Toelatingsvoorwaarden en verslag voor leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs

  • referentie
    BaO/2007/02
  • publicatiedatum
    10/05/2007
  • datum laatste wijziging
    20/08/2018
  • wettelijke basis
    Het decreet basisonderwijs, zoals laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018: artikelen 10, 12, tot en met 2 en artikel 31.
  • wettelijke basis
    Het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015 tot bepaling van de inhoud van het gemotiveerd verslag en van het attest bij het verslag voor toegang tot een individueel aangepast curriculum in een school voor gewoon onderwijs of tot het buitengewoon onderwijs, zoals laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018.
  • contact
    Vragen over concrete dossiers: uw schoolbeheerteam
  • contactpersoon
    Inge Wagemakers, 02/553.92.42
  • Wijzigingen naar aanleiding van wijzigingen in het M-decreet:
  • 5de uitzonderingsmogelijkheid voor een attestwijziging tijdens het schooljaar;
  • De uitzondering dat een CLB een voorlopig verslag type 3 kan opmaken nadat het handelingsgericht diagnostisch proces is doorlopen, maar er een extern bekomen classificerende diagnose ontbreekt;
  • Wijzigingen m.b.t. de evaluatie van de inschrijving van een leerling in het type basisaanbod na twee schooljaren ;
  • Mogelijkheid tot gedeeltelijke lesbijwoning in een school voor gewoon onderwijs voor een leerling die is ingeschreven in een school voor buitengewoon onderwijs.

1. Inleiding

De toelatingsvoorwaarden in het buitengewoon basisonderwijs bestaan uit twee criteria:

  • leeftijdsvoorwaarden;

  • verslag voor toegang tot een individueel aangepast curriculum in het gewoon onderwijs of voor toegang tot het buitengewoon onderwijs (bestaande uit een attest en een protocol ter verantwoording).

Opgelet!
Bij de inschrijving van een kind in het buitengewoon basisonderwijs moet er naast de toelatingsvoorwaarden ook rekening gehouden worden met een aantal andere wettelijke bepalingen zoals bijvoorbeeld over het inschrijvingsrecht: voorrangsbepalingen, weigeringsgronden, akkoord pedagogisch project ...
Informatie hierover vindt u in de omzendbrief: BaO/2012/01 van 05/06/2012 “Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het basisonderwijs”

Een school voor buitengewoon onderwijs mag geen andere bijkomende toelatingsvoorwaarden opleggen.

Het kan niet dat een school voor buitengewoon onderwijs:

- naast een inschrijving in de school een inschrijving in het aan de school verbonden internaat of semi-internaat/MFC eist;

- een bepaald minimum IQ eist;

- een bepaalde graad van zelfredzaamheid oplegt.

2. Leeftijdsvoorwaarden

2.1. Leeftijdsvoorwaarden buitengewoon kleuteronderwijs

2.1.1. Algemeen

Om toegelaten te worden tot het buitengewoon kleuteronderwijs moet de kleuter tenminste twee jaar en zes maanden zijn.

Opmerking:

De instapdagen die van toepassing zijn in het gewoon kleuteronderwijs gelden niet voor het buitengewoon kleuteronderwijs.

In principe blijft het kind in het kleuteronderwijs tot en met het schooljaar dat aanvangt op de eerste september van het jaar waarin het vijf jaar wordt.

Voorbeeld:

Een kind geboren op 12 april 2011 blijft in de kleuterklas tot en met het schooljaar 2016-2017.

2.1.2. Verlengd verblijf in het buitengewoon kleuteronderwijs

In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die zes jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar toch nog in het kleuteronderwijs toegelaten worden. Deze afwijking kan met één schooljaar verlengd worden.

Voorbeeld:

- Een kind geboren op 12 april 2011 wordt 6 jaar in 2017 en kan nog in het buitengewoon kleuteronderwijs ingeschreven worden voor het schooljaar 2017-2018 omdat het vóór 1 januari 2018 6 jaar is geworden.

- Dit kind kan in het schooljaar 2018-2019 nog in het buitengewoon kleuteronderwijs ingeschreven blijven.

In beide gevallen is het kind leerplichtig én onderworpen aan de controle op de leerplicht.

Ouders beslissen autonoom of hun kind het eerste en/of het tweede jaar van de leerplicht in het buitengewoon kleuteronderwijs blijft. Zowel de klassenraad als het bevoegde CLB geven de ouders hierover voorafgaandelijk advies, zodat de ouders met kennis van zaken een beslissing kunnen nemen. Het is noodzakelijk dat de ouders toelichting krijgen bij deze adviezen (eventueel tijdens een gesprek met de directeur en de betrokken klastitularis). Nadat de ouders op de hoogte zijn van de voor- en nadelen en de mogelijke consequenties, nemen zij de uiteindelijke beslissing. Voor leerplichtige kinderen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is enkel een advies van een CLB vereist.

Zie ook punt 3.4.2.5. Bepaling van het niveau.

2.2. Leeftijdsvoorwaarden buitengewoon lager onderwijs

2.2.1. Algemeen

Om toegelaten te worden tot het buitengewoon lager onderwijs moet de leerling zes jaar zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar.

In principe duurt het buitengewoon lager onderwijs zeven jaar. Dit wil zeggen tot en met het schooljaar dat aanvangt op de eerste september van het jaar waarin het kind twaalf jaar wordt.

Voor inschrijvingen in het type basisaanbod: hou rekening met de evaluatie die na twee schooljaren volgt (Zie 3.4.2.4.)

2.2.2. Afwijkingen

2.2.2.1. Eerder naar het buitengewoon lager onderwijs

Net zoals in het gewoon lager onderwijs kán een kind dat vijf jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar al toegelaten worden tot het buitengewoon lager onderwijs.

Ouders nemen deze beslissing autonoom na kennisname van en toelichting bij de omstandig gemotiveerde adviezen van de klassenraad en van het CLB (zie punt 2.1.2).

Het kind wordt automatisch leerplichtig en is onderworpen aan de controle op de leerplicht.

Zie ook punt 3.4.2.5. Bepaling van het niveau.

2.2.2.2. Langer naar het buitengewoon lager onderwijs

Een leerling kan tijdens het schooljaar dat aanvangt in het jaar waarin hij/zij dertien jaar wordt nog buitengewoon lager onderwijs volgen. Tot en met het schooljaar 2015-2016 was hierbij een advies van de klassenraad en het CLB vereist. Vanaf 01/09/2016 wordt de adviesvraag niet langer opgelegd.

Het buitengewoon lager onderwijs kan daarna nog met één schooljaar verlengd worden, dit is het schooljaar dat aanvangt in het jaar waarin het kind veertien jaar wordt. Voor deze leerlingen is er een advies van de klassenraad en het CLB nodig. Ouders nemen de beslissing tot verlengd verblijf autonoom na kennisname van en toelichting bij de omstandig gemotiveerde adviezen van de klassenraad en van het CLB (zie punt 2.1.2).

Zie ook punt 3.4.2.5. Bepaling van het niveau.

Een leerling die 15 jaar wordt voor 1 januari van het lopende schooljaar kan niet meer toegelaten worden tot het buitengewoon lager onderwijs.

2.2.2.3. Getuigschrift basisonderwijs

Een leerling die het getuigschrift basisonderwijs behaald heeft kan geen lager onderwijs meer volgen, tenzij na toelating door de klassenraad.

Informatie over het getuigschrift basisonderwijs vindt u in de omzendbrief BaO/98/11 ‘Het uitreiken van het getuigschrift basisonderwijs’

De procedure in verband met de gelijkwaardige leerdoelen en getuigschrift basisonderwijs in het buitengewoon basisonderwijs wordt uiteengezet in de omzendbrief BaO/2000/2.

2.2.2.4. Naar het secundair onderwijs

Voor overgang naar gewoon secundair onderwijs:

Raadpleeg punt 9 van SO 64 - Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs (25/06/1999)

Voor overgang naar het buitengewoon secundair onderwijs:

Raadpleeg art. 294 van de codex secundair onderwijs.

3. Het verslag voor toegang tot een individueel aangepast curriculum in het gewoon basisonderwijs of voor toegang tot het buitengewoon onderwijs (verder het ‘verslag’)

3.1. Algemeen

Een verslag geeft de mogelijkheid om les te volgen in het gewoon onderwijs met een individueel aangepast curriculum of geeft de mogelijkheid om in te schrijven in het buitengewoon onderwijs. Een verslag wordt opgemaakt door het CLB na het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject.

Voor een inschrijving in het buitengewoon basisonderwijs moet de leerling, naast het beschikken over een verslag van het CLB, ook voldoen aan de leeftijdsvoorwaarden.

Voor het type 5 is alleen een attest vereist (zie punt 3.4.3.).

Een kind waarvoor een ’verslag’ is opgesteld, heeft het recht om in het gewoon onderwijs school te lopen met een individueel aangepast curriculum en heeft het recht om buitengewoon onderwijs te volgen van het type waarnaar het in het verslag georiënteerd wordt. (Voor de ingangsdatum bij attestwijziging zie punt 3.4.2.1. 5°)

Het verslag wordt bezorgd aan de ouders. Bij een effectieve inschrijving in een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs, bezorgen de ouders dit verslag aan de directeur van de onderwijsinstelling, die het toevoegt aan het leerlingendossier.

Voor een inschrijving in buitengewoon onderwijs geldt het principe dat het verslag beschikbaar moet zijn wanneer de beslissing genomen wordt om een kind in te schrijven in een school voor buitengewoon onderwijs. Een school voor buitengewoon onderwijs mag geen leerlingen inschrijven die nog geen verslag met oriëntering naar het betreffende type hebben. Enkel voor buitengewoon onderwijs type 3 is er hierop een uitzondering met het voorlopig verslag type 3 (zie punt 3.4.2.3.).

Voor de schooljaren 2015-2016, 2016-2017, 2017-2018 en 2018-2019 geldt voor de leerlingen met een nieuwe inschrijving een overgangsmaatregel. Op het moment van de inschrijving zelf moet de leerling nog niet over het verslag beschikken. Het volstaat om een voorlopig CLB-document voor te leggen waaruit blijkt dat het handelingsgericht diagnostische proces is doorlopen, maar dat het verslag nog niet kon gefinaliseerd worden. Het verslag moet er wel zijn, ten laatste bij de start van de lesbijwoning.

Verlaat de leerling de school voor gewoon of buitengewoon onderwijs, dan wordt het verslag aan de ouders terugbezorgd. Bij een schoolverandering moet de school van waaruit de leerling vertrekt, een kopie van het ‘verslag’ bezorgen aan de nieuwe school (zie omzendbrief BaO/2014/05 over overdracht van leerlingengegevens bij schoolverandering).

Opstellen van een verslag voor leerlingen met een inschrijvingsverslag

Voor leerlingen die nog beschikken over een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs moet een ‘verslag’ worden opgesteld in volgende gevallen:
- Bij de overstap van (buitengewoon) basisonderwijs naar het (buitengewoon) secundair onderwijs;
- Bij verandering van type;
- Bij de overstap van het gewoon naar het buitengewoon onderwijs (ook voor vroegere GON-leerlingen of leerlingen die ondersteuning uit het ondersteuningsmodel krijgen);
- Bij de overstap van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs als de leerling een individueel aangepast curriculum zal volgen. Indien de leerling de overstap maakt om het gemeenschappelijk curriculum te volgen met ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel wordt een gemotiveerd verslag voor toegang tot geïntegreerd onderwijs opgemaakt (voor meer informatie zie BVR over het gemotiveerd verslag en het attest bij het verslag).

3.2. Wie stelt een ’verslag’ op?

Het ’verslag’ wordt opgesteld door een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB). Vanaf 01/09/2014 kunnen de zogenaamde “gemachtigde instanties” geen verslagen meer afleveren.

3.3. Opheffen van een verslag

Wanneer niet meer voldaan is aan de voorwaarden van een ‘verslag’, dan heft het CLB het verslag op. Dit is het geval als een leerling met redelijke aanpassingen opnieuw binnen het gemeenschappelijk curriculum meegenomen kan worden .

Bij opheffing van het verslag kan een leerling niet langer als regelmatige leerling ingeschreven worden of blijven in het buitengewoon onderwijs of kan hij geen individueel aangepast curriculum meer volgen in gewoon onderwijs .

Als een leerling die in het buitengewoon onderwijs is ingeschreven, overstapt naar het gewoon onderwijs met een gemotiveerd verslag, vervalt het (inschrijvings)verslag buitengewoon onderwijs automatisch.

Als een CLB voor een leerling met een verslag een gemotiveerd verslag of verslag opmaakt met het oog op de overgang van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs, dan vervalt het verslag dat de leerling had in het basisonderwijs . Wanneer ouders, zie leeftijdsvoorwaarden, toch de beslissing nemen om hun kind nog een jaar in het basisonderwijs in te schrijven, heft het CLB het (gemotiveerd) verslag voor het secundair onderwijs weer op.

Als een leerling die nog beschikt over een inschrijvingsverslag overgaat van het buitengewoon basisonderwijs naar het gewoon basisonderwijs, dan heft het CLB het inschrijvingsverslag op of maakt het naargelang de situatie van de leerling een gemotiveerd verslag of een ver slag op. Voor een leerling met een verslag heft het CLB, naargelang de situatie, het verslag op, maakt een gemotiveerd verslag op of past het bestaande verslag aan.

3.4. Inhoud van het ’verslag’

Het ’verslag’ bestaat uit een attest en een protocol ter verantwoording.


De verschillende CLB-netten hebben netoverschrijdend en in overleg met de onderwijskoepels, de onderwijsinspectie en het kabinet en de administratie Onderwijs een sjabloon en schrijfwijzer voor het ‘verslag’ ontwikkeld. De overheid reikt hiervoor geen model meer aan.

3.4.1. Inhoud van het protocol

Het protocol ter verantwoording bevat de synthese van het handelingsgericht diagnostisch traject dat samen met alle betrokken actoren werd doorlopen. Hieruit moet blijken:

1° dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;

2° dat met toepassing van de principes van handelingsgericht werken de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;

3° dat de onderwijsbehoeften van de leerling werden omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap. De CLB sector hanteert hiervoor het ICF-kader;

4° dat de onderwijsbehoeften niet louter toe te schrijven zijn aan een SES-kenmerk van de leerling, vermeld in artikel 133 van het decreet basisonderwijs;

5° welk type voor de leerling van toepassing is.

Voor een leerling die voor het eerst naar school gaat en wil starten in het buitengewoon (kleuter-)onderwijs moet worden aangetoond dat de aanpassingen om de leerling in het gemeenschappelijk curriculum mee te nemen zoals remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn. In dit geval kan qua type alleen georiënteerd worden naar type 2, 3, 4, 6, 7 of 9.

Het protocol is een belangrijk document voor de teamleden van de school, het vormt de basis van de individuele handelingsplanning voor het kind.

Voor type 5 is alleen een attest en geen protocol ter verantwoording vereist (zie punt 3.4.3.).

3.4.2. Inhoud van het attest

3.4.2.1. Algemeen

Het attest bevat de volgende gegevens:

1° de identificatiegegevens van de leerling: voornaam, achternaam, geboortedatum en adres;

2° de identificatiegegevens van de ouders: voornaam, achternaam en adres;

3° de identificatiegegevens van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) dat het attest bij de eerste attestering heeft afgeleverd: naam, adres en instellingsnummer, en voor- en achternaam van de directeur;

4° het type voor het buitengewoon basisonderwijs bij de eerste attestering met vermelding van de datum van de ondertekening van het attest, de ingangsdatum van het attest en de handtekening van de directeur van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB);

5° het type voor het buitengewoon basisonderwijs bij elk van de daaropvolgende attestwijzigingen, telkens met de vermelding van:

  • De identificatiegegevens van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB), indien dat een ander CLB is dan hetgeen vermeld is in 3°;
  • De datum van ondertekening van de attestwijziging;
  • De ingangsdatum van de attestwijziging, die alleen betrekking kan hebben op het daaropvolgende schooljaar. (Voor de ingangsdatum bij attestwijziging zie punt 3.4.2.2). Wanneer voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs of met een ‘verslag’ een nieuw verslag wordt opgemaakt, wordt dit beschouwd als een attestwijziging;
    Voor de vroegere GON-leerlingen en leerlingen die nu ondersteuning krijgen vanuit het ondersteuningsmodel met een inschrijvingsverslag, wordt het opmaken van een verslag voor toegang tot een individueel aangepast curriculum in gewoon onderwijs of voor toegang tot buitengewoon onderwijs niet beschouwd als een attestwijziging. Het verslag kan bijgevolg onmiddellijke ingang hebben.
  • De handtekening van de directeur van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB).

6° de extern verkregen classificerende diagnose in geval van een attest voor type 3, 4, 6, 7 of 9. Dit gebeurt door vermelding van het opsommingsnummer of -letter van het desbetreffende criterium of criteria uit artikel 10, §1, eerste lid, 3°, 4°, 6°, 7° of 8° van het decreet basisonderwijs. De stoornis moet niet op het attest genoteerd worden. Het CLB houdt de gegevens die de classificerende diagnose onderbouwen bij in het multidisciplinair dossier van de leerling.

Voor de omschrijving van de types verwijzen we naar artikel 10 van het decreet basisonderwijs.

3.4.2.2. Attestwijzigingen met ingangsdatum in de loop van een schooljaar

Bij wijze van uitzondering is een attestwijziging met ingangsdatum in de loop van het schooljaar wel mogelijk als de attestwijziging wordt doorgevoerd om één van de hieronder vermelde redenen en nadat een handelingsgericht diagnostisch traject is doorlopen:

1) een verhuizing van woonplaats van de leerling, die gepaard gaat met het vinden van een meer passend onderwijsaanbod;

2) een schoolverandering op initiatief van de ouders, waarbij een overschakeling naar het type basisaanbod of type 9, nodig is;

3) na een verblijf in een residentiële setting om medische of psychiatrische redenen of door een plaatsing, waarbij de onderwijsbehoeften zo gewijzigd zijn dat het CLB-team in afstemming met alle partners bepaalt dat een wijziging van type noodzakelijk is;

4) de noodzaak aan opname in een residentiële setting (o.a. Multifunctionele Centra (MFC), de internaten bij de scholen van het buitengewoon onderwijs van het GO!, de internaten met permanente openstelling (IPO)), of een plaatsing, waarbij de onderwijsbehoeften zo gewijzigd zijn dat het CLB-team in afstemming met alle partners bepaalt dat een wijziging van type of onderwijsniveau noodzakelijk is;

5) de overgang van een leerling met een verlengd verblijf in het buitengewoon basisonderwijs naar een school voor buitengewoon secundair onderwijs die bij de start van het schooljaar volzet was maar intussen een vrije plaats voor inschrijving heeft.

3.4.2.3. Multidisciplinaire diagnose

De verschillende CLB-netten werkten samen met onderwijskoepels, vakorganisaties en de overheid richtlijnen uit over de vereiste medische of multidisciplinaire diagnose voor de types 3, 4, 6, 7 en 9. Deze richtlijnen werden naar de centra voor leerlingenbegeleiding gecommuniceerd.

We willen in het kader van multidisciplinaire diagnose er op wijzen dat een medische diagnose op zich niet bepalend is of er een ‘verslag’ komt of niet, wel de onderwijsbehoeften van een leerling. Diagnostiek van externen is niet het startpunt om te bepalen of er sprake moet zijn van een ‘verslag’ maar situeert zich eerder naar het einde toe van het handelingsgericht traject.

Voorlopig verslag type 3:

In uitzonderlijke situaties van ernstige gedrags- of emotionele problemen kan er dringend nood zijn aan een gepast aanbod voor een leerling in buitengewoon onderwijs type 3. Als in die gevallen een psychiatrische diagnose nog niet beschikbaar is, staat dat een overgang naar type 3 in de weg. Daarom wordt in de mogelijkheid voorzien om bij een vermoeden van een emotionele of gedragsstoornis en na het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject, naar het buitengewoon onderwijs type 3 te kunnen overgaan op basis van een voorlopig verslag . Voorlopig, omdat de diagnose van de gedrags- of emotionele stoornis nog niet is gesteld.

Deze maatregel is dus bedoeld voor leerlingen in het gewoon onderwijs voor wie een handelingsgericht diagnostisch traject is afgerond met een vermoeden van een emotionele of gedragsstoornis en voor wie een aanbod in type 3 nodig is. Aan alle andere voorwaarden van de opmaak van een verslag, zowel inhoudelijk als procedureel (overleg tussen CLB, school en ouders) moet voldaan zijn. Een voorlopig verslag, dat steeds in consensus tussen alle partijen wordt opgemaakt, kan voor een leerling gedurende zijn of haar schoolloopbaan slechts eenmalig opgemaakt worden en leidt tot een inschrijving in een school voor buitengewoon onderwijs type 3.

Wanneer d e psychiatrische diagnose nog niet beschikbaar is bij de start van het daaropvolgende schooljaar, kan het CLB het voorlopig verslag maximaal één schooljaar verlengen.

Wanneer het extern diagnostisch traject leidt tot een psychiatrische diagnose van een emotionele of gedragsstoornis, wordt het voorlopig verslag opgeheven en wordt er een verslag type 3 opgesteld dat voldoet aan alle voorwaarden van een verslag type 3.

Wanneer het extern diagnostisch traject niet leidt tot een psychiatrische diagnose van een emotionele of gedragsstoornis, wordt het voorlopig verslag opgeheven. Tenzij de ouders de leerling al inschrijven in een school voor gewoon onderwijs, heeft de leerling het recht om in de school type 3 ingeschreven te blijven tot het einde van het lopende schooljaar.

Een voorlopig verslag dient bijgevolg enkel om ouders in de mogelijkheid te stellen om een inschrijving te bekomen in een school voor buitengewoon onderwijs type 3. Een voorlopig verslag doet geen afbreuk aan het inschrijvingsrecht van de leerling in het gewoon onderwijs, noch opent het een recht op ondersteuning in het gewoon onderwijs in het kader van het ondersteuningsmodel. Het concept voorlopig verslag is nergens opgenomen in de bepalingen omtrent het inschrijvingsrecht in het gewoon onderwijs, enkel voor een toegang tot buitengewoon onderwijs type 3. Een voorlopig verslag kan dan ook enkel dienen voor een inschrijving in een school voor buitengewoon onderwijs type 3 en genereert geen rechten of plichten voor gewoon onderwijs om:

- een afweging te maken van de redelijkheid van de aanpassingen n.a.v. wijzigende noden om vervolgens, na het afleveren van het voorlopig verslag, de inschrijving met het oog op het volgende schooljaar te ontbinden. Dit wil zeggen dat als ouders geen overstap naar buitengewoon onderwijs wensen te maken met het voorlopig verslag, de leerling niet uit de huidige gewone school uitgeschreven kan worden;

- de leerling een IAC te laten volgen;

- bij de inschrijving in een andere school voor gewoon onderwijs de inschrijving te behandelen als een inschrijving onder ontbindende voorwaarde met een afweging van de redelijkheid van aanpassingen. De leerling heeft m.a.w. een onverkort recht op inschrijving wanneer hij/zij zich aandient in een andere gewone school.

3.4.2.4. Het type basisaanbod

Een inschrijving in het type basisaanbod wordt in buitengewoon basisonderwijs op het einde van het tweede schooljaar, ongeacht op welk moment de leerling in het eerste schooljaar is ingestapt, geëvalueerd door de klassenraad en het CLB. Het CLB moet de ouders en de leerling op een actieve wijze informeren over de mogelijkheden die zich dan aandienen:

Mogelijkheid 1: Terugkeer naar gewoon onderwijs binnen het gemeenschappelijk curriculum of met een individueel aangepast curriculum

  • De klassenraad en het CLB beslissen in overleg met de ouders en met betrokkenheid van de leerling, dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, proportioneel zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs.
  • Het CLB heft, naargelang de situatie, het verslag op, maakt een gemotiveerd verslag op, of past het bestaande verslag aan.
  • De school voor buitengewoon onderwijs en het CLB ondersteunen de ouders bij het vinden van een school voor gewoon onderwijs waar de leerling definitief wordt ingeschreven (in geval van gemotiveerd verslag) of onder ontbindende voorwaarde wordt ingeschreven (in geval van verslag).
  • De scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs, de centra voor leerlingenbegeleiding en de ouders maken, met betrokkenheid van de leerling, afspraken over ondersteuning.

Mogelijkheid 2: Verder traject in buitengewoon onderwijs

  • De klassenraad en het CLB beslissen in overleg met de ouders en met betrokkenheid van de leerling, dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs.
  • Het CLB motiveert deze beslissing in het verslag.
  • De inschrijving in de school voor buitengewoon onderwijs wordt verlengd.
  • In het buitengewoon basisonderwijs volgt uiterlijk na twee schooljaren opnieuw een evaluatie.

Ouders blijven, in geval van een verlenging van het verslag, ten allen tijde de keuze hebben tussen een verder traject in buitengewoon onderwijs of een overstap naar gewoon onderwijs.

3.4.2.5. Bepaling van het niveau

Op het attest wordt geen indicatie gegeven over het niveau (kleuter of lager) dat de attestgever aangewezen vindt.

Het kan evenwel zinvol zijn om bij de overgang van buitengewoon kleuteronderwijs naar buitengewoon lager onderwijs een evaluatiemoment in te lassen en te bekijken of de oriëntering nog wel overeenstemt met de voornaamste opvoedings- en onderwijsbehoeften van het kind.

Deze evaluatie is echter niet verplicht, dus de opmaak van een nieuw verslag in de overgang van buitengewoon kleuteronderwijs naar buitengewoon lager onderwijs voor een leerling die al over een inschrijvingsverslag of verslag beschikt, is niet vereist als de situatie van de leerling voor de rest niet wijzigt.

3.4.3. Attest type 5

Voor de toelating van een leerling tot het type 5 is een attest vereist dat uitgereikt is door de behandelende arts van de medische of psychiatrische voorziening of van het preventorium ofwel door de directeur van de residentiële setting. De overheid reikt hiervoor geen model meer aan.

De volgende elementen moeten in het attest voor type 5 opgenomen worden:

1° de identificatiegegevens van de leerling: voornaam, achternaam,

geboortedatum, adres;

2° de identificatiegegevens van de ouders: voornaam, achternaam en adres;

3° de identificatiegegevens van de school voor gewoon of buitengewoon

onderwijs waar de leerling ingeschreven is: naam, adres en instellingsnummer, met inbegrip van het studieaanbod dat de leerling er volgt;

4° de identificatiegegevens van de voorziening waar onderwijs van type 5

aangeboden wordt: naam, adres en instellingsnummer, en voor- en achternaam van de behandelende arts van de medische of psychiatrische voorziening, van het preventorium of van de directeur van de residentiële setting;

5° de datum van de ondertekening van het attest, de ingangsdatum van het

attest en de handtekening van de behandelende arts of directeur,

vermeld in punt 4°;

6° de motivering waarom:

a) de medische, psychiatrische of residentiële opvang of begeleiding niet toelaat dat het kind of de jongere voltijds in een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs de lessen kan volgen;

b) het kind of de jongere behoefte heeft aan een individueel of geïndividualiseerd aanbod dat in een residentiële omgeving verstrekt moet worden.

Het attest is bestemd voor de directeur van de onderwijsinstelling van type 5, ter staving van de inschrijving. Het wordt aan het leerlingendossier toegevoegd.

4. Gedeeltelijke lesbijwoning in een school voor gewoon onderwijs

Leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van type 5, kunnen gemiddeld per schooljaar maximaal halftijds lessen of activiteiten volgen in een school voor gewoon basisonderwijs. In overleg met de ouders, met betrokkenheid van de leerling en in overleg met het CLB ondersteunt de school voor buitengewoon onderwijs de school voor gewoon onderwijs. Deze leerlingen komen niet in aanmerking voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel.