaatsen tot en met een capaciteit van 100, en minstens acht bedraagt in vestigingsplaatsen met een capaciteit hoger dan 100, op voorwaarde dat de geweigerde anderstalige nieuwkomers een plaats gegarandeerd wordt binnen een school, gelegen op een redelijke afstand en rekening houdend met de vrije keuze van de ouders.

Schoolbesturen met scholen of vestigingsplaatsen gelegen in het werkingsgebied van het LOP maken hierover afspraken binnen het LOP.

87] [87

Art. 37/21.

§ 1. Elk schoolbestuur respecteert de volgende door de Vlaamse Regering bepaalde periodes en data:

1° de start- en de einddatum van de aanmeldingsperiode voor een bepaald schooljaar;

2° de datum waarop de resultaten van de aanmeldingsprocedure uiterlijk worden bekendgemaakt aan ouders;

3° de inschrijvingsperiode voor de gunstig gerangschikte leerlingen;

4° de startdatum van de vrije inschrijvingsperiode, zijnde de periode voor de inschrijvingen voor de eventuele resterende vrije plaatsen.

§ 2. Voorafgaand aan en tijdens de aanmeldingsperiode voor het volgende schooljaar kunnen geen inschrijvingen van leerlingen die niet behoren tot de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/22, voor het volgende schooljaar gebeuren.

Voorafgaand aan de aanmeldingsperiode kunnen er inschrijvingen gebeuren voor het huidige schooljaar. Tijdens de aanmeldingsperiode kan een inschrijving voor het huidige schooljaar gebeuren, op voorwaarde dat:

1° op het moment van de vraag tot inschrijving nog een vrije plaats is;

2° de inschrijving gemeld wordt aan het LOP of voor scholen buiten het werkingsgebied van een LOP aan de schoolbesturen van scholen in dezelfde gemeente;

3° alle leerlingen die gunstig gerangschikt werden tijdens de aanmeldingsperiode ook effectief worden ingeschreven."

87] [87

Art. 37/22.

§ 1. Leerlingen uit de voorrangsgroepen, vermeld in paragraaf 2 en 3, worden bij voorrang ingeschreven. Een schoolbestuur bepaalt en communiceert aan alle belanghebbenden de periode of desgewenst periodes waarbinnen en de wijze waarop de leerlingen, behorend tot deze voorrangsgroepen, hun vraag tot inschrijving dienen bekend te maken. Deze periode start ten vroegste vanaf de eerste schooldag van september van het voorafgaande schooljaar.

Een schoolbestuur dat besliste geen leerlingen uit de voorrangsgroepen, vermeld in paragraaf 2 en 3, te weigeren, schrijft de leerlingen uit beide voorrangsgroepen in chronologische volgorde in en kan deze leerlingen tijdens de voorrangsperiode, vermeld in het eerste lid, niet weigeren op basis van bereikte capaciteit.

Een schoolbestuur dat besliste leerlingen uit de voorrangsgroepen, vermeld in paragraaf 2 en 3, te willen kunnen weigeren, respecteert bij de inschrijving van deze voorrangsgroepen volgende regels:

1° het ordent deze leerlingen, zoals bepaald in paragraaf 4;

2° het wijst de leerlingen die gunstig geordend zijn, zijnde binnen de door het schoolbestuur bepaalde capaciteit, toe, en noteert de niet-gunstig geordende leerlingen, in de volgorde zoals bepaald in paragraaf 4, op de weigeringslijst.

Scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP respecteren eventuele afspraken binnen het LOP over de organisatie van de inschrijvingen van de voorrangsgroepen, vermeld in paragraaf 2 en 3.

§ 2. Elke leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling, heeft bij voorrang op alle andere leerlingen, recht op inschrijving in de betrokken school of de betrokken scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, op basis van artikel 37/9.

§ 3. Na de leerlingen, vermeld in paragraaf 2, geeft een schoolbestuur voor zijn scholen voorrang aan kinderen met een ouder die personeelslid is van de school of van de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen op basis van artikel 37/9, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen.

Met personeelslid wordt bedoeld:

1° een personeelslid als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in de school;

2° een personeelslid dat via een arbeidsovereenkomst werd aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld wordt in de school.

§ 4. Een schoolbestuur dat besliste leerlingen uit de voorrangsgroepen, vermeld in paragrafen 2 en 3, te willen kunnen weigeren op basis van capaciteit, ordent de leerlingen uit de voorrangsgroepen in deze volgorde:

1° leerlingen die behoren tot beide voorrangsgroepen;

2° leerlingen die behoren tot de voorrangsgroep, vermeld in paragraaf 2;

3° leerlingen die behoren tot de voorrangsgroep, vermeld in paragraaf 3.

Indien de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 37/20, reeds bereikt wordt binnen de leerlingengroep, bedoeld in punt 1°, 2° of 3°, worden de leerlingen binnen die betreffende leerlingengroep, geordend volgens het ordeningscriterium of de combinatie van ordeningscriteria, en met toepassing van artikel 37/24, vermeld in het door het schoolbestuur onderschreven standaarddossier of de door de CLR goedgekeurde afwijkingen op het standaarddossier, vermeld in artikel 37/16.

87] [87

Art. 37/23.

§ 1. Op het einde van de door de Vlaamse Regering bepaalde aanmeldingsperiode ordent het schoolbestuur of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen het LOP voor elk van zijn scholen alle aangemelde leerlingen, aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria:

a) afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats;

b) afstand van het werkadres van één van beide ouders tot de school of vestigingsplaats;

c) toeval. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met minstens ordeningscriterium a), b) of d);

d) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met minstens ordeningscriterium a), b) of c).

Het schoolbestuur, de schoolbesturen samen of het LOP hanteren bij het ordenen van de aangemelde leerlingen het ordeningscriterium of de combinatie van ordeningscriteria uit het door bij hen onderschreven standaarddossier of de eventuele afwijkingen daarop, zoals goedgekeurd door de CLR, en met toepassing van artikel 37/24.

§ 2. Indien het schoolbestuur besliste de voorrang voor de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/22, uitsluitend of na een voorafgaande voorrangsperiode, te organiseren via de aanmeldingsprocedure voor alle leerlingen, worden alle aangemelde leerlingen geordend als volgt:

1° eerst de leerlingen die behoren tot beide voorrangsgroepen als vermeld in artikel 37/22, §§ 2 en 3;

2° dan de leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, vermeld in artikel 37/22, § 2;

2° dan de kinderen met een ouder die personeelslid is, zoals bepaald in artikel 37/22, § 3;

3° dan de overige kinderen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria:

a) afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats;

b) afstand van het werkadres van één van beide ouders tot de school of vestigingsplaats;

c) toeval. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met minstens ordeningscriterium a), b) of d);

d) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met minstens ordeningscriterium a), b) of c).

Het schoolbestuur, de schoolbesturen samen of het LOP hanteren bij het ordenen van de aangemelde leerlingen het ordeningscriterium of de combinatie van ordeningscriteria uit het door bij hen onderschreven standaarddossier of de eventuele afwijkingen daarop, zoals goedgekeurd door de CLR, en met toepassing van artikel 37/24.

87] [87

Art. 37/24.

§ 1. Een schoolbestuur bepaalt minstens voor de kleuters, geboren in de twee meest recente kalenderjaren waarvoor inschrijvingen voor het betrokken schooljaar mogelijk zijn, en voor het eerste jaar van het lager onderwijs van al zijn scholen of vestigingsplaatsen waarvoor het de inschrijvingen organiseert via een aanmeldingsprocedure, twee contingenten die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer indicatoren ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.

De vooropgestelde contingenten zijn gericht op het verkrijgen van een evenredige verdeling van de leerlingen, vermeld in het eerste en het tweede lid, in de scholen in het werkingsgebied van het LOP of, voor scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP, in de betrokken gemeente. De twee contingenten samen vormen 100 procent.

De contingenten, en de vrije plaatsen per contingent, worden voor de start van de aanmeldingsperiode door het schoolbestuur bekendgemaakt aan alle belanghebbenden.

De reeds ingeschreven leerlingen en leerlingen uit de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/22, worden op basis van het voldoen aan één of meer of op basis van het niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in hun respectieve contingent.

De aangemelde leerlingen worden op basis van het voldoen aan één of meer van de indicatoren of op basis van het voldoen aan geen van de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in respectievelijk het contingent indicatorleerlingen of niet-indicatorleerlingen, zolang het contingent niet bereikt is.

Indien bij het ordenen van de aangemelde leerlingen, na afsluiten van de aanmeldingsperiode, de capaciteit binnen een van beide contingenten niet bereikt is, worden de openstaande plaatsen opgevuld met de, conform de bepalingen in artikel 37/23, hoogst gerangschikte leerlingen op de lijst van de ongunstig gerangschikte leerlingen uit het andere contingent.

§ 2. Het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP de schoolbesturen die een gezamenlijke aanmeldingsprocedure organiseren, maken voor de start van de inschrijvingen afspraken over:

1° de berekening van de relatieve aanwezigheid in het werkingsgebied of deelgebieden ervan, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen het werkingsgebied of deelgebieden ervan, eventueel tot op de niveaus, vermeld in artikel 37/20;

2° de berekening van de relatieve aanwezigheid in vestigingsplaatsen en scholen, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen in de vestigingsplaatsen en scholen en dit eventueel tot op de niveaus, vermeld in artikel 37/20;

3° de niveaus, vermeld in artikel 37/20, van de school waarop de contingenten bepaald zullen worden en de verschillen die er eventueel tussen de verschillende deelgebieden gemaakt worden;

4° de wijze waarop de contingenten bepaald zullen worden;

5° de wijze waarop enerzijds andere actoren betrokken zullen worden bij de werving, toeleiding en ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van scholen zal gebeuren.

Voor scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP is:

1° de relatieve aanwezigheid in de school of vestigingsplaats de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, en het aantal leerlingen in een school of vestigingsplaats;

2° de relatieve aanwezigheid in de gemeente de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren, vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen de gemeente.

Als een schoolbestuur erom vraagt, stellen de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap gegevens over het al dan niet voldoen aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van elk van zijn leerlingen ter beschikking van dat schoolbestuur. Daarnaast stellen de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, in voorkomend geval, gegevens ter beschikking van het LOP over het al dan niet voldoen aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van de leerlingen van de scholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP. Deze gegevens zijn afkomstig van de meest recente jaarlijkse centraal georganiseerde telling.

§ 3. De indeling van de aangemelde leerlingen in een van beide contingenten gebeurt op basis van volgende indicatoren:

1° het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen.

Voor de schooljaren 2019-2020 en 2020-2021 komen eveneens in aanmerking voor voorrang: de leefeenheid, vermeld in artikel 5, 21°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, heeft in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen;

2° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.

§ 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.

Voor de indicator, vermeld in paragraaf 3, 1°, gelden dan de inkomensgrenzen van de regeling inzake schooltoelagen of de selectieve participatietoeslag leerling als richtinggevend.

87] [87

Art. 37/25.

§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 37/20 bepaalde capaciteit betrokken bij de aanmeldingsprocedure, een aanmeldingsregister.

Een schoolbestuur komt, per aanmeldingsregister, met toepassing van artikel 37/22 tot en met artikel 37/24, tot een gunstige of niet-gunstige rangschikking van alle aangemelde leerlingen en neemt die rangschikking op in het aanmeldingsregister. Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, kan het LOP of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur de rangschikking van de aangemelde leerlingen in het aanmeldingsregister uitvoeren.

§ 2. Voor aanmeldingsprocedures voor meerdere scholen en vestigingsplaatsen geldt dat het schoolbestuur of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur, de aangemelde leerling toewijst aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de ouders bij de aanmelding opgaven en waarvoor de leerling gunstig geordend is.

Deze leerling wordt vervolgens verwijderd uit het aanmeldingsregister van de verschillende scholen en vestigingsplaatsen waarvoor de ouders een lagere keuze gemaakt hebben. De daardoor vrijgekomen plaatsen in de aanmeldingsregisters worden, voor zover mogelijk, ingenomen door de op basis van dezelfde combinatie van ordeningscriteria als vermeld in artikel 37/22 tot en met 37/24, eerstvolgend gerangschikte leerling.

Het innemen van vrijgekomen plaatsen in het aanmeldingsregister wordt herhaald totdat geen toewijzingen als vermeld in het eerste lid meer mogelijk zijn. Daarna worden de niet-toegewezen leerlingen geordend volgens de ordeningscriteria, zoals opgenomen in het onderschreven standaarddossier, of in de door de CLR goedgekeurde afwijkingen daarop.

§ 3. De ouders krijgen uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum schriftelijk of via elektronische drager melding over de school of vestigingsplaats waaraan de aangemelde leerling is toegewezen, met vermelding van de door de Vlaamse Regering bepaalde periode waarbinnen de ouders de aangemelde leerling kunnen inschrijven. Indien de ouders geen gebruikmaken van de mogelijkheid tot inschrijving binnen de daartoe door de Vlaamse Regering bepaalde periode, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.

Aan de ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de ouders een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats, de aangemelde leerling heeft ingenomen.

Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan de door de ouders opgegeven ordeningscriteria of indicatoren die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van disfuncties en eerstelijnsklachten, zoals bepaald in artikel 37/16, § 2, leidt tot een andere beslissing.

Wanneer een via de aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerdere inschrijving beëindigen.

§ 4. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de ouders uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats.

Aan de ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de ouders hadden gekozen, de aangemelde leerling heeft ingenomen.

§ 5. Een niet-gunstige rangschikking wordt gelijkgesteld met een weigering op basis van bereikte capaciteit, overeenkomstig artikel 37/20. Binnen het werkingsgebied van het LOP kan het uitreiken van de weigeringsdocumenten gemandateerd worden aan het LOP, buiten het werkingsgebied van een LOP aan een daartoe gemandateerd schoolbestuur.

87] [87

Art. 37/26.

§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke door het schoolbestuur bepaalde capaciteit een inschrijvingsregister waarin het alle inschrijvingen en weigeringen chronologisch, in voorkomend geval per contingent, noteert.

Overeenkomstig artikel 37/25 wordt de volgorde van de toegewezen leerlingen en de volgorde van de niet-toegewezen leerlingen overgenomen in het inschrijvingsregister.

§ 2. Met uitzondering van leerlingen die werden ingeschreven in overcapaciteit, zoals bepaald in artikel 37/28, wordt bij het invullen van vrijgekomen plaatsen of bijkomende plaatsen door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 37/20, de volgorde van de weigeringen, indien van toepassing binnen het betreffende contingent, gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Voor kleuters geboren in het meest recente kalenderjaar dat mogelijk is voor de inschrijvingen van het betrokken schooljaar, wordt deze volgorde gerespecteerd tot en met 30 juni van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Uiterlijk vanaf 1 juli geldt de volgorde van de weigeringen van kleuters van hetzelfde geboortejaar voor het volgende schooljaar.

Ouders van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.

§ 4. Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

87] [87

Art. 37/27.

Het schoolbestuur noteert eventuele bijkomende inschrijvingen na de start van de door de Vlaamse Regering bepaalde vrije inschrijvingsperiode voor de resterende vrije plaatsen in chronologische volgorde in het inschrijvingsregister.

87] [87

Art. 37/28.

§ 1. In afwijking van artikel 37/20, § 5, kan een schoolbestuur volgende leerlingen toch inschrijven:

1° een anderstalige nieuwkomer in het gewoon onderwijs;

2° leerlingen die:

a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter;

b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school;

c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;

3° leerlingen die verblijven in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning;

4° leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, en slechts één van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit;

5° leerlingen van scholen, gelegen in een gemeente waar alle scholen de inschrijvingen laten voorafgaan door een aanmeldingsprocedure, wiens continuïteit van de schoolloopbaan niet gegarandeerd kan worden omwille van het feit dat de enige school van een schoolbestuur ophoudt te bestaan, waarbij dit niet kadert in een herstructurering, op voorwaarde dat alle leerlingen van de betrokken school een plaats in andere scholen aangeboden wordt;

6° leerlingen waarvoor de disfunctiecommissie, bepaald in artikel 37/16, § 2, toestemming heeft verleend voor een inschrijving in overcapaciteit.

§ 2. In afwijking van artikel 37/20, § 5, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven.

87]

[87Afdeling 3. Weigeren van inschrijvingen87]

[87

Art. 37/29.

§ 1. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een onderwijszoekende die niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 1.

Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar is mogelijk onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende op de dag van de effectieve instap aan de toelatingsvoorwaarden voldoet.

§ 2. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een leerling die in de loop van hetzelfde schooljaar van school verandert, als deze inschrijving tot doel heeft of er in de feiten toe leidt dat de betrokken leerling in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen zal gaan.

§ 3. Een schoolbestuur kan de inschrijving weigeren in een school waar de betrokken leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar definitief werd verwijderd, overeenkomstig artikel 32 en 33.

87] [87

Art. 37/30.

§ 1. Een schoolbestuur dat een leerling weigert, deelt haar beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen en bij aangetekend schrijven of tegen afgiftebewijs, mee aan de ouders van de leerling en aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Indien de school of vestigingsplaats gelegen is buiten het werkgebied van een LOP, meldt het schoolbestuur de weigering aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model van weigeringsdocument waarmee het schoolbestuur de weigering meedeelt aan de ouders en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

Het weigeringsdocument, vermeld in het eerste lid, bevat zowel de feitelijke als de juridische grond van de beslissing tot weigering en bevat de melding dat de ouders voor informatie of bemiddeling een beroep kunnen doen op een LOP of klacht kunnen indienen bij de CLR en de wijze waarop men met een van beide in contact kan treden.

Indien de weigering gebeurde op basis van bereikte capaciteit als vermeld in artikel 37/20 of op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandigheden als vermeld in artikel 37/14, deelt het schoolbestuur mee op welke plaats onder de geweigerde leerlingen, desgevallend in het betreffende contingent, de betrokken leerling staat in het inschrijvingsregister.

§ 3. De ouders krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.

87]

[87Afdeling 4. Bemiddelings- en klachtenprocedure87]

[87

Art. 37/31.

§ 1. Ouders en alle belanghebbenden kunnen vragen om bemiddeling door het LOP, zoals bepaald in artikel 37/32 of een klacht indienen bij de CLR, zoals bepaald in artikel 37/33, wanneer ze niet akkoord zijn met:

1° een weigering op basis van bereikte capaciteit als vermeld in artikel 37/20;

2° een weigering van inschrijving, op basis van de weigeringsgronden, vermeld in artikel 37/29;

3° een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school als vermeld in artikel 37/10;

4° een ontbinding van inschrijving van een leerling met specifieke onderwijsbehoeften als vermeld in artikel 37/11;

5° een weigering op basis van capaciteit, omwille van uitzonderlijke omstandig-heden als vermeld in artikel 37/14.

In geval van weigeringen, die niet behoren tot de weigeringen bepaald in punt 2°, 3° en 4°, door een school die eerder, conform artikel 37/12, besliste geen leerlingen te zullen weigeren, kunnen ouders van geweigerde leerlingen en eventueel andere belanghebbenden gezamenlijk een klacht indienen.

§ 2. Voor de toepassing van de bemiddelingsprocedure, vermeld in artikel 37/32, duidt de Vlaamse Regering per provincie, een LOP-deskundige en een onderwijsinspecteur aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen.

Voor de toepassing van de bemiddelingsprocedure, vermeld in artikel 37/32, en de klachtenprocedure, vermeld in artikel 37/33, bepaalt de Vlaamse Regering de nadere procedureregelen. Zij garandeert daarbij de hoorplicht.

87] [87

Art. 37/32.

§ 1. Het LOP start wanneer de ouders er uitdrukkelijk om verzoeken een bemiddeling in situaties als vermeld in artikel 37/31.

§ 2. Het LOP bemiddelt binnen een termijn van tien kalenderdagen, die ingaat op de dag na de betekening of afgifte van het weigeringsdocument tussen de leerling en zijn ouders en de schoolbesturen van de scholen binnen het werkingsgebied, met het oog op een definitieve inschrijving van de leerling in een school.

De bemiddeling schort de termijn op van dertig kalenderdagen voor de behandeling van klachten door de CLR als vermeld in artikel 37/33.

§ 3. Wanneer de bemiddeling van het LOP binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, niet resulteert in een definitieve inschrijving, wordt de CLR gevat om haar oordeel uit te spreken over de gegrondheid van de weigeringsbeslissing of de uitschrijving, conform artikel 37/33, § 2.

87] [87

Art. 37/33.

§ 1. Ouders en andere belanghebbenden kunnen in de situaties, vermeld in artikel 37/31, al dan niet na een bemiddelingsprocedure door het LOP als vermeld in artikel 37/32, een schriftelijke klacht indienen bij de CLR.

Klachten die na de termijn van dertig kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.

§ 2. De CLR oordeelt binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen, die ingaat de dag na die van betekening of van poststempel van de schriftelijke klacht, over de gegrondheid van de weigering of de uitschrijving.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.

§ 3. Indien de CLR de weigering, de ontbinding van een inschrijving of de uitschrijving gegrond acht, schrijven de ouders de leerling in een andere school in.

Indien het om een ontbinding van inschrijving van een leerling met specifieke onderwijsbehoeften gaat omwille van onredelijkheid van de aanpassingen, schrijven de ouders de leerling uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR in een andere school in.

Op vraag van de ouders worden zij bij het zoeken naar een andere school bijgestaan door het LOP, inzonderheid door de CLB's die deel uitmaken van dat LOP.

§ 4. Indien de CLR de weigering of de ontbinding van de inschrijving niet of niet afdoende gemotiveerd acht of de uitschrijving onterecht acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.

87] [87

Art. 37/34.

§ 1. De CLR kan, wanneer het een weigering of ontbinding van inschrijving onvoldoende gemotiveerd acht of een uitschrijving onterecht acht, de Vlaamse Regering adviseren een bedrag op de werkingsmiddelen van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had van de school terug te vorderen of in te houden.

De CLR stelt de Vlaamse Regering onverwijld in kennis van dit advies.

§ 2. Binnen een termijn van veertien kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het advies, beslist de Vlaamse Regering over het opleggen van een financiële sanctie die kan bestaan uit een terugvordering of inhouding op de werkingsmiddelen van de school.

Voorafgaandelijk aan het opleggen van een sanctie gaat de Vlaamse Regering na of de betrokken leerling alsnog in de betrokken school werd ingeschreven.

§ 3. De terugvordering of inhouding, vermeld in paragraaf 1 en 2:

1° kan niet meer bedragen dan tien procent van het werkingsbudget van de school;

2° kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou zijn getroffen.

§ 4. Onverminderd de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, kan de CLR het dossier aanhangig maken bij het orgaan dat in toepassing van artikel 33, § 2, van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap en in toepassing van artikel 40 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid het mandaat heeft van onafhankelijk mechanisme.

87]

[87Hoofdstuk IV/2. Recht op inschrijving in het buitengewoon onderwijs87]

[87Afdeling 1. Recht op inschrijving87]

[87

Art. 37/35.

§ 1. Elke leerling die beschikt over een verslag, zoals bepaald in artikel 15, of over een document opgemaakt door het CLB waaruit blijkt dat het handelingsgericht diagnostisch proces is doorlopen, heeft recht op inschrijving in de school of vestigingsplaats, gekozen door zijn ouders, onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende op de dag van de effectieve instap aan de toelatingsvoorwaarden voldoet voor het onderwijsaanbod in de betreffende vestigingsplaats.

§ 2. Voorafgaand aan een inschrijving biedt het schoolbestuur schriftelijk of via elektronische drager het pedagogisch project, vermeld in artikel 28, § 1, 2°, en 47, § 1, 1°, en het schoolreglement, vermeld in artikel 37, aan de ouders en de leerling aan en geeft hierbij, indien de ouders dit wensen, toelichting. Indien het schoolbestuur het pedagogisch project of het schoolreglement via elektronische drager ter beschikking stelt, vraagt het de ouders of ze een papieren versie wensen te ontvangen. De inschrijving wordt genomen na ondertekening voor akkoord van de ouders van dit pedagogisch project en dit schoolreglement

Bij elke wijziging van het pedagogisch project of het schoolreglement informeert het schoolbestuur de ouders schriftelijk of via elektronische drager over die wijziging en geeft hierbij, indien ouders dit wensen, toelichting. Ouders die erom verzoeken ontvangen steeds een papieren versie van het pedagogisch project of het schoolreglement. Ouders geven opnieuw schriftelijk akkoord. Indien de ouders zich met de wijziging niet akkoord verklaren, dan wordt aan de inschrijving van het kind een einde gesteld op 31 augustus van het lopende schooljaar.

Een wijziging van het pedagogisch project of schoolreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving.

§ 3. Een school registreert elke inschrijving binnen zeven kalenderdagen, en uiterlijk op de eerste dag van de effectieve lesbijwoning, in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming, met vermelding van:

1° het type waarvoor wordt ingeschreven;

2° de datum en het tijdstip van de inschrijving;

3° de datum van de voorziene start van de lesbijwoning.

87] [87

Art. 37/36.

§ 1. Behoudens de bij decreet of besluit bepaalde gevallen van uitschrijving, geldt een inschrijving van een leerling in een school voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school.

Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen heen, tenzij de leerling er niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet. De voortgang van het leerproces, waarbij een verandering van vestigingsplaats noodzakelijk is, kan niet worden gestuit.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, beëindigt de vaststelling van een recentere inschrijving voor hetzelfde schooljaar en hetzelfde type in een andere school voor buitengewoon onderwijs, via de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming, een eerdere inschrijving van rechtswege.

Een leerling die effectief schoolloopt in de school en van wie een recentere inschrijving voor het volgend schooljaar in een school voor buitengewoon onderwijs, voor hetzelfde type, wordt vastgesteld via de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming, wordt pas uitgeschreven vanaf 1 juli van het lopende schooljaar.

Wanneer de voorziene startdatum van de meest recente inschrijving verschilt van 1 september of de voorziene instapdatum voor kleuters van het jongste geboortejaar, wordt de leerling pas uitgeschreven vanaf de datum van de effectieve start van de lesbijwoning.

87]

[87Afdeling 2. Organisatie van de inschrijvingen87]

[87

Art. 37/37.

Een schoolbestuur beslist jaarlijks voor al zijn scholen voor buitengewoon basisonderwijs, of het voor het daaropvolgende schooljaar leerlingen moet kunnen weigeren op basis van capaciteit. Het schoolbestuur neemt deze beslissing, en bepaalt de betreffende capaciteit, voor een of meer van volgende niveaus:

a) per school;

b) per vestigingsplaats;

c) per niveau, al dan niet per vestigingsplaats;

d) per type, al dan niet per vestigingsplaats.

Voor de niveaus, vermeld in het eerste lid, waarvoor het schoolbestuur oordeelt alle verzoeken tot inschrijving te kunnen realiseren, zijn de bepalingen in artikel 37/38 van toepassing.

Voor de niveaus, vermeld in het eerste lid, waarvoor het schoolbestuur wenst te kunnen weigeren op basis van capaciteit als vermeld in artikel 37/39, en beroep wenst te doen op het platform voor het realiseren van een inschrijving van leerlingen na het bereiken van de capaciteit, zijn de bepalingen van artikel 37/39 tot en met 37/42 van toepassing.

87] [87

Art. 37/38.

§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt de startdatum voor de inschrijvingen.

Een schoolbestuur hanteert een inschrijvingsregister per onderdeel waarvoor het besliste geen leerlingen te zullen weigeren op basis van capaciteit, waarin het alle inschrijvingen chronologisch noteert.

De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.

§ 2. Het verloop van de inschrijvingen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

87] [87

Art. 37/39.

§ 1. Een schoolbestuur moet de inschrijvingen voor de niveaus, vermeld in artikel 37/37, eerste lid, waarvoor het besliste leerlingen te moeten kunnen weigeren omwille van capaciteit, laten voorafgaan door een aanmeldingsprocedure.

De Vlaamse Regering bepaalt de start- en einddatum van de aanmeldingsperiode.

§ 2. Het schoolbestuur meldt uiterlijk op 15 februari voor welke niveaus, zoals bepaald in artikel 37/37, het de inschrijvingen zal laten voorafgaan door een aanmeldingsprocedure aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

87] [87

Art. 37/40.

§ 1. Het schoolbestuur rangschikt de binnen de aanmeldingsperiode, zoals bepaald in artikel 37/39, aangemelde leerlingen, die behoren tot de volgende voorrangsgroepen bovenaan en respecteert daarbij onderstaande volgorde:

1° leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit als een reeds ingeschreven leerling;

2° leerlingen met een ouder die personeelslid is van de school of van de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen op basis van artikel 37/36, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen. Met personeelslid wordt bedoeld:

a) een personeelslid als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in de school;

b) een personeelslid dat via een arbeidsovereenkomst werd aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld wordt in de school;

3° voor scholen, gelegen in tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, en tot het aandeel van 65 procent van de capaciteit van het betreffende niveau, zoals bepaald in artikel 37/37, bereikt is, leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, zoals bepaald in artikel 37/58;

4° een schoolbestuur kan voor zijn scholen een maximum van 50 procent van de capaciteit van het betreffende niveau, zoals bepaald in artikel 37/39, § 2, voorrang verlenen aan leerlingen die - uiterlijk op het moment van de effectieve lesbijwoning - verblijven of gebruikmaken van dat internaat of semi-internaat. Met internaat of semi-internaat wordt bedoeld:

a) internaten, als bepaald in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016;

b) internaten met permanente openstelling als vermeld in hoofdstuk 6 van dezelfde codificatie;

c) semi-internaten, als bepaald in het koninklijk besluit van 21 augustus 1978 houdende organisatie van de semi-internaten in het buitengewoon onderwijs van de Staat en tot vaststelling van de personeelsnormen;

d) multifunctionele centra, als bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, voor wat de functies dagopvang, verblijf, diagnostiek of intensieve behandeling betreft.

Indien de capaciteit, vermeld in artikel 37/37, eerste lid, of artikel 37/41, § 4, reeds bereikt werd binnen bovenstaande voorrangsgroepen worden de leerlingen uit de betreffende voorrangsgroep, geordend op basis van de afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats.

Indien de capaciteit, vermeld in artikel 37/37, eerste lid, of artikel 37/41, § 4, bereikt werd binnen de overige aangemelde leerlingen, worden de betreffende leerlingen geordend op basis van de afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats.

§ 2. Wanneer meerdere scholen of vestigingsplaatsen samen aanmelden worden de aangemelde leerlingen toegewezen aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de ouders bij de aanmelding opgaven, waarbinnen de leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen. De leerling wordt verwijderd uit de lijst van aangemelde leerlingen in de lager gerangschikte scholen of vestigingsplaatsen op zijn voorkeurslijst.

De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen ter beschikking stellen voor gezamenlijke aanmeldingsprocedures.

87] [87

Art. 37/41.

§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt de datum waarop de resultaten van de aanmeldingsprocedure uiterlijk worden bekendgemaakt.

Aan de ouders wordt meegedeeld of de leerling gunstig of ongunstig gerangschikt is, op basis van de capaciteit, vermeld in artikel 37/37, eerste lid, of de verhoogde capaciteit, vermeld in artikel 37/41, § 4. Indien de leerling ongunstig gerangschikt is, deelt de school eveneens mee welke plaats de leerling inneemt op de lijst van ongunstig gerangschikte leerlingen.

De ouders van de gunstig gerangschikte leerlingen krijgen een melding over de school of vestigingsplaats waaraan de aangemelde leerling is toegewezen, met vermelding van de door de Vlaamse Regering bepaalde periode waarbinnen de ouders de aangemelde leerling kunnen inschrijven. Indien de ouders geen gebruikmaken van de mogelijkheid tot inschrijving binnen de daartoe door de Vlaamse Regering bepaalde periode, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.

§ 2. Het schoolbestuur noteert alle inschrijvingen van de gunstig gerangschikte leerlingen in het inschrijvingsregister, met vermelding van datum en tijdstip en het type waarvoor wordt ingeschreven.

Inschrijvingen voor eventueel resterende vrije plaatsen na de aanmeldingen, binnen de bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 37/37, eerste lid, of de verhoogde capaciteit, vermeld in artikel 37/41, § 4, worden in chronologische volgorde genoteerd in het inschrijvingsregister, met vermelding van datum en tijdstip van inschrijving, en het type waarvoor wordt ingeschreven en in voorkomend geval vermelding van de toewijzing van de leerling door het platform, vermeld in artikel 37/43/3, § 1.

§ 3. Plaatsen van gunstig gerangschikte leerlingen die zich in deze periode, vermeld in § 1, derde lid, niet zijn komen inschrijven, of wiens inschrijving door een inschrijving in een andere school voor buitengewoon onderwijs ongedaan gemaakt wordt, zoals bepaald in artikel 37/36, worden tot de door de Vlaamse Regering bepaalde datum toegekend aan de hoogst gerangschikte leerlingen van de lijst van niet-gunstig gerangschikte leerlingen.

Deze leerlingen behouden hun recht op inschrijving gedurende veertien kalenderdagen na de melding van de omzetting in een gunstige rangschikking.

§ 4. Het schoolbestuur kan de capaciteit, vermeld in artikel 37/37, eerste lid, verhogen tot de door de Vlaamse Regering bepaalde datum.

87] [87

Art. 37/42.

§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt de uiterlijke datum waarop het schoolbestuur aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap meldt welke leerlingen ongunstig gerangschikt zijn, op basis van de capaciteit, zoals bepaald in artikel 37/37, eerste lid, of de verhoogde capaciteit, zoals bepaald in artikel 37/41, § 4.

§ 2. Voor de niveaus, vermeld in artikel 37/37, eerste lid, waarvoor ongunstig geordende leerlingen werden gemeld aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in paragraaf 4, kunnen bijkomende inschrijvingen enkel gerealiseerd worden op vraag van, of mits goedkeuring van het platform, zoals bepaald in artikel 37/43/2. Het platform kan hierover afspraken maken.

Elke bijkomende vraag tot inschrijving voor een niveau waarvoor de capaciteit bereikt werd op het einde van deze inschrijvingsperiode, wordt in chronologische volgorde genoteerd in het inschrijvingsregister, en via het digitale weigeringsdocument gemeld aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in artikel 37/43/1.

87]

[87Afdeling 3. Weigeren87]

[87

Art. 37/43.

§ 1. Een schoolbestuur kan geen verzoek tot inschrijving weigeren, behoudens in volgende gevallen:

1° wanneer het gaat om een leerling die op het moment van de effectieve start van de lesbijwoning niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, zoals bepaald in hoofdstuk IV, afdeling 1, onderafdeling A, B en C;

2° wanneer het gaat om een leerling die in het lopende schooljaar definitief werd verwijderd uit de betrokken school, overeenkomstig artikel 32 en 33.

§ 2. Een schoolbestuur kan geen verzoeken tot inschrijving weigeren op basis van bereikte capaciteit, van leerlingen:

1° die terugkeren in het buitengewoon onderwijs die in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren in de school ingeschreven waren en die met toepassing van artikel 15 of 16, in een school voor gewoon onderwijs ingeschreven waren;

2° voor wie de school door het platformoverleg werd voorgesteld als passend alternatief, zoals bepaald in artikel 37/43/3.

§ 3. Een schoolbestuur kan, ook nadat de capaciteit overschreden werd, en nadat reeds beroep werd gedaan op het platform voor geweigerde leerlingen, alsnog leerlingen inschrijven die:

a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter;

b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school;

c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;

d) behoren tot de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/39, § 3, a) en b).

87] [87

Art. 37/43/1.

Het schoolbestuur meldt, in geval van een weigering van het verzoek tot inschrijving als vermeld in artikel 37/42, § 1, 1° en 2°, of op basis van bereikte capaciteit, de weigering binnen de zeven kalenderdagen aan de ouders en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

Het schoolbestuur meldt, in geval van een definitieve uitsluiting van een leerling als vermeld in artikel 32 en 33, de definitieve uitsluiting binnen de zeven kalenderdagen aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

De Vlaamse Regering bepaalt het digitale model van het weigeringsdocument.

87] [87

Art. 37/43/2.

§ 1. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap roepen, op basis van de informatie in de digitale melding van weigering, of in geval van een definitieve uitsluiting van een leerling als vermeld in artikel 32, § 3, en artikel 33, alle relevante actoren samen voor een platformoverleg.

§ 2. Voor het platformoverleg worden uitgenodigd:

1° de schoolbesturen van alle scholen uit de regio met een aanbod voor het betreffende type;

2° afgevaardigden van het CLB dat de betreffende leerling tot op dat moment begeleid heeft, en van het CLB van de school voor buitengewoon onderwijs die het verzoek tot inschrijving weigerde;

3° de ouders of hun eventuele vertegenwoordiger, en waar mogelijk de leerling;

4° vertegenwoordigers van organisaties die schoolexterne begeleidingsmogelijkheden bieden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, of verblijfmogelijkheden voorzien, wanneer het weigeringsdocument een vraag naar deze begeleiding of verblijfsmogelijkheid bevat.

Leden die uitgenodigd worden voor het platformoverleg kunnen zich laten bijstaan door externe deskundigen die de leerling, waarvoor het platform een passend alternatief zoekt, begeleiden.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten inzake de werking van het platform.

87] [87

Art. 37/43/3.

§ 1. Het platformoverleg formuleert, binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de weigering of definitieve uitsluiting van de leerling, een passend alternatief voor de leerling die geweigerd of definitief uitgesloten werd, aan de ouders.

Het passend alternatief bestaat uit een voorstel tot inschrijving in één of meerdere scholen. Het platformoverleg houdt daarbij rekening met de vrije schoolkeuze, het onderwijsaanbod, de afstand tussen de woon- of verblijfplaats van de leerling en de school, de vraag van de ouder naar leerlingenvervoer, in voorkomend geval het behoren tot de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/40, § 1, en desgevallend de nood aan schoolexterne begeleidingsmogelijkheden of verblijfmogelijkheden voor kinderen met bijkomende zorgbehoeften.

Het passend alternatief kan ook bestaan uit de beslissing om alsnog in te schrijven in de school waarin de inschrijving initieel niet gerealiseerd werd.

Indien de leerling geweigerd werd in een school, waarnaar de leerling recht op leerlingenvervoer genoot, en de ouders vragen om leerlingenvervoer, dient het platform de regels met betrekking tot het recht op leerlingenvervoer te respecteren bij het zoeken naar een passend alternatief. Het platform kan enkel een gemotiveerde afwijking toestaan op het recht op leerlingenvervoer naar de school of vestigingsplaats die voorgesteld wordt als passend alternatief, op voorwaarde dat het passend alternatief zich bevindt binnen redelijke afstand.

§ 2. Ouders beslissen binnen de zeven kalenderdagen of ze al dan niet ingaan op het passend alternatief dat wordt voorgesteld door het platformoverleg. Indien de ouders akkoord gaan met de voorgestelde school, schrijven ze hun kind er binnen die termijn van zeven kalenderdagen in.

Indien de ouders de inschrijving niet bevestigen binnen de zeven kalenderdagen, of indien de ouders een inschrijving realiseren in een andere school, vervalt de verplichting van het platformoverleg om een plaats te garanderen voor de betreffende leerling.

87] [87

Art. 37/43/4.

§ 1. Ouders en andere belanghebbenden kunnen naar aanleiding van een weigering, of wanneer ze niet akkoord gaan met het door het platform voorgesteld passend alternatief, een schriftelijke klacht indienen bij de CLR. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling, bevoegdheden en de werkingsprincipes van deze commissie voor deze klachten.

§ 2. Klachten die worden ingediend na de termijn van zeven kalenderdagen na het ontvangen van de weigering of nadat het passend alternatief aan de ouders werd gecommuniceerd, zijn onontvankelijk.

§ 3. Een klacht bij de CLR schort de termijn van zeven kalenderdagen, waarbinnen ouders de inschrijving in de school die door het platform wordt voorgesteld als passend alternatief, zoals bepaald in artikel 37/43/3, § 1, moeten bevestigen.

§ 4. De CLR oordeelt binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen, die ingaat de dag na die van betekening of van poststempel van de schriftelijke klacht, over de gegrondheid van de weigering.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.

§ 5. Indien de CLR de klacht gegrond acht, wordt het platform opnieuw bevoegd voor het formuleren van een passend alternatief.

Indien de CLR de klacht ongegrond acht, schrijft de leerling zich alsnog in, in de door het platform voorgestelde school, binnen de termijn van zeven kalenderdagen.

87]

[87Hoofdstuk IV/3. [87...87] 87]

[87Afdeling 1. Recht op inschrijving87]

[87

Art. 37/44.

De gezamenlijke doelstellingen van het inschrijvingsrecht, als instrument van het beleid op gelijke onderwijskansen, zijn:

1° het waarborgen van de vrije schoolkeuze van alle ouders en leerlingen;

2° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen en dit voor het basisonderwijs, voor zover mogelijk, in een school in hun buurt;

3° het bevorderen van sociale mix en cohesie;

4° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie;

5° de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalige karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

87] [87

Art. 37/45.

§ 1. Elke leerling heeft recht op inschrijving in de school of een vestigingsplaats, gekozen door zijn ouders. Is de leerling 12 jaar of ouder, dan gebeurt de schoolkeuze in samenspraak met de leerling. Bij de keuze van een vestigingsplaats wordt rekening gehouden met het onderwijsaanbod in de betreffende vestigingsplaats.

§ 2. Voorafgaand aan een inschrijving biedt het schoolbestuur schriftelijk of via elektronische drager het pedagogisch project, vermeld in artikel 28, § 1, 2°, en 47, § 1, 1°, en het schoolreglement, vermeld in artikel 37, aan de ouders en de leerling aan en geeft hierbij, indien de ouders dit wensen, toelichting. Indien het schoolbestuur het pedagogisch project of het schoolreglement via elektronische drager ter beschikking stelt, vraagt het de ouders of ze een papieren versie wensen te ontvangen.

De inschrijving wordt genomen op het moment van ondertekening voor akkoord van de ouders van dit pedagogisch project en dit schoolreglement.

Bij elke wijziging van het pedagogisch project of het schoolreglement informeert het schoolbestuur de ouders schriftelijk of via elektronische drager over die wijziging en geeft hierbij, indien ouders dit wensen, toelichting. Ouders geven opnieuw schriftelijk akkoord. Ouders die erom verzoeken ontvangen steeds een papieren versie van het pedagogisch project of het schoolreglement. Indien de ouders zich met de wijziging niet akkoord verklaren, dan wordt aan de inschrijving van het kind een einde gesteld op 31 augustus van het lopende schooljaar.

Een wijziging van het pedagogisch project of schoolreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving.

§ 3. De inschrijvingen voor de kleuters, die tijdens een bepaald schooljaar wel twee jaar en zes maanden worden maar op de laatste instapdatum van dat schooljaar niet meer kunnen instappen, starten op dezelfde dag als de inschrijvingen voor de andere kleuters van hetzelfde geboortejaar.

§ 4. Een school registreert elke inschrijving binnen zeven kalenderdagen, en uiterlijk op de eerste dag van de effectieve lesbijwoning, in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming, met vermelding van:

1° de datum en het tijdstip van de inschrijving;

2° de datum van de voorziene start van de lesbijwoning.

87] [87

Art. 37/46.

§ 1. Behoudens de bij decreet bepaalde gevallen van uitschrijving, zoals bepaald in artikel 32, § 3, artikel 37/45, § 2, derde lid, artikel 37/47 en artikel 37/48, § 3, geldt een inschrijving van een leerling in een school voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school.

Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen heen, tenzij de capaciteit van de vestigingsplaats is of wordt overschreden of de leerling er niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet. De voortgang van het leerproces, waarbij een verandering van vestigingsplaats noodzakelijk is, kan niet worden gestuit.

Het behoud van inschrijving kan, als de vestigingsplaats of het niveau in de vestigingsplaats(en) van de leerling betrokken is bij een herstructurering en verdwijnt uit de school, ook gegarandeerd worden in een andere school betrokken bij de herstructurering of in een andere school van hetzelfde schoolbestuur, gelegen op een billijke afstand. Het behoud van inschrijving wordt, als de school van de leerling betrokken is bij een fusie, gegarandeerd in de fusieschool of in een andere school van hetzelfde schoolbestuur gelegen op een billijke afstand. In voorkomende situaties informeert het schoolbestuur de betrokken ouders.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kunnen schoolbesturen van basisscholen waarvan de capaciteit van het kleuteronderwijs groter is dan die van het lager onderwijs, opteren voor een nieuwe inschrijving bij de overgang tussen beide onderwijsniveaus. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.

§ 3. Indien zijn betrokken scholen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan een schoolbestuur ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van een autonome kleuterschool naar een lagere of basisschool de inschrijvingen van de ene naar de andere school te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.

§ 4. Indien zijn betrokken scholen of vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan een schoolbestuur ervoor opteren om de desbetreffende scholen of vestigingsplaatsen als één geheel te beschouwen en één capaciteit te bepalen voor de verschillende scholen of vestigingsplaatsen, gelegen binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden door hetzij maximaal twee kadastrale percelen, hetzij door een weg, samen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheden gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.

87] [87

Art. 37/47.

De vaststelling van een recentere inschrijving voor hetzelfde schooljaar in een andere school voor gewoon onderwijs, via de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming, beëindigt een eerdere inschrijving van rechtswege.

Een leerling die reeds in de eigen school schoolloopt en van wie een recentere inschrijving voor het volgend schooljaar in een andere school voor gewoon onderwijs wordt vastgesteld via de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van leerlingengegevens tussen scholen en het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming, wordt pas uitgeschreven in de school waar de leerling schoolloopt vanaf 1 juli van het lopende schooljaar.

Wanneer de voorziene startdatum van de meest recente inschrijving verschilt van de eerste schooldag van september of de voorziene instapdatum voor kleuters van het jongste geboortejaar, wordt de leerling pas uitgeschreven vanaf de datum van de effectieve start van de lesbijwoning.

87] [87

Art. 37/48.

§ 1. Het recht op inschrijving, vermeld in artikel 37bis, § 1, geldt onverkort voor leerlingen die het gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad.

§ 2. Leerlingen die beschikken over een verslag als vermeld in artikel 15 worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Dit verslag maakt deel uit van de informatie die ouders bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Het ter beschikking stellen van het verslag door de ouders gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, binnen een redelijke termijn na de inschrijving over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum. Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennisneemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.

Op basis van het overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het eerste lid, beslist de school binnen een redelijke termijn en uiterlijk zestig kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn.

Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in het gemeenschappelijk curriculum, proportioneel acht, heft het CLB het verslag op of maakt het een gemotiveerd verslag op. Als de school na het overleg de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in het gemeenschappelijk curriculum of studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, disproportioneel acht, wordt de inschrijving ontbonden op het moment dat die leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk een maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit.

§ 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag als vermeld in artikel 15 nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.

§ 4. Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs dat opgemaakt werd in het kader van het geïntegreerd onderwijs, die van school veranderen binnen het gewoon basisonderwijs, geldt een onverkort recht op inschrijving.

Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs dat opgemaakt werd met het oog op de toegang tot of de inschrijving in het buitengewoon onderwijs, of met het oog op een individueel aangepast curriculum in het gewoon onderwijs, die van school veranderen binnen het gewoon basisonderwijs of die overgaan van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs, geldt een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.

87]

[87Afdeling 2. Organisatie van de inschrijvingen87]

[87

Art. 37/49.

De Vlaamse Regering kan, wanneer er een capaciteitsprobleem dreigt of heerst doordat de vragen tot inschrijving de door de schoolbesturen bepaalde capaciteit benaderen of overschrijden, waardoor het recht op inschrijving, vermeld in artikel 37/45, niet meer kan worden gegarandeerd, een schoolbestuur of meerdere schoolbesturen samen verplichten tot het organiseren van een gezamenlijke aanmeldingsprocedure voor hun scholen.

De verplichting tot een gezamenlijke aanmeldingsprocedure geldt in ieder geval voor alle schoolbesturen die een school hebben binnen het werkingsgebied van het LOP Brussel-Hoofdstad, voor hun scholen voor gewoon onderwijs binnen dat respectievelijke werkingsgebied.

87] [87

Art. 37/50.

Aanmelden is het digitaal kenbaar maken door ouders van een intentie tot inschrijven voor een bepaald schooljaar in één of meerdere scholen of vestigingsplaatsen voor de daartoe door het schoolbestuur beschikbaar gestelde plaatsen. Als de betrokken leerling voor meerdere scholen of vestigingsplaatsen wordt aangemeld, wordt een volgorde van keuze aangegeven.

Na afsluiten van de aanmeldingsperiode worden de aangemelde leerlingen geordend, conform artikel 37/59, 37/60 en 37/61, en in voorkomend geval, volgens artikel 37/57. De leerlingen die gunstig geordend worden, zijnde binnen de door het schoolbestuur bepaalde capaciteit, verwerven een recht op inschrijving voor een beschikbaar gestelde plaats. Binnen gezamenlijke aanmeldingsprocedures wordt slechts één gunstige ordening weerhouden, zijnde de gunstige ordening in de school van hoogste keuze van de betreffende leerling. Leerlingen die niet gunstig geordend worden, worden in de volgorde zoals in het aanmeldingsregister, opgenomen als geweigerde leerlingen in het inschrijvingsregister.

87] [87

Art. 37/51.

§ 1. Een schoolbestuur meldt uiterlijk op 15 november van het voorafgaande schooljaar, via het daartoe ontwikkelde formulier, aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap:

1° voor welke scholen en vestigingsplaatsen, en eventueel geboortejaren of leerjaren per school of per vestigingsplaats, het leerlingen uit de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/57, wil kunnen weigeren;

2° welk standaarddossier als vermeld in artikel 37/53, het zal hanteren bij de organisatie van de aanmeldingsprocedure, of van welk standaarddossier het schoolbestuur of het LOP wenst af te wijken. Een standaarddossier is een dossier waarin de verschillende stappen van een aanmeldingsprocedure concreet worden uitgewerkt.

De Vlaamse Regering bepaalt het model van ieder standaarddossier en het formulier voor de meldingen, vermeld in het eerste lid.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model van ieder standaarddossier en het formulier voor de meldingen, vermeld in paragraaf 1.

§ 3. Elk schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen, of het LOP, dat de inschrijvingen laat voorafgaan door een aanmeldingsprocedure richt een commissie op die instaat voor de eerstelijnsbehandeling van disfuncties en klachten betreffende de aanmeldingsprocedure. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere bepalingen betreffende de samenstelling en opdracht van de disfunctiecommissie.

87] [87

Art. 37/52.

§ 1. Voor aanmeldende scholen, gelegen in het werkingsgebied van een LOP, moet de aanmeldingsprocedure bij dubbele meerderheid door het LOP zijn goedgekeurd.

De dubbele meerderheid is bereikt wanneer de goedkeuring verleend wordt door, enerzijds meer dan de helft van de participanten, bedoeld in artikel VI.4, § 1, 1°, 2° en 3°, en anderzijds, meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel VI.4, § 1, 4° tot en met 12°, telkens van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs.

Voor scholen die, conform artikel 37/1, § 2, en mits goedkeuring van LOP Brussel, aansluiten bij de aanmeldingsprocedure van LOP Brussel, blijven de respectieve ordeningscriteria, vermeld in artikel 37/22, artikel 37/23 en artikel 37/24 onverminderd gelden.

§ 2. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen voorzien ter ondersteuning van het instellen van een aanmeldingsprocedure en bepaalt hiervoor de nadere modaliteiten.

87] [87

Art. 37/53.

Uiterlijk op 15 november van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, legt een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP, wanneer ze wensen af te wijken van een standaarddossier, de betreffende afwijkingen voor aan de CLR.

De CLR toetst de afwijkingen van een standaarddossier aan de bepalingen, vermeld in afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk, en aan de doelstellingen, vermeld in artikel 37/44, en neemt hierover een besluit, uiterlijk twee maanden na de indiening, en in ieder geval voor 24 december.

87] [87

Art. 37/54.

§ 1. Bij een negatief besluit van de CLR over de afwijkingen van een standaarddossier kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, een van volgende initiatieven nemen:

1° aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap melden de aanmeldingen te zullen organiseren conform een standaarddossier;

2° aangepaste afwijkingen indienen bij de CLR. In dat geval toetst de CLR de aangepaste afwijkingen aan de doelstellingen, vermeld in artikel 37/44, en de bepalingen van afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk en neemt het een besluit, uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan;

3° het voorstel van afwijkingen van het standaarddossier, vermeld in artikel 37/51, voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel aan de doelstellingen, vermeld in artikel 37/44, en de bepalingen van afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk. De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelingen inzake het verloop van de procedure.

§ 2. Bij een negatief besluit van de CLR over de overeenkomstig paragraaf 1, 2°, voorgelegde aangepaste afwijkingen van een standaarddossier, kan het betrokken schoolbestuur, meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP beslissen de aanmeldingsprocedure te organiseren volgens een standaarddossier, of uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit het aangepast voorstel van afwijkingen van een standaarddossier, vermeld in artikel 37/51, voorleggen aan de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering toetst de voorgestelde afwijkingen van het standaarddossier aan de doelstellingen uit artikel 37/44 en de bepalingen van afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk, en neemt een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelingen inzake het verloop van de procedure.

§ 3. Bij een negatief besluit van de Vlaamse Regering over het overeenkomstig paragraaf 1, 3°, voorgelegde voorstel van afwijkingen van een standaarddossier, vermeld in artikel 37/51, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP beslissen de aanmeldingsprocedure organiseren volgens een standaarddossier, of uiterlijk tien kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit, en eenmalig, een aangepast voorstel van afwijkingen van een standaarddossier voorleggen aan de CLR. In dat geval toetst de CLR het aangepast voorstel aan de doelstellingen, vermeld in artikel 37/44, en de bepalingen van afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk.

De CLR neemt over het voorstel van afwijkingen van een standaarddossier een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

87] [87

Art. 37/55

§ 1. Een schoolbestuur bepaalt uiterlijk op 15 februari van het voorafgaande schooljaar voor elke school en vestigingsplaats, en eventueel geboortejaar of leerjaar per school of per vestigingsplaats, waarvoor het de inschrijvingen organiseert via een aanmeldingsprocedure, een capaciteit. Dit is het totaal aantal leerlingen dat het schoolbestuur voor de betreffende scholen, vestigingsplaatsen, en eventueel geboortejaar of leerjaar per school of per vestigingsplaats, als het maximaal aantal leerlingen ziet.

§ 2. Daarnaast maakt het schoolbestuur de resterende vrije plaatsen, zijnde het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, desgevallend per contingent als vermeld in artikel 37/60, minstens bekend op volgende momenten:

1° voor de start van de inschrijvingen of, in voorkomend geval, de aanmeldingen van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/55, §§ 2 en 3;

2° voor de start van de aanmeldingsperiode, zoals bepaald in artikel 37/56;

3° voor de start van de vrije inschrijvingsperiode, vermeld in artikel 37/63.

Het schoolbestuur bepaalt en communiceert de resterende vrije plaatsen minstens aan het LOP.

§ 3. Een schoolbestuur kan de capaciteit verhogen na de start van de inschrijvingen, mits toepassing van de volgens artikel 37/60 te bepalen contingenten.

De capaciteitsverhoging moet door het LOP zijn goedgekeurd.

§ 4. Een schoolbestuur weigert elke bijkomende inschrijving wanneer de capaciteit, vermeld in paragraaf 1, overschreden wordt en als een bijkomende inschrijving na de start van de inschrijvingen voor volgend schooljaar er toe zou leiden dat de capaciteit voor dat volgende schooljaar overschreden zou worden.

§ 5. Een schoolbestuur kan anderstalige nieuwkomers, als bedoeld in artikel 3, 4° quater, weigeren, wanneer het aantal anderstalige nieuwkomers in de betreffende vestigingsplaats minstens vier bedraagt in vestigingsplaatsen tot en met een capaciteit van 100, en minstens acht bedraagt in vestigingsplaatsen met een capaciteit hoger dan 100, op voorwaarde dat de geweigerde anderstalige nieuwkomers een plaats gegarandeerd wordt binnen een school, gelegen op een redelijke afstand en rekening houdend met de vrije keuze van de ouders.

Schoolbesturen maken hierover afspraken binnen het LOP.

87] [87

Art. 37/56.

§ 1. Elk schoolbestuur respecteert de volgende door de Vlaamse Regering bepaalde periodes en data:

1° de start- en de einddatum van de aanmeldingsperiode voor een bepaald schooljaar;

2° de datum waarop de resultaten van de aanmeldingsprocedure uiterlijk worden bekendgemaakt aan ouders;

3° de inschrijvingsperiode voor de gunstig gerangschikte leerlingen;

4° de startdatum van de vrije inschrijvingsperiode, zijnde de periode voor de inschrijvingen voor de eventuele resterende vrije plaatsen.

§ 2. Voorafgaand aan en tijdens de aanmeldingsperiode voor het volgende schooljaar kunnen geen inschrijvingen voor het volgende schooljaar gebeuren.

Voorafgaand aan de aanmeldingsperiode kunnen er inschrijvingen gebeuren voor het huidige schooljaar. Tijdens de aanmeldingsperiode kan een inschrijving voor het huidige schooljaar gebeuren, op voorwaarde dat:

1° op het moment van de vraag tot inschrijving er nog een vrije plaats is;

2° de inschrijving gemeld wordt aan het LOP;

3° alle leerlingen die gunstig gerangschikt werden tijdens de aanmeldingsperiode ook effectief worden ingeschreven.

87] [87

Art. 37/57.

§ 1. Leerlingen uit de voorrangsgroepen, vermeld in paragraaf 2 en 3, worden bij voorrang ingeschreven. Een schoolbestuur bepaalt en communiceert aan alle belanghebbenden de periode of desgewenst periodes waarbinnen en de wijze waarop de leerlingen, behorend tot deze voorrangsgroepen, hun vraag tot inschrijving dienen bekend te maken. Deze periode start ten vroegste vanaf de eerste schooldag van september van het voorafgaande schooljaar.

[87...87]

Een schoolbestuur dat besliste leerlingen uit de voorrangsgroepen, vermeld in paragraaf 2 en 3, te willen kunnen weigeren, respecteert bij de inschrijving van deze voorrangsgroepen volgende regels:

1° het communiceert aan alle belanghebbenden de periode waarbinnen en de wijze waarop de leerlingen, behorend tot deze voorrangsgroepen, hun vraag tot inschrijving dienen bekend te maken;

2° ordent deze leerlingen, zoals bepaald in paragraaf 4;

3° wijst de leerlingen die gunstig geordend zijn, zijnde binnen de door het schoolbestuur bepaalde capaciteit, toe, en noteert de niet-gunstig geordende leerlingen, in de volgorde zoals bepaald in paragraaf 4 op de weigeringslijst.

Scholen respecteren de afspraken binnen het LOP over de organisatie van de inschrijvingen van de voorrangsgroepen, vermeld in paragraaf 2 en 3.

§ 2. Elke leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling, heeft bij voorrang op alle andere leerlingen, recht op inschrijving in de betrokken school of de betrokken scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, op basis van artikel 37/46.

§ 3. Na de leerlingen, vermeld in paragraaf 2, geeft een schoolbestuur voor zijn scholen voorrang aan kinderen met een ouder die personeelslid is van de school of van de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen op basis van artikel 37/46, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen.

Met personeelslid wordt bedoeld:

1° een personeelslid als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in de school;

2° een personeelslid dat via een arbeidsovereenkomst werd aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld wordt in de school.

§ 4. Een schoolbestuur dat beslist leerlingen uit de voorrangsgroepen, vermeld in paragrafen 2 en 3, te willen kunnen weigeren op basis van capaciteit, ordent de leerlingen uit de voorrangsgroepen in deze volgorde:

1° leerlingen die behoren tot beide voorrangsgroepen;

2° leerlingen die behoren tot de voorrangsgroep, vermeld in paragraaf 2;

3° leerlingen die behoren tot de voorrangsgroep, vermeld in paragraaf 3.

Indien de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 37/55, reeds bereikt wordt binnen de leerlingengroep, bedoeld in punt 1°, 2° of 3°, worden de leerlingen binnen die betreffende leerlingengroep, geordend volgens het ordeningscriterium of de combinatie van ordeningscriteria, en met toepassing van artikel 37/60, vermeld in het door het schoolbestuur onderschreven standaarddossier of de door de CLR goedgekeurde afwijkingen op het standaarddossier, vermeld in artikel 37/53.

87] [87

Art. 37/58.

§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 37/59, geven schoolbesturen voor hun scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voorrang aan leerlingen met minstens één ouder als vermeld in artikel 3, 41°, die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

§ 2. Om van de voorrangsregeling, vermeld in paragraaf 1, gebruik te kunnen maken, toont de ouder op één van volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is:

1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;

2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;

3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst minstens op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken:

a) een studiebewijs van door de Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;

4° door het voorleggen van het bewijs dat hij 9 jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager én secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.

§ 3. Schoolbesturen bepalen voor hun scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, het aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder als vermeld in artikel 3, 41°, die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

Dit aantal moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 65% leerlingen in de school met minstens één ouder als vermeld in artikel 3, 41°, die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, zal door een schoolbestuur bepaald worden voor elke overeenkomstig artikel 37/55, § 1, door het schoolbestuur bepaalde capaciteit.

Het LOP maakt de bepaalde aantallen bekend aan alle belanghebbenden.

Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands, mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1.

§ 4. Leerlingen die naast de voorwaarde, vermeld in paragraaf 2, ook beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 37/60, tellen niet mee voor het bereiken van het in paragraaf 3 vermelde aantal. Deze leerlingen worden ingeschreven tot het contingent voor de leerlingen die beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 37/60, § 3, bereikt is.

87] [87

Art. 37/59.

§ 1. Op het einde van de door de Vlaamse Regering bepaalde aanmeldingsperiode ordent het schoolbestuur of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen het LOP voor elk van zijn scholen alle aangemelde leerlingen, en met respect voor de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/58 en artikel 37/60, aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria:

a) afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats;

b) afstand van het werkadres van één van beide ouders tot de school of vestigingsplaats;

c) toeval. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met minstens ordeningscriterium a), b) of d);

d) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met minstens ordeningscriterium a), b) of c).

Het schoolbestuur, de schoolbesturen samen of het LOP hanteren bij het ordenen van de aangemelde leerlingen het ordeningscriterium of de combinatie van ordeningscriteria uit het door hen onderschreven standaarddossier of de eventuele afwijkingen daarop, zoals goedgekeurd door de CLR, en met toepassing van artikel 37/60.

§ 2. [87...87]

§ 3. Indien de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in artikel 37/55, reeds bereikt wordt binnen de leerlingengroep, bedoeld in paragraaf 2, 1°, 2°, 3° of 4°, worden de leerlingen binnen die betreffende leerlingengroep, geordend volgens het ordeningscriterium of de combinatie van ordeningscriteria, vermeld in het door het schoolbestuur onderschreven standaarddossier of de door de CLR goedgekeurde afwijkingen op het standaarddossier, vermeld in artikel 37/53, en met toepassing van artikel 37/60.

87] [87

Art. 37/60.

§ 1. Een schoolbestuur bepaalt minstens voor de kleuters, geboren in de twee meest recente kalenderjaren waarvoor inschrijvingen voor het betrokken schooljaar mogelijk zijn, en voor het eerste jaar van het lager onderwijs van al zijn scholen of vestigingsplaatsen waarvoor het de inschrijvingen organiseert via een aanmeldingsprocedure, twee contingenten die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer indicatoren ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.

Indien de school geen capaciteit bepaalt voor de twee meest recente kalenderjaren waarvoor inschrijvingen voor het betrokken schooljaar mogelijk zijn en voor het eerste jaar van het lager onderwijs moeten de contingenten bepaald worden op niveau van het kleuteronderwijs en het lager onderwijs.

De vooropgestelde contingenten zijn gericht op het verkrijgen van een evenredige verdeling van de leerlingen vermeld in het eerste en het tweede lid in de scholen in het werkingsgebied van het LOP. De twee contingenten samen vormen 100 procent.

De contingenten, en de vrije plaatsen per contingent, worden voor de start van de aanmeldingsperiode door het schoolbestuur bekendgemaakt aan alle belanghebbenden.

De reeds ingeschreven leerlingen en leerlingen uit de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 37/57, worden op basis van het voldoen aan één of meer of op basis van het niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in hun respectieve contingent.

De aangemelde leerlingen worden op basis van het voldoen aan één of meer van de indicatoren of op basis van het voldoen aan geen van de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in respectievelijk het contingent indicatorleerlingen of niet-indicatorleerlingen, zolang het contingent niet bereikt is.

Indien bij het ordenen van de aangemelde leerlingen, na afsluiten van de aanmeldingsperiode, de capaciteit binnen een van beide contingenten niet bereikt is, worden de openstaande plaatsen opgevuld met de, conform de bepalingen in artikel 37/59, hoogst gerangschikte leerlingen op de lijst van de ongunstig gerangschikte leerlingen uit het andere contingent.

§ 2. Het LOP maakt voor de start van de inschrijvingen afspraken over:

1° de berekening van de relatieve aanwezigheid in het werkingsgebied of deelgebieden ervan, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen het werkingsgebied of deelgebieden ervan, eventueel tot op de niveaus, vermeld in artikel 37/55;

2° de berekening van de relatieve aanwezigheid in vestigingsplaatsen en scholen, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen in de vestigingsplaatsen en scholen en dit eventueel tot op de niveaus, vermeld in artikel 37/55;

3° de niveaus, vermeld in artikel 37/55, van de school waarop de contingenten bepaald zullen worden en de verschillen die er eventueel tussen de verschillende deelgebieden gemaakt worden;

4° de wijze waarop de contingenten bepaald zullen worden;

5° de wijze waarop enerzijds andere actoren betrokken zullen worden bij de werving, toeleiding en ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van scholen zal gebeuren.

Als een schoolbestuur erom vraagt, stellen de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap gegevens over het al dan niet voldoen aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van elk van zijn leerlingen ter beschikking van dat schoolbestuur. Daarnaast stellen de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, in voorkomend geval, gegevens ter beschikking van het LOP over het al dan niet voldoen aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van de leerlingen van de scholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP. Deze gegevens zijn afkomstig van de meest recente jaarlijkse centraal georganiseerde telling.

§ 3. De indeling van de aangemelde leerlingen in een van beide contingenten gebeurt op basis van volgende indicatoren:

1° het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen.

Voor het schooljaar 2020-2021 komen eveneens in aanmerking voor voorrang: de leefeenheid, vermeld in artikel 5, 21°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, heeft in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen;

2° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.

§ 4. [87...87]

87] [87

Art. 37/61.

§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 37/55 bepaalde capaciteit betrokken bij de aanmeldingsprocedure, een aanmeldingsregister.

[87...87]

§ 2. Voor aanmeldingsprocedures voor meerdere scholen en vestigingsplaatsen geldt dat het schoolbestuur of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen het LOP, de aangemelde leerling toewijst aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de ouders bij de aanmelding opgaven en waarvoor de leerling gunstig geordend is.

[87...87]

Het innemen van vrijgekomen plaatsen in het aanmeldingsregister wordt herhaald totdat geen toewijzingen als vermeld in het eerste lid meer mogelijk zijn. Daarna worden de niet-toegewezen leerlingen geordend volgens de ordeningscriteria, zoals opgenomen in het onderschreven standaarddossier, of in de door de CLR goedgekeurde afwijkingen daarop.

§ 3. De ouders krijgen uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum schriftelijk of via elektronische drager melding over de school of vestigingsplaats waaraan de aangemelde leerling is toegewezen, met vermelding van de door de Vlaamse Regering bepaalde periode waarbinnen de ouders de aangemelde leerling kunnen inschrijven. Indien de ouders geen gebruikmaken van de mogelijkheid tot inschrijving binnen de daartoe door de Vlaamse Regering bepaalde periode, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.

Aan de ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de ouders een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats, de aangemelde leerling heeft ingenomen.

Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan de door de ouders opgegeven ordeningscriteria of indicatoren die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van disfuncties en eerstelijnsklachten, vermeld in artikel 37/51, § 3, leidt tot een andere beslissing.

Wanneer een via de aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerdere inschrijving beëindigen.

§ 4. Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de ouders uiterlijk op de door de Vlaamse Regering bepaalde datum, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats.

Aan de ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de ouders hadden gekozen, de aangemelde leerling heeft ingenomen.

§ 5. Een niet-gunstige rangschikking wordt gelijkgesteld met een weigering op basis van bereikte capaciteit, overeenkomstig artikel 37/55. Binnen het werkingsgebied van het LOP kan het uitreiken van de weigeringsdocumenten gemandateerd worden aan het LOP.

87] [87

Art. 37/62.

§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke door het schoolbestuur bepaalde capaciteit een inschrijvingsregister waarin het alle inschrijvingen en weigeringen chronologisch, in voorkomend geval per contingent, noteert.

[87...87]

§ 2. Met uitzondering van leerlingen die werden ingeschreven in overcapaciteit, zoals bepaald in artikel 37/64, wordt bij het invullen van vrijgekomen plaatsen of bijkomende plaatsen door verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 37/55, met respect voor de volgorde van de voorrangsgroepen en, wat de leerlingen, vermeld in artikel 37/58 en artikel 37/60 betreft, met het oog op het bereiken van hun respectievelijke aandeel, vermeld in artikel 37/58, § 3, tweede lid, en artikel 37/60, § 2, gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Voor kleuters geboren in het meest recente kalenderjaar dat mogelijk is voor de inschrijvingen van het betrokken schooljaar, wordt deze volgorde gerespecteerd tot en met 30 juni van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had. Uiterlijk vanaf 1 juli geldt de volgorde van de weigeringen van kleuters van hetzelfde geboortejaar voor het volgende schooljaar.

Ouders van leerlingen die alsnog een plaats wordt toegewezen krijgen daar binnen de zeven kalenderdagen schriftelijk of via elektronische drager melding van. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal zeven kalenderdagen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister.

§ 4. Het verloop van de inschrijvingen en weigeringen kan onderworpen worden aan een controle door de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

87] [87

Art. 37/63.

Het schoolbestuur noteert eventuele bijkomende inschrijvingen na de start van de door de Vlaamse Regering bepaalde vrije inschrijvingsperiode voor de resterende vrije plaatsen in chronologische volgorde in het inschrijvingsregister.

87] [87

Art. 37/64.

§ 1. In afwijking van artikel 37/55, § 5, kan een schoolbestuur volgende leerlingen toch inschrijven:

1° een anderstalige nieuwkomer in het gewoon onderwijs;

2° leerlingen die:

a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter;

b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school;

c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;

3° leerlingen die verblijven in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning;

4° leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, en slechts één van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit;

5° leerlingen van scholen, gelegen in een gemeente waar alle scholen de inschrijvingen laten voorafgaan door een aanmeldingsprocedure, wiens continuïteit van de schoolloopbaan niet gegarandeerd kan worden omwille van het feit dat de enige school van een schoolbestuur ophoudt te bestaan, waarbij dit niet kadert in een herstructurering, op voorwaarde dat alle leerlingen van de betrokken school een plaats in andere scholen aangeboden wordt;

6° leerlingen waarvoor de disfunctiecommissie, zoals bepaald in artikel 37/51, § 3, toestemming heeft verleend voor een inschrijving in overcapaciteit.

§ 2. In afwijking van artikel 37/55, § 5, moet een schoolbestuur, ook wanneer de capaciteit overschreden werd of wordt, een leerling die in het lopende, het voorafgaande of het daaraan voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven was, en die met toepassing van artikel 15 of 16 terugkeert uit het buitengewoon onderwijs, inschrijven.

87]

[87Afdeling 3. Weigeren van inschrijvingen87]

[87

Art. 37/65.

§ 1. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een onderwijszoekende die niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 1.

Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar is mogelijk onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende op de dag van de effectieve instap aan de toelatingsvoorwaarden voldoet.

§ 2. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een leerling die in de loop van hetzelfde schooljaar van school verandert, als deze inschrijving tot doel heeft of er in de feiten toe leidt dat de betrokken leerling in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen zal gaan.

§ 3. Een schoolbestuur kan de inschrijving weigeren in een school waar de betrokken leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar definitief werd verwijderd, overeenkomstig artikel 32 en 33.

87] [87

Art. 37/66.

§ 1. Een schoolbestuur dat een leerling weigert, deelt haar beslissing binnen een termijn van zeven kalenderdagen en bij aangetekend schrijven of tegen afgiftebewijs, mee aan de ouders van de leerling en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model van weigeringsdocument waarmee het schoolbestuur de weigering meedeelt aan de ouders en aan het LOP.

Het weigeringsdocument, vermeld in het eerste lid, bevat zowel de feitelijke als de juridische grond van de beslissing tot weigering en bevat de melding dat de ouders voor informatie of bemiddeling een beroep kunnen doen op een LOP of klacht kunnen indienen bij de CLR en de wijze waarop men met een van beide in contact kan treden.

Indien de weigering gebeurde op basis van bereikte capaciteit, vermeld in artikel 37/55, deelt het schoolbestuur mee op welke plaats onder de geweigerde leerlingen, desgevallend in het betreffende contingent, de betrokken leerling staat in het inschrijvingsregister.

§ 3. De ouders krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.

87]

[87Afdeling 4. Bemiddelings- en klachtenprocedure87]

[87

Art. 37/67.

Ouders en alle belanghebbenden kunnen vragen om bemiddeling door het LOP, zoals bepaald in artikel 37/68 of een klacht indienen bij de CLR, zoals bepaald in artikel 37/69, wanneer ze niet akkoord zijn met:

1° een weigering op basis van bereikte capaciteit als vermeld in artikel 37/55;

2° een weigering van inschrijving, op basis van de weigeringsgronden, vermeld in artikel 37/65;

3° een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school als vermeld in artikel 37/47;

4° een ontbinding van inschrijving van een leerling met specifieke onderwijsbehoeften als vermeld in artikel 37/48.

Voor de toepassing van de bemiddelingsprocedure, vermeld in artikel 37/68, en de klachtenprocedure, vermeld in artikel 37/69, bepaalt de Vlaamse Regering de nadere procedureregelen. Zij garandeert daarbij de hoorplicht.

87] [87

Art. 37/68.

§ 1. Het LOP start wanneer de ouders er uitdrukkelijk om verzoeken een bemiddeling in situaties als vermeld in artikel 37/67.

§ 2. Het LOP bemiddelt binnen een termijn van tien kalenderdagen, die ingaat op de dag na de betekening of afgifte van het weigeringsdocument tussen de leerling en zijn ouders en de schoolbesturen van de scholen binnen het werkingsgebied, met het oog op een definitieve inschrijving van de leerling in een school.

De bemiddeling schort de termijn op van dertig kalenderdagen voor de behandeling van klachten door de CLR, vermeld in artikel 37/69.

§ 3. Wanneer de bemiddeling van het LOP binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, niet resulteert in een definitieve inschrijving, wordt de CLR gevat om haar oordeel uit te spreken over de gegrondheid van de weigeringsbeslissing of de uitschrijving, conform artikel 37/69, § 2.

87] [87

Art. 37/69

§ 1. Ouders en andere belanghebbenden kunnen in de situaties, vermeld in artikel 37/67, al dan niet na een bemiddelingsprocedure door het LOP als vermeld in artikel 37/68 een schriftelijke klacht indienen bij de CLR.

Klachten die na de termijn van dertig kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.

§ 2. De CLR oordeelt binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen, die ingaat de dag na die van betekening of van poststempel van de schriftelijke klacht, over de gegrondheid van de weigering of de uitschrijving.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.

§ 3. Indien de CLR de weigering, de ontbinding van een inschrijving of de uitschrijving gegrond acht, schrijven de ouders de leerling in een andere school in.

Indien het om een ontbinding van inschrijving van een leerling met specifieke onderwijsbehoeften gaat omwille van onredelijkheid van de aanpassingen, schrijven de ouders de leerling uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR in een andere school in.

Op vraag van de ouders worden zij bij het zoeken naar een andere school bijgestaan door het LOP, inzonderheid door de CLB's die deel uitmaken van dat LOP.

§ 4. Indien de CLR de weigering of de ontbinding van de inschrijving niet of niet afdoende gemotiveerd acht of de uitschrijving onterecht acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.

87] [87

Art. 37/70.

§ 1. De CLR kan, wanneer het een weigering of ontbinding van inschrijving onvoldoende gemotiveerd acht of een uitschrijving onterecht acht, de Vlaamse Regering adviseren een bedrag op de werkingsmiddelen van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had van de school terug te vorderen of in te houden.

De CLR stelt de Vlaamse Regering onverwijld in kennis van dit advies.

§ 2. Binnen een termijn van veertien kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het advies, beslist de Vlaamse Regering over het opleggen van een financiële sanctie die kan bestaan uit een terugvordering of inhouding op de werkingsmiddelen van de school.

Voorafgaandelijk aan het opleggen van een sanctie gaat de Vlaamse Regering na of de betrokken leerling alsnog in de betrokken school werd ingeschreven.

§ 3. De terugvordering of inhouding, vermeld in paragraaf 1 en 2:

1° kan niet meer bedragen dan tien procent van het werkingsbudget van de school;

2° kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou zijn getroffen.

§ 4. Onverminderd de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, kan de CLR het dossier aanhangig maken bij het orgaan dat in toepassing van artikel 33, § 2, van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap en in toepassing van artikel 40 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid het mandaat heeft van onafhankelijk mechanisme.

87]

HOOFDSTUK V. - Opdracht van het basisonderwijs

Afdeling 1. - Onderwijsaanbod

Art. 38.

Ieder schoolbestuur bepaalt de inhoud van het basisonderwijs in zijn scholen en bepaalt vrij zijn eigen pedagogische en onderwijskundige methodes.

Art. 39.

Het onderwijsaanbod in het gewoon kleuteronderwijs omvat ten minste, en waar mogelijk in samenhang, de volgende leergebieden :

- lichamelijke opvoeding;

- muzische vorming;

- Nederlands;

- [59wetenschappen en techniek; 59]

- [59mens en maatschappij; 59]

- wiskundige initiatie.

Art 40.

Het onderwijsaanbod in het gewoon lager onderwijs omvat ten minste, en waar mogelijk in samenhang, de volgende leergebieden :

- lichamelijke opvoeding;

- muzische vorming;

- Nederlands;

- wiskunde;

- [59wetenschappen en techniek; 59]

[59- mens en maatschappij;59]

[37- Frans,37]

en volgende leergebiedoverschrijdende thema's

- leren leren;

- sociale vaardigheden;

[26- informatie en communicatietechnologie.26]

Art. 41.

§ 1. In de officiële lagere scholen omvat het onderwijsaanbod bovendien wekelijks ten minste twee lestijden onderwijs in de erkende godsdiensten en in de op die godsdiensten berustende zedenleer en ten minste twee lestijden onderwijs in de niet-confessionele zedenleer.

§ 2. [13In de officiële scholen wordt het godsdienstonderwijs verstrekt door bedienaars van de betrokken godsdienst of door hun afgevaardigde.13]

In de scholen van het gemeenschapsonderwijs en van het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt de cursus in de niet-confessionele zedenleer bij voorrang gegeven door een personeelslid dat daartoe een initiële of voortgezette opleiding heeft gevolgd.

Art. 42.

In de vrije lagere scholen wordt hetzij onderwijs in één of meer erkende godsdiensten en in de op deze godsdiensten berustende zedenleer, hetzij het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer, hetzij beide, hetzij onderwijs in de cultuurbeschouwing verstrekt.

In de vrije lagere scholen wordt de cursus in de niet-confessionele zedenleer bij voorrang gegeven door een personeelslid dat daartoe een initiële of voortgezette opleiding heeft gevolgd.

Art. 43.

[70

§ 1. Het leergebied Frans is verplicht in het vijfde en zesde jaar gewoon lager onderwijs. Het leergebied Frans kan aangeboden worden vanaf het eerste jaar gewoon lager onderwijs in de scholen van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en, op voorwaarde dat de leerlingen het Nederlands voldoende beheersen, vanaf het derde jaar gewoon lager onderwijs in de scholen buiten het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

§ 2. De talen Frans en/of Duits en/of Engels kunnen facultatief aangeboden worden vanaf het derde jaar gewoon lager onderwijs, op voorwaarde dat de leerlingen het Nederlands voldoende beheersen.

§ 3. Taalinitiaties in het Frans, Engels en Duits behoren facultatief tot het onderwijsaanbod van het gewoon basisonderwijs.

§ 4. Het in paragraaf 2 en paragraaf 3 bedoelde aanbod wordt bepaald door het schoolbestuur met toepassing van de regelgeving inzake participatie.

§ 5. De onderwijsinspectie waakt over een kwaliteitsvolle invulling van het taalaanbod, vermeld in dit artikel.

70]

Afdeling 2. - Eindtermen en ontwikkelingsdoelen

Art. 44.

[74

§ 1. 1° Ontwikkelingsdoelen voor het gewoon kleuteronderwijs zijn minimumdoelen die het Vlaams Parlement wenselijk acht voor die leerlingenpopulatie. Met minimumdoelen wordt bedoeld: een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie.

Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de ontwikkelingsdoelen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes op populatieniveau bij de leerlingen na te streven.

Voor de kwaliteitscontrole in functie van de erkenning en de doorlichting, zoals bedoeld in artikel 32, 1° en 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs, van de scholen voor het gewoon kleuteronderwijs, baseert de onderwijsinspectie zich op het nastreven van de ontwikkelingsdoelen.

2° Eindtermen voor het gewoon lager onderwijs zijn minimumdoelen die het Vlaams Parlement noodzakelijk en bereikbaar acht voor die leerlingenpopulatie. Met minimumdoelen wordt bedoeld: een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie.

Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en bepaalde attitudes op populatieniveau bij de leerlingen te bereiken en de eindtermen met betrekking tot bepaalde andere attitudes bij de leerlingen na te streven.

Voor de kwaliteitscontrole in functie van de erkenning en de doorlichting, zoals bedoeld in artikel 32, 1° en 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs, van de scholen voor het gewoon lager onderwijs, baseert de onderwijsinspectie zich op het bereiken van de eindtermen.

3° Ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs zijn doelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die het Vlaams Parlement wenselijk acht voor zoveel mogelijk leerlingen van een bepaalde leerlingenpopulatie.

Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de ontwikkelingsdoelen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes bij de leerlingen na te streven indien opgenomen in het handelingsplan, zoals bepaald in artikel 46.

De school kan steeds extra doelen nastreven bij de leerlingen.

Voor de kwaliteitscontrole in functie van de erkenning en de doorlichting, zoals bedoeld in artikel 32, 1° en 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs, van scholen voor het buitengewoon basisonderwijs, baseert de onderwijsinspectie zich op het nastreven van de ontwikkelingsdoelen via het handelingsplan, zoals bepaald in artikel 46.

4° Voor het onderwijs in godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuur-beschouwing, zijn er geen ontwikkelingsdoelen of eindtermen.

§ 2. De ontwikkelingsdoelen en eindtermen worden geformuleerd in functie van volgende sleutelcompetenties:

1. competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn en op vlak van lichamelijke, geestelijke en emotionele gezondheid;

2. competenties in het Nederlands;

3. competenties in andere talen;

4. digitale competentie en mediawijsheid;

5. sociaal-relationele competenties;

6. competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie;

7. burgerschapscompetenties met inbegrip van competenties inzake samenleven;

8. competenties met betrekking tot historisch bewustzijn;

9. competenties met betrekking tot ruimtelijk bewustzijn;

10. competenties inzake duurzaamheid;

11. economische en financiële competenties;

12. juridische competenties;

13. leercompetenties met inbegrip van onderzoekscompetenties, innovatie-denken, creativiteit, probleemoplossend en kritisch denken, systeemdenken, informatie-verwerking en samenwerken;

14. zelfbewustzijn en zelfexpressie, zelfsturing en wendbaarheid;

15. ontwikkeling van initiatief, ambitie, ondernemingszin en loopbaancompetenties;

16. cultureel bewustzijn en culturele expressie.

Het Vlaams Parlement haakt deze ontwikkelingsdoelen en eindtermen niet vast aan leergebieden. Het zijn de schoolbesturen die de verbinding maken tussen de ontwikkelingsdoelen en eindtermen en de in dit decreet opgenomen leergebieden.

§ 3. De ontwikkeling van eindtermen en ontwikkelingsdoelen wordt gecoördineerd door de regering. De regering stelt daartoe een of meerdere ontwikkelcommissies samen die ten minste bestaan uit leerkrachten uit basis- en secundair onderwijs, de vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en vak- en andere experten uit het hoger onderwijs. De ontwikkelcommissie formuleert een beperkt aantal van sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare eindtermen en ontwikkelingsdoelen waar de aspecten kennis, vaardigheden, inzichten en indien van toepassing attitudes aan bod komen. Ze geeft ook het belang en de uitgangspunten ervan aan.

De ontwikkelde eindtermen en ontwikkelingsdoelen worden vervolgens door de ontwikkelcommissie voorgelegd aan een valideringscommissie. De valideringscommissie bestaat uit leden van de onderwijsinspectie en andere experten. De valideringscommissie valideert of stuurt de ontwikkelde eindtermen of ontwikkelingsdoelen terug naar de ontwikkelcommissie met het oog op bijsturing, waarna ze finaal ter validering aan de valideringscommissie worden voorgelegd. De valideringscommissie bewaakt de coherentie, consistentie en evalueerbaarheid van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen.

De ontwikkelingsdoelen en eindtermen worden door de regering als een ontwerp van decreet ingediend bij het Vlaams Parlement. Het Vlaams Parlement kan het initiatief nemen de in het eerste lid voorziene procedure op te starten.

De ontwikkelingsdoelen en eindtermen worden periodiek gescreend op hun actualiteitswaarde en worden zo nodig bijgestuurd. De regering bepaalt de procedure voor deze screening en bijsturing.

§ 4. In afwachting van ontwikkelingsdoelen en eindtermen tot stand gekomen in uitvoering van de bepalingen van dit artikel blijven de bestaande ontwikkelingsdoelen en eindtermen van toepassing. [86In afwijking van paragraaf 3 en 5 kan de regering de bestaande ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs herordenen en technisch aanpassen.86]

Bij de ontwikkeling en de implementatie van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen wordt rekening gehouden met de coherentie en continuïteit over het kleuter- en lager onderwijs heen en de aansluiting op de eindtermen en ontwikkelingsdoelen van het secundair onderwijs, zonder de eigenheid van het basisonderwijs uit het oog te verliezen.

§ 5. Het Vlaams Parlement keurt een beperkt aantal van sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare eindtermen en ontwikkelingsdoelen goed waar kennis telkens geëxpliciteerd wordt en vaardigheden, inzichten en indien van toepassing attitudes aan bod komen.

74] [2

Art. 44bis.

[74

§ 1. Wanneer een schoolbestuur oordeelt dat de eindtermen of de ontwikkelingsdoelen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of ermee onverzoenbaar zijn, dient het bij de regering een aanvraag tot gelijkwaardigheid in door vervangende eindtermen en/of ontwikkelingsdoelen voor te stellen. De indiening gebeurt uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de vervangende eindtermen of ontwikkelingsdoelen zullen gelden.

Wanneer de aanvraag gebeurt ingevolge een wijziging van ontwikkelingsdoelen of eindtermen door het Vlaams Parlement, geldt een gedoogperiode van één volledig schooljaar waarbinnen de aanvrager nog met de oude eindtermen of in voorkomend geval oude afwijkende eindtermen mag werken.

De aanvraag is slechts ontvankelijk indien precies wordt aangegeven waarom de eindtermen of de ontwikkelingsdoelen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of waarom ze ermee onverzoenbaar zijn. Het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende eindtermen of ontwikkelingsdoelen voor.

§ 2. De regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de vervangende eindtermen of ontwikkelingsdoelen in hun geheel gelijkwaardig zijn met deze eindtermen of ontwikkelingsdoelen goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en bijgevolg toelaten gelijkwaardige studiebewijzen af te leveren. De regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.

De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

1° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;

2° de vereiste inhoud, in functie van de sleutelcompetenties, zoals bepaald in artikel 44;

3° de formulering

a) gebeurt onder de vorm van ontwikkelingsdoelen of eindtermen, naargelang van het geval;

b) laat toe om na te gaan in welke mate bij een leerlingenpopulatie ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd of eindtermen worden bereikt.

Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerd advies ingewonnen van een commissie van deskundigen en van de onderwijsinspectie en wordt telkens de aanvrager gehoord. De regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling van de commissie van deskundigen en van de procedure.

§ 3. De vervangende eindtermen of ontwikkelingsdoelen die door de regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement.

74] 2]

[70Afdeling 2bis. Gebruik van gevalideerde toetsen voor interne kwaliteitszorg70]

[70

Art. 44ter.

Op het einde van het gewoon lager onderwijs neemt de school van elke leerling, vanaf het schooljaar 2017-2018, een gevalideerde toets af voor ten minste twee leergebieden en vanaf het schooljaar 2018-2019 voor ten minste drie leergebieden.

De resultaten van deze toetsafnames zijn gericht op het verkrijgen van informatie op schoolniveau over de mate waarin de leerlingenpopulatie de eindtermen bereikt en ze worden aangewend in het kader van interne kwaliteitszorg. De resultaten kunnen één van de elementen zijn waar de klassenraad rekening mee houdt bij de toekenning van een getuigschrift zoals bepaald in artikel 53.

70]

Afdeling 3. - Leerplan, handelingsplan en schoolwerkplan

Art. 45.

[74

§ 1. Vanuit de ontwikkelingsdoelen voor het gewoon kleuteronderwijs en de eindtermen voor het gewoon lager onderwijs, worden door het schoolbestuur in omvang beperkte leerplannen ontwikkeld die voldoende ruimte laten voor de inbreng van scholen, leraren, lerarenteams of leerlingen. In de leerplannen zijn in elk geval alle door het Vlaams Parlement goedgekeurde ontwikkelingsdoelen voor het kleuteronderwijs en eindtermen voor het gewoon lager onderwijs letterlijk opgenomen waarbij transparant het onderscheid gemaakt wordt welke doelen de eindtermen realiseren en met welke doelen de ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd. De leerplannen zijn voor de onderwijsinspectie een aanvullend instrument om het kwaliteitsbeleid van een school te kaderen.

Leerplannen worden ter goedkeuring door de onderwijsverstrekkers ingediend bij de onderwijsinspectie. Met het oog op het waarborgen van het studiepeil keurt de Vlaamse Regering volgens de vooraf door haar bepaalde criteria en op advies van de onderwijsinspectie, de leerplannen goed.

§ 2. Alle leerplannen, met inbegrip van de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing, zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en respecteren de goedgekeurde eindtermen en ontwikkelingsdoelen. De leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing respecteren tevens de interlevensbeschouwelijke competenties.

De directeur kan de levensbeschouwelijke leerlingengroepen tijdens de levensbeschouwelijke les bezoeken om administratieve redenen, om algemeen pedagogische redenen, om na te gaan of de grondwettelijke rechten en vrijheden gevrijwaard worden of voor een bespreking met de leerlingen. De directeur - of een ander personeelslid dat aangesteld is als evaluator - kan de les ook bijwonen, gelet op zijn bevoegdheid als evaluator voor niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten.

§ 3. In afwijking op paragraaf 1 dienen de leerplannen godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing niet door de Vlaamse Regering te worden goedgekeurd. Deze leerplannen worden publiek bekendgemaakt.

§ 4. Over het in overeenstemming zijn met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en het respecteren van de goedgekeurde eindtermen en ontwikkelingsdoelen, evenals over de uitvoering van de leerplannen, wordt jaarlijks aan het Vlaams Parlement een stand van zaken gerapporteerd door:

1° de onderwijsinspectie bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken: over de leerplannen godsdienst en niet-confessionele zedenleer met inbegrip van de interlevensbeschouwelijke competenties;

2° de onderwijsinspectie bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs: over de leerplannen cultuurbeschouwing.

74]

Art. 46.

Met inachtneming van de door de regering opgelegde [2of gelijkwaardig verklaarde2] ontwikkelingsdoelen wordt in het buitengewoon onderwijs voor één of meer leerlingen samen op basis van zijn (hun) opvoedings- en onderwijsbehoeften, een handelingsplan opgemaakt. Dit plan bevat voor een bepaalde periode de pedagogisch-didactische planning voor bedoelde leerling(en) en legt onder meer de keuze aan ontwikkelingsdoelen vast, die de klassenraad in opdracht van het schoolbestuur voor hem (hen) wil nastreven.

Het handelingsplan geeft in voorkomend geval weer hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd.

[13

Bepaalde eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of van andere types van het buitengewoon basisonderwijs kunnen door een beslissing van de klassenraad in een handelingsplan worden opgenomen.

Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders.

13]

[56In het handelingsplan opgenomen ontwikkelingsdoelen met betrekking tot godsdienst, niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing zijn gebaseerd op de overeenkomstige leerplannen en zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder. 56]

Art. 47.

§ 1. Ieder schoolbestuur maakt voor elk van zijn scholen een schoolwerkplan dat ten minste volgende elementen bevat :

1° de omschrijving van het pedagogisch project zijnde het geheel van fundamentele uitgangspunten dat door het schoolbestuur voor de school wordt vastgelegd;

2° de organisatie van de school en voornamelijk de indeling in leerlingengroepen;

3° de wijze waarop het leerproces van de leerlingen wordt beoordeeld en hoe daarover wordt gerapporteerd;

4° de voorzieningen in het gewoon onderwijs voor leerlingen met een handicap of die leerbedreigd zijn, inclusief de samenwerkingsvormen met andere scholen van gewoon en/of buitengewoon onderwijs;

[145° [52de wijze waarop de school via haar zorg- en gelijke onderwijskansenbeleid werkt aan de optimale leer- en ontwikkelingskansen van al haar leerlingen.52] 14]

§ 2. Tijdens de schooldoorlichting neemt de onderwijsinspectie kennis van het schoolwerkplan zonder de inhoud ervan te beoordelen.

[76Afdeling 3bis. Leerlingenbegeleiding76]

[76

Art. 47bis

Kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding bevordert de totale ontwikkeling van alle leerlingen, verhoogt hun welbevinden, voorkomt vroegtijdig schoolverlaten en creëert meer gelijke onderwijskansen. Op die manier draagt het bij tot het functioneren van de leerling in de schoolse én maatschappelijke context.

Het begeleidingsdomein onderwijsloopbaan heeft tot doel de leerling te ondersteunen om voldoende zelfkennis te ontwikkelen, om inzicht te verwerven in de structuur van en de mogelijkheden binnen onderwijs, opleiding en arbeidsmarkt en om adequate keuzes te leren maken op school en daarbuiten.

Het begeleidingsdomein leren en studeren heeft tot doel het leren van de leerling te optimaliseren en het leerproces te bevorderen door leer- en studeervaardigheden te ondersteunen en te ontwikkelen.

Het begeleidingsdomein psychisch en sociaal functioneren heeft tot doel het welbevinden van de leerling te bewaken, te beschermen en te bevorderen waardoor de leerling op een spontane en vitale manier tot leren kan komen en zich kan ontwikkelen tot een veerkrachtige volwassene.

Het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg heeft tot doel de gezondheid, groei en ontwikkeling van leerlingen te bevorderen en te beschermen, het groei- en ontwikkelingsproces op te volgen en tijdig risicofactoren, signalen, symptomen van gezondheids- en ontwikkelproblemen te detecteren.

Voor het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg omvat dat voor de school minimaal het actief meewerken aan:

1° de organisatie van de systematische contactmomenten door het centrum voor leerlingenbegeleiding. De regering bepaalt de frequentie en de inhoud van de systematische contacten;

2° de organisatie van de vaccinaties door het centrum voor leerlingenbegeleiding om het ontstaan en de verspreiding van sommige besmettelijke ziekten tegen te gaan. De regering legt het vaccinatieschema vast;

3° de uitvoering van de profylactische maatregelen die het centrum voor leerlingenbegeleiding neemt om de verspreiding van besmettelijke ziekten tegen te gaan. De regering bepaalt hiervoor de nadere regels.

76] [76

47ter.

De school ontwikkelt een beleid op leerlingenbegeleiding dat is afgestemd op het pedagogisch project, de noden van de leerlingenpopulatie en de context waarin de school zich bevindt. Het zorg- en GOK-beleid, zoals omschreven in het schoolwerkplan, wordt erin geïntegreerd. Het beleid op leerlingenbegeleiding omvat de begeleiding van de leerlingen, het ondersteunen van het handelen van het onderwijzend personeel en de coördinatie van alle leerlingbegeleidingsinitiatieven op niveau van de school. De school implementeert, evalueert en stuurt, zo nodig, dat beleid bij. Ter versterking van dat beleid voert de school een professionaliseringsbeleid.

Bij de opmaak en evaluatie van het beleid op leerlingenbegeleiding betrekt de school relevante actoren. Voor bijkomende inhoudelijke expertise doet de school een beroep op het centrum voor leerlingenbegeleiding. Voor schoolondersteuning zoekt de school externe ondersteuning bij de pedagogische begeleidingsdienst of een andere externe dienst.

Een beleid op leerlingenbegeleiding beantwoordt aan volgende principes:

1° het belang van elke leerling staat centraal;

2° het komt participatief tot stand en is gedragen door het hele schoolteam;

3° het is doelgericht, systematisch, planmatig en transparant;

4° het wordt discreet uitgevoerd;

5° er wordt verduidelijkt wie welke taak opneemt in de leerlingenbegeleiding.

76] [76

Art. 47quater.

Bij de leerlingenbegeleiding heeft de school een basisaanbod voor alle leerlingen en biedt zorg voor leerlingen voor wie dit niet volstaat.

In de fase van de verhoogde zorg kan de school consultatieve leerlingenbegeleiding vragen aan het CLB of wordt dit door het CLB aangeboden waar het dat nodig acht.

In de fase uitbreiding van zorg wisselen de school en het CLB met elkaar de beschikbare relevante informatie uit om de afspraken over de bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise te realiseren.

De Vlaamse Regering kan met betrekking tot deze opdrachten nadere bepalingen vastleggen.

76] [76

Art. 47quinquies.

§ 1. De school en het centrum maken afspraken over de schoolspecifieke samenwerking en leggen die vast. De school neemt daarvoor het initiatief. De Vlaamse Regering bepaalt welke samenwerkingsafspraken een school en een centrum minstens vastleggen.

Het centrum deelt relevante informatie over de leerlingen in begeleiding met de school. De school deelt relevante informatie die in de school aanwezig is over de leerlingen met het centrum. Bij het doorgeven en het gebruik van deze informatie gelden de regels inzake het ambts- en beroepsgeheim, de deontologie en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

§ 2. De samenwerking tussen een school en een centrum voor leerlingenbegeleiding loopt voor onbepaalde duur en start in het begin van het schooljaar. Op basis van een evaluatie van de samenwerking kunnen de samenwerkingsafspraken in onderling overleg worden bijgestuurd.

De samenwerking tussen een school en een centrum kan door de school of het centrum worden stopgezet. Bij stopzetting van de samenwerking deelt de school of het centrum tegen uiterlijk 31 december, aan respectievelijk het centrum of de school mee dat de samenwerking wordt beëindigd. De samenwerking wordt stopgezet met ingang van het daaropvolgende schooljaar. Bij stopzetting van de samenwerking op initiatief van het centrum zal het de dienstverlening blijven verlenen tot de school een samenwerking met een ander centrum heeft vastgelegd. De dienstverlening blijft daarbij gegarandeerd tot het einde van hetzelfde schooljaar en maximaal voor de periode van het daarop volgende volledige schooljaar.

§ 3. Uiterlijk op 31 maart voorafgaand aan het schooljaar waarop een gewijzigde samenwerking ingaat, deelt de school aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering mee met welk centrum voor leerlingenbegeleiding ze zal samenwerken.

§ 4. Als een school en een centrum niet tot afspraken over een samenwerking komen, meldt de school dat aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten voor de bemiddeling en de samenstelling van de bemiddelingscommissie.

§ 5. In uitvoering van de erkenningsvoorwaarde om samenwerkingsafspraken aan te gaan zoals bepaald in artikel 62, § 1, 10°, kunnen de Franstalige scholen die zijn opgericht op basis van artikel 6 en 7 van de wet van 30 juli 1963 houdende de taalregeling in het onderwijs of artikel 7, § 3, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken samenwerkingsafspraken sluiten met een of meer door de Franse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instellingen die taken uitvoeren op het vlak van leerlingenbegeleiding. Als er wordt samengewerkt met een door de Franse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instelling wordt de samenwerkingsovereenkomst aan de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering meegedeeld. Deze samenwerking bestaat uit:

1° het organiseren en uitvoeren van systematische contacten om de gezondheid, groei en ontwikkeling van leerlingen te bevorderen, het groei- en ontwikkelingsproces opvolgen en tijdig risicofactoren, signalen, symptomen van gezondheids- en ontwikkelingsproblemen detecteren;

2° het aanbieden van vaccinaties om het ontstaan en de verspreiding van sommige besmettelijke ziekten tegen te gaan;

3° het nemen van profylactische maatregelen waar nodig om de verspreiding van besmettelijke ziekten tegen te gaan;

4° het nemen van begeleidingsinitiatieven ter opvolging van de leerplicht;

5° een jaarlijks verslag over de gegevens die voortkomen uit de opdrachten, vermeld in punt 1°, 2°, 3° en 4°, zodat de Vlaamse Regering op basis daarvan beleidsopties kan formuleren.

76]

Afdeling 4. - Organisatie van de schooltijd

Art. 48.

§ 1. De leerlingen krijgen achtentwintig lestijden onderwijs- en opvoedingsactiviteiten per week.

§ 2. In afwijking van § 1 kan een negenentwintigste lestijd worden georganiseerd na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité.

[11§ 3. De bepalingen van § 1 en § 2 gelden niet voor de leerlingen die ingeschreven zijn in een ziekenhuisschool.11]

Art. 49.

De regering bepaalt in welke gevallen revalidatie tijdens de lestijden mogelijk is, alsook het maximum aantal uren.

Met revalidatie worden bedoeld therapeutische behandelingen die tijdens de lestijden verstrekt worden aan leerlingen en worden uitgevoerd door hulpverleners die niet aan de school verbonden zijn en die hiertoe door de wet zijn gemachtigd.

Art. 50.

De regering bepaalt de vakantieperioden, regelt de organisatie van de schooltijd en bepaalt in welke gevallen de lessen kunnen geschorst worden.

Afdeling 5. - [11Zorgvuldig bestuur11]

Art. 51.

§ 1. Een schoolbestuur mag informatie verstrekken over het eigen opvoedings- en onderwijsaanbod, maar het mag geen oneerlijke concurrentie voeren.

§ 2. [46Er mag in de school geen politieke propaganda gevoerd worden en er mogen geen politieke activiteiten worden georganiseerd.46]

[46

§ 2bis. In afwijking van § 2 kunnen politieke activiteiten in de school worden toegelaten buiten de periodes waarin er schoolactiviteiten zijn en buiten de periode van 90 dagen voorafgaand aan een verkiezing. Personeelsleden en leerlingen worden niet gevraagd of aangezet om aan deze activiteiten deel te nemen. Het schoolbestuur kan niet betrokken worden bij de organisatie van een politieke activiteit en houdt rekening met het beginsel van gelijke behandeling bij de toepassing van deze bepaling.

Onder politieke activiteiten wordt hier verstaan alle activiteiten die worden georganiseerd door politieke partijen of politieke mandatarissen van politieke partijen, waarvan de standpunten en gedragingen niet in strijd zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

46]

§ 3. [11Een schoolbestuur kan handelsactiviteiten verrichten, voor zover deze geen daden van koophandel zijn en voor zover ze verenigbaar zijn met zijn onderwijsopdracht.11]

[11

§ 4. Een schoolbestuur dat mededelingen toelaat die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, waakt erover dat :

1° door het schoolbestuur verstrekte leermiddelen of verplichte activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen;

2° facultatieve activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen, behoudens indien deze mededelingen louter attenderen op het feit dat de activiteit of een gedeelte van de activiteit ingericht werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;

3° bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;

4° bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen.

11]

Art. 52.

Vragen in verband met de toepassing van artikel 51 en klachten met betrekking tot de overtreding ervan kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de [11Commissie zorgvuldig bestuur [67...67] .11]

Afdeling 6. - Het getuigschrift basisonderwijs

Art. 53.

[86

Het schoolbestuur van een erkende school kan, op voordracht en na beslissing van de klassenraad, een getuigschrift basisonderwijs uitreiken aan de regelmatige leerlingen in het gewoon lager onderwijs, die vóór 1 januari van het lopende schooljaar al acht jaar geworden zijn.

De klassenraad oordeelt hierbij autonoom of een leerling in voldoende mate de doelen uit het leerplan die het bereiken van de eindtermen beogen, heeft bereikt.

86]

Art. 54.

[70

§ 1. Aan leerlingen uit het buitengewoon lager onderwijs en aan leerlingen met een individueel aangepast curriculum in het gewoon lager onderwijs kan een getuigschrift basisonderwijs worden uitgereikt indien de voor deze leerlingen vooropgestelde leerdoelen door de onderwijsinspectie als gelijkwaardig worden beschouwd met die van het gewoon lager onderwijs.

§2. [86...86]

70] [78

Art. 54bis

[86Leerlingen in het gewoon en het buitengewoon lager onderwijs die het getuigschrift basisonderwijs niet behalen, ontvangen een verklaring met het aantal en soort gevolgde jaren lager onderwijs, een schriftelijke motivering waarom het getuigschrift basisonderwijs niet uitgereikt werd, alsook aandachtspunten voor de toekomst.86]

78]

Art. 55.

[70...70] [58De beslissing omtrent het toekennen van het getuigschrift [70...70] wordt uiterlijk op 30 juni aan de ouders meegedeeld. De ouders worden geacht die beslissing uiterlijk op 1 juli in ontvangst te hebben genomen. Indien de ouders niet akkoord gaan met de genomen beslissing volgt er, op vraag van de ouders, een overleg met de directeur en zijn afgevaardigde, binnen een termijn vastgelegd in het schoolreglement. De school kan dit overleg niet weigeren. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Dit overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen om het niet toekennen van het getuigschrift basisonderwijs te bevestigen of te wijzigen. De ouders nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen schriftelijk in ontvangst. Bij het niet in ontvangst nemen van deze beslissing door de ouders op de voorziene datum wordt ze toch geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum. Indien de ouders niet akkoord gaan met de beslissing, wijst de school de ouders schriftelijk op de mogelijkheid tot beroep zoals bepaald in hoofdstuk IV, afdeling 2, onderafdeling E.58]

Art. 56.

Op advies van de inspectie duidt de regering per provincie [63ten minste één officiële en ten minste één vrije school63] aan die dienen als examencommissies met het oog op het bekomen van een getuigschrift basisonderwijs.

De onderwijsinspectie is bevoegd om de organisatie en de werking van die examencommissies na te gaan.

Art. 57.

[70De regering bepaalt de modaliteiten, de vorm en de procedure tot aflevering van [86het getuigschrift86] zoals bepaald in artikel 5370] en legt de vergoeding voor de in artikel 56 bedoelde scholen vast. [58Het meegeven van het getuigschrift en rapport kan om geen enkele reden worden ingehouden, ook niet bij verzuim door de ouders van hun financiële verplichtingen.58]

[46

Art. 57bis.

De Vlaamse Regering kan de algemene gelijkwaardigheid vastleggen van buitenlandse studiebewijzen met het getuigschrift basisonderwijs, afgeleverd door scholen die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap.

Bij de vastlegging van de algemene gelijkwaardigheid houdt de Vlaamse Regering rekening :

1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering de eindtermen bepaald krachtens afdeling 2 van hoofdstuk V van dit decreet als referentiekader;

2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

46] [46

Art. 57ter.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen die niet in een besluit als vermeld in artikel 57bis zijn opgenomen, met het getuigschrift basisonderwijs, afgegeven in de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering waarborgt dat binnen deze procedure rekening wordt gehouden :

1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden de eindtermen bepaald krachtens afdeling 2 van hoofdstuk V van dit decreet als referentiekader gebruikt;

2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur als referentiekader gebruikt.

[56 De financiële bijdrage die de houder van een buitenlands studiebewijs moet betalen aan de erkenningsautoriteit voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van de gelijkwaardigheid van het buitenlands studiebewijs bedraagt 90 euro per aanvraag en per studiebewijs. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan het bedrag verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen en subsidiair-beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag dan vermeerderen tot maximaal 500 euro indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure.56]

46] [51

Art. 57quater.

§ 1. De scholen zijn ertoe gemachtigd om een attest uit te reiken ter vervanging van een verloren getuigschrift aan de houders van het getuigschrift. Het attest vermeldt de datum van de uitreiking van het getuigschrift.

§ 2. Personen die in toepassing van de wetgeving betreffende de namen en de voornamen een wijziging van hun naam of voornaam hebben verkregen, kunnen bij de scholen waar ze het getuigschrift basisonderwijs hebben behaald of bij de Vlaamse Gemeenschap een verzoek indienen om het getuigschrift basisonderwijs te laten vervangen door een getuigschrift met hun nieuwe naam.

Bij de aanvraag moet het oorspronkelijk behaalde getuigschrift worden ingeleverd en moeten stukken worden gevoegd die de naamswijziging aantonen.

51]

HOOFDSTUK VI. - Organiseren van basisonderwijs

Art. 58.

De Gemeenschap - of [14het Gemeenschapsonderwijs14] namens de Gemeenschap -, de provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten of andere publiekrechtelijke personen of private personen kunnen scholen en/of vestigingsplaatsen voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs oprichten.

Art. 59 en 60.

[13...13]

Art. 61.

De gemeenten met een bijzonder taalstatuut hebben voor wat het organiseren van kleuteronderwijs en/of lager onderwijs betreft de verplichtingen zoals bepaald in artikel 6 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs en in artikel 7, § 3 van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken.

HOOFDSTUK VII. - Erkenning, financiering en subsidiering van scholen

Afdeling 1. - Erkenning van scholen

Art. 62.

[13§ 1.13] Een school kan erkend worden indien zij :

1° georganiseerd is onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur;

2° gevestigd is in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;

3° een structuur aanneemt zoals vastgesteld bij dit decreet. Onder structuur wordt verstaan de grote indelingen binnen een onderwijsniveau en de duur van deze indelingen;

4° een pedagogisch geheel vormt dat gevestigd is in een zelfde complex van gebouwen of in elk geval in eenzelfde of aangrenzende gemeente of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, behoudens door de regering verleende afwijking;

5° beschikt over voldoende didactisch materieel en over een aangepaste schooluitrusting;

6° [37de bepalingen naleeft over de taalregeling in het onderwijs en de taalkennis van het personeel;37]

7° de controle van de onderwijsinspectie mogelijk maakt;

8° de reglementering inzake vakantieperioden en de aanwending van de onderwijstijd, zoals bedoeld in artikel 50 in acht neemt;

9° [54de reglementering betreffende eindtermen, ontwikkelingsdoelen of met ingang van een datum te bepalen door de Vlaamse Regering de erkende onderwijskwalificaties, leerplannen en handelingsplannen naleven;54]

[610° [76samenwerkingsafspraken maakt met een centrum voor leerlingenbegeleiding en een beleid op leerlingenbegeleiding voert;76] 6]

[1211° in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigt;12]

[3212° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school- of arbeidsreglement.32]

[13

§ 2. Een officiële school beantwoordt onverminderd § 1 aan volgende erkenningsvoorwaarden :

1° een open karakter hebben door open te staan voor alle leerlingen, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerling;

2° de leerplannen volgen van het gemeenschapsonderwijs, OVSG of POV, of eigen leerplannen ermee verenigbaar;

3° een schoolwerkplan, schoolreglement en schoolboeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter bedoeld in 1°;

4° begeleid worden door de begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs, OVSG of POV;

5° het godsdienstonderwijs of het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer wordt door een leermeester gegeven.

13] [75

Art. 62bis

Een school die wordt opgericht, kan voorlopig erkend worden als ze voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 62, § 1, 1°, 2°, 3°, 7°, 10° en 11°.

75]

Art. 63.

[75

§ 1. Een schoolbestuur dat voor een school de voorlopige erkenning wil verkrijgen, dient uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de oprichting een aanvraag in bij AGODI. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Vlaamse Regering legt het model van aanvraagformulier vast.

De Vlaamse Regering neemt conform artikel 35, § 1, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs een beslissing tot hetzij voorlopige erkenning voor één schooljaar, hetzij geen voorlopige erkenning.

De Vlaamse Regering beslist conform artikel 35, § 2, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs om de school te erkennen of om de school niet te erkennen, vanaf het schooljaar volgend op het schooljaar van de voorlopige erkenning.

§ 2. Een school die een nieuwe vestigingsplaats als vermeld in artikel 3, 56°, of een tijdelijke onderbrenging als vermeld in artikel 108, in gebruik wil nemen, meldt dat aan AGODI.

De melding, vermeld in het eerste lid, wordt uiterlijk op het tijdstip van ingebruikname ingediend. In de melding wordt verklaard dat :

1° de vestigingsplaats of tijdelijke onderbrenging beantwoordt aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid, vermeld in artikel 62, § 1, 2° ;

2° de school op de hoogte is van aanbevelingen of tekorten die de onderwijsinspectie in het meest recente doorlichtingsverslag heeft geformuleerd over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de betreffende gebouwen, als de school een vestigingsplaats in gebruik neemt waar een andere school gevestigd is of voordien gevestigd was. De school vermeldt in dat geval ook het advies van de onderwijsinspectie over de bewoonbaarheid, de veiligheid en de hygiëne van de nieuwe vestigingsplaats.

§ 3. De Vlaamse Regering legt het model van het formulier voor de melding, vermeld in paragraaf 2, vast.

75]

Art. 64.

§ 1. [38De Vlaamse Regering kan de erkenning [56van een school, een vestigingsplaats, een onderwijsniveau of een type in een vestigingsplaats56] ervan opheffen met inachtname van artikel 36 tot en met artikel 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.38]

§ 2. [38...38]

[13

§ 3. [38...38]

13]

Art. 65.

Een schoolbestuur kan voor de scholen die erkend zijn, in toepassing van de artikelen 53, 54 en 56, van rechtswege geldende getuigschriften [75...75] uitreiken.

Afdeling 2. - Financiering en subsidiëring van scholen

Art. 66.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de scholen die erkend zijn en in aanmerking komen om gefinancierd of gesubsidieerd te worden.

Art. 67.

§ 1. Elk schoolbestuur draagt de kosten van en financiële verantwoordelijkheid voor de organisatie van het onderwijs in zijn scholen en vestigingsplaatsen.

Voor de scholen en vestigingsplaatsen die aan de in artikel 68 bepaalde voorwaarden voldoen komt de gemeenschap financieel tussen, voor het gemeenschapsonderwijs door een financiering, en voor het gesubsidieerd onderwijs door een subsidiëring, onder de vorm van :

1° salarissen;

2° een werkingsbudget;

3° investeringsmiddelen.

§ 2. De regering kan jaarlijks een toelage toekennen voor anderstalige nieuwkomers. Ze bepaalt de toekenningsvoorwaarden, alsook de berekeningswijze van de toelage.

[4

§ 3. [11...11] ]

4]

Onderafdeling A. - Financierings- en subsidiëringsvoorwaarden

Art. 68.

§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de specifieke voorwaarden die gesteld zijn voor het verkrijgen van salarissen, een werkingsbudget of investeringsmiddelen, verkrijgt een schoolbestuur financiering of subsidiëring voor zijn scholen of vestigingsplaatsen die :

1° [75erkend zijn75]

2° [14voldoen aan de programmatie- en rationalisatienormen en de afstanden zoals bepaald in uitvoering van hoofdstuk VIII van dit decreet;14]

[12

3° deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform opgericht [67overeenkomstig artikel VIII.3, §2, eerste lid, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs67] .

Onder "samenwerken" wordt verstaan :

- de in [67artikel VIII.5, eerste lid, 1°, van dezelfde codificatie67] bedoelde gegevens leveren, en

- de in het kader van [67 artikel VIII.5, eerste lid, van dezelfde codificatie67] gemaakte afspraken naleven;

12]

[33Dit punt is niet van toepassing op de scholen van het buitengewoon basisonderwijs type 5.33]

[15

4° - voor wat betreft het gesubsidieerd onderwijs : geen afbreuk doen aan de besluitvormingsprocedures bedoeld in artikelen 19 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Deze voorwaarde sluit tevens in dat de directeur met betrekking tot de hem door de inrichtende macht gedelegeerde bevoegdheden die voorwerp uitmaken van advies of overleg, voldoende gemandateerd wordt om in de verhouding tot de schoolraad autonoom te kunnen optreden;

- voor wat betreft het gemeenschapsonderwijs : de bevoegdheden van de schoolraad respecteren.

15]

§ 2. [75Een schoolbestuur dat voor een school financiering of subsidiëring wil verkrijgen, dient uiterlijk op 1 april van het schooljaar dat voorafgaat aan de opname in de financiering of subsidiëring, een aanvraag in bij AGODI.

De Vlaamse Regering neemt een beslissing over de opname in de financierings- of subsidiëringsregeling. De beslissing wordt schriftelijk meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur en gaat in bij de aanvang van het schooljaar dat volgt op de aanvraag van de financiering of subsidiëring.

75]

[75

§ 3. In een voorlopig erkende school is affectatie, mutatie of vaste benoeming van personeelsleden niet mogelijk.

75]

Art. 69.

Een schoolbestuur verliest de financiering of subsidiëring van haar scho(o)l(en) of vestigingsplaats(en) of types die niet meer voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 68, § 1, 2°.

Art. 70.

Wanneer een gefinancierde of gesubsidieerde school of vestigingsplaats niet meer voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 62, kan de regering na toepassing van artikel 64 :

- de erkenning opheffen : de school of vestigingsplaats verliest de financiering of subsidiëring zodra de regering de erkenning opheft;

- de financiering of subsidiëring geheel of gedeeltelijk inhouden wanneer het schoolbestuur kan aantonen dat de voorwaarden bepaald in artikel 62 binnen een termijn overeengekomen met de regering opnieuw vervuld zullen zijn.

Art. 71.

[54 ...54]

[12

Art. 71bis.

De regering kan de financiering of subsidiëring geheel of gedeeltelijk inhouden wanneer een gefinancierde of gesubsidieerde school niet meer voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 68, § 1, 3°.

12]

Onderafdeling B. - Aanneming van werken, leveringen en diensten

Art. 72.

Een schoolbestuur dat werken, leveringen of diensten aanneemt die geheel of gedeeltelijk betaald worden met :

- middelen uit de dotatie van [14het Gemeenschapsonderwijs14] ,

- het werkingsbudget ter beschikking gesteld van gesubsidieerde scholen,

- middelen ter beschikking gesteld door [37Agion37] ,

moet een overeenkomst afsluiten volgens de toepasselijke procedure en onder de toepasselijke voorwaarden die voor het Rijk gelden.

Onderafdeling C. - De salarisfinanciering of -subsidiëring

Art. 73.

§ 1. Een schoolbestuur bekomt voor haar personeelsleden die tot de categorieën bestuurs- en onderwijzend, [14beleids- en ondersteunend,14] medisch, paramedisch, psychologisch, orthopedagogisch of sociaal personeel behoren een salaris indien die personeelsleden voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° [11onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;11]

2° [11de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;11]

3° houder zijn van de bekwaamheidsbewijzen zoals bedoeld in artikel 74;

4° aangeworven zijn met inachtname van de reglementering inzake de reaffectatie en wedertewerkstelling;

5° in dienst zijn op grond van de reglementering inzake de personeelsformatie;

6° in een gezondheidstoestand verkeren die de gezondheid van de leerlingen niet in gevaar brengt.

§ 2. De salarissen worden door [54Agodi54] rechtstreeks en maandelijks aan de betrokken personeelsleden uitbetaald.

Art. 74.

[67De regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot een onderwijsambt. 67]

Art. 75.

[54 ... 54]

Onderafdeling D. - De werkingsbudgetten

[341° Algemene bepalingen34]

Art. 76.

[34

Ieder schooljaar krijgen de schoolbesturen een werkingsbudget voor de werking, de uitrusting, het groot onderhoud van hun scholen, voor het werken aan rationeel energiegebruik in hun scholen en om tegemoet te komen aan de kosteloosheid vermeld in artikel 27 en aan de maximumfacturen vermeld in artikel 27bis.

Bij de aanwending van het werkingsbudget moet ieder schoolbestuur rekening houden met een gelijke behandeling van al zijn gefinancierde of gesubsidieerde scholen en van al zijn leerlingen.

34] [85

Art. 76bis.

Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden de werkingsmiddelen voor het kleuteronderwijs gelijkgeschakeld met die van het lager onderwijs. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd daartoe een regeling uit te werken.

85]

Art. 77.

[34

Ieder schoolbestuur van een gesubsidieerde school moet aan Agodi verantwoording afleggen over het gebruik van zijn werkingsbudget. De verificatiediensten van Agodi kunnen ter plaatse controle uitoefenen zonder dat die controle betrekking mag hebben op de opportuniteit.

De regering bepaalt nader de controlemaatregelen en ontwikkelt een methode die jaarlijks toelaat om een globaal zicht te krijgen op de besteding van de werkingsbudgetten in het basisonderwijs.

34]

Art. 78.

[34

§ 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden volgende kenmerken :

1° leerlingenkenmerken :

a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingenkenmerk 1 te noemen;

[84b) het krijgen van een selectieve participatietoeslag leerling: er wordt een selectieve participatietoeslag leerling uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die enkel door ongewettigde afwezigheid of onvoldoende aanwezigheid geen recht hadden op een selectieve participatietoeslag, ook meegerekend;84]

c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingenkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd;

d) de leerling heeft zijn woonplaats in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd, hierna leerlingenkenmerk 4 te noemen. Onder schoolse vertraging wordt het aantal leerjaren vertraging verstaan die een leerling oploopt ten aanzien van het leerjaar waarin hij zich zou bevinden als hij normaal zou vorderen. Voor leerlingen woonachtig in het Vlaamse Gewest wordt onder "buurt" de statistische sector verstaan. De statistische sector is de territoriale basiseenheid zoals vastgelegd door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor leerlingen woonachtig in het Brussels Gewest wordt onder "buurt" de gemeente waar zij wonen verstaan;

2° schoolkenmerken :

a) het schoolbestuur organiseert gewoon kleuteronderwijs, hierna schoolkenmerk 1 te noemen;

b) het schoolbestuur organiseert gewoon lager onderwijs, hierna schoolkenmerk 2 te noemen;

c) het schoolbestuur organiseert buitengewoon kleuteronderwijs met uitzondering van type 4, hierna schoolkenmerk 3 te noemen;

d) het schoolbestuur organiseert buitengewoon kleuteronderwijs van type 4, hierna schoolkenmerk 4 te noemen;

e) het schoolbestuur organiseert buitengewoon lager onderwijs met uitzondering van type 4, hierna schoolkenmerk 5 te noemen;

f) het schoolbestuur organiseert buitengewoon lager onderwijs van type 4, hierna schoolkenmerk 6 te noemen;

g) [86...86]

h) het schoolbestuur organiseert, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, neutraal onderwijs, hierna voorafname 1 (V1) te noemen;

i) het schoolbestuur biedt, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde grondwet, de keuze aan tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, hierna voorafname 2 (V2) te noemen.

[84In afwijking van het eerste lid, 1°, b), wordt voor het begrotingsjaar 2020 voor de scholen die tellen conform artikel 87, § 1, onder leerlingenkenmerk 2 begrepen, het krijgen van een schooltoelage: er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling, als vermeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die alleen door ongewettigde afwezigheid of onvoldoende aanwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, ook meegerekend;84]

§ 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld :

1° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging, is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een onderwijsinstelling, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd;

2° in een tweede fase wordt voor elke leerling vastgesteld wat het percentage schoolse vertraging is van de buurt. Leerlingen die behoren tot de trekkende bevolking, vermeld in artikel 3, 52ter, en thuislozen, vermeld in artikel [523, 52° bis/2,52] worden geacht te wonen in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd.

Voor alle leerlingen uit het gewoon basisonderwijs wordt het 75e percentiel van de buurtscores bepaald. Leerlingen die hun woonplaats hebben in een buurt met een score hoger dan of gelijk aan het 75e percentiel beantwoorden aan de indicator 'woonplaats hebben in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd'.

Leerlingenkenmerk 4 is enkel van toepassing voor leerlingen die in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wonen.

§ 3. De regering bepaalt de wijze waarop de leerlingenkenmerken worden vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming worden verzameld. Voor leerlingenkenmerk 4 bepaalt de regering de wijze waarop de buurten worden afgebakend.

34]

[342° Werkingsbudgetten in het gefinancierde en gesubsidieerde gewoon basisonderwijs 34]

[34A. Vaststelling van het totale werkingsbudget en de verdeling ervan in deelbudgetten34]

Art. 79.

[34

§ 1. Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsbudgetten voor het gewoon basisonderwijs [39402.900.00039] euro.

§ 2. 1° Vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs.

2° Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs.

3° [73Vanaf het begrotingsjaar 201773] wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs.

[73...73]

§ 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van [39402.900.00039] euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :

1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :

a) punten 1 = het totale aantal punten voor schoolkenmerk 1 en 2, berekend na de toepassing van artikel 81, voor de leerlingen van het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar;

b) punten 0 = het totale aantal punten voor schoolkenmerk 1 en 2, berekend na de toepassing van artikel 81, voor de leerlingen van het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het voorlaatste schooljaar;

2° A2 = (Cx-1/Cx-2), waarbij :

a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.

De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht;

[393° in afwijking van § 3, 2°, is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 [43en 201143] gelijk aan 1;39]

[50 4° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4; 50]

[535° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4; 53]

[60

6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4;

7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 8.101.000 euro.

60]

§ 4. [71Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 486.000 euro.71]

34]

Art. 80.

[34

§ 1. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 79, wordt een budget van 3 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %), waarbij :

1° B = werkingsbudget verkregen na de toepassing van artikel 79;

2° lln_Neu = leerlingen in het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs;

3° lln_tot = het totaal aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs;

4° lln_LB = leerlingen van het officieel gewoon lager onderwijs.

§ 2. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na toepassing van artikel 79, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V2 = B * lln_LB * 4,5 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %).

§ 3. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 79 en na toepassing van § 1 en § 2, wordt een percentage berekend dat in aanmerking komt voor verdeling op basis van de leerlingenkenmerken. Dat budget wordt berekend volgens de volgende formule :

(B - V1 - V2) * Pjaar x = B_lli, waarbij :

1° [60Pjaarx = percentage voor het begrotingsjaar in kwestie. Dat percentage bedraagt 14,5625 % voor de begrotingsjaren 2014 en 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 stijgt dit percentage jaarlijks met 0,1875 % tot 15,5 % vanaf 2020. Vanaf begrotingsjaar 2021 is het dit percentage van 15,5 % dat zal worden toegepast;60]

2° B_lli = werkingsbudget dat verdeeld zal worden op basis van leerlingenkenmerken.

Het werkingsbudget per leerlingenkenmerk wordt als volgt bepaald : B_lli / 4, respectievelijk : B_lliOpl, B_lliSt, B_lliTa, B_lliBu, met :

a) B_lliOpl= werkingsbudget leerlingenkenmerk 1;

b) B_lliSt= werkingsbudget leerlingenkenmerk 2;

c) B_lliTa= werkingsbudget leerlingenkenmerk 3;

d) B_lliBu= werkingsbudget leerlingenkenmerk 4.

§ 4. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van volgende formule : B_SchK = B - V1 - V2 - B_lli.

[39

Voor het begrotingsjaar 2010 wordt het B_SchK bepaald door toepassing van volgende formule :

B_SchK = GPP_SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 81, 1° en 2°,

waarbij : GPP_SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009.

39] 34]

[34B. Verdelingsmechanisme van de deelbudgetten34]

Art. 81.

[34

B_SchK, vermeld in artikel 80, § 4, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 1 en 2, vermeld in artikel 78, § 1 :

1° voor de leerlingen van het kleuteronderwijs en van het lager onderwijs wordt het puntengewicht als volgt bepaald :

a) voor een kleuter : 6 punten, met dien verstande dat het aantal regelmatige kleuters op de eerste schooldag van februari worden gewogen met volgend percentage : 88,48 %;

b) voor een leerling lager onderwijs : 8 punten;

2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk vermeld in § 1, het aantal leerlingen geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht verkregen na toepassing van 1°;

3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP_SchK te noemen.

34]

Art. 82.

[34

§ 1. Het budget V1, vermeld in artikel 80, § 1, wordt als volgt verdeeld : V1 wordt gedeeld door alle leerlingen van het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V1, hierna GW_V1 te noemen.

§ 2. Het budget V2, vermeld in artikel 80, § 2, wordt als volgt verdeeld : V2 wordt gedeeld door alle leerlingen van het officieel gewoon lager onderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V2, hierna GW_V2 te noemen.

34] [3

Artikel 82bis en 82ter

[34...34]

3]

Art. 83.

[34

Het budget leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 80, § 3, wordt verdeeld in een bedrag per leerling per kenmerk volgens de volgende formules :

1) B_ClliOpl= B_lliOpl/ClliOpl;

2) B_ClliSt= B_lliSt/ClliSt;

3) B_ClliTa= B_lliTa/ClliTa;

4) B_ClliBu= B_lliBu/ ClliBu;

met :

a) B_ClliOpl= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 1;

b) B_ClliSt= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 2;

c) B_ClliTa= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 3;

d) B_ClliBu= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 4;

e) ClliOpl= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

f) ClliSt= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

g) ClliTa= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

h) ClliBu= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4.

ClliOpl, ClliSt, ClliTaen ClliBuworden respectievelijk via de volgende formules berekend :

1° ClliOpl= S alle scholenClliOpl_school,

waarbij ClliOpl_school = MIN (Proc._school_iOpl; Gemid_tot_iOpl + (2 x Stdev_tot_iOpl)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliOpl_school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 1;

b) Proc_school_iOpl = het Procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

c) Gemid_tot_iOpl = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

d) Stdev_tot_iOpl = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie die in aanmerking komen voor leerlingenkenmerk 1;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : Proc_school_iOpl of Gemid_tot_iOpl + (2 x Stdev_tot_iOpl); het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 1;

2° ClliSt= S alle scholenClliSt_school,

waarbij : ClliSt_school = MIN (Proc_school_iSt; Gemid_tot_iSt + (2 x Stdev_tot_iSt)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliSt_school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 2;

b) Proc_school_iSt = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

c) Gemid_tot_iSt = het gemiddeld van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

d) Stdev_tot_iSt = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie die in aanmerking komen voor leerlingenkenmerk 2;

e) MIN= de laagste waarde van de twee : Proc_school_iSt of Gemid_tot_iSt + (2 x Stdev_tot_iSt); het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 2;

3° ClliTa= S alle scholenClliTa_school,

waarbij ClliTa_school = MIN (Proc_school_iTa; Gemid_tot_iTa + (2 x Stdev_tot_iTa)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliTa _school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 3;

b) Proc_school_iTa = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

c) Gemid_tot_iTa = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen per school dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

d) Stdev_tot_iTa = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie die in aanmerking komen voor leerlingenkenmerk 3;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : Proc_school_iTa of Gemid_tot_iTa + (2 x Stdev_tot_iTa); het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 3;

4° ClliBu= S alle scholenClliBu_school,

waarbij ClliB_school = MIN (Proc_school_iBu; Gemid_tot_iBu + (2 x Stdev_tot_iBu)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliBu_school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 4;

b) Proc_school_iBu = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4;

c) Gemid_tot_iBu = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 voor alle scholen samen;

d) Stdev_tot_iBu = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie die in aanmerking komen voor leerlingenkenmerk 4;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : Proc_school_iBu of Gemid_tot_iBu + (2 x Stdev_tot_iBu). het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 4.

34]

[34C. Berekening van het werkingsbudget per school34]

Art. 84.

[34

Het werkingsbudget per school wordt voor een deel berekend op basis van schoolkenmerken en voor een deel op basis van leerlingenkenmerken.

34]

Art. 85.

[34

§ 1. Per school wordt het totaal aantal punten berekend door het aantal leerlingen, geteld overeenkomstig artikel 87, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht voor schoolkenmerk 1 en 2.

§ 2. Het werkingsbudget per school is de som van :

1° het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school met de GPP_SchK, zoals bepaald in artikel 81, 3°;

2° het bedrag, verkregen door het resultaat de van volgende vermenigvuldigingen :

a) B_ClliOplx ClliOpl_school;

b) B_ClliStx ClliSt_school;

c) B_ClliTax ClliTa_school;

d) B_ClliBux ClliBu_school;

3° GW_V1, zoals bepaald in artikel 82, § 1, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school;

4° GW_V2, zoals bepaald in artikel 82, § 2, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen lager onderwijs in de school.

§ 3. Het budget, verkregen na de toepassing van § 2, wordt voor het Gemeenschapsonderwijs jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 36, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs waarbij :

1° de som van het bedrag dat met toepassing van artikel 85, § 2, verkregen is, voor het geheel van de scholen van het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs tot en met 2015 verminderd wordt met 30 percent van de loonkosten van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs, in 2016 met 60 percent en [69vanaf 201769] met 100 percent van die loonkosten;

2° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2, verkregen is, voor het geheel van de scholen van het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs verhoogd wordt met de middelen vastgelegd voor het optrekken van het vakantiegeld tot 92 % voor het contractuele onderhouds- of meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs, toegekend via de betreffende onderwijs-cao. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag [35554.00035] euro.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt zoals bepaald in artikel 79.

§ 4. Het werkingsbudget verkregen na de toepassing van artikel 85, § 2, wordt voor het gesubsidieerd onderwijs jaarlijks toegekend aan de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs.

Daarbij worden de middelen voor de schoolbesturen van het vrij gesubsidieerd onderwijs verhoogd met de middelen tot harmonisering van de lonen tussen het onderhouds-, meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gesubsidieerd vrij onderwijs en dat personeel van het Gemeenschapsonderwijs, toegekend via de respectieve onderwijs-cao's. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag [353.239.00035] euro.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door toepassing van de A2-coëfficiënt zoals bepaald in artikel 79.

Die cao-middelen worden verdeeld pro rata het aantal punten per school van het vrij gesubsidieerd onderwijs, dat verkregen is na de toepassing van artikel 85, § 1.

§ 5. De werkingsbudgetten van de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd gewoon basisonderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 % van de werkingsmiddelen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.

[47

§ 6. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de werkingsmiddelen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd gewoon basisonderwijs of de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.;

47] 34]

[343° Werkingsbudgetten in het gefinancierde en gesubsidieerde buitengewoon onderwijs34]

[34A. Vaststelling van het totale werkingsbudget en de verdeling ervan in deelbudgetten34]

Art. 85bis.

[34

§ 1. Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsmiddelen voor het buitengewoon basisonderwijs [3935.599.00039] euro.

§ 2. 1° Vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs.

2° Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs.

3° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs.

[73...73]

§ 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van [3935.599.00039] euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :

1° A1 = 0,6 +0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :

a) punten 1 = het totale aantal punten voor schoolkenmerk 3, 4, 5 en 6, zoals berekend na toepassing van artikel 85quater, voor de leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar;

b) punten 0 = het totaal aantal punten voor schoolkenmerk 3, 4, 5 en 6, zoals berekend na toepassing van artikel 85quater, voor de leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het voorlaatste schooljaar;

2° A2 = (Cx-1/Cx-2), waarbij :

a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.

De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht;

[393° in afwijking van 2° is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 [43en 201143] gelijk aan 1;39]

[50 4° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4; 50]

[535° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4; 53]

[60

6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4;

7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015, verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 731.000 euro.

60]

§ 4. [71Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 53.000 euro.71]

34] [34

Art. 85ter.

§ 1. Van het werkingsbudget buitengewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 85bis, wordt een budget van 3 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 %+ lln_LB * 4,5 %), waarbij :

1° B = werkingsbudget verkregen na toepassing van artikel 85bis ;

2° lln_Neu = leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs;

3° lln_tot = het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs;

4° lln_LB = leerlingen van het officieel buitengewoon lager onderwijs.

§ 2. Van het werkingsbudget buitengewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 85bis, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V2 = B * lln_LB * 4,5 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %).

§ 3. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule :

B_SchK = B - V1 - V2.

[39

Voor het begrotingsjaar 2010 wordt het B_SchK bepaald door toepassing van volgende formule :

B_SchK = GPP_SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 85quater, 1° en 2°,

waarbij : GPP_SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009.

39] 34]

[34B. Verdelingsmechanisme van de deelbudgetten34]

[34

Art. 85quater.

[86

B_SchK zoals bepaald in artikel 85ter, § 3, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 3, 4, 5, en 6:

1° voor de leerlingen van het buitengewoon onderwijs wordt het puntengewicht als volgt vastgesteld:

a) buitengewoon kleuteronderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 3) 9 punten;

b) buitengewoon kleuteronderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 4) 11 punten;

c) buitengewoon lager onderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 5) 13 punten;

d) buitengewoon lager onderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 6) 15 punten.

Met dien verstande dat in het buitengewoon kleuteronderwijs het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari wordt gewogen met volgend percentage: 94,5 %;

2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in punt 1°, het aantal leerlingen, geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht;

3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten.

Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP_SchK te noemen.

86] 34] [34

Art. 85quinquies.

§ 1. Het budget V1, zoals bepaald in artikel 85ter, wordt als volgt verdeeld : V1 wordt gedeeld door alle leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V1, hierna GW_V1 te noemen.

§ 2. Het budget V2, zoals bepaald in artikel 85ter, wordt als volgt verdeeld : V2 wordt gedeeld door alle leerlingen van het officieel buitengewoon lager onderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V2, hierna GW_V2 te noemen.

34]

[34C.1. Berekening van het werkingsbudget per school34]

[34

Art. 85sexies.

Het werkingsbudget per school wordt berekend op basis van schoolkenmerken.

34]

Art. 86.

[34

§ 1. Per school wordt het totale aantal punten berekend door de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen, geteld overeenkomstig artikel 87, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht voor schoolkenmerk 3, 4, 5, 6.

§ 2. Het werkingsbudget per school van het buitengewoon basisonderwijs is de som van :

1° het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school met de GPP_SchK, zoals bepaald in artikel 85quater, § 3;

2° GW_V1, zoals bepaald in artikel 85sexies, § 1, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school;

3° GW_V2, zoals bepaald in artikel 85sexies, § 2, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen lager onderwijs in de school.

§ 3. Het budget verkregen na de toepassing van § 2, wordt voor het Gemeenschapsonderwijs jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 36, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs waarbij :

1° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs tot en met 2015 verminderd wordt met 30 percent van de loonkosten van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs, in 2016 met 60 percent en [69vanaf 201769] met 100 percent van die loonkosten;

2° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs verhoogd wordt met de middelen, vastgelegd voor het optrekken van het vakantiegeld tot 92 % voor het contractuele onderhouds- of meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs, toegekend via de betreffende onderwijs-cao. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 86.000 euro.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door toepassing van de A2-coëfficiënt zoals bepaald in artikel 79.

§ 4. Het werkingsbudget verkregen na de toepassing van § 2 wordt voor het gesubsidieerd onderwijs jaarlijks toegekend aan de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs.

Daarbij worden de middelen voor de schoolbesturen van het vrij gesubsidieerd onderwijs verhoogd met de middelen tot harmonisering van de lonen tussen het onderhouds-, meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gesubsidieerd vrij onderwijs en dat personeel van het Gemeenschapsonderwijs, toegekend via de betreffende onderwijs-cao's. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag [35287.000 euro35] .

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, zoals bepaald in artikel 79.

Die cao-middelen worden verdeeld pro rata het aantal punten per school van het vrij gesubsidieerd onderwijs, dat verkregen is na de toepassing van artikel 86, § 1.

§ 5. De werkingsbudgetten van de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 % van de werkingsmiddelen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.

[47

§ 6. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de werkingsmiddelen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs of de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.

47] 34]

[34C.2. Berekening van de integratietoelage per school34]

[34

Art. 86bis.

[86

...

86] 34] [79

Art. 86bis/1.

[86

§ 1. Er worden jaarlijks werkingsmiddelen toegekend aan de schoolbesturen van scholen buitengewoon onderwijs die met toepassing van artikel 172quinquies en 172quinquies/1 ondersteuning bieden.

§ 2. Voor de leerlingen, vermeld in artikel 172quinquies en 172quinquies/1, § 3, 2°, worden de voormelde werkingsmiddelen voor het schooljaar (X, X+1) berekend door het aantal aan de schoolbesturen toegekende begeleidingseenheden, extra lestijden en extra uren in het kader van het ondersteuningsmodel, vermeld in artikel 172quinquies en 172quinquies/1, § 3, 2°, in voorkomend geval na overdrachten, te vermenigvuldigen met een bedrag per begeleidingseenheid, lestijd of uur.

Het bedrag, vermeld in het eerste lid, werd berekend door het budget dat op de onderwijsbegroting voor 2018 voorzien was voor de toekenning van werkingsmiddelen voor het ondersteuningsmodel te delen door het totaal aantal toegekende begeleidingseenheden, extra lestijden, extra lesuren en extra uren in het kader van het ondersteuningsmodel voor het schooljaar 2017-2018.

Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt conform de volgende formule:

A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:

1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x- 2.

§3. Voor de leerlingen, vermeld in artikel 172quinquies/1, § 3, 1°, die op een van de teldagen, vermeld in artikel 172quinquies/1, § 4, begeleid worden, krijgt de begeleidende school voor buitengewoon onderwijs de volgende werkingsmiddelen toegekend: 1° voor het kleuteronderwijs:

1° voor het kleuteronderwijs:

a) type 2, 6 of 7: 360,66 euro per leerling;

b) type 4: 548,07 euro per leerling;

2° voor het lager onderwijs:

a) type 2, 6 of 7: 645,48 euro per leerling;

b) type 4: 843,80 euro per leerling.

De werkingsmiddelen toegekend aan de school voor buitengewoon onderwijs op basis van de leerlingen op de eerste schooldag van oktober, worden gegarandeerd voor het volledige schooljaar.

Als op basis van de telling op de eerste schooldag van februari van het lopende schooljaar en met toepassing van de bedragen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, een hoger bedrag aan werkingsmiddelen wordt bekomen voor een school voor buitengewoon onderwijs in vergelijking met de werkingsmiddelen toegekend op basis van de telling van de eerste schooldag van oktober, dan ontvangt deze school dit verschil aan werkingsmiddelen. In geval van een daling behoudt de school voor buitengewoon onderwijs de werkingsmiddelen berekend op basis van de eerste schooldag van oktober.

In geval een school voor gewoon basisonderwijs voor ondersteuning samenwerkt met een school voor buitengewoon secundair onderwijs, dan worden de werkingsmiddelen bepaald met toepassing van de bedragen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, toegekend aan die school voor buitengewoon secundair onderwijs.

§ 4. De bedragen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1° en 2°, worden jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt conform de volgende formule:

A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:

1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x- 2.

86] 79] [69

Art. 86ter.

[86...86]

69] [73

Art. 86quater.

[86...86]

73]

[344° Teldagen34]

Art. 87.

[34

§ 1. Het werkingsbudget wordt ieder schooljaar per school berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen dat ingeschreven is op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.

§ 2. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor scholen in programmatie de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

Die teldag geldt in het gewoon basisonderwijs voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de vijf daaropvolgende schooljaren.

Die teldag geldt in het buitengewoon basisonderwijs voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de twee daaropvolgende schooljaren.

§ 3. In afwijking van § 1 is de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden "de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als "de maand september" en wordt het woord "teldag" telkens gelezen als "telperiode".

Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en scholen voor type 5 worden de woorden "op basis van het aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven op de eerste schooldag van februari" gelezen als "op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".

§ 5. Het werkingsbudget van een school voor type 5 kan alleen volledig worden aangewend als een door de regering vastgelegd gemiddelde van onderwijsdagen per kind gedurende de telperiode wordt bereikt.

Als dat gemiddelde niet wordt bereikt, dan wordt het werkingsbudget evenredig verminderd.

§ 6. [86...86]

34]

[735° Extra werkingsbudget voor het kleuteronderwijs73]

[73

Artikel 87bis.

§ 1. Vanaf het begrotingsjaar X, startend in begrotingsjaar 2017, wordt een extra werkingsbudget van 10.000.000 euro toegekend aan het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2017-2018.

Het extra werkingsbudget per school is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal kleuters in de school op de teldag vermeld in artikel 87, met de G_Kl, waarbij: G_Kl = het extra werkingsbudget vermeld in paragraaf 1, eerste lid, na toepassing van paragraaf 2, gedeeld door het totaal aantal kleuters in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs op de teldag vermeld in artikel 87.

Het extra werkingsbudget wordt elk schooljaar aan het schoolbestuur uitbetaald vóór 31 december van het lopende schooljaar.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2019 wordt het extra werkingsbudget vermeld in paragraaf 1, eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend:

1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij:

a) punten 1 = de som van het totale aantal punten voor schoolkenmerk 1 en 2, berekend na de toepassing van artikel 81, voor de leerlingen van het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar en het totaal aantal punten voor schoolkenmerk 3, 4, 5 en 6 zoals berekend na toepassing van artikel 85quater, voor de leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar;

b) punten 0 = de som van het totale aantal punten voor schoolkenmerk 1 en 2, berekend na de toepassing van artikel 81, voor de leerlingen van het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het voorlaatste schooljaar en het totale aantal punten voor schoolkenmerk 3, 4, 5 en 6, zoals berekend na toepassing van artikel 85quater, voor de leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het voorlaatste schooljaar;

2° A2 = (Cx-1/Cx-2), waarbij:

a) Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

b) Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.

De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.

[81

§ 3. Voor het begrotingsjaar 2019 wordt een extra werkingsbudget van 10.000.000 euro toegekend aan de scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019. Deze middelen kunnen ook aangewend worden tijdens het schooljaar 2019-2020.

Het extra werkingsbudget per school is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal kleuters in de school op 1 februari 2018, met de G_Kl, waarbij:

G_Kl = het extra werkingsbudget vermeld in het eerste lid, gedeeld door het totaal aantal kleuters in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs op 1 februari 2018.

Het extra werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uitbetaald uiterlijk op 31 maart 2019.

81] [81

§ 4. Voor het begrotingsjaar 2019 wordt een extra werkingsbudget van 397.607 euro toegekend aan het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019. Deze middelen kunnen ook aangewend worden tijdens het schooljaar 2019-2020.

Het extra werkingsbudget per school is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal kleuters in de school op 1 februari 2018, met de G_Kl, waarbij:

G_Kl = het extra werkingsbudget, vermeld in het eerste lid, gedeeld door het totaal aantal kleuters in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs op 1 februari 2018.

Het extra werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uitbetaald uiterlijk op 31 maart 2019.

81] 73]

Onderafdeling E. - De investeringsmiddelen

Art. 88.

§ 1. [14Het Gemeenschapsonderwijs14] en de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs kunnen voor hun scholen een beroep doen op de door de Gemeenschap aan [14het Gemeenschapsonderwijs14] of aan de [26Agion26] toegekende investeringsmiddelen voor zover :

- hun scholen voldoen aan de subsidiërings- of financieringsvoorwaarden;

- de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding is aangetoond en er binnen een bepaalde gebiedsomschrijving geen bestaande gebouwen of voorzieningen beschikbaar zijn die geheel of gedeeltelijk door de Gemeenschap zijn gefinancierd of gesubsidieerd;

- de werken beantwoorden aan de vastgestelde fysische en financiële normen.

§ 2. De regering legt de fysische en financiële normen vast.

Art. 89.

De jaarlijks in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap ingeschreven vastleggingsmachtigingen bestemd voor investeringen in onroerend goed in het onderwijs worden over het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gemeenschapsonderwijs verdeeld naar rato van de vervangingswaarde van de schoolgebouwen van elk hiervoor vermeld onderwijsnet. Hierbij wordt rekening gehouden met een dekkingsgraad van 100 % in het gefinancierd onderwijs. De dekkingsgraad is 70 % voor de scholen in het gesubsidieerd basisonderwijs.

Art. 90.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 89 wordt per onderwijsnet de vervangingswaarde van de schoolgebouwen vastgesteld op basis van de volgende berekeningswijze :

benodigde oppervlakte x eenheidsprijs

afschrijvingstermijn

Per onderwijsnet is de benodigde oppervlakte gelijk aan de som van de produkten van de gemiddelde oppervlakte per onderwijsniveau en het aantal leerlingen in het overeenkomstig onderwijsniveau.

De gemiddelde oppervlakte per onderwijsniveau wordt berekend op basis van een voor alle netten gelijke oppervlakte per leerling, rekening houdend met de objectieve verschillen inzake schoolgrootte.

§ 2. Overeenkomstig de in § 1 bedoelde formule wordt de waarde van de parameters telkens voor een periode van vijf jaar vastgesteld.

De eenheidsprijs per vierkante meter ten bedrage van [23641,42 euro23] en de afschrijvingsperiode, die vijftig jaar bedraagt, zijn voor alle netten en niveaus gelijk.

Onderafdeling F. - Speciale onderwijsleermiddelen

Art. 91.

[56

§ 1. Regelmatige leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften die gewoon gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs volgen, kunnen speciale onderwijsleermiddelen ter beschikking krijgen.

[65§ 2.65] Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse Gebarentaal of schrijftolken, dan bepaalt de Vlaamse Regering :

[6565] de procedure voor de aanvraag en toekenning van de schrijftolken en tolken Vlaamse Gebarentaal bij het Agodi; het Agodi zal hiertoe eveneens een intern beroep voorzien;

[6565] de diplomavoorwaarden voor de tolken Vlaamse Gebarentaal en schrijftolken;

[6565] de te indexeren loonkost voor de tolken Vlaamse Gebarentaal en de loonkost voor de schrijftolken;

[654° de definitie van de doelgroep.65]

[65§ 3.65] [65Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse gebarentaal of schrijftolken, dan verleent de Vlaamse Regering voor de realisatie van deze tolkuren een subsidie aan een centraal tolkenbureau, die bestaat uit enerzijds werkingsmiddelen voor dit tolkenbureau en anderzijds lonen en verplaatsingskosten voor de tolken. 65]

[65De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van dit tolkenbureau.65]

[65§ 4.65] De procedure voor de aanvraag en toekenning en het intern beroep en de werking van het door de Vlaamse Regering te bepalen centraal tolkenbureau worden om de drie jaar geëvalueerd. De eerste evaluatie vindt plaats gedurende het schooljaar 2015-2016. Tijdens deze evaluatie wordt de betrokkenheid van de doelgroep verzekerd.

[65§ 5.65] Indien deze speciale onderwijsleermiddelen een andere vorm aannemen dan hetgeen vermeld is onder paragraaf 2 tot en met [65465] , dan bepaalt de Vlaamse Regering de procedure voor de aanvraag en de criteria voor toekenning van deze middelen.

56]

Onderafdeling G. - Sociale voordelen en gezondheidstoezicht

Art. 92 t.e.m. 95.

[30...30]

HOOFDSTUK VIII. - [14Programmatie en rationalisatie van scholen14]

Art. 96.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de gefinancierde en gesubsidieerde scholen [14...14] .

Afdeling 1. - Vrije keuzeschool

Art. 97.

[13Elke officiële school voor gewoon onderwijs kan de vrije keuze verzekeren indien zij begeleid wordt door een officieel CLB en indien de oudervereniging van de school aansluit bij het ondersteuningscentrum van ouderverenigingen van het officieel onderwijs.13]

Art. 98.

[13...13]

Art. 99.

Een vrije school voor gewoon onderwijs, gebaseerd op een godsdienst of levensbeschouwing, die op grond van artikel 25, § 1, 2° opgericht wordt om de vrije keuze te verzekeren, is een vrije keuzeschool indien ze erkend is door de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of levensbeschouwing.

Art. 100.

§ 1. Een vrije keuzeschool zoals bedoeld in [20de artikelen 97 en 9920] voldoet aan de programmatienormen indien er [9op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar 9] zestien regelmatige leerlingen [13...13] zijn ingeschreven.

§ 2. Een vrije keuzeschool die voldoet aan § 1 kan een beroep doen op de door de Gemeenschap aan [14het Gemeenschapsonderwijs14] of aan [37Agion37] toegekende investeringsmiddelen.

§ 3. De directeur van een vrije keuzeschool die voldoet aan § 1 krijgt de weddeschaal van directeur toegekend.

§ 4. De norm bepaald in § 1 is de rationalisatienorm zolang de school vrije keuzeschool is en de bepaling van § 2 geldt zolang de school vrije keuzeschool blijft.

Art. 101.

§ 1. [57In elke gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs die voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen kunnen per 1 september types van vrije keuze, met uitzondering van type 5, worden gefinancierd of gesubsidieerd indien het type binnen de provincie niet georganiseerd wordt in een school van dezelfde groep.57]

§ 2. [70De conform paragraaf 1 nieuw opgerichte types van vrije keuze moeten op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar voldoen aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen.70]

§ 3. Een volgens § 1 opgericht type kan niet tot een ander type omgevormd worden.

[57

§ 4. In aanvulling op § 1 tot § 3 moet een schoolbestuur dat een nieuw type van vrije keuze wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden :

1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité;

2° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor het nieuwe type;

3° de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe type worden in het dossier weergegeven.

De regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.

§ 5. De oprichting vanaf 1 september van een nieuw type van vrije keuze kan pas na een gunstige beslissing van de regering.

Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi.

In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van een type 9 van vrije keuze gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.

De regering neemt deze beslissing na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.

57]

Afdeling 2. - Programmatie

Onderafdeling A. - [26Programmatie van scholen26]

Art. 102.

[14

§ 1. Buiten de gevallen zoals bedoeld in artikel 100, kan een nieuwe school voor gewoon basisonderwijs per 1 september in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden, indien ze op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar de door de regering vastgelegde programmatienormen bereikt en gelegen is op een voldoende afstand van elke andere school of vestigingsplaats voor gewoon kleuter-, lager-, of basisonderwijs van dezelfde groep. Een nieuwe school is een school die opgericht wordt vanaf 1 september 2003.

In gemeenten met een bevolkingsdichtheid van vijfhonderd of minder inwoners per km² is de afstand drie kilometer, in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van meer dan vijfhonderd inwoners per km² is de afstand twee kilometer.

§ 2. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de in programmatie zijnde school het tweede, derde [26, vierde, vijfde en zesde26] bestaansjaar telkens op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar de door de regering vastgelegde programmatienormen bereiken.

Indien dit niet het geval is, wordt de school met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd.

14] [26

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "op de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "tijdens de maand september".

26]

Art. 103.

§ 1. Een nieuwe school voor buitengewoon onderwijs kan per 1 september in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden indien zij [20op de eerste schooldag van oktober20] van het oprichtingsjaar :

- ten minste twee types organiseert, type 5 uitgezonderd;

- voor elk type de door de regering vastgelegde programmatienormen bereikt;

- voor alle georganiseerde types samen de door de regering vastgelegde programmatienormen bereikt.

[20

§ 1bis. In afwijking van § 1 kan, indien er [56binnen de provincie56] nog geen school van die groep bestaat, één nieuwe school voor buitengewoon onderwijs per 1 september in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden indien zij op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar de door de Vlaamse Regering vastgestelde programmatienorm bereikt.

20]

§ 2. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe school het tweede en derde bestaansjaar telkens [9op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar9] de door de regering vastgelegde programmatienormen bereiken zowel voor de totale schoolbevolking als voor elk type afzonderlijk.

Indien dit niet het geval is wordt de school met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet gefinancierd of gesubsidieerd.

§ 3. In afwijking van § 1 kan aan een door de regering aangeduide medische instelling per 1 september één school voor type 5 in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden indien de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen gedurende de maand september van het oprichtingsjaar voldoet aan de door de regering vastgestelde programmatienormen.

Voor het type 5 wordt de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen gedurende de maand september van het tweede en derde bestaansjaar vergeleken met de programmatienorm.

Art. 104.

De directeur van de volgens de artikelen 102 en 103 gefinancierde of gesubsidieerde school krijgt vanaf 1 september van het oprichtingsjaar de weddeschaal van directeur.

Art. 105.

[14 § 1. De volgens artikelen 102 of 103 gefinancierde of gesubsidieerde scholen kunnen na het derde bestaansjaar een beroep doen op de door de Gemeenschap aan het Gemeenschapsonderwijs of aan de [26Agion26] toegekende investeringsmiddelen.14]

[4§ 2.4] In afwijking van § 1, kan een nieuwe gefinancierde of gesubsidieerde school die voorheen vestigingsplaats was, vanaf het oprichtingsjaar een beroep doen op de door de Gemeenschap aan [14het Gemeenschapsonderwijs14] of aan de [26Agion26] toegekende investeringsmiddelen.

[26

Art. 105bis.

Bij het vastleggen van de verschillende programmatienormen neemt de regering de volgende principes in acht :

1° de programmatienormen zijn verschillend naargelang de bevolkingsdichtheid van de gemeenten;

2° a) voor het gewoon basisonderwijs worden programmatienormen vastgelegd voor de eerste zes bestaansjaren;

b) voor het buitengewoon basisonderwijs worden programmatienormen vastgelegd voor de eerste drie bestaansjaren;

3° a) de programmatienormen voor het gewoon basisonderwijs liggen tussen 25 en 165 leerlingen;

b) de programmatienormen voor het buitengewoon basisonderwijs liggen tussen 5 en 180 leerlingen.

26]

Onderafdeling B. - Fusies en herstructureringen

Art. 106.

Elke school kan vanaf het [14tweede14] schooljaar dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling met één of meer andere scholen gefusioneerd worden.

Een fusie van scholen heeft uitwerking op 1 september. De school door fusie ontstaan wordt niet als een nieuwe oprichting beschouwd. De programmatienormen zijn niet van toepassing.

Art. 107.

Schoolbesturen kunnen hun scholen herstructureren vanaf het [14tweede14] schooljaar dat ze opgenomen zijn in de financierings- of subsidieregeling. [1Zij kunnen hun scholen overhevelen naar een ander schoolbestuur.1]

Een herstructurering heeft uitwerking op 1 september. [1De overheveling van een school naar een ander schoolbestuur heeft ten aanzien van [54het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming54] uitwerking op 1 september.1]

[14...14]

Art. 108.

Wegens uitzonderlijke redenen van tijdelijke aard [63kunnen leerlingen, [75conform artikel 63, § 2,75] , tijdelijk buiten de bestaande vestigingsplaats ondergebracht worden63] . De programmatienormen [23en rationalisatienormen23] zijn hier niet van toepassing.

[26Afdeling 2bis - Oprichten van vestigingsplaatsen, niveaus of types26]

[26Onderafdeling A - Oprichten van vestigingsplaatsen26]

[14

Art. 108bis.

[26

§ 1. Elke school voor gewoon kleuter-, lager-, of basisonderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen, mag één of meer vestigingsplaatsen oprichten. Daartoe moeten de school en al haar reeds bestaande vestigingsplaatsen en niveaus op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken en moeten de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.

§ 2. In afwijking van § 1 kan een school voor gewoon basisonderwijs in programmatie, vanaf het tweede jaar dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling, één of meer vestigingsplaats(en) oprichten. In voorkomend geval gelden de programmatienormen.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "op de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "tijdens de maand september" en worden de woorden "op de eerste schooldag van februari" gelezen als de woorden "tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".

26] 14]

Art. 109.

[26

§ 1. Elke school voor buitengewoon basisonderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen, mag binnen een afstand van minder dan twee kilometer van de administratieve vestigingsplaats één of meer vestigingsplaats(en) oprichten.

§ 2. Elke school voor buitengewoon basisonderwijs die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen, mag op een afstand van twee kilometer en meer van de administratieve vestigingsplaats één of meer vestigingsplaats(en) oprichten. Daartoe moeten de school al haar reeds bestaande types in scholen en al haar reeds bestaande types in vestigingsplaatsen op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken en moeten de types in de nieuwe vestigingsplaatsen de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.

§ 3. In afwijking van § 1 en § 2 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling één of meer vestigingsplaats(en) oprichten. In voorkomend geval gelden de programmatienormen.

§ 4. Onverminderd de bepalingen in § 1, § 2 en § 3 kan een school voor type 5 pas een nieuwe vestigingsplaats oprichten na goedkeuring door de regering.

§ 5. Voor de toepassing van dit artikel op een school voor type 5 worden de woorden "op de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "tijdens de maand september" en worden de woorden "op de eerste schooldag van februari" gelezen als de woorden "tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".

26]

[26Onderafdeling B - Oprichten van een niveau 26]

Art. 110.

[26

§ 1. Elke gefinancierde of gesubsidieerde school of vestigingsplaats die alleen gewoon lager onderwijs of alleen gewoon kleuteronderwijs organiseert, kan gefinancierde of gesubsidieerde basisschool of vestigingsplaats basisonderwijs worden. Daartoe moeten de school en elke vestigingsplaats of niveau van de school op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van het nieuwe niveau de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken en moet het nieuw opgerichte niveau de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.

§ 2. Elke gefinancierde of gesubsidieerde school die alleen buitengewoon lager onderwijs organiseert of alleen buitengewoon kleuteronderwijs organiseert, kan voor de door haar georganiseerde types basisschool worden. Daartoe moeten de school en elk type in de school en elk type in de vestigingsplaatsen van de school op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar van het nieuwe niveau de door de regering vastgelegde rationalisatienormen bereiken.

§ 3. In afwijking van § 2 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling een niveau oprichten. In voorkomend geval gelden de programmatienormen.

§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden "op de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "tijdens de maand september".

26]

[26Onderafdeling C - Oprichten van een type26]

Art. 111.

[26

§ 1. Met uitzondering van de scholen voor type 5, kan een school voor buitengewoon onderwijs die voldoet aan de rationalisatienorm, per 1 september een nieuw type oprichten, met uitzondering van type 5, op voorwaarde dat :

1° de school als geheel op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen;

2° het opgerichte type op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienorm.

§ 2. In afwijking van § 1 kan een school voor buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van de scholen voor type 5, in programmatie vanaf het tweede jaar, dat ze opgenomen is in de financierings- of subsidieregeling één of meer types, met uitzondering van type 5, oprichten op voorwaarde dat de school het voorgaande schooljaar voldeed aan de door de regering vastgelegde programmatienormen. In dat geval zijn de programmatienormen van toepassing.

26] [57

§ 3. In aanvulling op § 1 en § 2 moet een schoolbestuur dat een nieuw type wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden :

1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité;

2° het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste begeleidingsmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmoge- lijkheden voor kinderen met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld;

3° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor het nieuwe type;

4° de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe type worden in het dossier weergegeven.

De regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.

§ 4. De oprichting vanaf 1 september van een nieuw type kan pas na een gunstige beslissing van de regering.

Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt.

In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.

De regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.

§ 5. De scholen voor buitengewoon basisonderwijs die tijdens het schooljaar 2014-2015 een aanbod type 1 of type 8 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 10, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering.

[63 De oprichting van type 9 in het schooljaar 2015-2016 wordt niet beschouwd als een herstructurering.63]

57]

[26Onderafdeling D - Oprichten van een type door omvorming 26]

Art. 112.

§ 1. Met uitzondering van scholen voor type 5, kan elke gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs die voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen per 1 september een bestaand type dat aan de door de regering vastgelegde rationalisatienorm voldoet, geleidelijk, jaar na jaar, omvormen tot een ander type, het type 5 uitgezonderd, op voorwaarde dat :

- het type dat wordt omgevormd jaar na jaar wordt opgeheven in alle vestigingsplaatsen van de school;

- het nieuwe type [9op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar9] van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, de door de regering vastgelegde [26rationalisatienorm26] bereikt.

§ 2. Tijdens de periode van omvorming kunnen er in het type dat opgeheven wordt, geen nieuwe leerlingen ingeschreven worden.

§ 3. De leerlingen van het type dat opgeheven wordt, komen niet in aanmerking voor de berekening van de door de regering vastgelegde rationalisatienormen.

§ 4. De omvorming van een bestaand type van buitengewoon onderwijs moet doorgevoerd worden in alle vestigingsplaatsen van de school waar dit type georganiseerd wordt.

§ 5. Er kan maar één type tegelijkertijd omgevormd worden.

[26

§ 6. In een school kunnen, gedurende de programmatieperiode geen types omgevormd worden.

26] [37

Art. 112bis.

[79...79]

37]

Onderafdeling G. - Programmatienormen

Art. 113.

[26...26]

Afdeling 3. - Rationalisatie

Onderafdeling A. - Algemeen

Art. 114.

[26

§ 1. De teldag voor de rationalisatie is de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.

§ 2. In afwijking van § 1 is de teldag voor het behalen van de rationalisatienormen voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering of voor scholen die door een beslissing van de regering moeten afbouwen, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. In het geval van een herstructurering geldt deze teldag voor het schooljaar van de herstructurering, in het geval van afbouw geldt deze teldag voor de duur van de afbouw.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 wordt het woord "teldag" telkens gelezen als het woord "telperiode" en worden de woorden "eerste schooldag van februari" telkens gelezen als de woorden "periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".

Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen en op scholen voor type 5 worden de woorden "de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "de maand september".

26]

Art. 115.

[42

§ 1. Scholen, vestigingsplaatsen, niveaus of types die op de teldag, zoals bepaald in artikel 114, § 1, niet aan de voor hen geldende rationalisatienormen of behoudsnormen voldoen, blijven gesubsidieerd of gefinancierd als op de vorige [79, of [86...86] de daaraanvoorafgaande,79] teldag de volgende voorwaarden vervuld waren :

1° de school in haar geheel voldeed aan de rationalisatienormen of behoudsnormen;

2° elke vestigingsplaats, elk niveau, elk type van de school en elk type van de vestigingsplaatsen voldeden aan de voor hen geldende rationalisatienormen of behoudsnormen.

§ 2. Scholen, vestigingsplaatsen, niveaus of types die op de teldag, zoals bepaald in artikel 114, § 2, niet aan de voor hen geldende rationalisatienormen of behoudsnormen voldoen blijven gesubsidieerd of gefinancierd als op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar [79, of [86...86] de daaraanvoorafgaande teldag,79] de volgende voorwaarden vervuld waren :

1° de school in haar geheel voldeed aan de rationalisatienormen of behoudsnormen;

2° elke vestigingsplaats, elk niveau, elk type van de school en elk type van de vestigingsplaatsen [79, die tijdens het lopende schooljaar nog deel uitmaken van de school,79] voldeden aan de voor hen geldende rationalisatienormen of behoudsnormen.

42]

Onderafdeling B. - Behoud in het buitengewoon onderwijs

Art. 116.

[26

In afwijking van de rationalisatienormen kan een gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs die twee of meer types organiseert, deze types behouden, wanneer de school als geheel op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar de door de regering vastgestelde rationalisatienormen bereikt en elk type afzonderlijk op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar de door de regering vastgelegde behoudsnorm bereikt.

Types die door de regering vastgelegde behoudsnormen niet bereiken, worden met ingang van 1 september van het daaropvolgende schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd.

26]

Art. 117.

In afwijking van de rationalisatienormen kan elke gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs die tegelijk de types 2 en 4 organiseert, gefinancierd of gesubsidieerd blijven indien zij op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar de door de regering vastgelegde behoudsnormen bereikt.

[26...26]

Art. 118.

§ 1. In afwijking van de rationalisatienormen kunnen gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor type 5, waar twee taalafdelingen gefinancierd of gesubsidieerd worden of waar de onderwijstaal niet deze is van het taalgebied, gefinancierd of gesubsidieerd blijven als zij op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar de door de regering vastgelegde behoudsnormen bereikt.

[26...26]

§ 2. De bepalingen van artikel 120, § 5 zijn niet van toepassing op de in onderhavig artikel bedoelde scholen.

Art. 119.

Indien voor een bepaald type in een bepaalde provincie, per groep geen enkele school de rationalisatienorm bereikt, kan, behalve voor type 5, in afwijking op die norm één school van deze groep in die provincie dat type behouden.

Onderafdeling C. - Rationalisatienormen

Art. 120.

§ 1. Voor het gewoon basisonderwijs legt de regering vier categorieën van rationalisatienormen vast :

1° de rationalisatienormen voor scholen;

2° de rationalisatienormen voor vestigingsplaatsen;

3° de rationalisatienormen voor geïsoleerde scholen;

4° de rationalisatienormen voor geïsoleerde vestigingsplaatsen.

§ 2. Een geïsoleerde school is een school voor gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs of basisonderwijs waarvan elke vestigingsplaats op een bepaalde afstand gelegen is van elke andere school voor gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs of basisonderwijs of vestigingsplaats van een andere school voor gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs of basisonderwijs van dezelfde groep [26en van hetzelfde taalstelsel26] waar onderwijs van hetzelfde niveau gegeven wordt.

In gemeenten met een bevolkingsdichtheid van vijfhonderd of minder inwoners per km2 is de afstand 3 kilometer, in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van meer dan vijfhonderd inwoners per km2 is de afstand twee kilometer.

De geïsoleerde school blijft geïsoleerd als er op basis van de vrije keuze een school wordt opgericht binnen een straal van drie kilometer, respectievelijk 2 kilometer.

§ 3. Een geïsoleerde vestigingsplaats is een vestigings-plaats voor gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs of basisonderwijs die op ten minste 2 kilometer gelegen is van elke andere vestigingsplaats voor gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs en basisonderwijs van dezelfde groep [26en van hetzelfde taalstelsel26] waar onderwijs op hetzelfde niveau gegeven wordt.

Deze vestigingsplaats blijft geïsoleerd als er op basis van de vrije keuze een school binnen een straal van twee kilometer wordt opgericht.

§ 4. Binnen elke van de in § 1 opgesomde categorieën worden afzonderlijke rationalisatienormen vastgelegd per niveau en liggen de rationalisatienormen het laagst voor vestigingsplaatsen en scholen in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan vijfenzeventig inwoners per km² en het hoogst voor vestigingsplaatsen en scholen in gemeenten met meer dan vijfhonderd inwoners per km².

§ 5. De programmatienormen en rationalisatienormen voor scholen en vestigingsplaatsen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad zijn die van de geïsoleerde scholen en vestigingsplaatsen in gemeenten met minder dan vijfenzeventig inwoners per km².

§ 6. Voor de programmatienormen en rationalisatienormen worden alle scholen verbonden aan kinderopvangcentra georganiseerd of erkend door Kind en Gezin en alle scholen, rechtstreeks verbonden aan internaten voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben, geacht gelegen te zijn in een gemeente met minder dan vijfenzeventig inwoners per km2.

Art. 121.

§ 1. Voor het buitengewoon basisonderwijs legt de regering drie categorieën van rationalisatienormen en behoudsnormen vast :

1° de rationalisatienormen en behoudsnormen voor vestigingsplaatsen;

2° de rationalisatienormen en behoudsnormen voor scholen;

3° de rationalisatienormen en behoudsnormen voor scholen en vestigingsplaatsen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

§ 2. Binnen elke categorie worden er afzonderlijke rationalisatienormen vastgelegd per type en liggen de rationalisatienormen het laagst voor vestigingsplaatsen en scholen in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan vijfenzeventig inwoners per km² en het hoogst voor vestigingsplaatsen en scholen in gemeenten met [4vijfenzeventig en meer4] inwoners per km².

Afdeling 4. - Telling

Art. 122 en 123.

[26 ...26]

Art. 124.

Bij het tellen van de leerlingen gelden volgende principes :

1° in scholen met twee taalafdelingen worden de leerlingen van beide taalafdelingen samengeteld voor het behoud van de financiering of subsidiëring van de school.

De leerlingen van elke taalafdeling worden afzonderlijk geteld voor het behoud van de financiering of subsidiëring van de afdeling;

2° in scholen met verscheidene vestigingsplaatsen [33, de scholen voor buitengewoon onderwijs van het type 5 uitgezonderd,33] worden de leerlingen van elke vestigingsplaats afzonderlijk geteld voor de rationalisatienorm van de vestigingsplaats. Voor het buitengewoon onderwijs geldt dit alleen voor de vestigingsplaatsen die op twee kilometer of meer van de administratieve vestigingsplaats gelegen zijn.

Voor de rationalisatienorm van de school worden de leerlingen van alle vestigingsplaatsen samengeteld;

3° in scholen met verschillende onderwijsniveaus worden voor het gewoon basisonderwijs de leerlingen van elk niveau afzonderlijk geteld; voor het buitengewoon basisonderwijs worden per type de leerlingen van kleuter- en lager onderwijs samengeteld;

4° de voor de telling in aanmerking te nemen leerlingen zijn de regelmatige leerlingen die op de teldag zijn ingeschreven;

5° in afwijking van 4° wordt voor de scholen van type 5 [26en voor een CKG-school26] het gemiddelde van de tijdens de tellingsperiode ingeschreven regelmatige leerlingen berekend.

Afdeling 5. - Afwijkingen

Art. 125.

[26...26]

[14HOOFDSTUK VIIIbis . - Scholengemeenschappen14]

[14Afdeling 1. - Algemene bepaling 14]

[14

Art. 125bis.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het gefinancierd en gesubsidieerd basisonderwijs.

14] [14

Art. 125ter.

Een scholengemeenschap is een vrijwillig tot stand gebracht samenwerkingsverband tussen scholen, dat ten minste de bevoegdheden bedoeld in afdeling 4 uitoefent.

Een scholengemeenschap stelt zich tot doel :

1° het verhogen van het draagvlak van de betrokken scholen;

2° een efficiënter gebruik van de beschikbare middelen en een beter management.

14]

[14Afdeling 2. - Oprichting14]

[14

Art. 125quater.

Het schoolbestuur beslist over de toetreding van zijn scho(o)l(en) tot een scholengemeenschap.

14] [14

Art. 125quinquies.

[86 [ (tot 01/09/2020) [59

§ 1. Een scholengemeenschap wordt opgericht :

1° bij beslissing als de scholengemeenschap wordt gevormd door scholen van hetzelfde schoolbestuur;

2° bij overeenkomst als de scholengemeenschap wordt gevormd door scholen van verschillende schoolbesturen.

De beslissing of de overeenkomst regelt de organisatie en de werking van de scholengemeenschap.

§ 2. Op 1 september 2014 treedt de beslissing of overeenkomst in werking voor een periode van zes schooljaren. De beslissing of overeenkomst eindigt op 31 augustus 2020.

§ 3. In afwijking van paragraaf 2 eindigen de overeenkomsten of beslissingen die in werking treden in de loop van de zesjaarlijkse periode, vermeld in paragraaf 2, op 31 augustus 2020.

§ 4. Tijdens de voormelde periode kan de beslissing of overeenkomst inzake de vorming van een scholengemeenschap evenwel worden gewijzigd, zodat een school alsnog tot de scholengemeenschap kan toetreden of uit de scholengemeenschap kan stappen.

Een school kan uit de scholengemeenschap stappen in een van de volgende gevallen :

1° indien de scholengemeenschap minder dan negenhonderd gewogen regelmatige leerlingen telt op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar;

2° indien de school overgenomen wordt door een schoolbestuur van een andere groep als vermeld in artikel 3, 21°, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap, ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt;

3° indien de school behoort tot een schoolbestuur met bepaalde kenmerken en voor zover de uitstap plaatsvindt op 1 september [65..65] [78...78] 2019. In voorkomend geval genereert desbetreffende school extra middelen voor het betrokken schoolbestuur. De Vlaamse Regering bepaalt :

a) aan welke kenmerken een desbetreffend schoolbestuur moet voldoen, met dien verstande dat een dergelijk schoolbestuur niet tot een scholengemeenschap kan behoren;

b) de vorm, de wijze van berekening, de toekenning en de aanwending van die extra middelen, met dien verstande dat de berekening ervan op lineaire basis gebeurt;

c) de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van die middelen, voor zover ze de personeelsomkadering betreffen, betrekkingen kunnen worden ingericht en hoe de omrekening naar gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen gebeurt.

Wijzigingen van een beslissing of overeenkomst treden in werking op 1 september na de datum waarop de wijziging tot stand is gekomen.

§ 5. De beslissing of overeenkomst wordt voor 15 juni voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding bezorgd aan AgODi.

59]
] [ (vanaf 01/09/2020)

§ 1. Een scholengemeenschap wordt opgericht:

1° bij beslissing als de scholengemeenschap wordt gevormd door scholen van hetzelfde schoolbestuur;

2° bij overeenkomst als de scholengemeenschap wordt gevormd door scholen van verschillende schoolbesturen.

De beslissing of de overeenkomst regelt de organisatie en de werking van de scholengemeenschap.

§ 2. Vanaf 1 september 2020 treedt de beslissing of overeenkomst in werking op 1 september en geldt ze telkens voor een periode van zes schooljaren.§ 2. Vanaf 1 september 2020 treedt de beslissing of overeenkomst in werking op 1 september en geldt ze telkens voor een periode van zes schooljaren.

Elke volgende periode van zes schooljaren start zes jaar of een veelvoud van zes jaar na 1 september 2020.

De beslissing of overeenkomst wordt telkens van rechtswege voor dezelfde periode verlengd als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:

1° de scholengemeenschap beantwoordt nog aan de criteria om scholengemeenschappen te vormen;

2° er is geen beslissing of overeenkomst om de scholengemeenschap niet te verlengen of te wijzigen;

3° de samenstelling van de scholengemeenschap blijft ongewijzigd;

4° geen enkel schoolbestuur meldt voor 1 mei voorafgaand aan de start van een periode van zes schooljaren aan de andere schoolbesturen dat ze de beslissing of overeenkomst niet wil verlengen.

Scholengemeenschappen die op 31 augustus 2020 bestaan, kunnen op 1 september 2020 onder de voorwaarden van het derde lid van rechtswege worden verlengd voor een periode van zes schooljaren.

§ 3. In afwijking van paragraaf 2 eindigen de overeenkomsten of beslissingen, vermeld in paragraaf 1, die in werking treden in de loop van een periode van zes schooljaren als vermeld in paragraaf 2, tweede lid, op het einde van de zes schooljaren in kwestie.

§ 4. Tijdens de periode, vermeld in paragraaf 2, kan de beslissing of overeenkomst over de vorming van een scholengemeenschap evenwel worden gewijzigd, zodat een school alsnog tot de scholengemeenschap kan toetreden of uit de scholengemeenschap kan stappen.

Een school kan uit de scholengemeenschap stappen in een van de volgende gevallen:

1° de scholengemeenschap telt minder dan 900 gewogen regelmatige leerlingen als vermeld in artikel 125septies, op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar;

2° een school wordt overgenomen door een schoolbestuur van een andere groep als vermeld in artikel 3, 21°, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap, ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt.

Wijzigingen van een beslissing of overeenkomst treden in werking op 1 september na de datum waarop de wijziging tot stand is gekomen.

§ 5. Elke beslissing of overeenkomst met betrekking tot de vorming of de wijziging van een scholengemeenschap wordt, voor 15 juni van het schooljaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding, aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en bezorgd aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid. Ook een verlenging van rechtswege wordt uiterlijk op voormelde datum aan de betrokken personeelsleden meegedeeld en bezorgd aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid.

] 86] 14]

[14Afdeling 3. - Criteria voor het vormen van scholengemeenschappen14]

[14

Art. 125sexies.

§ 1. Een scholengemeenschap omvat meerdere scholen basisonderwijs die al dan niet behoren tot eenzelfde schoolbestuur en/of eenzelfde onderwijsnet, met dien verstande dat een scholengemeenschap zowel het niveau kleuter- én lager onderwijs omvat.

§ 2. In afwijking van § 1 kan een scholengemeenschap één of meerdere vestigingsplaatsen bevatten van scholen waaraan de regering op basis van artikel 62, 4°, een afwijking toegekend heeft.

14] [14

Art. 125septies.

§ 1. Elke scholengemeenschap bevat zowel kleuter- als lager onderwijs en telt op de eerste schooldag van februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de scholengemeenschap ten minste 900 gewogen leerlingen.

§ 2. Bij het tellen van de leerlingen gelden de volgende regels :

1° alleen de regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar worden geteld;

2° in afwijking van 1° worden voor de basisscholen verbonden aan een Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning en scholen voor type 5 de leerlingen geteld op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari;

3° elke leerling telt voor één teleenheid. De regering kan hierop een afwijking toekennen op basis van de bevolkingsdichtheid van de gemeenten en op basis van de inschrijving en het buitengewoon basisonderwijs;

4° het aantal gewogen leerlingen per scholengemeenschap is gelijk aan de som van het aantal gewogen leerlingen per school.

§ 3. [86 [ (tot 01/09/2020) De telling voor het voldoen aan de norm van scholengemeenschap geldt voor een periode van zes schooljaren.] [ (vanaf 01/09/2020)

De telling om na te gaan of er voldaan wordt aan de norm van scholengemeenschap, geldt voor een periode van zes schooljaren.

Voor scholengemeenschappen die opgericht worden in de loop van een periode van zes schooljaren, geldt de norm tot op het einde van de zes schooljaren in kwestie.

] 86]

[45

§ 3bis. [65...65]

45]

§ 4. [65...65]

§ 5. [86 [ (tot 01/09/2020) [59 In afwijking van paragraaf 3 geldt de telling voor het voldoen aan de norm van de scholengemeenschap voor overeenkomsten of beslissingen die in werking treden in de loop van de periode van zes schooljaren zoals bedoeld in artikel 125quinquies, § 3, tot op 31 augustus 2020.59] ] [ (vanaf 01/09/2020) ...] 86]

14] [14

Art. 125octies.

§ 1. Elke scholengemeenschap is gelegen binnen maximaal [20vijf20] aangrenzende onderwijszones. Met onderwijszones worden bedoeld, één van de 44 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage gevoegd bij [44de coördinatie betreffende het secundair onderwijs44] .

§ 2. Indien de scholen van eenzelfde groep binnen de grenzen van een provincie [59of binnen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest59] de norm van 900 leerlingen niet bereiken, dan kunnen in afwijking van § 1 scholengemeenschappen gevormd worden over méér dan [20vijf20] aangrenzende zones.

[20

§ 3. Het schoolbestuur van een school met meerdere vestigingsplaatsen die gelegen zijn in verschillende zones bepaalt tot welke zone de volledige school behoort.

20] 14] [20

Art. 125octies 1.

§ 1. Een scholengemeenschap behoort tot één van de volgende contingenten :

1° categorie 1 :gemeenschapsonderwijs : maximum 44 scholengemeenschappen;

2° categorie 2 : gesubsidieerd officieel onderwijs : maximum 95 scholengemeenschappen;

3° categorie 3 : gesubsidieerd vrij confessioneel onderwijs : maximum 248 scholengemeenschappen;

4° categorie 4 : gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs : maximum 5 scholengemeenschappen.

§ 2. Een scholengemeenschap bestaande uit scholen die behoren tot verschillende categorieën bedoeld in § 1, wordt verrekend op het contingent van die categorie waartoe de meeste scholen van de scholengemeenschap behoren.

Is het aantal scholen uit de verschillende categorieën evenwel gelijk, dan wordt door de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs en/of de betrokken representatieve verenigingen van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, bepaald op welk contingent de scholengemeenschap wordt verrekend.

§ 3. De Raad voor het Gemeenschapsonderwijs of de betrokken representatieve vereniging van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, beslist welke voorgestelde scholengemeenschappen niet kunnen worden gevormd indien het vastgestelde contingent in de betrokken categorie wordt overschreden.

20]

[14Afdeling 4. - Bevoegdheden van de scholengemeenschap14]

[14

Art. 125novies.

§ 1. Volgende bevoegdheden worden op het niveau van de scholengemeenschap uitgeoefend. De scholengemeenschap :

1° maakt afspraken over de aanwending van de puntenenveloppe toegekend aan de scholengemeenschap zoals bepaald in artikel 125duodecies;

[33

1°bis maakt afspraken over het zorgbeleid in de scholen van de scholengemeenschap;

1°ter maakt afspraken over de aanwending van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid toegekend aan de scholengemeenschap zoals bepaald in artikel 125duodecies1;

1°quater duidt een personeelslid aangesteld in het ambt van zorgcoördinator aan als aanspreekpunt, voor de overheid, voor de kleuterparticipatie binnen de scholengemeenschap;

33]

2° maakt afspraken over de aanwending van de punten beleids- en ondersteunend personeel die op het niveau van de scholengemeenschap kunnen worden samengelegd;

3° maakt afspraken over de wijze waarop de puntenenveloppe voor ICT aangewend wordt binnen de scholengemeenschap;

[263°bis [33...33] 26]

4° maakt afspraken over de wijze waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs haar deskundigheid ter beschikking stelt voorzover er een school voor buitengewoon onderwijs deel uitmaakt van de scholengemeenschap;

5° maakt afspraken over het sluiten van een samenwerkingsakkoord met één of meer scholen voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs die niet tot de scholengemeenschap behoren; met een scholengemeenschap basisonderwijs of secundair onderwijs; met één of meer instellingen voor secundair onderwijs, deeltijdskunstonderwijs en/of volwassenenonderwijs.

Deze bepaling geldt niet voor samenwerkingsovereenkomsten die afgesloten zijn vooraleer de scholengemeenschap gevormd is;

6° maakt afspraken over het opnemen van bijkomende scholen in de scholengemeenschap;

7° [28maakt algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen en evaluaties;28]

[248° [45maakt algemene afspraken over de interne afstemming van het personeelsbeleid binnen de scholengemeenschap;45] 24] [83en over de aanvangsbegeleiding van personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur;83]

§ 2. Het schoolbestuur/de schoolbesturen kan/kunnen de beslissingsbevoegdheid inzake de in § 1 bedoelde aangelegenheden overdragen naar het niveau van de scholengemeenschap.

14] [14

Art. 125decies.

De scholengemeenschap kan het initiatief nemen om afspraken te maken omtrent de volgende aangelegenheden :

1° de overdracht van lestijden en uren uit het urenpakket;

2° [42de inhoud en de toepassing van de engagementsverklaring vermeld in artikel 37;42]

3° de overdracht van punten zorg naar andere scholengemeenschappen teneinde speciale projecten met betrekking tot zorg mogelijk te maken zoals bedoeld in artikel [3317233] . Deze overdrachten zijn enkel mogelijk naar scholengemeenschappen die binnen dezelfde zone(s) of aangrenzende zone(s) liggen;

4° [45...45]

5° het gebruik van de infrastructuur;

6° de overdracht naar een andere scholengemeenschap van punten voor het voeren van een zorgbeleid verkregen op basis van artikel 125duodecies1, § 1, op voorwaarde dat een school op basis van artikel [65 [86 [ (tot 01/09/2020) 125quinquies, § 4, 1° en 2°,] [ (vanaf 01/09/2020) artikel 125quinquies, § 4, tweede lid, 1° en 2°, ] 86] 65] de scholengemeenschap verlaat en toetreedt tot de scholengemeenschap naar waar de punten voor het voeren van een zorgbeleid worden overgedragen.

14] [14

Art. 125undecies.

Schoolbesturen kunnen aan de scholengemeenschap bijkomende bevoegdheden toewijzen, tenzij dit krachtens een wet, een bijzonder decreet of een decreet wordt verboden. De bijkomend toegewezen bevoegdheden worden opgenomen in de beslissing of overeenkomst.

14]

[14Afdeling 5. - Voordelen voor de scholengemeenschap14]

[14

Art. 125duodecies.

[20

§ 1. De scholengemeenschap ontvangt jaarlijks een door de Vlaamse Regering vastgelegde puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking.

§ 2. Bij het tellen van de leerlingen voor de puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking gelden de volgende regels :

[371° scholen die op basis van artikel 125quinquies een nieuwe scholengemeenschap vormen, worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de scholengemeenschap, voor de berekening van de puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking van die scholengemeenschap op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap geen deel uitmaakte van een andere scholengemeenschap [59en op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsdieringsregeling59] ;37]

1°bis alleen de regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar worden geteld. [59Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen zoals bepaald in artikel 125quinquies, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling;59]

2° in afwijking van 1° worden voor de basisscholen verbonden aan een Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning en scholen voor type 5 de leerlingen geteld op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari;

3° elke leerling telt voor één teleenheid. De Vlaamse Regering kan hierop afwijking toekennen op basis van de bevolkingsdichtheid van de gemeente en op basis van de inschrijving in het buitengewoon basisonderwijs;

4° het aantal gewogen leerlingen per scholengemeenschap is gelijk aan de som van het aantal gewogen leerlingen per school.

§ 3. In afwijking van § 1 behoudt de scholengemeenschap die op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar minder dan 900 gewogen regelmatige leerlingen telt, gedurende maximaal twee opeenvolgende schooljaren, het recht op een puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking van de scholengemeenschap. De puntenenveloppe is deze voor scholengemeenschappen met 900 gewogen regelmatige leerlingen.

20]

[23§ 4. Scholengemeenschappen, waar scholen van het gemeenschapsonderwijs deel van uitmaken, kunnen de puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking aanwenden om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur in de scholengroep, waar één of meerdere scholen van de scholengemeenschap deel van uit maken, school- of klasvrij te maken.23]

[56

§ 5. De betrekkingen die worden ingericht op basis van de puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking van de scholengemeenschap komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.

56] 14] [26 [14

Art. 125duodecies 1.

[33

§ 1. De scholengemeenschap ontvangt jaarlijks een door de regering vastgelegde puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid. Deze puntenenveloppe kan enkel voor dit doel, zoals omschreven in artikel 153septies, aangewend worden.

Bij het vastleggen van de berekeningswijze van deze puntenenveloppe neemt de regering volgende principes in acht :

[37

1° Scholen die, op basis van artikel 125quinquies, [59...59] toetreden tot een al bestaande scholengemeenschap, worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, voor de berekening van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid van de scholengemeenschap, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling en geen deel uitmaakte van een andere scholengemeenschap.

Scholen die op basis van artikel [65125quinquies, § 4,65] toetreden tot een al bestaande scholengemeenschap, worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, voor de berekening van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid van die scholengemeenschap op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap deel uitmaakte van een scholengemeenschap die op 31 augustus van het schooljaar voor de toetreding van de school tot haar nieuwe scholengemeenschap ophoudt te bestaan.

Scholen die op basis van artikel 125quinquies een nieuwe scholengemeenschap vormen, worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de scholengemeenschap, voor de berekening van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid van die scholengemeenschap op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap geen deel uitmaakte van een andere scholengemeenschap; [45en op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.45]

37]

1°bis elke scholengemeenschap ontvangt per school voor gewoon basisonderwijs dat de scholengemeenschap telt op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar een sokkel aan punten. [59Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, zoals bepaald in artikel 125quinquies, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.59]

2° de overige punten worden lineair toegekend op basis van de leerlingenaantallen in het gewoon basisonderwijs en het aantal kleuters in het buitengewoon basisonderwijs binnen de scholengemeenschap.

Voor de lineaire toekenning wordt er een puntengewicht vastgelegd voor :

a) kleuters in het gewoon basisonderwijs;

b) kleuters in het buitengewoon basisonderwijs;

c) leerlingen lager onderwijs in het gewoon basisonderwijs.

§ 2. Bij het tellen van de leerlingen voor deze puntenenveloppe gelden de volgende regels :

1° in het gewoon basisonderwijs worden alleen de regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar geteld. [59Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, zoals bepaald in artikel 125quinquies, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling;59]

2° in afwijking van 1° worden voor de CKG-scholen de leerlingen geteld op basis van het gemiddelde aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari;

3° in het buitengewoon basisonderwijs worden alleen de regelmatige kleuters op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar geteld. [59Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, zoals bepaald in artikel 125quinquies, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling;59]

4° in afwijking van punt 3°, worden in de scholen voor type 5 de kleuters geteld op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari.

§ 3. Maximaal 10 % van de puntenenveloppe kan aangewend worden voor het aanstellen van personeelsleden die een beleidsondersteunende functie, in het kader van het zorgbeleid zoals omschreven in artikel 153septies, uitoefenen ten behoeve van de scholengemeenschap. Van dit percentage kan na akkoord in het bevoegd lokaal comité worden afgeweken.

[56De betrekkingen die worden ingericht op basis van de overeenkomstig deze paragraaf aangewende punten komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.56]

§ 4. De scholengemeenschap kent, tijdens de schooljaren 2008-2009, 2009-2010 [45, 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 en 2013-201445] , aan elke school van de scholengemeenschap jaarlijks minimum het aantal punten toe dat de school, op basis van haar leerlingenaantal op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, kon inrichten op basis van de berekeningswijze, geldig tijdens het schooljaar 2007-2008 voor de puntenenveloppe toegekend voor een personeelsomkadering ter ondersteuning van het op school gevoerde zorgbeleid.

§ 5. De verdeling van de puntenenveloppe door de scholengemeenschap mag niet tot gevolg hebben dat bijkomende personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar.

§ 6. De regering bepaalt de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van de puntenenveloppe betrekkingen kunnen worden ingericht en bepaalt op welke wijze de omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen gebeurt.

33] 14] 26] [14

Art. 125terdecies.

In afwijking van artikelen 142, 146ter en 153bis , kan er door de betrokken schoolbesturen tussen scholen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap méér dan 3 procent van het lestijdenpakket en/of urenpakket worden overgedragen, mits :

1° de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;

2° akkoord van het bevoegd lokaal comité;

3° de overdracht gebeurt vóór 15 oktober van het lopende schooljaar;

4° de overdracht niet voor gevolg heeft dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking.

De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. De scholengemeenschap moet met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan [56Agodi56] waarin ze verklaart deze bepaling in acht te nemen.

14] [14

Art. 125quaterdecies.

Schoolbesturen kunnen, in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap gemaakt zijn, punten samenleggen op het niveau van de scholengemeenschap mits :

1° de samenlegging gebeurt vóór 15 oktober van het lopende schooljaar;

2° de samenlegging niet voor gevolg heeft dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking.

De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. De scholengemeenschap moet met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan [56Agodi56] waarin ze verklaart deze bepaling in acht te nemen.

14]

[33Afdeling 6. - Inspraak van het personeel op niveau van de scholengemeenschap33]

[33Onderafdeling 1. - Scholengemeenschappen gesubsidieerd officieel onderwijs33]

[33

Art. 125quinquies decies.

Deze onderafdeling is van toepassing op de scholengemeenschappen basisonderwijs die uitsluitend bestaan uit scholen die behoren tot het gesubsidieerd officieel onderwijs.

33] [33

Art. 125sexies decies.

In elke scholengemeenschap wordt een lokaal comité opgericht op het niveau van de scholengemeenschap, verder OCSG genoemd.

Het vorige lid is niet van toepassing op de scholengemeenschappen die uitsluitend bestaan uit scholen die behoren tot hetzelfde schoolbestuur. In dat geval worden de bevoegdheden van het OCSG zoals vastgelegd in deze onderafdeling uitgeoefend door het afzonderlijk bijzonder comité opgericht krachtens artikel 4, § 1, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

33] [33

Art. 125septies decies.

§ 1. Elk OCSG is samengesteld uit afgevaardigden van enerzijds de schoolbesturen en anderzijds de representatieve vakorganisaties. Als representatieve vakorganisaties worden beschouwd de vakorganisaties die zitting hebben in het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - Afdeling 2 - Onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap".

§ 2. De afvaardiging van de schoolbesturen bestaat uit minstens één lid van elk schoolbestuur zonder dat haar totale afvaardiging groter mag zijn dan de totale afvaardiging van de representatieve vakorganisaties.

De vertegenwoordigers van de schoolbesturen moeten bevoegd zijn om hun respectief schoolbestuur te verbinden.

§ 3. De afvaardiging van de representatieve vakorganisaties bestaat uit maximaal één lid per representatieve vakorganisatie per schoolbestuur en wordt vrij door hen samengesteld.

§ 4. De effectieve leden van het OCSG kunnen zich laten vervangen op de wijze zoals bepaald in het werkingsreglement. De leden van de afvaardiging van de schoolbesturen kunnen zich alleen laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde.

33] [33

Art. 125duodevicies.

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties genieten de rechten en plichten voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en haar uitvoeringsbesluiten.

33] [33

Art. 125undevicies.

§ 1. De afgevaardigden van de schoolbesturen bepalen wie onder hen het voorzitterschap van het OCSG waarneemt. De voorzitter waakt over de goede werking van het OCSG.

§ 2. Het secretariaat van het OCSG wordt waargenomen door een secretaris die onder en door de vertegenwoordigers van het personeel wordt gekozen. Mits akkoord van alle leden van het OCSG kan het secretariaat ook worden waargenomen door een secretaris die geen deel uitmaakt van het OCSG.

33] [33

Art. 125vicies.

§ 1. Het OCSG is bevoegd om te onderhandelen over de aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is voor zover deze aangelegenheden een repercussie kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de onderliggende scholen en/of van de scholengemeenschap zelf.

§ 2. De leden van het OCSG hebben een informatierecht met betrekking tot alle aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is.

Ze hebben bovendien ten minste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met de tewerkstelling.

Deze inlichtingen hebben betrekking op :

1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren;

2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling;

3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap.

[83 4° inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen en het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat op basis van de beoordeling een verslag met werkpunten krijgt, met binnen die laatste groep een opsplitsing van diegenen die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en van diegenen die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen.83]

§ 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap.

§ 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd.

§ 5. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kunnen bij de afgevaardigden van de schoolbesturen stappen zetten in het gemeenschappelijk belang van het personeel werkzaam in de scholengemeenschap.

33] [33

Art. 125vicies semel.

De aangelegenheden waarover moet onderhandeld worden, worden op de agenda geplaatst door de voorzitter van het OCSG. Ook de andere leden van het OCSG kunnen punten op de agenda zetten. Met het oog op de onderhandelingen ontvangen de leden van het OCSG vooraf alle documenten die nodig en nuttig zijn om met voldoende kennis van zaken standpunten te kunnen innemen.

33] [33

Art. 125vicies bis.

Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de schoolbesturen, noch die van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van representatieve vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig.

33] [33

Art. 125vicies ter.

§ 1. De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een protocol waarin worden opgetekend :

1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen;

2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties, alsook het standpunt van de afvaardiging van een of meer representatieve vakorganisaties;

3° ofwel het respectieve standpunt van de afvaardiging van de schoolbesturen en dat van de afvaardigingen van de verschillende representatieve vakorganisaties.

§ 2. Ingeval van eenparig akkoord of ingeval van akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties kunnen, noch op het niveau van de individuele schoolbesturen, noch op het niveau van de individuele scholen beslissingen genomen worden die afwijken van het protocol.

33] [33

Art. 125vicies quater.

Maatregelen die na onderhandeling worden genomen vermelden de datum van het protocol bedoeld in artikel 125vicies ter.

33] [33

Art. 125vicies quinquies.

§ 1. Het OCSG neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. Het bepaalt minimaal :

1° de wijze waarop het OCSG wordt samengeroepen, de termijn van bijeenroeping en het aantal vergaderingen per schooljaar met een minimum van drie;

2° de wijze waarop documenten zullen bezorgd worden;

3° de wijze waarop leden van het OCSG een punt op de agenda van het OCSG kunnen zetten en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;

4° de taken van de voorzitter;

5° de taken van de secretaris;

6° de termijnen voor het beëindigen van de onderhandeling;

7° de wijze waarop de notulen en protocollen tot stand komen;

8° de wijze waarop de agenda, bijgevoegde documentatie, notulen en protocollen zullen bewaard worden;

9° de wijze waarop de effectieve leden zich kunnen laten vervangen en de wijze waarop en de gevallen waarin de afvaardigingen technici kunnen laten deelnemen aan de vergaderingen;

10° de concretisering van de bevoegdheden zoals vermeld in artikel 125vicies;

11° de concretisering van de rechten en plichten bedoeld in artikel 125duodevicies;

12° de nominatieve lijst van de effectieve vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de effectieve vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties alsook de vertegenwoordigers die hen kunnen vervangen.

§ 2. Indien er binnen een termijn van drie maanden na de oprichting van het OCSG geen akkoord is over een werkingsreglement, is het model van werkingsreglement bij eenparigheid opgesteld door onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten van toepassing.

33] [33

Art. 125vicies sexies.

De werkingskosten van het OCSG komen ten laste van de schoolbesturen.

33]

[33Onderafdeling 2. - Netoverschrijdende scholengemeenschappen33]

[33

Art. 125vicies septies.

Deze onderafdeling is van toepassing op de netoverschrijdende scholengemeenschappen die uitsluitend bestaan uit scholen die basisonderwijs inrichten.

33] [33

Art. 125duodetricies.

In elke scholengemeenschap wordt een lokaal comité opgericht op het niveau van de scholengemeenschap, verder OCSG genoemd.

33] [33

Art. 125undetricies.

§ 1. Elk OCSG is samengesteld uit afgevaardigden van enerzijds de schoolbesturen en anderzijds de representatieve vakorganisaties. Als representatieve vakorganisaties worden beschouwd de vakorganisaties die zitting hebben in Sectorcomité X - Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - Afdeling 2 - Onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" en/of het Overkoepelend Onderhandelingscomité Gesubsidieerd Vrij Onderwijs".

§ 2. De afvaardiging van de schoolbesturen bestaat uit minstens één lid van elk schoolbestuur zonder dat haar totale afvaardiging groter mag zijn dan de totale afvaardiging van de representatieve vakorganisaties.

De vertegenwoordigers van de schoolbesturen moeten bevoegd zijn om hun respectief schoolbestuur te verbinden.

§ 3. De afvaardiging van de representatieve vakorganisaties bestaat uit maximaal één lid per representatieve vakorganisatie per schoolbestuur en wordt vrij door hen samengesteld.

In afwijking van het vorige lid mag voor de schoolbesturen van de scholengemeenschap die behoren tot het gesubsidieerd vrij onderwijs waar maar één representatieve vakorganisatie vertegenwoordigd is in het lokaal comité of de lokale comités, deze representatieve vakorganisatie maximaal drie vertegenwoordigers afvaardigen naar het OCSG. Zijn er twee representatieve vakorganisaties vertegenwoordigd in het lokaal comité of de lokale comités, dan mag de representatieve vakorganisatie met het grootst aantal vertegenwoordigers in het lokaal comité of de lokale comités maximaal twee vertegenwoordigers afvaardigden naar het OCSG. De andere representatieve vakorganisatie mag dan maximaal één vertegenwoordiger afvaardigen.

§ 4. De effectieve leden van het OCSG kunnen zich laten vervangen op de wijze zoals bepaald in het werkingsreglement. De leden van de afvaardiging van de schoolbesturen kunnen zich alleen laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde.

33] [33

Art. 125tricies.

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd officieel onderwijs of Gemeenschapsonderwijs genieten de rechten en plichten voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en haar uitvoeringsbesluiten.

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd vrij onderwijs genieten de rechten en de plichten voorzien in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs.

33] [33

Art. 125tricies semel.

§ 1. De afgevaardigden van de schoolbesturen bepalen wie onder hen het voorzitterschap van het OCSG waarneemt. De voorzitter waakt over de goede werking van het OCSG.

§ 2. Het secretariaat van het OCSG wordt waargenomen door een secretaris die onder en door de vertegenwoordigers van het personeel wordt gekozen. Mits akkoord van alle leden van het OCSG kan het secretariaat ook worden waargenomen door een secretaris die geen deel uitmaakt van het OCSG.

33] [33

Art. 125tricies bis.

§ 1. Het OCSG is bevoegd om te onderhandelen over de aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is voor zover deze aangelegenheden een repercussie kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de onderliggende scholen en/of van de scholengemeenschap zelf.

§ 2. De leden van het OCSG hebben een informatierecht met betrekking tot alle aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is.

Ze hebben bovendien ten minste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met de tewerkstelling.

Deze inlichtingen hebben betrekking op :

1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren;

2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling;

3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap.

[834° inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen en het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat op basis van de beoordeling een verslag met werkpunten krijgt, met binnen die laatste groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen83]

§ 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap.

§ 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd.

§ 5. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kunnen bij de afgevaardigden van de schoolbesturen stappen zetten in het gemeenschappelijk belang van het personeel werkzaam in de scholengemeenschap.

33] [33

Art. 125tricies ter.

De aangelegenheden waarover moet onderhandeld worden, worden op de agenda geplaatst door de voorzitter van het OCSG. Ook de andere leden van het OCSG kunnen punten op de agenda zetten. Met het oog op de onderhandelingen ontvangen de leden van het OCSG vooraf alle documenten die nodig en nuttig zijn om met voldoende kennis van zaken standpunten te kunnen innemen.

33] [33

Art. 125tricies quater.

Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de schoolbesturen, noch die van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van representatieve vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig.

33] [33

Art. 125tricies quinquies.

§ 1. De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een protocol waarin worden opgetekend :

1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen;

2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties, alsook het standpunt van de afvaardiging van een of meer representatieve vakorganisaties;

3° ofwel het respectieve standpunt van de afvaardiging van de schoolbesturen en dat van de afvaardigingen van de verschillende representatieve vakorganisaties.

§ 2. Ingeval van eenparig akkoord of ingeval van akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties kunnen, noch op het niveau van de individuele schoolbesturen, noch op het niveau van de individuele scholen beslissingen genomen worden die afwijken van het protocol.

33] [33

Art. 125tricies sexies.

Maatregelen die na onderhandeling worden genomen vermelden de datum van het protocol bedoeld in artikel 125tricies quinquies.

33] [33

Art. 125tricies septies.

§ 1. Het OCSG neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. Het bepaalt minimaal :

1° de wijze waarop het OCSG wordt samengeroepen, de termijn van bijeenroeping en het aantal vergaderingen per schooljaar met een minimum van drie;

2° de wijze waarop documenten zullen bezorgd worden;

3° de wijze waarop leden van het OCSG een punt op de agenda van het OCSG kunnen zetten en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;

4° de taken van de voorzitter;

5° de taken van de secretaris;

6° de termijnen voor het beëindigen van de onderhandeling;

7° de wijze waarop de notulen en protocollen tot stand komen;

8° de wijze waarop de agenda, bijgevoegde documentatie, notulen en protocollen zullen bewaard worden;

9° de wijze waarop de effectieve leden zich kunnen laten vervangen en de wijze waarop en de gevallen waarin de afvaardigingen technici kunnen laten deelnemen aan de vergaderingen;

10° de concretisering van de bevoegdheden zoals vermeld in artikel 125tricies bis;

11° de concretisering van de rechten en plichten bedoeld in artikel 125tricies;

12° de nominatieve lijst van de effectieve vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de effectieve vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties alsook de vertegenwoordigers die hen kunnen vervangen.

§ 2. Indien er binnen een termijn van drie maanden na de oprichting van het OCSG geen akkoord is over een werkingsreglement, is het model van werkingsreglement bij eenparigheid opgesteld door Sectorcomité X, onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en het Overkoepelend Onderhandelingscomité van toepassing.

33] [33

Art. 125duodequadragies.

De werkingskosten van het OCSG komen ten laste van de schoolbesturen.

33]

HOOFDSTUK IX. - Personeelsformatie in het basisonderwijs

Art. 126.

[14De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het gefinancierd of gesubsidieerd gewoon en buitengewoon basisonderwijs, tenzij anders bepaald.14]

[13

Art. 126bis.

[26...26]

13]

Afdeling 1. - Directie

Art. 127.

In iedere school wordt een ambt van directeur gefinancierd of gesubsidieerd.

Art. 128.

[4... 4]

Art. 129.

[4

§ 1. In een school die ontstaan is uit vrijwillige fusie [26met uitzondering van scholen voor type 526] kan één van de wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde directeurs van de bij de fusie betrokken scholen door het schoolbestuur belast worden met de functie van adjunct-directeur, op voorwaarde dat :

1° de scholen die bij de fusie betrokken zijn op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar een leerlingenaantal bereikten dat tenminste 15 % boven de rationalisatienormen [26voor scholen26] ligt. Als meer dan twee scholen bij de fusie betrokken zijn, is het toegelaten dat één school die verhoogde rationalisatienorm niet bereikt;

2° tenminste twee directeurs van de bij de fusie betrokken scholen vastbenoemd zijn.

§ 2. De functie van adjunct-directeur wordt tijdelijk niet georganiseerd gedurende de tijdelijke uitdiensttreding om welke reden ook van :

- de directeur;

- diegene die de functie van adjunct-directeur waarneemt.

De functie van adjunct-directeur wordt niet meer georganiseerd zodra :

- de directeur definitief uit dienst treedt;

- de functie van adjunct-directeur definitief niet meer waargenomen wordt tenzij er nog een directeur is die ter beschikking gesteld is zoals bedoeld in § 1;

- het schoolbestuur een nieuwe kleuter-, lagere of basisschool opricht in dezelfde of aangrenzende gemeente.

4]

Afdeling 2. - Onderwijzend personeel

Art. 130.

§ 1. In iedere school worden onderwijsambten gefinancierd of gesubsidieerd.

§ 2. [27Het aantal financierbare of subsidieerbare betrekkingen in de ambten van het onderwijzend personeel is afhankelijk van het toegekende lestijdenpakket en van het aantal toegekende extra of bijkomende lestijden.27]

[23Beneden een door de Vlaamse Regering vastgelegd leerlingenaantal moet de directie, afhankelijk van de beslissing van het schoolbestuur, een gedeeltelijke lesopdracht of een gedeeltelijke opdracht van zorg of ICT opnemen. De gedeeltelijke opdracht van zorg of ICT kan opgenomen worden op basis van de puntenenveloppe ter ondersteuning van de werking van de scholengemeenschap, [33de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid33] , de puntenenveloppe voor ICT-coördinatie of op basis van de in artikel 153sexies, § 4, vermelde vrij aan te wenden samengelegde punten op het niveau van de scholengemeenschap. Het schoolbestuur kan zijn beslissing maar herzien als dat niet leidt tot een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking.23]

[4

Het schoolbestuur kan de directie geheel of gedeeltelijk ontslaan van een gedeeltelijke lesopdracht en die toewijzen aan een lid van het onderwijzend personeel dat zoals bepaald in artikel 154, § 2, aangeworven wordt ten laste van het werkingsbudget, bedoeld in artikel 76.

De personeelsleden die door de lokale bestuursorganen van [14het Gemeenschapsonderwijs14] aangeworven worden, vallen onder de toepassing van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.

De personeelsleden die door de schoolbesturen van de gesubsidieerde onderwijsinstellingen aangeworven worden, vallen onder toepassing van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden uit het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra.

4]

Onderafdeling A. - [52Basisomkadering52]

[52Sectie 1. - Basisomkadering in het gewoon basisonderwijs52]

[52Subsectie 1. - Samenstelling van de basisomkadering52]

Art. 131.

[52

De basisomkadering in het gewoon basisonderwijs bestaat uit de lestijden volgens de schalen en de SES-lestijden.

Die lestijden worden, per niveau, aan de scholen toegekend volgens de bepalingen van subsecties 2, 3 en 4. Er kan, om budgettaire redenen, een aanwendingspercentage vastgelegd worden dat voor één of meerdere schooljaren toegepast moet worden op de basisomkadering verkregen volgens subsecties 2, 3 en 4.

52]

[52Subsectie 2. - Lestijden volgens de schalen 52]

Art. 132.

[52

§ 1. De lestijden volgens de schalen worden ieder schooljaar per niveau en per school berekend.

Het aantal lestijden volgens de schalen waarop de school per niveau recht heeft, is het aantal lestijden dat verkregen wordt door het aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven in het betrokken niveau op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, af te zetten op de lestijdschaal, vermeld in bijlage 2, en te vermenigvuldigen met een SES-percentage van 97,16. Als het resultaat van die vermenigvuldiging voor een niveau in een school kleiner is dan 26, dan heeft de school voor dat niveau recht op 26 lestijden.

De lestijden volgens de schalen worden per niveau binnen een school als volgt afgerond : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen in het gewoon onderwijs in programmatie de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de vijf daaropvolgende schooljaren.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "de maand september" en wordt het woord "teldag" telkens gelezen als het woord "telperiode".

Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "door het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven in het betrokken niveau op de eerste schooldag van februari" gelezen als de woorden "door het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen, ingeschreven in het betrokken niveau tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".

52]

[52Subsectie 3. - SES-lestijden52]

Art. 133.

[52

§ 1. Voor de toepassing van de subsecties 3, 4, 5 en 6 gelden de volgende leerlingkenmerken :

a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingkenmerk 1 te noemen;

[84 (vanaf 01/11/2020) b) het krijgen van een selectieve participatietoeslag leerling: er wordt een selectieve participatietoeslag leerling uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die alleen door ongewettigde afwezigheid of onvoldoende aanwezigheid geen recht op een selectieve participatietoeslag hadden, ook meegerekend; 84 (vanaf 01/11/2020)]

c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

§ 2. De regering bepaalt de wijze waarop de leerlingkenmerken worden vastgesteld en legt de procedure vast volgens welke de gegevens door het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming worden verzameld.

52]

Art. 134.

[52

§ 1. Het aantal SES-lestijden waarop de school voor het kleuteronderwijs recht heeft, voor het schooljaar (J)-(J+1), is de som van A, B en C waarbij :

1° A = het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige kleuters, die beantwoorden aan leerlingkenmerk 1, dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, met 0,2710 lestijden;

2° B = S x het aantal regelmatige kleuters dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden, waarbij :

S = X / het aantal regelmatige leerlingen dat de school telde op de eerste schooldag van februari van het jaar J-1, waarbij :

X = het aantal regelmatige leerlingen die beantwoorden aan de volgende cumulatieve voorwaarden :

i° ze beantwoorden uiterlijk op 28 februari J aan leerlingkenmerk 2 voor het schooljaar (J-2)-(J-1);

ii° ze zijn op de eerste schooldag van februari van het jaar J-1 regelmatig ingeschreven in de school;

3° in afwijking van punt 2° is B, voor scholen voor gewoon basisonderwijs die zijn opgericht vanaf 1 september 2011, gedurende hun twee eerste bestaansjaren gelijk aan het resultaat van 0,25 x het aantal regelmatige kleuters dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden.

In afwijking van punt 2° is B, voor scholen voor gewoon basisonderwijs die, zoals bepaald in artikel 3, 15°, fusioneren gedurende het schooljaar dat de fusie uitwerking heeft en het daaropvolgende schooljaar gelijk aan het resultaat van 0,25 x het aantal regelmatige kleuters dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden;

4° C = het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige kleuters, die beantwoorden aan leerlingkenmerk 3, dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, met 0,29116 lestijden.

§ 2. Het aantal SES-lestijden waarop de school voor het lager onderwijs recht heeft, voor het schooljaar (J)-(J+1), is de som van A, B en C waarbij :

1° A = het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs, die beantwoorden aan leerlingkenmerk 1, dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, met 0,26710 lestijden;

2° B = S x het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden, waarbij :

S = X / het aantal regelmatige leerlingen dat de school telde op de eerste schooldag van februari van het jaar J-1, waarbij :

X = het aantal regelmatige leerlingen die beantwoorden aan de volgende cumulatieve voorwaarden :

i° ze beantwoorden uiterlijk op 28 februari J aan leerlingkenmerk 2 voor het schooljaar (J-2)-(J-1);

ii° ze zijn op de eerste schooldag van februari van het jaar J-1 regelmatig ingeschreven in de school;

3° in afwijking van punt 2° is B, voor scholen voor gewoon basisonderwijs die zijn opgericht vanaf 1 september 2011 gedurende hun twee eerste bestaansjaren gelijk aan het resultaat van 0,25 x het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden.

In afwijking van punt 2° is B, voor scholen voor gewoon basisonderwijs die, zoals bepaald in artikel 3, 15°, fusioneren gedurende het schooljaar dat de fusie uitwerking heeft en het daaropvolgende schooljaar gelijk aan het resultaat van 0,25 x het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden;

4° C = het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs, die beantwoorden aan leerlingkenmerk 3, dat de school telt op de teldag, vermeld in artikel 132, met 0,29116 lestijden.

§ 3. De SES-lestijden verkregen volgens paragraaf 1 en paragraaf 2 worden per niveau als volgt afgerond : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere gelegen geheel getal.

§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen is artikel 132, § 4, niet van toepassing.

52]

[52Subsectie 4. - Additionele lestijden volgens de schalen52]

Art. 135.

[52

§ 1. Er worden additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs toegekend aan scholen die aan de voorwaarde, zoals bepaald in paragraaf 2, voldoen. Deze lestijden worden berekend volgens de bepalingen van paragraaf 3.

§ 2. Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen :

Het resultaat van de breuk 24*A/B is groter dan 18,5.

Waarbij :

1° A = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen zoals bepaald in artikel 132.

2° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 2. De lestijden bepaald in artikel 173quater worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

§ 3. De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het lager onderwijs worden als volgt berekend :

Het verschil van C en D wordt gemaakt en afgerond naar het bovenliggende geheel getal.

Waarbij :

- C = 24*A / 18,5 waarbij A = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen zoals bepaald in artikel 132.

- D : de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 2. De lestijden bepaald in artikel 173quater worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

§ 4. Er worden additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs toegekend aan scholen die aan de voorwaarde, zoals bepaald in paragraaf 5, voldoen. Deze lestijden worden berekend volgens de bepalingen van paragraaf 6.

§ 5. Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen :

Het resultaat van de breuk 24*A/B is groter dan 18,5.

Waarbij :

1° A = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen zoals bepaald in artikel 132.

2° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 1. De lestijden bepaald in artikel 141, § 2, worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

§ 6. De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het kleuteronderwijs worden als volgt berekend :

Het verschil van C en D wordt gemaakt en afgerond naar het bovenliggende geheel getal.

Waarbij :

- C = 24*A / 18,5 waarbij A = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen zoals bepaald in artikel 132.

- D : de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 1. De lestijden bepaald in artikel 141, § 2, worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

52]

[52Subsectie 5. - Aanwending52]

Art. 136.

[52

De regering bepaalt de ambten waarin een school met de basisomkadering, zoals bepaald in artikel 131, betrekkingen kan inrichten en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de basisomkadering, zoals bepaald in artikel 131, naar deze betrekkingen.

52]

[52Subsectie 6. - Monitoring52]

Art. 137.

[52 Het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming voert jaarlijks een monitoring uit van de bepalingen in deze sectie. Hierbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de evolutie van de verschillende componenten van de basisomkadering. De resultaten van deze monitoring worden aan de Regering bezorgd. 52]

[52Sectie 2. - Lestijden volgens de schalen in het buitengewoon basisonderwijs52]

[52

Art. 137bis.

§ 1. De lestijden volgens de schalen worden ieder schooljaar per school berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen die zijn ingeschreven op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar en aan de hand van de lestijdenschalen die door de regering worden vastgelegd.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen in het buitengewoon onderwijs in programmatie, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en voor de twee daaropvolgende schooljaren.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 is de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor scholen die betrokken zijn bij een herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op scholen voor type 5 worden de woorden "de eerste schooldag van oktober" telkens gelezen als de woorden "de maand september" en wordt het woord "teldag" telkens gelezen als het woord "telperiode".

Voor de toepassing van dit artikel op scholen voor type 5 worden de woorden "op basis van het aantal regelmatige leerlingen die zijn ingeschreven op de eerste schooldag van februari" gelezen als de woorden "op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen die zijn ingeschreven tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".

§ 5. De lestijden volgens de schalen van een school voor type 5 kunnen uitsluitend volledig worden aangewend als een door de regering vastgelegd gemiddelde van onderwijsdagen per kind gedurende de telperiode wordt bereikt. Als dat gemiddelde niet wordt bereikt, worden de lestijden volgens de schalen evenredig verminderd.

§ 6. In afwijking van paragraaf 1 is het aantal lestijden volgens de schalen voor scholen voor type 5 die betrokken zijn bij of die ontstaan zijn door een fusie, gelijk aan de som van de lestijdenpakketten van de scholen in kwestie.

52] [52

Art. 137ter.

De regering legt voor het buitengewoon basisonderwijs lestijdenschalen vast voor elk type.

52] [52

Art. 137quater.

De regering bepaalt de ambten waarin een school met de lestijden volgens de schalen betrekkingen kan inrichten, en op welke wijze de omrekening gebeurt van de lestijden volgens de schalen naar de gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen die in deze ambten worden ingericht.

[56 Als de regering bepaalt dat lestijden volgens de schalen kunnen worden omgezet in uren kinderverzorging, dan komen de betrekkingen die worden ingericht op basis van deze omgezette lestijden niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.56]

52] [52

Art. 137quinquies.

De regering kan voor het buitengewoon basisonderwijs, om budgettaire redenen, aanwendingspercentages vastleggen die voor een of meer schooljaren op de lestijden volgens de schalen moeten worden toegepast.

52]

Onderafdeling B. - Aanvullende lestijden

[12Sectie 1. - Algemene bepalingen12]

Art. 138.

§ 1. Naast de lestijden volgens de schalen worden volgende categorieën aanvullende lestijden gefinancierd of gesubsidieerd :

1° lestijden voor godsdienst en niet-confessionele zedenleer :

- in het gewoon lager onderwijs zijn dit aanvullende lestijden voor elke erkende godsdienst en voor de niet-confessionele zedenleer of voor cultuurbeschouwing;

- in het buitengewoon lager onderwijs zijn dit aanvullende lestijden voor de minder gevolgde cursussen in de godsdienst of niet-confessionele zedenleer;

[792° ...79]

3° lestijden voor de opvang van anderstalige nieuwkomers;

[333°bis lestijden voor de opvang van gewezen anderstalige nieuwkomers;33]

4° lestijden voor het permanent onderwijs aan huis in het buitengewoon onderwijs;

[115° [52...52] 11]

[12

6° lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid [52in het buitengewoon basisonderwijs52] ;

7° [23 lestijden [52in het buitengewoon basisonderwijs52] ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap;23]

12]

[268° [52 [838° lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering.83] 52] 26]

[56 De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden voor het permanent onderwijs aan huis in het buitengewoon onderwijs komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. 56]

§ 2. De regering kan [23...23] beslissen een nieuwe categorie aanvullende lestijden te financieren of te subsidiëren.

Art. 139.

[23De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van aanvullende lestijden, vermeld in artikel 138, [65 § 1,65] 1°, 2°, 3°, [523°bis, 4°, en 7°52] , alsook het aantal en de wijze van berekening ervan.23]

[12Sectie 2. - Lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid [37in het gewoon basisonderwijs37] 12]

[12

Art. 139bis tot en met 139novies

[52 ...52]

12]

[12Sectie 3. - Aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs12]

[37

Art. 139decies.

De bepalingen van deze sectie zijn uitsluitend van toepassing op de scholen voor buitengewoon basisonderwijs.

37]

[37Subsectie 1. - Gelijkekansenindicatoren37]

[37

Art. 139undecies.

§ 1.Voor de toepassing van deze sectie gelden de volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :

1° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;

2° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximaal één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

§ 2. Het beantwoorden aan de in § 1 vermelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer door de ouders. De regering legt de procedure vast waarmee de gegevens worden gemeld aan het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening met de vigerende regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De documenten of verklaringen die aantonen dat leerlingen aan één of meer van de gelijkekansindicatoren beantwoorden, worden ten minste vijf jaar bewaard op school.

§ 3. De regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe. Het hoogste gewicht wordt toegekend aan de in § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator. De in § 1, 2°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen in combinatie met de andere gelijkekansenindicator.

37]

[37 [37Subsectie 2. - Toekenning van de middelen37] 37]

[37

Art. 139duodecies.

§ 1. Scholen kunnen voor een periode van drie schooljaren aanvullende lestijden krijgen, voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen :

1° op 1 februari van het voorafgaande schooljaar ten minste 40 % externe en semi-interne regelmatige leerlingen [57type basisaanbod57] en type 3 tellen, die beantwoorden aan de in artikel 139undecies, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator;

2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 139ter decies batig gerangschikt zijn onder de in 1° bedoelde scholen en ten minste 6 aanvullende lestijden genereren.

§ 2. In afwijking van § 1 krijgen scholen gedurende de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 slechts voor een periode van twee schooljaren aanvullende lestijden.

§ 3. De regering voorziet voor de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 in een sociale overgangsmaatregel voor de scholen die in het schooljaar 2008-2009 lestijden voor het voeren van een onderwijsvoorrangsbeleid kregen.

37] [70

Art. 139duodecies/1.

In afwijking van de bepalingen van artikel 139duodecies en artikel 139terdecies, § 1, wordt de driejarige cyclus 2014-2015 tot en met 2016-2017 waarbij aan scholen een geïntegreerd ondersteuningsaanbod gelijke onderwijskansen wordt toegekend, verlengd tot en met het schooljaar 2017-2018 met behoud voor elke school van het aantal bijkomende lestijden.

70] [37

Artikel 139ter decies

§ 1. De toekenning van de middelen gebeurt driejaarlijks als volgt :

1° de in artikel 139duode cies bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan de in artikel 139undecies, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator. Binnen eenzelfde percentage worden de scholen volgens het absolute aantal van deze leerlingen gerangschikt;

2° de leerlingen genereren een aantal punten op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing zijn.

§ 2. De regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel aanvullende lestijden een punt vertegenwoordigt.

De regering bepaalt de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van de aanvullende lestijden betrekkingen kunnen worden ingericht en op welke wijze de lestijden, rekening houdend met bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen, naar de gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen worden omgerekend.

De regering bepaalt tevens de regelen inzake de toekenning of herverdeling, tijdens een lopende periode van drie schooljaren, van nieuwe of vrijkomende aanvullende lestijden.

§ 3. In de lestijden bekomen op basis van artikel 139duo decies, § 3, kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.

37]

[37Subsectie 3. - Aanwending van de middelen37]

[37

Art. 139 quater decies.

§ 1. Een school die aanvullende lestijden krijgt, werkt in het eerste trimester van het eerste schooljaar een gelijkekansenbeleid uit. Vanuit een analyse van haar beginsituatie geeft de school aan :

1° welke concrete doelstellingen zij op het vlak van de leerlingen, de personeelsleden en de school wil bereiken. De regering bepaalt doelstellingen die kunnen worden gekozen binnen de volgende thema's :

a) een gericht aanbod rond taalvaardigheid;

b) het aanbieden van onderwijsgerichte opvoedingsondersteuning aan ouders;

c) het opnemen van de (laagdrempelige) sociale functie in een netwerk met partners uit andere sectoren;

2° op welke manier zij die doelstellingen wil bereiken;

3° op welke manier zij zichzelf in de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar evalueert.

§ 2. De aanvullende lestijden kunnen enkel worden aangewend om de in § 1 bedoelde doelstellingen te bereiken.

37] [37

Art. 139quinquies decies.

De scholen betrekken in het ontwikkelen en realiseren van de in artikel 139 quater decies, § 1, bedoelde doelstellingen het centrum voor leerlingenbegeleiding waardoor ze worden begeleid.

37] [37

Art. 139sexies decies.

§ 1. De onderwijsinspectie gaat telkens in de loop van het laatste schooljaar na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij een positieve evaluatie kan de school voor een nieuwe periode van drie schooljaren aanvullende lestijden krijgen indien opnieuw aan alle voorwaarden van artikel 139duodecies voldaan is.

Bij een negatieve evaluatie verliest de school elk recht op de in artikel 139duodecies bedoelde aanvullende lestijden voor de volgende periode van drie schooljaren, tenzij de school een engagement tot remediëring aangaat. In dat geval krijgt ze de helft van het aantal aanvullende lestijden waarop ze in geval van positieve evaluatie recht zou hebben.

Een engagement tot remediëring moet aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° de scholen verbinden er zich toe een stappenplan op te stellen dat aan de volgende criteria voldoet :

a) het uitgangspunt van het stappenplan zijn de geformuleerde knelpunten in het evaluatieverslag van de onderwijsinspectie van de betrokken school;

b) de geformuleerde doelstellingen tot remediëring in het stappenplan passen binnen de doelstellingen van artikel 139 quater decies, § 1, 1°;

c) de doelstellingen zijn outputgericht, concreet en operationeel geformuleerd. Ze moeten voldoende controleerbaar zijn;

d) het stappenplan wordt vóór 1 mei van het schooljaar dat op de negatieve evaluatie volgt aan de onderwijsinspectie bezorgd;

e) de doelstellingen moeten gerealiseerd zijn vóór 1 juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie;

2° de scholen verbinden er zich toe om een beroep te doen op externe begeleiding en ondersteuning bij het opstellen en de uitvoering van het stappenplan.

De onderwijsinspectie gaat in de maand juni van het schooljaar dat op de negatieve evaluatie volgt opnieuw na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij een positieve evaluatie kan de school vanaf het tweede schooljaar weer een beroep doen op het volledige aantal van de in artikel 139duodecies bedoelde aanvullende lestijden. Bij een negatieve evaluatie verliest de school het recht op de in artikel 139duodecies bedoelde aanvullende lestijden voor de volgende twee schooljaren.

§ 2. De regering legt de nadere criteria en procedurele bepalingen, waarmee de onderwijsinspectie de controle uitvoert, vast.

Ze voorziet voor de school in een beroepsmogelijkheid tegen een negatieve evaluatie. Het beroep wordt ingesteld bij een college van inspecteurs.

37]

[83Sectie 4. Aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering83]

[83

Art. 139septies decies.

§ 1. Het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering bedraagt, voor het schooljaar 2019-2020, in het gewoon basisonderwijs 7766 lestijden en in het buitengewoon basisonderwijs 1156 lestijden.

Voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2020-2021, worden de 7766 lestijden, vermeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A1 = X/Y, waarbij:

1° X: het totale aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari X;

2° Y: het totale aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari 2019.

Voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2020-2021, worden de 1156 lestijden, vermeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A2 = R/S, waarbij:

1° R: het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari X;

2° S: het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari 2019.

§ 2. Het aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering waarop de school voor gewoon basisonderwijs recht heeft, is A*B, waarbij:

1° A: de beschikbare lestijden voor het gewoon basisonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het gewoon basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden in het gewoon basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal:

a) lestijden volgens de schalen;

b) SES-lestijden;

c) additionele lestijden volgens de schalen die gebaseerd zijn op de leerlingleerkrachtratio;

d) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing;

2° B: het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden van de school wordt verstaan de som van de:

a) lestijden volgens de schalen;

b) SES-lestijden;

c) additionele lestijden volgens de schalen die gebaseerd zijn op de leerlingleerkrachtratio;

d) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing.

De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 3. Het aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs recht heeft, is C*D, waarbij:

1° C: de beschikbare lestijden voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het buitengewoon basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden in het buitengewoon basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal:

a) lestijden volgens de schalen;

b) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs;

c) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing;

2° D: het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar waarbij onder het totale aantal lestijden van de school wordt verstaan de som van de:

a) lestijden volgens de schalen;

b) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs;

c) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing.

De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 4. Uit de lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon kleuteronderwijs, betrekkingen worden ingericht:

1° in het ambt van kleuteronderwijzer;

2° in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, worden als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen van kleuteronderwijzer of leermeester lichamelijke opvoeding: de lestijden worden gedeeld door 24 tot op de eenheid voor het ambt van kleuteronderwijzer of leermeester lichamelijke opvoeding. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen.

§ 5. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon kleuteronderwijs, worden ingericht in het ambt van kinderverzorger, na omzetting volgens de onderstaande tabel:

lestijden

uren kindervezorger

1

2

2

3

3

5

4

6

5

8

6

10

7

11

8

13

9

14

10

16

11

17

12

19

13

21

14

22

15

24

16

25

17

27

18

29

19

30

20

32

De omrekening van de uren naar gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen kinderverzorger gebeurt door de som van de uren verkregen overeenkomstig het eerste lid te delen door 32 tot op de eenheid; het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen.

§ 6. Uit de lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon lager onderwijs, betrekkingen worden ingericht:

1° in het ambt van onderwijzer;

2° in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding;

3° in het ambt van leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer.

De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, worden als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen van onderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding of leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer: de lestijden worden gedeeld door 24 tot op de eenheid voor het ambt van onderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding of leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen.

§ 7. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon basisonderwijs, worden omgezet in punten, na omzetting volgens de onderstaande tabel:

lestijden

punten

1

4

2

7

3

11

4

14

5

18

6

21

7

25

8

28

9

32

10

35

11

39

12

43

13

46

14

50

15

53

16

57

17

60

18

64

19

67

20

71

21

74

22

78

23

81

24

85

Uit de punten, verkregen volgens het eerste lid, kunnen de volgende ambten worden ingericht:

1° het ambt van zorgcoördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel;

2° het ambt van ICT-coördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel;

3° het ambt van administratief medewerker uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel.

De omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse betrekkingen van het beleids- en ondersteund personeel gebeurt volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende de puntenenveloppen voor de scholengemeenschappen basisonderwijs.

§ 8. Uit de lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, kunnen, in het buitengewoon onderwijs, betrekkingen worden ingericht in:

1° het ambt van kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming;

2° het ambt van onderwijzer algemene en sociale vorming;

3° het ambt van leermeester algemene en sociale vorming, specialiteit lichamelijke opvoeding;

4° het ambt van leermeester algemene en sociale vorming, compensatietechnieken braille, type 6;

5° het ambt van leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer.

De lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, worden als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen: de lestijden worden gedeeld door 22 tot op de eenheid. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen.

§ 9. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, kunnen, in het buitengewoon basisonderwijs, worden omgezet in uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel, na omzetting volgens de onderstaande tabel:

lestijden

uren

1

1

2

3

3

4

4

6

5

7

6

9

7

10

8

12

9

13

10

15

11

16

12

18

13

19

14

21

15

22

16

24

17

25

18

27

19

28

20

29

21

31

22

32

23

34

24

35

25

37

26

38

27

40

De omrekening van uren naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse betrekkingen van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel gebeurt volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs.

§ 10. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, kunnen, in het buitengewoon basisonderwijs, worden omgezet in punten, na omzetting volgens de onderstaande tabel:

lestijden

punten

1

4

2

8

3

12

4

15

5

19

6

23

7

27

8

31

9

35

10

39

11

43

12

46

13

50

14

54

15

58

16

62

17

66

18

70

19

73

20

77

21

81

22

85

Uit de punten, verkregen volgens het eerste lid, kunnen de volgende ambten worden ingericht:

1° het ambt van zorgcoördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel;

2° het ambt van ICT-coördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel;

3° het ambt van administratief medewerker uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel.

De omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse betrekkingen van het beleids- en ondersteund personeel gebeurt volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende de puntenenveloppen voor de scholengemeenschappen basisonderwijs.

§ 11. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de omzettingstabellen vervat in dit artikel te wijzigen.

83]

Onderafdeling C. - Telling

Art. 140.

[52

§ 1. Bij het tellen van de leerlingen in het gewoon basisonderwijs gelden de volgende regels :

1° er wordt afzonderlijk geteld per taalstelsel;

2° de leerlingen van het kleuteronderwijs en het lager onderwijs worden afzonderlijk geteld;

3° in een school met verschillende vestigingsplaatsen worden, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, de leerlingen van alle vestigingsplaatsen samengeteld. Er is echter een afzonderlijke telling voor de vestigingsplaatsen die op 1 februari van het voorgaande schooljaar gelegen zijn op ten minste 1,5 kilometer, in een rechte lijn gemeten, van elke andere vestigingsplaats behorende tot dezelfde groep en gelegen in dezelfde stad of gemeente, waar onderwijs van hetzelfde onderwijsniveau wordt georganiseerd. Een niveau kleuter- of lager onderwijs dat het enige niveau kleuter- of lager onderwijs is van een groep in een welbepaalde stad of gemeente telt per definitie apart, behalve in zijn eerste bestaansjaar. Een niveau in een vestigingsplaats dat op 1 september wordt opgericht, zal voor het eerste schooljaar geen afzonderlijke telling van haar leerlingen hebben. De regering bepaalt de wijze waarop de vestigingsplaatsen gegeopositioneerd worden. De afstand tussen de gegeopositioneerde vestigingsplaatsen wordt berekend volgens de formule vervat in bijlage 3;

4° alleen de regelmatige leerlingen worden geteld;

5° elke leerling telt voor één teleenheid;

6° in afwijking van punt 5° wordt, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, zoals bepaald in artikel 132, en voor de berekening van de aanvullende lestijden voor elke erkende godsdienst en voor de niet-confessionele zedenleer of voor cultuurbeschouwing, zoals bepaald in artikel 138, § 1, 1°, de coëfficiënt 1,5 toegepast op de leerlingen :

a) die verblijven in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning;

b) die verblijven in tehuizen voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben;

c) die geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;

d) van wie de ouders tot de trekkende bevolking behoren;

e) die thuisloos zijn, zoals bepaald in artikel 3, 52° bis/2.

De regering bepaalt de wijze waarop wordt vastgesteld of aan die criteria is voldaan.

De wegingen van 1,5 kunnen niet cumulatief gebeuren;

7° in afwijking van punt 5° wordt, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, zoals bepaald in artikel 132, op de leerlingen van vestigingsplaatsen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest liggen, de coëfficiënt 1,11 toegepast;

8° in afwijking van punten 5°, 6° en 7° wordt, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, zoals bepaald in artikel 132, op een leerling die in aanmerking komt voor zowel een weging van 1,11 als een weging van 1,5, een weging van 1,665 toegepast;

9° in afwijking van punt 5° wordt, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, zoals bepaald in artikel 132, op de leerlingen van vestigingsplaatsen die in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan 100 inwoners per vierkante kilometer, de coëfficiënt 1,05 toegepast;

10° in afwijking van punten 5°, 6° en 9° wordt, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, zoals bepaald in artikel 132, op een leerling die in aanmerking komt voor zowel een weging van 1,05 als een weging van 1,5, een weging van 1,575 toegepast;

11° alvorens artikel 132 toe te passen wordt het gewogen aantal leerlingen per niveau als volgt afgerond op het niveau van de samengetelde vestigingsplaatsen of desgevallend apart tellende vestigingsplaatsen : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 2. Bij het tellen van de leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs gelden de volgende regels :

1° er wordt afzonderlijk geteld per taalstelsel;

2° in het buitengewoon onderwijs worden de leerlingen per type geteld, kleuteronderwijs en lager onderwijs samen;

3° in een school met verschillende vestigingsplaatsen worden de leerlingen van alle vestigingsplaatsen samengeteld;

4° alleen de regelmatige leerlingen worden geteld;

5° elke leerling telt voor één teleenheid.

52]

Onderafdeling D. - Aanwending van het lestijdenpakket

Art. 141.

§ 1. Het lestijdenpakket wordt aangewend vanaf 1 september en geldt voor de duur van een schooljaar.

§ 2. [52Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, op de instapdata vermeld in artikel 12, § 2, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar. 52]

[52

Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, van scholen die, na hun programmatieperiode, een vestigingsplaats met kleuteronderwijs opgericht hebben conform artikel 108bis, gedurende het tweede, derde en vierde bestaansjaar van deze vestigingsplaats, voor zover het niveau kleuter in deze vestigingsplaats nog bestaat, op de instapdag vermeld in artikel 12, § 2, 1°, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar.

Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, van scholen die, na hun programmatieperiode, een niveau kleuter opgericht hebben conform artikel 110, gedurende het tweede, derde en vierde bestaansjaar van dit niveau, voor zover dit niveau nog bestaat, op de instapdag vermeld in artikel 12, § 2, 1°, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar.

52]

[56De betrekkingen die worden ingericht op basis van herberekende lestijden komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.56]

[64§ 3. Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden voor het schooljaar 2016-2017 de lestijden voor het kleuteronderwijs berekend volgens artikel 132, § 1, herberekend op 1 juni 2016 bij een stijging in de school van het aantal kleuters dat voldoet aan artikel 133, § 1, c), of artikel 173quinquies/2, § 1, 2°. 64]

Art. 142.

[13

§ 1. Het schoolbestuur of zijn afgevaardigde beslist, met toepassing van de reglementering inzake medezeggenschap, overleg en onderhandeling, over de aanwending van het lestijdenpakket, alsook over :

1° de herverdeling, binnen eenzelfde school, van lestijden tussen de verschillende niveaus;

2° de overdracht van lestijden naar een andere school van eenzelfde of een ander schoolbestuur, zonder dat de overdracht meer mag bedragen dan drie procent van het totale lestijdenpakket dat het lopende schooljaar wordt gefinancierd of gesubsidieerd voor de school die overdraagt.

§ 2. [26De overdracht van lestijden moet vóór 15 oktober van het lopende schooljaar gebeuren. De regering kan de soorten lestijden bepalen waarbij van deze datum afgeweken wordt.26]

§ 3. Er kunnen geen lestijden overgedragen worden van een school of afdeling van het Nederlands taalstelsel naar een school of afdeling van het Frans taalstelsel of omgekeerd.

13]

Art. 143.

[52

De in artikel 142 bedoelde herverdeling mag niet voor gevolg hebben dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking tenzij de terbeschikkinggestelde personeelsleden voor de hele verdere duur van het schooljaar in een school van hetzelfde schoolbestuur en/of van dezelfde scholengemeenschap overeenkomstig de geldende reglementering kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld.

De in artikel 142 bedoelde overdracht mag niet voor gevolg hebben dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking.

52]

De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft [14ten aanzien van de overheid14] . Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan [54Agodi54] waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen.

Art. 144.

[56De betrekkingen die worden ingericht op basis van overgedragen of herverdeelde lestijden komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.56]

Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan [54het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming54] waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen.

Het niet naleven van deze bepaling heeft voor gevolg dat de vaste benoeming geen uitwerking heeft ten aanzien van [54 het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming54] .

Art. 145.

[12...12]

Onderafdeling E. - Bijzondere bepalingen bij vrijwillige fusies

Art. 146.

§ 1. Bij vrijwillige fusie krijgt de gefusioneerde school [26 , met uitzondering van scholen voor type 5,26] een aantal bijkomende lestijden om haar in staat te stellen de negatieve effecten van de fusie-operatie op te vangen op voorwaarde dat alle betrokken scholen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar een leerlingenaantal bereiken dat minstens 15 procent boven de vereiste rationalisatienorm [56voor scholen56] ligt.

Als méér dan twee scholen bij de fusie betrokken zijn is het toegelaten dat één van die scholen de verhoogde norm niet bereikt.

§ 2. De regering bepaalt op welke wijze de bijkomende lestijden berekend worden.

[56 De betrekkingen die worden ingericht op basis van deze bijkomende lestijden komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. 56]

Afdeling 3. - Paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel

[9Onderafdeling A. - Gewoon basisonderwijs9]

[9

Art. 146bis.

[11

In het gewoon kleuteronderwijs wordt het ambt van kinderverzorger gefinancierd of gesubsidieerd. Dit ambt wordt geput uit een afzonderlijk urenpakket dat berekend wordt op basis van normen en criteria die door de regering worden vastgelegd.

De regering bepaalt hoeveel uren er voor een voltijdse opdracht kinderverzorger uit dit urenpakket geput worden en legt de modaliteiten vast waaronder dit ambt kan worden ingericht.

11] 9] [13

Art 146ter.

§ 1. Het schoolbestuur of zijn afgevaardigde beslist, met toepassing van de reglementering inzake medezeggenschap, overleg en onderhandeling, over de aanwending van het afzonderlijk urenpakket, alsook over de overdracht van uren naar een andere school van eenzelfde of een ander schoolbestuur, zonder dat de overdracht meer mag bedragen dan drie procent van het totale afzonderlijke urenpakket kinderverzorger dat het lopende schooljaar wordt gefinancierd of gesubsidieerd voor de school die overdraagt.

§ 2. De beginselen bepaald in artikel 142, §§ 2 en 3, 143 en 144 zijn van overeenkomstige toepassing op deze overdracht

13]

[9Onderafdeling B. - Buitengewoon basisonderwijs9]

Art. 147.

In een school voor buitengewoon onderwijs wordt een urenpakket paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel gefinancierd of gesubsidieerd, bestaande uit uren volgens de richtgetallen en aanvullende uren.

Art. 148.

De uren volgens de richtgetallen worden jaarlijks berekend door het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de teldag te vermenigvuldigen met de richtgetallen die door de regering per type worden vastgelegd.

De teldag is dezelfde als die voor de vaststelling van de lestijden volgens de schalen zoals bepaald in het [52artikel 137bis52] .

Art. 149.

In afwijking van artikel 148, komen de volgende soorten leerlingen niet in aanmerking voor de berekening van het in artikel 147 bedoeld urenpakket in de school :

[65...65]

- leerlingen die permanent onderwijs aan huis volgen;

- leerlingen die onderwijs van het type 5 volgen, met uitzondering voor de paramedische discipline logopedie in een school voor type 5 verbonden aan een preventorium. De regering bepaalt welke leerlingen in aanmerking komen en de wijze waarop het urenpakket wordt berekend;

- leerlingen die tijdens de schooluren revalidatie krijgen of therapeutische behandelingen ondergaan in één van de disciplines die binnen de personeelsformatie in het onderwijs voorkomen van personen van wie het ambt noch door onderwijs, noch door welzijn wordt gefinancierd of gesubsidieerd. [11De Vlaamse regering kan per type de voorwaarden vastleggen waaronder leerlingen van deze bepaling kunnen worden uitgesloten, voor zover voor deze regeling de nodige kredieten worden ter beschikking gesteld door het Ministerie van Sociale Zaken en het departement Welzijn.11]

Art. 150.

§ 1. Uit de uren volgens de richtgetallen worden de financierbare of subsidieerbare uren van de voltijdse en deeltijdse betrekkingen van psycholoog, arts, verpleger, logopedist, kinesitherapeut, maatschappelijk werker, ergotherapeut, orthopedagoog en kinderverzorger geput.

§ 2. De regering bepaalt voor iedere categorie ambten hoeveel uren een voltijdse opdracht uit de uren volgens de richtgetallen put.

Art. 151.

[14...14]

Art. 152.

Bij het tellen van de leerlingen gelden de regels zoals beschreven in artikel 140.

Art. 153.

Naast de uren volgens de richtgetallen kunnen aanvullende uren [79voor kinderen die geïntegreerd onderwijs volgen79] worden gefinancierd of gesubsidieerd.

De regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van deze aanvullende uren, legt het aantal aanvullende uren vast en de wijze van berekening ervan.

[13

Art. 153bis.

§ 1. Het schoolbestuur of zijn afgevaardigde beslist, met toepassing van de reglementering inzake medezeggenschap, overleg en onderhandeling, over de aanwending van het urenpakket paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel alsook over de overdracht van uren naar een andere school voor buitengewoon basisonderwijs van eenzelfde of een ander schoolbestuur, zonder dat de overdracht meer mag bedragen dan drie procent van het totale afzonderlijke urenpakket paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel dat het lopende schooljaar wordt gefinancierd of gesubsidieerd voor de school die overdraagt.

§ 2. De beginselen bepaald in artikel 142, §§ 2 en 3, 143 en 144 zijn van overeenkomstige toepassing op deze overdracht.

13]

[14Afdeling 3 bis. - Beleids- en ondersteunend personeel14]

[14Onderafdeling A. - Algemeen14]

[14

Art. 153ter.

In iedere school worden ambten van de personeelscategorie beleids- en ondersteunend personeel gefinancierd of gesubsidieerd.

14] [14

Art. 153quater.

De oprichting van betrekkingen in de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel is gebaseerd op punten.

14] [14

Art. 153quinquies.

[33

§ 1. Aan iedere school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs wordt jaarlijks een puntenenveloppe toegekend voor administratieve ondersteuning.

§ 2. [46Aan iedere school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs wordt jaarlijks een puntenenveloppe toegekend voor ICT-coördinatie. De scholen kunnen de middelen alleen aanwenden als ze deel uit maken van een scholengemeenschap, scholengroep of een samenwerkingsplatform, als vermeld in artikel X.53 van het decreet betreffende het onderwijs XIV van 14 februari 2003.46]

33] 14] [14

Art. 153sexies.

§ 1. [33De regering bepaalt hoe de puntenenveloppe voor ICT-coördinatie en voor administratieve ondersteuning berekend wordt en bepaalt eveneens de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van de puntenenveloppe betrekkingen kunnen worden opgericht.33]

§ 2. De oprichting van betrekkingen in ambten, bedoeld in § 1, is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de weddenschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent. De regering legt de puntenwaarde vast volgens de weddenschaal.

§ 3. Het schoolbestuur/de schoolbesturen kan/kunnen de puntenenveloppes voor [33...33] ICT en administratieve ondersteuning alleen voor dat doel gebruiken.

§ 4. [33Maximaal 10 % van de punten uit de puntenenveloppen ICT en administratieve ondersteuning kunnen samen gelegd worden op het niveau van de scholengemeenschap. [37Van dit percentage kan per puntenenveloppe na akkoord in het bevoegd lokaal comité worden afgeweken.37] 33]

[33In afwijking van § 3 kunnen de punten voor ICT en administratieve ondersteuning die op het niveau van de scholengemeenschap samen gelegd worden, vrij aangewend worden. Scholengemeenschappen, waar scholen van het Gemeenschapsonderwijs deel van uitmaken, kunnen deze vrij aan te wenden punten aanwenden om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur in de scholengroep, waar één of meerdere scholen van de scholengemeenschap deel van uitmaken, school- of klasvrij te maken. Dit samen leggen mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden bijkomend ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan Agodi waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen.33]

[20

§ 5. [26De punten voor ICT kunnen samengelegd worden op het niveau van een samenwerkingsplatform, zoals bedoeld [67artikel VI.5 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs67] . De punten voor ICT kunnen op het niveau van het samenwerkingsplatform enkel voor ICT-coördinatie gebruikt worden.26]

[26Dit samenleggen mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden bijkomend ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan [54Agodi54] waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen.26]

20] [56

§ 6. De betrekkingen die worden ingericht op basis van de overeenkomstig de paragrafen 4 en 5 aangewende punten komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.

56] 14]

[14Onderafdeling B. - [56Zorg- en gelijke onderwijskansenbeleid 56] 14]

[14

Art. 153septies.

[56

Elke school in het gewoon basisonderwijs voert een zorg- en gelijke onderwijskansenbeleid met het oog op de optimale leer- en ontwikkelingskansen van alle leerlingen. Binnen de haar toegekende omkadering zorgt de school voor :

1° de coördinatie van alle zorg- en gelijke onderwijskanseninitiatieven op het niveau van de school en in voorkomend geval afstemming met het beleid ter zake van de scholengemeenschap;

2° het ondersteunen van het handelen van het onderwijzend personeel;

3° het begeleiden van leerlingen;

4° de bevordering van de kleuterparticipatie.

56] 14] [14

Art. 153octies.

[33...33]

14]

[14Onderafdeling C. - Administratieve ondersteuning14]

[14

Art. 153novies.

§ 1. Aan iedere school voor kleuter-, lager- en basisonderwijs wordt jaarlijks op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de teldag of op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de telperiode die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, een puntenenveloppe voor administratief personeel toegekend.

§ 2. In afwijking van § 1 wordt aan de scholen voor [23...23] buitengewoon basisonderwijs van het type 5 een forfaitaire puntenenveloppe toegekend. De grootte van deze puntenenveloppe wordt vastgelegd door de Vlaamse regering.

14]

[37Afdeling 3ter. - Vervangingseenheden voor korte afwezigheden37]

[37

Art. 153decies.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :

1° samenwerkingsplatform : scholen die samenwerken binnen :

a) een scholengemeenschap;

b) een samenwerkingsverband tussen een of meer scholengemeenschappen en een of meer scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap;

c) een samenwerkingsverband tussen verschillende scholengemeenschappen;

2° korte afwezigheden : de afwezigheden van de personeelsleden die aangesteld zijn in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, voor wie op basis van andere regelgeving geen vervanger kan worden gefinancierd of gesubsidieerd.

37] [37

Art. 153undecies.

§ 1. Vanaf het schooljaar 2008-2009 kent de regering aan alle gefinancierde en gesubsidieerde scholen basisonderwijs, die deel uitmaken van een samenwerkingsplatform, jaarlijks vervangingseenheden voor korte afwezigheden toe. De regering bepaalt het aantal, de berekenings- en aanwendingswijze van de vervangingseenheden voor korte afwezigheden. De regering bepaalt eveneens de ambten die in aanmerking komen voor deze vervangingen.

[56 De betrekkingen die worden ingericht op basis van de vervangingseenheden komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. 56]

§ 2. De vervangingseenheden voor korte afwezigheden worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsplatform.

§ 3. Er wordt een convenant op het niveau van het samenwerkingsplatform afgesloten tussen de schoolbesturen en een of meer representatieve vakorganisaties. Het convenant omvat minimaal :

1° de aanleiding voor het sluiten van het convenant;

2° de doelstellingen;

3° de wijze waarop vervangingen in korte afwezigheden zullen gebeuren;

4° afspraken over de opvolging van de aanwending van de vervangingseenheden;

5° de gegevens van de participanten;

6° de duur van het convenant;

7° de datum van inwerkingtreding.

De scholen wenden de vervangingseenheden aan conform de bepalingen van het convenant. De scholen in een samenwerkingsplatform kunnen, binnen de bepalingen van het convenant, een eigen beleid voeren betreffende vervangingen van korte afwezigheden van personeelsleden die aangesteld zijn in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, afhankelijk van eigen lokale behoeften en prioriteiten.

37]

[80Afdeling 3quater. Lerarenplatform80]

[80Onderafdeling 1. Toepassingsgebied en definities80]

[80

Art. 153duodecies.

Deze afdeling is van toepassing op de wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, die worden vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en in artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en die worden tewerkgesteld in de scholen van het basisonderwijs.

80] [80

Art. 153terdecies.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt begrepen onder :

1° reguliere vervanging :

a) een vervanging van een afwezigheid van minder dan een schooljaar die voldoet aan volgende voorwaarden :

- het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het onderwijs;

- het personeelslid dat afwezig is, kan worden vervangen volgens de gangbare financierings- en subsidiëringsregels;

of

b) een vervanging van een korte afwezigheid op basis van afdeling 3ter van dit hoofdstuk;

2° samenwerkingsplatform :

- een scholengemeenschap; of

- meerdere scholengemeenschappen; of

- een scholengemeenschap en één of meer scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren; of

- meerdere scholengemeenschappen en één of meer scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren;

3° inzetbaarheidspercentage : de verhouding tussen de totale duur van de uitgeoefende reguliere vervangingen, uitgedrukt in kalenderdagen, en de totale duur van de aanstelling, uitgedrukt in kalenderdagen, telkens vermenigvuldigd met het volume van de opdracht.

80]

[80Onderafdeling 2. Pilootproject80]

[80

Art. 153quaterdecies.

[86Tijdens het schooljaar 2018-2019 en het schooljaar 2019-202086] wordt een pilootproject `lerarenplatform' opgezet om tijdelijk aangestelde personeelsleden werkzekerheid te bieden.

80] [80

Art. 153quinquiesdecies.

Alle scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs die deel uitmaken van een samenwerkingsplatform kunnen deelnemen aan het pilootproject.

80] [80

Art. 153sexiesdecies.

De deelnemende scholen moeten in het bevoegde lokaal comité onderhandelen over :

- de deelname aan het lerarenplatform;

- de criteria van aanstelling van de betrokken personeelsleden;

- de criteria van inzetbaarheid van de betrokken personeelsleden in pedagogisch zinvolle taken;

- de inzetbaarheid in de verschillende scholengemeenschappen indien het samenwerkingsplatform bestaat uit meerdere scholengemeenschappen of in de scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap.

80]

[80Onderafdeling 3. Berekening van de middelen80]

[80

Art. 153septiesdecies.

Het aantal beschikbare voltijdse equivalenten bedraagt 2500 voor alle scholen van het basisonderwijs. Indien niet alle scholen deelnemen wordt dit aantal proportioneel verminderd. De omzetting van voltijds equivalenten naar lestijden gebeurt door het aantal voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 23,79.

80]

[80Onderafdeling 4. Toekenning van de middelen80]

[80

Art. 153duodevicies.

Alle deelnemende scholen ontvangen lestijden voor de aanstelling van personeelsleden in het lerarenplatform. Het volume van deze lestijden per deelnemende school wordt berekend a rato van het aandeel van de lestijden van het vorige schooljaar van de betreffende school ten opzichte van het totaal aantal lestijden van het vorige schooljaar van alle deelnemende scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden wordt verstaan de som van het totale aantal :

a) lestijden volgens de schalen;

b) SES-lestijden;

c) additionele lestijden volgens de schalen gebaseerd op de leerling-leerkracht -ratio;

d) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs;

e) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing.

80] [81

Art. 153duodevicies/1.

In afwijking van artikel 153 septies decies wordt het aantal beschikbare voltijdse equivalenten dat niet werd ingevuld omdat niet alle scholen deelnemen aan het lerarenplatform, verdeeld over de deelnemende samenwerkingsplatformen.

Het volume van deze lestijden per deelnemend samenwerkingsplatform wordt berekend naar rato van het aandeel van de lestijden van het vorige schooljaar van de scholen van het betreffende samenwerkingsplatform ten opzichte van het totaal aantal lestijden van het vorige schooljaar van alle deelnemende scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden wordt verstaan de som van het totale aantal:

1° lestijden volgens de schalen;

2° SES-lestijden;

3° additionele lestijden volgens de schalen gebaseerd op de leerling-leerkracht-ratio;

4° aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs;

5° aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuur-beschouwing.

81]

[80Onderafdeling 5. Aanwending van de middelen80]

[80

Art. 153undevicies.

De lestijden voor het lerarenplatform worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsplatform. Deze lestijden kunnen niet worden overgedragen naar het volgende schooljaar of naar een ander samenwerkingsplatform.

Het personeelslid in het lerarenplatform krijgt een aanstelling die ten vroegste aanvangt op 1 oktober en uiterlijk eindigt op het einde van het schooljaar. De aanstelling is alleen mogelijk in een wervingsambt van het onderwijzend personeel.

De decreten Rechtspositie zijn van toepassing voor wat betreft de tijdelijke aanstelling, maar de betrekking komt niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren, muteren, reaffecteren of wedertewerkstellen in deze betrekkingen.

80] [80

Art. 153vicies.

Het personeelslid wordt voor ten minste een halftijdse opdracht aangesteld in de scholen die deel uitmaken van het samenwerkingsplatform. De halftijdse opdracht kan bestaan uit lestijden voor het lerarenplatform en andere lestijden.

80] [80

Art. 153viciessemel.

Een personeelslid in het lerarenplatform wordt ingezet voor reguliere vervangingen.

80] [80

Art. 153viciesbis.

Als het personeelslid niet kan worden ingezet voor reguliere vervangingen, wordt het op basis van zijn bekwaamheidsbewijs ingezet in zinvolle pedagogische taken.

80] [80

Art. 153viciester.

De personeelsleden aangesteld in het lerarenplatform moeten op het niveau van het samenwerkingsplatform samen een inzetbaarheidspercentage van 85 procent bereiken.

Als het bereikte inzetbaarheidspercentage op positieve of negatieve wijze afwijkt van dit vooropgesteld percentage, zal dit verschil - op positieve of negatieve wijze - worden verrekend op de middelen lerarenplatform die in voorkomend geval in het daarop volgend schooljaar worden toegekend aan het samenwerkingsplatform. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage lager lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lestijden dat wordt toegekend aan een samenwerkingsplatform verminderd met het aantal lestijden dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage hoger lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lestijden vermeerderd met het aantal lestijden dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken.

80]

[80Onderafdeling 6. Monitoring en verderzetting van het lerarenplatform 80]

[80

Art. 153viciesquater.

Het pilootproject lerarenplatform wordt opgevolgd en gemonitord in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners, met het oog op een mogelijke verdere implementatie van de maatregel [86...86] .

80] [80

Art. 153viciesquinquies.

Deze afdeling treedt in werking op 1 oktober 2018 en houdt op uitwerking te hebben op een door de regering te bepalen datum.

80]

[80Afdeling 3quinquies. Omzetting van niet-ingevulde vervangingen80]

[80

Art. 153viciessexies.

Vanaf het schooljaar 2018-2019 krijgen schoolbesturen van het basisonderwijs de mogelijkheid om de betrekkingen in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel die in aanmerking komen voor een reguliere vervanging zoals gedefinieerd in afdeling 3quater, artikel 153ter decies, 1°, a), om te zetten in vervangingseenheden. Deze omzetting is enkel mogelijk op voorwaarde dat geen geschikt kandidaat kan worden gevonden die de betrokken vervanging kan uitoefenen. Het schoolbestuur ondertekent hiertoe een verklaring op eer.

Voor het bepalen van het aantal vervangingseenheden wordt de teller van de opdrachtbreuk van het afwezige personeelslid vermenigvuldigd met het aantal kalenderdagen afwezigheid van het afwezige personeelslid.

Deze vervangingseenheden kunnen worden opgespaard en later tijdens het schooljaar worden aangewend. Voor de verrekening van de aanwending worden de vervangingseenheden gedeeld door de teller van de opdrachtbreuk van de vervanger. De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten bij een periode van omzetting naar vervangingseenheden, en die een nieuwe periode van omzetting naar vervangingseenheden onmiddellijk voorafgaan, moeten eveneens worden aangerekend op de vervangingseenheden.

De scholen onderhandelen in het bevoegde lokaal comité over de nadere modaliteiten van de aanwending.

80] [80

Art. 153viciessepties.

De maatregel wordt jaarlijks opgevolgd en gemonitord in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners, met het oog op continuering en een eventuele uitbreiding naar andere ambten en personeelscategorieën.

80] [80

Art. 153duodetricies.

Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2018 en houdt op uitwerking te hebben op een door de regering te bepalen datum.

80]

Afdeling 4. - Personeel ten laste van het werkingsbudget

Art. 154.

[4§ 1.4] Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget bedoeld in artikel 76 onder meer administratief, meester-, vak- en dienstpersoneel, opvoedend hulppersoneel en personeel voor specifieke opdrachten aanwerven.

Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

[4

§ 2. [54 Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget, [80vermeld [68in artikel 76, artikel 87bis, artikel 172sexies, artikel 173quinquies/2, artikel 173quinquies/3 of artikel 173quinquies/468] 80] , of van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het basisonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. 54]

[54

De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.

Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of de salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.

54] 4]

Afdeling 5. - Afwijkingen

Art. 155.

[23§ 1.23] Met het oog op bijzondere omstandigheden en in afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk kan de regering op vraag van het schoolbestuur in het buitengewoon onderwijs bijkomende lestijden en/of bijkomende uren toekennen voor het onderwijzend en paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

[4 [46Het totaal aantal bijkomende lestijden en/of bijkomende uren mag niet meer bedragen dan [790,47579] procent van het totaal aantal lestijden of uren dat het voorgaand schooljaar werd toegekend aan respectievelijk het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs. Voor de berekening van het aantal bijkomende lestijden en/of bijkomende uren gebeurt de omrekening van de voltijdse ambten naar lestijden of uren op basis van de minimumprestaties eigen aan ieder ambt.46] [79...79] 4]

[56De betrekkingen die worden ingericht op basis van de bijkomende lestijden of bijkomende uren komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. 56]

[23

§ 2. [79...79]

23]

Art. 156.

[12...12]

HOOFDSTUK X. - Opdracht van het personeel in het basisonderwijs

Afdeling 1. - Functiebeschrijvingen

Art. 157 t.e.m. 162.

[28...28]

Afdeling 2. - Prestatieregeling

Art. 163.

§ 1. De regering bepaalt voor elk ambt het minimum en het maximum aantal lestijden en/of uren voor de wekelijkse hoofdopdracht en het maximum aantal klokuren voor de wekelijkse schoolopdracht.

De schoolopdracht wordt in principe gepresteerd binnen de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen.

§ 2. In afwijking van § 1 valt de deelname aan oudercontacten en aan personeelsvergaderingen buiten in § 1 bedoelde maximum wekelijkse schoolopdracht.

Deze opdrachten vallen niet noodzakelijk binnen de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen.

§ 3. Andere afwijkingen op § 1 kunnen maar toegepast worden na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité.

[14§ 4. De regering bepaalt de wekelijkse opdracht voor de ambten van de categorie beleids- en ondersteunend personeel.14]

[11

Art. 163bis.

In de hoofdopdracht kunnen bijzondere pedagogische taken en/of lestijden beleidsondersteuning begrepen zijn.

Maximum 3 % van het lestijden- en urenpakket kan aangewend worden als lestijden bijzondere pedagogische taken. Het maximum kan enkel worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité.

11]

Art. 164.

De criteria voor de invulling van hoofd- en schoolopdracht worden vastgelegd na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité.

[20In elke school wordt bij de voorbereiding van het schooljaar onderhandeld over de algemene regels om de vaststelling van het aantal lestijden / [23uren23] prestatie tussen het minimum en het maximum van de hoofdopdracht en de schoolopdracht op een billijke en transparante wijze te bepalen.20]

[26

Art. 164bis.

Personeelsleden kunnen niet belast worden met lestijden of uren buiten het lestijden- en urenpakket, behoudens indien deze in de plage gelegen zijn.

Als een schoolbestuur dit verbod overtreedt, valt de bezoldiging ten laste van het schoolbestuur.

[46

Binnen een scholengemeenschap mag in het gewoon lager onderwijs maximaal 10 procent plage worden ingericht ten opzichte van de totale personeelsformatie op basis waarvan de betrekkingen van onderwijzer in het gewoon lager onderwijs worden ingericht. Alleszins mag het percentage plage dat in het gewoon lager onderwijs wordt ingericht vanaf het schooljaar 2011-2012 niet hoger liggen dan het percentage plage dat in schooljaar 2010-2011 in de scholengemeenschap werd ingericht. Voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren, gelden de percentages, vermeld in het vorige lid, per school. Bij het bepalen van de criteria, zoals vermeld in artikel 164, moet er rekening mee gehouden worden dat onderwijzers slechts met een derde lestijd zoals bepaald in artikel 3, 43°bis, van dit decreet, kunnen worden belast als deze lestijd om organisatorische redenen noodzakelijk is.

Alle plage zoals bepaald in artikel 3, 43°bis, van dit decreet die in het basisonderwijs wordt ingericht, moet aan het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming worden gemeld met inbegrip van haar invulling.

46] 26]

Art. 165.

De directeur bepaalt voor elk personeelslid het wekelijks aantal lestijden en /of uren hoofdopdracht en het wekelijks aantal klokuren schoolopdracht.

Hij houdt daarbij rekening met :

1° de maxima bedoeld in artikel 163, § 1;

2° de bepalingen van artikel 163, § 2 en § 3;

3° de criteria bedoeld in artikel 164 [46en 164bis46] .

Afdeling 3. - Begeleiding

Art. 166.

§ 1. [1De vakorganisaties, aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie, kunnen beschikken over personeelsleden uit het onderwijs met ofwel een [14verlof wegens bijzondere opdracht14] , ofwel een verlof wegens vakbondsopdracht overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen. 1]

[1

In tegenstelling met de geldende reglementaire bepalingen zijn de representatieve vakorganisaties er evenwel niet toe gehouden, voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden die genieten van een verlof wegens vakbondsopdracht, aan de overheid een som terug te storten die gelijk is aan het globaal bedrag van de wedden, weddetoelagen, salarissen, vergoedingen en toelagen die door de overheid aan deze personeelsleden werden uitgekeerd.

Deze personeelsleden moeten door die vakorganisaties belast worden [20met de begeleiding van onderwijsvernieuwingen voor wat betreft de gevolgen ervan voor de personeelsleden en20] met de begeleiding en de ondersteuning van de lokale comités.

1]

§ 2. Het totaal aantal toegevoegde personeelsleden mag voor de verschillende in § 1 bedoelde vakorganisaties samen niet meer dan vijftien bedragen.

Art. 167.

De regering bepaalt de wijze van verdeling van de in artikel 166 bedoelde personeelsleden en legt de aanvraagprocedure vast.

HOOFDSTUK XI. - [54 Projecten54]

Afdeling 1. - [54Rijdende kleuterschool Vlaanderen54]

[54

Art. 168.

[59

Eén vereniging zonder winstoogmerk ontvangt de subsidie, vermeld in artikel 169, vanaf de data, vermeld in artikel 169, en één voltijds verlof wegens bijzondere opdracht als ze voldoet aan de volgende voorwaarden :

1° ze stelt zich tot doel de participatie van de kleuters van de kermisexploitanten en ze organiseert een rijdende kleuterschool Vlaanderen ter bevordering daarvan. De rijdende kleuterschool Vlaanderen zal de toer van de foren volgen;

2° ze leeft de erkenningsvoorwaarden na, vermeld in artikel 62, § 1, 2°, 5°, 6°, 7° en 11°;

3° ze voorziet in onderwijsaanbod dat ten minste de leergebieden, vermeld in artikel 39, omvat. De geformuleerde ontwikkelingsdoelen voor die leergebieden, vermeld in artikel 44, § 1, worden nagestreefd;

4° ze houdt zich aan de bepalingen, vermeld in artikel 27 en 27bis;

5° ze aanvaardt alleen kleuters die zijn ingeschreven in een erkende school;

6° [86ze bezorgt jaarlijks een verslag over de afgelopen subsidieperiode;86]

7° ze toont de betrokkenheid met en de kennis van de doelgroep aan;

8° ze toont aan dat ze voldoende ervaring heeft met het organiseren van een rijdende kleuterschool.

59] 54] [54

Art. 169.

[59

§ 1. [86Vanaf het schooljaar 2015-2016 wordt aan de vzw een subsidie toegekend van maximaal 28.000 euro per 12 maanden voor het project de rijdende kleuterschool Vlaanderen. Vanaf 2019 wordt de subsidie toegekend op kalenderjaarbasis.86]

§ 2. [86...86]

§ 3. Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt de subsidie die aan de vzw toegekend wordt, jaarlijks geïndexeerd tegen 75% van [86de gezondheidsindex86] .

§ 4. Vanaf het schooljaar 2015-2016 wordt aan de vzw ook een verlof wegens bijzondere opdracht voor één kleuteronderwijzer toegekend.

§ 5. De regering bepaalt de verdere procedure voor de aanvraag en de toekenning van de subsidie, vermeld in paragraaf 1, en het verlof wegens bijzondere opdracht, vermeld in paragraaf 4. [86De subsidie wordt de eerste keer toegekend voor de periode van 1 september 2015 tot en met 31 december 2020, vervolgens telkens voor een periode van vijf kalenderjaren. Het verlof wegens bijzondere opdracht wordt telkens toegekend voor een periode van vijf schooljaren.86]

59] 54]

Art. 170 tot en met 171.

[21...21]

[14

Afdeling 2. - Buitengewone onderwijsontwikkelingen

Art. 172.

[33Conform artikel 125decies, § 1, 3°, van dit decreet kunnen scholengemeenschappen punten voor het voeren van een zorgbeleid, verkregen op basis van artikel 125duodecies1, § 3, naar andere scholengemeenschappen overdragen, teneinde speciale projecten met betrekking tot zorg mogelijk te maken. Dit overdragen dient vóór 15 oktober van het lopende schooljaar te gebeuren.33]

Art. 172bis.

[56 ...56]

14] [79

Afdeling 3. ...

Art. 172ter.

...

Art. 172quater.

...

79] [70

Afdeling 4. [86Invoering van regionale ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs en van een mechanisme voor de ondersteuning van scholen voor gewoon basisonderwijs met leerlingen met een gemotiveerd verslag, verslag of inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 786]

Art. 172quinquies.

§ 1. Met het oog op de invoering van ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs kent de Vlaamse Regering jaarlijks binnen de beschikbare budgettaire ruimte personeelsomkadering onder de vorm van begeleidingseenheden, lestijden, lesuren en uren toe aan het buitengewoon onderwijs. Het betreft :

1° [8618.013,5 begeleidingseenheden, waarvan 11.163 voor het basisonderwijs en 6.850,5 voor het secundair onderwijs;86]

2° enerzijds de lestijden en uren, in toepassing van artikel 173septies van dit decreet en anderzijds de lesuren en uren in toepassing van artikel 314/5 van de Codex Secundair Onderwijs;

3° het extra budget ten belope van 2120 lestijden voor het basisonderwijs en 1410 lesuren voor het secundair onderwijs en [79218879] uren, waarvan 1302 voor het basisonderwijs en 886 voor het secundair onderwijs.

Begeleidingseenheden kunnen naargelang de aard van de ondersteuning die nodig is, omgezet worden in lestijden, lesuren en uren.

De lestijden, respectievelijk de lesuren, en uren, inclusief de omgezette begeleidingseenheden, worden voor scholen buitengewoon basisonderwijs beschouwd als extra lestijden en extra uren, zoals bedoeld in artikel 3, 14° en 14° bis, van dit decreet, en voor scholen buitengewoon secundair onderwijs als extra lesuren en uren.

§ 2. [86...86]

[79

§ 2/1. [86...86]

79]

§ 3. [86Het budget, vermeld in paragraaf 1, wordt door de Vlaamse Regering toegewezen aan ondersteuningsnetwerken en volledig toegekend aan de scholen buitengewoon onderwijs, voor de ondersteuning in het gewoon basis- of secundair onderwijs van leerlingen met een inschrijvingsverslag waarover ze beschikken omdat ze, voor het basisonderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2, van dit decreet of, voor het secundair onderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 352, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs en leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type basisaanbod, 3 of 9, die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van dit decreet of artikel 259, § 1, 1°, 3° en 8°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, waarbij:

1° 70 % wordt verdeeld op basis van het leerlingenaantal op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar van de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk;

2° 30 % wordt verdeeld op basis van het gemiddeld aantal leerlingen met een verslag, gemotiveerd verslag of inschrijvingsverslag in de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk op de eerste schooldag van februari van de zes voorafgaande schooljaren;

3° in afwijking van punt 2° gelden als teldagen:

a) voor het schooljaar 2017-2018: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2011-2012 tot en met 2016-2017;

b) voor het schooljaar 2018-2019: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018;

c) voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019.

86]

Voor de middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, gebeurt deze verdeling afzonderlijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs.

[79Bij haar toewijzing aan de ondersteuningsnetwerken, vermeld in het eerste lid, garandeert de Vlaamse Regering jaarlijks 13.623 lestijden en 12.985 uren voor basisonderwijs en 7.747 lesuren en 2.605 uren voor secundair onderwijs. De toepassing hiervan zal over een periode van vijf schooljaren gemonitord worden en indien nodig in het schooljaar 2022-2023 bijgestuurd worden.79]

Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs delen uiterlijk op 30 juni 2017 aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten mee met welke scholen zij op dit moment samenwerken in het kader van gon, ion en waarborg in functie van de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, en bij welk ondersteuningsnetwerk ze voor het schooljaar 2017-2018 aansluiten. Daarna moeten wijzigingen aan de samenstelling jaarlijks uiterlijk op 1 maart van het voorafargaande schooljaar meegedeeld worden.

Voor de vorming van de ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerking met scholen van andere netten. Deze samenwerking kan minimaal volgende vormen aannemen :

a) scholen kunnen indien ze dit wensen, opteren voor ondersteuning door een ondersteuningsnetwerk van een ander net;

b) het versterken van de internettensamenwerking.

Voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap maken de inrichtende machten tegen 1 januari 2018 sluitende afspraken over logische regionale gebieden waarbinnen er slechts een ondersteuningsnetwerk actief is en waarbij binnen die regio alle officiële scholen zich aansluiten en die over ondersteuning en begeleiding in het kader van ondersteuning van kinderen met specifieke onderwijsbehoeften, afspraken kunnen maken met eender welk ander ondersteuningsnetwerk.

In het kader van deze afspraken kunnen scholen buitengewoon onderwijs middelen overdragen aan scholen buitengewoon onderwijs van een ondersteuningsnetwerk dat behoort tot een ander onderwijsnet.

[79

Aan één school voor buitengewoon onderwijs die behoort tot een ondersteuningsnetwerk worden middelen toegekend voor de coördinatie van dit ondersteuningsnetwerk. Deze middelen komen globaal overeen met het aantal voltijdse betrekkingen dat overeenkomt met het aantal bestaande ondersteuningsnetwerken in het schooljaar 2018-2019.

De middelen voor coördinatie worden in mindering gebracht van de budgetten die de pedagogische begeleidingsdiensten ontvingen in toepassing van [86artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs86] . De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze middelen in mindering worden gebracht en de wijze van toekenning van de lestijden, lesuren of uren voor de coördinatie van het ondersteuningsnetwerk.

79]

[86Middelen voor coördinatie van een ondersteuningsnetwerk van het overleg kleine onderwijsverstrekkers kunnen worden georganiseerd vanuit het begeleidingskorps dat aan de kleine onderwijsverstrekkers werd toegekend in toepassing van artikel VI.1, § 4, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.86]

§ 4. Het globale verlies op het niveau van een onderwijsnet ten gevolge van de berekeningswijze, vermeld in paragraaf 3, in vergelijking met de situatie op niveau van een onderwijsnet van waarborg en begeleidingseenheden gon, met uitzondering van de doelgroepen, bedoeld in [86bedoeld in artikel 172quinquies/186] , in het schooljaar 2016-2017, wordt gecompenseerd voor een transitieperiode van de drie schooljaren 2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020 bij wijze van een garantiefonds, door het aandeel van de scholen en centra van het stijgende onderwijsnet procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen en centra van het dalende onderwijsnet procentueel te vermeerderen naar rato van het vastgestelde verlies van het dalende onderwijsnet.

De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten.

§ 5. Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert de gemeenschappelijke vergadering, vermeld in paragraaf 9, als commissie. Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden. Bij de toewijzing wordt rekening gehouden met volgende criteria : er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen.

De Vlaamse Regering wijst de omkadering, vermeld in paragraaf 3 en 4, toe aan de ondersteuningsnetwerken op voorstel van de commissies, vermeld in het eerste lid, en kent de omkadering toe aan de scholen voor buitengewoon onderwijs. De commissies houden bij hun voorstellen tijdens de transitieperiode rekening met de beoogde ondersteuning van de ondersteuningsnetwerken, zoals bepaald overeenkomstig paragraaf 3.

[86In afwijking hiervan worden de in paragraaf 1, 1°, vermelde 18.013,5 begeleidingseenheden door de Vlaamse Regering rechtstreeks terug verdeeld naar de scholen voor buitengewoon onderwijs die in het schooljaar 2016-2017 begeleidingen deden in het kader van het geïntegreerd onderwijs naar rato van:

1° 100 % in het schooljaar 2017-2018;

2° 66 % in het schooljaar 2018-2019;

3° 33 % in het schooljaar 2019-2020.

86]

Het aandeel begeleidingseenheden waarover de commissies in de schooljaren 2018-2019 en 2019-2020 bevoegd worden, worden uitgedrukt in lestijden, lesuren en uren.

§ 6. Het personeelslid dat in een betrekking wordt aangesteld op basis van de lestijden, lesuren of uren als vermeld in het laatste lid van paragraaf 1 [79en het laatste lid van paragraaf 379] , wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur. De bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs zijn, naargelang van het geval, van toepassing op deze aanstelling, met uitzondering van de volgende bepalingen :

1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waar de betrekking wordt opgericht, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid en is, naargelang van het geval, een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een tewerkstelling. Indien deze aanstelling een tewerkstelling is, dan wordt ze beschouwd als een wedertewerkstelling;

2° het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in de betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikelen 21 en 21bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, naargelang van het geval;

3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking.

§ 7. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.

§ 8. In afwijking van artikel 8 tot en met artikel 15, artikel 16bis tot en met artikel 20, en artikel 22 tot en met artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de opdracht van het personeel in het basisonderwijs geldt voor het onderwijzend personeel, het paramedisch personeel, het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel dat aangesteld wordt in een betrekking in het buitengewoon basisonderwijs tijdens het schooljaar 2017-2018 tot en met 2019-2020 een hoofdopdracht van 22 lestijden en een schoolopdracht van 26 klokuren.

De hoofdopdracht bestaat in de ondersteuning van het onderwijzend personeel en van het kind dat de ondersteuning nodig heeft in het gewoon onderwijs.

De tijd die nodig is voor professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen maakt deel uit van de schoolopdracht.

[86...86]

In het kader van de uitwerking van dit decreet zullen de competentiebegeleiders, vermeld in artikel VI.1 van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, in hun taakstelling bijzondere aandacht besteden aan de opdracht, vermeld in paragraaf 2, punt 4°, door hen effectief in te zetten om in de ondersteuningsnetwerken te werken aan expertiseontwikkeling.

[79

§ 8/1. [86 In elk ondersteuningsnetwerk wordt ten minste één personeelslid aangesteld in een school voor buitengewoon onderwijs, dat belast wordt met coördinerende taken. Een voltijdse betrekking wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast.

Met behoud van de toegekende middelen voor coördinatie, vermeld in paragraaf 3, negende en tiende lid, kan tot een door de Vlaamse Regering te bepalen maximumpercentage van het totale budget van een ondersteuningsnetwerk aangewend worden voor coördinatieopdrachten voor het ondersteuningsnetwerk. Dit kan enkel wanneer het ondersteuningsnetwerk kan aantonen dat de toegekende middelen voor coördinatie ontoereikend zijn. Deze middelen mogen enkel ingezet worden voor coördinatietaken.

Paragraaf 6, 7 en 8 zijn van toepassing op de personeelsleden, vermeld in het eerste en tweede lid.

86]

79]

§ 9. Een stuurgroep die wordt opgericht in de schoot van deze gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X - Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - afdeling 2 - onderafdeling `Vlaamse Gemeenschap' en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs, staat in voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de invoering van ondersteuningsnetwerken. De onderwijsinspectie en administratie zullen toezicht houden op de toekenning en aanwending van de middelen voor personeelsomkadering, vermeld in paragraaf 1, op de werking van de ondersteuningsnetwerken, de coördinatie en de aansturing van de teams en op de kwaliteit van de ondersteuning op niveau van het effect voor leraren, lerarenteams en leerlingen. [79 Een vertegenwoordiging vanuit de erkende ouderverenigingen en vanuit belangenorganisaties van ouders van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften kan worden uitgenodigd door de stuurgroep.79]

§ 10. De overheid zal een grondige evaluatie en monitoring doorvoeren waarvan de resultaten op 1 september 2019 beschikbaar zijn. Deze evaluatie zal uitgevoerd worden in samenspraak met de stuurgroep, vermeld in paragraaf 9, door een onafhankelijke commissie van experten en academici en heeft onder meer betrekking op :

1° het gehanteerde verdelingsmechanisme;

2° de personeelseffecten;

3° de ondersteuning in de klas voor de leerling en de leerkracht en de leerlingenbewegingen;

4° de doelmatige aanwending van de middelen.

70] [79

§ 11. Voor de toepassing van dit artikel wordt school begrepen als een gefinancierde of gesubsidieerde school.

79] [86

Art. 172quinquies/1.

§ 1. Scholen voor gewoon basisonderwijs kunnen vanuit scholen buitengewoon basis- of secundair onderwijs, die over de vereiste handicapspecifieke expertise beschikken, ondersteuning ontvangen voor:

1° leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7, waarover deze leerlingen beschikken omdat ze vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2;

2° leerlingen met een gemotiveerd verslag type 2, 4, 6 of 7, vermeld in artikel 16;

3° leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7, vermeld in artikel 15.

§ 2. De school voor gewoon basisonderwijs deelt per leerling, vermeld in paragraaf 1, die nood heeft aan ondersteuning en die geteld wordt op de teldagen, vermeld in paragraaf 4, aan AGODI mee welke school voor buitengewoon onderwijs de ondersteuning voor het betrokken schooljaar opneemt. De school betrekt de ouders van de betrokken leerlingen en het CLB bij deze keuze. De school voor gewoon onderwijs is verantwoordelijk om voor de leerlingen die al gekend zijn die keuze voor het einde van het voorafgaande schooljaar mee te delen aan de scholen voor buitengewoon onderwijs waarmee ze zal samenwerken.

De scholen voor gewoon basisonderwijs kunnen netoverschrijdende samenwerkingen aangaan met scholen voor buitengewoon onderwijs. De aangeduide scholen voor buitengewoon onderwijs zijn bepalend voor de toekenning van lestijden, uren en begeleidingseenheden aan die scholen.

§ 3. De lestijden, uren en begeleidingseenheden worden als volgt bepaald:

1° voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 en 7 in het gewoon basisonderwijs en leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2 in het gewoon basisonderwijs:

a) type 2: 3,225 lestijden en 3,9 uren;

b) type 4: 3,225 lestijden en 5,0 uren;

c) type 6: 4,170 lestijden en 2,1 uren;

d) type 7: 4,170 lestijden en 2,9 uren;

2° voor leerlingen met een inschrijvingsverslag type 4, 6 of 7 in het gewoon basisonderwijs of een gemotiveerd verslag type 2, 4, 6 of 7 in het gewoon basisonderwijs:

a) type 2: 2 begeleidingseenheden;

b) type 4: 2 begeleidingseenheden;

c) type 6: 3,56 begeleidingseenheden;

d) type 7: 2,10 begeleidingseenheden.

De lestijden, de uren en de begeleidingseenheden worden per school voor buitengewoon onderwijs telkens per type en afzonderlijk voor punt 1° en 2° opgeteld en in geval van een decimaal getal naar de hogere eenheid afgerond.

In functie van extra ondersteuningsnoden voor leerlingen met een verslag type 2, 4, 6 of 7 of met een inschrijvingsverslag type 2 bovenop de lestijden die ze genereren in een school voor gewoon onderwijs of het behoud van expertise en tewerkstelling in een school voor buitengewoon onderwijs die het aanbod heeft voor leerlingen conform artikel 10, § 1, 2° en/of 4°, en/of 6°, en/of 7°, kan, met toepassing van de omzettingstabel als vermeld in artikel 139septies decies, § 9, een omzetting gebeuren van lestijden naar uren of omgekeerd om voormelde leerlingen, indien de situatie het vereist, beter te ondersteunen. Deze omzetting is afhankelijk van het akkoord van de ouders en van de lokale onderhandelingscomités van de school voor gewoon en buitengewoon onderwijs.

§ 4. De teldagen voor de toekenning van lestijden, uren en begeleidingseenheden aan scholen voor buitengewoon onderwijs zijn:

1° de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar;

2° de eerste schooldag van februari van het lopende schooljaar.

De lestijden, uren en begeleidingseenheden toegekend op basis van de telling op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar vormt het gegarandeerde basispakket voor het volledige schooljaar.

Als op basis van de berekening, vermeld in paragraaf 1, paragraaf 2 en paragraaf 3, op de eerste schooldag van februari een hoger aantal lestijden, uren of begeleidingseenheden per type gegenereerd wordt voor een school voor buitengewoon onderwijs in vergelijking met het aantal dat op de eerste schooldag van oktober werd toegekend, ontvangt deze school dit verschil aan lestijden, uren of begeleidingseenheden per type met ingang van de eerste schooldag van februari. In geval van een daling behoudt de school voor buitengewoon onderwijs de lestijden, uren en begeleidingseenheden per type berekend op basis van de eerste schooldag van oktober.

§ 5. Scholen voor buitengewoon onderwijs ontvangen de lestijden, uren en begeleidingseenheden voor de leerlingen van de scholen voor gewoon basisonderwijs waarmee ze samenwerken.

In geval een school voor gewoon basisonderwijs voor ondersteuning samenwerkt met een school voor buitengewoon secundair onderwijs worden de lestijden, vermeld in paragraaf 3, 1°, door AGODI toegekend als lesuren.

Begeleidingseenheden kunnen naargelang de aard van de ondersteuning die nodig is, omgezet worden in lestijden of uren.

§ 6. De lestijden en uren, inclusief de omgezette begeleidingseenheden, worden voor scholen buitengewoon basisonderwijs beschouwd als extra lestijden en extra uren zoals bedoeld in artikel 3, 14° en 14° bis, van dit decreet en als extra lesuren en uren in scholen voor buitengewoon secundair onderwijs indien de school voor gewoon basisonderwijs voor ondersteuning samenwerkt met een school voor buitengewoon secundair onderwijs.

Paragraaf 6, 7 en 8 van artikel 172quinquies zijn van toepassing op de personeelsleden die aangesteld worden in de extra lestijden en extra uren.

§ 7. Scholen voor buitengewoon onderwijs werken netoverschrijdend samen om aan expertisedeling te doen in functie van hun ondersteunende opdracht naar scholen voor gewoon onderwijs.

§ 8. De scholen voor gewoon basisonderwijs hebben recht op ondersteuning van scholen voor buitengewoon onderwijs. In onderling overleg en met betrokkenheid van de ouders, waar mogelijk de leerling en met het CLB wordt bepaald hoe de lestijden, uren en begeleidingseenheden die de leerlingen met toepassing van paragraaf 3 en op basis van de teldagen, vermeld in paragraaf 4, inbrengen, worden ingezet naargelang de vastgestelde ondersteuningsnoden.

De ondersteuning kan binnen de school voor gewoon basisonderwijs en over scholen voor gewoon basisonderwijs heen flexibel aangewend worden voor leerlinggerichte, leerkrachtgerichte of teamgerichte ondersteuning op basis van de ondersteuningsnoden die er zijn. Er kunnen geen lestijden, uren of begeleidingseenheden, toegekend in toepassing van dit artikel, aangewend worden voor ondersteuning in toepassing van artikel 172quinquies.

De scholen voor buitengewoon onderwijs starten met ondersteuning vanaf de eerste schooldag van het lopende schooljaar en in voorkomend geval ook vanaf de eerste schooldag van februari voor de leerlingen met een inschrijvingsverslag, gemotiveerd verslag of verslag type 2, 4, 6 of 7 die al gekend zijn en waarvoor er nood is aan ondersteuning.

§ 9. De onderwijsinspectie voert gerichte kwaliteitscontroles uit op de handelingsgerichte diagnostische trajecten die leiden tot de opmaak van verslagen en gemotiveerde verslagen type 2, 4, 6 en 7.

§ 10. Het toezicht door de onderwijsinspectie en de administratie en de evaluatie en monitoring als vermeld in artikel 172quinquies, § 9 en § 10, zijn ook van toepassing op de uitvoering van dit artikel.

§ 11. Voor de toepassing van dit artikel wordt school begrepen als een gefinancierde of gesubsidieerde school.

86]

[80Afdeling 5. Project ondersteuning leerkrachten in het basisonderwijs 2018-201980]

[80

Artikel 172sexies.

Voor begrotingsjaar 2018 wordt een extra werkingsbudget van 9.000.000 euro toegekend aan de scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019.

Dit werkingsbudget moet worden aangewend om in het basisonderwijs de leerkracht in de klas te ondersteunen. De criteria met betrekking tot de aanwending van het werkingsbudget in de school, moeten onderhandeld worden in het bevoegde lokaal comité. Als de school deel uitmaakt van een scholengemeenschap, maakt de scholengemeenschap afspraken over de aanwending van de middelen.

De regering bepaalt de verdeling van het extra werkingsbudget over de scholen, de berekeningswijze per school en houdt daarbij minstens rekening met het aantal leerlingen per school, en de uitbetalingsmodaliteiten.

80] [81

Art. 172septies.

§ 1. Voor het begrotingsjaar 2019 wordt een extra werkingsbudget van 10.000.000 euro toegekend aan de scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019. Deze middelen kunnen ook aangewend worden tijdens het schooljaar 2019-2020.

Dit werkingsbudget moet worden aangewend om in het basisonderwijs de leerkracht in de klas te ondersteunen. Het werkingsbudget moet aangewend worden volgens de bepalingen van artikel 154, § 2. De criteria met betrekking tot de aanwending van het werkingsbudget in de school moeten onderhandeld worden in het bevoegde lokaal comité. Als de school deel uitmaakt van een scholengemeenschap, maakt de scholengemeenschap afspraken over de aanwending van de middelen.

§ 2. Het extra werkingsbudget waarop de school recht heeft, is A*B, waarbij:

1° A: het werkingsbudget, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden in het basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal:

a) lestijden volgens de schalen;

b) SES-lestijden;

c) additionele lestijden volgens de schalen die gebaseerd zijn op de leerling-leerkrachtratio;

d) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuur-beschouwing;

e) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs;

2° B: het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden van de school wordt verstaan de som van de:

a) lestijden volgens de schalen;

b) SES-lestijden;

c) additionele lestijden volgens de schalen die gebaseerd zijn op de leerling-leerkrachtratio;

d) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuur-beschouwing;

e) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs.

§ 3. Het extra werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uitbetaald uiterlijk op 31 maart 2019.

81]

[13 [13HOOFDSTUK XIIbis. - Bijzondere bepalingen voor gesubsidieerde officiële scholen13] 13]

[13

Art. 173bis.

Een [46publiekrechtelijke rechtspersoon46] kan de onderwijsbevoegdheid van een gesubsidieerde officiële school slechts overdragen aan een schoolbestuur uit het vrij onderwijs, indien het in de nodige garanties voorziet opdat de keuze wordt aangeboden tussen onderricht in één der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

De regelen, bepaald in het eerste lid, betreffen de overdracht van onderwijsbevoegdheid die ingang vinden vanaf 1 september 2002.

13]

[42HOOFDSTUK XIIter. Dringende maatregelen in het kader van de capaciteitsproblematiek42]

[42

Art. 173ter.

§ 1. In afwijking van artikel 102, § 1, kan de regering, buiten de gevallen zoals bedoeld in artikel 100, in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van meer dan 1500 inwoners per km2 een nieuwe school voor gewoon basisonderwijs per 1 september in de financierings- of subsidieregeling opnemen als aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldaan is :

1° op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar bereikt de school de door de regering vastgestelde programmatienormen;

2° de school is gelegen op afstand van minimaal 250 meter van elke andere school of vestigingsplaats voor gewoon kleuter-, lager, of basisonderwijs van dezelfde groep;

3° de school wordt niet opgericht op hetzelfde of een aangrenzend kadastraal perceel waar reeds een bestaande gefinancierde of gesubsidieerde school of vestigingsplaats voor gewoon kleuter-, lager, of basisonderwijs van dezelfde groep gevestigd is.

§ 2. [86 [ (tot 01/09/2020) In afwijking van artikel 3, 8°, wordt in § 1 onder de "bevolkingsdichtheid" verstaan "de bevolkingsdichtheid zoals deze berekend werd door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek en zoals dat op de eerste schooldag van februari voorafgaand aan de start van het schooljaar beschikbaar is] [ (vanaf 01/09/2020) In afwijking van artikel 3, 8°, wordt in paragraaf 1 verstaan onder bevolkingsdichtheid: het aantal inwoners per vierkante kilometer dat opgenomen is in de gemeentemonitor van de Vlaamse overheid en dat op de eerste schooldag van februari voorafgaand aan de start van het schooljaar beschikbaar is.] 86] .

42] [42

Art. 173quater.

§ 1. Voor de scholen voor gewoon basisonderwijs die op basis van artikel 132, § 1, tellen worden er bijkomende lestijden volgens de schalen toegekend op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar of worden er lestijden afgetrokken van de lestijden volgens de schalen zoals berekend op basis van artikel 132, § 1, op voorwaarde dat de scholen liggen in gemeenten die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :

1° [59a) ofwel gelegen zijn in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op voorwaarde dat dit gewest, voor het schooljaar (X, X+1), een totale aangroei kent van minstens 2400 regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs, die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen, gesubsidieerd of gefinancierd door de Vlaamse overheid, op het grondgebied van dit gewest, op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5;

b) ofwel gelegen zijn in een administratief arrondissement van het Vlaamse Gewest dat, voor het schooljaar (X, X+1), een totale aangroei kent van minstens 2400 regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs, die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen op het grondgebied van dit administratief arrondissement, op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5;

59]

2° voor het schooljaar (X, X+1) moet de totale aangroei van het aantal regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs die ingeschreven waren in de [59vestigingsplaatsen59] op het grondgebied van deze gemeenten op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X minstens 240 leerlingen bedragen ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5.

[56§ 1bis. In afwijking van paragraaf 1 worden er [59vanaf 1 september 201559] , voor het schooljaar (X, X+1), ook voor de scholen voor gewoon basisonderwijs die op basis van artikel 132, § 1, tellen, bijkomende lestijden volgens de schalen toegekend op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar op voorwaarde dat de scholen liggen in een gemeente die op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X niet meer voldeed aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1, maar op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-1 wél voldeed aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1.56]

§ 2. De berekening van de bijkomende lestijden volgens de schalen of van het aantal lestijden dat afgetrokken wordt van de lestijden volgens de schalen gebeurt per schooljaar (X, X+1) als volgt :

1° het resultaat van A min B wordt berekend, waarbij :

A = het aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven zijn in de school op de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X;

B = het aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven waren in de school op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X.

Indien het resultaat van A min B groter of gelijk is aan 12 dan worden er bijkomende lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het schooljaar (X, X+1).

Indien dit resultaat kleiner of gelijk is aan "-12" worden er lestijden afgetrokken van het aantal lestijden volgens de schalen waar de school recht op heeft op basis van het aantal regelmatige leerlingen op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar (X, X+1);

2° indien het resultaat groter of gelijk is aan "12", dan heeft de school, voor het schooljaar (X, X+1), recht op een aantal bijkomende lestijden volgens de schalen dat gelijk is aan dit resultaat.

Indien dit resultaat kleiner of gelijk is aan "-12" dan wordt dit resultaat afgetrokken van het aantal lestijden volgens de schalen op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar (X, X+1).

§ 3. Het aantal bijkomende lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de herberekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september tot 30 juni van het lopende schooljaar.

§ 4. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar (X, X+1) vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 5. Uit de bijkomende lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de herberekening kunnen de volgende betrekkingen en opdrachten geput worden :

- de eventuele onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van onderwijzer;

- de eventuele betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

§ 6. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven zijn in de school op de eerste schooldag van oktober" gelezen als de woorden "gemiddeld aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven zijn in de school tijdens de maand september" en worden de woorden "op de teldag" telkens gelezen als de woorden "volgens de telperiode".

Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven waren in de school op de eerste schooldag van februari" gelezen als de woorden "gemiddeld aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven waren in de school tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari".

42] [42

Art. 173quinquies.

§ 1. Ten laatste in juni 2011 wordt hoofdstuk XIIter, Dringende maatregelen in het kader van de capaciteitsproblematiek, artikelen 173ter en 173quater, geëvalueerd.

§ 2. 1° In de schoot van de Vlaamse Regering wordt een taskforce 'capaciteitsproblematiek scholen' opgericht, die elke aanvraag voor financiering en subsidiëring voor infrastructuur die een oplossing biedt voor het capaciteitsprobleem in een bepaalde gemeente, toetst op doelmatigheid;

2° de taskforce 'capaciteitsproblematiek scholen' bereidt de evaluatie voor;

3° aan deze taskforce 'capaciteitsproblematiek scholen' nemen vertegenwoordigers van de beleidsdomeinen Onderwijs, Ruimtelijke Ordening en Welzijn deel gezien de verstrengeling van de problemen en de toekomstige oplossingen in de drie beleidsdomeinen.

42] [52

Artikel 173quinquies/1.

§ 1. Voor het schooljaar (X, X+1) worden er aan de scholen voor gewoon basisonderwijs, die op basis van artikel 132, § 1, tellen en die deel uitmaken van een schoolbestuur of voor wat het gemeenschapsonderwijs betreft van een scholengroep zoals bepaald in het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998 dat een stijging van 12 kleuters kent op de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X in vergelijking met de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X-1, bijkomende lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs toegekend op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar op voorwaarde dat de scholen liggen in gemeenten die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :

1° [59a) ofwel gelegen zijn in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op voorwaarde dat dit gewest, voor het schooljaar (X, X+1), een totale aangroei kent van minstens 2400 regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs, die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen, gesubsidieerd of gefinancierd door de Vlaamse overheid, op het grondgebied van dit gewest, op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5; 59]

[59 b) ofwel gelegen zijn in een administratief arrondissement van het Vlaamse Gewest dat, voor het schooljaar (X, X+1), een totale aangroei kent van minstens 2400 regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs, die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen op het grondgebied van dit administratief arrondissement, op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5;59]

2° voor het schooljaar (X, X+1) moet de totale aangroei van het aantal regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs die ingeschreven waren in de [59vestigingsplaatsen59] op het grondgebied van deze gemeenten op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X minstens 240 leerlingen bedragen ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5.

[56

§ 1bis. In afwijking van paragraaf 1 worden er [59 vanaf 1 september 201559] , voor het schooljaar (X, X+1), ook aan de scholen voor kleuteronderwijs die op basis van artikel 132, § 1, tellen, en die deel uitmaken van een schoolbestuur, of voor wat het gemeenschapsonderwijs betreft van een scholengroep zoals bepaald in het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998, dat een stijging van 12 kleuters kent op de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X in vergelijking met de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X-1, bijkomende lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs toegekend op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar op voorwaarde dat de scholen liggen in een gemeente die op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X niet meer voldeed aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1, maar op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-1 wél voldeed aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1.

56]

§ 2. De berekening van de bijkomende lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs gebeurt per schooljaar (X, X+1) als volgt :

1° het resultaat van A min B wordt berekend, waarbij :

A = het aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven zijn in de school op de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X;

B = het aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven waren in de school op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X. Indien het resultaat van A min B groter of gelijk is aan 12, dan worden er bijkomende lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs toegekend aan de school voor het schooljaar (X, X+1);

2° indien het resultaat groter of gelijk is aan 12, dan heeft de school, voor het schooljaar (X, X+1), recht op een aantal bijkomende lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs dat gelijk is aan het resultaat van A min B.

§ 3. Het aantal bijkomende lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de herberekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september tot 30 juni van het lopende schooljaar.

§ 4. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar (X, X+1) vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 5. De regering bepaalt de ambten waarin een school met deze bijkomende lestijden volgens de schalen betrekkingen kan inrichten en de wijze waarop de omrekening gebeurt van deze bijkomende lestijden volgens de schalen naar deze betrekkingen.

§ 6. Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven zijn in de school op de eerste schooldag van oktober" gelezen als de woorden "gemiddeld aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven zijn in de school tijdens de maand september".

Voor de toepassing van dit artikel op CKG-scholen worden de woorden "aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven waren in de school op de eerste schooldag van februari" gelezen als de woorden "gemiddeld aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven waren in de school tijdens de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari.

52]

[64HOOFDSTUK XIIter/1. Dringende maatregel in het kader van het stijgend aantal leerlingen met thuistaal niet de onderwijstaal.64]

[64

Art. 173quinquies/2.

§ 1. Aan de scholen voor gewoon basisonderwijs die aan een van volgende criteria voldoen [66, wordt in het schooljaar 2015-2016 een extra toelage toegekend uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands66] die berekend wordt volgens paragraaf 2 :

1° de school kent op de eerste schooldag van februari 2016 een stijging van het aantal kleuters die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2015-2016;

2° de school telt op de eerste schooldag van februari 2016 minstens één leerling die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar jonger dan vijf jaar is en die op de eerste schooldag van februari 2016, gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :

a) hij is een nieuwkomer, dit wil zeggen dat hij pas vanaf 1 juli 2015 of later in België verblijft;

b) hij heeft niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal;

c) hij beheerst onvoldoende de onderwijstaal om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;

d) hij is maximaal negen maanden ingeschreven, vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen, in een school met het Nederlands als onderwijstaal.

§ 2. De extra toelage waar de school recht op heeft, is 950 euro maal (C + (D-C)), waarbij, als D-C negatief is, dit gelijkgesteld wordt aan 0.

C = het totale aantal kleuters in de school dat op de eerste schooldag van februari 2016 voldoet aan paragraaf 1, 2°;

D = de totale stijging aan kleuters in de school, die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), op de eerste schooldag van februari van 2016 ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2015-2016.

[66

§ 3. De scholen kunnen de extra toelage berekend volgens paragraaf 2 uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands voor het schooljaar 2015-2016 en het schooljaar 2016-2017 aanwenden.

66] 64] [68

Art. 173quinquies/3.

§ 1. Aan de scholen voor gewoon basisonderwijs die aan een van de volgende criteria voldoen, wordt in het schooljaar 2016-2017 een extra toelage toegekend uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands die berekend wordt volgens paragraaf 2 :

1° de school kent op 14 november 2016 een stijging van het aantal kleuters die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2016-2017;

2° de school telt op 14 november 2016 minstens één leerling die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar jonger dan vijf jaar is en die op 14 november 2016, gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :

a) hij is een nieuwkomer, dit wil zeggen dat hij pas vanaf 1 juli 2016 of later in België verblijft;

b) hij heeft niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal;

c) hij beheerst onvoldoende de onderwijstaal om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;

d) hij is maximaal negen maanden ingeschreven, vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen, in een school met het Nederlands als onderwijstaal.

§ 2. De extra toelage waar de school recht op heeft, is 950 euro maal (C + (D-C)), waarbij, als D-C negatief is, dit gelijkgesteld wordt aan 0.

C = het totale aantal kleuters in de school dat op 14 november 2016 voldoet aan paragraaf 1, 2°;

D = de totale stijging aan kleuters in de school, die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), op 14 november 2016 ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2016-2017.

§ 3. De scholen kunnen de extra toelage berekend volgens paragraaf 2 uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands voor het schooljaar 2016-2017 aanwenden.

68] [72

Art. 173quinquies/4.

§ 1. Aan de scholen voor gewoon basisonderwijs die aan een van volgende criteria voldoen, wordt in het schooljaar 2017-2018 een extra toelage toegekend uitsluitend voor activiteiten als vermeld in paragraaf 3 en die berekend wordt volgens paragraaf 2:

1° de school vertoont op 27 oktober 2017 een stijging van het aantal kleuters die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor het schooljaar 2017-2018;

2° de school telt op 27 oktober 2017 minstens één leerling die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar jonger is dan vijf jaar en die op 27 oktober 2017 gelijktijdig aan al de volgende voorwaarden voldoet:

a) hij is een nieuwkomer, dat wil zeggen dat hij pas sinds 1 juli 2017 of later in België verblijft;

b) hij heeft niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal;

c) hij beheerst onvoldoende de onderwijstaal om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;

d) hij is maximaal negen maanden ingeschreven, vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen, in een school met het Nederlands als onderwijstaal.

§ 2. De extra toelage waar de school recht op heeft, vermeld in paragraaf 1, wordt berekend conform de volgende formule: 950 euro x (C + (D-C)), waarbij:

1° als D-C negatief is, dit gelijkgesteld wordt aan 0;

2° C: het totale aantal kleuters in de school, die op 27 oktober 2017 voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 2° ;

3° D: de totale stijging aan kleuters in de school, die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), op 27 oktober 2017 ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor het schooljaar 2017-2018.

§ 3. De scholen, vermeld in paragraaf 1, mogen de extra toelage berekend conform paragraaf 2, uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands voor het schooljaar 2017-2018 aanwenden.

72]

[52HOOFDSTUK XIIquater. - Waarborgregeling lichamelijke opvoeding52]

[52

Art. 173sexies.

Elke school voor gewoon basisonderwijs wendt per niveau, voor lichamelijke opvoeding, ten minste het aantal lestijden aan volgens de regeling die door de regering vastgelegd wordt. De regering baseert zich hierbij op het systeem van aanvullende lestijden lichamelijke opvoeding dat per niveau toegekend werd voor het schooljaar 2011-2012.

52]

[57HOOFDSTUK XIIquinquies. - Waarborgregeling bij daling van het leerlingenaantal in het buitengewoon onderwijs57]

[57

Art. 173septies.

§ 1. Bij het realiseren van een relatieve minderkost in het buitengewoon basisonderwijs ten opzichte van het referentieschooljaar [622013-201462] , worden per schooljaar de vrijgekomen middelen, via enveloppefinanciering, ingezet voor de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs.

§ 2. De regering bepaalt de procedure voor de berekening van de enveloppe en houdt voor de verdeling van de enveloppe over het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en over de scholen minstens rekening met de volgende principes :

1° de vastgestelde verschuivingen van leerlingen van het buitengewoon naar het gewoon basisonderwijs als gevolg van effectieve terugkeer uit of verminderde instroom in het buitengewoon basisonderwijs voor de verdeling van de enveloppe over het gewoon en buitengewoon basisonderwijs. De regering houdt hierbij ook rekening met de demografie;

2° de relatieve aanwezigheid van leerlingen met een verslag als vermeld in artikel 15 of 16 voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor gewoon basisonderwijs;

3° de vastgestelde verschuivingen in de leerlingenpopulaties van de types voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor buitengewoon basisonderwijs.

§ 3. De regering bepaalt tevens de wijze waarop en de ambten waarin de middelen uit de enveloppe kunnen worden ingezet voor uitbreiding van zorg in de scholen voor gewoon basisonderwijs of voor versterking van het onderwijs en de zorg in scholen voor buitengewoon basisonderwijs en voor welke leerlingen deze middelen kunnen worden aangewend.

57]

HOOFDSTUK XIII. - Terugvorderingen, inhoudingen en sancties

Afdeling 1. - Terugvorderingen

Art. 174.

§ 1. Elke ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring wordt teruggevorderd van het schoolbestuur. Een ten onrechte uitbetaald salarisgedeelte wordt evenwel teruggevorderd van het betrokken personeelslid indien het schoolbestuur niet verantwoordelijk is voor de onterechte uitbetaling.

§ 2. De terugvordering van ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring aan of voor rekening van het schoolbestuur kan ook gebeuren door inhouding op het nog uit te betalen werkingsbudget.

Art. 175 en 176.

[33...33]

Afdeling 2. - Sancties

Art. 177.

§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 174 kunnen volgende overtredingen, na aanmaning, aanleiding geven tot [11sancties door de Vlaamse regering11] :

1° het niet naleven van de toelatingsvoorwaarden zoals bedoeld in de artikelen 12, 15 en 16;

2° [11...11]

3° [23het niet naleven van de bepalingen inzake de keuze en de vrijstelling van keuze tussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer zoals bedoeld in artikel 29;23]

4° het niet naleven van de procedure tot het schorsen en uitsluiten van leerlingen zoals bedoeld in artikel 32;

5° het miskennen van recht op het onderwijs aan huis zoals bedoeld in de artikelen 34 en 35;

6° het niet naleven van de bepalingen met betrekking tot de organisatie van de schooltijd zoals bedoeld in de artikelen 48, 49 en 50;

7° [11...11]

8° het misbruiken van het werkingsbudget en investeringsmiddelen;

9° de misbruiken bij het tellen van de regelmatige leerlingen voor programmatie, rationalisatie, lestijdenpakket en urenpakket;

10° [26de misbruiken bij het berekenen en aanwenden van lestijden, uren en punten.26]

11° [26...26]

§ 2. [11...11]

Overtredingen bedoeld in § 1, 6° worden vastgesteld door de onderwijsinspectie.

Art. 178.

De sanctie voor het in overtreding zijnde schoolbestuur kan een gedeeltelijke terugbetaling van het werkingsbudget zijn, zonder dat de terugvordering of inhouding méér kan bedragen dan 10 procent van het werkingsbudget van de school waar de overtreding is vastgesteld.

[11De in het eerste lid bedoelde terugvordering of inhouding kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.11]

Art. 179.

Het niet naleven van de verplichtingen inzake :

1° het hebben van het schoolreglement zoals bedoeld in artikel 37,

2° het hebben van het handelingsplan zoals bedoeld in artikel 46,

3° het hebben van het schoolwerkplan zoals bedoeld in artikel 47,

4° het invullen en tijdig doorsturen van de voorgeschreven formulieren of gevraagde gegevens voor elementen waar de directie niet afhankelijk is van derden;

5° medewerking aan de door de regering opgelegde acties of onderzoeksverrichtingen;

kan, na aanmaning, aanleiding geven tot tijdelijke inhouding van betaling van de voorschotten op het werkingsbudget of tijdelijke inhouding van de betaling van de schijven van de dotatie aan [14het Gemeenschapsonderwijs14] ten belope van dat deel van de schijven dat redelijkerwijze geacht mag worden toe te komen aan de betrokken school.

Art. 180.

De regering bepaalt de verdere regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Het hiervoor bedoelde besluit waarborgt de rechten van verdediging.

[11

Art. 180bis.

Vragen in verband met de toepassing van en klachten in verband met inbreuken op :

1° [27de beginselen in zake kosteloosheid in het basisonderwijs, vermeld in artikel 27 en van de bijdrageregeling, vermeld in artikel 27bis en 27ter;27]

2° de beginselen bedoeld in artikel 51 kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de Commissie zorgvuldig bestuur, bedoeld in artikel V.21 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaiek.

11]

HOOFDSTUK XIV. - Opheffings- , wijzigings-, overgangs- en ingangsbepalingen

Afdeling 1. - Opheffingsbepalingen

Art. 181.

Het koninklijk besluit van 12 januari 1981 tot vaststelling van de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van de Raad van het pluralistisch onderwijs wordt opgeheven.

Art. 182.

Worden voor het basisonderwijs opgeheven :

1° het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs met uitzondering van de artikelen 20, § 2 en 21;

2° de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving met uitzondering van de artikelen 4, 9de, 10de en 11de lid, 5, 13, § 2 tot en met 22ter, 28, § 2, 31 en 42;

3° het koninklijk besluit van 2 december 1969 tot vaststelling van de normen voor de oprichting van betrekkingen van rekenplichtig-correspondenten en geselecteerd rekenplichtig-correspondent in de Rijksonderwijsinrichtingen;

4° de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs, met uitzondering van artikel 20, 1ste lid;

5° het koninklijk besluit van 17 december 1973 betreffende de socio-culturele en sportactiviteiten georganiseerd of gesubsidieerd door de Staat in het lager- en kleuteronderwijs;

6° het koninklijk besluit van 1 februari 1978 houdende organiek reglement van de verbeteringsraad voor het basisonderwijs van de Staat (Nederlands taalstelsel);

7° het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs;

8° de artikelen 1, 2, § 1 en § 3, 3, 4, 5, 6, 7, § 1 en § 2, 9, 10, 14, 15, 21 tot en met 32 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs;

9° het koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semi-internaten;

10° de artikelen 1, 2, 3, § 1 en § 4, 4 tot en met 7 en 9 tot en met 12 van het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch personeel worden bepaald in de inrichtingen voor het buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semi-internaten;

11° de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, met uitzondering van de artikelen 1, §1 en § 7, 5 , 10, 11, 12 en 13;

12° het koninklijk besluit van 15 juni 1984 betreffende het kantonnaal examen tot uitreiking van het getuigschrift basisonderwijs - reglement;

13° de artikelen 1, 2, 3, 4, 1° tot en met 19°, 6, 11 tot en met 14, 15, 19, 21, § 1 en 22 tot en met 25 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1984 houdende rationalisatie en programmatie van het gewoon kleuter- en lager onderwijs;

14° de artikelen 1 tot en met 9, 10, § 1 en § 2, 12, § 1, 15, 16, 17, 19, 20 en 21, § 1, 1°, 3° en 4°, § 2 en § 3, 22 tot en met 38, 40, 41 en 42 van het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende de rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs;

15° de artikelen 2, 3 en 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;

16° artikel 41 van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;

17° de artikelen 1, 2, 1° tot en met 6°, 7° eerste lid, 8° tot en met 14°, 19°, 20°, 22°, 23°, 3, 4, 5, 6, 10, 20 tot en met 31 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 april 1993 betreffende de organisatie van het gewoon kleuter- en lager onderwijs op basis van het lestijdenpakket.

Art. 183.

Worden voor het basisonderwijs opgeheven op een datum te bepalen door de regering :

1° het koninklijk besluit van 14 maart 1960 houdende toepassing van artikel 4 van de wet van 29 mei 1959;

2° de artikelen 2, § 2 en § 4, 7, § 3, 8, 8bis, 11, 12, 13, 16, 17, 18, 19 en 20 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs;

3° de artikelen 3, § 2 en § 3 en 8 van het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch personeel worden bepaald in de inrichtingen voor het buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semi-internaten;

4° de artikelen 4, 20°, 21°, 22° en 23°, 7 tot en met 10, 14bis, 16 tot en met 18, 20 en 21, § 2 en § 3 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1984 houdende rationalisatie en programmatie van het gewoon kleuter- en lager onderwijs;

5° de artikelen 10, § 3, § 4, § 5, 11, 12, § 2, 13, 14, 18, 21, § 1, 2° en 39 van het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende de rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs;

6° de artikelen 2, 7° tweede en derde lid, 15°, 16°, 17°, 18°, 21°, 24°, 25° en 26°, 7, 8, 9, 11 tot en met 19 en de bijlagen 1, 2, 3 en 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 april 1993 betreffende de organisatie van het gewoon kleuter- en lager onderwijs op basis van het lestijdenpakket.

Art. 184.

In afwachting van het in werking treden van de besluiten in uitvoering van dit decreet, blijft de terzake geldende regelgeving, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet van kracht is, van toepassing.

Afdeling 2. - Wijzigingsbepalingen

Art. 185.

§ 1. In artikel 2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving wordt lid b geschrapt.

§ 2. In artikel 4 van dezelfde wet wordt het zevende lid geschrapt.

§ 3. In artikel 8, eerste lid van dezelfde wet worden de woorden "alsmede in de pluralistische inrichtingen" geschrapt.

§ 4. Artikel 33bis van dezelfde wet wordt geschrapt.

Art. 186.

§ 1. Artikel 87 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten wordt aangevuld met volgend lid :

"In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de verenigingen zonder winstoogmerk die niet bij bovenvermelde representatieve verenigingen zijn aangesloten per schooljaar een forfaitaire toelage per organieke betrekking in het basisonderwijs ontvangen, zoals bepaald in artikel 89, § 3, als ze op 1 september van het voorgaande schooljaar minder dan 425 organieke betrekkingen in het basisonderwijs tellen, zoals bepaald in artikel 89, § 3.

Hiertoe leggen zij aan de Vlaamse regering een ontwerp van begeleidingsplan voor.

De Vlaamse regering bepaalt het bedrag van de forfaitaire toelage."

§ 2. Aan artikel 90, § 2 van hetzelfde decreet wordt een 14° toegevoegd luidend als volgt :

"14° om de inspraakstructuren begeleiding en ondersteuning te bieden."

Afdeling 3. - Overgangsbepalingen

Art. 187.

[23Leerlingen die vóór 1 september 2006 in het kader van Geïntegreerd Onderwijs begeleid werden in een erkende niet gesubsidieerde school voor gewoon onderwijs, behouden in het schooljaar 2006-2007 deze begeleiding.23]

Art. 188.

[26

Scholen die een herstructurering hebben doorgevoerd op 1 september 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 of 2007 hebben de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar als teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen tijdens het schooljaar van de herstructurering.

In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor kleuteronderwijs of van een niveau kleuteronderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.

In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor basisonderwijs of lager onderwijs of van een onderwijsniveau lager onderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de vijf daaropvolgende schooljaren.

In het geval van oprichting van een type in een school voor buitengewoon basisonderwijs geldt die teldag voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.

26] [26

Art. 188bis.

Scholen die opgericht werden op 1 september 2004, 2005, 2006 of 2007 hebben een programmatieperiode van vier schooljaren.

26] [26

Art. 188ter.

De teldag voor de berekening van het werkingsbudget is voor scholen die op 1 september 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 of 2007 betrokken waren bij een herstructurering, voor het schooljaar van de herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor kleuteronderwijs of van een niveau kleuteronderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.

In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor basisonderwijs of lager onderwijs of van een onderwijsniveau lager onderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de vijf daaropvolgende schooljaren.

In het geval van oprichting van een type in een school voor buitengewoon basisonderwijs geldt die teldag voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.

26] [26

Art. 188quater.

Scholen die voor het schooljaar 2007-2008 van de regering een afwijking gekregen hebben op de rationalisatienormen, komen in aanmerking om een beroep te doen op de bepalingen van artikel 115 voor het schooljaar 2008-2009.

26]

Art. 189.

Voor de gefinancierde of gesubsidieerde scholen of vestigingsplaatsen die op 1 september 1997 geïsoleerd zijn op basis van het koninklijk besluit van 2 augustus 1984 houdende rationalisatie en programmatie van het gewoon kleuter- en lager onderwijs gelden de rationalisatienormen bedoeld in artikel 120, § 1, 3° en 4°.

Art. 190.

Scholen die op 1 september 1997 gefinancierd of gesubsidieerd zijn, worden geacht te voldoen aan de bepalingen van artikel 62.

De betrokken schoolbesturen moeten geen erkenningsaanvraag indienen; evenmin moeten zij een aanvraag tot opname in de financierings- of subsidiëringsregeling indienen.

Art. 191.

[13

Leerlingen die vóór 1 september 2003 op basis van de vigerende regelgeving inzake vrije keuze recht hebben op een tussenkomst in de kosten van het vervoer naar een bepaalde school, behouden dat recht totdat ze het lager onderwijs beëindigd hebben of van school veranderen.

13]

Art. 192.

[71

In afwijking van artikel 153sexies, § 2, worden, vanaf 1 september 2017, voor de personeelsleden vermeld in artikel 100undecies, § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, bij de omrekening van de punten administratieve ondersteuning naar gefinancierde betrekkingen de helft van de punten nodig voor een betrekking in salarisschaal 202, zoals vermeld in artikel 27quindecies van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs van 17 juni 1997 en zoals vermeld in artikel 25sexies van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs van 17 juni 1997, afgerond naar het hoger gelegen geheel getal, in rekening gebracht.

71]

Art. 193.

[65 ... 65]

Art. 194.

[52... 52]

[4

Art. 194bis.

De scholen die op 1 september 1995 en op 1 september 1996 ontstaan zijn uit een vrijwillige fusie, conform de ministeriële omzendbrief OND/II/1/CDG/SVC/SD van 27 juli 1995, verliezen hun adjunct-directeur en hun bijkomende lestijden niet na een herstructurering die uiterlijk op 1 september 1997 plaatsvond, tenzij die herstructurering voor het betrokken schoolbestuur gepaard gaat met de oprichting van een nieuwe kleuter-, lagere of basisschool in dezelfde of aangrenzende gemeente.

4] [11

Art. 194ter.

[52...52]

11] [33

Art. 194quater.

§ 1. Aan iedere school voor gewoon kleuter-, lager- en basisonderwijs, die geen deel uit maakt van een scholengemeenschap, wordt [59...59] jaarlijks op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de teldag of op basis van het gemiddelde aantal regelmatige leerlingen tijdens de telperiode die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, een puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid toegekend.

§ 2. De regering bepaalt de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van de puntenenveloppe betrekkingen kunnen worden ingericht en bepaalt op welke wijze de omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen gebeurt.

33] [11

Art. 194quinquies.

Tijdens de schooljaren 2001-2002 en 2002-2003 kunnen in het gewoon basisonderwijs geen nieuwe scholen in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden en kunnen er geen structuurwijzigingen worden doorgevoerd waardoor de school in programmatie gaat. Deze bepaling geldt niet ten aanzien van :

- de scholen die opgericht worden overeenkomstig artikel 97, 98 en 99;

- de scholen die in de artikel 138, § 1, 1°, bedoelde aanvullende lestijden cultuurbeschouwing inrichten.

11] [46

Art. 194sexies.

In afwijking van artikel 139ter, 139ter /1 en 139quater behouden de scholen voor gewoon basisonderwijs tijdens het schooljaar 2011-2012 de aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkonderwijskansenbeleid, die ze in het schooljaar 2010-2011 hebben ontvangen.

46] [46

Art. 194septies.

Gedurende het schooljaar 2010-2011 zijn artikel 139septies en 139octies niet van toepassing.

46] [52

Art. 194octies.

Er wordt, voor de schooljaren 2012-2013, 2013-2014 en 2014-2015 voorzien in een sociale overgangsmaatregel voor de scholen die aan de voorwaarden vervat in bijlage 4 van dit decreet voldoen en dit volgens de bepalingen van deze bijlage.

[56De betrekkingen die worden ingericht op basis van deze sociale maatregel komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.56]

52]

Afdeling 4. - Inwerkingtreding

Art. 195.

De bepalingen van dit decreet treden in werking op 1 september 1997 behalve :

[111° artikel 11, 16, 24, § 2, 67, § 2, 138, 2°, en 153 die in werking treden met ingang van 1 september 1994; 11]

2° de artikelen 91, 129 en 146 treden in werking met ingang van 1 september 1995;

3° de artikelen 33, 37, 103, § 3, 109, § 4, 123, § 2, 124, 5° en [134, § 2] die in werking treden met ingang van 1 september 1998;

Decr. van 14-7-1998

4° de artikelen 46 en 47 die in werking treden met ingang van 1 september 1999;

5° het artikel 7, § 2 dat in werking treedt met ingang van [131 september 200313] ;

6° de artikelen 5, 1° lid, 12, 44, 92, § 5, 128 en 157 tot en met 165 die in werking treden op een datum te bepalen door de regering.

[27

Bijlage - Lijst met materialen die kosteloos ter beschikking worden gesteld

Bewegingsmateriaal

Constructiemateriaal

Handboeken, schriften, werkboeken en -blaadjes, fotokopieën, software

ICT-materiaal

Informatiebronnen

Kinderliteratuur

Knutselmateriaal

Leer- en ontwikkelingsmateriaal

Meetmateriaal

Multimediamateriaal

Muziekinstrumenten

Planningsmateriaal

Schrijfgerief

Tekengerief

Atlas (ET WO 6.11)

Globe (ET WO 6.2)

Kaarten (ET WO 6.1bis, 6.2, 6.4, 6.7 en 6.8)

Kompas (ET WO 6.3)

Passer (ET WIS 3.5)

Tweetalige alfabetische woordenlijst (ET FR 2.3)

Zakrekenmachine (ET WIS 1.26 & 1.27).

27]

[52Bijlage 2.52]

[52 Lestijdenschaal gewoon basisonderwijs bij het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997. 52]

Toegevoegd met Decr. 6-7-2012, en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

[52Bijlage 3.52]

[52Formule voor de berekening van de afstand in meters tussen twee vestigingsplaatsen bij het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 52]

Toegevoegd met Decr. 6-7-2012, en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

[52

Bijlage 4.

Sociale maatregel in het kader van het nieuwe omkaderingssysteem in het gewoon basisonderwijs tijdens de schooljaren 2012-2013, 2013-2014 en 2014-2015 bij het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997

A. Lager onderwijs

I. De additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs worden, in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2012-2013, toegekend aan scholen die aan de voorwaarde, zoals bepaald in II, voldoen en worden berekend volgens de bepalingen van III.

II. Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen :

Het quotiënt 24A/B is groter dan 16. Waarbij :

1° A = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013 zoals bepaald in artikel 132.

2° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 2, en de additionele lestijden volgens de schalen in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 1, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 173quater worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

III. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het lager onderwijs zijn gelijk aan K op voorwaarde dat K een positief getal is en voor afronding groter of gelijk is aan 1. In alle andere gevallen ontvangt de school geen additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs.

Waarbij K het resultaat is van volgende berekening :

K = G - (C+2)

Waarbij :

o K als volgt wordt afgerond : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

o C = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 2, en de additionele lestijden volgens de schalen in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 1, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 173quater worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

o G = (E/D)*F waarbij :

o E = de som van :

° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden toegekend op basis van artikel 173 quater, waar de school voor het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had;

° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding waar de school in het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had;

° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag;

° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag.

o D = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011-2012.

o F = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013.

o Als het resultaat van E/D groter is dan 1,6, dan wordt E/D gelijkgesteld aan 1,6.

§ 2. In afwijking van § 1 worden, voor een school die ontstaat op 1 september 2012 uit een fusie, zoals bepaald in artikel 3, 15°, D en E als volgt bepaald :

o D = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de verschillende scholen die fusioneren telden op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011 - 2012.

o E = de som van : ° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden toegekend op basis van artikel 173 quater, waar de scholen die fusioneren voor het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden;

° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding waar de scholen die fusioneren in het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden;

° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag.

° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag.

§ 3. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2012 tot 31 augustus 2013.

§ 4. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2012-2013 vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 5. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :

- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van onderwijzer;

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

IV. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2013-2014 = K*(2/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2013 tot 31 augustus 2014.

§ 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2013-2014 vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :

- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van onderwijzer;

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

V. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2014-2015 = K*(1/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2014 tot 31 augustus 2015.

§ 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2014-2015 vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :

- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van onderwijzer;

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

B. Kleuteronderwijs

VI. De additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs worden, in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2012-2013, toegekend aan scholen die aan de voorwaarde, zoals bepaald in VII, voldoen en worden berekend volgens de bepalingen van VIII.

VII. Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen :

Het quotiënt van 24A/B is groter dan 16.

Waarbij :

1° A = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013 zoals bepaald in artikel 132.

2° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 1, en de additionele lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 4, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 141, § 2, worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

VIII. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het kleuteronderwijs zijn gelijk aan K op voorwaarde dat K een positief getal is en voor afronding groter of gelijk is aan 1. In alle andere gevallen ontvangt de school geen additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs.

Waarbij K het resultaat is van volgende berekening : K = G - (C+2)

Waarbij :

o K als volgt wordt afgerond : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

o C = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 1, en de additionele lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 4, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 141, § 2, worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.

o G = (E/D)*F waarbij :

o E = de som van :

° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden bepaald in artikel 141, § 2, waar de school voor het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had;

° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding, uitgezonderd de herrekende lestijden op de instapdagen, waar de school in het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had;

° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag.

° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid, toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had.

° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag.

o D = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011-2012.

o F = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013.

o Als het resultaat van E/D groter is dan 1,6, dan wordt E/D gelijkgesteld aan 1,6.

§ 2. In afwijking van § 1 worden, voor een school die ontstaat op 1 september 2012 uit een fusie, zoals bepaald in artikel 3, 15°, D en E als volgt bepaald :

o D = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de verschillende scholen die fusioneren telden op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011-2012.

o E = de som van :

° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden bepaald in artikel 141, § 2, waar de scholen die fusioneren voor het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden;

° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding, uitgezonderd de herrekende lestijden op de instapdagen, waar de scholen die fusioneren in het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden;

° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag.

° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid, toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden.

° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag.

§ 3. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2012 tot 31 augustus 2013.

§ 4. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2012-2013 vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 5. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :

- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer;

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

IX. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2013-2014 = K*(2/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2013 tot 31 augustus 2014.

§ 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2013-2014 vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :

- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer;

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

X. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2014-2015 = K*(1/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

§ 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2014 tot 31 augustus 2015.

§ 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2014-2015 vallen ten laste van het schoolbestuur.

§ 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :

- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer;

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

52]