Onderwijs voor zieke jongeren en vrijstelling van de leerplicht

Wijzigingen naar aanleiding van Onderwijsdecreet XXVI :

- In alle vormen van secundair onderwijs kan voor een leerling die wegens ziekte of ongeval bepaalde vakken niet kan volgen, de klassenraad bepaalde doelen van het curriculum vrijstellen en, waar mogelijk, vervangen door gelijkwaardige doelen. Daarbij is het van belang dat de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit van het betreffende structuuronderdeel, ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden (= dispenseren).

- Voor leerlingen die wegens specifieke onderwijsbehoeften het geheel van de vorming van een schooljaar niet kunnen volgen, kan de klassenraad een spreiding van het lessenprogramma hetzij van een leerjaar over twee schooljaren hetzij van een graad over drie schooljaren toestaan.

1. Inleiding.

Voor jongeren die geconfronteerd worden met ziekte, ongeval, specifieke onderwijsbehoeften of moederschapsverlof gelden een aantal specifieke onderwijsmaatregelen.

Aanleiding voor deze maatregelen is het onderwijsbeleid waarin gelijke kansen en zorg voor allen centraal staan. Alle middelen die binnen bereik liggen moeten dan ook worden aangegrepen om de kansen op gekwalificeerde uitstroom (= het verwerven van een eindstudiebewijs) binnen een normale studieloopbaan (= zonder leerachterstanden en overzitten) voor zoveel mogelijk jongeren te vrijwaren. Voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften is bijkomend het decreet betreffende maatregelen voor met specifieke onderwijsbehoeften (21 maart 2014) van toepassing.

Aandacht: geen enkel van deze maatregelen kan door de school aan de leerling worden opgelegd.

2. Tijdelijk onderwijs aan huis.

2.1. Omschrijving.

Tijdelijk onderwijs aan huis voor jongeren die een relatief lange periode of herhaaldelijk gedurende het schooljaar op school afwezig zijn wegens ziekte, ongeval, of moederschapsverlof, wordt georganiseerd door de school waar de jongere als regelmatig leerling is ingeschreven. Het mag niet worden verward met huisonderwijs, nl. onderwijs dat ouders zelf, buiten schoolverband, organiseren en bekostigen om aan de leerplicht te voldoen.

Tijdelijk onderwijs aan huis vereist steeds het voldoen aan bepaalde voorwaarden. Indien de leerling binnen een bepaalde afstand van de school verblijft, is deze vorm van onderwijs een leerlingenrecht; wordt desbetreffende afstand overschreden, dan beslist de school uiteindelijk zelf of tijdelijk onderwijs aan huis wordt aangeboden. Uitsluitend indien de leerling is opgenomen in een preventorium of ziekenhuis of residentiële setting waar onderwijs van type 5 wordt ingericht of in een K-dienst, die ook onderwijsbegeleiding voorziet, wordt de school "tijdelijk ontslagen van de verplichting" om onderwijs aan huis te organiseren, meer hierover in punt 2.4.

De school is ertoe verplicht om op twee wijzen informatie over het recht op en de mogelijkheden/modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis te geven:

1) door middel van het schoolreglement;

2) bij elk individueel geval van langdurige afwezigheid door ziekte, ongeval of moederschapsverlof indien de leerling een potentieel rechthebbende is. De school doet m.a.w. een aanbod, maar het komt aan de betrokken personen en de behandelende arts toe om daarop al dan niet in te gaan.

Er zijn ook twee modelaanvraagformulieren voor ouders voor TOAH in het secundair onderwijs (zie bijlage 1 en bijlage 3). Dit zijn slechts voorbeeldmodellen, alle andere aanvragen van ouders waarbij dezelfde gegevens worden vermeld zijn eveneens voldoende.

2.2. Voorwaarden.

Om voor tijdelijk onderwijs aan huis in aanmerking te komen, gelden volgende voorwaarden.

2.2.1. De jongere is een regelmatig leerling in het secundair onderwijs. Worden evenwel uitgesloten:

- in het voltijds secundair onderwijs: de voorbereidende leerjaren op het hoger onderwijs van de derde graad ASO en KSO, de Se-n-Se TSO en KSO en verpleegkunde HBO;

- het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

- de alternerende beroepsopleiding in het buitengewoon secundair onderwijs.

2.2.2. Indien de jongere niet-chronisch ziek is: de jongere is meer dan 21 kalenderdagen ononderbroken afwezig op school wegens ziekte, ongeval of moederschapsverlof (bij eventuele schoolverandering loopt deze wachttijd gewoon door). Als de leerling de lesbijwoning op school hervat, maar binnen een termijn van 3 maanden opnieuw afwezig is wegens ziekte of ongeval, dan geldt er geen wachttijd, maar gaat tijdelijk onderwijs aan huis onmiddellijk in.

Voor het vaststellen van de 21 kalenderdagen worden vakantieperiodes meegeteld. Ook kunnen de 21 kalenderdagen geheel of gedeeltelijk in het vorig schooljaar zijn doorlopen.

Voorbeelden:

- een leerling wordt ziek op 2 januari (kerstvakantie). De periode van 2 januari tot en met 8 januari valt in de kerstvakantie, maar telt mee voor de berekening van de 21 kalenderdagen. Het tijdelijk onderwijs aan huis kan aanvangen vanaf 23 januari;

- een leerling wordt de maandag vóór de paasvakantie ziek. Deze leerling komt op de eerste schooldag na de paasvakantie in aanmerking voor tijdelijk onderwijs aan huis, aangezien de wachttijd van 21 kalenderdagen doorlopen is ( de week vóór de paasvakantie = 7 kalenderdagen + de twee weken paasvakantie = 14 kalenderdagen);

- een leerling wordt ziek op 1 augustus. De eerste schooldag van september komt deze leerling in aanmerking voor tijdelijk onderwijs aan huis, aangezien hij al een volledige maand ziek is.

Voor het vaststellen van de termijn van 3 maanden bij herval in ziekte, worden vakantieperiodes niet meegeteld.

Voorbeeld:

- een leerling genoot tijdelijk onderwijs aan huis tot en met 15 april. Indien hij ziek is op de eerste schooldag van september daaropvolgend, dan komt hij onmiddellijk in aanmerking voor tijdelijk onderwijs aan huis. Voor vaststelling van de termijn van 3 maanden, moet uitsluitend de periode van 16 april tot en met 30 juni worden verrekend en dus niet de vakantiemaanden juli en augustus.

2.2.3. Indien de jongere chronisch ziek is. Hieronder wordt verstaan: een ziekte waarvoor een continue of repetitieve behandeling van minstens 6 maanden noodzakelijk is.

(voorbeeld: nierpatiënten, astmapatiënten ...). Sommige leerlingen zijn, bekeken over de loop van een schooljaar, vaak afwezig wegens chronische ziekte, zonder dat dit verlet 21 ononderbroken kalenderdagen duurt. Ook deze leerlingen kunnen op tijdelijk onderwijs aan huis beroep doen, naar rata van 4 wekelijkse uren-leraar of lesuren per opgebouwde schijf van 9 halve schooldagen afwezigheid (= omgerekend één volledige schoolweek.

Deze 9 halve schooldagen afwezigheid hoeven dus niet aaneensluitend te zijn.

Voorbeeld: een chronisch zieke leerling is in een bepaalde week 3 dagen afwezig. Daarna gaat hij terug naar school, doch 3 weken later is hij opnieuw 2 dagen ziek. Aan de voorwaarde van een volledige schoolweek afwezigheid is voldaan.

2.2.4. De afstand tussen de school voor gewoon secundair onderwijs en de verblijfplaats van de leerling bedraagt maximaal 10 km; de afstand tussen de school voor buitengewoon secundair onderwijs en de verblijfplaats van de leerling bedraagt maximaal 20 km. In dit geval is tijdelijk onderwijs aan huis een leerlingenrecht.

Wordt verstaan onder:

- afstand: de kortst mogelijke afstand gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in het K.B. van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen;

- school: de voor de leerling meest gunstige vestigingsplaats, gelet op het afstandscriterium. Dit kan zowel de hoofdvestigingsplaats als een bijkomende vestigingsplaats zijn, ongeacht de vestigingsplaats waar de leerling normaliter de lessen volgt;

- verblijfplaats: de locatie waar de leerling tijdens zijn ziekte of na zijn ongeval of tijdens haar moederschapsverlof effectief verblijft, d.w.z. de eigen woonplaats, de woonplaats van een verwante of een medische instelling (ziekenhuis, revalidatiecentrum, ... met uitzondering van een preventorium, een ziekenhuis waar onderwijs van type 5 wordt ingericht en een dienst neuropsychiatrie voor kinderen).

2.2.5. De afstand tussen de school voor gewoon secundair onderwijs en de verblijfplaats van de leerling bedraagt meer dan 10 km; de afstand tussen de school voor buitengewoon secundair onderwijs en de verblijfplaats van de leerling bedraagt meer dan 20 km (zie omschrijving begrippen rubriek 2.2.4.).

In dit geval organiseert de school het tijdelijk onderwijs aan huis vrijwillig (mét financiering of subsidiëring door de overheid!). De school zal dan zelf een afstandsregeling treffen, d.w.z. de organisatie van tijdelijk onderwijs aan huis hetzij aan een maximale afstand koppelen, hetzij geografisch niet begrenzen. Deze regeling moet hoe dan ook een gelijke behandeling van leerlingen waarborgen.

2.2.6. Bij niet-chronische ziekte moeten de ouders of de personen die de minderjarige leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben dan wel de meerderjarige leerling zelf (= "de betrokken personen" genoemd), een schriftelijke aanvraag indienen bij de schooldirectie. Bij die aanvraag gaat een medisch attest waaruit blijkt dat de leerling niet of minder dan halftijds naar de school kan gaan maar wel onderwijs mag krijgen.

Tijdelijk onderwijs aan huis kan dus ook indien de leerling wél gedeeltelijk de lessen op school kan bijwonen, zij het minder dan halftijds (uitgedrukt in uren). De combinatie op weekbasis (desgevallend zelfs op dagbasis) van tijdelijk onderwijs op school en tijdelijk onderwijs aan huis, moet het mogelijk maken dat jongeren waarvan de fysieke toestand en de medische behandeling een gedeeltelijk hervatten van de lesbijwoning toestaan, deze gelegenheid aangrijpen zonder onmiddellijk van tijdelijk onderwijs aan huis te worden uitgesloten. Idem kan tijdelijk onderwijs aan huis ook indien de zieke leerling minder dan halftijds per week opgenomen is in een preventorium, een ziekenhuis of een residentiële setting waar onderwijs van type 5 wordt ingericht of een dienst neuropsychiatrie voor kinderen.

Bij verlenging van de oorspronkelijk voorziene afwezigheid wegens ziekte, moet een nieuwe aanvraag + medisch attest worden ingediend.

2.2.7. Bij chronische ziekte moeten de betrokken personen eveneens een schriftelijke aanvraag indienen bij de schooldirectie. Enkel bij de eerste aanvraag in het betrokken schooljaar moet een medisch attest worden gevoegd, uitgereikt door een geneesheer-specialist, dat het chronisch ziektebeeld bevestigt en waaruit blijkt dat de leerling onderwijs mag krijgen. Bij een nieuwe afwezigheid ten gevolge van diezelfde chronische ziekte tijdens hetzelfde schooljaar is dus geen nieuw medisch attest vereist, een nieuwe aanvraag daarentegen wel; idem bij verlenging van de oorspronkelijk voorziene afwezigheid.

2.3. Organisatie.

Organisatiemodaliteiten zijn de volgende:

a) het tijdelijk onderwijs aan huis wordt zo spoedig mogelijk georganiseerd, uiterlijk vanaf de schoolweek die volgt op de week waarin de aanvraag werd ontvangen én ontvankelijk werd bevonden (d.w.z. dat bij ontvangst van de aanvraag alle voorwaarden zijn vervuld);

b) het tijdelijk onderwijs aan huis omvat 4 uren-leraar of lesuren per week; de school beslist over het tijdstip en eventuele spreiding van deze uren-leraar of lesuren, na overleg met de betrokken personen en rekening houdend met de eventuele beperkingen opgelegd door de behandelende medicus;

c) de directeur of de klassenraad, naar keuze van het schoolbestuur, beslist na overleg met de betrokken personen welke vakken aan huis worden onderwezen; deze vakken mogen tijdens de duurtijd van het onderwijs aan huis wisselen;

d) voor elke leerling moet de school, uiterlijk op de eerste lesdag van elke periode van tijdelijk onderwijs aan huis het schoolbeheerteam hiervan schriftelijk op de hoogte brengen aan de hand van het volgend e-mailadres: scholen.secundaironderwijs.agodi@vlaanderen.be of per post: Secretariaat Afdeling Secundair Onderwijs, Scholen en Leerlingen, Hendrik Consciencegebouw 2A09, Koning Albert II laan 12, 1210 Brussel. Daarnaast doet u ook een elektronische gegevenszending (cfr. omzendbrief SO/2007/05); het betreft geen aanvraag. Alle andere documenten die betrekking hebben op het tijdelijk onderwijs aan huis blijven in de school ter beschikking van de verificatie- en inspectiediensten. Noch verificatie- noch inspectiediensten hebben een individueel appreciatierecht, d.w.z. de autonomie van schoolbesturen en klassenraden wordt volledig gerespecteerd;

e) alle bepalingen aangaande het principe van zorgvuldig bestuur (cfr. omzendbrief SO 78 dd. 27 november 2001) blijven onverminderd van toepassing bij de verstrekking van tijdelijk onderwijs aan huis. Zorgvuldig bestuur betekent ondermeer dat het onderwijs aan huis geen bijkomende kosten voor de betrokken personen mag teweegbrengen.

2.4. Opname in een ziekenhuis of preventorium of residentiële setting waaraan een ziekenhuisschool verbonden is of opname in een K-Dienst.

Een jongere kan in een ziekenhuis of preventorium of residentiële setting opgenomen zijn waar ziekenhuisonderwijs wordt georganiseerd. Dit zijn de type 5 scholen.

Soms verblijft een jongere in een K-dienst("dienst met onderwijsbehoefte" in de kinderpsychiatrie) die ook onderwijsbegeleiding voorziet.

In deze gevallen wordt de thuisschool "tijdelijkontslagen van de verplichting" om onderwijs aan huis te organiseren.

Aangezien de jongere ingeschreven blijft in de thuisschool (dit is de school van het gewoon of buitengewoon onderwijs waar de jongere is ingeschreven) zal deze school de type 5-school of de K-dienst bijstaan met de organisatie van een zinvol onderwijsaanbod. De thuisschool kan de ziekenhuisschool informatie geven over bvb. de gebruikte handboeken, mogelijke aandachtspunten voor de leerlingen, het programma enz.

Indien de jongere tussen twee behandelingen of tijdens een herstelperiode na de opname niet naar school kan, zal de thuisschool aansluitend onderwijs aan huis organiseren, indien aan alle voorwaarden voldaan is (zie punt 2.2 en 2.3).

Dit gebeurt in overleg met de type 5-school of de K-dienst.

Om tegemoet te komen aan de problematiek van de onderwijsbegeleiding bij een korte opname in een ziekenhuis of preventorium of residentiële setting met type 5-school of in een K-dienst, wordt voor de thuisschool bij de organisatie van TOAH voor de zieke leerling (chronisch en niet chronisch) eenzelfde principe gehanteerd:

Het begrip "instelling" gebruiken we hierna voor een ziekenhuis of preventorium of residentiële setting met type5-school of K-dienst.

1) Indien de leerling op weekbasis minder dan halftijds opgenomen wordt in een instelling, blijft de thuisschool verplicht om TOAH in te richten. Het TOAH mag echter niet in de instelling georganiseerd worden door de thuisschool.

In overleg met de ouders worden door de school en de begeleidende leerkracht duidelijke afspraken gemaakt in verband met de momenten waarop het TOAH zal gegeven worden.

2) Indien de leerling op weekbasis halftijds of meer dan halftijds opgenomen wordt in een instelling, wordt de thuisschool ontheven van de verplichting om TOAH in te richten.

Dit houdt in dat de thuisschool een tweeledige keuze heeft:

- ofwel ziet de thuisschool af van de organisatie van TOAH

- ofwel wordt het recht op TOAH verder voorzien en effectief uitgevoerd door de thuisschool. De school houdt rekening met het feit dat het TOAH niet in de instelling mag doorgaan maar achteraf op de verblijfplaats van de leerling thuis (of op school buiten de reguliere lestijden) moet georganiseerd worden.

Het spreekt voor zich dat ook in dit geval de beslissing in overleg met alle betrokken partners genomen wordt. Het standpunt van de ouders en de haalbaarheid van de beslissing mogen hierbij niet uit het oog verloren worden.

Indien de thuisschool verder voorziet in de organisatie van TOAH voor een chronisch zieke leerling, tellen de opnamedagen in het ziekenhuis mee voor de bepaling van het recht op het volgende blokje van 9 halve dagen.

2.5. Financiering/subsidiëring.

Tijdens de duur van het tijdelijk onderwijs aan huis, worden door de overheid 4 bijkomende uren-leraar of lesuren per leerling en per week (voor chronisch zieke leerlingen: omgerekend naar een volledige schoolweek afwezigheid) gefinancierd of gesubsidieerd. Deze uren kunnen niet worden overgedragen.

Tevens vergoedt de overheid de reiskosten van de betrokken leraars.

Zie in dit verband ook de rubrieken 2.6. en 2.7. van deze omzendbrief.

2.6. Personeel.

2.6.1. Aanstelling van een personeelslid in een betrekking in uren-leraar of lesuren voor tijdelijk onderwijs aan huis.

Met de uren-leraar of lesuren voor tijdelijk onderwijs aan huis richt de school waar de leerling is ingeschreven, een betrekking op in een wervingsambt van het onderwijzend personeel. In het gewoon secundair onderwijs en de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs gaat het om het ambt van leraar, leraar niet-confessionele zedenleer of godsdienstleraar; in de overige opleidingsvormen van het buitengewoon secundair onderwijs gaat het om het ambt van leraar ASV (algemene sociale vorming), leraar ASV-LO (algemene sociale vorming - lichamelijke opvoeding), leraar ASV compensatietechniek braille, leraar BGV (beroepsgerichte vorming), godsdienstleraar of leraar niet-confessionele zedenleer.

2.6.2. Administratieve toestand van het personeelslid.

Het personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking ingericht met de uren-leraar of lesuren voor tijdelijk onderwijs aan huis wordt steeds als tijdelijk personeelslid aangesteld in de betrekking. Deze betrekking wordt steeds opgericht in de school waar de leerling is ingeschreven.

De opgerichte betrekking kan op verschillende manieren worden ingevuld.

In eerste instantie is het schoolbestuur verplicht in deze betrekking een tijdelijk personeelslid aan te stellen dat het recht heeft verworven op een aanstelling van doorlopende duur.

Heeft het schoolbestuur geen verplichtingen meer ten aanzien van tijdelijke personeelsleden met het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, dan kan zij naar keuze:

- een tijdelijk personeelslid werven en aanstellen in de betrekking;

- een vastbenoemd personeelslid aanstellen in de betrekking via het principe van een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen (verlof TAO);

- een personeelslid dat in hoofdambt reeds een voltijdse betrekking uitoefent, in overwerk of bijbetrekking belasten met het onderwijs aan huis;

- een personeelslid opnieuw in actieve dienst laten treden zoals bedoeld in de omzendbrief "Schaarste aan onderwijsverstrekkers - overwerk, bijbetrekking en opnieuw in actieve dienst treden" (referentie 13CC/IF/GDH van 6 oktober 2000).

Opgelet : bij de 2 laatste keuzemogelijkheden is het schoolbestuurniet verplicht om een tekort aan beschikbare personeelsleden aan te tonen.

De decreten rechtspositie blijven integraal van toepassing op deze personeelsleden, met uitzondering van volgende bepalingen:

- de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling is niet van toepassing op deze betrekkingen. Het schoolbestuur kan een terbeschikkinggesteld personeelslid aanstellen in deze betrekking, maar is daartoe niet verplicht. Voor de aanstelling van het terbeschikkinggesteld personeelslid is de instemming van betrokkene vereist;

- deze betrekking kan niet worden vacant verklaard en kan geen aanleiding geven tot vaste benoeming. Vastbenoemde personeelsleden kunnen evenmin worden geaffecteerd of gemuteerd in deze betrekkingen.

Bij de aanstelling in de betrekking van het ambt in kwestie dient steeds de bestaande reglementering inzake bekwaamheidsbewijzen en weddenschalen te worden toegepast.

De school waar het personeelslid tijdelijk wordt aangesteld, deelt deze opdracht via een RL 1 aan het werkstation mee met als administratieve toestand ATO 2 (tijdelijk vacant) en met de vakcode 598 "onderwijs aan huis".

Als het gaat om een betrekking van leraar secundair onderwijs of leraar BGV moet de opdracht steeds gelijkgesteld worden met een vak of specialiteit in functie van het bekwaamheidsbewijs van het betrokken personeelslid.

2.6.3. Geldelijke toestand van het personeelslid.

Als in de betrekking een tijdelijk personeelslid wordt aangeworven, zal dit personeelslid worden bezoldigd volgens de geldende reglementering die van toepassing is op het ambt waarin betrokkene wordt aangesteld (met inbegrip van eventuele uitgestelde bezoldiging tijdens de zomermaanden). Als een vastbenoemd personeelslid via een verlof TAO in de betrekking wordt aangesteld, gelden de bezoldigingsprincipes van de reglementering betreffende het verlof TAO. Meer informatie hierover is opgenomen in de omzendbrief "Regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vast benoemd zijn" (referentie PERS/2014/01 van 22 januari 2014).

Als een personeelslid in overwerk of in bijbetrekking wordt belast met het tijdelijk onderwijs aan huis, gelden de bezoldigingsprincipes van de desbetreffende reglementering. De maatregelen die betrekking hebben op tijdelijk onderwijs aan huis, op overwerk en op bijbetrekking zijn opgenomen in de punten 5.2.1.5. en 5.2.2.2. van de omzendbrief van 25 oktober 2005, kenmerk PERS/2005/21, waarin het overzicht van de cumulatieregeling wordt gegeven.

...

2.7. Terugbetaling van de reiskosten.

De leerkrachten die onderwijs aan huis verstrekken hebben recht op de terugbetaling van de reiskosten.

Als het personeelslid gebruik maakt van het openbaar vervoer, worden trein-, tram- en/of buskaarten (2de klas) terugbetaald. Vanaf 1 juli 2015 bedraagt de kilometervergoeding bij verplaatsingen met de eigen wagen 0,3412 euro per kilometer. Vanaf 1 januari 2013 bedraagt de fietsvergoeding 0,21 euro per kilometer.

De terugvordering van alle reiskosten heeft altijd betrekking op een kalenderjaar en moet worden ingediend vóór 28 februari volgend op het kalenderjaar waarop de schuldvordering betrekking heeft. De terugvordering gebeurt door middel van bijlage 2 bij de omzendbrief.

Vanaf het kalenderjaar 2014 is er een nieuw terugvorderingsformulier in gebruik dat telkens maar één kalenderjaar geldig zal zijn.

Veel gegevens worden automatisch ingevuld en de meeste berekeningen gebeuren ook automatisch. Daarnaast wordt u gewaarschuwd als u bepaalde gegevens niet heeft ingevuld, of als u gegevens invult die niet overeenstemmen met de regelgeving.

Vul daarom altijd het formulier in Excel in en volg de waarschuwingen en instructies daarbij nauwgezet op.

Als de school zowel tijdelijk als Permanent Onderwijs aan Huis organiseert, moet er maar één globale schuldvordering worden ingediend.

De verplaatsingsvergoedingen van de personeelsleden worden door middel van één jaarlijkse betaling overgemaakt op dezelfde bankrekening als die waarop de werkingsmiddelen van de school worden uitbetaald.

Om recht te hebben op de terugbetaling van de reiskosten voor onderwijs aan huis, moet het aanvraagformulier "Terugvordering van reiskosten voor onderwijs aan huis – kalenderjaar…." (bijlage 2) worden ingevuld, ondertekend en ingescand verstuurd naar het e-mailadres dat u op het formulier terugvindt, ter attentie van Pieter Lemahieu.

U mag het ondertekende formulier ook per post opsturen naar volgend adres:

Ministerie van Onderwijs en Vorming

Agentschap voor onderwijsdiensten

Afdeling Secundair Onderwijs

t.a.v. dhr. Pieter Lemahieu

Koning Albert II-laan 15

1210 Brussel

Als u het formulier mailt, moet u geen exemplaar meer opsturen met de post.

3. Permanent onderwijs aan huis.

3.1. Omschrijving.

Leerlingen met een handicap die aan de toelatingsvoorwaarden van het buitengewoon secundair onderwijs voldoen (verslag en leeftijdsvoorwaarden), maar voor wie het omwille van een handicap permanent onmogelijk is secundair onderwijs te volgen op school, hebben recht op permanent onderwijs aan huis.

Permanent onderwijs aan huis voor jongeren die omwille van een handicap permanent onmogelijk onderwijs op school kunnen volgen, wordt georganiseerd door een school voor buitengewoon secundair onderwijs.

Zoals het tijdelijk onderwijs aan huis mag ook het permanent onderwijs aan huis niet worden verward met huisonderwijs.

Het permanent onderwijs aan huis is een voorwaardelijk leerlingenrecht, al laat het zich vermoeden dat in het secundair onderwijs, zoals in het lager onderwijs, het in de feiten tot een zeer klein aantal gevallen zal beperkt blijven. Tal van argumenten zoals een te grote afstand naar school, te lange ritduur, ... zijn immers geen redenen om permanent onderwijs aan huis aan te vragen. Doorslaggevend is daarentegen de "ernst" van de handicap die toelaat weliswaar onderwijs te volgen, maar niet op school.

Een leerling die recht heeft op permanent onderwijs aan huis kan op een later moment toch opnieuw naar school gaan. Daarvoor moet het advies tot permanent onderwijs aan huis niet ingetrokken worden. Uiteraard moet de jongere dan wel als een reguliere leerling in een school ingeschreven worden. Indien hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet en een regelmatige leerling is, dan is hij zelfs financier- of subsidieerbaar. Uiteraard kan een leerling niet tegelijkertijd naar school gaan en permanent onderwijs aan huis ontvangen.

Indien de leerling is opgenomen in een preventorium of ziekenhuis of residentiële setting waar onderwijs van type 5 wordt ingericht of in een dienst neuropsychiatrie voor kinderen, dan kan evenmin permanent onderwijs aan huis worden voorzien.

3.2. Voorwaarden.

Om voor permanent onderwijs aan huis in aanmerking te komen, gelden volgende voorwaarden:

a) de jongere voldoet aan de toelatingsvoorwaarden tot het buitengewoon secundair onderwijs. Dit betekent enerzijds voldoen aan de gestelde leeftijdsvoorwaarden en anderzijds beschikken over een verslag uitgereikt door een centrum voor leerlingenbegeleiding (C.L.B.);

b) de onderwijsinspectie brengt een gunstig advies uit, na schriftelijke aanvraag van de betrokken personen. Dit advies kan op één of op meer schooljaren slaan (in het laatste geval moet de aanvraag dus niet jaarlijks worden hernieuwd).

3.3. Organisatie.

3.3.1. De aanvraag gebeurt als volgt:

De aanvraag voor permanent onderwijs aan huis wordt schriftelijk ingediend bij de onderwijsinspectie:

Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming

Zorgpunt Onderwijsinspectie

Hendrik Consciencegebouw, 2M06

Koning Albert II laan 15

1210 Brussel

E-mailadres: zorgpunt.onderwijsinspectie@vlaanderen.be

Telefoonnummer: Nadine Ceulemans (stafmedewerker zorgpunt): 02 553 88 37

Verantwoordelijke inspecteur: Annemarie Desmyttere: annemarie.desmyttere@ond.vlaanderen.be

Permanent onderwijs aan huis kan enkel worden aangevraagd door de ouders of de personen die de minderjarige leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben dan wel de meerderjarige leerling zelf (= "de betrokken personen" genoemd). Bij het opstellen van de aanvraag kunnen zij geholpen worden door een school voor het Buitengewoon Onderwijs of door het CLB. De onderwijsinspectie meldt haar advies aan de ouders en aan de school en stelt het Agentschap voor Onderwijsdiensten in kennis van het advies. Tegen een ongunstig advies is geen verder beroep mogelijk.

Een aanvraag voor permanent onderwijs aan huis bevat een gemotiveerd schrijven van de ouders en een medisch verslag.

Rekening houdend met de vrije keuze tussen het officieel onderwijs en het vrij onderwijs van de ouders duidt de onderwijsinspectie, na het schriftelijk verzoek van de ouders, de - ten opzichte van de verblijfplaats van de leerling- dichtstbijzijnde school voor buitengewoon secundair onderwijs aan om permanent onderwijs aan huis te organiseren.

In de meeste gevallen zal de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon onderwijs tegemoet komen aan de onderwijsbehoefte van de betrokken leerling. Van dit principe - van dichtstbijzijndheid - kan worden afgeweken omwille van omstandigheden eigen aan de leerling en mits omstandige motivering. In elk geval moet bij aanduiding van een school het gezond verstand vooropstaan, m.a.w. de onderwijsinspectie zal telkens moeten overwegen of in de school voldoende deskundigheid aanwezig is om op een kwaliteitsvolle manier buitengewoon onderwijs te kunnen verstrekken in het type en de opleidingsvorm waarnaar de leerling in kwestie is georiënteerd. Of dit type en deze opleidingsvorm ook in het aanbod van de school zelf zijn opgenomen staat los daarvan.

Ouders hebben het recht gehoord te worden voordat de onderwijsinspectiehaar advies formuleert. Zij kunnen zich daarvoor laten bijstaan door een raadsman van hun keuze. De ouders hebben eveneens het recht om alle door de onderwijsinspectie gebruikte documenten in te zien.

De onderwijsinspectie kan bij de scholen documenten betreffende de leerling opvragen of een verslag over de vorderingen laten opmaken. De onderwijsinspectie is tot geheimhouding verplicht over de dossiers die haar worden voorgelegd en over de gegevens die hen betreffende de te onderzoeken zaken worden meegedeeld.

3.3.2. De organisatiemodaliteiten zijn de volgende:

a) het permanent onderwijs aan huis wordt georganiseerd door de school voor buitengewoon secundair onderwijs die door de onderwijsinspectie wordt aangeduid.

b) het permanent onderwijs aan huis wordt zo spoedig mogelijk georganiseerd, uiterlijk vanaf de schoolweek die volgt op de week waarin de inschrijving werd ontvangen én ontvankelijk werd bevonden (d.w.z. dat bij inschrijving alle voorwaarden zijn vervuld);

c) het permanent onderwijs aan huis omvat 4 lesuren per week; de school beslist over het tijdstip en eventuele spreiding van deze lesuren, na overleg met de betrokken personen;

d) de klassenraad beslist, na overleg met de betrokken personen, welke vakken aan huis worden onderwezen; deze vakken mogen tijdens de duurtijd van het onderwijs aan huis wisselen. De klassenraad zal op het einde van het schooljaar, na evaluatie, de verworven bekwaamheden van de leerling oplijsten en hiervan een verklaring aan de betrokken personen overhandigen (het model van deze verklaring wordt niet opgelegd);

e) alle bepalingen aangaande het principe van zorgvuldig bestuur (cfr. omzendbrief SO 78 dd. 27 november 2001) blijven onverminderd van toepassing bij de verstrekking van permanent onderwijs aan huis. Zorgvuldig bestuur betekent ondermeer dat het onderwijs aan huis geen buitengewone kosten voor de betrokken personen mag teweegbrengen.

3.4. Financiering/subsidiëring.

Tijdens de duur van het permanent onderwijs aan huis, worden door de overheid 4 bijkomende lesuren per leerling en per week gefinancierd of gesubsidieerd. Deze uren kunnen niet worden overgedragen.

Tevens vergoedt de overheid de reiskosten van de betrokken leraars.

Zie in dit verband ook de rubrieken 3.5. en 3.6. van deze omzendbrief.

Een leerling die permanent onderwijs aan huis geniet, komt ook in aanmerking voor de gewone financiering of subsidiëring. Deze leerling wordt eveneens opgenomen in de gegevensuitwisseling via DISCIMUS.

3.5. Personeel.

3.5.1. Aanstelling van een personeelslid in een betrekking in lesuren voor permanent onderwijs aan huis.

Met de lesuren voor permanent onderwijs aan huis richt de organiserende school een betrekking op in een wervingsambt van het onderwijzend personeel. In de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs gaat het om het ambt van leraar, leraar niet-confessionele zedenleer of godsdienstleraar; in de overige opleidingsvormen van het buitengewoon secundair onderwijs gaat het om het ambt van leraar ASV, leraar ASV-LO, leraar ASV compensatietechniek braille, leraar BGV, godsdienstleraar of leraar NC Zedenleer.

3.5.2. Administratieve toestand van het personeelslid.

Het personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking ingericht met de lesuren voor permanent onderwijs aan huis, wordt steeds als tijdelijk personeelslid aangesteld in de betrekking. Deze betrekking wordt steeds opgericht in de organiserende school.

De opgerichte betrekking kan op verschillende manieren worden ingevuld.

In eerste instantie is het schoolbestuur verplicht in deze betrekking een tijdelijk personeelslid aan te stellen dat het recht heeft verworven op een aanstelling van doorlopende duur.

Heeft het schoolbestuur geen verplichtingen meer ten aanzien van tijdelijke personeelsleden met het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, dan kan zij naar keuze:

- een tijdelijk personeelslid werven en aanstellen in de betrekking;

- een vastbenoemd personeelslid aanstellen in de betrekking via het principe van een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen (verlof TAO);

- een personeelslid dat in hoofdambt reeds een voltijdse betrekking uitoefent, in overwerk of bijbetrekking belasten met het permanent onderwijs aan huis;

- een personeelslid opnieuw in actieve dienst laten treden zoals bedoeld in de omzendbrief "Schaarste aan onderwijsverstrekkers - overwerk, bijbetrekking en opnieuw in actieve dienst treden" (referentie 13CC/IF/GDH van 6 oktober 2000).

Opgelet : bij de 2 laatste keuzemogelijkheden is het schoolbestuur niet verplicht om een tekort aan beschikbare personeelsleden aan te tonen.

De decreten rechtspositie blijven integraal van toepassing op deze personeelsleden, met uitzondering van volgende bepalingen:

- de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling is niet van toepassing op deze extra betrekkingen. Het schoolbestuur kan een terbeschikkinggesteld personeelslid aanstellen in deze betrekking, maar is daartoe niet verplicht. Voor de aanstelling van het terbeschikkinggesteld personeelslid is de instemming van betrokkene vereist;

- deze betrekking kan niet worden vacant verklaard en kan geen aanleiding geven tot vaste benoeming. Vastbenoemde personeelsleden kunnen evenmin worden geaffecteerd of gemuteerd in deze betrekkingen.

Bij de aanstelling in de betrekking van het ambt in kwestie dient steeds de bestaande reglementering inzake bekwaamheidsbewijzen en weddenschalen te worden toegepast.

De school waar het personeelslid tijdelijk wordt aangesteld, deelt deze opdracht via een RL 1 aan het werkstation mee met als administratieve toestand ATO 2 (tijdelijk vacant) en met de vakcode 432 "permanent onderwijs aan huis".

Als het gaat om een betrekking van leraar secundair onderwijs of leraar BGV moet de opdracht steeds gelijkgesteld worden met een vak of specialiteit in functie van het bekwaamheidsbewijs van het betrokken personeelslid.

3.5.3. Geldelijke toestand van het personeelslid.

Als in de betrekking een tijdelijk personeelslid wordt aangeworven, zal dit personeelslid worden bezoldigd volgens de geldende reglementering die van toepassing is op het ambt waarin betrokkene wordt aangesteld (met inbegrip van eventuele uitgestelde bezoldiging tijdens de zomermaanden). Als een vastbenoemd personeelslid via een verlof TAO in de betrekking wordt aangesteld, gelden de bezoldigingsprincipes van de reglementering betreffende het verlof TAO. Meer informatie hierover is opgenomen in de omzendbrief "Regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vast benoemd zijn" (referentie PERS/2014/01 van 22 januari 2014).

Als een personeelslid in overwerk of in bijbetrekking wordt belast met het permanent onderwijs aan huis, gelden de bezoldigingsprincipes van de desbetreffende reglementering. De maatregelen die betrekking hebben op tijdelijk onderwijs aan huis, op overwerk en op bijbetrekking zijn opgenomen in de punten 5.2.1.5. en 5.2.2.2. van de omzendbrief van 25 oktober 2005, kenmerk PERS/2005/21, waarin het overzicht van de cumulatieregeling wordt gegeven.

3.6. Terugbetaling van de reiskosten.

De leerkrachten die onderwijs aan huis verstrekken hebben recht op de terugbetaling van de reiskosten.

Als het personeelslid gebruik maakt van het openbaar vervoer, worden trein-, tram- en/of buskaarten (2de klas) terugbetaald. Vanaf 1 juli 2015 bedraagt de kilometervergoeding bij verplaatsingen met de eigen wagen 0,3412 euro per kilometer. Vanaf 1 januari 2013 bedraagt de fietsvergoeding 0,21 euro per kilometer.

De terugvordering van alle reiskosten heeft altijd betrekking op een kalenderjaar en moet worden ingediend vóór 28 februari volgend op het kalenderjaar waarop de schuldvordering betrekking heeft. De terugvordering gebeurt door middel van bijlage 2 bij de omzendbrief.

Vanaf het kalenderjaar 2014 is er een nieuw terugvorderingsformulier in gebruik dat telkens maar één kalenderjaar geldig zal zijn.

Veel gegevens worden automatisch ingevuld en de meeste berekeningen gebeuren ook automatisch. Daarnaast wordt u gewaarschuwd als u bepaalde gegevens niet heeft ingevuld, of als u gegevens invult die niet overeenstemmen met de regelgeving.

Vul daarom altijd het formulier in Excel in en volg de waarschuwingen en instructies daarbij nauwgezet op.

Als de school zowel tijdelijk als Permanent Onderwijs aan Huis organiseert, moet er maar één globale schuldvordering worden ingediend.

De verplaatsingsvergoedingen van de personeelsleden worden door middel van één jaarlijkse betaling overgemaakt op dezelfde bankrekening als die waarop de werkingsmiddelen van de school worden uitbetaald.

Om recht te hebben op de terugbetaling van de reiskosten voor onderwijs aan huis, moet het aanvraagformulier "Terugvordering van reiskosten voor onderwijs aan huis – kalenderjaar…." (bijlage 2) worden ingevuld, ondertekend en ingescand verstuurd naar het e-mailadres dat u op het formulier terugvindt, ter attentie van Pieter Lemahieu.

U mag het ondertekende formulier ook per post opsturen naar volgend adres:

Ministerie van Onderwijs en Vorming

Agentschap voor onderwijsdiensten

Afdeling Secundair Onderwijs

t.a.v. dhr. Pieter Lemahieu

Koning Albert II-laan 15

1210 Brussel

Als u het formulier mailt, moet u geen exemplaar meer opsturen met de post.

4. Sancties (regeling ingaand vanaf 1 september 2007).

Het miskennen van het recht op onderwijs aan huis wanneer aan de hiervoor beschreven voorwaarden is voldaan, kan, na klacht van de betrokken personen, aanleiding geven tot een sanctie.

Deze sanctie kan bestaan uit een gedeeltelijke terugvordering van of inhouding op het werkingsbudget. Het bedrag kan niet meer bedragen dan 10% van het werkingsbudget van de school waar de overtreding is vastgesteld.

Het niet-naleven van het recht op onderwijs aan huis wordt vastgesteld door het AgODi, Secundair Onderwijs – Scholen en Leerlingen. De vaststelling wordt bij aangetekend schrijven meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. Er wordt in de brief verwezen naar de mogelijke sanctie.

Binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de betekening van het aangetekend schrijven kan het schoolbestuur bij het AgODi een verweerschrift indienen en, eventueel, een hoorrecht doen gelden (de betekening wordt geacht plaats te vinden de derde werkdag nadat de aangetekende brief is verstuurd; de schoolvakanties schorten de termijn van 30 kalenderdagen op).

Na kennisname van de rechtvaardiging en uiterlijk 60 kalenderdagen na voornoemde betekening, legt het AgODi eventueel een dossier met voorstel tot sanctie voor aan de minister van onderwijs.

Binnen een termijn van 3 maanden na de betekening neemt de minister van onderwijs een beslissing, die met een aangetekende brief aan het betrokken schoolbestuur wordt meegedeeld. Na de termijn van 3 maanden kan er geen sanctie meer worden opgelegd.

5. Spreiding lesprogramma.

In alle vormen van secundair onderwijs kan voor een leerling die wegens ziekte, ongeval of specifieke onderwijsbehoeften het geheel van de vorming van een bepaald leerjaar niet binnen één schooljaar kan volgen, de klassenraad een spreiding van het lesprogramma hetzij van een leerjaar over twee schooljaren toestaan, hetzij van een graad over drie schooljaren toestaan. Elke regelmatige leerling moet omwille van de financiering aan een bepaald structuuronderdeel gekoppeld worden. Daarom wordt, bij spreiding van het programma over drie schooljaren, de leerling gedurende de eerste twee schooljaren ingeschreven in het eerste leerjaar van de betrokken graad. In het derde schooljaar wordt de leerling ingeschreven in het tweede leerjaar van de betrokken graad.

Een dergelijke flexibiliteit inzake leertrajecten en schooljaarorganisatie, waarbij de studiebelasting wordt verdeeld, zal uiteraard slechts onder uitzonderlijke omstandigheden worden toegestaan en is geen afdwingbaar leerlingenrecht. De beslissingsbevoegdheid terzake ligt volledig bij de klassenraad, zodat verificatie- en inspectiediensten geen individueel appreciatierecht zullen kunnen uitoefenen. De wijze waarop het lesprogramma wordt opgedeeld (periodes, vakken, ...) zal in functie van de haalbaarheid voor de leerling én voor de school worden vastgelegd.

Voor elke volledige halve lesdag afwezigheid, wordt in het aanwezigheidsregister de code "G" gebruikt. Alle documenten die betrekking hebben op de spreiding van het lesprogramma (bv. het attest van een geneesheer-specialist waarop de school zich gebeurlijk heeft gebaseerd) worden per leerling ter beschikking gehouden van de verificatie- en inspectiediensten. Een aanvraag of kennisgeving aan het AgODi, Secundair Onderwijs – Scholen en Leerlingen met gegevens over de betrokken leerling is dus niet vereist.

Bij spreiding van het lesprogramma van een leerjaar over twee schooljaren, wordt de eindbeslissing over het al dan niet geslaagd zijn voor het desbetreffend leerjaar genomen na het tweede schooljaar. Op het einde van het eerste schooljaar vindt een tussentijdse evaluatie plaats over dat onderdeel van het lesprogramma dat door de leerling reeds effectief werd afgewerkt. Deze tussentijdse evaluatie wordt opgenomen in de notulen van de klassenraadsdeliberatie en zal worden meegenomen bij de eindevaluatie één jaar later. Op het proces-verbaal dat betrekking heeft op het eerste schooljaar, wordt de leerling onder een specifieke categorie vermeld. Aan de leerling wordt na het eerste schooljaar slechts een attest van regelmatige lesbijwoning toegekend (zie model in bijlage 10 van omzendbrief SO 64).

Bij spreiding van het lesprogramma van een graad over drie schooljaren, wordt de eindbeslissing over het al dan niet geslaagd zijn voor de desbetreffende graad genomen na het derde schooljaar. Op het einde van zowel het eerste schooljaar als het tweede schooljaar vindt een tussentijdse evaluatie plaats over dat onderdeel van het lesprogramma dat door de leerling reeds effectief werd afgewerkt. Deze tussentijdse evaluatie wordt opgenomen in de notulen van de klassenraadsdeliberatie en zal worden meegenomen bij de eindevaluatie op het einde van het derde schooljaar. Op het proces-verbaal dat betrekking heeft op het eerste schooljaar resp. het tweede schooljaar wordt de leerling onder een specifieke categorie vermeld en ontvangt hij telkens een attest van regelmatige lesbijwoning (het model van deze verklaring wordt niet opgelegd). Bij de eindevaluatie op het einde van het derde schooljaar wordt dan op dezelfde datum een studiebewijs over het eerste leerjaar én een studiebewijs over het tweede leerjaar toegekend, met dien verstande dat het slagen in het tweede jaar slechts kan na slagen in het eerste leerjaar.

Indien de eindbeslissing na het tweede schooljaar (bij een spreiding over twee schooljaren) of na het derde schooljaar (bij een spreiding van een graad over drie schooljaren) "niet-geslaagd" is, dan kan de leerling het structuuronderdeel overzitten, desgevallend opnieuw (mits akkoord van de klassenraad) op basis van het spreidingsprincipe. De spreiding kan dan concreet over een, twee of drie schooljaren, in functie van die inhouden waarvoor het overzitten opportuun is.

Voor wat de normering aangaande financiering/subsidiëring, rationalisatie en programmatie betreft, wordt de leerling elk schooljaar voor een volle eenheid in aanmerking genomen op de gebruikelijke tellingsdatum.

Indien de leerling, om welke reden dan ook, van school verandert, dan is de nieuwe school niet verplicht om het systeem van spreiding van het lesprogramma over te nemen. Indien de betrokken klassenraad van de nieuwe school daartoe wel bereid is, dan zullen de nodige afspraken met de klassenraad van de vorige school worden gemaakt.

In hoofde van de leerling mag onderhavig systeem worden gecombineerd met de mogelijkheid tot aanpassing van het lesprogramma (zie rubriek 6 – voor ziekte en ongeval - en 7 – voor specifieke onderwijsbehoeften - van deze omzendbrief).

6. Aanpassing van het lesprogramma in geval van ziekte of ongeval.

In alle vormen van secundair onderwijs kan voor een leerling die wegens ziekte of ongeval bepaalde vakken niet kan volgen, de klassenraad bepaalde doelen van het curriculum vrijstellen en, waar mogelijk, vervangen door gelijkwaardige doelen. Daarbij is het van belang dat de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit van het betreffende structuuronderdeel, ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden (= dispenseren).Dit systeem is individueel leerlinggericht en kan dus geen alibi zijn om het lesprogramma op klasniveau te wijzigen.

Een dergelijke flexibiliteit inzake bijsturing van het lesprogramma zal uiteraard slechts onder uitzonderlijke omstandigheden worden toegestaan en is geen afdwingbaar leerlingenrecht. De beslissingsbevoegdheid terzake ligt volledig bij de klassenraad, zodat verificatie- en inspectiediensten geen individueel appreciatierecht zullen kunnen uitoefenen. Alle documenten die betrekking hebben op de aanpassing van het lesprogramma (bv. het attest van een geneesheer-specialist waarop de school zich gebeurlijk heeft gebaseerd) worden per leerling ter beschikking gehouden van de verificatie- en inspectiediensten; een aanvraag of kennisgeving aan het AgODi, Secundair Onderwijs – Scholen en Leerlingen met gegevens over de betrokken leerling is dus niet vereist.

Het lesprogramma wordt, in uren uitgedrukt, evenwel niet verminderd maar wel aangepast in functie van de haalbaarheid van de leerling. Alle vakken, ook die van de basisvorming, komen voor vrijstelling in aanmerking. De klassenraad zal er wel over waken dat de vervangende vakken/activiteiten gelijkwaardig zijn, opdat de leerdoelstellingen en de eigenheid van het door de leerling gevolgde structuuronderdeel op een redelijke wijze behouden blijven. Een vrijstelling met vervangende activiteit kan zowel naar inhoud (vervanging van een vak door een ander) als naar vorm (alternatieve wijze van verstrekking), bv. lichamelijke opvoeding zou zowel kunnen worden vervangen door plastische opvoeding (of een ander vak) maar zou ook kunnen worden gehandhaafd door middel van een louter theoretische benadering.

In hoofde van de leerling mag onderhavig systeem worden gecombineerd met het systeem van spreiding van het lesprogramma (zie rubriek 5 van deze omzendbrief).

7. Aanpassing van het lesprogramma in geval van specifieke onderwijsbehoeften.

Het VN-verdrag en bijhorend protocol bevestigen het recht op redelijke aanpassingen voor personen met een handicap. Het weigeren van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap wordt als een vorm van discriminatie beschouwd (artikel 15, 6°). Er is sprake van het weigeren van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap, als aanpassingen die geen onevenredige belasting betekenen of waarvan de belasting in voldoende mate door bestaande maatregelen wordt gecompenseerd, worden geweigerd. 

Dit verdrag werd in de onderwijsregelgeving ingeschreven door het "Decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften" (21 maart 2014). Meer informatie over de beoordeling van de redelijkheid van aanpassingen is te vinden in de omzendbrief SO/2012/01.

Naast onder andere remediëren, differentiëren en compenseren is dispenseren ook een maatregel die nodig kan zijn om leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften mee te blijven meenemen ineen gemeenschappelijk curriculum.

Voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften die een gemeenschappelijk curriculum volgen, kan de klassenraad bepaalde doelen van het curriculum vrijstellen en, waar mogelijk, vervangen door gelijkwaardige doelen. Daarbij is het van belang dat de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit van het betreffende structuuronderdeel, ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden (= dispenseren).

Het lesprogramma wordt, in uren uitgedrukt, evenwel niet verminderd maar wel aangepast in functie van de haalbaarheid van de leerling.

In hoofde van de leerling mag onderhavig systeem worden gecombineerd met het systeem van spreiding van het lesprogramma (zie rubriek 5 van deze omzendbrief).

8. Tijdelijke of permanente vrijstelling van leerplicht.

Voor jongeren die in gevolge hun handicap niet in staat zijn om onderwijs te volgen, ook niet onder de vorm van permanent onderwijs aan huis, kan de inspectie beslissen om een leerling tijdelijk of permanent vrij te stellen van de leerplicht.

Vrijstelling van leerplicht kan enkel aangevraagd worden door de betrokken personen bij de onderwijsinspectie:

Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming

Zorgpunt Onderwijsinspectie

Hendrik Consciencegebouw, 2M06

Koning Albert II laan 15

1210 Brussel

E-mailadres: zorgpunt.onderwijsinspectie@vlaanderen.be

Telefoonnummer: Nadine Ceulemans (stafmedewerker zorgpunt): 02 553 88 37

Verantwoordelijke inspecteur: Annemarie Desmyttere: annemarie.desmyttere@ond.vlaanderen.be

Een aanvraag voor vrijstelling van leerplicht bevat een gemotiveerd schrijven van de ouders en een dossier dat minimaal de volgende elementen moet bevatten: een verslag (opgesteld door bvb. een Centrum voor ontwikkelingsstoornissen, een CLB ...) met daarin informatie over de cognitieve mogelijkheden, de mogelijkheden van sociaal aanpassingsgedrag (= redzaamheid, communicatie, socialisatie en motoriek) en de mogelijkheden op vlak van sensomotorisch functioneren van het kind.

De onderwijsinspectie meldt haar beslissing aan de ouders en aan de school en stelt het Agentschap voor Onderwijsdiensten in kennis van de beslissing. Tegen de beslissing is binnen de onderwijsinspectie geen beroepsprocedure voorzien.

Een aanvraag voor tijdelijke of permanente vrijstelling van leerplicht bevat een gemotiveerd schrijven van de ouders en een medisch verslag.

De ouders hebben het recht gehoord te worden voordat de Onderwijsinspectie een beslissing neemt. Zij kunnen zich daarvoor laten bijstaan door een raadsman van hun keuze. De ouders hebben eveneens het recht om alle door de Onderwijsinspectie gebruikte documenten in te zien.

De onderwijsinspectie kan bij de scholen documenten betreffende de leerling opvragen of een verslag over de vorderingen laten opmaken. De Onderwijsinspectie is tot geheimhouding verplicht over de dossiers die haar worden voorgelegd en over de gegevens die hen betreffende de te onderzoeken zaken worden meegedeeld.

Een jongere die vrijgesteld is van leerplicht kan op een later moment toch opnieuw naar school gaan. Daarvoor moet de vrijstelling niet ingetrokken worden. Uiteraard moet de jongere dan wel in een school ingeschreven worden. Indien hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet en een regelmatige leerling is dan is hij zelfs financier- of subsidieerbaar.

Jongeren die ingeschreven zijn in voorzieningen die gesubsidieerd worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een handicap en die geen vorm van onderwijs kunnen volgen, moeten, naast de inschrijving in deze voorziening, ook in het bezit zijn van een vrijstelling van leerplicht door de onderwijsinspectie.

9. Bijlagen.