Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het basisonderwijs

  • referentie
    BaO/2012/01
  • publicatiedatum
    05/06/2012
  • datum laatste wijziging
    16/06/2016
  • wettelijke basis
    Artikel 37bis tot en met artikel 37vicies septies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 
  • wettelijke basis
    Het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2012 tot bepaling van het model van inschrijvingsregister en mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving, de provinciale bemiddelingscel voor gemeenten gelegen buiten het werkingsgebied van het LOP en de procedure voor de goedkeuring van de aanmeldingsprocedure door de Vlaamse Regering na een negatief besluit van de Commissie inzake leerlingenrechten
  • wettelijke basis
    Het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen zoals gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juni 2006 en het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008
  • wettelijke basis
    Het besluit van de Vlaamse Regering van 27 september 2002 betreffende de Commissie inzake leerlingenrechten zoals gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juni 2006
  • opheffing
    Deel 1 van de omzendbrief ‘Het gelijke onderwijskansenbeleid voor het basisonderwijs’ (BaO/2006/01)
  • opheffing
    (…)
  • contactpersoon
    Sara De Meerleer, 02/553 92 12
  • contactpersoon
    Marieke Smeyers, 02/553 92 41
  • Deze omzendbrief licht het inschrijvingsrecht en de aanmeldingsprocedures in het basisonderwijs toe. De omzendbrief geldt voor het gewoon en buitengewoon basisonderwijs.
  • Enkel toevoegingen of wijzigingen ten gevolge van Onderwijsdecreet XXVI zijn groen gemarkeerd.
  • Het M-decreet maakt een belangrijk onderscheid tussen ‘een verslag voor toegang buitengewoon onderwijs’ en een ‘gemotiveerd verslag’ voor leerlingen die recht hebben op GON. Leerlingen met een gemotiveerd verslag kunnen niet ingeschreven worden onder ontbindende voorwaarde. Leerlingen met een verslag worden steeds ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag (opgemaakt volgens de regels vóór het M-decreet) geldt een specifieke overgangsmaatregel (zie 9.1.6.3 en 9.1.6.4).
  • Het verslag maakt deel uit van de informatie die ouders bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Vanaf 1 september 2016 geldt dat ook indien een verslag wordt opgemaakt tussen het moment van de inschrijving en de effectieve instap in de school, de ouders het verslag overmaken aan de school.De school verbindt zich ertoe steeds een overleg te organiseren met CLB, ouders en de klassenraad over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in hetzij het gemeenschappelijk, hetzij een individueel aangepast curriculum (zie 9.1.6.4).
  • Vanaf 1 september 2016 geldt dat indien het verslag beschikbaar was op het moment van de inschrijving, maar niet gemeld werd door de ouders, de ontbindende voorwaarde alsnog wordt ingeroepen op het moment dat de school vaststelt dat er een verslag was op het moment van de inschrijving.
  • Vanaf 1 september 2016 geldt dat indien voor de leerling een verslag wordt opgemaakt na de inschrijving, maar voor de effectieve instap in de school, de inschrijving omgezet wordt in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde op het moment dat de school vaststelt dat er een verslag is (zie 9.1.6.4).
  • In geval van schoolverandering (tijdens het schooljaar of via een inschrijving met het oog op volgend schooljaar) maakt de oude school een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag over aan de nieuwe school , als onderdeel van de verplicht over te dragen leerlingengegevens. Het CLB geeft bij schoolverandering (tijdens het schooljaar of via een inschrijving met het oog op volgend schooljaar) een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag door aan het CLB, verbonden aan de nieuwe school.
  • Vanaf 1 september 2016 geldt dat v oor een leerling met een verslag die reeds een individueel aangepast curriculum volgt in het gewoon onderwijs en waarvan de nood aan aanpassingen tijdens de schoolloopbaan wijzigt , d e school – in overleg met het CLB, de ouders en de klassenraad - opnieuw de redelijkheid van aanpassingen kan afwegen. De school kan dit enkel doen naar aanleiding van effectief gewijzigde noden en pas nadat de gewijzigde noden door het CLB in een gewijzigd verslag worden bevestigd. Het kan hierbij zowel gaan om een wijziging van type/opleidingsvorm als om gewijzigde ondersteuningsnoden zonder wijziging van type/opleidingsvorm.
  • De modellen van inschrijvingsregister zijn als bijlagen opgenomen bij de omzendbrief BaO/2012/03 Inschrijvingsregister basisonderwijs.
  • Een samenvatting van de onderdelen van het inschrijvingsrecht voor scholen, gelegen buiten LOP-gebied, vindt u in bijlage 1. Een samenvatting voor scholen, gelegen in LOP-gebied, vindt u in bijlage 2.


Inleidende begrippen

In functie van de leesbaarheid van de omzendbrief worden een aantal termen (zoals ze verankerd zijn in het decreet basisonderwijs) vervangen door de termen die in de praktijk gebruikt worden.

  • Brussel = tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad
  • LOP-gebied = het werkingsgebied van een Lokaal Overlegplatform
  • Nederlandstaligen = leerlingen die behoren tot de voorrangsgroep ‘leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is’ voor scholen in Brussel

Daarnaast worden een aantal termen verduidelijkt.

  • Aanmeldingsperiode = de periode waarbinnen aangemeld kan worden. Deze periode omvat niet de periode waarbinnen de aangemelde leerlingen kunnen worden ingeschreven.
  • Aanmeldingsprocedure = de volledige organisatie van de inschrijvingen via voorafgaande aanmeldingen, inclusief de verschillende aanmeldingsperiodes en de daarop volgende inschrijvingsperiodes.
  • Capaciteitsverhoging = het verhogen van eerder bepaalde capaciteit
  • Dubbele contingentering = de gelijktijdige voorrang voor indicator- en niet-indicatorleerlingen, en het instrument om sociale mix te realiseren.
  • Gegarandeerde schoolloopbaan = het begrip gegarandeerde schoolloopbaan omvat twee elementen:
    • een leerling die is ingeschreven blijft ingeschreven in de school voor de hele duur van de schoolloopbaan
    • de continuïteit van het onderwijsaanbod moet gegarandeerd worden (tenzij de herinschrijving bij de overgang tussen kleuter- en lager onderwijs is opgenomen in het schoolreglement).
  • Gemotiveerd verslag: document dat vanaf 1 januari 2015 wordt uitgereikt door het CLB en wordt opgemaakt in functie van ondersteuning in het kader van geïntegreerd onderwijs (GON).
  • Ingeschreven leerling = een leerling die ingeschreven is in de school voor het volgende schooljaar (? zittende leerling)
  • Inschrijven = leerling noteren als gerealiseerde of niet-gerealiseerde inschrijving in het inschrijvingsregister
  • Inschrijvingsprocedure/inschrijvingscyclus = de totale periode waarbinnen ingeschreven wordt, vanaf de communicatie van de capaciteiten aan de belanghebbenden tot en met de vrije inschrijvingsperiode. Een inschrijvingsprocedure kan verschillende aanmeldings- en inschrijvingsperiodes tellen (zowel voorrangsperiodes als een vrije inschrijvingsperiode).
  • Inschrijvingsperiode = de periode waarbinnen ingeschreven kan worden. Een inschrijvingsprocedure kan verschillende inschrijvingsperiodes bevatten, en kan eventueel voorafgegaan worden door een aanmeldingsperiode
  • Inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs: document, uitgereikt voor 1 juli 2015, dat toegang geeft tot het buitengewoon onderwijs en recht geeft op GON in het gewoon onderwijs. Ook leerlingen in het gewoon onderwijs, die geen GON-begeleiding (meer) ontvangen, kunnen beschikken over een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs. 
  • Opvisperiode = de periode waarbinnen enkel leerlingen kunnen worden ingeschreven die geweigerd werden tijdens de voorafgaande aanmeldingsperiode of voorrangsperiode.
  • Overcapaciteit = een leerling inschrijven, bovenop de eerder bepaalde capaciteit, zonder deze capaciteit te verhogen. Dit kan enkel voor de decretaal bepaalde overcapaciteitsgroepen of wanneer het aantal zittende leerlingen (omwille van de gegarandeerde schoolloopbaan) de capaciteit overstijgt
  • Uitgestelde inschrijving = inschrijving tijdens de voorrangsperiode voor indicator- en niet-indicatorleerlingen, in een contingent waarvan de capaciteit reeds bereikt is
  • Verslag = document dat vanaf 1 januari 2015 wordt toegekend aan leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon onderwijs. Het verslag bestaat uit een attest en een protocol ter verantwoording.
  • Voorrangsperiode = de periode waarbinnen enkel een of meerdere voorrangsgroepen kunnen ingeschreven worden. Deze periode kan bestaan uit een aanmeldings- en inschrijvingsperiode.
  • Zittende leerling = een leerling die reeds ingeschreven was voor het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarvoor het inschrijvingsregister geldt.

Vooraf

Het inschrijvingsrecht biedt een kader voor inschrijvingen in zeer uiteenlopende contexten: voor scholen gelegen binnen of buiten LOP-gebied, met of zonder druk op de capaciteit, met of zonder segregatieproblematiek. Dit maakt het inschrijvingsrecht tot een omvangrijk geheel.

Voor scholen gelegen buiten LOP-gebied, is het inschrijvingsrecht beperkt tot:

  • vooraf capaciteit bepalen (zie 3);
  • communiceren van de vrije plaatsen (zie 4);
  • bepalen en communiceren van de inschrijvingsperiodes (zie 5);
  • chronologisch registreren van de inschrijvingen in het inschrijvingsregister (zie 7 en 8).

Meer informatie over de werkingsgebieden van de LOP’s en contactgegevens van de LOP-deskundigen en LOP-voorzitters is te vinden op: www.ond.vlaanderen.be/GOK/lop.

1. Inleiding

1.1. Wat is het inschrijvingsrecht?

Het inschrijvingsrecht is een ‘set regels’ waardoor de maatschappij er zich van verzekert dat kinderen op een correcte wijze in scholen ingeschreven worden. Het geeft aan zowel schoolbesturen als leerlingen en ouders meer rechtszekerheid bij het inschrijvingsproces.

Deze ‘set regels’ houdt ook rekening met de diversiteit aan scholen en regio’s en voorziet daarom verschillende (keuze)mogelijkheden zodat scholen/regio’s maximaal kunnen inspelen op de lokale context.

1.2. De uitgangspunten van het inschrijvingsrecht

Het inschrijvingsrecht kent enkele uitgangspunten:

1° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen;

2° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie;

3° het bevorderen van sociale mix en cohesie;

4° bijkomend voor Brussel, ook de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalig karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs.

Voor het basisonderwijs geldt ook het algemene principe dat kinderen deze optimale leer- en ontwikkelingskansen in een school in hun buurt moeten kunnen vinden.

Het inschrijvingsrecht legt ook decretale regels vast voor aanmeldingsprocedures: voorwaarden voor het instellen van een aanmeldingsprocedure, ordeningscriteria, het waarborgen en afbakenen van lokale autonomie, goedkeuring van de aanmeldingsprocedure door de Commissie inzake Leerlingenrechten, enz.  (…)

2. Recht op inschrijving

2.1. Basisprincipe

Elke leerling heeft recht op inschrijving in de school of vestigingsplaats gekozen door zijn ouders. Is de leerling twaalf jaar of ouder, dan gebeurt de schoolkeuze in samenspraak met de leerling.

Leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden op de dag van de instap en wiens ouders het pedagogisch project en schoolreglement voor akkoord hebben ondertekend, worden chronologisch ingeschreven. De ‘set regels’ die het inschrijvingsrecht voorziet, concretiseert dit principe en voert hierop ook enkele correcties uit.

Indien leerlingen met een verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs, zich willen inschrijven in het gewoon onderwijs, maakt het verslag deel uit van de informatie die de ouders overmaken aan de school bij de inschrijving (zie 9.1.6). Ook indien een verslag wordt opgemaakt tussen het moment van de inschrijving en de effectieve instap in de school, melden de ouders dit aan de school.De school verbindt zich er dan toe een overleg te organiseren met de ouders, het CLB en de klassenraad.

In het buitengewoon onderwijs leidt een recht op inschrijving niet automatisch tot een recht op leerlingenvervoer. Voor meer informatie, raadpleeg: 

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=13979

De ouder is de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of in rechte of in feite de leerling onder zijn bewaring heeft. Voor meer informatie over ouderlijk gezag in onderwijsaangelegenheden, raadpleeg:

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=13584

2.1.1. Toelatingsvoorwaarden

Een inschrijving vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende op de dag van de instap aan de toelatingsvoorwaarden voldoet.

Voorbeeld. In school X start de inschrijvingsperiode voor het eerste leerjaar van het gewoon lager onderwijs op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar. Een leerling wil zich inschrijven maar voldoet bij de inschrijving nog niet aan de 220 halve dagen aanwezigheid. De leerling wordt toch ingeschreven want hij moet pas bij instap aan de 220 halve dagen aanwezigheid voldoen. De leerling wordt met andere woorden onder de opschortende voorwaarde ingeschreven dat hij aan de toelatingsvoorwaarde zal voldoen bij de effectieve instap.

Voor meer informatie over de toelatingsvoorwaarden, raadpleeg:

(…)

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=13126 (gewoon basisonderwijs)

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=13865 (buitengewoon basisonderwijs)

2.1.2. Ondertekening van het pedagogisch project en schoolreglement

De inschrijving van een leerling wordt gerealiseerd na ondertekening voor akkoord van de ouder(s) met het pedagogisch project en het schoolreglement.

Voor meer informatie over het pedagogisch project en het schoolreglement, raadpleeg:

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=13199

2.2. De verworven inschrijving

De inschrijving van een leerling in een school geldt voor de duur van de hele schoolloopbaan (=gegarandeerde schoolloopbaan) in die school tenzij er bij beslissing van het schoolbestuur of de ouders, en uiteraard steeds in toepassing van de regelgeving, tot uitschrijving wordt overgegaan.

Een school kan tot uitschrijving overgaan:

  • omwille van (…) definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel (zie omzendbrief BAO/2014/04 - http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=14691
  • een uitschrijving aan het einde van het schooljaar omwille van een niet-akkoordverklaring met een gewijzigd schoolreglement;
  • een uitschrijving omwille van schoolverandering
  • in geval van ontbinding van de inschrijving tijdens de schoolloopbaanomwille van onredelijkheid van aanpassing na wijzigende noden (zie 9.1.6.5).

Het schoolbestuur kan wel aan zijn leerlingen vragen om jaarlijks te bevestigen of zij ingeschreven wensen te blijven. Op basis hiervan kan het schoolbestuur de verdeling van de leerlingen over de verschillende klasgroepen organiseren en het volgende schooljaar optimaal voorbereiden en plannen. Het gaat hier om een informatieve vraag van het schoolbestuur. De leerling en/of zijn ouders zijn niet verplicht deze vraag te beantwoorden. Op basis van een onbeantwoorde vraag kan een leerling nooit worden uitgeschreven. 

Uit algemene rechtsregels volgt wel dat indien ouders schriftelijk verklaren dat hun kind het volgende schooljaar niet terugkeert naar de school of de school zal verlaten, het kind uitgeschreven kan worden. De school communiceert daarbij duidelijk aan de ouders dat hun kind wordt uitgeschreven.

Ouders kunnen eventueel ook op andere manieren bekendmaken dat ze de inschrijving willen beëindigen. Een schriftelijke verklaring van ouders biedt de school echter een bewijs dat de leerling op een rechtsgeldige manier werd uitgeschreven.

2.2.1. Inschrijvingen over vestigingsplaatsen heen

Het principe dat een inschrijving in een school geldt voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school houdt onder meer in dat de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen van de school heen. Een leerling die van de ene naar de andere vestigingsplaats verhuist, wordt – als er nog een vrije plaats is op het moment van de overstap naar de andere vestigingsplaats – beschouwd als een zittende leerling. Opnieuw ondertekenen van schoolreglement en pedagogisch project is dan niet noodzakelijk.

Dit principe geldt niet wanneer de capaciteit overschreden wordt. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat leerlingen zich in een vestigingsplaats inschrijven om zich alsnog te kunnen inschrijven in een andere vestigingsplaats waarvan de capaciteit al bereikt is. Een vestigingsplaats moet de inschrijving van een leerling uit een andere vestigingsplaats van de school weigeren als haar capaciteit is bereikt. Ze neemt dan de leerling als niet-gerealiseerde inschrijving op in het inschrijvingsregister.

Als echter deze verandering noodzakelijk is om de voortgang van het leerproces te garanderen dan heeft de leerling het recht om zijn schoolloopbaan verder te zetten in de andere vestigingsplaats. De leerling moet niet opgenomen worden in het inschrijvingsregister.

Voorbeeld 1: Een school heeft twee kleutervestigingen. Een kind loopt school in kleutervestiging A. Ouders willen na een verhuis hun kind laten overstappen naar vestigingsplaats B. Indien de capaciteit in vestigingsplaats B bereikt is, moet het kind geweigerd worden.

Voorbeeld 2: Een lagere school heeft een vestigingsplaats waar de eerste drie leerjaren worden aangeboden. In een andere vestigingsplaats worden de laatste drie leerjaren georganiseerd. Een leerling die na het derde leerjaar doorstroomt naar de andere vestigingsplaats,  mag niet geweigerd worden op basis van capaciteit.

2.2.2.  Herinschrijvingen bij de overgang tussen kleuter- en lager onderwijs

Het schoolbestuur van een basisschool waar de capaciteit van het kleuteronderwijs groter is dan deze van het lager onderwijs, kan er toch voor opteren om bij de overgang tussen beide onderwijsniveaus een herinschrijving te vragen, ook al gaat het om één en dezelfde school. Een school die een herinschrijving vraagt, moet dit wél opnemen in het schoolreglement. Ouders weten dan bij voorbaat dat de leerlingen van het kleuteronderwijs niet automatisch doorstromen naar het lager onderwijs van dezelfde school. Bij de herinschrijving gelden de regels van een nieuwe inschrijving, inclusief de voorrangsregeling (zie 6). Bij herinschrijving mag geen voorrang worden gegeven aan kleuters van de ene of de andere vestigingsplaats. Er mag evenmin voorrang worden gegeven aan de eigen kleuters op deze afkomstig van elders.  

Voorbeeld: Een school heeft één vestigingsplaats met lager- en kleuteronderwijs en twee kleutervestigingsplaatsen. De drie kleutervestigingsplaatsen hebben elk een capaciteit van 25 leerlingen in de derde kleuterklas. De vestigingsplaats van de basisschool heeft een capaciteit van 50 leerlingen in het eerste leerjaar. Bij inschrijvingen die blijven doorlopen, zal de lagere school in de problemen komen bij de overgang van de derde kleuterklas naar het eerste leerjaar omdat er 3 x 25 kleuters zouden kunnen overstappen. In dit geval kan het schoolbestuur opteren voor een herinschrijving bij de overgang tussen beide onderwijsniveaus. In dit geval mag geen onderscheid gemaakt worden tussen de vestigingsplaatsen. Ook de kleuters van de basisschool die willen overstappen naar het lager onderwijs, zullen een nieuwe inschrijving moeten vragen. De kleuters van de eigen school moeten opnieuw worden genoteerd in het inschrijvingsregister en hebben geen voorrang op de kleuters van andere scholen.

2.2.3. Verworven inschrijving in geval van herstructurering of fusie

Een inschrijving geldt voor de volledige schoolloopbaan, ook wanneer de school gevat wordt door een fusie of herstructurering. Leerlingen behouden hun verworven recht als zittende of reeds ingeschreven leerling in de nieuwe school, betrokken bij de fusie of herstructurering. Indien dit niet mogelijk is, nemen de leerlingen het verworven recht mee naar een andere school van het schoolbestuur, gelegen op billijke afstand.

Het verworven recht geldt ook voor de niet-gerealiseerde inschrijvingen. De vrijgekomen plaats bepaalt welk inschrijvingsregister (en dus welke lijst van niet-gerealiseerde inschrijvingen) in het overgangsjaar gehanteerd moet worden.

Voorbeeld: School A en school B fuseren tot school C. In het overgangsjaar blijven de weigeringslijsten van school A en school B geldig. Indien een leerling uit voormalige school A vertrekt en vervangen wordt, geldt de lijst van de niet-gerealiseerde inschrijvingen van school A. Bij vertrek van een leerling uit voormalige school B geldt die van school B. Vanaf het volgende schooljaar geldt slechts één weigeringslijst: die van school C.

Wanneer de enige school van een schoolbestuur sluit en deze sluiting niet kadert in een herstructurering, is er geen andere school van het schoolbestuur die het verworven recht kan garanderen. Mits het respecteren van een aantal voorwaarden kunnen deze leerlingen ingeschreven worden in overcapaciteit in andere scholen (zie 10). 

In beide gevallen informeert het schoolbestuur de betrokken ouders.

2.2.4. Verworven inschrijving in scholen gelegen op een campus

Scholen worden beschouwd als scholen gelegen op een campus, wanneer één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen, hetzij door een weg.

Scholen van eenzelfde schoolbestuur gelegen op een campus kunnen kiezen voor automatische doorstroom tussen kleuter- en lager of basisonderwijs (=verticale doorstroom) of tussen verschillende kleuterscholen onderling of verschillende lagere scholen onderling (=horizontale doorstroom).

  • Verticale doorstroom: van kleuter naar lager

Een schoolbestuur met scholen, gelegen op een campus, kan ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van een autonome kleuterschool naar een lagere of basisschool de inschrijvingen te laten doorlopen.

  • Deze doorstroom geldt voor alle kleuters in de betreffende autonome kleuterschool; dus ook voor de kleuters in de vestigingsplaatsen die niet op de campus gelegen zijn.
  • een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruik maakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.
  • in geval van een klacht zal het schoolbestuur ook aan de CLR het bewijs moeten leveren dat de betreffende school of minstens één vestigingsplaats van de school, gelegen is op een campus.

  • Horizontale doorstroom: tussen kleuterscholen of tussen lagere scholen

Een schoolbestuur met verschillende kleuterscholen of vestigingsplaatsen of met verschillende lagere scholen (of vestigingsplaatsen), gelegen op een campus kan ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van de ene kleuterschool (of vestigingsplaats) naar de andere kleuterschool (of vestigingsplaats), of van de ene lagere school (of vestigingsplaats) naar de andere lagere school (of vestigingsplaats) de inschrijving te laten doorlopen.

  • Deze doorstroom geldt enkel voor de leerlingen in de scholen (of hun vestigingsplaatsen) die effectief op de campus gelegen zijn.
  • een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruik maakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.
  • in geval van een klacht zal het schoolbestuur ook aan de CLR het bewijs moeten leveren dat de betreffende school of minstens één vestigingsplaats van de school gelegen is op een campus.

Schoolbesturen die gebruik maken van horizontale doorstroom, hanteren voor de betrokken scholen (of vestigingsplaatsen) die op dezelfde campus gelegen zijn en als één geheel worden beschouwd (en voor elk niveau waarop capaciteit bepaald wordt), één capaciteit en één inschrijvingsregister. Het principe van de gegarandeerde schoolloopbaan geldt dan op het niveau van de campus.

3. Vóór de start van de inschrijvingen: capaciteit

3.1. Wat is capaciteit?

Capaciteit is het totaal aantal leerlingen dat een schoolbestuur per niveau (zie 3.3) ziet als maximaal aantal leerlingen.

Een schoolbestuur bepaalt autonoom de capaciteit(en) en kan hierbij rekening houden met bijvoorbeeld materiële omstandigheden of pedagogisch-didactische overwegingen.

3.2. Wanneer capaciteit bepalen?

Vóór de start van de inschrijvingsperiode moet een schoolbestuur voor elk van zijn scholen de capaciteit(en) bepalen. Deze verplichting geldt voor elke school in het gewoon en buitengewoon onderwijs, behalve voor type 5-scholen in het buitengewoon onderwijs.

Het bepalen van de capaciteit(en) voorafgaand aan de inschrijvingen verhoogt de transparantie voor leerlingen en ouders. Het kan bij eventuele geschillen ook duidelijkheid verschaffen over het rechtmatig karakter van een niet-gerealiseerde inschrijving (zie 9). Een schoolbestuur kan immers een leerling slechts weigeren op basis van capaciteit als de desbetreffende capaciteit vóór de start van de inschrijvingen is vastgelegd. Een schoolbestuur kan de capaciteit(en) tijdens de lopende inschrijvingsperiode niet verlagen. De capaciteit(en) verhogen kan wel (zie 3.5).

Scholen voor type 5 zijn niet verplicht een capaciteit te bepalen en een inschrijvingsregister te hanteren. Zij mogen dit echter wel. Indien een type 5-school verwacht dat de vraag het aanbod zal overstijgen, is het aangewezen dat zij een capaciteit bepaalt. Leerlingen weigeren op basis van capaciteit in type 5 scholen kan enkel na het vooraf bepalen van de capaciteit, en indien alle gerealiseerde inschrijvingen genoteerd zijn in het inschrijvingsregister.

3.3. Op welke niveaus capaciteit bepalen?

De niveaus waarop een schoolbestuur de capaciteit voor elk van zijn scholen moet bepalen, verschilt al naargelang het type onderwijs:

Voor het gewoon basisonderwijs moet een schoolbestuur de capaciteit bepalen op volgende niveaus:

  • de school (of campus indien van toepassing: zie 2.2.4);
  • de vestigingsplaats;
  • het kleuteronderwijs;
  • het lager onderwijs.

Daarnaast mag een schoolbestuur de capaciteit bepalen op één of beide van volgende niveaus:

  • voor het kleuteronderwijs per geboortejaar;
  • voor het lager onderwijs per leerjaar.

Voorbeeld: Een schoolbestuur dat de capaciteit bepaalt op geboortejaar voor het kleuteronderwijs mag maar moet geen capaciteit te bepalen op niveau leerjaar voor het lager onderwijs. Ze mag de capaciteit hier ook enkel bepalen op niveau lager onderwijs.

Een schoolbestuur mag ook een capaciteit bepalen voor:

  • anderstalige nieuwkomers (zie 3.7).

Het decreet geeft bewust geen omschrijving van leerjaar om naast het traditionele 1ste, 2de, … en 6de leerjaar ook andere organisatievormen in een school toe te laten waarop een capaciteit kan worden bepaald. De indeling van leerlingen behoort immers tot de pedagogische vrijheid van de school. De groepen die scholen kunnen vormen worden echter enkel als een leerjaar beschouwd als er een zekere opeenvolging is die uitgaat van de vordering van het leerproces. In die zin zijn graadklassen te beschouwen als leerjaren vermits ze elkaar opvolgen.

In het buitengewoon basisonderwijs moet een schoolbestuur voor elk van zijn scholen de capaciteit bepalen op volgende niveaus:

  • de school;
  • de vestigingsplaats;
  • het kleuteronderwijs;
  • het lager onderwijs;
  • het type.

Er mag geen capaciteit bepaald worden op het niveau van de pedagogische eenheid.

3.4. Capaciteit meedelen

Een schoolbestuur maakt vóór de start van de inschrijvingsperiode voor al zijn scholen de capaciteit(en) bekend aan alle belanghebbenden (ouders, CLB, andere scholen, intermediairs, lokale besturen, …). Het schoolbestuur maakt hiervoor best maximaal gebruik van de eigen communicatiekanalen (vb. eigen website, elektronische nieuwsbrief, …).

Een schoolbestuur kan bij het bekendmaken van de capaciteit(en) ook gebruik maken van de netwerken en de communicatiekanalen van andere lokale partners (vb. website LOP, …).

Een schoolbestuur met scholen gelegen in LOP-gebied deelt de capaciteit(en) ook mee aan het LOP.

3.5. Capaciteit verhogen

Een schoolbestuur mag de capaciteit(en) na de start van de inschrijvingen verhogen.

Het verhogen van de capaciteit(en) kan gevolgen hebben voor andere scholen (vb. ouders die door de verhoogde capaciteit hun keuze veranderen). Daarom moet voor scholen gelegen in een LOP-gebied de capaciteitsverhoging door het LOP worden goedgekeurd. Over de procedure om tot een dergelijke goedkeuring te komen, worden afspraken gemaakt binnen het LOP.

Voor scholen, gelegen in gemeenten buiten LOP-gebied, deelt het schoolbestuur de capaciteitsverhoging ter kennisgeving mee aan de schoolbesturen van de andere scholen gelegen in die gemeente.

Bij inschrijvingen als gevolg van de capaciteitsverhoging moet het schoolbestuur, net zoals bij inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen, steeds de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen op het registerblad in het inschrijvingsregister, desgevallend per contingent (zie 6.3.4.3), respecteren. Het schoolbestuur doet dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijvingen betrekking hebben. Voor het jongste geboortejaar in het kleuteronderwijs geldt voor inschrijvingen vanaf 1/9/2014 de volgorde tot en met 30 juni (zie 9.2) Voor meer informatie over het inschrijvingsregister, zie omzendbrief BaO/2012/03.

Eens de capaciteit bereikt is, kunnen leerlingen enkel nog ingeschreven worden mits verhoging van de capaciteit.

Er zijn twee uitzonderingen op deze regel:
1. Overcapaciteitsgroepen kunnen ingeschreven worden na het bereiken van de capaciteit, zonder capaciteitsverhoging (zie 10)
2. Indien de vooropgestelde capaciteit overschreden wordt door zittende leerlingen moet de school geen capaciteitsverhoging aanvragen (bijvoorbeeld door zittenblijvers, of doordat de capaciteit in het verleden hoger was dan de meest recent bepaalde capaciteit).

3.6. Capaciteit verlagen

Capaciteit verlagen na de start van de inschrijvingsperiode, mag niet.

Bij het plannen van de inschrijvingen voor het volgende schooljaar kan een schoolbestuur opnieuw capaciteit bepalen. Deze kan eventueel wel lager zijn dan de capaciteit van het huidige schooljaar. Voor zittende en reeds ingeschreven leerlingen moet de schoolloopbaan gegarandeerd worden – zij kunnen dus niet uitgeschreven worden op basis van capaciteit.

Voorbeeld: Voor schooljaar 2014-2015 is de capaciteit voor het eerste leerjaar van de lagere school bepaald op 25 leerlingen. Eens de inschrijvingen van broers en zussen gestart zijn, mag de school de capaciteit niet meer verlagen. Voor schooljaar 2015-2016 kan de school – vóór de start van de inschrijvingen - de capaciteit wel bepalen op 23 leerlingen.

3.7. Capaciteit anderstalige nieuwkomers

Een schoolbestuur mag een capaciteit bepalen voor anderstalige nieuwkomers. Dit laat een school toe om – eens de vooraf bepaalde capaciteit voor anderstalige nieuwkomers bereikt is - een anderstalige nieuwkomer te weigeren, ook wanneer de capaciteit voor het betreffende niveau, geboortejaar, … nog niet bereikt is. Op die manier vermijdt men dat de draagkracht van de school overschreden wordt.

Een school met verschillende vestigingsplaatsen bepaalt de capaciteit voor anderstalige nieuwkomers op niveau van elke vestigingsplaats.

Deze capaciteit mag nooit minder zijn dan:

  • vier leerlingen voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van maximum 100 leerlingen,
  • acht leerlingen voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van 101 of meer leerlingen.

4. Vrije plaatsen

Ouders die hun kind wensen in te schrijven hebben nood aan een zicht op de kans dat ze hun kind effectief kunnen inschrijven in de school van hun keuze. Louter de capaciteit communiceren geeft ouders immers mogelijk een vertekend beeld van hun kans op een inschrijving.

Voorbeeld: Een school heeft 25 plaatsen voor de jongste kleuters. Na inschrijving van broers en zussen zijn daarvan echter nog maar 11 plaatsen beschikbaar, waarvan 4 voor indicator- en 7 voor niet-indicatorleerlingen. Om een inschatting te kunnen maken van hun kans op een gerealiseerde inschrijving in de school, is voor ouders van indicatorleerlingen de meest relevante informatie: 4 plaatsen voor indicatorleerlingen.

4.1. Wat is een vrije plaats?

Een vrije plaats is een plaats die vrijgegeven wordt voor inschrijving.

Een schoolbestuur bepaalt dit aantal door van de capaciteit het verwachte aantal zittende leerlingen op basis van de gegarandeerde schoolloopbaan (zie 2.2.1) en de in voorgaande voorrangsperiodes reeds ingeschreven leerlingen af te trekken.

Aantal vrije plaatsen= capaciteit – verwachte aantal zittende leerlingen op basis van de gegarandeerde schoolloopbaan – aantal in voorgaande voorrangsperiodes ingeschreven leerlingen

Voorbeeld: Een basisschool heeft een capaciteit van 50 bepaald voor het eerste leerjaar. Er zijn al 43 kinderen die doorstromen vanuit het kleuteronderwijs (zittende leerlingen). Eén leerling zal het eerste leerjaar zeker opnieuw doen, voor een tweede leerling verwacht men mogelijk hetzelfde. Voor de start van de inschrijvingen is het aantal vrije plaatsen dus zes of vijf – het is aan de school om een inschatting te maken van de situatie. Indien de school zes vrije plaatsen communiceert, en deze worden tijdens de inschrijvingsperiode allemaal ingevuld, betekent een tweede zittenblijver dat er 51 leerlingen zullen zijn in het eerste leerjaar. Indien de school vijf vrije plaatsen doorgeeft en er blijkt slechts één leerling het jaar over te doen, zijn er slechts 49 leerlingen ingeschreven. Indien er geweigerde leerlingen zijn, moet de school dan één leerling opvissen van de lijst  van niet-gerealiseerde inschrijvingen, of alsnog een 50e leerling inschrijven indien die zich aandient.

4.2. Wanneer vrije plaatsen meedelen?

Vrije plaatsen worden aan alle belanghebbenden gecommuniceerd, minstens op volgende momenten:

1. Vóór de start van de inschrijvingsprocedure (dus voor de voorrangsperiode voor kinderen van dezelfde leefentiteit (‘broers en zussen’, zie 6.3.1.);

2. Indien van toepassing:

  • voor scholen in Brussel: vóór de start van de voorrangsperiode voor Nederlandstaligen (na verwerking van de inschrijvingen van de voorrangsgroepen ‘kinderen van dezelfde leefentiteit’ en ‘kinderen van personeel’ (zie 6.3.3);

  • voor scholen, gelegen in LOP-gebied, en aanmeldende scholen: vóór de start van de voorrangsperiode voor indicator- en niet-indicatorleerlingen (na verwerking van de inschrijvingen van de voorrangsgroep ‘kinderen van dezelfde leefentiteit’ en ‘kinderen van personeel’ (zie 6.3.1 en 6.3.2);

3. Vóór de start van de vrije inschrijvingsperiode (na verwerking van de inschrijvingen in de voorrangsperiode voor niet-indicator- en indicatorleerlingen).

In scholen die een voorrangsperiode voor indicator- en niet-indicatorleerlingen organiseren, moeten de vrije plaatsen op de twee eerste momenten per contingent bekend gemaakt worden.

In scholen die de inschrijvingen laten voorafgaan door aanmeldingen (zie 12) worden de vrije plaatsen bekendgemaakt voor de start van de betreffende aanmeldingsperiode.

Een schoolbestuur maakt minstens op twee (en in geval van een voorrangsperiode voor indicator- en niet-indicatorleerlingen drie, of in Brussel vier) momenten voor al zijn scholen het aantal vrije plaatsen bekend aan alle belanghebbenden (ouders, CLB, andere scholen, intermediairs, eventueel het lokaal bestuur, …). Het schoolbestuur maakt hiervoor best maximaal gebruik van de eigen communicatiekanalen (website, elektronische nieuwsbrief, …).

Scholen die ouders daarnaast op andere momenten - of mogelijk permanent - op de hoogte willen houden van het aantal vrije plaatsen, mogen dat.

Een schoolbestuur met scholen gelegen in LOP-gebied deelt de vrije plaatsen ook mee aan het LOP. Het schoolbestuur mag ook gebruik maken van de netwerken en communicatiekanalen van andere lokale partners (bijv. website LOP, …)

4.3. Op welk niveau vrije plaatsen bepalen?

Op elk niveau waarop capaciteit bepaald is, worden ook vrije plaatsen bepaald.

5. Start van de inschrijvingen

5.1. Algemeen

De inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar.

Opgelet! Er is één uitzondering op deze regel.

De tweeënhalf-jarigen die laat in het kalenderjaar werden geboren, voldoen op de laatste instapdag (O-L-H Hemelvaart) van het schooljaar waarvoor men inschreef nog niet aan de leeftijdsvoorwaarden. Zij stappen pas in op 1 september van het daaropvolgende schooljaar. Om alle kleuters van eenzelfde kalenderjaar evenveel kansen te geven, kunnen de tweeënhalf-jarigen die laat in het kalenderjaar geboren zijn, zich inschrijven op hetzelfde ogenblik als de eerder op het kalenderjaar geboren kleuters, ook al stappen ze pas het daaropvolgende schooljaar in. 

Voorbeeld: Een kind geboren in december 2011 voldoet op de laatste instapdag (O-L-H Hemelvaart) van het schooljaar 2013-2014 niet aan de leeftijdsvoorwaarden. Het kind kan pas instappen op 1 september 2014 (schooljaar 2014-2015). Om alle kleuters van het kalenderjaar 2011 evenveel kansen te geven, kan ook dit kind zich inschrijven voor het schooljaar 2013-2014 maar met instap op 1 september van het schooljaar 2014-2015. Het kind komt in het inschrijvingsregister van het schooljaar 2013-2014, ook al stapt het dat schooljaar niet in.

Ten vroegste starten met inschrijven in maart geeft enerzijds de scholen de kans om gezamenlijke afspraken te maken over de start en de organisatie van de inschrijvingsperiode(s) en belanghebbenden (ouders, CLB, andere scholen, intermediairs …) hierover te informeren. Anderzijds hebben ook leerlingen en ouders hierdoor voldoende tijd om eventueel scholen te bezoeken waardoor het schoolkeuzeproces doordacht kan gebeuren. Schoolbesturen die deel uitmaken van een LOP maken hierover samen afspraken.

Een schoolbestuur kan er uiteraard voor kiezen om de inschrijvingen later dan de eerste schooldag van maart te laten starten.

Als het schoolbestuur deel uitmaakt van een LOP, dan respecteert het schoolbestuur de afspraken die hierover binnen het LOP zijn gemaakt.

5.2. Inschrijven vóór de eerste schooldag van maart

Een schoolbestuur kan ook beslissen om de inschrijvingen voor de verschillende voorrangsgroepen (zie 6.3), samen of apart (zie 6.2.2), voor een bepaald schooljaar al te laten starten vanaf de eerste schooldag van september van het voorafgaande schooljaar. Dit kan enkel op voorwaarde dat het schoolbestuur geen enkele leerling uit die voorrangsgroepen, weigert op basis van capaciteit.

De keuze om de inschrijvingen voor voorrangsgroepen, samen of apart, vervroegd te laten starten vanaf de eerste schooldag van september van het voorafgaande schooljaar, kan per capaciteitsniveau (zie 3.3) worden gemaakt.

Een schoolbestuur met één of meerdere scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP, kan (per capaciteitsniveau) ook beslissen om de inschrijvingen voor alle leerlingen te starten vanaf de eerste schooldag van september van het voorafgaande schooljaar. Dit kan echter enkel op voorwaarde dat geen enkele leerling voor dat schooljaar wordt geweigerd op basis van capaciteit.

Een schoolbestuur met één of meerdere scholen gelegen buiten LOP-gebied overlegt hierover met de schoolbesturen van de andere scholen gelegen in dezelfde gemeente. Een schoolbestuur met één of meerdere scholen gelegen in LOP-gebied maakt hierover afspraken binnen het LOP.

Opgelet! In LOP-gebied starten de inschrijvingen voor de voorrangsgroep indicator- en niet-indicatorleerlingen (zie 6.3.4) ten vroegste vanaf de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar. 
In geval van een aanmeldingsprocedure kunnen de inschrijvingen van de aangemelde indicator- en niet-indicatorleerlingen die gunstig werden geordend, ten vroegste starten vanaf de eerste schooldag van maart.

5.3. Start inschrijvingen meedelen

Het schoolbestuur deelt de start van de inschrijvingen mee aan alle belanghebbenden (ouders, CLB, andere scholen, intermediairs …). Een schoolbestuur dat deel uitmaakt van een LOP maakt de start van de inschrijvingen ten minste bekend aan het LOP.

(…)

Een schoolbestuur dat deel uitmaakt van een LOP, houdt rekening met de afspraken die hierover binnen het LOP zijn gemaakt.

6. De voorrangsregeling 

6.1. Uitgangspunten

Het principe dat een leerling die zich eerst komt aandienen voor een inschrijving in een school of vestigingsplaats ook eerst wordt ingeschreven, is en blijft het uitgangspunt. De algemene regel is dat leerlingen chronologisch worden ingeschreven (zie 2.1).

Op deze chronologie is echter voor bepaalde leerlingengroepen, waarvoor de overheid het inschrijvingsrecht maximaal wil garanderen, een afwijking voorzien in de vorm van de voorrangsregeling. Er zijn verschillende voorrangsgroepen bepaald. De voorrang voor deze groepen wordt verleend op het niveau van de school, ongeacht of de school werkt met een herinschrijving van kleuter naar lager. Ook de volgorde waarin aan deze deze groepen voorrang wordt verleend, ligt vast. (zie 6.3). Schoolbesturen leggen wel de periodes vast waarbinnen de voorrang verleend wordt (zie 6.2). 

De voorrangsregeling is van toepassing op het gewoon en buitengewoon basisonderwijs.

Voor het buitengewoon basisonderwijs is de voorrang voor indicator- en niet-indicatorleerlingen (zie 6.3.4) echter niet verplicht.

Scholen voor type 5 zijn niet verplicht om de voorrangsregeling toe te passen.

In Brussel geldt een bijkomende voorrang voor Nederlandstaligen (zie 6.3.3).

6.2. De voorrangsperiodes

6.2.1. Algemeen

Voor elke voorrangsgroep is een voorrangsperiode voorzien waarin de leerlingen die behoren tot die voorrangsgroep zich - bij voorrang op alle andere leerlingen - kunnen inschrijven in een school of vestigingsplaats van keuze. De voorrangsperiode voor elke voorrangsgroep duurt ten minste twee weken. Enkel de voorrangsperiode voor kinderen van personeel mag minder dan twee weken duren.

Binnen elke voorrangsperiode gebeuren de inschrijvingen chronologisch.

Na iedere voorrangsperiode wordt de voorrang afgesloten voor de betrokken voorrangsgroep. Als een leerling zich niet heeft ingeschreven in de voorrangsperiode die op hem van toepassing is, en dus geen gebruik gemaakt heeft van zijn voorrangsrecht, dan is hij zijn voorrang kwijt. De leerling kan zich dan nog wel inschrijven in een andere voorrangsperiode, als die op hem van toepassing is, of in de vrije inschrijvingsperiode.

De vrije inschrijvingsperiode start nadat alle voorrangsperiodes zijn afgesloten.

De effectieve duur van elke voorrangsperiode zal afhankelijk zijn van de wijze waarop het schoolbestuur de inschrijvingsprocedure organiseert. Het is belangrijk dat leerlingen en ouders tijdig zekerheid krijgen of hun inschrijving is gerealiseerd en – indien nodig – nog op zoek kunnen gaan naar een andere school.

6.2.2. Voorrangsperiodes samen nemen

Een schoolbestuur mag twee of meerdere voorrangsperiodes samen nemen op voorwaarde dat het schoolbestuur geen enkele leerling die kan ingeschreven worden in deze voorrangsperiodes weigert. De keuze om twee of meerdere voorrangsperiodes samen te nemen mag per capaciteitsniveau (zie 3.3) worden gemaakt.

In Brussel mogen enkel de voorrangsperiodes ‘kinderen van dezelfde leefentiteit’ en ‘kinderen van personeel’ samen genomen worden. 

Buiten LOP-gebied kunnen alle voorrangsperiodes én de vrije inschrijvingsperiode samen genomen worden, op voorwaarde dat geen enkele leerling geweigerd wordt op basis van capaciteit.

6.2.3. Voorrangsperiodes meedelen

Voor de scholen gelegen in LOP-gebied maakt het LOP afspraken over de voorrangsperiodes en worden deze minstens door het LOP bekendgemaakt aan alle belanghebbenden (ouders, CLB, andere scholen, intermediairs …) in het werkingsgebied.

Voor scholen gelegen buiten LOP-gebied bepaalt het schoolbestuur de voorrangsperiodes in overleg met de schoolbesturen van alle scholen binnen dezelfde gemeente. Het schoolbestuur maakt de voorrangsperiodes bekend aan alle belanghebbenden.

6.3. De voorrangsgroepen

De inschrijvingen van voorrangsgroepen gebeuren in een bepaalde volgorde waarvan niet kan worden afgeweken. Voorrangsgroepen samennemen kan wel, op voorwaarde dat geen enkele leerling uit de betreffende voorrangsgroepen geweigerd kan worden op basis van capaciteit.

De volgende tabel geeft een overzicht van de volgorde van de voorrangsgroepen die gelden voor het gewoon en buitengewoon basisonderwijs in Vlaanderen en Brussel. Deze gelden niet voor scholen voor type 5.

Tabel: overzicht voorrangsgroepen in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs

Voorrangsgroep 

Vlaanderen 

Brussel 

 

Gewoon 

Buiten-gewoon 

Gewoon 

Buiten-gewoon 

Kinderen van dezelfde leefentiteit 

MOET 

MOET 

MOET 

MOET 

Kinderen van personeelsleden 

MOET 

MOET 

MOET 

MOET 

Nederlandstaligen 

Niet van toepassing  

Niet van toepassing  

MOET 

MOET 

Indicator- en niet-indicatorleerlingen* 

 

  • Binnen LOP: MOET 
  • Buiten LOP: MAG, MOET enkel in geval van aanmelden

MAG 

MOET 

MAG 

*verplicht voor de ‘instroomjaren’: twee jongste geboortejaren in het kleuteronderwijs en – ook voor basisscholen - het eerste leerjaar van het lager onderwijs. Deze voorrangsperiode mag echter ook georganiseerd worden voor alle andere (geboorte- en leerjaren zie 6.3.4.1)

6.3.1. Leerlingen van dezelfde leefentiteit (‘broers en zussen’)

‘Leerlingen van dezelfde leefentiteit’ (broers en zussen) moeten vanzelfsprekend ook naar dezelfde school kunnen gaan.

Met leerlingen van dezelfde leefentiteit wordt bedoeld:

  • broers en zussen (hebben twee gemeenschappelijke ouders) al dan niet wonend op hetzelfde adres;
  • halfbroers en halfzussen (hebben één gemeenschappelijke ouder) al dan niet wonend op hetzelfde adres;
  • kinderen die eenzelfde hoofdverblijfplaats (‘domicilie’) hebben maar geen gemeenschappelijke ouder(s) hebben (vb. stiefbroers en –zussen).

Voorbeeld . Broer is ingeschreven in school X en woont bij zijn vader. Zijn zus woont op een ander adres bij haar moeder. De kinderen hebben dus twee gemeenschappelijke ouders. De zus geniet bijgevolg van een voorrangsrecht in school X.

Elke leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een zittende leerling of een reeds ingeschreven leerling, heeft tijdens deze voorrangsperiode vóór alle andere leerlingen een recht op inschrijving in die school. Deze voorrang geldt binnen de beschikbare capaciteit. Als de capaciteit bereikt is, moeten ook kinderen van dezelfde leefentiteit geweigerd worden.  

Dit recht geldt ook in de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen (campus zie 2.2.4). Met ‘reeds ingeschreven leerling’ wordt bedoeld dat de inschrijving van deze leerling gerealiseerd is (= opgenomen in het inschrijvingsregister). Het is van geen belang of de ingeschreven leerling al is ingestapt of nog niet. Ook kan de reeds ingeschreven leerling een jonger of ouder kind van dezelfde leefentiteit zijn.

Voorbeeld. 2-jarige zus is ingeschreven in school X en woont bij haar vader. Ze staat in het inschrijvingsregister genoteerd als gerealiseerde inschrijving, maar is nog niet ingestapt. Haar oudere broer woont op een ander adres bij zijn moeder. De kinderen hebben dus twee gemeenschappelijke ouders. De broer geniet bijgevolg van een voorrangsrecht in school X.

6.3.2. Kinderen van personeelsleden

Na de leerlingen van dezelfde leefentiteit hebben de kinderen van personeelsleden bij voorrang op alle andere leerlingen een recht op inschrijving in de school waar het betrokken personeelslid werkt en ook in de scholen waar de inschrijvingen van de ene naar de andere school doorlopen (campus zie 2.2.4). Een personeelslid kan enkel een kind inschrijven waarvan hij zelf de ouder is (zie definitie bij 2.1)

Om van deze voorrangsregeling gebruik te kunnen maken, moet een personeelslid op het ogenblik van de inschrijving een contract hebben van een lopende tewerkstelling van meer dan 104 dagen. Deze periode toont een voldoende duurzame band aan van het personeelslid met de school. Het personeelslid hoeft nog geen 104 dagen effectief te hebben gewerkt voor de school van keuze op het moment dat de leerling zich inschrijft.

De voorrang kan dus worden opgenomen ongeacht de functie die het personeelslid uitoefent, dit kan bijvoorbeeld een klusjesman, een leerkracht, een administratief medewerker, een pedagogische begeleider of een logopedist zijn.

Het soort contract dat een school en een personeelslid hebben afgesloten, is evenmin van belang. Volgende personeelsleden komen in aanmerking:

1° personeelsleden als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in een school;

2° personeelsleden die via een arbeidsovereenkomst werden aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld worden in de school.

Een personeelslid dat geaffecteerd is aan een school maar tijdelijk aangesteld/tewerkgesteld is in een andere school, kan in beide scholen van de voorrangsregeling gebruik maken.

Naast de functie en het type contract is ook de tewerkstellingsbreuk van het personeelslid (bijvoorbeeld voltijds of deeltijds) van geen belang om voorrang te krijgen.

6.3.3. Nederlandstaligen in Brussel

De voorrangsgroep voor Nederlandstaligen (=leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is) geldt enkel binnen Brussel. Met deze voorrangsgroep wil de decreetgever de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen beschermen en het Nederlandstalig karakter behouden van het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs. 

Een ouder die van deze voorrangsregeling gebruik wil maken, toont aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is door het voorleggen van:

  • minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs. Voor het bepalen van gelijkwaardigheid van diploma’s of getuigschriften kan contact worden opgenomen met NARIC;
  • het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het SO of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
  • het bewijs dat de ouder het Nederlands beheerst op minstens niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken:
    • een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont (vb. Centrum voor Volwassenenonderwijs, universitair talencentrum);
    • een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
    • minstens het bewijs van voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de Federale Overheid;
  • het bewijs dat hij 9 jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalig lager én secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.

Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in Brussel het aantal leerlingen dat hij vooropstelt voor de inschrijving bij voorrang van Nederlandstaligen. Dit aantal kan het schoolbestuur bepalen tot op de niveaus waarop hij de capaciteit vastlegt (zie 3.3) en moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van minstens 55% Nederlandstalige leerlingen in de school.

Het percentage voorrang aan Nederlandstaligen, wordt berekend op de totale capaciteit en niet alleen op het aantal nieuw in te schrijven leerlingen. Het percentage wordt ook toegepast op elk niveau waarop capaciteit bepaald is en waarvoor een registerblad wordt opgemaakt in het inschrijvingsregister.

De zittende en reeds ingeschreven leerlingen worden ingedeeld in de groep ‘Nederlandstaligen’ of ‘kinderen wiens ouders het Nederlands niet machtig zijn’.

Bij het indelen van de zittende en reeds ingeschreven leerlingen en de leerlingen van dezelfde leefentiteit als deze leerlingen, gelden volgende regels: 

  • een zittende leerling, die op basis van de toen geldende regelgeving opgevat werd als een leerling met thuistaal Nederlands (op basis van een verklaring op eer), mag beschouwd worden als een Nederlandstalige leerling;
  • een zittende of reeds ingeschreven leerling die - op basis van de voor 1/9/2014 geldende regelgeving - werd ingeschreven als een Nederlandstalige (op basis van diplomavereisten of bewijsstuk taalniveau) moet beschouwd worden als een Nederlandstalige.

Het LOP Brussel basisonderwijs mag een hoger percentage Nederlandstalige leerlingen bepalen. Het LOP kan daarbij een onderscheid maken tussen de verschillende situaties van de deelgebieden van haar werkingsgebied, maar het percentage moet op elk niveau waarop capaciteit bepaald werd minstens 55 zijn.

Het LOP moet het percentage en de daaraan gekoppelde leerlingenaantallen meedelen aan alle belanghebbenden (ouders, CLB, andere scholen, intermediairs …).

Dit percentage is een streefcijfer. Een school kan niet worden gesanctioneerd als het streefcijfer niet wordt behaald. Ze heeft immers niet in de hand welke ouders zich effectief zullen aandienen voor een inschrijving.

Belangrijk! Een leerling die behoort tot deze voorrangsgroep én die ook een indicatorleerling (zie 6.3.4) is, wordt niet meegeteld voor het behalen van het percentage. Uiteraard kunnen deze leerlingen zich wél inschrijven tijdens deze voorrangsperiode tot het contingent voor indicatorleerlingen (zie 6.3.4.3) is bereikt.

6.3.4. Voorrang voor indicator- en niet-indicatorleerlingen

6.3.4.1. Algemeen

Eén van de uitgangspunten van het inschrijvingsrecht is het streven naar sociale mix en sociale cohesie. De voorrangsregeling voor indicator- en niet-indicatorleerlingen biedt aan een schoolbestuur een instrument om – via de systematiek van dubbele contingentering (zie 6.3.4.3) – deze doelstelling te realiseren op schoolniveau.

Deze voorrangsgroep is verplicht voor alle scholen van het gewoon basisonderwijs binnen LOP-gebied en voor alle scholen die aanmelden.
Scholen voor buitengewoon basisonderwijs en scholen buiten LOP-gebied mogen kiezen voor deze voorrangsgroep, maar zijn daartoe niet verplicht.

Deze verplichting geldt enkel voor de ‘instroomjaren’: de twee jongste geboortejaren voor het kleuteronderwijs, en – ook voor basisscholen - het eerste leerjaar van het lager onderwijs. De voorrangsregeling voor indicator- en niet-indicatorleerlingen mag ook in de overige leerjaren en geboortejaren worden toegepast maar is daar geen verplichting.  

Een school die de voorrangsregeling voor indicator- en niet-indicatorleerlingen enkel toepast voor de instroomjaren, mag in diezelfde periode ook leerlingen inschrijven voor de andere geboortejaren en/of leerjaren (ook al wordt de voorrangsregeling daar niet toegepast). Indien de school dit niet doet (en inschrijvingen voor de andere geboortejaren pas in de vrije inschrijvingsperiode starten) communiceert ze dit naar alle belanghebbenden.
Een LOP mag hierover afspraken maken. Uiteraard gelden deze afspraken dan binnen het LOP.

6.3.4.2. Indicatoren

Belangrijk!
De indicatoren ‘thuislozen’ en ‘trekkende bevolking’ worden geschrapt. Voor meer dan 99% van de leerlingen in het basisonderwijs hebben deze indicatoren geen impact op het behoren tot de groep indicator- of niet-indicatorleerlingen. Het schrappen van deze indicatoren vereenvoudigt het inschrijven en de communicatie over het dubbel contingenteren. 

Beide indicatoren blijven wel behouden voor de berekening van omkadering en werkingsmiddelen. 

Een indicatorleerling is een leerling die aan minstens één van de volgende indicatoren voldoet:

  • de moeder is niet in het bezit van een diploma secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.

(…)

  • het gezin ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage (=voor het leerplichtonderwijs) van de Vlaamse Gemeenschap; 

Voorbeeld: Gezin X wil hun 2-jarige zoon inschrijven voor schooljaar 2015-2016. Ze weten nog niet of ze voor hun zoontje een schooltoelage zullen ontvangen. Voor hun 15-jarige dochter ontvangt het gezin wel een schooltoelage 2014-2015. Hierdoor beantwoordt het zoontje aan deze indicator.

Voorbeeld: Gezin Y heeft een schooltoelage aangevraagd voor schooljaar 2014-2015. Op het moment van de inschrijving voor schooljaar 2015-2016 heeft het gezin echter nog geen antwoord ontvangen op hun aanvraag. Op basis van het bewijs van de ontvangen schooltoelage voor schooljaar 2013-2014 voldoet het gezin aan deze indicator.

Een niet-indicatorleerling is een leerling die aan geen van beide indicatoren beantwoordt.

Bij elke nieuwe inschrijving moet een leerling aan de hand van bewijsstukken opnieuw aantonen of hij/zij aan minstens één indicator beantwoordt.

(…) 

Het voldoen aan de indicator diploma moeder gebeurt aan de hand van een verklaring op eer. 

Een ouder toont de toekenning van een schooltoelage  aan met:

•ofwel een bewijs van de afdeling Studietoelagen dat het gezin recht heeft op een schooltoelage in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar van de inschrijving, of het daaraan voorafgaande schooljaar;

•ofwel een rekeninguittreksel met bewijs van storting van de schooltoelage in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar van de inschrijving, of het daaraan voorafgaande schooljaar.

Als een ouder de school niet informeert over het al dan niet voldoen aan de indicatoren, dan kan die leerling geen gebruik maken van zijn voorrangsrecht. Hij kan zich dan wél nog inschrijven in de vrije inschrijvingsperiode (zie 7).

6.3.4.3. Procedure dubbele contingentering

Een schoolbestuur dat voor zijn school/scholen voorrang moet of wil (zie 6.3.4.) verlenen aan indicator- of niet-indicatorleerlingen doet dat aan de hand van de systematiek van dubbele contingentering.

Dubbele contingentering betekent dat een schoolbestuur voor zijn school/scholen twee contingenten bepaalt voor de gelijktijdige inschrijving van indicator- en niet-indicatorleerlingen. De twee contingenten vormen samen 100% van alle leerlingen (zowel de reeds ingeschreven als de nieuw in te schrijven leerlingen). De dubbele contingentering geldt minstens voor de ‘instroomjaren’ (zie 6.3.4.1) maar mag ook worden toegepast op elke capaciteit waarvoor het schoolbestuur een registerblad in het inschrijvingsregister gebruikt (zie 8).

Voorbeeld 1: Een basisschool werkt met jaarklassen. De dubbele contingentering geldt dan minstens voor de inschrijvingen voor de twee jongste geboortejaren in de kleuterschool en voor het ‘eerste leerjaar’.

Voorbeeld 2: Indien enkel op niveau van kleuteronderwijs en op niveau van lager onderwijs capaciteit bepaald wordt, geldt de dubbele contingentering op de volledige capaciteit van het kleuteronderwijs en op de volledige capaciteit van het lager onderwijs.

Deze twee contingenten zijn gericht op het verkrijgen van een evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen over de scholen in (een deelgebied van) een LOP-gebied of over de scholen in een gemeente buiten LOP-gebied.

Bij het bepalen van de contingenten mag het schoolbestuur rekening houden met de relatieve aanwezigheid (zie 6.3.4.4.1 of 6.3.4.4.2). Het schoolbestuur mag echter ook met andere elementen dan de relatieve aanwezigheid rekening houden (het aandeel indicatorleerlingen dat in de buurt woont, leerlingenstromen tussen deelgebieden, enz.). Doelstelling van de dubbele contingentering moet altijd zijn de sociale mix in de scholen en vestigingsplaatsen te versterken en segregatie te vermijden of te doorbreken. 

De contingenten worden meegedeeld aan alle belanghebbenden (ouders, CLB, andere scholen, intermediairs …).

Om zicht te krijgen op het aantal nieuw in te schrijven leerlingen per contingent, neemt het schoolbestuur eerst het aantal zittende en reeds ingeschreven leerlingen op in het contingent waartoe ze behoren. 

Het schoolbestuur vult beide contingenten verder aan met nieuwe inschrijvingen, te beginnen met leerlingen die behoren tot een voorrangsgroep. Ook zij worden per voorrangsgroep opgenomen in het contingent waartoe ze behoren en dit zolang het contingent niet is bereikt.

De inschrijving van leerlingen, die zich aandienen nadat enkel het contingent waartoe ze behoren bereikt is, wordt uitgesteld. Deze leerlingen worden chronologisch in het inschrijvingsregister als uitgesteld ingeschreven. Dit geldt niet voor de Nederlandstalige indicatorleerlingen in Brussel (zie 6.3.3). 

Opgelet! Een uitgestelde inschrijving is niet hetzelfde als een niet-gerealiseerde inschrijving (‘weigering’). Een uitgestelde inschrijving wordt na elke voorrangsperiode ofwel omgezet in een gerealiseerde inschrijving, ofwel in een niet-gerealiseerde inschrijving (=’weigering’).

Als beide contingenten bereikt zijn nog vóór het afsluiten van de voorrangsperiode, dan wordt voor alle leerlingen die in het inschrijvingsregister vermeld staan als uitgesteld, de inschrijving geweigerd. De uitgestelde inschrijving in het inschrijvingsregister wordt dan omgezet in een niet-gerealiseerde inschrijving. De leerlingen die zo niet ingeschreven kunnen worden én ook alle volgende leerlingen worden geweigerd en ontvangen een mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving (zie 9.3).

Als bij het afsluiten van een voorrangsperiode het andere contingent nog niet bereikt is, dan worden de openstaande plaatsen opgevuld met leerlingen die in het inschrijvingsregister vermeld staan als uitgesteld. Dit gebeurt in overleg met de ouders en met respect voor de in het inschrijvingsregister opgenomen chronologie. De leerlingen die zo niet kunnen worden ingeschreven, worden geweigerd en de ouders ontvangen een mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving.

Leerlingen die ingeschreven worden tijdens de vrije inschrijvingsperiode, worden chronologisch genoteerd. Op dat moment geldt de dubbele contingentering niet meer. Indien één van deze leerlingen afziet van zijn inschrijving en vervangen moet worden, geldt het principe van dubbele contingentering niet meer. De leerling wordt vervangen door de eerst genoteerde leerling op de lijst van niet-gerealiseerde inschrijvingen.

6.3.4.4. Afspraken maken over relatieve aanwezigheid en dubbele contingentering

6.3.4.4.1. Binnen LOP-gebied

Het LOP maakt voor de start van de inschrijvingen afspraken over:

  • de berekening van de relatieve aanwezigheid in haar werkingsgebied of deelgebieden ervan. De relatieve aanwezigheid is de procentuele verhouding tussen het aantal indicatorleerlingen en het totaal aantal leerlingen van alle scholen gelegen binnen LOP-gebied of deelgebieden ervan en dit eventueel tot op de capaciteitsniveaus (zie 3.3);
  • de wijze waarop de contingenten bepaald zullen worden: welke elementen – buiten de relatieve aanwezigheid – worden in rekening genomen bij het bepalen van de contingenten en op welke wijze zijn de contingenten gericht op het verkrijgen van een evenredige verdeling van de leerlingen in de scholen;
  • de berekening van de relatieve aanwezigheid in vestigingsplaatsen en scholen. Dit is de procentuele verhouding tussen het aantal indicatorleerlingen en het totaal aantal leerlingen in de vestigingsplaatsen en scholen en dit eventueel tot op de capaciteitsniveaus van de school (zie 3.3) waarop de contingenten bepaald zullen worden en de verschillen die er eventueel tussen de deelgebieden gemaakt worden;
  • de wijze waarop andere actoren betrokken zullen worden bij enerzijds de werving, toeleiding en ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van scholen.

Er is geen enkele school binnen LOP-gebied, en/of die de inschrijvingen laat voorafgaan door aanmeldingen, die kan worden vrijgesteld van de verplichting om de sociale mix voorop te stellen, met uitzondering van de scholen voor buitengewoon onderwijs.

6.3.4.4.2. Buiten LOP-gebied

Voor een school gelegen buiten LOP-gebied, is de relatieve aanwezigheid in de school of vestigingsplaats de procentuele verhouding tussen het aantal indicatorleerlingen en het totaal aantal leerlingen in een school of vestigingsplaats.

De relatieve aanwezigheid in de gemeente is de procentuele verhouding tussen het aantal indicatorleerlingen en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen de gemeente. 

Tussen scholen gelegen binnen een gemeente mogen er ook afspraken gemaakt worden over het streven naar sociale mix en de capaciteitsniveaus waarop de contingenten bepaald zullen worden. Deze scholen zijn daar echter niet toe verplicht.

6.3.4.5. Beschikbaarheid gegevens van AgODi

Als een schoolbestuur er om vraagt, geeft AgODi informatie over welke van haar leerlingen indicatorleerling zijn en welke niet-indicatorleerling (zie 6.3.4.2). Een schoolbestuur hoeft dus zelf niet na te gaan of het statuut van een zittende leerling leerling sinds zijn/haar inschrijving is gewijzigd. Als een school toch op de hoogte is dat het statuut van een reeds ingeschreven leerling is gewijzigd, dan mag ze deze informatie niet negeren en moet het schoolbestuur die leerling ook van contingent (zie 6.3.4.3) veranderen.

Daarnaast stelt AgODi aan het LOP gegevens ter beschikking over het aantal indicator- en niet-indicatorleerlingen van de scholen gelegen in LOP-gebied. Deze gegevens zijn steeds afkomstig van de meest recente jaarlijkse centraal georganiseerde telling. Raadpleeg deze gegevens op: http://www.ond.vlaanderen.be/wegwijs/agodi/cijfermateriaal/relatieve_aanwezigheid_indicatorleerlingen/default.htm 

7. De vrije inschrijvingsperiode

Na het afsluiten van de voorrangsperiodes start de vrije inschrijvingsperiode. Tijdens deze periode schrijven leerlingen zich in chronologische volgorde in en moet de school geen rekening meer houden met de dubbele contingentering.

Voor een school gelegen buiten LOP-gebied mag de vrije inschrijvingsperiode ook vóór de eerste schooldag van maart starten op voorwaarde dat de school geen enkele leerling weigert op basis van capaciteit.

Voor een school gelegen binnen LOP-gebied mag de vrije inschrijvingsperiode – gezien de verplichting tot dubbele contingentering - enkel starten na de inschrijving van indicator- en niet-indicatorleerlingen.

8. Het inschrijvingsregister

Een schoolbestuur gebruikt voor elke capaciteit (zie 3.3) een registerblad waarin alle gerealiseerde, uitgestelde en niet-gerealiseerde inschrijvingen chronologisch, in voorkomend geval per contingent, worden genoteerd.

Voor meer informatie, raadpleeg de omzendbrief BaO/2012/03 Inschrijvingsregister basisonderwijs.

9. Weigeren

Elke leerling heeft een recht op inschrijving in een school of vestigingsplaats van keuze (zie 2.1). Dit recht kent enkele grenzen. Een schoolbestuur mag (en soms: moet) de inschrijving van een leerling weigeren. Dit is het geval indien:

  • de leerling niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden op de dag van de effectieve instap (zie 9.1.1);
  • de inschrijving van de leerling tot doel heeft in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen te gaan (zie 9.1.2);
  • de capaciteit wordt overschreden (zie 9.1.3);
  • de leerling het lopende schooljaar, het vorige schooljaar of het daaraan voorafgaande schooljaar definitief werd uitgesloten (zie 9.1.4);
  • de capaciteit voor anderstalige nieuwkomers is bereikt (zie 9.1.5);
  • de leerling specifieke onderwijsbehoeften heeft (zie 9.1.6).

Elk van deze weigeringsgronden is gekoppeld aan voorwaarden waaraan moet worden voldaan vooraleer de respectieve weigeringsgrond kan worden ingeroepen.

9.1. Weigeringsgronden

9.1.1. Toelatingsvoorwaarden

Een leerling die niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het onderwijsniveau waarin hij zich wil inschrijven, moet geweigerd worden. Dit wil echter niet zeggen dat de toelatingsvoorwaarden al moeten vervuld zijn op het moment van de inschrijving. Aan de toelatingsvoorwaarden moet pas voldaan zijn op de dag van de effectieve instap.

9.1.2. Alterneren

De inschrijving van een leerling wordt geweigerd wanneer deze leerling binnen eenzelfde schooljaar door de ouders afwisselend in verschillende scholen in- en uitgeschreven wordt. Dergelijke vormen van alternerend schoollopen zijn niet in het belang van het kind en schenden zijn rechten. Een kind kan niet volledig participeren aan het schoolgebeuren waar het maar voor de helft aanwezig is. Dergelijke praktijken dragen niet bij tot het bevorderen van een succesvolle schoolloopbaan van het kind.

De inschrijving zal geweigerd worden door de school die dit vaststelt. Dit kan op verschillende manieren gebeuren, bijvoorbeeld op basis van het feit dat hetzelfde kind meerdere keren werd ingeschreven in dezelfde school in hetzelfde schooljaar. De appreciatiebevoegdheid ligt bij de directie van de school. Het kind blijft dan ingeschreven in de voorgaande school.

9.1.3. Capaciteit

Vóór de start van de inschrijvingsperiode moet een schoolbestuur voor elk van zijn scholen de capaciteit(en) bepalen (zie 3.3).

Een schoolbestuur moet elke bijkomende inschrijving weigeren wanneer deze tot gevolg heeft dat de vooropgestelde capaciteit wordt overschreden.

Het schoolbestuur moet ook een leerling weigeren wanneer de inschrijving met het oog op het volgend schooljaar zou betekenen dat de school de capaciteit zou overschrijden. Dit betekent dat het schoolbestuur rekening moet houden met de capaciteit van het volgend schooljaar ook al zijn er nog vrije plaatsen in het lopend schooljaar. Wanneer deze situatie zich voordoet tijdens een aanmeldingsprocedure, geldt een specifieke regeling (zie 12.4.3.)

Voorbeeld: Een school heeft voor elk leerjaar een capaciteit van 25 bepaald. In het vierde leerjaar zijn momenteel 23 leerlingen. Er zijn echter al twee leerlingen ingeschreven voor het vijfde leerjaar voor volgend schooljaar, dus is de capaciteit voor het vijfde leerjaar voor volgend schooljaar al bereikt. Leerlingen die zich nog willen inschrijven voor het vierde leerjaar moeten dan ook geweigerd worden, op basis van capaciteit. Als nog twee leerlingen inschrijven in het vierde leerjaar zou dit immers betekenen dat er – wanneer alle leerlingen van het vierde leerjaar doorstromen - volgend schooljaar 27 leerlingen zijn in het vijfde leerjaar.

 

Wanneer een schoolbestuur capaciteit inroept om een leerling niet in te schrijven, moet dit principe consequent toegepast worden bij elke nieuwe vraag tot inschrijving. De school moet via het inschrijvingsregister waarin op de registerbladen alle gerealiseerde en niet-gerealiseerde inschrijvingen chronologisch worden genoteerd, kunnen aantonen dat na de niet-gerealiseerde inschrijving omwille van onvoldoende capaciteit geen nieuwe leerlingen werden ingeschreven.

Voor welbepaalde categorieën van leerlingen is inschrijven ondanks het bereiken van de capaciteit wel mogelijk (zie 10). Het schoolbestuur kan er ook steeds voor kiezen om de capaciteit te verhogen (zie 3.5).

9.1.4. Definitieve uitsluitingen

Een schoolbestuur mag de inschrijving weigeren in een school waar een leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar werd (…) uitgeschreven als gevolg van uitsluiting als tuchtmaatregel.

9.1.5. Anderstalige nieuwkomers in het gewoon basisonderwijs

Als de capaciteit voor anderstalige nieuwkomers is bereikt (zie 3.7), mag worden geweigerd op basis van capaciteit. Dit mag enkel op voorwaarde dat het schoolbestuur voor de geweigerde anderstalige nieuwkomer een plaats garandeert in een andere school, gelegen op een redelijke afstand en rekening houdend met de vrije schoolkeuze van de ouders. Het bepalen van capaciteit voor anderstalige nieuwkomers houdt immers een beperking in van zijn inschrijvingsrecht in een school waar de capaciteit van de school nog niet werd bereikt.

Een schoolbestuur met scholen gelegen binnen LOP-gebied maakt hierover afspraken in het LOP. Een schoolbestuur met scholen gelegen buiten LOP-gebied maakt hierover afspraken met de schoolbesturen van de scholen gelegen in dezelfde gemeente.

Als de capaciteit voor anderstalige nieuwkomers nog niet is bereikt maar de capaciteit op niveau van de school wél, dan mag de anderstalige nieuwkomer eveneens worden geweigerd.

Scholen mogen anderstalige nieuwkomers steeds in overcapaciteit inschrijven (zie 10).

9.1.6. Leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon basisonderwijs

Vanaf 1 januari 2015 zijn nieuwe regels van kracht voor de inschrijving in het gewoon basisonderwijs van leerlingen die beschikken over een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs. De draagkrachtafweging wordt vervangen door een nieuwe regeling waarbij het begrip ‘redelijkheid van aanpassingen’ centraal staat (zie 9.1.6.6). 

9.1.6.1. Situering: van draagkrachtafweging naar afweging van redelijkheid van aanpassingen

In 2009 ratificeerde het Vlaams Parlement het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap en het bijhorende facultatief protocol. Daardoor is de plicht ontstaan om de aangegane engagementen uit te voeren en concreet om te zetten in wetgeving en beleid.

Artikel 24 van het verdrag bevestigt het recht op onderwijs van personen met een handicap en stelt dat inclusief onderwijs gewaarborgd moet worden om dit recht zonder discriminatie en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken. Artikel 24 definieert ook een recht op redelijke aanpassingen naargelang de behoefte van de persoon in kwestie.

Het begrip (onvoldoende) ‘draagkracht’ als weigeringsgrond staat op gespannen voet met het VN-verdrag. Met het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften (‘M-decreet’) werd de draagkrachtafweging dan ook vervangen door een nieuwe regeling waarbij de afweging van de redelijkheid van aanpassingen centraal staat.

Opgelet! Het M-decreet wijzigt ook de manier waarop de documenten die toegang geven tot het buitengewoon onderwijs worden toegekend.

Er worden vanaf 1/1/2015, voor inschrijvingen vanaf schooljaar 2015-2016, geen inschrijvingsverslagen buitengewoon onderwijs meer opgemaakt, maar enkel nog ‘verslagen voor toegang tot buitengewoon onderwijs’ en ‘gemotiveerde verslagen’.

Het M-decreet bevat wel een overgangsmaatregel waardoor GON-leerlingen en leerlingen in het buitengewoon onderwijs, het inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs waarover ze nog beschikken, kunnen behouden als niets aan hun situatie binnen GON of in het buitengewoon onderwijs verandert.

Vanaf 1/1/2015 is voor de inschrijving van een leerling met specifieke onderwijsbehoeften een verslag of (voor GON-leerlingen) een gemotiveerd verslag vereist, in ieder geval in volgende situaties:
•Bij de overstap van basisonderwijs naar secundair onderwijs
•Bij verandering van type
•Bij de overstap van het gewoon naar het buitengewoon onderwijs
•Bij de overstap van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs

Het CLB maakt bij deze overgangen, afhankelijk van de individuele situatie, en gebaseerd op de nieuwe criteria, bepaald in het M-decreet, een verslag of (voor GON-leerlingen) een gemotiveerd verslag op. 

Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag, die van schoolveranderenbinnen het gewoon basisonderwijs of binnen het buitengewoon basisonderwijs, en die niet over een verslag of gemotiveerd verslag beschikken gelden specifieke overgangsmaatregelen. Meer informatie is terug te vinden in de kaders onder punt 9.1.6.3 (voor een leerling met een inschrijvingsverslag in het kader van GON) en 9.1.6.4 (voor een leerling met een inschrijvingsverslag opgemaakt met het oog op toegang tot het buitengewoon onderwijs, of inclusief onderwijs (ION)).

Het M-decreet voorziet ook de mogelijkheid dat leerlingen met een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs studievoortgang kunnen maken in een school voor gewoon onderwijs op basis van het individueel aangepast curriculum waartoe met de opmaak van het verslag werd beslist. Deze leerlingen volgen dan niet meer het gemeenschappelijk curriculum

De nieuwe regelgeving maakt een onderscheid tussen een inschrijvingsrecht dat onverkort geldt en een inschrijvingsrecht onder ontbindende voorwaarde. Of de leerling al dan niet beschikt over een ‘verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs’ of over een ‘gemotiveerd verslag’, is bepalend voor dit onderscheid.

Er zijn, wat het inschrijvingsrecht betreft, verschillende mogelijkheden:

  • de leerling heeft specifieke onderwijsbehoeften (bijvoorbeeld nood aan gepaste maatregelen en redelijke aanpassingen) maar heeft géén verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs (zie 9.1.6.2)

  • de leerling beschikt over een gemotiveerd verslag en/of is een GON-leerling (zie 9.1.6.2.)

  • de leerling beschikt over een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs (zie 9.1.6.4)

9.1.6.2. Het inschrijvingsrecht geldt onverkort voor leerlingen zonder verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs

Het recht op inschrijving in een school of vestigingsplaats van keuze in het gewoon basisonderwijs geldt onverkort voor leerlingen zonder verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs en die het gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen, al of niet met toepassing van redelijke aanpassingen.

Een nood aan remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen kan bijvoorbeeld geen reden zijn voor het weigeren van leerlingen die het gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven ook als regelmatige leerling in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad.

9.1.6.3. Het inschrijvingsrecht geldt onverkort voor leerlingen met een gemotiveerd verslag of GON-leerlingen

GON-leerlingen zullen niet meer beschikken over een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs maar wel over een ‘gemotiveerd verslag’. Het inschrijvingsrecht dat onverkort geldt is ook op hen van toepassing. Deze leerlingen kunnen m.a.w. niet geweigerd worden op basis van onredelijkheid van aanpassingen. Ouders zijn niet verplicht het bestaan van een gemotiveerd verslag te melden bij inschrijving. Het gemotiveerd verslag behoort wel tot de leerlingengegevens die een school bij schoolverandering (hetzij tijdens het schooljaar, hetzij in geval van inschrijving met het oog op volgend schooljaar) doorgeeft aan de nieuwe school (zie omzendbrief Ba0/2014/05), en het CLB van de oude school aan het CLB van de nieuwe school.

Opgelet! Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag in het kader van GON, die van school veranderen binnen het gewoon basisonderwijs, en die niet over een gemotiveerd verslag beschikken geldt een onverkort recht op inschrijving. De leerling kan m.a.w. niet geweigerd worden op basis van onredelijkheid van aanpassingen.


9.1.6.4. Inschrijving onder ontbindende voorwaarde voor leerlingen met een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs

Het recht op inschrijving in een school of vestigingsplaats van keuze in het gewoon basisonderwijs geldt evenzeer voor leerlingen met een verslag dat toegang geeft tot buitengewoon basisonderwijs. Wanneer de ouders zich in een school voor gewoon basisonderwijs aanbieden om hun kind in te schrijven en ze tekenen voor akkoord met het pedagogisch project en het schoolreglement dan moet het schoolbestuur de leerling inschrijven. Maar het is een inschrijving onder ontbindende voorwaarde, ze geldt niet onverkort. De inschrijving onder ontbindende voorwaarde geeft het schoolbestuur immers de tijd om een grondige afweging te maken van de redelijkheid van de aanpassingen die nodig zijn. De ouders zijn daarom verplicht het verslag over te maken aan de school bij inschrijving. De school verbindt er zich dan toe om een overleg te organiseren met CLB, ouders en de klassenraad over de aanpassingen die nodig zijn voor de leerling.

Indien het verslag niet gemeld werd door de ouders op het moment van de inschrijving, kan vanaf 1 september 2016 de ontbindende voorwaarde alsnog worden ingeroepen op het moment dat de school vaststelt dat er een verslag was op het moment van de inschrijving. Hetzelfde geldt voor een verslag dat wordt opgemaakt tussen het moment van de inschrijving en de effectieve instap in de school, en niet gemeld werd voor de instap. De school zet dan de inschrijving om in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde op het moment dat ze kennis neemt van het bestaan van een verslag.

Bij schoolverandering (hetzij tijdens het schooljaar, hetzij via inschrijving met het oog op volgend schooljaar) is de oude school verplicht een kopie van het verslag door te geven aan de nieuwe school (zie omzendbrief BaO/2014/05). Ook het CLB van de vorige school is verplicht een kopie vanhet verslag door te geven aan het CLB van de nieuwe school.

Ouders hebben er dus alle belang bij om bij de inschrijving het verslag over te maken, en meteen in overleg te gaan met de school en het CLB over redelijke aanpassingen.

De school organiseert overleg met de ouders, de klassenraad en het CLB over de aanpassingen die nodig zijn voor de leerling.

1. In eerste instantie wordt de redelijkheid afgewogen van de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in het gemeenschappelijk curriculum. Er kan bij de afweging van de aanpassingen voor het gemeenschappelijk curriculum gebruik gemaakt worden van de analyse die eerder al gebeurde bij de opmaak van het verslag dat voor de leerling werd afgeleverd en dat toegang geeft tot buitengewoon onderwijs. Op dat moment werd immers onderzocht of de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te blijven nemen in het gemeenschappelijk curriculum onredelijk of onvoldoende waren. De school gaat samen met de ouders, de klassenraad en het CLB na of de aanpassingen die nodig zijn, ook in de context van de eigen school onredelijk zijn:

In het geval dat de school oordeelt dat de aanpassingen redelijk zijn om met de leerling toch binnen het gemeenschappelijk curriculum te kunnen werken, zijn de voorwaarden voor het verslag niet meer vervuld. Het verslag bepaalt immers dat er gewerkt moet worden op basis van een individueel aangepast curriculum. Het werken op basis van een gemeenschappelijk curriculum is daarmee onverenigbaar. In deze gevallen kan het CLB zelf het initiatief nemen of door de ouders of de school gevraagd worden om het verslag op te heffen.

Indien de school oordeelt dat de aanpassingen om de leerling te blijven meenemen in het gemeenschappelijk curriculum ook in de eigen school onredelijk zijn, dan moet de school een afweging maken van redelijkheid van aanpassingen in het kader van een  individueel aangepast curriculum (zie 2).

2. In tweede instantie (en enkel indien de aanpassingen om het gemeenschappelijk curriculum te volgen onredelijk zijn) wordt bekeken of de school de leerling mits redelijke aanpassingen studievoortgang kan laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum.

Wanneer de school de aanpassingen redelijk (proportioneel) acht, wordt de inschrijving onder ontbindende voorwaarde omgezet in een gerealiseerde inschrijving. De leerling is dan definitief ingeschreven.

Indien de school na het overleg de aanpassingen onredelijk (disproportioneel) acht, motiveert het schoolbestuur waarom de aanpassingen die nodig zijn, als onredelijk worden beoordeeld en de ouders ontvangen een mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving (zie 9.3). Ook het LOP wordt over de beslissing geïnformeerd. Belangrijk is dat het schoolbestuur de spil vormt in het gehele proces en verantwoordelijk is voor de motivering van de eventuele beslissing tot een niet-gerealiseerde inschrijving. Ze verzamelt hiertoe alle elementen, in overleg met de ouders, klassenraad en CLB.

De inschrijving wordt ontbonden op het moment dat deze leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk 1 maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit.

Ouders kunnen een beroep doen op het CLB en bemiddeling door het lokaal overlegplatform (LOP) vragen. Er is geen automatische bemiddeling door het LOP.

Opgelet! Ook voor leerlingen met een inschrijvingsverslag (met het oog op toegang tot het buitengewoon onderwijs, of inclusief onderwijs (ION)) die van school veranderen binnen het gewoon basisonderwijs of van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs, en die niet over een verslag of gemotiveerd verslag beschikken, geldt een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.


De school maakt in overleg met de ouders en het CLB een grondige afweging van de redelijkheid van de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen:
- ofwel een gemeenschappelijk curriculum, waarna het inschrijvingsverslag wordt opgeheven en desgevallend een gemotiveerd verslag door het CLB wordt opgemaakt;
- ofwel een individueel aangepast curriculum, waarna het CLB een verslag opmaakt volgens de nieuwe criteria. Ook voor een ION-leerling geldt dat om aanspraak te kunnen blijven maken op ION-ondersteuning in de nieuwe school een verslag moet worden opgemaakt door het CLB.

Ouders of andere belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van het schoolbestuur ook rechtstreeks een klacht indienen bij de Commissie inzake Leerlingenrechten. De motivering zal door de CLR worden onderzocht. De leerling blijft in die periode ingeschreven.

9.1.6.5. Wijzigende nood aan aanpassingen tijdens de schoolloopbaan in het gewoon onderwijs

Ook tijdens de schoolloopbaan kan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigen en kunnen de onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag nodig is voor toegang tot buitengewoon onderwijs.

Opgelet: Het gaat hier over een verslag dat aan de nieuwe voorwaarden voldoet en dus niet over de oude inschrijvingsverslagen buitengewoon onderwijs, waarover bijvoorbeeld GON-leerlingen in het gewoon onderwijs beschikken.

Nadat zo’n verslag ook effectief werd afgeleverd door het CLB, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling, op vraag van de ouders, studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum.

De school beslist vervolgens op basis van dit overleg om de leerling ingeschreven te laten en studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling te ontbinden. Een ontbinding van een inschrijving tijdens de schoolloopbaan op deze basis kan nooit uitwerking hebben in de loop van een schooljaar maar slechts met het oog op een daaropvolgende schooljaar. Het schoolbestuur motiveert haar beslissing en de ouders ontvangen ook in deze situatie een mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving (zie 9.3).

V anaf 1 september 2016 geldt dat v oor een leerling met een verslag die reeds een individueel aangepast curriculum volgt in het gewoon onderwijs en waarvan de nood aan aanpassingen tijdens de schoolloopbaan wijzigt, de school – in overleg met het CLB, de klassenraad en de ouders - opnieuw de redelijkheid van aanpassingen kan afwegen. De school kan dit pas doen nadat de gewijzigde noden door het CLB in het verslag worden opgenomen en aldus sprake is van een gewijzigd verslag . Het kan hierbij zowel gaan om een wijziging van type als om gewijzigde ondersteuningsnoden zonder wijziging van type. Indien uit het overleg blijkt dat de aanpassingen die nodig zijn om een leerling verder studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum redelijk zijn, kan de leerling de schoolloopbaan verderzetten. Indien echter blijkt dat de aanpassingen onredelijk zijn, kan de inschrijving ontbonden worden met het oog op een daaropvolgend schooljaar.

Ouders of andere belanghebbenden kunnen tegen de beslissing tot ontbinding van de inschrijving tijdens de schoolloopbaan door het schoolbestuur rechtstreeks een klacht indienen bij de Commissie inzake Leerlingenrechten. De motivering van de ontbinding van de inschrijving tijdens de schoolloopbaan op basis van de onredelijkheid van de aanpassingen om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum, zal door de Commissie inzake Leerlingenrechten worden onderzocht.

Met het verslag kunnen ouders echter ook de keuze maken om hun kind in te schrijven in een school voor buitengewoon basisonderwijs, of in een andere school in het gewoon basisonderwijs. Zij kunnen daar onmiddellijk toe beslissen of met het oog op het daaropvolgend schooljaar.

Een stroomschema met een visuele voorstelling van de nieuwe regels over het recht op inschrijving van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften kan je vinden als bijlage 5.

9.1.6.6. Beoordeling van de redelijkheid van aanpassingen

Regelgevend kader

Niet alleen het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap maar ook het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid heeft het recht op redelijke aanpassingen verankerd. Het decreet stelt dat binnen de Vlaamse bevoegdheden elke vorm van discriminatie verboden is, zowel in de overheidssector als in de particuliere sector (onder andere het onderwijs).

Het weigeren van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap wordt als een vorm van discriminatie beschouwd (artikel 15, 6°). Er is sprake van het weigeren van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap, als aanpassingen die geen onevenredige belasting betekenen of waarvan de belasting in voldoende mate door bestaande maatregelen wordt gecompenseerd, worden geweigerd.

Wat beschouwen we als redelijke aanpassing?

Als aanpassing wordt beschouwd: elke concrete maatregel van materiële of immateriële aard die de beperkende invloed van een onaangepaste omgeving op de participatie van een persoon met een handicap neutraliseert. Scholen moeten binnen de grenzen van de redelijkheid in aanpassingen voorzien, zodat ook personen met een handicap van gelijke kansen kunnen genieten.

De beoordeling of een concrete maatregel als een ‘redelijke aanpassing’ kan worden beschouwd, wordt aan volgende overwegingen getoetst:

  • is de maatregel in kwestie doeltreffend, zodat de persoon met een handicap daadwerkelijk kan participeren? Dit betekent niet dat een maatregel enkel redelijk is als die er toe leidt dat de participatie volledig gerealiseerd kan worden. Dat een maatregel er niet in slaagt de belemmering volledig weg te werken of de evenwaardige of autonome participatie ten volle te realiseren, kan dan ook geen reden zijn om de maatregel die slechts een gedeeltelijke oplossing biedt, te weigeren. In die situatie wordt verwacht dat de redelijke aanpassing wordt doorgevoerd, als daardoor de participatie verbetert;
  • wordt de beperkende invloed van de onaangepaste omgeving op de participatie van de persoon door de maatregel geneutraliseerd?
  • maakt de maatregel een evenwaardige participatie van de persoon met een handicap mogelijk?
  • zorgt de maatregel ervoor dat de persoon met een handicap zelfstandig kan participeren?
  • waarborgt de maatregel de veiligheid van de persoon met een handicap?

Er wordt uitdrukkelijk geen lijst van aanpassingen opgenomen die redelijk of onredelijk zijn. De redelijkheid van aanpassingen moet steeds in de praktijk en per individuele situatie afgewogen worden. Redelijke aanpassingen kunnen verschillen naargelang het onderwijsniveau, naargelang binnen de context van een gemeenschappelijk curriculum dan wel een individueel aangepast curriculum gewerkt wordt… De verplichting om redelijke aanpassingen te realiseren vraagt per definitie een individuele benadering: zowel in het proces dat leidt tot de aanpassing als in de aanpassing zelf.

Wat het proces betreft betekent dit dat de partijen die deelnemen aan het overleg te goeder trouw tot een geschikte aanpassing trachten te komen. Ze doen dit in gezamenlijk overleg dat zich kenmerkt door openheid, interactiviteit en betrokkenheid. Het wordt niet over de hoofden heen beslist.

De aanpassing zelf vertrekt vanuit de individuele beleving van barrières, dus de persoonlijke situatie van de leerling. Een redelijke aanpassing wordt uitgewerkt op maat van elke leerling en hangt af van de onderwijsbehoefte van de leerling en de specifieke context. Essentieel is dat het proces gebeurt met actieve betrokkenheid van alle participanten: leerling, ouders, schoolteam en CLB.

Er zijn een aantal brochures uitgewerkt die inspiratie kunnen bieden rond redelijke aanpassingen. Het betreft de brochure ‘Met een handicap naar de school van je keuze’ van het Interfederaal Gelijkekansencentrum en de ‘Klaar voor redelijke aanpassingen’ van de Arteveldehogeschool.

9.1.6.7. Afweging van onredelijkheid of disproportionaliteit

Het decreet bepaalt geen termijn waarbinnen de afweging van redelijkheid van aanpassingen moet gebeuren. Het verdient aanbeveling om een passende termijn te respecteren en de termijn niet te laten aanslepen. In geval van een beslissing tot onredelijkheid moeten ouders nog de tijd hebben om andere oplossingen te zoeken.

Voor de afweging van (dis)proportionaliteit moet gebruikgemaakt worden van de criteria die opgenomen zijn in het Protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België.

Of een aanpassing de grenzen van de redelijkheid overschrijdt, moet steeds in de praktijk én in individuele situaties afgewogen worden. Als criteria gelden:

  • de financiële impact van de aanpassing, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele ondersteunende financiële tegemoetkomingen en de financiële draagkracht van degene op wie de aanpassingsplicht rust. Hierbij dient opgemerkt te worden dat een aanpassing niet per definitie onredelijk wordt, wanneer ze meer kost dan een bepaalde tegemoetkoming, wel dat de financiële impact moet bekeken worden, rekening houdende met de eventuele tegemoetkoming die men kan krijgen;
  • de organisatorische impact van de aanpassing;
  • de te verwachten frequentie en duur van het gebruik van de aanpassing door een of meer personen met een handicap. Dit betekent dat naarmate een persoon frequenter en langduriger van een aanpassing gebruikmaakt, ze sneller als redelijk dient beschouwd te worden;
  • de mate waarin een persoon met een handicap door de aanpassing daadwerkelijk kan participeren;
  • de impact van de aanpassing op de veiligheid en gebruiksmogelijkheden voor andere gebruikers;
  • het ontbreken van een alternatief: een aanpassing zal sneller als redelijk beschouwd worden, als evenwaardige alternatieven ontbreken.

Een aanpassing die een onevenredig zware belasting meebrengt, moet niet worden aangeboden. Dit betekent echter niet dat in een dergelijke situatie in het geheel geen aanpassingen moeten worden geboden. Men zal op zoek moeten gaan naar een aanpassing die zo efficiënt mogelijk helpt bij het verwijderen van de hindernissen, maar die niet leidt tot een onevenredige belasting. Pas wanneer dat niet leidt tot het vinden van redelijke aanpassingen, kan tot disproportionaliteit besloten worden.

Het gebruik van een assistentiehond valt buiten de overwegingen die een school kan maken rond de redelijkheid van een aanpassing.

Het ‘decreet van 20 maart 2009 houdende de toegankelijkheid van publieke plaatsen voor personen met een assistentiehond’ bepaalt immers dat het een recht is om publieke plaatsen te betreden, samen met de assistentiehond. De toegang mag enkel geweigerd worden indien wetgevende of reglementaire bepalingen dit toelaten. Met “andersluidende wetgevende of reglementaire bepaling” worden wetgevende en regelgevende teksten (vanuit een overheid) bedoeld en geen teksten als een school- of internaatsreglement.

Een school kan dus in algemene regel de aanwezigheid van een assistentiehond niet verbieden.

9.2. Lijst van niet-gerealiseerde inschrijvingen 

Alle niet-gerealiseerde inschrijvingen worden chronologisch genoteerd op de registerbladen van het inschrijvingsregister. 

In geval van een voorrangsperiode voor indicator- en niet-indicatorleerlingen worden de leerlingen chronologisch genoteerd in het betreffende contingent.

Bij het opvullen van een vrijgekomen plaats wordt de volgorde van de lijst van de niet-gerealiseerde inschrijvingen (de ‘weigeringslijst’) gerespecteerd tot de vijfde schooldag van oktober.

Enkel voor de inschrijvingen voor de kleuters van het jongste geboortejaar geldt de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen tot en met 30 juni van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking heeft. Vanaf 1 juli van dat schooljaar geldt de weigeringslijst voor hetzelfde geboortejaar, maar dan voor het volgende schooljaar.

Voorbeeld: Bij de inschrijvingen voor schooljaar 2016-2017  zijn 15 kinderen van het jongste geboortejaar (°2014) geweigerd. Doorheen het schooljaar 2016-2017 wordt van verschillende geweigerde kinderen alsnog de inschrijving gerealiseerd. Op 30 juni 2017 zijn nog 7 van de 15 kinderen van °2014 geweigerd. Op 30 juni 2017 vervalt de verplichting om de chronologie van de niet-gerealiseerde inschrijvingen van °2014 voor schooljaar 2016-2017 te respecteren’. Indien er daarna alsnog een plaats voor °2014 vrijkomt, hanteert de school de volgorde van de geweigerde kinderen van °2014 voor schooljaar 2017-2018. De eerst geweigerde (indicator- of niet-indicator)leerling van °4wordt dan als eerste gecontacteerd.

9.3. Mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving

Een schoolbestuur dat een leerling weigert, of een inschrijving van een leerling met specifieke onderwijsbehoeften ontbindt omwille van onredelijkheid van de nodige aanpassingen, moet dit binnen een termijn van 4 kalenderdagen motiveren. De motivering gebeurt volgens een opgelegd model ‘Mededeling van een niet-gerealiseerde inschrijving’. Het model voor niet-gerealiseerde inschrijvingen binnen LOP-gebied is als bijlage 3 bij deze omzendbrief gevoegd; het model voor weigeren buiten LOP-gebied als bijlage 4.

De termijn van 4 kalenderdagen gaat in op het ogenblik dat het schoolbestuur de beslissing tot een niet-gerealiseerde inschrijving of ontbinding van de inschrijving omwille van onredelijkheid van aanpassingen heeft genomen. Het ogenblik waarop deze beslissing genomen wordt, kan verschillend zijn naargelang de weigeringsgrond die wordt gebruikt.

Voorbeeld: Bij een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van capaciteit gaat de termijn van 4 kalenderdagen in op het ogenblik dat het schoolbestuur de beslissing heeft genomen, namelijk op het moment van inschrijving. Bij een niet-gerealiseerde inschrijving omwille van onredelijkheid van aanpassingen gaat de termijn van 4 kalenderdagen in op het ogenblik dat het schoolbestuur het afwegingsproces heeft beëindigd en effectief beslist heeft tot weigeren.

De motivering van een niet-gerealiseerde inschrijving bevat naast de juridische grond (d.w.z. de verwijzing naar de regelgeving) en de feitelijke grond (de situatie in de school) eveneens de datum en het uur van de inschrijving zoals in het inschrijvingsregister genoteerd werd (zie 8). In geval van een niet-gerealiseerde weigering inschrijving op basis van capaciteit, vermeldt de motivering ook de plaats van de leerling onder de geweigerde leerlingen (desgevallend per contingent) op het registerblad in het inschrijvingsregister.

Als de ouders erom vragen, geeft het schoolbestuur een mondelinge toelichting bij de beslissing en bij de motivatie.

9.3.1. Binnen LOP-gebied

Een schoolbestuur dat een leerling weigert, moet dit binnen een termijn van 4 kalenderdagen motiveren en bij aangetekend schrijven of tegen afgiftebewijs meedelen aan de ouders van de leerling én volgens afspraak aan de voorzitter van het LOP.

De mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving geeft ook aan dat:

  • ouders voor informatie of bemiddeling een beroep kunnen doen op het LOP. De contactgegevens van de LOP-deskundige worden vermeld op het document (zie 11.1);
  • alle belanghebbenden (ouders, CLB, …) een klacht kunnen indienen bij de CLR.

Een lijst van de LOP-deskundigen is ook te vinden op: www.ond.vlaanderen.be/GOK/lop.

9.3.2. Buiten LOP-gebied

Een schoolbestuur dat een leerling weigert, moet dit met een mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving binnen een termijn van 4 kalenderdagen motiveren en bij aangetekend schrijven of tegen afgiftebewijs meedelen aan de ouders van de leerling.

De mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving wordt ook gezonden naar AgODi.

  • Per post:

AgODi,

Scholen Basisonderwijs, Deeltijds Kunstonderwijs en CLB

Scholen en leerlingen

Koning Albert II-laan 15, lokaal 4 M 03, 1210 Brussel;

  • of per email:

scholen.basisonderwijs.agodi@vlaanderen.be;

of per fax: 02 553 93 85.

De mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving geeft ook aan:

  • waar de ouders terecht kunnen voor informatie of bemiddeling en
  • dat alle belanghebbenden (ouders, CLB, …) een klacht kunnen indienen bij de CLR.

10. Overcapaciteitsgroepen 

Voor een aantal categorieën van leerlingen mag een schoolbestuur toch nog overgaan tot een inschrijving ook al zijn er voordien reeds leerlingen geweigerd omwille van de overschreden capaciteit (zie 9.1.3). Het gaat om groepen waarvan de vraag tot inschrijving vaak nog niet gekend of mogelijk was op het moment van (de start van) de inschrijvingsprocedure.

Een school is niet verplicht leerlingen uit deze overcapaciteitsgroepen in te schrijven. Ieder schoolbestuur bepaalt bij elke vraag tot inschrijving in overcapaciteit, of ze de leerling al dan niet inschrijft. Het inschrijven of het weigeren van een leerling in overcapaciteit houdt geen engagement in tot het inschrijven of weigeren van volgende leerlingen uit dezelfde of een andere overcapaciteitsgroep.

Een leerling uit een overcapaciteitsgroep mag op elk moment ingeschreven worden, zonder dat daarvoor de capaciteit verhoogd moet worden.

Leerlingen die in overcapaciteit mogen ingeschreven worden, zijn:

  • anderstalige nieuwkomers in het gewoon basisonderwijs;
  • kinderen die verblijven in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning;
  • kinderen van dezelfde leefentiteit, als de ouders deze kinderen wensen in te schrijven in hetzelfde capaciteitsniveau (bijv. tweelingen) en slechts één van de kinderen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit;
  • leerlingen van een school die sluit, op voorwaarde dat:
    • het gaat om de enige school van het schoolbestuur, en;
    • de school gelegen is in een gemeente waar alle scholen aanmelden (en waar dus sprake is van capaciteitsdruk), en;
    • de sluiting niet kadert in een herstructurering, en;
    • alle leerlingen van de betrokken school een plaats in andere scholen aangeboden wordt; 
  • leerlingen in het basisonderwijs die:
    • hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door een comité voor bijzondere jeugdzorg;
    • hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat;
    • hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
  • leerlingen die terugkeren naar hun school voor buitengewoon onderwijs waar ze in het lopende of het voorafgaande schooljaar ingeschreven waren, maar zich daarna in het kader van geïntegreerd onderwijs in een school voor gewoon basisonderwijs inschreven, of leerlingen die terugkeren naar hun school voor gewoon onderwijs nadat ze zich in het lopende of voorafgaande schooljaar hadden ingeschreven in het buitengewoon onderwijs.

Scholen kunnen deze leerlingen terug inschrijven, ook als intussen hun capaciteit bereikt is. De bedoeling van deze maatregel is om schoolbesturen die een engagement aangingen t.a.v. de ouders dat hun kind zou kunnen terugkeren naar hun school als de integratie in het gewoon of buitengewoon onderwijs niet zou lukken, in staat te stellen om dit engagement ook na te komen.

Het lopende en het voorafgaande schooljaar worden als volgt bepaald:

Voorbeeld 1. De inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016 starten in maart 2015. Een kind dat terugkeert vanuit het gewoon onderwijs naar zijn oude school voor buitengewoon  onderwijs, biedt zich aan op 6 juni 2015 voor een type dat reeds vol verklaard is voor het schooljaar 2015-2016:

Lopende schooljaar = 2014-2015

Voorafgaande schooljaar = 2013-2014

Voorbeeld 2. De inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016 starten in maart 2015. Een kind dat terugkeert vanuit het gewoon onderwijs naar zijn oude school voor buitengewoon onderwijs, biedt zich aan op 13 november 2015 voor een type die vol verklaard is voor het schooljaar 2015-2016:

Lopende schooljaar =2015-2016

Voorafgaande schooljaar = 2014-2015

11. De rechtsbescherming van de leerling

Voor de toepassing van de termijnen bepaald onder dit punt worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen, de schoolvakanties en facultatieve vakantiedagen niet meegerekend.

Ouders of belanghebbenden (CLB, andere scholen, intermediairs, …) kunnen beroep doen op bemiddeling en/of een klacht indienen bij de Commissie inzake Leerlingenrechten, wanneer ze niet akkoord gaan met:

  • een niet-gerealiseerde inschrijving van de leerling;
  • de ontbinding van een inschrijving tijdens de schoolloopbaan omwille van disproportionaliteit van de aanpassingen in geval van wijzigende noden (zie 9.1.6.5).

11.1. Bemiddeling

Vanaf de inschrijvingen voor schooljaar 2015-2016 heeft het LOP geen automatische bemiddelingsopdracht meer (zie 9.1.6.4). Het LOP bemiddelt enkel nog op vraag van de ouders.

11.1.1. Binnen LOP-gebied

Het LOP bemiddelt enkel op vraag van ouders, en binnen een termijn van 10 kalenderdagen tussen de leerling en zijn ouders en de scholen binnen het werkingsgebied, met het oog op de inschrijving van de leerling in een school.

Zolang de bemiddeling loopt wordt de termijn van 30 kalenderdagen bij de CLR (zie 11.2) opgeschort.

Indien de bemiddeling niet leidt tot een definitieve inschrijving in een school, dan maakt het LOP het dossier automatisch over aan de CLR.

11.1.2. Buiten LOP-gebied

Voor scholen gelegen buiten LOP-gebied, neemt een provinciale bemiddelingscel, die bestaat uit een LOP-deskundige en een onderwijsinspecteur, de bemiddelingstaken op zich.

Contactgegevens bemiddelingscel AgODi: Sara De Meerleer: 02/553 92 12

De provinciale bemiddelingscel bemiddelt binnen een termijn van 10 kalenderdagen tussen de leerling en zijn ouders en de scholen buiten het werkingsgebied, met het oog op een definitieve inschrijving van de leerling in een school. Zolang de bemiddeling loopt, wordt de termijn van 30 kalenderdagen bij de CLR (zie 11.2) opgeschort.

Indien de bemiddeling niet leidt tot een definitieve inschrijving in een school, dan maakt de bemiddelingscel het dossier automatisch over aan de CLR.

11.2. Klacht bij de Commissie inzake Leerlingenrechten (CLR)

Wanneer ouders of belanghebbenden (CLB, andere scholen, intermediairs …) niet akkoord gaan met de niet-gerealiseerde inschrijving van het kind en ze geen gebruik willen maken van de bemiddeling of de bemiddeling niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, dan kunnen zij klacht indienen bij de CLR.

Ouders of belanghebbenden kunnen ook een klacht indienen wanneer ze niet akkoord zijn met de ontbinding van de inschrijving tijdens de schoolloopbaan omwille van onredelijkheid van aanpassingen in geval van wijzigende noden.

Een klacht indienen moet schriftelijk gebeuren binnen 30 kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten. Dit hoeft niet noodzakelijk samen te vallen met het moment waarop de feiten zich hebben voorgedaan. Klachten die na de termijn van 30 kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.

Zolang de procedure bij de CLR loopt, blijft de leerling ingeschreven.

Contactgegevens van de CLR:

http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenrechtencommissie/contact.htm

11.2.1. Procedure

Binnen een termijn van 21 kalenderdagen, die ingaat de dag na de betekening of de poststempel van die schriftelijke klacht, zal de CLR oordelen of de niet-gerealiseerde inschrijving al dan niet gegrond is.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen 7 werkdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen (ouders) en de voorzitter van het LOP. Als de school niet gelegen is in LOP-gebied, dan wordt het oordeel verstuurd naar de betrokkenen en AgODi.

Met betrekking tot de niet-gerealiseerde inschrijvingen gaat de CLR na of de motivatie die gegeven wordt al dan niet correct is.

Oordeelt de CLR dat de niet-gerealiseerde inschrijving of de ontbinding van de inschrijving tijdens de schoolloopbaan wegens wijzigende noden ongegrond is, dan behoudt de leerling het recht op inschrijving in de school. Ouders die toch opteren voor een andere school kunnen vragen bijgestaan te worden in het vinden van een andere school door respectievelijk het LOP of de provinciale bemiddelingscel.

Oordeelt de CLR dat de niet-gerealiseerde inschrijving of de ontbinding van de inschrijving tijdens de schoolloopbaan wegens wijzigende noden gegrond is, dan schrijven de ouders de leerling in een andere school in. Ouders die er om vragen worden daarin bijgestaan door het LOP, inzonderheid de CLB’s die deel uitmaken van dat LOP of de provinciale bemiddelingscel.

Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving omwille van onredelijkheid van aanpassingen gegrond acht, moet de leerling zich inschrijven in een andere school binnen de 15 dagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR.

11.2.2. Sanctie

De CLR kan – wanneer ze vaststelt dat een niet-gerealiseerde inschrijving niet rechtsgeldig is – de Vlaamse Regering adviseren het betrokken schoolbestuur te sanctioneren door een deel van de werkingsmiddelen van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had, in te houden of terug te vorderen.

De CLR kan een dossier over een niet-gerealiseerde inschrijving of ontbinding van inschrijving tijdens de schoolloopbaan omwille van onredelijkheid van aanpassingen, aanhangig maken bij het Interfederaal Gelijkekansencentrum.

12. De aanmeldingsprocedure

12.1. Wat is aanmelden?

Aanmelden is het kenbaar maken van een intentie tot inschrijven voor een bepaald schooljaar in één of meerdere scholen of vestigingsplaatsen waarbij ouders een volgorde in keuze aangeven. 

Aanmelden mag voor zowel het gewoon basisonderwijs als voor het buitengewoon basisonderwijs. Dit mag ook zowel binnen als buiten LOP-gebied.

12.2. Waarom aanmelden?

Een schoolbestuur kan voor zijn school/scholen een aanmeldingsprocedure instellen:

  • in functie van het optimaliseren van het inschrijvingsproces, en/of 
  • in functie van het streven naar een evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen. 

Een school die aanmeldt is – minstens voor de ‘instroomjaren’ verplicht te werken met dubbele contingentering - (zie 6.3.4.1.).

  • Het inschrijvingsproces optimaliseren

Zowel met als zonder (dreigend) capaciteitstekort, kan het voor een schoolbestuur zinvol zijn om een aanmeldingsprocedure te installeren.

In het geval van een (dreigend) capaciteitstekort zal het instellen van een aanmeldingsprocedure geen oplossing bieden voor het tekort zelf maar wel aan de leerlingen en ouders meer rechtszekerheid en transparantie bieden bij de inschrijvingen. Een schoolbestuur kan er ook kampeertoestanden en fysieke wachtrijen mee vermijden.

Ook zonder capaciteitstekort kan het installeren van een aanmeldingsprocedure in het belang zijn van een schoolbestuur én de leerlingen en hun ouders. Door het installeren van een aanmeldingsprocedure wordt immers de druk op de inschrijvingsperiode weggenomen waardoor het schoolbestuur tijdens deze periode meer tijd en ruimte krijgt om leerlingen en ouders te informeren over de werking van de school, het pedagogisch project en het schoolreglement.

  • Het streven naar een evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen

Ervaringen met de aanmeldingsprocedures tonen aan dat het werken met een aanmeldingsprocedure er toe leidt dat een schoolbestuur meer zicht krijgt op de samenstelling van de leerlingenpopulatie en gerichter kan werken naar een evenredige verdeling tussen indicator- en niet-indicatorleerlingen in zijn scholen en vestigingsplaatsen.

12.3. Het tot stand komen van een aanmeldingsprocedure

Een aanmeldingsprocedure komt tot stand op basis van vrijwilligheid en lokale consensus.

De overheid kan echter bij manifeste capaciteitsproblemen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of een LOP er toe verplichten een aanmeldingsprocedure in te stellen. Voor het gewoon basisonderwijs geldt al een verplichting voor de scholen in de steden Antwerpen, Brussel en Gent. De scholen voor het buitengewoon basisonderwijs in Antwerpen, Brussel en Gent mogen een aanmeldingsprocedure instellen, maar zijn hiertoe niet verplicht. 

De totstandkoming van een aanmeldingsprocedure verschilt al naargelang de ligging van de school:

  • voor scholen gelegen binnen LOP-gebied komt een aanmeldingsprocedure tot stand binnen het LOP op initiatief van een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP zelf. Het voorstel van aanmeldingsprocedure wordt steeds goedgekeurd door het LOP. Dit voorstel moet bij dubbele meerderheid worden goedgekeurd door het LOP. Deze dubbele meerderheid wordt bereikt wanneer de goedkeuring verleend wordt door zowel meer dan de helft van de aanwezige onderwijsparticipanten als door meer dan de helft van de aanwezige niet-onderwijsparticipanten. Om rechtsgeldig te kunnen vergaderen en beslissen, moet ook het aanwezigheidsquorum (zoals bepaald in het huishoudelijk reglement van het LOP) zijn bereikt.

  • voor scholen gelegen in gemeenten buiten LOP-gebied komt een aanmeldingsprocedure tot stand op initiatief van een schoolbestuur of meerdere schoolbesturen samen. Het installeren van een aanmeldingsprocedure wordt door het betrokken schoolbestuur of de betrokken schoolbesturen samen ter kennisgeving meegedeeld aan de schoolbesturen van de andere scholen gelegen binnen die gemeente.

  • scholen gelegen in gemeenten buiten LOP-gebied maar grenzend aan LOP-gebied kunnen er voor kiezen om aan te sluiten bij de aanmeldingsprocedure van dat LOP.

  • scholen die gelegen zijn in gemeenten die grenzen aan LOP-gebied Brussel kunnen aansluiten bij de aanmeldingsprocedure van dat LOP maar zullen gebruik moeten maken van de ordeningscriteria die gelden voor het Vlaams Gewest (zie 12.5.1)

12.3.1. Het voorstel van aanmeldingsprocedure

Een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of een LOP dat een aanmeldingsprocedure wil instellen (= initiatiefnemer), bereidt een voorstel van aanmeldingsprocedure voor dat minstens volgende elementen bevat:

  • de start en de duur van de aanmeldingsperiode, alle deelperiodes en periodes waarin mag worden ingeschreven, en de motivering ervan;
  • het middel of de middelen tot aanmelding. De initiatiefnemer kiest autonoom het aanmeldingsmiddel (vb. via PC, telefoon);
  • de wijze waarop de capaciteit(en), de vrije plaatsen (desgevallend per contingent), de aanmeldingsmiddelen, de aanmeldingsperiode of alle deelperiodes en de inschrijvingsperiodes door het betrokken schoolbestuur of de betrokken schoolbesturen worden bekendgemaakt;
  • de manier waarop een leerling in één aanmeldingsdossier voor verschillende scholen of vestigingsplaatsen tegelijk kan aanmelden - als de aanmeldingsprocedure geldt voor meerdere scholen en/of vestigingsplaatsen, en tegelijkertijd vermeden wordt dat voor eenzelfde leerling meerdere aanmeldingsdossiers aangelegd kunnen worden binnen het eigen aanmeldingssysteem;
  • een regeling waarbij de aanmeldingen van kinderen van dezelfde leefentiteit aan elkaar gekoppeld kunnen worden, of een motivering om deze regeling niet te voorzien; als een gekoppelde aanmelding van kinderen van dezelfde leefentiteit wordt voorzien, dan moet het voorstel ook informatie bevatten over de impact die deze gekoppelde aanmelding heeft op de ordening en de toewijzing van de betrokken leerlingen.
  • een regeling waarbij ouders of leerlingen bij verschillende scholen of vestigingsplaatsen een duidelijke voorkeurorde kunnen opgeven;
  • een regeling voor de communicatie naar de ouders of de leerlingen hetzij over de toewijzing, hetzij over niet-gunstige rangschikking;
  • een regeling voor het bijhouden van een aanmeldingsregister per school of vestigingsplaats en de overdracht van de informatie over de aangemelde leerlingen aan het schoolbestuur;
  • de verdere concretisering van de ordeningscriteria voor de toewijzing van aangemelde leerlingen:
  • de concretisering van de noties afstand domicilie-school/vestigingsplaats en afstand werkadres-school/vestigingsplaats;
  • het gebruik van de rangorde in de lijst van voorkeurscholen of -vestigingsplaatsen van de ouders bij de ordening en de toewijzing;
  • het gebruik van toeval;
  • de verhouding tussen en de volgorde van de verschillende gekozen ordeningscriteria;
  • de manier waarop de evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen van de scholen en vestigingsplaatsen bepaald wordt, met minstens:
    • een toelichting van de elementen die daarin (naast de relatieve aanwezigheid) een rol hebben gespeeld,
    • de geografische omschrijving waarbinnen dit zal worden bepaald;
  • de mate waarin scholen de vrijheid hebben om hun instroom met het oog op de evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen bij te sturen;
  • de motivatie voor de afwijking op school- of vestigingsplaatsniveau van de ordeningscriteria;
  • de keuze en concretisering van ordeningscriteria die gehanteerd worden voor de ordening van de niet-gunstig gerangschikte leerlingen;
  • beslissingen aangaande de volgende uitvoeringsmodaliteiten:
  • de wijze waarop ouders en schoolbesturen bij de aanmeldingsprocedure ondersteund zullen worden en wie daarbij betrokken zal zijn;
  • de wijze waarop zal omgegaan worden met de behandeling van disfuncties bij eerstelijnsklachten over het verloop van de aanmeldingsprocedure;
  • de wijze waarop enerzijds de werving, de toeleiding en de ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van de schoolbesturen zal gebeuren met het oog op de evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen;
  • de wijze waarop de aanmeldingsprocedure gemonitord en geëvalueerd zal worden;
  • de wijze waarop over de aanmeldingsprocedure - en alle daarin genomen beslissingen - gecommuniceerd wordt naar alle belanghebbenden (ouders, leerlingen, intermediairs, scholen gelegen in dezelfde gemeente, CLB, enz.)
  • de mandatering van de ordening van de aangemelde leerlingen en/of het versturen van het toewijzingsbericht, en/of het uitreiken van mededelingen van niet-gerealiseerde inschrijvingen aan een daartoe aangeduid schoolbestuur of het LOP.

Het voorstel van aanmeldingsprocedure wordt (…) ingediend volgens een model dat kan worden geraadpleegd op de website van de CLR:

http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenrechtencommissie/

12.3.2. Toetsing voorstel van aanmeldingsprocedure door de CLR

Voor de toepassing van de termijnen bepaald onder dit punt worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen, de schoolvakanties en facultatieve vakantiedagen niet meegerekend.

Voor contactgegevens CLR:
http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenrechtencommissie/contact.htm

Vooraleer een initiatiefnemer met een aanmeldingsprocedure kan starten, legt hij het voorstel van aanmeldingsprocedure ter toetsing voor aan de CLR, dit uiterlijk op 15 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden.

Schoolbesturen die de inschrijvingen voor schooljaar 2015-2016 voor type 9 willen laten voorafgaan door een aanmeldingsprocedure kunnen - voor dit overgangsjaar - een aanmeldingsdossier indienen tot uiterlijk 16 februari 2015.

Na ontvangst van het dossier stelt de CLR de initiatiefnemer via email met ontvangstbevestiging in kennis van de ontvangst van het dossier.

De CLR toetst het voorstel van aanmeldingsprocedure aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en de aanmeldingsprocedures en aan de uitgangspunten van het inschrijvingsrecht (zie 1.2). Zij neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit, uiterlijk twee maanden na de indiening van het aanmeldingsdossier. Indien het einde van deze periode van twee maanden tussen 15 juli en 15 augustus valt, beslist de CLR ten laatste in de week volgend op 16 augustus. 

De zitting van de CLR is openbaar en de besluitvorming volgt na het sluiten van de debatten en na onderzoek van het voorstel van aanmeldingsprocedure. De besluitvorming gebeurt achter gesloten deuren.

Bij een positief besluit van de CLR kan de initiatiefnemer de aanmeldingsprocedure instellen, voor de duur van de goedkeuring door de CLR. De aanmeldingsprocedure blijft gelden tot de regelgeving wijzigt of de initiatiefnemer de aanmeldingsprocedure wil wijzigen of stopzetten. Bij elke wijziging aan de aanmeldingsprocedure legt de initiatiefnemer een nieuw voorstel van aanmeldingsprocedure ter toetsing voor aan de CLR.

12.3.3. Wat na een negatief besluit?

Bij een negatief besluit van de CLR kan een initiatiefnemer tegen uiterlijk 30 november van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden een van de volgende stappen ondernemen:

1° een herwerkt voorstel van aanmeldingsprocedure indienen bij de CLR;

2° het ongewijzigd voorstel van aanmeldingsprocedure indienen bij de Vlaamse Regering.

12.3.3.1. Indienen herwerkt voorstel van aanmeldingsprocedure bij CLR

De initiatiefnemer herwerkt het voorstel van aanmeldingsprocedure aan de hand van de opmerkingen van de CLR en legt het opnieuw ter toetsing voor aan de CLR.

De CLR toetst het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en de aanmeldingsprocedures en aan de uitgangspunten van het inschrijvingsrecht

De CLR neemt over het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk 30 kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

Als de CLR een positief besluit neemt over het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure, dan kan de initiatiefnemer de aanmeldingsprocedure instellen. De aanmeldingsprocedure blijft gelden tot de regelgeving wijzigt of de initiatiefnemer de aanmeldingsprocedure wil wijzigen of stopzetten.

Als de CLR een negatief besluit neemt over het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure, dan kan de initiatiefnemer uiterlijk 30 kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit het initieel ingediende of het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure aan de Vlaamse Regering voorleggen (zie 12.3.3.2).

12.3.3.2. Indienen voorstel van aanmeldingsprocedure bij Vlaamse Regering

De initiatiefnemer legt het voorstel van aanmeldingsprocedure ter toetsing voor aan de Vlaamse Regering. Het voorstel van aanmeldingsprocedure is ontvankelijk als:

  • de stukken met betrekking tot het voorstel van aanmeldingsprocedure aan AgOD(afdeling Scholen Basisonderwijs, Deeltijds Kunstonderwijs en CLB. Scholen en leerlingen, Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel) is betekend met een aangetekende brief of tegen afgifte van ontvangstbewijs;
  • de stukken met betrekking tot het voorstel van aanmeldingsprocedure tijdig zijn ingediend;
  • de initiatiefnemer bij de stukken een uiteenzetting voegt over de argumenten tegen het negatieve besluit van de CLR.

De initiatiefnemer moet ook aangeven of hij een hoorzitting wil en of hij die hoorzitting openbaar wil. Daarbij geeft hij aan welke personen, met uitzondering van de LOP-deskundige van het werkingsgebied waar de aanmeldingsprocedure betrekking op heeft, volgens hem gehoord moeten worden. Als de initiatiefnemer geen hoorzitting wil, verloopt de procedure verder schriftelijk.

De Vlaamse Regering toetst het voorstel van aanmeldingsprocedure aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en de aanmeldingsprocedures van het decreet van 25 november 2011 en aan de uitgangspunten van het inschrijvingsrecht.

De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk 30 kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

Als de Vlaamse Regering een positief besluit neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure, dan kan de initiatiefnemer de aanmeldingsprocedure instellen. De aanmeldingsprocedure blijft gelden tot de regelgeving wijzigt of de initiatiefnemer de aanmeldingsprocedure wil wijzigen of stopzetten.

Als de Vlaamse Regering een negatief besluit neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure, dan kan de initiatiefnemer uiterlijk 30 kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit een herwerkt voorstel van aanmeldingsprocedure voorleggen aan de CLR. 

De CLR toetst het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en aan de uitgangspunten van het inschrijvingsrecht. De CLR neemt over het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure uiterlijk 30 kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

12.4. Start van de aanmeldingsprocedure

12.4.1. Algemeen

De aanmeldingsperiode voor de inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kan ten vroegste starten op de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar.

De aanmeldingsperiode kan bestaan uit meerdere deelperiodes voor de leerlingen die behoren tot de voorrangsgroepen (zie 6.3). Met respect voor de volgorde die geldt bij de voorrangsregeling kunnen twee of meerdere deelperiodes tegelijk plaatsvinden. Voor een deelperiode is – in tegenstelling tot een voorrangsperiode bij inschrijven – geen minimumduur bepaald. Belangrijk is dat de duur van de deelperiode de rechten van de betrokken voorrangsgroep garandeert.

Voorafgaand aan en tijdens de aanmeldingsperiode kunnen geen inschrijvingen gebeuren voor het volgende schooljaar.

De inschrijvingen van aangemelde leerlingen starten ten vroegste op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar, volgens de procedure beschreven onder 12.6. Als de aanmeldingsperiode uit meerdere deelperiodes bestaat, dan mogen de betrokken leerlingen na elke deelperiode ingeschreven worden. De inschrijvingen na de laatste deelperiode starten ten vroegste op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar.

Ook na een aanmeldingsprocedure gebeuren de inschrijvingen in de vrije inschrijvingsperiode chronologisch.

12.4.2. Voorrangsgroepen inschrijven of aanmelden

Een schoolbestuur mag voorafgaand aan een aanmeldingsperiode leerlingen van dezelfde leefentiteit en kinderen van personeelsleden inschrijven vanaf de eerste schooldag van september van het voorafgaande schooljaar. Dit mag enkel op voorwaarde dat het schoolbestuur geen enkele leerling van dezelfde leefentiteit of kind van een personeelslid weigert omwille van de overschrijding van de capaciteit(en) (zie 9.1.3.).

Een schoolbestuur mag voorafgaand aan een aanmeldingsperiode voor indicator- en niet-indicatorleerlingen, leerlingen van dezelfde leefentiteit en kinderen van personeelsleden aanmelden vanaf de eerste schooldag van september van het voorafgaande schooljaar.

De overige voorrangsgroepen (‘indicator en niet-indicatorleerlingen’ en (voor Brussel) ‘Nederlandstaligen’) kunnen niet vooraf worden ingeschreven of aangemeld. De aanmeldingsperiode voor deze voorrangsgroepen start ten vroegste op de eerste schooldag na de kerstvakantie.

12.4.3. Inschrijven tijdens een aanmeldingsprocedure

Voorafgaand aan én tijdens een aanmeldingsprocedure kunnen geen inschrijvingen gebeuren voor het volgende schooljaar.

Inschrijvingen voor het huidige schooljaar kunnen wel tijdens een aanmeldingsprocedure; zij het enkel onder volgende voorwaarden:

  • het gaat om leerlingen die behoren tot overcapaciteitsgroepen (zie 10); of
  • in geval van een inschrijving van een leerling die niet behoort tot een overcapaciteitsgroep, is aan volgende voorwaarden voldaan:
    • op het moment van de vraag tot inschrijving is er nog een vrije plaats voor het lopende schooljaar, én
    • de inschrijving wordt gemeld aan het LOP of (buiten LOP-gebied) aan de schoolbesturen van scholen van dezelfde gemeente, én
    • alle leerlingen die tijdens de aanmeldingsperiode gunstig gerangschikt worden, moeten ook effectief worden ingeschreven.

12.5. De ordening van aangemelde leerlingen

Op het einde van een aanmeldingsperiode of een deelperiode worden de aangemelde leerlingen geordend. Dit gebeurt door het schoolbestuur zelf, het daartoe gemandateerde LOP of (buiten LOP-gebied) het schoolbestuur dat daartoe aangeduid werd door de betrokken schoolbesturen. De ordening gebeurt volgens de in het aanmeldingsdossier opgenomen (en decretaal toegestane) ordeningscriteria. 

12.5.1. In het Vlaams Gewest

Bij het ordenen van alle aangemelde leerlingen moet een schoolbestuur of – mits akkoord van de betrokken schoolbesturen – het LOP de leerlingen altijd ordenen met het oog op een evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen (zie 6.3.4).

Het schoolbestuur of het LOP kan beslissen om dit niet toe te passen voor de scholen voor buitengewoon onderwijs.

In het Vlaams Gewest worden alle aangemelde leerlingen als volgt geordend:

  • eerst de leerlingen van dezelfde leefentiteit (zie 6.3.1);
  • dan de kinderen van personeelsleden (zie 6.3.2);
  • dan de overige leerlingen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria:
    • de afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats;
    • de afstand van het werkadres van één van beide ouders tot de school of vestigingsplaats
    • toeval. Dit ordeningscriterium mag enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium a, b of d.
    • de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders of de leerling. Dit ordeningscriterium mag enkel gekozen worden in combinatie met ordeningscriterium a, b of c.

Een schoolbestuur dat leerlingen van dezelfde leefentiteit of kinderen van personeelsleden vooraf inschrijft (zie 12.4.2.), kiest of het leerlingen uit deze voorrangsgroepen die alsnog aanmelden, opnieuw als voorrangsgroep behandelt en bovenaan ordent of hen enkel ordent op basis van de ordeningscriteria. Voor alle scholen en vestigingsplaatsen die bij de aanmeldingsprocedure zijn betrokken, geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan mag op school- of vestigingsplaatsniveau afgeweken worden.

Voorbeeld 1: Binnen een LOP kiest men er voor om alle aangemelde leerlingen te ordenen op basis van domicilieadres van de leerling tot de school of vestigingsplaats. Een school voor buitengewoon onderwijs voor leerlingen met een visuele of auditieve handicap heeft een capaciteitsprobleem en zal leerlingen moeten weigeren. Omwille van het specifieke aanbod van deze school kan een LOP er voor kiezen om 50% van de leerlingen te ordenen op basis van het domicilieadres tot de school en 50% van de leerlingen te ordenen op basis van keuzeschool.

Als de capaciteit(en) (zie 3.3) bereikt wordt in een te ordenen groep, dan worden de binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de volgende stappen binnen de ordeningsprocedure.

Voorbeeld 2: Het aantal vrije plaatsen voor het laatste jaar van het kleuteronderwijs bedraagt twee. Er melden zich vier kinderen van dezelfde leefentiteit (broers en zussen) aan, waarvan één kind van een personeelslid. Het kind van het personeelslid wordt bovenaan de lijst gerangschikt. De overige drie leerlingen worden dan gerangschikt volgens de gekozen en in het aanmeldingsdossier goedgekeurde ordeningscriteria. Indien bijvoorbeeld enkel afstand van de woonplaats tot de school gekozen werd, zullen de aangemelde ‘broers en zussen’ gerangschikt worden op basis van de afstand van de woonplaats tot de school. De dichtst bij de school wonende ‘broer of zus’ wordt gunstig gerangschikt, de twee overige ‘broers en zussen’ worden op basis van afstand tot de school gerangschikt en in die volgorde opgenomen in de lijst van niet gunstig gerangschikte leerlingen.

Als één van de vooraf bepaalde contingenten (zie 6.3.4.3) bereikt wordt in een te ordenen groep, dan worden de binnen die groep aangemelde leerlingen van dat volle contingent eveneens geordend volgens de volgende stappen binnen de ordeningsprocedure. Ze nemen in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in. Deze leerlingen blijven echter indicator- of niet-indicatorleerling al naar gelang ze wel of niet beantwoorden aan één of meerdere indicatoren (zie 6.3.4.2).

Voorbeeld 3: Er zijn 25 plaatsen voor de jongste kleuters: 10 in het contingent indicatorleerlingen en 15 in het contingent niet-indicatorleerlingen. Binnen de aanmeldingsprocedure wordt gerangschikt op afstand tot de school, waarbij zowel het werkadres als het woonadres een rol spelen. Tijdens de aanmeldingsperiode blijken 8 indicatorleerlingen en 21 niet-indicatorleerlingen aangemeld. Beide groepen worden gerangschikt op afstand tot de school. De 15 dichtstbij wonende niet-indicatorleerlingen worden gunstig gerangschikt. De 16e en 17e gerangschikte niet-indicatorleerlingen nemen de twee vrije plaatsen in het indicatorcontingent in. De 18e tot 21e gerangschikte leerlingen worden opgenomen op de lijst niet-gerealiseerde inschrijvingen.

Zodra de capaciteit(en) is bereikt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend zoals vastgelegd in de aanmeldingsprocedure en zo opgenomen in het aanmeldingsregister (zie 11.6.1).

12.5.2. In Brussel

Bij het ordenen van alle aangemelde leerlingen moet een schoolbestuur of – mits akkoord van de betrokken schoolbesturen – het LOP de leerlingen altijd ordenen met het oog op een evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen (zie 6.3.4). Het schoolbestuur of het LOP kan hierbij beslissen om dit niet toe te passen voor scholen voor buitengewoon onderwijs.

In Brussel worden alle aangemelde leerlingen als volgt geordend:

  • eerst de leerlingen van dezelfde leefentiteit;
  • dan de kinderen van personeelsleden;
  • dan Nederlandstaligen;
  • dan de overige leerlingen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria:

a) de afstand van het domicilieadres van de leerling tot de school of de vestigingsplaats;

b) afstand van het werkadres van één van beide ouders tot de school of vestigingsplaats;

c) toeval. Dit ordeningscriterium mag enkel gekozen worden in combinatie met ordeningscriterium a, b of d.

d) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders of de leerling. Dit ordeningscriterium mag enkel gekozen worden in combinatie met ordeningscriterium a, b of c.

Een schoolbestuur dat leerlingen van dezelfde leefentiteit of kinderen van personeelsleden vooraf inschrijft (zie 12.4.2.), kiest of het leerlingen uit deze voorrangsgroepen die alsnog aanmelden, opnieuw als voorrangsgroep behandelt en bovenaan ordent of hen enkel ordent op basis van de ordeningscriteria.

Voor alle scholen en vestigingsplaatsen die bij de aanmeldingsprocedure zijn betrokken, geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan mag op school- of vestigingsplaatsniveau gemotiveerd afgeweken worden.

Voorbeeld: zie voorbeeld 1 onder 12.5.1.

Als de capaciteit(en) (zie 3.3) bereikt wordt in een eerder te ordenen groep, dan worden de binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de stappen binnen de ordeningsprocedure.

Voorbeeld: zie voorbeeld 2 onder 12.5.1.

Als één van de vooraf bepaalde contingenten (zie 6.3.4.3) bereikt wordt in een te ordenen groep, dan worden de binnen die groep aangemelde leerlingen van dat volle contingent eveneens geordend volgens de volgende stappen binnen de ordeningsprocedure. Ze nemen in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in. Deze leerlingen blijven echter indicator- of niet-indicatorleerling al naar gelang ze wel of niet beantwoorden aan één of meerdere indicatoren (zie 6.3.4.2).

Voorbeeld: zie voorbeeld 3 onder 12.5.1

Als in de te ordenen groepen leerlingen van dezelfde leefentiteit of van kinderen van personeel hetzij de capaciteit(en) hetzij één van de vooraf bepaalde contingenten bereikt wordt, dan hoeft het schoolbestuur geen rekening te houden met het aantal leerlingen en het percentage dat hij bepaald heeft voor Nederlandstaligen (zie 6.3.3).

Zodra de capaciteit(en) is bereikt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend zoals vastgelegd in de aanmeldingsprocedure en in deze volgorde opgenomen in het aanmeldingsregister (zie 12.6.1).

Alle aangemelde leerlingen in de voorrangsperiode voor ‘Nederlandstaligen’, worden in het aanmeldingsregister opgenomen met vermelding van de voorrangsgroep waartoe ze behoren.

Bij die leerlingen die tijdens deze voorrangsperiode gunstig werden gerangschikt, wordt ook de toewijzing tijdens deze periode vermeld in het aanmeldingsregister.

Op die manier mag een leerling die werd ingeschreven op basis van het behoren tot deze voorrangsgroep – zowel tijdens de ‘opvisperiode’ na de voorrangsperiode, als bij het opvissen tijdens de vrije inschrijvingsperiode - vervangen worden door de hoogst gerangschikte leerling van dezelfde voorrangsgroep, die maximaal aan dezelfde andere kenmerken beantwoordt. Dit biedt maximale garanties dat het aandeel van deze voorrangsgroep behouden blijft wanneer ingeschreven leerlingen uit deze voorrangsgroep de school verlaten.

12.6. Het beëindigen van de aanmeldingsprocedure

12.6.1. De rangschikking van de aangemelde leerlingen

Een schoolbestuur gebruikt voor elke capaciteit waarvoor kan worden aangemeld een aanmeldingsregister. Als de capaciteit op een bovenliggend niveau gelijk is aan de som van alle capaciteiten op een onderliggend niveau, dan moet het schoolbestuur voor die capaciteit op het bovenliggend niveau geen aanmeldingsregister gebruiken.

Voorbeeld: Een basisschool met één vestigingsplaats bepaalt zijn capaciteit op volgende niveaus: de school, kleuter/lager, leerjaar en geboortejaar. Ze hanteert een capaciteit van 20 leerlingen per geboortejaar en 25 leerlingen per leerjaar. Voor haar kleuteronderwijs bepaalt ze een capaciteit van 80 leerlingen. Voor haar lager onderwijs legt ze de capaciteit vast op 150 leerlingen. Het volstaat dat de school enkel een inschrijvingsregister gebruikt voor de vier geboortejaren en de zes leerjaren.

Een schoolbestuur ordent per capaciteit alle aangemelde leerlingen (zie 12.5). Op basis van deze ordening krijgen de aangemelde leerlingen vervolgens een gunstige of niet-gunstige rangschikking. Het schoolbestuur neemt die rangschikking op in het aanmeldingsregister.

  • Indien de gehanteerde ordeningscriteria voor de gunstig en niet-gunstig gerangschikte leerlingen dezelfde zijn, wordt de volledige lijst zo overgenomen in het aanmeldingsregister.
  • Indien de gehanteerde ordeningscriteria voor de niet-gunstig gerangschikte leerlingen verschilt van de ordeningscriteria voor de gunstig gerangschikte leerlingen, worden de niet-gunstig gerangschikte leerlingen opnieuw gerangschikt en in die volgorde opgenomen in het aanmeldingsregister.

Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen kan het daartoe gemandateerde schoolbestuur of LOP de rangschikking van alle aangemelde leerlingen (zowel de gunstig als de niet-gunstig gerangschikte) in het aanmeldingsregister uitvoeren.

12.6.2. De toewijzing van gunstig gerangschikte leerlingen

Indien een aangemelde leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen in meerdere scholen en/of vestigingsplaatsen, wijst het schoolbestuur of het LOP de aangemelde leerling toe aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze van de ouders en de leerling.

Deze leerling wordt vervolgens verwijderd uit het aanmeldingsregister van elke school of vestigingsplaats die lager op de voorkeurslijst stond. De vrijgekomen plaatsen in de aanmeldingsregisters worden ingenomen door de eerstvolgende gerangschikte leerlingen die, voor zover mogelijk, beantwoorden aan dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Het innemen van vrijgekomen plaatsen in het aanmeldingsregister wordt herhaald tot er geen toewijzingen meer mogelijk zijn.

 

Indien een leerling die zich na een centrale aanmeldingsprocedure heeft ingeschreven, alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de inschrijving beëindigen. De hogere plaats van de school in de voorkeurslijst van de ouders is een duidelijke indicatie van het feit dat de ouder de nieuwe inschrijving verkiest boven de eerder gerealiseerde inschrijving.
Indien een aanmeldend schoolbestuur gebruik maakt van deze mogelijkheid, moet dit worden vermeld in het toewijzingsbericht aan de ouders.

De ouders ontvangen binnen vier werkdagen na de definitieve toewijzing van het daartoe gemandateerde schoolbestuur of LOP schriftelijk of via elektronische drager (vb. email, sms…) melding over de school of vestigingsplaats waaraan hun kind is toegewezen en over de periode waarbinnen de ouders de aangemelde leerling kunnen inschrijven. Die inschrijvingsperiode duurt minimaal vijftien schooldagen.

Aan de ouders wordt ook meegedeeld welke plaats hun kind inneemt op de lijst van de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van elke school of vestigingsplaats waarvoor zij een hogere keuze maakten. 

Voorbeeld: De ouders hebben hun kind aangemeld voor vier scholen. Het kind is ongunstig geordend in een school van eerste en tweede keuze en gunstig geordend in een school van derde keuze. Dit betekent dat de ouders van het kind een melding van niet-gunstige rangschikking ontvangen voor de school van eerste en tweede keuze. Voor de school van vierde keuze zullen de ouders geen melding van niet-gunstige rangschikking ontvangen.

Als de ouders binnen de periode van minimaal vijftien schooldagen geen gebruik maken van de mogelijkheid tot inschrijving, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.

Blijkt bij de inschrijving dat de leerling niet voldoet aan de door de ouders opgegeven informatie die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing - dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.

Plaatsen van leerlingen wiens recht op inschrijving op basis van één van bovenvermelde redenen komt te vervallen, worden opnieuw ingenomen door de eerstvolgende gerangschikte leerlingen die, voor zover mogelijk, beantwoorden aan dezelfde combinatie van ordeningscriteria.

Hun ouders krijgen binnen vier werkdagen na de nodige vaststellingen door het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager (vb. email, sms, …) melding dat de aangemelde leerling alsnog kan worden ingeschreven. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de aangemelde leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijf schooldagen.

12.6.3. De niet-gunstig gerangschikte leerlingen

De ouders van een aangemelde leerling die in geen enkele school of vestigingsplaats een gunstige rangschikking heeft gekregen, ontvangen binnen vier werkdagen van het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager (vb. email, sms …) een melding van niet-gunstige rangschikking per gekozen school of vestigingsplaats. Aan de ouders wordt ook meegedeeld welke plaats hun kind inneemt in het aanmeldingsregister van elke gekozen school of vestigingsplaats.

Indien de schoolbesturen daartoe een schoolbestuur of het LOP hebben gemandateerd, mag het betreffende schoolbestuur of het LOP de mededelingen van niet-gerealiseerde inschrijvingen uitreiken en toevoegen aan het toewijzingsbericht. Ouders moeten dan de mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving niet meer ophalen bij de school, tenzij de schoolbesturen of het LOP hier uitdrukkelijk voor kiezen. In dat geval motiveren ze deze keuze in het aanmeldingsdossier dat wordt voorgelegd aan de CLR.

In Brussel vermeldt de mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving van Nederlandstaligen, ook welke plaats de leerling inneemt op de lijst van niet-gerealiseerde inschrijvingen van deze voorrangsgroep.

12.6.4. Opname aanmeldingen in inschrijvingsregister

Het schoolbestuur neemt de volgorde van de aanmeldingen in het aanmeldingsregister over op de registerbladen in het inschrijvingsregister (zie 8).

13. Bijlagen