Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs

1. Inleiding.

De eenheidsstructuur voor het voltijds secundair onderwijs werd progressief ingevoerd sedert 1 september 1989. De rechtsgrond ligt in de codex secundair onderwijs. De uitvoeringsbepalingen zijn momenteel opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002. Deze bepalingen hebben enerzijds betrekking op de structuur van het onderwijs en anderzijds op de leerlingenproblematiek, meer bepaald de toelating, de evaluatie, de studiebekrachtiging en de rechtsbeschermende maatregelen.

Onderhavige omzendbrief geeft een omstandige toelichting bij de structuur en organisatie van het onderwijs.

2. De onderwijsstructuur.

2.1. Opbouw.

Overzichtelijk en globaal geschetst ziet de structuur er als volgt uit :

EERSTE GRAAD :

- eerste leerjaar A;

- eerste leerjaar B (bestemd voor leerlingen die behoefte hebben aan een aangepast onderwijs);

- tweede leerjaar van de eerste graad;

- beroepsvoorbereidend leerjaar.

TWEEDE GRAAD :

- eerste leerjaar van de tweede graad van het A.S.O.;

- eerste leerjaar van de tweede graad van het T.S.O.;

- eerste leerjaar van de tweede graad van het K.S.O.;

- eerste leerjaar van de tweede graad van het B.S.O.;

- tweede leerjaar van de tweede graad van het A.S.O.;

- tweede leerjaar van de tweede graad van het T.S.O.;

- tweede leerjaar van de tweede graad van het K.S.O.;

- tweede leerjaar van de tweede graad van het B.S.O.;

DERDE GRAAD :

- eerste leerjaar van de derde graad van het A.S.O.;

- eerste leerjaar van de derde graad van het T.S.O.;

- eerste leerjaar van de derde graad van het K.S.O.;

- eerste leerjaar van de derde graad van het B.S.O.;

- tweede leerjaar van de derde graad van het A.S.O.;

- tweede leerjaar van de derde graad van het T.S.O.;

- tweede leerjaar van de derde graad van het K.S.O.;

- tweede leerjaar van de derde graad van het B.S.O.;

- derde leerjaar van de derde graad van het A.S.O., ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;

- derde leerjaar van de derde graad van het K.S.O., ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;

- niet-leerjaargebonden Se-n-Se (secundair-na-secundair) van het T.S.O.;

- niet-leerjaargebonden Se-n-Se (secundair-na-secundair) van het K.S.O.;

- derde leerjaar van de derde graad van het B.S.O., ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar;

- derde leerjaar van de derde graad van het B.S.O., niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar doch als naamloos leerjaar.

Het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers wordt in geen enkele graad ondergebracht.

2.2. Hoger beroepsonderwijs.

Op 1 september 2009 wordt in het Vlaams onderwijsbestel het hoger beroepsonderwijs ingevoerd. Het wordt georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs en hogescholen.

Hoger beroepsonderwijs (HBO5) leidt tot erkende onderwijskwalificaties van kwalificatieniveau 5.

Binnen de indeling in onderwijsniveaus, situeert het hoger beroepsonderwijs zich op het niveau hoger onderwijs. Er is één opleiding van het hoger beroepsonderwijs die (uitsluitend) door scholen voor voltijds secundair onderwijs kan worden georganiseerd, nl. de opleiding verpleegkunde.

Tot en met het schooljaar 2011-2012 wordt desbetreffende opleiding verpleegkunde op experimentele basis modulair georganiseerd. De specifieke bepalingen over het experimenteel modulair onderwijs liggen vervat in een afzonderlijke omzendbrief (SO/2008/04 dd. 18 juli 2008) die samen met onderhavige omzendbrief moet worden gelezen.

2.3. Structuur in hoofde van de school.

Qua structuuraanbod organiseert een school één van volgende alternatieven :

1° de eerste graad;

2° de eerste en de tweede graad;

3° de tweede en de derde graad;

4° de eerste, de tweede en de derde graad;

5° de tweede en de derde graad en het hoger beroepsonderwijs, opleiding verpleegkunde;

6° de eerste, de tweede en de derde graad en het hoger beroepsonderwijs, opleiding verpleegkunde;

7° het hoger beroepsonderwijs, opleiding verpleegkunde, doch enkel in scholen die tijdens het schooljaar 2008-2009 uitsluitend de opleiding verpleegkunde organiseerden.

Het verder studieaanbod is een aangelegenheid die ressorteert onder de bevoegdheid van de onderwijsverstrekkers, met dien verstande dat op het niveau van de tweede respectievelijk de derde graad een studierichting zich finaal zowel over het eerste als het tweede leerjaar (en voor de verpleegkunde over de volledige opleiding) dient uit te strekken, behoudens uiteraard tijdens het geleidelijk uitbouw- of afbouwproces.

In de eerste graad dient een school zowel het eerste als het tweede leerjaarniveau aan te bieden; de keuze tussen 1A en/of 1B en tussen het tweede leerjaar van de eerste graad en/of het beroepsvoorbereidend leerjaar, is vrij.

3. Omschrijving van een aantal begrippen en principes.

3.1. Voltijds secundair onderwijs.

Op het niveau van het secundair onderwijs onderscheidt het voltijds secundair onderwijs zich van het deeltijds beroepssecundair onderwijs en van het secundair volwassenenonderwijs.

Onder "voltijds secundair onderwijs" wordt het onderwijs verstaan dat aan regelmatige leerlingen wordt verstrekt op basis van de vastgelegde organisatie van het schooljaar (cfr. omzendbrief SO 74) naar rata van ten minste 28 wekelijkse lesuren (36 wekelijkse lesuren voor de verpleegkunde) (een lesuur bedraagt 50 minuten; er wordt niet met fracties van lesuren gewerkt) en rekening houdend met het maximum aantal wekelijkse lesuren (cfr. rubriek 3.2).

Het buitengewoon secundair onderwijs (opleidingsvorm 1, 2 en 3) valt buiten het toepassingsveld van dit rondschrijven. Opleidingsvorm 4 valt er wel onder, waardoor o.a., in tegenstelling tot de andere opleidingsvormen, overstappen van opleidingsvorm 4 naar het gewoon secundair onderwijs niet via de toelatingsklassenraad moeten verlopen.

3.2. Maximum aantal wekelijkse lestijden.

Het maximum aantal wekelijkse lestijden, dat voor overheidsfinanciering of –subsidiëring in aanmerking komt en waarin de eventuele lesuren inhaallessen niet zijn begrepen bedraagt 32 u., met uitzondering van :

- het tweede leerjaar van de eerste graad met tenminste 4 wekelijkse lestijden praktische vakken, waarvoor dit maximum 34 bedraagt;

- het beroepsvoorbereidend leerjaar, waarvoor dit maximum eveneens 34 bedraagt;

- het technisch secundair onderwijs, het kunstsecundair onderwijs en het beroepssecundair onderwijs, waarvoor dit maximum 36 bedraagt;

- de derde graad van het algemeen secundair onderwijs met tenminste 2 wekelijkse lestijden lichamelijke opvoeding en tenminste 1 wekelijkse lestijd artistieke opvoeding of esthetica, waarvoor dit maximum 33 bedraagt;

- het hoger beroepsonderwijs, waarvoor dit maximum 36 bedraagt.

3.3. Onderwijsvormen.

"Onderwijsvormen", die voorkomen in de tweede en de derde graad, zijn :

- het algemeen secundair onderwijs (A.S.O.);

- het technisch secundair onderwijs (T.S.O.);

- het kunstsecundair onderwijs (K.S.O.);

- het beroepssecundair onderwijs (B.S.O.).

3.4. Structuuronderdeel.

Is elke entiteit binnen de onderwijsstructuur die een uniek administratief groepsnummer draagt en die als volgt wordt geïdentificeerd :

- het eerste leerjaar A

- het eerste leerjaar B

- de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers

- elke basisoptie in het tweede leerjaar van de eerste graad. Een basisoptie is een specifiek leervak of specifieke groep van leervakken die een bredere observatie en oriëntatie van de leerling mogelijk maakt; de leerling kiest voor één basisoptie

- elk beroepenveld in het beroepsvoorbereidend leerjaar. Een beroepenveld is een specifieke combinatie van technische disciplines; de leerling kiest voor hetzij één hetzij een combinatie van twee beroepenvelden

- elke studierichting van elk leerjaar/onderwijsvorm van de tweede en derde graad. Een studierichting stemt overeen met een specifiek leervak of specifieke groep van leervakken die het karakteristieke van de opleiding bepalen. De leerling kiest voor één studierichting.

3.5. Se-n-Se (secundair-na-secundair).

Alle specialisatiejaren van de derde graad TSO en KSO worden omgevormd naar Se-n-Se op 1 september 2009 met behoud van duurtijd (één jaar = twee aansluitende semesters). Op termijn kunnen ook Se-n-Se aan het studieaanbod worden toegevoegd die één semester of drie aaneensluitende semesters bestrijken. Belangrijk is dat Se-n-Se kunnen starten zowel op 1 september als op 1 februari, afhankelijk van de beslissing van het schoolbestuur.

Een en ander betekent dat het reglementair mogelijk wordt om binnen eenzelfde schooljaar een Se-n-Se slechts één semester in te richten of te volgen, maar ook om eenzelfde Se-n-Se binnen eenzelfde schooljaar met een nieuwe leerlingencohorte terug aan te vatten.

Se-n-Se zijn sterk beroepsgericht, leiden tot een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 4 die bestaat uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 4, en worden bekrachtigd met een certificaat. Ze bevatten een relevant aandeel werkplekleren, zijnde leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene en/of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is.

Onder dezelfde benaming kan een Se-n-Se slechts aan één welbepaalde duurtijd worden gekoppeld.

Voor de organisatie van een Se-n-Se kan een school voor voltijds secundair onderwijs samenwerken met :

1° één of meer andere scholen voor secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs of hogescholen;

2° één of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;

3° andere organisaties of bedrijven uit de publieke of private sector.

Dergelijke samenwerking moet toelaten om bijvoorbeeld expertise in te huren of gebruik te maken van up-to-date materiële en infrastructurele voorzieningen, maar ook om een deel van het opleidingsprogramma in de andere instelling te verstrekken. Het verstrekken van het opleidingsprogramma "in zijn totaliteit" blijft, voor alle duidelijkheid, het alleenrecht van de betrokken school voor voltijds secundair onderwijs.

Binnen dat samenwerkingsverband is laatst vermelde school voor voltijds secundair onderwijs altijd de coördinerende school. Uitsluitend de coördinerende school is bevoegd en verantwoordelijk voor inschrijving (steeds voor het geheel van de Se-n-Se) van leerlingen, programmatie, evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg, terwijl op het vlak van financiering of subsidiëring de vigerende decretale en regelgevende bepalingen enkel van toepassing zijn op de coördinerende school.

De samenwerking wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin ten minste de volgende elementen worden opgenomen :

1° de partners waarmee wordt samengewerkt;

2° de coördinerende school;

3° de invulling van de samenwerking;

4° de looptijd van de samenwerking;

5° de afspraken over het inzetten van personeel. Het protocol van de onderhandelingen hierover in de lokale comités wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd;

6° de afspraken over de evaluatie en de kwaliteitszorg in geval van de gezamenlijke organisatie van een Se-n-Se of andere onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten.

De samenwerkingsovereenkomst ligt steeds in de school of de scholen in kwestie ter inzage met het oog op administratieve en externe kwaliteitscontrole.

Voor Se-n-Se gelden bijzondere toelatingsmogelijkheden (zie verder in deze omzendbrief) evenals de mogelijkheden om vrijstelling van bepaalde programmaonderdelen te verlenen en om de opleiding over het dubbele van de gebruikelijke studieduur te spreiden (zie omzendbrief SO/2005/04 i.v.m. wettiging van afwezigheden).

Een coördinerende school kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen aan een partner waarmee wordt samengewerkt. Tenzij die overdracht plaats vindt naar een andere school voor secundair onderwijs of naar een centrum voor volwassenenonderwijs, worden de betrokken uren-leraar beschouwd als uren-leraar die worden aangewend voor voordrachtgevers via omzetting naar een krediet (zie ook omzendbrief SO 55 i.v.m. de vaststelling van het pakket uren-leraar).

3.6. Wekelijkse lessenroosters, eindtermen, beroepskwalificaties en leerplannen.

3.6.1. Tegenover elk structuuronderdeel staat per school een wekelijks lessenrooster.

In het eerste leerjaar van de eerste graad omvat het lessenrooster de vakken van de basisvorming en eventueel een keuzegedeelte (keuzevakken). In alle overige leerjaren omvat het lessenrooster de vakken van de basisvorming, een specifiek gedeelte (vakken inherent aan de basisoptie, het beroepenveld respectievelijk de studierichting) en eventueel een complementair gedeelte (complementair aanbod dat de school of zelfs de leerling kiest).

De lessenroosters behoeven geen goedkeuring van de overheid; de overheid beperkt zich tot het opleggen van een minimumrooster, gedefinieerd als basisvorming. Afhankelijk van de gevolgde graad/onderwijsvorm, dient elke leerling zonder uitzondering de verplichte basisvorming volledig te volgen. De schoolbesturen bepalen dus autonoom hoe de wekelijkse lessenroosters worden samengesteld; dit kan zowel betekenen dat bepaalde vakken/uren gemeenschappelijk zijn voor leerlingen van verschillende structuuronderdelen als betekenen dat binnen eenzelfde structuuronderdeel vakken met een verschillend aantal uren worden ingericht in functie van het tempo van de leerplanrealisatie in hoofde van individuele leerlingen.

Per school omvat de wekelijkse lessenrooster van een structuuronderdeel voor alle leerlingen hetzelfde totaal aantal uren. Op deze regel is slechts één uitzondering toegelaten : indien de cursus bedrijfsbeheer binnen het complementair gedeelte wordt ondergebracht, dan mag de school het volgen van deze cursus als facultatief beschouwen (d.w.z. als een supplement voor geïnteresseerde leerlingen bovenop het gewone lessenrooster).

Naast het minimumrooster, wordt de onderwijskwaliteit door de overheid inzonderheid bewaakt via de hiernavolgende regelingen.

3.6.2. Voor de vakken van de basisvorming (uitgezonderd de levensbeschouwelijke vakken) gelden eindtermen. Dit zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. De eindtermen worden vastgelegd per graad/onderwijsvorm. Voor de basisvorming van het eerste leerjaar B, het beroepsvoorbereidend leerjaar en (vanaf het schooljaar 2010-2011) het onthaaljaar gelden geen eindtermen doch ontwikkelingsdoelen, zijnde minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de overheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie en die de school bij haar leerlingen moet nastreven.

Naast eindtermen voor de vakken van de basisvorming, worden ook specifieke eindtermen en erkende beroepskwalificaties vooropgesteld.

Specifieke eindtermen zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling moet beschikken om vervolgonderwijs in het hoger onderwijs aan te vatten. Ze worden verworven door middel van het specifieke gedeelte van een doorstroomgericht structuuronderdeel. Ze worden vastgelegd voor het tweede leerjaar van de derde graad ASO, TSO en KSO en ontwikkeld uit de kenmerkende onderdelen van een bepaald wetenschapsdomein. Voor het TSO en KSO betekent dit dat (in tegenstelling tot het ASO) slechts voor bepaalde structuuronderdelen specifieke eindtermen zullen worden vastgelegd, nl. voor die structuuronderdelen die een zuiver doorstroomgericht karakter hebben. In de praktijk zijn er momenteel specifieke eindtermen bepaald voor alle structuuronderdelen ASO evenals voor het structuuronderdeel topsport TSO. Voor de andere structuuronderdelen die in aanmerking komen, moet dit alsnog gebeuren.

Erkende beroepskwalificaties zijn afgeronde en ingeschaalde gehelen van competenties om als beginnend beroepsbeoefenaar een beroep uit te oefenen. Het zijn de (beroeps)competentieprofielen van de SERV die als beroepskwalificaties door de Vlaamse Regering worden erkend. Ze worden verworven door middel van het specifieke gedeelte van een beroepsgericht structuuronderdeel. Tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn, wordt voor het specifiek gedeelte van een beroepsgericht structuuronderdeel vanuit een erkend referentiekader een set van competenties door de Vlaamse Regering bepaald. Verwacht wordt dat vanaf de tweede helft van 2009 de procedure tot erkenning van kwalificaties of, bij ontstentenis, de vastlegging van competenties, van start zal gaan.

De combinatie van eindtermen en specifieke eindtermen, de combinatie van eindtermen en een of meer erkende beroepskwalificaties dan wel één of meer erkende beroepskwalificaties (doch uitsluitend indien ingeschaald op niveau 4 of 5) op zich, vormen door de Vlaamse Regering erkende en ingeschaalde onderwijskwalificaties. De definitie van onderwijskwalificatie is ruimer dan die van beroepskwalificatie. Een onderwijskwalificatie is namelijk een afgerond en ingeschaald geheel van competenties die noodzakelijk zijn om maatschappelijk te functioneren en te participeren, waarmee verdere studies in het secundair of in het hoger onderwijs kunnen worden aangevat of waarmee beroepsactiviteiten kunnen worden uitgeoefend.

Daar waar sprake is van inschaling van kwalificaties wordt de inschaling in de Vlaamse kwalificatiestructuur bedoeld, die uit 8 niveaus bestaat. Aan de hand van een reeks descriptorelementen (kennis, vaardigheden, context, autonomie, verantwoordelijkheid) wordt elke erkende kwalificatie op één van deze niveaus ondergebracht (ingeschaald). In tegenstelling tot het begrip "beroepskwalificatie", dat binnen diverse beleids- en maatschappelijke domeinen wordt gehanteerd, is het begrip "onderwijskwalificatie" voorbehouden aan de sector "onderwijs", m.a.w. onderwijskwalificaties kunnen exclusief via onderwijs worden behaald. Voor het secundair onderwijs situeren onderwijskwalificaties zich, naargelang van het concrete geval, op niveau 2, 3 of 4. Hoger beroepsonderwijs, dat voor voltijds secundaire scholen enkel de opleiding verpleegkunde behelst, leidt daarentegen tot een onderwijskwalificatie op niveau 5.

3.6.3. Elke school hanteert in elk structuuronderdeel één of meer door de overheid goedgekeurde leerplannen voor de realisatie van basisvorming en specifiek gedeelte. Met inachtname van de erkende onderwijskwalificaties en de ontwikkelingsdoelen, beschikt elk schoolbestuur over de vrijheid om (zoals haar lessenroosters) ook haar leerplannen vast te stellen. In de leerplannen moeten echter, op een herkenbare wijze en voor zover ze bepaald zijn, worden opgenomen a) de vakgebonden eindtermen en ontwikkelingsdoelen, b) de specifieke eindtermen, en c) de erkende beroepskwalificaties of de in de plaats daarvan vastgelegde competenties.

Desgewenst bevatten de leerplannen de doelen die het schoolbestuur uitdrukkelijk formuleert voor haar leerlingen vanuit het eigen opvoedingsproject in het algemeen of de eigen visie op het vak in het bijzonder.

Het voorgaande betekent dat geen leerplannen ter goedkeuring aan de overheid moeten worden voorgelegd, indien die leerplannen geen doelstellingen bevatten die verband houden met eindtermen, ontwikkelingsdoelen, specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties of, bij ontstentenis, andere door de overheid vastgelegde competenties. Dergelijke leerplannen worden geacht op het complementair gedeelte van een structuuronderdeel betrekking te hebben. Voor de realisatie van het keuze- of complementair gedeelte moeten sowieso nooit leerplannen ter goedkeuring bij de overheid worden ingediend. Bij schooldoorlichting door de onderwijsinspectie kan de realisatie van het keuze- of complementair gedeelte worden onderzocht, doch de onderwijsinspectie zal er geen gevolgen naar erkenning of financiering/subsidiëring aan verbinden.

Per school en per structuuronderdeel worden voor alle leerlingen dezelfde leerplannen (of leerplan) gehanteerd. Op deze wijze worden de gelijkwaardigheid op het vlak van studiesanctionering en de transparantie van het onderwijsaanbod gevrijwaard. De voorwaarde van "eenzelfde leerplan" is evenwel niet van toepassing in volgende gevallen :

a) in de derde graad : voor wat betreft de vakken moderne talen in de ASO-structuuronderdelen met in de benaming de component "moderne talen", in de TSO-structuuronderdelen toerisme, toerisme en organisatie en toerisme en recreatie, en in de KSO-structuuronderdelen muziek en woordkunst-drama;

b) in de tweede graad BSO : voor het structuuronderdeel basismechanica. Naar toepassing van normen en op administratief vlak gaat het om één structuuronderdeel. Inhoudelijk kan dit structuuronderdeel echter uit één, twee dan wel drie vormingscomponenten zijn opgebouwd, uitgaande van volgende componenten : "auto", "koeling en warmte", "machines". Aldus ontstaan er in totaal zeven varianten, hoewel een school slechts twee varianten kan aanbieden. Uitsluitend bij de studiebekrachtiging komt de gekozen variant om duidelijkheidsreden tot uiting; clausuleren voor één of meer varianten is niet toegelaten, clausuleren voor basismechanica in zijn geheel uiteraard wel;

c) in de tweede graad BSO : voor het structuuronderdeel plant, dier en milieu. Naast een gemeenschappelijke stam van 24 uur is het toegelaten binnen het leerplan te differentiëren naar de afzonderlijke componenten "plant", "dier" en "milieu".

3.7. Regelmatige versus vrije leerling - betrokken personen.

3.7.1. Een "regelmatige leerling" is een leerling die :

a) hetzij aan alle onderstaande voorwaarden voldoet :

1) beantwoorden aan de toelatingsvoorwaarden tot het leerjaar waarin de leerling is ingeschreven;

2) het geheel van de vorming van dit leerjaar werkelijk en regelmatig volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid; deze voorwaarde veronderstelt dat de leerling vanaf de eerste tot en met de laatste schooldag effectief dient aanwezig te zijn en alle vakken, oefeningen, proeven enz. van het leerjaar en de onderwijsvorm/onderverdeling waarvoor hij is ingeschreven, dient bij te wonen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid. Op de materie van de "gewettigde afwezigheid" wordt in een afzonderlijke omzendbrief ingegaan;

b) hetzij aan alle onderstaande voorwaarden voldoet :

1) beantwoorden aan de toelatingsvoorwaarden tot het eerste leerjaar van de eerste graad;

2) beschikken over een verslag (dat toelating verleent tot het buitengewoon onderwijs);

3) het individueel aangepast curriculum dat voor de leerling is bepaald door de klassenraad werkelijk en regelmatig volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.

Een individueel aangepast curriculum is een curriculum waarbij leerdoelen op maat van de leerling met een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs worden geformuleerd. De leerdoelen op maat van de leerling worden gekozen door de klassenraad in afstemming met de ouders, waar mogelijk de leerling, de CLB-medewerker en in voorkomend geval externe ondersteuners, vertrekkende van het geheel van de leerdoelen van de betrokken opleiding. Dit curriculum kan, indien dit noodzakelijk is voor de leerling, gebaseerd worden op de ontwikkelingsdoelen van het buitengewoon onderwijs of op de opleidingsprofielen van opleidingsvorm 3. Het curriculum wordt naargelang de studievoortgang van de leerling aangepast. Deze leerdoelen moeten worden nagestreefd, en beogen de maximale ontplooiing van de leerling en een zo volwaardig mogelijke participatie aan het klas- en schoolgebeuren in de school voor gewoon onderwijs. Daarnaast beoogt dit curriculum ook ofwel de participatie aan de maatschappij, eventueel in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de arbeidsdeelname in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de tewerkstelling in een werkomgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu, ofwel de verdere studies.

Aan deze leerlingen worden jaarlijks attesten van verworven bekwaamheden uitgereikt. Als een leerling een individueel aangepast curriculum volgt, moet dit aangeduid worden in de inschrijving van de leerling in DISCIMUS.

Deze leerlingen komen dus normaliter niet in aanmerking voor de gewone studiebekrachtiging. Indien de klassenraad aan deze leerlingen, bij wijze van uitzondering, toch de gewone studiebekrachtiging wil geven, zal voorafgaand een aanvraag moeten ingediend worden bij de onderwijsinspectie. Deze aanvraag gaat over de overeenkomst van de doelen opgenomen in het individueel curriculum van de leerling met de leerplandoelen van het desbetreffende structuuronderdeel.

De aanvraag moet per individueel geval voorgelegd worden aan de onderwijsinspectie vóór 1 mei van het schooljaar waarop ze betrekking heeft. (In afwijking hierop is dit voor het schooljaar 2016-2017: vóór 15 mei 2017). Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag omvatten:

1° een volledig ingevuld specifiek aanvraag- en verantwoordingsformulier , ondertekend door de voorzitter van de (begeleidende) klassenraad;

2° de notulen van de (begeleidende) klassenraad waarop beslist werd om de gelijkwaardigheid aan te vragen.

De indiening van de aanvraag gebeurt:

1° hetzij per gewone post naar:

Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming

Onderwijsinspectie – Zorgpunt

Koning Albert II-laan 15

1210 BRUSSEL

2° hetzij digitaal via gerda.vanryckeghem@onderwijsinspectie.be

De onderwijsinspectie oordeelt over de gelijkwaardigheid van het vooropgestelde curriculum aan de hand van de ingevulde gegevens op het formulier.

De planningsdocumenten met de individuele doelen, de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van het individueel aangepast curriculum, opgesteld op basis van overleg met de ouders, de klassenraad en het CLB, blijven in de school ter beschikking van de onderwijsinspectie en dit tot 5 schooljaren na het schooljaar van uitschrijving van de leerling.

De onderwijsinspectie informeert de school vóór 1 juni over haar beslissing of de doelen van het individueel aangepast curriculum gelijkwaardig zijn aan de doelen van het gemeenschappelijk curriculum en, zo ja, dat de leerling bijgevolg in aanmerking komt voor de gewone studiebekrachtiging in functie van de delibererende klassenraadsbeslissing die zal worden genomen.

3.7.2. Een leerling die niet beantwoordt aan de hoedanigheid van "regelmatige leerling", is een "vrije leerling". Een vrije leerling voldoet wel aan de leerplicht (voorzover een volledig leerprogramma wordt gevolgd), doch kan onder geen enkel beding enige aanspraak maken op de sanctie der studies. Aan een vrije leerling mag wél een attest van lesbijwoning (dat in voorkomend geval niet geldt als een officieel studiebewijs) worden toegekend.

3.7.3. Met "betrokken personen" wordt binnen de context van deze omzendbrief bedoeld de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerplichtige onder hun bewaring hebben of de meerderjarige leerling zelf.

Hoewel secundair onderwijs leerplichtonderwijs is, bestaat de leerlingenpopulatie dus ook uit meerderjarigen. Hier is de algemene norm van toepassing dat alle contacten, mededelingen, overeenkomsten … rechtstreeks tussen de onderwijsverstrekker en de meerderjarige leerling verlopen. Slechts mits akkoord van de meerderjarige leerling mag en moet de school ook de ouders op de hoogte brengen van de studievoortgang van die leerling.

3.8. Overzitten van een leerjaar.

Een leerling die een leerjaar overzit, wordt als regelmatig beschouwd, indien hij :

1° slechts in het bezit is van een oriënteringsattest B of C van het betreffend leerjaar; of

2° opteert voor een andere onderwijsvorm en/of onderverdeling van het betreffend leerjaar. Opmerkingen : in het beroepsvoorbereidend leerjaar wordt een verandering van één beroepenveld uit een combinatie van twee ook als een "andere onderverdeling" beschouwd; in het derde leerjaar van de derde graad B.S.O. worden een specialisatiejaar en een naamloos leerjaar (niet-specialisatiejaar) ook als "andere onderverdelingen" beschouwd, of

3° een gelijkwaardig leerjaar aanvankelijk heeft gevolgd in een school van een buitenlands onderwijsstelsel; of

4° het betreffend leerjaar aanvankelijk heeft gevolgd in een door de Franse of Duitstalige Gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende school; of

5° opteert voor het eerste leerjaar A na het met vrucht beëindigd hebben van het eerste leerjaar B.

Het overzitten van een leerjaar betreft niet noodzakelijk het laatst gevolgde leerjaar, doch kan ook slaan op een leerjaar dat één of meer schooljaren voordien reeds werd beëindigd; deze regel is belangrijk voor leerlingen die met aansluitingsmoeilijkheden worden geconfronteerd omdat zij hetzij het Nederlands niet of onvoldoende beheersen, hetzij voordien studies van een buitenlands onderwijsstelsel hebben doorlopen.

Met inachtname van de richtlijnen, vermeld onder 1° t/m 5°, is het aantal keren dat een leerling een leerjaar als regelmatige leerling kan overzitten en hierdoor desgevallend dezelfde studiebewijzen kan verwerven, niet beperkt.

3.9. Project algemene vakken.

"Project algemene vakken" slaat op de integratie van twee of meer leervakken in het eerste leerjaar B, het beroepsvoorbereidend leerjaar en de leerjaren van het beroepssecundair onderwijs.

3.10. Inhaallessen.

"Inhaallessen" zijn lessen die facultatief kunnen georganiseerd worden met het oog op een bijkomende gedifferentieerde benadering van de leerling. Deze inhaallessen kunnen per week worden ingericht in alle leerjaren.

3.11. De klassenraad.

De "klassenraad" is een orgaan dat als een emanatie van het schoolbestuur optreedt. De klassenraad beschikt over een discretionaire bevoegdheid, wat niet belet dat het schoolbestuur de krijtlijnen kan vastleggen waarin de klassenraad, zoals geïnstalleerd door het schoolbestuur, moet werken. Het schoolbestuur draagt immers de juridische verantwoordelijkheid voor het onderwijs (met inbegrip van klassenraadsbeslissingen), is werkgever van het schoolpersoneel en heeft de erkenning van de overheid gekregen. Elke klassenraad oefent m.a.w. zijn bevoegdheden uit binnen het kader dat desgevallend door het schoolbestuur is uitgetekend.

De klassenraad wordt met drie functies belast en wordt dienvolgens, naargelang van het geval, aangeduid als respectievelijk "toelatingsklassenraad", "begeleidende klassenraad" en "delibererende klassenraad". Voor elk van deze drie klassenraden gelden afzonderlijke bepalingen inzake samenstelling en bevoegdheidsuitoefening; deze bepalingen komen in rubriek 8 meer gedetailleerd aan bod.

3.12. Wijzigingen in het keuze- of complementair gedeelte.

De schoolbesturen bepalen autonoom of en tot op welke datum verandering van vakken door leerlingen binnen het keuze- of complementair gedeelte toegelaten zijn (eventueel zelfs tot op het niveau van het eindjaar van het voltijds secundair onderwijs).

3.13. Lesbijwoning in een andere school.

De mogelijkheid wordt voorzien dat enkele leerlingen of zelfs alle leerlingen van een klasgroep van het gewoon voltijds secundair onderwijs of van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 of 4 gedurende een deel of het geheel van het schooljaar bepaalde lessen volgen in een andere school voor voltijds gewoon secundair onderwijs. Hieronder wordt dan verstaan :

- een andere school dan de school waarin de leerling is ingeschreven

- een andere school van hetzelfde of een ander schoolbestuur

- lesverstrekking door onderwijzend personeel van die andere school

- mobiliteit van leerlingen naar die andere school.

Scholen kunnen van deze mogelijkheid gebruik maken om uiteenlopende redenen, waaronder (niet-limitatieve opsomming) :

- beschikbaarheid van specifieke of meer moderne didactische apparatuur

- aanwezigheid van bijzondere expertise of knowhow in een bepaald vakgebied

- verzekerde lesverstrekking bij afwezigheid van eigen leraar (door ziekte, bedrijfsstage ...)

- keuzeverruiming voor leerlingen binnen het complementair vakkenpakket

- "proeven" van andere opleiding met het oog op eventuele heroriëntering

- faciliteren van geheel of gedeeltelijk schoolbegeleide vormen van werkplekleren

....

Dergelijke samenwerking tussen scholen is niettemin aan een aantal gecumuleerde voorwaarden onderworpen :

1° de regeling wordt in het schoolreglement opgenomen, zodat de betrokken personen er vooraf op de hoogte van zijn;

2° uitsluitend het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven, is op die leerling van toepassing;

3° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken scholen;

4° uitsluitend de school waar de leerling is ingeschreven, is bevoegd en verantwoordelijk voor evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg;

5° de leraars van de andere school die aan de leerling les geven :

a) maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval de scholen tot hetzelfde schoolbestuur behoren (dit houdt verband met het feit dat de eindverantwoordelijkheid voor de onderwijsverstrekking in beide scholen sowieso bij eenzelfde schoolbestuur ligt);

b) maken raadgevend deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval de scholen niet tot hetzelfde schoolbestuur behoren;

6° de samenwerking tussen de scholen wordt vastgelegd in een overeenkomst die in beide scholen ter inzage moet liggen met het oog op administratieve controle (verificatie) en externe kwaliteitscontrole (inspectie). Die overeenkomst moet minimaal bevatten :

a) de samenwerkende scholen, met duidelijke vermelding van de school waar de leerling is ingeschreven;

b) de invulling van de samenwerking (waarbij een waaier aan organisatorische, materiële, infrastructurele, didactische ... aspecten aan bod kan komen naargelang van de situatie);

c) de looptijd van de samenwerking (eventueel schooljaaroverstijgend);

d) duidelijke afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg;

7° een leerling van het buitengewoon secundair onderwijs kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in het gewoon voltijds secundair onderwijs, d.w.z. maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon secundair onderwijs waar hij is ingeschreven;

8° deze regeling is voor een leerling van het buitengewoon secundair onderwijs gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met lesbijwoning in een andere school voor buitengewoon secundair onderwijs (cf. rubriek 10.3.2. van omzendbrief SO/2011/03/BuSO).

4. De basisvorming.

Aangezien in de huidige samenleving een degelijk onderwijs ongetwijfeld het voornaamste instrument is om zich te wapenen tegen alle mogelijke uitdagingen waarmee men kan worden geconfronteerd, wordt het opportuun geacht dat het studiepakket van alle leerlingen (behoudens voor sommige leerjaren) een welbepaald aantal als onontbeerlijk beschouwde leervakken moet omvatten.

Deze maatregel kan worden opgevat als een verlengstuk van de door de wetgever in 1983 ingevoerde leerplichtverlenging.

Niettemin wordt op geen enkele wijze getornd aan de bij de wet van 29 mei 1959 gewaarborgde pedagogische vrijheid en eigenheid van schoolbesturen en scholen.

Dit manifesteert zich in het feit dat aan de diverse limitatieve lijsten van verplicht te volgen vakken uitsluitend in de eerste graad - en dan nog globaal en geenszins per afzonderlijk vak - minima-lestijden worden gekoppeld.

Overigens kan de Vlaamse regering, op voorwaarde dat hetzelfde studiepeil voor de basisvorming wordt gewaarborgd, aan scholen individuele afwijkingen verlenen van voornoemde minima-lestijden; deze afwijkingen - aan te vragen door het betrokken schoolbestuur bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten, Scholen Secundair Onderwijs en DKO - dienen gebaseerd te zijn op de aan de betrokken scholen eigen programmatische, methodologische of pedagogische inzichten.

Wat de tweede en de derde graad betreft, kunnen de urentoekenning en -verdeling met betrekking tot de basisvorming op volledig autonome wijze worden uitgevoerd.

De respectieve verplichte vakkenreeksen worden hieronder concreet opgesomd :

* voor het eerste leerjaar A :

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs)

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs)

- Nederlands

- Frans

- wiskunde

- geschiedenis

- aardrijkskunde

- natuurwetenschappen

- artistieke opvoeding OF plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding

- lichamelijke opvoeding

- techniek

- eventueel Engels

Deze basisvorming bedraagt tenminste 27 uren/week en dient georganiseerd te worden op grond van minstens eenzelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school dient gevolgd te worden.

* voor het eerste leerjaar B :

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs)

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs)

- Nederlands

- Wiskunde

- maatschappelijke vorming OF geschiedenis en aardrijkskunde

- natuurwetenschappen

- artistieke opvoeding OF plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding

- lichamelijke opvoeding

- techniek

- Frans

Deze basisvorming, waarvan twee of meer vakken kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken, bedraagt tenminste 27 uren/week en dient georganiseerd te worden op grond van minstens eenzelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school dient gevolgd te worden. De integratie van het vak Frans onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het eerste leerjaar B.

* voor de onthaaljaren :

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs)

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs)

- Nederlands voor nieuwkomers

* voor het tweede leerjaar van de eerste graad :

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs)

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs)

-Nederlands

- Frans

- Engels

- wiskunde

- geschiedenis

- aardrijkskunde

- natuurwetenschappen

- artistieke opvoeding OF plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding

- lichamelijke opvoeding

- techniek

Deze basisvorming bedraagt tenminste 24 uren/week, waarvan tenminste 14 uren/week dienen georganiseerd te worden op grond van minstens eenzelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school dient gevolgd te worden.

* voor het beroepsvoorbereidend leerjaar :

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs)

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs)

- Nederlands

- wiskunde

- maatschappelijke vorming OF geschiedenis en aardrijkskunde

- natuurwetenschappen

- artistieke opvoeding OF plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding

- lichamelijke opvoeding

- Frans

Deze basisvorming, waarvan twee of meer vakken kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken, bedraagt tenminste 16 uren/week. De integratie van het vak Frans onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het beroepsvoorbereidend leerjaar.

* voor het eerste en voor het tweede leerjaar van de tweede graad A.S.O. :

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs)

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs)

- Nederlands

- Frans

- Engels

- wiskunde

- geschiedenis

- aardrijkskunde

- natuurwetenschappen OF fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet voorafgegaan door het woord "toegepaste", al of niet in een geïntegreerde vorm

- lichamelijke opvoeding

* voor het eerste en voor het tweede leerjaar van de tweede graad T.S.O.en K.S.O. :

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs)

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs)

- Nederlands

- Frans OF Engels (vanaf schooljaar 2012-2013 in het eerste leerjaar resp. vanaf schooljaar 2013-2014 in het tweede leerjaar : Frans EN Engels)

- wiskunde

- geschiedenis

- aardrijkskunde

- natuurwetenschappen OF fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet voorafgegaan door het woord "toegepaste", al of niet in een geïntegreerde vorm

- lichamelijke opvoeding

* voor het eerste en voor het tweede leerjaar van de tweede graad B.S.O. :

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs)

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs)

- Nederlands

- Frans OF Engels

- wiskunde en/of toegepaste natuurwetenschappen en/of toegepaste fysica en/of toegepaste chemie en/of toegepaste biologie, al of niet in een geïntegreerde vorm

- maatschappelijke vorming OF geschiedenis en/of aardrijkskunde (enkel in het tweede leerjaar gedurende het schooljaar 2012-2013)

- maatschappelijke vorming OF natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde (pas in het tweede leerjaar vanaf het schooljaar 2013-2014)

- lichamelijke opvoeding

Twee of meer van de vakken van deze basisvorming kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken. De integratie van het vak Frans of Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad B.S.O.

* voor het eerste en voor het tweede leerjaar van de derde graad A.S.O. :

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs)

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs)

- Nederlands

- Frans

- Engels of Duits

- wiskunde

- geschiedenis

- aardrijkskunde

- natuurwetenschappen OF fysica en/of chemie en/of biologie

- lichamelijke opvoeding

* voor het eerste en voor het tweede leerjaar van de derde graad T.S.O. en K.S.O. :

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs)

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs)

- Nederlands

- Frans OF Engels (vanaf schooljaar 2014-2015 in het eerste leerjaar resp. vanaf schooljaar 2015-2016 in het tweede leerjaar : Frans EN Engels)

- wiskunde

- geschiedenis

- aardrijkskunde

- vanaf schooljaar 2017-2018 in het eerste leerjaar resp. vanaf schooljaar 2018-2019 in het tweede leerjaar : natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm

- lichamelijke opvoeding

* voor het eerste en voor het tweede leerjaar van de derde graad B.S.O. :

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs)

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs)

- Nederlands

- vanaf schooljaar 2012-2013 in het eerste leerjaar resp. vanaf schooljaar 2013-2014 in het tweede leerjaar : Frans OF Engels

- maatschappelijke vorming OF geschiedenis en/of aardrijkskunde (in het eerste leerjaar tot het schooljaar 2013-2014 en in het tweede leerjaar tot het schooljaar 2014-2015)

- maatschappelijke vorming OF natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde (pas in het eerste leerjaar vanaf het schooljaar 2014-2015 en pas in het tweede leerjaar vanaf het schooljaar 2015-2016)

- lichamelijke opvoeding

Twee of meer van de vakken van deze basisvorming kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken. De integratie van het vak Frans of Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad B.S.O.

* voor het derde leerjaar van de derde graad B.S.O., al dan niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar :

In verhouding tot wat voorafgaat, geldt voor dit leerjaar een ietwat bijzondere regel, nl. de basisvorming, die moet worden samengesteld uit algemene vakken en waarvan er twee of meer kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken, moet alleszins de onderstaande vakken bevatten :

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer (uitsluitend voor het officieel onderwijs)

- godsdienst of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs)

- Nederlands

- vanaf schooljaar 2014-2015 : Frans OF Engels

- maatschappelijke vorming OF geschiedenis en aardrijkskunde

- lichamelijke opvoeding

De integratie van het vak Frans of Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het derde leerjaar van de derde graad B.S.O.

Deze basisvorming moet :

1) in een specialisatiejaar : ten minste 12 uren/week bedragen;

2) in het naamloos leerjaar : ten minste 28 uren/week bedragen (uitgezonderd voor het schooljaar 2013-2014 : ten minste 12 uren/week).

Voorzover dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar, moeten daarenboven tenminste 14 uren/week worden toegekend aan technische vakken en/of praktische vakken.

Aandacht :

Naast het principe van de basisvorming, is er ook het principe van het verplicht levensbeschouwelijk onderricht in het officieel onderwijs. Noteer dat de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer niet wordt opgelegd in volgende structuuronderdelen :

- derde leerjaar van de derde graad A.S.O. en K.S.O., ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;

- Se-n-Se T.S.O. en K.S.O.;

- hoger beroepsonderwijs.

5. Het schoolreglement.

Elk schoolbestuur dient binnen het raam van een geïnstitutionaliseerde rechtspositie van de leerling een schoolreglement op te maken voor elk van zijn scholen. Het schoolreglement respecteert - net zoals het pedagogisch project van de school - de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en die van het kind in het bijzonder. Het duidelijk aflijnen van de verhouding tussen de onderwijsverstrekker en de onderwijsconsument via een verplicht schoolreglement, biedt de meeste garanties voor een sereen schoolklimaat.

Het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school bepaalt dat schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs in een gezamenlijke vergadering overleg moet plegen met de schoolraad over het opstellen of wijzigen van het schoolreglement. Indien dit overleg niet tot een akkoord leidt, neemt het schoolbestuur de eindbeslissing. Het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998 bepaalt dat in het GO! de schoolraad de bevoegdheid heeft om met de schooldirectie overleg te plegen over het schoolreglement.

Het schoolbestuur informeert de betrokken personen over het schoolreglement in volgende gevallen:

1° voorafgaand aan de inschrijving van de leerling (= de eerste opname van de leerling in het leerlingenbestand van de school of de heropname na uitschrijving);

2° bij elke wijziging van het schoolreglement.

Het schoolbestuur neemt daarbij volgende principes in acht:

1° voorafgaand aan de inschrijving wordt het schoolreglement schriftelijk of via elektronische drager aangeboden en verklaren de betrokken personen er zich schriftelijk mee akkoord; aandacht: hoewel de akkoordverklaring bij de betrokken personen ligt, gebeurt de keuze voor een school in samenspraak met de leerling indien die 12 jaar of ouder is;

2° bij elke wijziging van het schoolreglement informeert het schoolbestuur de betrokken personen schriftelijk of via elektronische drager zo spoedig mogelijk in de loop van het schooljaar over die wijziging en de betrokken personen geven opnieuw schriftelijk akkoord. Indien ze dat niet doen, dan wordt aan de inschrijving van de leerling een einde gesteld op 31 augustus van dat lopende schooljaar;

3° het schoolbestuur vraagt de betrokken personen steeds of ze een papieren versie van het schoolreglement wensen te ontvangen.

Alleszins wordt op die wijze een mogelijk langdurige situatie vermeden waarin enerzijds de betrokken personen weigeren het schoolreglement volledig na te leven en anderzijds de leerling ingeschreven blijft, wat tot een juridisch vacuüm zou leiden dat de optimale schoolorganisatie ondermijnt.

Een wijziging van het schoolreglement kan op zijn vroegst uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreeks gevolg is van nieuwe decreet- of regelgeving. Het decreet van 4 april 2014 houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositieregeling van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs en betreffende participatie op school treedt in werking op 1 september 2014. Dit betekent dat de schoolreglementen vanaf het schooljaar 2014-2015 rekening moeten houden met de minimale inhoud die dit decreet oplegt. Schoolreglementen 2014-2015 die reeds klaar zouden zijn en op basis waarvan eventueel reeds inschrijvingen zijn gebeurd, zullen m.a.w. moeten worden bijgestuurd. Alle betrokken personen dienen via addendum op de hoogte te worden gebracht van deze wijzigingen en moeten er opnieuw hun schriftelijk akkoord aan verlenen. Indien ze dat niet doen, dan wordt vóór de start van het schooljaar de leerling alsnog uitgeschreven.

Hetzelfde decreet van 4 april 2014 heft de opdeling van het schoolreglement in een studie-, orde- en tuchtreglement op. Daarnaast breidt dit decreet de minimale inhoud van het schoolreglement uit. Het schoolreglement bevat minimaal volgende elementen (voor zover van toepassing in de desbetreffende school) :

1° de basisprincipes van het schoolbeleid m.b.t. :

- toelatingen;

- afwijkingen, vrijstellingen en andere flexibiliseringsmaatregelen binnen het curriculum;

- aan- en afwezigheden;

2° de lesspreiding en de vakantie- en verlofregeling voor leerlingen;

3° de krachtlijnen m.b.t. extra-murosactiviteiten, leerlingenstages en schoolvervangende onderwijsprogramma’s;

4° de samenwerking - met rechtstreekse impact op leerlingen - met andere onderwijsinstellingen, vormingsinstellingen of organisaties;

5° het tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren en het recht op synchroon internetonderwijs, met vermelding dat – in voorkomend geval - de leerling die aan de gestelde voorwaarden voldoet op dit recht zal worden gewezen;

6° de financiële bijdrageregeling, de mogelijke afwijkingen en de contactpersoon binnen de school voor vragen en opmerkingen over financiële aangelegenheden;

7° de lokale inspraakmogelijkheden;

8° de voorwaarden waaronder de betrokken leerling en de betrokken personen hun inzage-, toelichtings- en kopierecht kunnen uitoefenen m.b.t. leerlingengegevens, waaronder evaluatiegegevens;

9° de organisatie van de leerlingenevaluatie :

- de vermelding dat de school gedurende het schooljaar op regelmatige basis of tijdig zal communiceren (= communicatieplicht) over :

  • de basisprincipes van de school m.b.t. leerlingenevaluatie;

  • de studievorderingen van de leerling;

  • de voor de leerling noodzakelijke remediëring;

  • de tijdstippen waarop examens en andere evaluatieopdrachten over grotere leerstofonderdelen plaats vinden;

  • de vorm waaronder de school examens en andere evaluatieopdrachten organiseert;

  • de materies die de leerling dient te beheersen met het oog op examens en andere evaluatieopdrachten;

  • de regeling als de leerling - door overmacht of gewettigd verlet - niet kan deelnemen aan een examen of een andere evaluatieopdracht;

  • de vermelding dat de school elke genomen beslissing van de klassenraad om de leerling de beoogde studiebekrachtiging niet toe te kennen, schriftelijk zal motiveren, en dat op vraag van de betrokken personen hierover een overleg zal plaatsvinden binnen een aangeduide termijn;

  • de vermelding van de mogelijkheid tot beroep door de betrokken personen nadat dit overleg over een betwiste evaluatiebeslissing van de klassenraad heeft plaats gevonden, met inbegrip van de procedure en redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de werkingsprincipes (incl. de samenstelling van de beroepscommissie en de stemprocedure);

10° de lokale leefregels op materieel en immaterieel vlak, met inbegrip van :

- de tucht- of andere maatregelen die de school kan nemen bij schending van de leefregels door de leerling, m.i.v. :

  • de regels op het vlak van tuchtrechtspleging;

  • de mogelijkheid tot beroep tegen een beslissing tot definitieve uitsluiting, met inbegrip van de procedure en redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de werkingsprincipes (incl. de samenstelling van de beroepscommissie en de stemprocedure);

  • de opvangregeling;

  • de mogelijke schooluitschrijving;

- de plicht van de leerling om zich te onthouden van iedere daad van geweld, pesterij of ongewenst seksueel gedrag;

- de afspraken i.v.m. het rookverbod, de controle op de naleving ervan en de sancties die kunnen opgelegd worden bij overtreding van het rookverbod;

11° de eventuele beroepsmogelijkheden voor de betrokken personen tegen andere betwiste beslissingen (naast een definitieve uitsluiting en een evaluatiebeslissing);

12° de basisprincipes van het schoolbeleid m.b.t. reclame en sponsoring;

13° een engagementsverklaring met wederzijdse afspraken over het oudercontact, regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement t.a.v. de onderwijstaal.

M.b.t. het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal bevat het schoolreglement de bepaling dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren. Andere bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal kunnen enkel worden toegevoegd op voorwaarde dat daarover in het bevoegde lokaal overlegplatform een akkoord is bereikt (voor scholen in een gemeente zonder lokaal overlegplatform is hiervoor een akkoord met minstens 2/3 van de scholen nodig).

M.b.t. regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid vermeldt het schoolreglement de koppeling met schooltoelagen en de mogelijkheid tot het niet toekennen of het terugvorderen ervan;

14° de vermelding dat bij schoolverandering leerlingengegevens worden overgedragen aan de nieuwe school, tenzij de betrokken personen - na de gegevens te hebben ingezien - er zich expliciet tegen verzetten (voor zover de regelgeving de overdracht ervan niet verplicht).

Het schoolreglement kan geen onderwerpen bevatten waarin de betrokken personen een individuele keuze kunnen maken die hen door regelgeving wordt gegarandeerd, zoals bv. portretrecht, auteursrechten, ... De school zal hier op een andere manier dan via het schoolreglement de keuze van de betrokken personen moeten bevragen, waarbij die keuze geen invloed heeft op het inschrijvingsrecht.

Aandacht: zoals hoger vermeld moet in het schoolreglement ook het rookverbod worden opgenomen. Dit verbod is vastgelegd in het decreet van 6 juni 2008 "houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding" . Het decreet definieert roken als "het roken van producten op basis van tabak of van soortgelijke producten". Voor alle duidelijkheid: hierondervallen ook de E-sigaret, de shisha-pen, de heat-stick en dergelijke.

6. Schending van leefregels.

Zoals opgenomen in het schoolreglement, zullen in elke school een reeks plaatselijke leefregels van kracht zijn. Die leefregels kunnen van materiële aard (bv. kledingvoorschriften) of immateriële aard (bv. taalgebruik) zijn en kunnen niet los worden gezien van het pedagogisch project van de school. Leefregels strekken ertoe de dagdagelijkse werking van een school zo vlot mogelijk te laten verlopen. Vermits het schoolbestuur de verantwoordelijkheid draagt voor het onderwijs dat het inricht, is het autonoom om te bepalen welke leefregels het meest bijdragen tot een ordentelijke onderwijsverstrekking. Het schoolbestuur heeft wel de verplichting om hierover afdoende te communiceren via het schoolreglement.

Niettegenstaande leerlingen verondersteld worden duidelijk op de hoogte te zijn van de regels waaraan ze zich dienen te houden bij elke les- of gelijkgestelde onderwijsactiviteit, is regelschending niet uitgesloten. Op dergelijke situaties moet de school adequaat kunnen reageren door ten een aanzien van de leerling in kwestie een gepaste maatregel te nemen, die tevens een signaalfunctie heeft naar de andere leerlingen. Die maatregelen kunnen zeer divers zijn en spreiden zich over een continuüm van minimaal naar maximaal ingrijpend, waarbij maximaal betekent "definitieve uitsluiting". De school moet steeds voor ogen houden dat indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat met een minder zware maatregel dezelfde corrigerende of remediërende effecten bij de leerling worden bereikt, geen zwaardere maatregel hoeft genomen. Het werken volgens een continuüm betekent echter niet dat in een geval van regelschending eerst een lichtere en, bij onvoldoende resultaat, vervolgens een zwaardere maatregel kan worden opgelegd. Dit laatste kan enkel indien zich een nieuw feit van regelschending heeft voorgedaan (cfr. principe "niemand kan voor eenzelfde vergrijp tweemaal worden gestraft").

Het begrip "ordemaatregel" wordt, zoals blijkt, niet langer gebruikt. Er is nog enkel sprake van "maatregelen bij schending van leefregels", waarvan er slechts twee het statuut "tuchtmaatregel" dragen, nl. de tijdelijke en de definitieve uitsluiting.

6.1. Maatregelen andere dan tuchtmaatregelen.

Indien de handelingen van de leerling de leefregels schenden doch zonder een gevaar of ernstige belemmering te vormen voor het normale onderwijsgebeuren of voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van de schoolbevolking of van personen waarmee de leerling in het kader van stage of andere vormen van werkplekleren in contact komt, kunnen er maatregelen volgen die aan de leerling bepaalde voorzieningen ontzeggen of bepaalde verplichtingen opleggen. Dit mag in een contractvorm worden gegoten. De school zal hier zelf een concrete invulling aan geven, maar blijft een verplichting tot opvang van de leerling hebben. Het kan dan gaan om, bij wijze van voorbeeld en niet limitatief, een berisping, een waarschuwing, een strafstudie, een weigering tot deelname aan een facultatieve schoolreis tijdens een vakantie,…..; ook het gedurende maximum één lesdag vervangen van de geplande onderwijsactiviteiten door andere activiteiten is mogelijk (dit kan zich tijdens het schooljaar meermaals voordoen bij nieuwe feiten, doch nooit aaneensluitend). De getroffen maatregel doet geen afbreuk aan de hoedanigheid van regelmatig leerling en aan het daaraan verbonden recht op studiebekrachtiging.

Elkeen die én door het schoolbestuur daartoe is gemachtigd én toezicht uitoefent op de betrokken leerling op de locatie en het tijdstip van de regelschending kan een dergelijke maatregel opleggen. Dit houdt in dat zelfs een personeelslid van een andere school waar de school van inschrijving mee samenwerkt, een personeelslid van een organisator van werkplekleren, een stagementor, een voordrachthouder….. die op de leerling toezicht uitoefent, die machtiging van het schoolbestuur kan krijgen.

6.2. Tuchtmaatregelen.

Indien de handelingen (bv. materiële schade, fysieke of verbale agressie, vergaande ordeverstoring …..) van de leerling de leefregels dermate schenden dat ze een gevaar of ernstige belemmering vormen voor het normale onderwijsgebeuren of voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van de schoolbevolking of van personen waarmee de leerling in het kader van stage of andere vormen van werkplekleren in contact komt, dan is een tuchtmaatregel toegelaten. Bij tuchtmaatregelen moet met diverse modaliteiten en voorwaarden worden rekening gehouden zoals hierna beschreven.

6.2.1. Preventieve schorsing versus uitsluiting.

Tussen schorsing en uitsluiting zijn er overeenkomsten en verschillen.

Zowel bij schorsing als bij uitsluiting wordt de leerling het recht ontnomen om deel te nemen aan les- en gelijkgestelde onderwijsactiviteiten (met inbegrip van evaluatiebeurten). In beide gevallen beslist de school of de leerling op school moet aanwezig zijn. Is aanwezigheid niet verplicht, dan kunnen de betrokken personen niettemin een opvangvraag stellen : ofwel wordt op die vraag ingegaan en zullen er afspraken rond opvangvoorwaarden worden gemaakt, ofwel wordt de vraag schriftelijk én gemotiveerd geweigerd. Bij opvang bepaalt de school dus autonoom welke invulling aan deze opvang wordt gegeven (er geldt m.a.w. geen pedagogisch-didactisch verantwoorde opvangverplichting).

Een fundamenteel verschil echter is dat een schorsing geen tuchtmaatregel is doch een bewarende maatregel met een dubbel doel :

1. na een incident of vergrijp de leerling aan het onderwijsgebeuren onttrekken zodat opnieuw een sereen en onderwijsvriendelijk klimaat kan worden gecreëerd;

2. de nodige tijdsruimte voorzien om een tuchtonderzoek te voeren en een tuchtdossier samen te stellen, hetgeen impliceert dat vanaf het moment van preventieve schorsing het onderzoek en de dossiersamenstelling geacht worden opgestart te zijn;

De officiële benaming voor schorsing luidt dan ook "preventieve schorsing".

De preventieve schorsing, die op zich geen verplichting is, kan onmiddellijk na de regelschending (dus ook in de loop van de betrokken lesdag) ingaan, zij het na kennisgeving aan de betrokken personen. Het geldt als een signaal of een indicatie dat een tuchtmaatregel kan volgen. Na het beëindigen van het tuchtonderzoek kan het resultaat evenwel ook zijn dat, om welke reden dan ook, geen tuchtmaatregel wordt genomen. Als er wel tot een tuchtmaatregel wordt beslist, dan zijn er twee alternatieven : ofwel een tijdelijke uitsluiting ofwel een definitieve uitsluiting.

6.2.2. Maximale duur.

Een preventieve schorsing kan maximaal tien opeenvolgende lesdagen bestrijken. Indien binnen die periode het tuchtonderzoek niet kan worden afgerond en de school dit motiveert aan de betrokken personen, kan deze periode met maximaal tien opeenvolgende lesdagen worden verlengd. Een preventieve schorsing kan dus nooit langer dan twintig opeenvolgende lesdagen duren. Indien de schorsing onmiddellijk ingaat in de loop van de lesdag waarin het omstreden feit plaats vindt, dan telt die dag als de eerste van het toegelaten maximum. Het uitputten van dat maximum kan anderzijds geen alibi zijn om het voeren van het tuchtonderzoek en het samenstellen van een tuchtdossier, vanuit beide partijen bekeken, langer te laten duren dan strikt noodzakelijk om tot de beslissing tot het al dan niet nemen van een tuchtmaatregel te komen. Zowel voor de betrokken personen als voor de school is het immers belangrijk om, zonder nodeloze vertraging, tot rechtszekerheid te komen.

Een tijdelijke uitsluiting omvat minimaal één en maximaal vijftien opeenvolgende lesdagen. Zowel trouwens ook bij preventieve schorsing moet het instellen van een maximumduur voor tijdelijke uitsluiting vrijwaren dat de lesonderbreking geen ernstige nadelige effecten heeft voor de afwerking van het lesprogramma. Een leerling kan in het schooljaar meer dan eens tijdelijk worden uitgesloten doch enkel indien zich telkens een nieuw feit van regelschending heeft voorgedaan.

Zoals blijkt wordt de maximale duur uitgedrukt in "lesdagen", wat betekent dat alle dagen die in de betrokken school volgens het vastgelegde organisatiemodel "lesvrij" zijn (vakantie, weekend…) buiten beschouwing worden gelaten.

Aan definitieve uitsluiting is uiteraard geen maximale duur gekoppeld. Een beslissing tot definitieve uitsluiting gaat in hetzij onmiddellijk tijdens het schooljaar, hetzij op het einde van het schooljaar (= 31 augustus dan wel, voor opleidingen die dan eindigen, 31 januari). Indien de uitsluiting pas op het einde van het schooljaar ingaat, dan heeft ze in de feiten betrekking op het daaropvolgende schooljaar. Een uitsluiting op het einde van het schooljaar strekt ertoe om, in het belang van de leerling, alsnog de gelegenheid te bieden aan de (eind)examens of proeven van dat schooljaar deel te nemen; de school is er dan wel toe gehouden om de leerling tot op het einde van dat schooljaar effectief de lessen te laten bijwonen. Er zijn twee situaties waarbij een definitieve uitsluiting ook betrekking kan hebben op een andere instelling dan de school waar de leerling is ingeschreven, nl.

1. indien de regelschending heeft plaats gevonden in een andere school waarmee de school van inschrijving samenwerkt voor een deel van de onderwijsverstrekking (= lesbijwoning in een andere school);

2. indien aan de school van inschrijving een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is verbonden (= een niet-autonoom centrum).

Deze uitbreiding van het toepassingsgebied van de definitieve uitsluiting kan pas na overleg tussen de betrokken instellingen.

Definitieve uitsluiting is een mogelijke weigeringsgrond voor (her)inschrijving; zie in dit verband de omzendbrief SO/2012/01.

6.2.3. Tuchtdossier en –onderzoek.

De volgende regels, inherent aan tuchtrechtspleging, zijn ook binnen onderwijs van toepassing :

1. de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;

2. de betrokken personen alsmede de leerling, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon naar keuze, worden gehoord;

3. elke genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd; indien het een definitieve uitsluiting behelst dan wordt schriftelijk verwezen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure;

4. elke beslissing wordt schriftelijk ter kennis gebracht aan de betrokken personen voordat de tuchtmaatregel van kracht wordt;

5. er is geen mogelijkheid om tot collectieve uitsluitingen over te gaan waarbij in één beslissing meerdere leerlingen worden gevat; wanneer bijgevolg een groep leerlingen heeft bijgedragen tot hetzelfde feit, dan mag dit nimmer tot een collectief tuchtvoorstel leiden (elk tuchtdossier is dus een individueel dossier);

6. de betrokken personen hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling;

7. de tuchtmaatregel moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten (het zogenaamde "redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel");

8. het tuchtdossier en de tuchtmaatregel zijn niet overdraagbaar naar een andere school.

De twee laatste punten verdienen extra aandacht.

- Overeenstemming tussen tuchtmaatregel en ernst van de feiten : naast het opleggen van maatregelen op grond van een continuüm, waarvan hoger sprake, moet met elke uitsluiting omzichtig worden omgesprongen. De uitsluitende school moet namelijk steeds het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel naleven. Dit betekent dat de tuchtmaatregel de grenzen van de redelijkheid niet mag overschrijden en dat er geen wanverhouding mag bestaan tussen de bewezen feiten en de uitgesproken tuchtmaatregel. Bijkomend moet bij het uitspreken van een definitieve uitsluiting in de laatste maanden van het schooljaar, de uitsluitende school mee in overweging nemen dat deze beslissing een zware hypotheek legt op de studieloopbaan van de betrokken leerling en mogelijks tot een studiejaarverlies zal leiden.

- Niet-overdraagbaarheid van tuchtdossier en –maatregel: bij schoolverandering mag de nieuwe school niet "voortbouwen" op een tuchtdossier dat is aangelegd en een tuchtmaatregel die is genomen in de voorgaande school, m.a.w. de leerling moet met een propere lei kunnen starten. Regelschendingen van de leerling in een vorige school kunnen in de nieuwe school nooit op enigerlei wijze in rekening worden gebracht. Dit betekent niet dat de nieuwe school geen weet mag hebben van wat er zich op het vlak van tucht in de vorige school heeft voorgedaan. Indien in de loop van het schooljaar voor een definitief uitgesloten leerling naar een nieuwe school wordt gezocht, dan zal de reden voor de schoolverandering trouwens meestal sowieso aan het licht komen.

Tot slot wordt benadrukt dat een uitsluiting nooit implicaties kan hebben voor het eventuele lidmaatschap van de betrokken leerling in de leerlingenraad of de schoolraad.

6.2.4. Bevoegdheid.

De bevoegdheid tot het preventief schorsen of het nemen van een tuchtmaatregel ligt bij de directeur van de school waar de leerling is ingeschreven of zijn afgevaardigde.

Voorafgaand aan de beslissing tot definitieve uitsluiting, moet het advies van de begeleidende klassenraad worden ingewonnen. Gezien het ingrijpend karakter van definitieve uitsluiting, moet een dergelijke beslissing immers goed worden overwogen en breed worden gedragen. In die klassenraad zetelt overigens, met adviesbevoegdheid, ook een personeelslid van het CLB waar de school mee samenwerkt. Het advies van de klassenraad wordt in het tuchtdossier opgenomen.

6.2.5. Definitieve uitsluiting versus uitschrijving.

Indien een definitieve uitsluiting op het einde van het schooljaar ingaat, dan heeft ze in de feiten betrekking op het daaropvolgende schooljaar en komt uitsluiting per definitie neer op uitschrijving uit het leerlingenbestand van de school.

Indien een definitieve uitsluiting daarentegen in de loop van het schooljaar ingaat, dan blijft de leerling ingeschreven in de school in afwachting dat een andere school wordt gevonden. De uitsluitende school heeft de verantwoordelijkheid om, samen met het CLB waarmee het samenwerkt, de leerling actief bij te staan in het zoeken naar een andere school. "Bijstaan" veronderstelt evenwel dat ook de leerling en zijn ouders initiatief aan de dag moeten leggen tot het vinden van een nieuwe school. Anderzijds moet bij de zoekinspanningen van de uitsluitende school redelijkheid vooropstaan, d.w.z. er dient maximaal rekening te worden gehouden met de criteria "afstand" t.o.v. de verblijfplaats van de leerling, "zelfde onderwijsnet" en "zelfde opleiding" . Het vinden van een school die niet of moeilijk bereikbaar is of het totaal negeren van het beginsel van de vrije onderwijskeuze, kan onmogelijk als een aanvaardbare oplossing worden gezien.

Zelfs indien de definitieve uitsluiting in de loop van het schooljaar ingaat, kan ze in twee situaties uitmonden in uitschrijving, nl.

1. als de betrokken personen blijk geven van manifeste onwil om op het aanbod van verandering van school in te gaan. Zoals hoger vermeld moeten ook de betrokken personen voldoende meewerken aan het zoeken naar een nieuwe school. Is er daarentegen zelfs onwil of obstructie in het spel, dan komt dit ondubbelzinnig neer op het schenden van de leerplicht. Leerplicht kan niet verengd kan worden tot louter administratieve inschrijving in een school maar vereist ook effectieve lesbijwoning;

2. vanaf de tiende lesdag die volgt op de dag dat de definitieve uitsluiting ingaat en alleszins pas nadat een eventueel ingestelde beroepsprocedure is afgerond. Deze uitschrijving kan evenwel uitsluitend voor een leerling die op het moment van de uitschrijving niet meer leerplichtig is.

Een definitief uitgesloten doch (nog) niet uitgeschreven regelmatige leerling komt bij het einde van het schooljaar in aanmerking voor evaluatie en studiebekrachtiging (waaronder ook een oriënteringsattest C wordt verstaan). Evaluatie kan zowel uitstel van eindbeslissing als beroep tegen een controversiële eindbeslissing met zich brengen. Ook indien de definitief uitgesloten leerling vanaf 1 september daaropvolgend is uitgeschreven, blijft de regeling inzake uitstel van eindbeslissing en de regeling inzake beroep op deze leerling van toepassing. Er vinden m.a.w. binnen de school onderwijshandelingen plaats in de maand september ten aanzien van een leerling die op dat tijdstip ten gevolge van uitsluiting al is uitgeschreven. Administratief-reglementair hebben die onderwijshandelingen echter betrekking op het voorbije schooljaar.

6.2.6. Beroep. 

De mogelijkheid tot verhaal tegen een definitieve uitsluiting is decretaal verplicht. Het beroep schort de uitvoering van de beslissing tot definitieve uitsluiting evenwel niet op. Het schoolbestuur beschikt enerzijds over een zekere autonomie, maar is anderzijds onderworpen aan onderstaande bepalingen. Zoals blijkt blijft de beroepsgang een schoolinterne aangelegenheid. Zowel naar de procedure als naar het functioneren van de beroepscommissie worden echter een aantal criteria van kracht die moeten aantonen dat elk beroep in het teken staat van onafhankelijkheid, neutraliteit en deskundigheid, vertrekkend vanuit de gelijkwaardigheid van beide partijen. Dit moet bijdragen tot de accepteerbaarheid van een beslissing in beroep.

Pas na uitputting van het schoolintern beroep kan de stap naar een bevoegd rechtscollege worden gezet.

6.2.6.1. Procedure.

De beroepsprocedure is concreet vastgelegd in het schoolreglement maar omvat alleszins volgende stappen :

1. de betrokken personen stellen het beroep in bij het schoolbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift dat ten minste het voorwerp van het beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt; bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd;

2. het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie;

3. het resultaat wordt binnen de termijn bepaald in het schoolreglement schriftelijk ter kennis gebracht aan de betrokken personen; zo deze termijn wordt overschreden, dan is de definitieve uitsluiting van rechtswege nietig. 

6.2.6.2. Samenstelling beroepscommissie.

Het schoolbestuur stelt een beroepscommissie in, waarvan de samenstelling aan volgende voorwaarden moet beantwoorden :

1. per te behandelen individueel dossier kan de samenstelling verschillen, maar binnen het dossier kan de samenstelling niet meer wijzigen;

2. elke commissie bestaat uit :

a) interne leden: zijnde leden van het schoolbestuur of de school waar tot de definitieve uitsluiting werd beslist (zie concrete opsomming verder); de directeur of zijn afgevaardigde die de omstreden beslissing heeft genomen, kan niet in de beroepscommissie zetelen;

b) externe leden: zijnde leden die niet verbonden zijn aan het schoolbestuur of de school waar tot de definitieve uitsluiting werd beslist; een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of - met uitzondering van het personeel – de schoolraad die fungeert binnen de school die uitsluit, behoort tot de categorie "externe leden;

c) een voorzitter: door het schoolbestuur aangeduid onder de externe leden.

Een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel onder de omschrijving "intern lid" als de omschrijving "extern lid" valt, wordt geacht intern te zijn.

Concreet :

wordt verstaan onder lid van het schoolbestuur en is derhalve een intern lid van de beroepscommissie :

-in het Gemeenschapsonderwijs:

*een lid van de raad van het Gemeenschapsonderwijs

*een lid van de raad van bestuur van de scholengroep

*een lid van de algemene vergadering van de scholengroep

-in het gesubsidieerd provinciaal onderwijs:

*een lid van de provincieraad

*een lid van de bestendige deputatie

*(in voorkomend geval) een lid van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf

*(in voorkomend geval) een lid van het directiecomité van het autonoom provinciebedrijf

-in het gesubsidieerd gemeentelijk onderwijs:

*een lid van de gemeenteraad

*een lid van het college van burgemeester en schepenen

*(in voorkomend geval) een lid van de raad van bestuur van het autonoom gemeentebedrijf

*(in voorkomend geval) een lid van het directiecomité van het autonoom gemeentebedrijf

-in het gesubsidieerd onderwijs van de Vlaamse Gemeenschapscommissie:

* een lid van de raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

* een lid van het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

-in het gesubsidieerd vrij onderwijs:

* een lid van de algemene vergadering van de vzw-schoolbestuur

* een lid van de raad van bestuur van de vzw-schoolbestuur.

Elk lid van de beroepscommissie dat, naargelang van het betrokken onderwijsnet, niet aan één van de hierboven opgegeven hoedanigheden beantwoordt binnen het betrokken schoolbestuur én geen lid is van de betrokken school (zie verder) is een extern lid van de beroepscommissie.

Personeelsleden van de hierboven vermelde instanties zijn ook externe leden, aangezien ze zelf geen "inrichtende onderwijsverantwoordelijkheid" dragen.

wordt verstaan onder lid van de school (hieronder valt ook het eventueel aan de school verbonden niet-autonoom CDO) en is derhalve een intern lid van de beroepscommissie :

* een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd (= statutair) personeelslid aangesteld in de betrokken school

-in een ambt van het bestuurspersoneel, het onderwijzend personeel of het ondersteunend personeel

-ongeacht het volume of taakinvulling van de opdracht

-ongeacht effectieve prestaties worden geleverd of een vorm van dienstonderbreking/ verlofstelsel, terbeschikkingstelling (TBS) of tijdelijk andere opdracht (TAO) loopt

* een contractueel personeelslid van de betrokken school

Elk lid van de beroepscommissie dat geen lid is van het betrokken schoolbestuur én geen lid is van de betrokken school is een extern lid van de beroepscommissie.

Personeelsleden van andere scholen van hetzelfde schoolbestuur (of een ander schoolbestuur) die niet aangesteld zijn in de betrokken school zijn externe leden.

6.2.6.3. Werking beroepscommissie.

Het schoolbestuur bepaalt de werking (waaronder de stemprocedure) van de beroepscommissie, rekening houdend met volgende voorwaarden :

1. elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, maar bij stemming moet het aantal stemgerechtigde interne leden en het aantal stemgerechtigde externe leden gelijk zijn (m.a.w. de mogelijkheid bestaat dat het schoolbestuur bepaalde leden aanduidt die niet stemgerechtigd zijn). Bij staking van stemmen (= gelijk aan pro en contra) is de stem van de voorzitter doorslaggevend (cfr. werkwijze die ook geldt voor klassenraden);

2. elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3. een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;

4. een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen. Eén van die stappen kan het horen zijn van een of meer leden van de begeleidende klassenraad die een verplicht advies over de definitieve uitsluiting heeft moeten geven;

5. de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden van het onderwijs. Hiermee wordt gealludeerd op de rechten om op bepaalde tijdstippen (bv. schoolvakanties) niet met schoolopdrachten te kunnen worden belast, tenzij dit in het arbeidsreglement van de school uitdrukkelijk is geregeld;

6. een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het schoolreglement. 

6.2.6.4. Resultaat beroepscommissie.

De beroepscommissie heeft drie alternatieven :

1. het beroep is onontvankelijk en wordt gemotiveerd afgewezen; dit kan als de termijn voor indiening, vastgelegd in het schoolreglement, wordt overschreden of als het beroep niet voldoet aan de vormvereisten die in het schoolreglement zijn voorzien;

2. de definitieve uitsluiting wordt bevestigd;

3. de definitieve uitsluiting wordt vernietigd.

De beroepscommissie heeft volheid van bevoegdheid en beslist op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten. Toch draagt het schoolbestuur steeds de verantwoordelijkheid voor de genomen beslissing. Achterliggende reden hiervoor is de algemene erkenningsvoorwaarde dat het schoolbestuur de verantwoordelijkheid opneemt voor het onderwijs dat het inricht (cfr. de verantwoordelijkheid voor klassenraadsbeslissingen berust trouwens ook bij het schoolbestuur). Anderzijds is dit niet onlogisch omdat de beroepscommissie (zoals een klassenraad vanuit het werkgeverschap) door datzelfde schoolbestuur wordt samengesteld.

6.2.7. Opdracht voor het CLB

Conform de regelgeving op de operationele CLB-doelstellingen, moet elk CLB een begeleidingstaak opnemen t.a.v. elke leerling die in de loop van het schooljaar wordt geschorst of uitgesloten. Hoewel de leerling ernstig in de fout is gegaan (of, in het geval van schorsing, daarrond sterke vermoedens bestaan), kan hij niet volledig aan zijn lot worden overgelaten met het risico op herval. Het CLB moet dan ook actie ondernemen gericht op remediëring, ondersteuning en sensibilisering. De school en het schoolbestuur staan in deze dus niet alleen.

7. Leerlingengegevens.

Elke school verzamelt een waaier aan leerlingengegevens, zoals bv. beslissingen en adviezen van de klassenraad, bijzondere remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, keuze van levensbeschouwelijk vak.

Het decreet van 4 april 2014 houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositie van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs en betreffende participatie op school bepaalt voor het eerst expliciet :

1. de mogelijke overdracht van leerlingengegevens van de ene naar de andere school en de voorwaarden waaronder deze overdracht dient te gebeuren; de optimalisering van de individuele studieloopbaan van de leerling staat hierbij steeds voorop;

2. het recht voor de betrokken personen op inzage, toelichting en kopie met betrekking tot de eigen leerlingengegevens; op deze manier worden ze in staat gesteld om het onderwijscurriculum van de betrokken leerling systematisch op te volgen en - indien zij dat wensen - er op in te grijpen, evenwel altijd zonder afwending voor andere doeleinden (bv. om de desbetreffende school op enigerlei manier in diskrediet te brengen).

7.1. Gegevensoverdracht tussen scholen bij schoolverandering.

Wanneer een leerling van onderwijsinstelling verandert, vindt er een overdracht van leerlingengegevens tussen de betrokken onderwijsinstellingen plaats. Deze overdracht is gebonden aan een aantal strikte voorwaarden :

1° de gegevens hebben uitsluitend betrekking op de onderwijsloopbaan van een specifieke leerling;

2° de overdracht gebeurt uitsluitend in het belang van de leerling op wie de onderwijsloopbaan betrekking heeft;

3° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, mag de overdracht niet gebeuren als de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten, nadat ze - op hun verzoek - de gegevens hebben ingezien. Verplichte overdracht is er in volgende gevallen :

1) het aantal problematische afwezigheden;

2) de toegekende attestering;

3) een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag (opgemaakt door het CLB).

Via het schoolreglement zijn de leerling en de betrokken personen op de hoogte van het automatisme van deze gegevensoverdracht bij schoolverandering. De school moet m.a.w. voor een overdracht van leerlingengegevens niet de toestemming van de betrokken personen vragen; het zijn daarentegen de betrokken personen die het initiatief tot niet-overdracht moeten nemen.

Een tuchtdossier en tuchtmaatregelen zijn nooit overdraagbaar tussen scholen.

7.2. Inzage-, toelichtings- en kopierecht.

De betrokken leerling en de betrokken personen hebben recht op inzage in en recht op toelichting bij de gegevens die op de leerling betrekking hebben, zoals bv. evaluatiegegevens, die de school verzamelt. Een toelichting bij de inzage kan immers voor meer duiding bij de gegevens zorgen, eventuele vragen ter verduidelijking kunnen op die manier extra aandacht krijgen.

Als bepaalde gegevens ook een of meer andere leerlingen betreffen en volledige inzage door de betrokken leerling en de betrokken personen afbreuk zou doen aan het recht van die andere leerling(en) op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kunnen de betrokken leerling en de betrokken personen alleen via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage toegang krijgen tot deze gegevens.

Pas na gebruikmaking van het inzage- en toelichtingsrecht kunnen de betrokken leerling of de betrokken personen kopierecht uitoefenen. De school dient hen een kopie te bezorgen, eventueel tegen een vergoeding waarvan de grootteorde is voorzien in het onderdeel “financiële bijdrageregeling” van het schoolreglement. Elke kopie moet persoonlijk en vertrouwelijk worden behandeld en mag uitsluitend worden gebruikt in functie van de onderwijsloopbaan van de leerling.

Het schoolreglement moet vanaf het schooljaar 2014-2015 de voorwaarden expliciteren waaronder de betrokken leerling en de betrokken personen dit inzage, toelichtings- en kopierecht kunnen uitoefenen.

8. De klassenraad.

De drie functies van de klassenraad, die een weerslag vinden in de gehanteerde benamingen, kunnen als volgt worden getypeerd.

8.1. De "toelatingsklassenraad".

Binnen het raam van de reglementaire toelatings- en overgangsvoorwaarden dient in bepaalde gevallen een beroep gedaan op de klassenraad, hier "toelatingsklassenraad" genoemd.

De toelatingsklassenraad zal zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheden laten leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling. Deze gegevens, die ook afkomstig kunnen zijn van een voorheen bezochte school, hebben inzonderheid betrekking op vroegere studies, op informatie meegedeeld door het C.L.B. of op andere informatieve elementen bijvoorbeeld verkregen door een oriënterend gesprek met de leerling.

Zijn beslissingen moeten steeds gemotiveerd zijn en dienen aan het leerlingendossier toegevoegd. Eventuele adviezen van de raad moeten ook gemotiveerd zijn.

Het verdient aanbeveling te beklemtonen dat, met inachtname van de toelatings- en overgangsvoorwaarden, voor de betrokken personen een wettelijk gewaarborgde vrijheid van studiekeuze geldt. Dit houdt in dat noch morele, noch fysieke druk op de betrokken personen of op de leerling van enigerlei zijde mag worden uitgeoefend bij het formuleren van de studiekeuze.

De toelatingsklassenraad is als volgt samengesteld :

1° ambtshalve stemgerechtigde leden die elk over één stem beschikken :

a) de directeur of een afgevaardigde van de directeur, die de toelatingsklassenraad voorzit;

b) minstens drie leden van het onderwijzend personeel van het leerjaar, de onderwijsvorm en de onderverdeling waarvoor de leerling opteert;

2° eventueel ambtshalve raadgevende leden, aangewezen door de voorzitter :

a) personeelsleden die in de school in kwestie betrekkingen in het ambt van adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator of technisch adviseur bekleden;

b) personeelsleden die in de school in kwestie behoren tot het ondersteunend personeel;

c) personeelsleden van de school in kwestie of andere personen dan personeelsleden van de school in kwestie die bij de psycho-sociale of pedagogische begeleiding van de leerlingen betrokken zijn. Onder deze categorie vallen ook de personeelsleden (al dan niet lesgevers) van de instelling(en) waar een instelling voor voltijds secundair onderwijs eventueel mee samenwerkt voor de organisatie van een Se-n-Se of van hoger beroepsonderwijs.

De ambtshalve raadgevende leden die topsportschoolcoördinator zijn of lesgever in de sportspecifieke trainingsarbeid en die door de respectieve sportfederaties ter beschikking zijn gesteld in studierichtingen met in de benaming de component "topsport", kunnen door de voorzitter bij het begin van het schooljaar als stemgerechtigde leden worden aangewezen.

De ambtshalve raadgevende leden die voordrachtgever zijn, kunnen door de voorzitter bij het begin van het schooljaar als stemgerechtigde leden worden aangewezen. In voorkomend geval bepaalt de voorzitter het stemgewicht per voordrachtgever, zodat kan worden vermeden dat het stemgewicht van een voordrachtgever met tijdelijke en beperkte opdracht disproportioneel is t.o.v. de stem van elke leraar.

Stemgerechtigde leden zijn verplicht om aan de klassenraadvergadering deel te nemen. Hiervan kan alleen worden afgeweken in geval van gewettigde afwezigheid of bewezen overmacht om op de klassenraadvergadering aanwezig te zijn.

De ongewettigde afwezigheid van een stemgerechtigd lid tast de rechtsgeldigheid van de genomen beslissing niet aan.

Geen enkel lid van de toelatingsklassenraad mag deelnemen aan enige beslissing betreffende een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad of betreffende een leerling aan wie hij privaatlessen of een schriftelijke cursus heeft gegeven.

In geval tot stemming wordt overgegaan (de voorzitter stemt telkens onmiddellijk mee) en het resultaat is een staking (= een gelijk aantal pro en contra) van stemmen, dan is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

8.2. De "begeleidende klassenraad".

De begeleidende klassenraad is belast met de vorming en de evaluatie van de vorderingen van een bepaalde groep leerlingen, met uitsluiting van de definitieve eindbeoordeling op het einde van het schooljaar die de studiebekrachtiging voorafgaat.

Regelmatige analyse van zowel leerresultaten, attitudes en desgevallend geconstateerde leermoeilijkheden van de leerling, moeten de meest adequate begeleiding tot gevolg hebben, een meer optimale oriëntering naar de geschikte onderverdeling(en) garanderen en tenslotte de mislukkingen in het secundair onderwijs verder doen dalen.

Welke middelen de begeleidende klassenraad bij zijn opdrachtuitoefening - altijd in het belang van de onderwijsgebruikers - aanwendt en welke doeleinden en criteria hij zich stelt, bepaalt de raad volledig autonoom. Het is echter evident dat hij in dit verband naar een positieve samenwerking streeft met de betrokken personen.

De directeur of zijn afgevaardigde, die het voorzitterschap waarneemt, bepaalt vrij de frequentie van de vergaderingen van de begeleidende klassenraad. Met het oog op de voortdurende observatie, de permanente evaluatie en de oriëntering van de leerlingen, is het wenselijk op regelmatige tijdstippen een vergadering te beleggen.

Naast de begeleidende functie heeft de begeleidende klassenraad ook een adviserende taak in het licht van de tuchtrechtspleging. Zo de tuchtmaatregel de definitieve uitsluiting behelst, dient voorafgaandelijk het advies van de begeleidende klassenraad te worden ingewonnen; ook kan de begeleidende klassenraad zelf een voorstel tot tuchtmaatregel formuleren, bevoegdheid die voor de hand ligt precies omdat het de begeleidende klassenraad is die de nauwste contacten met de leerlingen onderhoudt.

Bij de daadwerkelijke tuchtrechtspleging dient de begeleidende klassenraad zich steeds te beperken tot de feiten die ter discussie staan.

De begeleidende klassenraad is als volgt samengesteld :

1° ambtshalve stemgerechtigde leden die elk over één stem beschikken :

a) de directeur of een afgevaardigde van de directeur, die de begeleidende klassenraad voorzit;

b) de leden van het onderwijzend personeel die voldoen aan al de volgende voorwaarden :

1) ze verstrekken onderwijs aan de leerling tijdens het schooljaar in kwestie in een bepaald leerjaar, een bepaalde onderwijsvorm en onderverdeling;

2) ze zijn op de datum van de klassenraadvergadering in functie. Van die voorwaarde kan door de voorzitter worden afgeweken voor tijdelijke personeelsleden, met dien verstande dat het aantal stemgerechtigde leden er niet door kan worden uitgebreid;

c) in voorkomend geval voor seminaries of vakoverschrijdende projecten, voor de coördinatie of begeleiding van stages en de geïntegreerde proef : een stemgerechtigd lid dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 1°, b), of in 2°, c), en dat door de voorzitter is aangewezen bij het begin van het schooljaar;

2° eventueel ambtshalve raadgevende leden, aangewezen door de voorzitter :

a) personeelsleden die in de school in kwestie betrekkingen in het ambt van adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator of technisch adviseur bekleden;

b) personeelsleden die in de school in kwestie behoren tot het ondersteunend personeel;

c) personeelsleden van de school in kwestie of andere personen dan personeelsleden van de school in kwestie die bij de psycho-sociale of pedagogische begeleiding van de leerlingen betrokken zijn. Onder deze categorie vallen ook de personeelsleden (al dan niet lesgevers) van de instelling(en) waar een instelling voor voltijds secundair onderwijs eventueel mee samenwerkt voor de organisatie van een Se-n-Se of van hoger beroepsonderwijs.

De ambtshalve raadgevende leden die topsportschoolcoördinator zijn of lesgever in de sportspecifieke trainingsarbeid en die door de respectieve sportfederaties ter beschikking zijn gesteld in studierichtingen met in de benaming de component "topsport", kunnen door de voorzitter bij het begin van het schooljaar als stemgerechtigde leden worden aangewezen.

De ambtshalve raadgevende leden die voordrachtgever zijn, kunnen door de voorzitter bij het begin van het schooljaar als stemgerechtigde leden worden aangewezen. In voorkomend geval bepaalt de voorzitter het stemgewicht per voordrachtgever, zodat kan worden vermeden dat het stemgewicht van een voordrachtgever met tijdelijke en beperkte opdracht disproportioneel is t.o.v. de stem van elke leraar.

Stemgerechtigde leden zijn verplicht om aan de klassenraadvergadering deel te nemen. Hiervan kan alleen worden afgeweken in geval van gewettigde afwezigheid of bewezen overmacht om op de klassenraadvergadering aanwezig te zijn.

De ongewettigde afwezigheid van een stemgerechtigd lid tast de rechtsgeldigheid van de genomen beslissing niet aan.

Een lid dat, op het ogenblik dat de begeleidende klassenraad samenkomt, niet langer personeelslid is in de school in kwestie, kan niet verplicht worden om deel te nemen aan de vergadering. Bij niet-deelname is het lid gewettigd afwezig.

Geen enkel lid van de begeleidende klassenraad mag deelnemen aan enige beslissing betreffende een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad of betreffende een leerling aan wie hij privaatlessen of een schriftelijke cursus heeft gegeven.

In geval tot stemming wordt overgegaan (de voorzitter stemt telkens onmiddellijk mee) en het resultaat is een staking (= een gelijk aantal pro en contra) van stemmen, dan is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

Adviezen en beslissingen, die steeds moeten gemotiveerd zijn, maar ook de vaststellingen van de begeleidende klassenraad, worden aan het leerlingendossier toegevoegd.

8.3. De "delibererende klassenraad".

De delibererende klassenraad is verplicht op het einde van het schooljaar voor elke regelmatige leerling éénmalig te beslissen over het geslaagd of niet geslaagd zijn voor het geheel van de vorming. Op deze wijze kan aan geen enkele regelmatige leerling de studiebekrachtiging, onder welke vorm dan ook, worden onthouden. In de voorbereidende jaren op het hoger onderwijs worden evenwel geen beslissingen over het al dan niet geslaagd zijn voor het geheel van de vorming genomen. In een Se-n-Se worden deze beslissingen hetzij reeds genomen op het einde van het eerste semester indien de opleiding dan is voltooid, hetzij in dat schooljaar niet genomen indien de opleiding drie semesters duurt en derhalve doorloopt in het daaropvolgend schooljaar.

Bij de eindbeoordeling van een leerling dient er over gewaakt te worden dat alleen die elementen in aanmerking worden genomen die tot het vooraf afgebakende studiedomein behoren. Naarmate niet-cognitieve doelstellingen geacht worden te behoren tot het studiedomein kunnen deze uiteraard een element zijn in de studiebeoordeling, mits het schoolreglement dit duidelijk bepaalt.

Er moet evenwel steeds een strikte scheiding gewaarborgd worden tussen een disciplinaire beoordeling en een studiebeoordeling.

Om zijn opdracht behoorlijk te vervullen zal de delibererende klassenraad zich laten leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling. Dit dossier bevat, in voorkomend geval :

- resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen;

- de resultaten van de geïntegreerde proef;

- de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad.

Van de beslissingen van de delibererende klassenraad wordt een proces-verbaal opgemaakt en worden er notulen gehouden.

Het proces-verbaal bevat de lijst van de geslaagde en niet-geslaagde leerlingen.

De notulen bevatten een synthese van de elementen die tot de beslissingen hebben geleid, waaronder eventueel het resultaat van de stemming.

Zowel het proces-verbaal als de notulen worden door de voorzitter en drie leden van de raad ondertekend.

De processen-verbaal en de notulen dienen gedurende dertig jaar bewaard.

Op de problematiek der processen-verbaal wordt verder ingegaan in rubriek 10.2.5.

De delibererende klassenraad is als volgt samengesteld :

1° ambtshalve stemgerechtigde leden die elk over één stem beschikken :

a) de directeur of een afgevaardigde van de directeur, die de delibererende klassenraad voorzit;

b) de leden van het onderwijzend personeel die voldoen aan al de volgende voorwaarden :

1) ze hebben onderwijs verstrekt aan de leerling tijdens het schooljaar in kwestie in een bepaald leerjaar, een bepaalde onderwijsvorm en onderverdeling;

2) ze zijn op de deliberatiedatum in functie. Van die voorwaarde kan door de voorzitter worden afgeweken voor tijdelijke personeelsleden, met dien verstande dat het aantal stemgerechtigde leden er niet door kan worden uitgebreid;

c) in voorkomend geval voor seminaries of vakoverschrijdende projecten, voor de coördinatie of begeleiding van stages en de geïntegreerde proef : een stemgerechtigd lid dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 1°, b), of in 2°, c), en dat door de voorzitter is aangewezen bij het begin van het schooljaar;

2° eventueel ambtshalve raadgevende leden, aangewezen door de voorzitter :

a) personeelsleden die in de school in kwestie betrekkingen in het ambt van adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator of technisch adviseur bekleden;

b) personeelsleden die in de school in kwestie behoren tot het ondersteunend personeel;

c) personeelsleden van de school in kwestie of andere personen dan personeelsleden van de school in kwestie die bij de psycho-sociale of pedagogische begeleiding van de leerlingen betrokken zijn. Onder deze categorie vallen ook de personeelsleden (al dan niet lesgevers) van de instelling(en) waar een instelling voor voltijds secundair onderwijs eventueel mee samenwerkt voor de organisatie van een Se-n-Se of van hoger beroepsonderwijs.

De ambtshalve raadgevende leden die topsportschoolcoördinator zijn of lesgever in de sportspecifieke trainingsarbeid en die door de respectieve sportfederaties ter beschikking zijn gesteld in studierichtingen met in de benaming de component "topsport", kunnen door de voorzitter bij het begin van het schooljaar als stemgerechtigde leden worden aangewezen.

De ambtshalve raadgevende leden die voordrachtgever zijn, kunnen door de voorzitter bij het begin van het schooljaar als stemgerechtigde leden worden aangewezen. In voorkomend geval bepaalt de voorzitter het stemgewicht per voordrachtgever, zodat kan worden vermeden dat het stemgewicht van een voordrachtgever met tijdelijke en beperkte opdracht disproportioneel is t.o.v. de stem van elke leraar.

Stemgerechtigde leden zijn verplicht om aan de deliberatie deel te nemen. Hiervan kan alleen worden afgeweken in geval van gewettigde afwezigheid of bewezen overmacht om op de klassenraadvergadering aanwezig te zijn.

De ongewettigde afwezigheid van een stemgerechtigd lid tast de rechtsgeldigheid van de genomen beslissing niet aan.

Een lid dat, op het ogenblik dat de delibererende klassenraad samenkomt, niet langer personeelslid is in de school in kwestie, kan niet verplicht worden om deel te nemen aan de vergadering. Bij niet-deelname is het lid gewettigd afwezig.

Geen enkel lid van de delibererende klassenraad mag deelnemen aan enige beslissing betreffende een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad of betreffende een leerling aan wie hij privaatlessen of een schriftelijke cursus heeft gegeven.

In geval tot stemming wordt overgegaan (de voorzitter stemt telkens onmiddellijk mee) en het resultaat is een staking (= een gelijk aantal pro en contra) van stemmen, dan is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

Beslissingen van de delibererende klassenraad hebben voor eenieder een bindend karakter, onverminderd de mogelijkheid voor het schoolbestuur om dergelijke beslissingen door de delibererende klassenraad opnieuw te laten overwegen en de mogelijkheid van de betrokken personen deze beslissingen te betwisten; op deze problematiek wordt uitvoeriger ingegaan in de rubrieken 11. en 12. van deze omzendbrief.

Benevens voornoemde "eind"beslissingen, is de delibererende klassenraad ook bevoegd aansluitende adviezen te verstrekken, o.a. :

- raadgevingen inzake studie- en werkmethoden;

- een waarschuwing voor vak(ken) waaraan het volgend schooljaar extra aandacht dient te worden geschonken;

- concrete individuele suggesties om vastgestelde tekorten of zwakke punten weg te werken;

- suggesties voor het verderzetten van de studies.

Adviezen van de delibererende klassenraad zijn niet bindend.

9. De toelatings- en overgangsvoorwaarden.

9.1. Algemene beginselen.

9.1.1. Bij toelating van een leerling tot een bepaald leerjaar overeenkomstig de toelatingsvoorwaarden, mag enkel rekening worden gehouden met het oriënteringsattest (en de daarop eventueel vermelde beperkingen) van het onmiddellijk lager leerjaar of van hetzelfde leerjaar indien het gaat om de overgang van het beroepsvoorbereidend leerjaar naar het tweede leerjaar van de eerste graad of de overgang van het beroepssecundair onderwijs naar het algemeen, het technisch of het kunstsecundair onderwijs (deze rubriek is niet van toepassing op de toelating tot het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B).

9.1.2. Een leerling die evenwel voor eenzelfde leerjaar over meer dan één oriënteringsattest beschikt ingevolge het overzitten van dit leerjaar, mag zich op het meest gunstige oriënteringsattest beroepen voor de toelating tot het hoger leerjaar.

Indien in eenzelfde leerjaar verschillende toelatingsmogelijkheden (toelatingsvoorwaarden) fungeren, dan kan steeds worden teruggevallen op de meest gunstige.

Voor een leerling die voor de examencommissie van de Vlaamse gemeenschap een getuigschrift heeft behaald, wordt gedaan alsof hij het oriënteringsattest A bezit van het structuuronderdeel waarover hij met vrucht proeven heeft afgelegd. Op deze wijze kan worden vastgesteld aan welke toelatingsvoorwaarden hij beantwoordt.

9.1.3. Voor de leerling die het leerjaar dat hij met vrucht heeft beëindigd, wenst te herbeginnen in een andere onderwijsvorm en/of onderverdeling waarin hij niet werd toegelaten ingevolge de beperking vermeld op het oriënteringsattest B van het onmiddellijk lager leerjaar, kan de toelatingsklassenraad van het leerjaar, de onderwijsvorm en de onderverdeling waarvoor geopteerd wordt, deze beperking opheffen.

9.1.4. Voor de goede orde wordt benadrukt dat de voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar, uitsluitend betrekking hebben op gevolgde studies en geenszins op de school die wordt bezocht. Een eventuele wijziging van school tijdens eenzelfde schooljaar wordt van overheidswege onder geen beding aan banden gelegd voor zover uiteraard de eerder bedoelde voorwaarden worden gerespecteerd.

9.1.5. Behoudens voor enkele situaties binnen de eerste graad, zijn overgangsvoorwaarden van toepassing op studieveranderingen in de loop van het schooljaar binnen hetzelfde leerjaarniveau. Studieveranderingen in de loop van het schooljaar tussen leerjaren (van een hoger naar een lager leerjaar of omgekeerd), steeds rekening houdend met de toelatingsvoorwaarden, vallen onder de regelgeving op afwezigheden en niet onder de overgangsvoorwaarden. Dit betekent dat er geen uiterste datum voor dergelijke veranderingen vastligt, maar dat de beslissingsbevoegdheid bij de school ligt om de periode van het schooljaar waarin de leerling nog niet was ingeschreven in het leerjaar waar hij naartoe wil, al dan niet als een gewettigde afwezigheidsperiode te beschouwen (cfr. toepassing van de omzendbrief SO/2005/04). Naast het beantwoorden aan de toelatingsvoorwaarden, is die wettiging noodzakelijk voor de regelmatigheid van de leerling.

9.1.6. Voor leerlingen die niet aan de toelatingsvoorwaarden tot het eerste leerjaar van de eerste, tweede of derde graad beantwoorden, bestaat een mogelijkheid tot studieregularisatie - zonder jaarverlies - via deelname aan een door de overheid ingestelde examencommissie.

Concreet gesteld. Indien een leerling als vrije leerling tot het eerste leerjaar van de tweede graad wordt toegelaten en hij vóór het einde van de tweede graad via de examencommissie het getuigschrift van de eerste graad behaalt, dan wordt zijn doorlopen tweede graad geregulariseerd. Dit betekent dat de leerling met terugwerkende kracht als regelmatig wordt beschouwd en hij aanspraak maakt op de studiebekrachtiging, terwijl hij in het betrokken schooljaar ook alsnog op 1 februari in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van de financiering of subsidiëring.

De voorwaarde is dan wel dat hij, precies zoals een regelmatige leerling, alle lessen daadwerkelijk heeft gevolgd vanaf 1 september, behoudens gewettigde afwezigheid in de loop van het schooljaar.

Indien het getuigschrift van de eerste graad bij het einde van het eerste leerjaar van de tweede graad nog niet werd behaald, dan dient de leerling door de delibererende klassenraad als geslaagd beschouwd om naar het tweede leerjaar van de tweede graad te kunnen overgaan.

Op het proces-verbaal van de eindbeslissingen van de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de tweede graad dient deze leerling dan ook effectief voor te komen, zij het met vermelding van een tijdelijk voorbehoud in afwachting van een slagen voor de examencommissie. Het oriënteringsattest van dit eerste leerjaar kan vanzelfsprekend pas na het slagen voor de examencommissie worden verleend.

Voor wat betreft het niveau eerste graad en het verwerven van het onderliggend getuigschrift van basisonderwijs via een examencommissie, respectievelijk het niveau derde graad en het verwerven van het onderliggend getuigschrift van de tweede graad, geldt een analoge redenering.

9.1.7. Elke beslissing van de toelatingsklassenraad over een bepaald leerjaar en een bepaalde onderverdeling moet uiterlijk genomen worden op 10 september van het schooljaar in kwestie. Als de regelmatige lesbijwoning, behoudens gewettigde afwezigheid, evenwel na 10 september aanvangt, dan moet de beslissing van de toelatingsklassenraad binnen vijf lesdagen worden genomen. In afwijking hierop wordt de beslissing genomen binnen 25 lesdagen na aanvang der lesbijwoning bij instap vanuit een niet-Vlaamse school. Daarnaast wordt - met uitzondering van het eerste leerjaar A en B en het specialisatiejaar thuis-en bejaardenzorg/zorgkundige (bso) - bij overstap van opleidingsvorm 1, 2 of 3 naar opleidingsvorm 4 de beslissing genomen uiterlijk binnen de 10 lesdagen na aanvang der lesbijwoning.

9.1.8. Bij verandering van school in de loop van het schooljaar wordt de gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad overgedragen naar de nieuwe school, tenzij kennelijk blijkt dat deze gunstige beslissing werd verkregen zonder dat de leerling het oogmerk had om in de desbetreffende school daadwerkelijk en regelmatig de lessen te volgen. In dat laatste geval zal de toelatingsklassenraad van de nieuwe school bevoegd zijn om zelf een beslissing te nemen.

9.1.9. Indien een leerling tot een bepaald structuuronderdeel werd toegelaten na beslissing van de toelatingsklassenraad en in dit structuuronderdeel een oriënteringsattest B of C (= niet geslaagd) heeft behaald, dan primeert een onvoorwaardelijk recht op overzitten in datzelfde structuuronderdeel. Dit betekent dat in geval van overzitten van desbetreffend structuuronderdeel in dezelfde of een andere school, de toelatingsklassenraad niet opnieuw een beslissing neemt, maar dat de initiële beslissing onverkort blijft gelden. Het is enkel indien de leerling vroeger uit een structuuronderdeel stapt, dat bij eventueel overzitten tijdens een later schooljaar in dezelfde of een andere school de toelatingsklassenraad opnieuw een beslissing zal formuleren.

9.1.10. Rekening houdend met de decreetgeving met betrekking tot het inschrijvingsrecht moet, als een vraag tot inschrijving is gesteld, een school nagaan in welke mate de leerling recht heeft op een inschrijving. De gronden op basis waarvan een inschrijving van een leerling kan worden geweigerd, zijn opgenomen in de omzendbrief SO/2012/01.

9.1.11. Er worden vanaf 1 januari 2015, voor inschrijvingen vanaf het schooljaar 2015-2016, geen inschrijvingsverslagen buitengewoon onderwijs meer opgemaakt, maar enkel nog "verslagen" voor toegang tot buitengewoon onderwijs en "gemotiveerde verslagen" die recht geven op geïntegreerd onderwijs (GON).

  • VERSLAG :

Een leerling met een verslag die zich wil inschrijven in een school voor gewoon secundair onderwijs wordt steeds ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. De omzendbrief SO/2012/01 (rubriek 10.1.5) geeft meer informatie over deze inschrijving onder ontbindende voorwaarde en de eraan gekoppelde beoordeling van de redelijkheid van aanpassingen. Na een overleg tussen de klassenraad, het CLB en de ouders moet een beslissing van de school volgen of de leerling wel of niet, met aanpassingen, een gemeenschappelijk curriculum kan volgen.

Het overleg over de redelijkheid van de aanpassingen moet meteen na de inschrijving (onder ontbindende voorwaarde) opgestart worden en moet binnen een redelijke termijn tot een beslissing leiden. Hoewel het kan dat die beslissing er al is vóór de start van de effectieve lesbijwoning, moet ze alleszins worden genomen uiterlijk 60 kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning.

Is die beslissing gunstig, dan moet in tweede instantie vastgesteld worden of de leerling aan de toelatingsvoorwaarden (voor regelmatige leerling) voldoet. Deze zijn:

1) voor overstappen van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 1, 2 of 3, naar het voltijds gewoon secundair onderwijs (uitgezonderd eerste leerjaar A en B en uitgezonderd het specialisatiejaar thuis- en bejaardenzorg/zorgkundige) met het oog op het volgen van het gemeenschappelijk curriculum:

- gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, rekening houdend met het advies van de klassenraad van het buitengewoon onderwijs (voor zover er een advies is uitgebracht). Die beslissing moet worden genomen eveneens binnen de hierboven vermelde termijn van 60 kalenderdagen. In de motivering van de beslissing van de toelatingsklassenraad wordt opgenomen waarom er, in voorkomend geval, is afgeweken van het advies vanuit het buitengewoon onderwijs. De gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad kan voorafgegaan worden door een of meer ongunstige beslissingen van andere toelatingsklassenraden;

- onverminderd de eventuele bijzondere toelatingsvoorwaarden die gelden voor bepaalde structuuronderdelen (bv. medisch geschikt zijn bevonden …);

2) voor overstappen van het buitengewoon onderwijs naar het eerste leerjaar A resp. het eerste leerjaar B met het oog op het volgen van het gemeenschappelijk curriculum: voldoen aan de voorwaarden van de rubriek 9.2.1.1. resp. 9.2.2.1.;

3) voor het specialisatiejaar thuis- en bejaardenzorg/zorgkundige gelden enkel de toelatingsvoorwaarden van rubriek 9.2.18.1., zodat overstappen van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 1, 2 of 3 naar het specialisatiejaar thuis- en bejaardenzorg/zorgkundige niet mogelijk zijn.

Als de leerling aan de toelatingsvoorwaarden voldoet (en voor zover dit nog niet is gebeurd) moet in derde instantie het verslag van deze leerling door het CLB worden opgeheven.

Wanneer het verslag niet wordt opgeheven omwille van onredelijkheid van aanpassingen of omwille van het feit dat de toelatingsklassenraad of –raden waarop beroep is gedaan geen gunstige beslissing hebben genomen, kan de leerling enkel een individueel aangepast curriculum volgen. Voor instap in het voltijds gewoon secundair onderwijs met het oog op het volgen van een individueel aangepast curriculum (cfr. rubriek 3.7.1., b) gelden als toelatingsvoorwaarden (voor regelmatige leerling) de voorwaarden van de rubriek 9.2.1.1. of 9.2.2.1. Dit betekent niet per se dat de leerling effectief in het eerste leerjaar A of B moet instappen: het zijn namelijk de betrokken personen die beslissen in welk structuuronderdeel de leerling wordt ingeschreven, zij het na kennisname van het advies van de toelatingsklassenraad. Het zijn ook de betrokken personen die later beslissen over de studievoortgang van de leerling, steeds op basis van een individueel curriculum en telkens na kennisname van het advies van de begeleidende of delibererende klassenraad, naargelang van het geval.

  • GEMOTIVEERD VERSLAG

Een leerling die beschikt over een "gemotiveerd verslag" heeft onverkort recht op inschrijving in een school voor gewoon secundair onderwijs. Deze leerling kan m.a.w. niet geweigerd worden op basis van onredelijkheid van aanpassingen. De leerling volgt steeds een gemeenschappelijk curriculum.

Wanneer voor een leerling met een verslag een gemotiveerd verslag wordt opgemaakt, vervalt het verslag automatisch.

  • INSCHRIJVINGSVERSLAG (overgangsmaatregelen)

Voor een leerling die in het gewoon onderwijs met een inschrijvingsverslag binnen eenzelfde onderwijsniveau (i.c. SO) van school verandert, zonder daarbij een verslag dan wel gemotiveerd verslag volgens de nieuwe criteria te laten opmaken door het CLB, gelden specifieke overgangsmaatregelen:

a) voor een leerling met een inschrijvingsverslag in het kader van GON geldt onverkort recht op inschrijving. De leerling kan m.a.w. niet geweigerd worden op basis van onredelijkheid van aanpassingen;

b) voor een leerling met een inschrijvingsverslag opgemaakt met het oog op toegang tot het buitengewoon onderwijs of inclusief onderwijs (ION) geldt steeds een inschrijving onder ontbindende voorwaarde en de daaraan gekoppelde beoordeling van de redelijkheid van aanpassingen. Indien deze leerling met aanpassingen een gemeenschappelijk curriculum kan volgen, dan moet het inschrijvingsverslag worden opgeheven. Wanneer echter de leerling een individueel aangepast curriculum zal volgen, is een “verslag” van het CLB vereist, opgemaakt volgens de nieuwe criteria.

9.1.12. Voor leerlingen die rechtstreeks overkomen uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) gebeurt de instap op basis van een beslissing van de toelatingsklassenraad, zoals verder in deze omzendbrief bij de toelatingsvoorwaarden tot de respectieve leerjaren vermeld. Het overkomen uit een niet-Vlaamse school is evenwel een momentopname en kan inhouden dat de leerling in kwestie toch reeds eerder in zijn loopbaan een aantal schooljaren basis- of secundair onderwijs in Vlaanderen heeft gevolgd die tot studiebewijzen hebben geleid waarvan de rechtsgeldigheid gehandhaafd blijft.

9.1.13. Vanaf het schooljaar 2014-2015 wordt, en dit voor het eerst in het voltijds gewoon secundair onderwijs, een maximumleeftijd als algemene toegangsvoorwaarde ingevoegd. Pedagogische en didactische redenen liggen hier aan de grondslag van. Voor volwassenen zijn er trouwens andere mogelijkheden om studiebewijzen secundair onderwijs te behalen. Concreet wordt het voltijds gewoon secundair onderwijs toegankelijk voor leerlingen die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt en het kan worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin de leeftijd van 25 jaar wordt bereikt. Indien de leeftijdsgrens is bereikt, kan ook niet worden overgezeten !

Aandacht : deze leeftijdsgrens is niet van toepassing op :

1) de derde leerjaren van de derde graad, nl. de voorbereidende jaren op het hoger onderwijs, de Se-n-Se, de specialisatiejaren, het naamloos leerjaar en volgende opleidingen van de derde graad TSO:

- optiektechnieken

- orthopedietechnieken

- tandtechnieken;

2) opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs, dat weliswaar dezelfde structuren en organisatie heeft als het voltijds gewoon secundair onderwijs doch niet als gewoon secundair onderwijs wordt aangeduid; voor het buitengewoon secundair onderwijs is een andere regeling inzake maximumleeftijd van kracht;

3) het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers waarvoor andere leeftijdsgrenzen gelden (cfr. omzendbrief SO 75);

4) de leerlingen die tijdens het schooljaar 2013-2014 voltijds gewoon secundair onderwijs hebben gevolgd en vanaf het schooljaar 2014-2015 hun secundaire studies verderzetten (eventueel door over te zitten).

9.1.14. De toelatingsklassenraad kan de beperkingen die voortvloeien uit een oriënteringsattest B of C, uitgereikt in het onderliggend leerjaar, opheffen en de leerling alsnog toelating verlenen tot een bepaald structuuronderdeel, onder de volgende voorwaarde.

De voltallig samengestelde toelatingsklassenraad baseert zich op opleidingsonderdelen die de leerling met vrucht heeft beëindigd in het regulier onderwijs buiten het voltijds gewoon secundair onderwijs (i.c. volwassenenonderwijs, deeltijds beroepssecundair onderwijs, …) of voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het secundair onderwijs. De toelatingsklassenraad zal daarbij nagaan of het met vrucht gevolgd hebben van desbetreffende opleidingsonderdelen aantoont dat de initiële tekorten die tot het B- of C-attest hebben geleid, niet meer aan de orde zijn. Dit betekent dat de leerling tijdelijk uit het voltijds gewoon secundair onderwijs moet zijn gestapt en zijn overgegaan naar het volwassenenonderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs, de examencommissie …. alwaar bepaalde opleidingsonderdelen met vrucht werden beëindigd. Bij herinschrijving in het voltijds gewoon secundair onderwijs is onderhavige maatregel dan van toepassing. Het betreft dus, voor alle duidelijkheid, geen studieregularisatie van een periode dat de lessen in het voltijds gewoon secundair onderwijs als vrije leerling werden gevolgd.

Let op : het B- of C-attest blijft fysiek bestaan en wordt niet vervangen na een eventuele gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad tot instap in het hoger leerjaar !

9.2. Specifieke toelatings- en overgangsvoorwaarden tot de onderscheiden leerjaren en onderwijsvormen voor regelmatige leerlingen.

(Zie ook rubriek 9.1.11).

9.2.1. Eerste leerjaar A.

9.2.1.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de houders van het getuigschrift van basisonderwijs, behaald in het gewoon of buitengewoon onderwijs;

2° de regelmatige leerlingen die het zesde leerjaar van het gewoon lager onderwijs hebben beëindigd doch niet met vrucht, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad;

b) akkoord van de betrokken personen, die vooraf het advies van het C.L.B. moeten hebben ontvangen;

3° in afwijking op 1° en 2°, de leerling die voldoet aan de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad op basis van screening van de leerling;

b) akkoord van de betrokken personen.

Het schoolbestuur beslist of de school gebruik maakt van deze afwijkingsmogelijkheid, die ertoe strekt a) rekening te houden in individuele gevallen met specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten en b) meer individuele leertrajecten aan te bieden;

4° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor een school met in de bovenbouw uitsluitend het studiegebied ballet kan (dus geen verplichting) de school bovendien, als bijkomende algemene toelatingsvoorwaarde eisen dat de leerling positief werd geëvalueerd door de toelatingsklassenraad op een door de school georganiseerde geschiktheidsproef. Die geschiktheidsproef is éénmalig en geldt voor de duur van de balletopleiding, onverminderd de mogelijkheid tot één herkansing voor de leerling die negatief is geëvalueerd. De proef peilt naar de artistieke aanleg van de leerling. In deze situatie moeten in de toelatingsklassenraad ambtshalve raadgevende externe deskundigen worden opgenomen. Het aantal externe deskundigen wordt door de school bepaald; deze deskundigen mogen geen voordrachtgever in de betrokken school zijn.

9.2.1.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.1.1, zijn tot en met 15 november toegelaten :

1° de overgang van het eerste leerjaar B naar het eerste leerjaar A, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de begeleidende klassenraad van het eerste leerjaar B;

b) akkoord van de betrokken personen;

2° de overgang van het beroepsvoorbereidend leerjaar naar het eerste leerjaar A, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de begeleidende klassenraad van het beroepsvoorbereidend leerjaar;

b) akkoord van de betrokken personen;

c) reeds een eerste leerjaar A of een eerste leerjaar B te hebben beëindigd.

Voor uitzonderlijke gevallen kan de toelatingsklassenraad afwijken van voornoemde datum.

Voor uitzonderlijke gevallen kan de toelatingsklassenraad ook afwijken van de voorwaarde in 2°, c), hiervoor.

9.2.2. Eerste leerjaar B.

9.2.2.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het zesde leerjaar van het gewoon lager onderwijs hebben beëindigd, doch niet met vrucht;

2° de leerlingen die het zesde leerjaar van het gewoon lager onderwijs niet hebben gevolgd of niet hebben beëindigd, onder de volgende voorwaarde :

uiterlijk op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar de leeftijd van 12 jaar bereiken;

3° de houders van het getuigschrift van basisonderwijs, behaald in het gewoon of buitengewoon onderwijs, onder de volgende voorwaarde :

akkoord van de betrokken personen die vooraf het advies van het C.L.B. moeten hebben ontvangen;

4° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Punt 2° hierboven primeert evenwel op punt 4° !

9.2.2.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.2.1, is tot en met 15 januari toegelaten :

de overgang van het eerste leerjaar A naar het eerste leerjaar B, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de begeleidende klassenraad van het eerste leerjaar A;

b) akkoord van de betrokken personen.

Voor uitzonderlijke gevallen kan de toelatingsklassenraad afwijken van voornoemde datum.

9.2.3. Tweede leerjaar van de eerste graad.

9.2.3.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar A met vrucht hebben beëindigd;

2° de regelmatige leerlingen die het beroepsvoorbereidend leerjaar met vrucht hebben beëindigd onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad;

3° in afwijking op 1° en 2°, de leerling die in het onderliggend leerjaar tekorten heeft voor bepaalde programmaonderdelen en op voorwaarde dat de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt na overleg met de delibererende klassenraad van het structuuronderdeel waaruit de leerling komt.

Het schoolbestuur beslist of de school gebruik maakt van deze afwijkingsmogelijkheid, die ertoe strekt a) rekening te houden in individuele gevallen met specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten en b) meer individuele leertrajecten aan te bieden.

In voorkomend geval gelden volgende uitzonderlijke modaliteiten :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) moeten de tekorten voor bepaalde programmaonderdelen in het eerste leerjaar worden weggewerkt vóór het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie waarvoor de leerling toelating heeft verkregen (bv. via remediëring, bijkomende opdrachten, ...);

c) wordt in het eerste leerjaar van de graad in kwestie de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;

d) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie toch om een oriënteringsattest toe te kennen indien de leerling, zonder dat zijn tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een structuuronderdeel van dezelfde of een andere school waar niet gebruikgemaakt wordt van deze afwijkingsmogelijkheid. Indien deze beslissing pas wordt genomen in de loop van het schooljaar waarin de leerling al in het tweede leerjaar van de graad in kwestie zit, omdat hij dan pas voornoemde overstap zet, én die beslissing wordt door de betrokken personen betwist, dan blijft de procedure beschreven in rubriek 11 van deze omzendbrief van toepassing; rekening houdend met het principe van de redelijkheid bepaalt het schoolbestuur evenwel zelf de termijnen die inherent zijn aan die procedure;

e) beslist de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest A van het eerste leerjaar van die graad toe te kennen aan elke leerling die de tekorten van het eerste leerjaar heeft weggewerkt doch niet geslaagd is in het tweede leerjaar. Bij die toekenning in een eerste leerjaar van de eerste graad wordt een getuigschrift van basisonderwijs gevoegd, voor zover de leerling dat nog niet in zijn bezit heeft;

f) wordt op het einde van het tweede leerjaar van de eerste graad aan elke leerling, voor zover hij het nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van het basisonderwijs uitgereikt indien de leerling dat tweede leerjaar van de eerste graad met vrucht heeft beëindigd;

4° de leerling die houder is van een attest van regelmatige lesbijwoning over het eerste leerjaar van deze graad binnen het systeem van uitstel van de delibererende klassenraad tot het einde van desbetreffende graad zoals beschreven in rubriek 10.1.2.;

5° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor de basisoptie topsport moeten de leerlingen bovendien voor het betrokken schooljaar een topsportstatuut A of B hebben verkregen van de selectiecommissie voor de betrokken sportdiscipline overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector. Deze toekenning houdt geen garantie in dat de topsportrichting het schooljaar nadien verder kan worden gevolgd.

Voor de basisoptie ballet kan (dus geen verplichting) de school bovendien, als bijkomende algemene toelatingsvoorwaarde, eisen dat de leerling positief werd geëvalueerd door de toelatingsklassenraad op een door de school georganiseerde geschiktheidsproef. Die geschiktheidsproef is eenmalig en geldt voor de duur van de opleiding, onverminderd de mogelijkheid tot één herkansing voor de leerling die negatief is geëvalueerd. De proef peilt naar de artistieke aanleg van de leerling. In deze situatie moeten in de toelatingsklassenraad ambtshalve raadgevende externe deskundigen worden opgenomen. Het aantal externe deskundigen wordt door de school bepaald; deze deskundigen mogen geen voordrachtgever in de betrokken school zijn.

Voor de basisopties (zie bijlage 18) waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten. Onderhavige regeling is van toepassing op leerlingen die met een desbetreffende opleiding starten vanaf het schooljaar 2008-2009 of later en is dus niet van toepassing op die leerlingen die een desbetreffende opleiding al volgden tot het einde van het schooljaar 2007-2008.

9.2.3.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.3.1, zijn tot en met 15 januari toegelaten :

1° de overgang van het beroepsvoorbereidend leerjaar naar het tweede leerjaar van de eerste graad;

2° de verandering van basisoptie in het tweede leerjaar van de eerste graad.

Voor uitzonderlijke gevallen kan de toelatingsklassenraad afwijken van voornoemde datum.

9.2.4. Beroepsvoorbereidend leerjaar.

9.2.4.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B hebben beëindigd (dus niet noodzakelijk met vrucht);

2° de leerlingen die uiterlijk op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar de leeftijd van 14 jaar bereiken, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad.

Aandacht :

de leerlingen die op basis van leeftijd toegelaten worden, blijven voltijds leerplichtig tot het bereiken van de leeftijd van 16 jaar; de wet van 29 juni 1983 op de leerplicht stelt immers dat de voltijdse leerplicht slechts tot het bereiken van de leeftijd van 15 jaar duurt voor zover de leerling reeds twee leerjaren secundair onderwijs heeft gevolgd. De betrokken ouders dienen hiervan bij de inschrijving en eventueel bevestigd via het schoolreglement uitdrukkelijk in kennis gesteld;

de mogelijkheid van toelating op basis van leeftijd ontslaat de (begeleidende) klassenraad van het beroepsvoorbereidend leerjaar niet van de verplichting om voor bedoelde leerlingen het geheel van ontwikkelingsdoelen van de eerste graad na te streven;

3° de leerling die houder is van een attest van regelmatige lesbijwoning over het eerste leerjaar van deze graad binnen het systeem van uitstel van de delibererende klassenraad tot het einde van desbetreffende graad zoals beschreven in rubriek 10.1.2.;

4° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor de beroepenvelden (zie bijlage 18) waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten. Onderhavige regeling is van toepassing op leerlingen die met een desbetreffende opleiding starten vanaf het schooljaar 2008-2009 of later en is dus niet van toepassing op die leerlingen die een desbetreffende opleiding al volgden tot het einde van het schooljaar 2007-2008.

9.2.4.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zijn tot en met 15 januari toegelaten :

1° de overgang van het tweede leerjaar van de eerste graad naar het beroepsvoorbereidend leerjaar;

2° de overgang van het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B naar het beroepsvoorbereidend leerjaar, onder de volgende voorwaarde :

reeds vroeger een eerste leerjaar A of een eerste leerjaar B te hebben beëindigd;

3° de verandering van beroepenveld of combinatie van twee beroepenvelden in het beroepsvoorbereidend leerjaar.

Voor uitzonderlijke gevallen kan de toelatingsklassenraad afwijken van voornoemde datum.

Voor uitzonderlijke gevallen kan de toelatingsklassenraad ook afwijken van de voorwaarde in 2° hiervoor.

9.2.5. Eerste leerjaar van de tweede graad A.S.O. T.S.O. K.S.O.

9.2.5.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het tweede leerjaar van de eerste graad met vrucht hebben beëindigd;

2° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad;

3° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor de studierichtingen ASO en TSO met een component topsport moeten de leerlingen bovendien voor het betrokken schooljaar een topsportstatuut A of B hebben verkregen van de selectiecommissie voor de betrokken sportdiscipline overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector. Deze toekenning houdt geen garantie in dat de topsportrichting het schooljaar nadien verder kan worden gevolgd.

Voor alle KSO-studierichtingen van de studiegebieden ballet en podiumkunsten, kan (dus geen verplichting) de school bovendien, als bijkomende algemene toelatingsvoorwaarde, eisen dat de leerling positief werd geëvalueerd door de toelatingsklassenraad op een door de school georganiseerde geschiktheidsproef. Die geschiktheidsproef is eenmalig en geldt voor de duur van de opleiding, onverminderd de mogelijkheid tot één herkansing voor de leerling die negatief is geëvalueerd. De proef peilt naar de artistieke aanleg van de leerling. In deze situatie moeten in de toelatingsklassenraad ambtshalve raadgevende externe deskundigen worden opgenomen. Het aantal externe deskundigen wordt door de school bepaald; deze deskundigen mogen geen voordrachtgever in de betrokken school zijn.

Voor de studierichtingen (zie bijlage 18) waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten. Onderhavige regeling is van toepassing op leerlingen die met een desbetreffende opleiding starten vanaf het schooljaar 2008-2009 of later en is dus niet van toepassing op die leerlingen die een desbetreffende opleiding al volgden tot het einde van het schooljaar 2007-2008.

9.2.5.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.5.1, is tot en met 15 januari toegelaten :

de verandering van onderwijsvorm en/of studierichting binnen hetzelfde leerjaar.

Voor uitzonderlijke gevallen kan de toelatingsklassenraad afwijken van voornoemde datum.

Eveneens in afwijking van voornoemde datum is enerzijds de overgang van de studierichting wetenschappen-topsport A.S.O. naar wetenschappen (mét variant sport) A.S.O. of omgekeerd en anderzijds de overgang van een studierichting T.S.O. met component topsport naar lichamelijke opvoeding en sport T.S.O. of omgekeerd, gedurende het volledig schooljaar van rechtswege toegelaten. Idem voor wat betreft de overgang tussen studierichtingen TSO met component topsport.

9.2.6. Eerste leerjaar van de tweede graad B.S.O.

9.2.6.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het tweede leerjaar van de eerste graad of het beroepsvoorbereidend leerjaar met vrucht hebben beëindigd;

2° de leerlingen die uiterlijk op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar de leeftijd van 15 jaar bereiken, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad;

3° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor de studierichtingen BSO met een component topsport moeten de leerlingen bovendien voor het betrokken schooljaar een topsportstatuut A of B hebben verkregen van de selectiecommissie voor de betrokken sportdiscipline overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector. Deze toekenning houdt geen garantie in dat de topsportrichting het schooljaar nadien verder kan worden gevolgd.

Voor de studierichtingen (zie bijlage 18) waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten. Onderhavige regeling is van toepassing op leerlingen die met een desbetreffende opleiding starten vanaf het schooljaar 2008-2009 of later en is dus niet van toepassing op die leerlingen die een desbetreffende opleiding al volgden tot het einde van het schooljaar 2007-2008.

9.2.6.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.6.1, is tot en met 15 januari toegelaten :

de verandering van onderwijsvorm en/of studierichting binnen hetzelfde leerjaar.

Voor uitzonderlijke gevallen kan de toelatingsklassenraad afwijken van voornoemde datum.

9.2.7. Tweede leerjaar van de tweede graad A.S.O. T.S.O. K.S.O.

9.2.7.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de tweede graad van het algemeen, het technisch of het kunstsecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd;

2° de regelmatige leerlingen die het tweede leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad;

3° in afwijking op 1° en 2°, de leerling die in het onderliggend leerjaar tekorten heeft voor bepaalde programmaonderdelen en op voorwaarde dat de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt na overleg met de delibererende klassenraad van het structuuronderdeel waaruit de leerling komt.

Het schoolbestuur beslist of de school gebruik maakt van deze afwijkingsmogelijkheid, die ertoe strekt a) rekening te houden in individuele gevallen met specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten en b) meer individuele leertrajecten aan te bieden.

In voorkomend geval gelden volgende uitzonderlijke modaliteiten :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) moeten de tekorten voor bepaalde programmaonderdelen in het eerste leerjaar worden weggewerkt vóór het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie waarvoor de leerling toelating heeft verkregen (bv. via remediëring, bijkomende opdrachten, ...);

c) wordt in het eerste leerjaar van de graad in kwestie de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;

d) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie toch om een oriënteringsattest toe te kennen indien de leerling, zonder dat zijn tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een structuuronderdeel van dezelfde of een andere school waar niet gebruikgemaakt wordt van deze afwijkingsmogelijkheid. Indien deze beslissing pas wordt genomen in de loop van het schooljaar waarin de leerling al in het tweede leerjaar van de graad in kwestie zit, omdat hij dan pas voornoemde overstap zet, én die beslissing wordt door de betrokken personen betwist, dan blijft de procedure beschreven in rubriek 11 van deze omzendbrief van toepassing; rekening houdend met het principe van de redelijkheid bepaalt het schoolbestuur evenwel zelf de termijnen die inherent zijn aan die procedure;

e) beslist de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest A van het eerste leerjaar van die graad toe te kennen aan elke leerling die de tekorten van het eerste leerjaar heeft weggewerkt doch niet geslaagd is in het tweede leerjaar;

4° de leerling die houder is van een attest van regelmatige lesbijwoning over het eerste leerjaar van deze graad binnen het systeem van uitstel van de delibererende klassenraad tot het einde van desbetreffende graad zoals beschreven in rubriek 10.1.2;

5° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor de studierichtingen ASO of TSO met component topsport moeten de leerlingen bovendien voor het betrokken schooljaar een topsportstatuut A of B hebben verkregen van de selectiecommissie voor de betrokken sportdiscipline overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector. Deze toekenning houdt geen garantie in dat de topsportrichting het schooljaar nadien verder kan worden gevolgd.

Voor alle KSO-studierichtingen van de studiegebieden ballet en podiumkunsten, kan (dus geen verplichting) de school bovendien, als bijkomende algemene toelatingsvoorwaarde, eisen dat de leerling positief werd geëvalueerd door de toelatingsklassenraad op een door de school georganiseerde geschiktheidsproef. Die geschiktheidsproef is eenmalig en geldt voor de duur van de opleiding, onverminderd de mogelijkheid tot één herkansing voor de leerling die negatief is geëvalueerd. De proef peilt naar de artistieke aanleg van de leerling. In deze situatie moeten in de toelatingsklassenraad ambtshalve raadgevende externe deskundigen worden opgenomen. Het aantal externe deskundigen wordt door de school bepaald; deze deskundigen mogen geen voordrachtgever in de betrokken school zijn.

Voor de studierichtingen (zie bijlage 18) waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten. Onderhavige regeling is van toepassing op leerlingen die met een desbetreffende opleiding starten vanaf het schooljaar 2008-2009 of later en is dus niet van toepassing op die leerlingen die een desbetreffende opleiding al volgden tot het einde van het schooljaar 2007-2008.

9.2.7.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.7.1, is tot en met 15 januari toegelaten :

de verandering van onderwijsvorm en/of studierichting binnen hetzelfde leerjaar.

Voor uitzonderlijke gevallen kan de toelatingsklassenraad afwijken van voornoemde datum.

Eveneens in afwijking van voornoemde datum is enerzijds de overgang van de studierichting wetenschappen-topsport A.S.O. naar wetenschappen (mét variant sport) A.S.O. of omgekeerd en anderzijds de overgang van een studierichting T.S.O. met component topsport naar lichamelijke opvoeding en sport T.S.O. of omgekeerd, gedurende het volledig schooljaar van rechtswege toegelaten. Idem voor wat betreft de overgang tussen studierichtingen TSO met component topsport.

9.2.8. Tweede leerjaar van de tweede graad B.S.O.

9.2.8.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de tweede graad met vrucht hebben beëindigd;

2° in afwijking op 1°, de leerling die in het onderliggend leerjaar tekorten heeft voor bepaalde programmaonderdelen en op voorwaarde dat de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt na overleg met de delibererende klassenraad van het structuuronderdeel waaruit de leerling komt.

Het schoolbestuur beslist of de school gebruik maakt van deze afwijkingsmogelijkheid, die ertoe strekt a) rekening te houden in individuele gevallen met specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten en b) meer individuele leertrajecten aan te bieden.

In voorkomend geval gelden volgende uitzonderlijke modaliteiten :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) moeten de tekorten voor bepaalde programmaonderdelen in het eerste leerjaar worden weggewerkt vóór het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie waarvoor de leerling toelating heeft verkregen (bv. via remediëring, bijkomende opdrachten, ...);

c) wordt in het eerste leerjaar van de graad in kwestie de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;

d) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie toch om een oriënteringsattest toe te kennen indien de leerling, zonder dat zijn tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een structuuronderdeel van dezelfde of een andere school waar niet gebruikgemaakt wordt van deze afwijkingsmogelijkheid. Indien deze beslissing pas wordt genomen in de loop van het schooljaar waarin de leerling al in het tweede leerjaar van de graad in kwestie zit, omdat hij dan pas voornoemde overstap zet, én die beslissing wordt door de betrokken personen betwist, dan blijft de procedure beschreven in rubriek 11 van deze omzendbrief van toepassing; rekening houdend met het principe van de redelijkheid bepaalt het schoolbestuur evenwel zelf de termijnen die inherent zijn aan die procedure;

e) beslist de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest A van het eerste leerjaar van die graad toe te kennen aan elke leerling die de tekorten van het eerste leerjaar heeft weggewerkt doch niet geslaagd is in het tweede leerjaar;

3° de leerling die houder is van een attest van regelmatige lesbijwoning over het eerste leerjaar van deze graad binnen het systeem van uitstel van de delibererende klassenraad tot het einde van desbetreffende graad zoals beschreven in rubriek 10.1.2.;

4° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor de studierichtingen BSO met een component topsport moeten de leerlingen bovendien voor het betrokken schooljaar een topsportstatuut A of B hebben verkregen van de selectiecommissie voor de betrokken sportdiscipline overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector. Deze toekenning houdt geen garantie in dat de topsportrichting het schooljaar nadien verder kan worden gevolgd.

Voor de studierichtingen (zie bijlage 18) waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten. Onderhavige regeling is van toepassing op leerlingen die met een desbetreffende opleiding starten vanaf het schooljaar 2008-2009 of later en is dus niet van toepassing op die leerlingen die een desbetreffende opleiding al volgden tot het einde van het schooljaar 2007-2008.

9.2.8.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.8.1, is tot en met 15 januari toegelaten :

de verandering van onderwijsvorm en/of studierichting binnen hetzelfde leerjaar.

Voor uitzonderlijke gevallen kan de toelatingsklassenraad afwijken van voornoemde datum.

9.2.9. Eerste leerjaar van de derde graad A.S.O.

9.2.9.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het tweede leerjaar van de tweede graad van het algemeen, het technisch of het kunstsecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd;

2° de regelmatige leerlingen die het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad;

3° de houders van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt in het algemeen, het technisch of het kunstsecundair onderwijs door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad over de keuze van de studierichting;

4° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht : 

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor een studierichting ASO met component topsport moeten de leerlingen bovendien voor het betrokken schooljaar een topsportstatuut A of B hebben verkregen van de selectiecommissie voor de betrokken sportdiscipline overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector. Deze toekenning houdt geen garantie in dat de topsportrichting het schooljaar nadien verder kan worden gevolgd.

9.2.9.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.9.1, is tot en met 15 januari toegelaten : de verandering van onderwijsvorm en/of studierichting binnen hetzelfde leerjaar.

Van voornoemde datum kan worden afgeweken, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de begeleidende klassenraad van de studierichting die de leerling tot dan volgt;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen.

De omschrijving "ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen" komt in deze omzendbrief binnen het raam van de studieveranderingen in de derde graad meermaals aan bod. Het is lokaal dat moet worden uitgemaakt of de situatie van de leerling aan deze omschrijving beantwoordt. Dat het om een uitzonderlijke situatie moet gaan is evident, studieveranderingen binnen de derde graad kunnen nooit een automatisme zijn. Alleszins heeft de regelgever zich, bij zijn beslissing, door de volgende niet-limitatieve gevallen laten inspireren : studieverandering ingevolge de verhuis naar een regio waar de initieel gevolgde opleiding niet bestaat, ingevolge het uit medisch oogpunt niet langer in contact kunnen komen met bepaalde producten eigen aan de opleiding, ingevolge heroriëntering in functie van hogere studies waarvoor de keuze steeds meer vorm krijgt of ingevolge psychische problemen die duidelijk verband houden met een foute studiekeuze.

Eveneens in afwijking van hogervernoemde datum is de overgang van een studierichting ASO met component topsport naar wetenschappen-sport A.S.O. of omgekeerd gedurende het volledig schooljaar van rechtswege toegelaten. Idem voor wat betreft de overgang tussen studierichtingen ASO met component topsport.

9.2.10. Eerste leerjaar van de derde graad T.S.O. K.S.O.

9.2.10.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het tweede leerjaar van de tweede graad van het algemeen, het technisch of het kunstsecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd;

2° de regelmatige leerlingen die het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad;

3° de houders van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt in het algemeen, het technisch of het kunstsecundair onderwijs door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad over de keuze van de studierichting;

4° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor een studierichting TSO met component topsport moeten de leerlingen bovendien voor het betrokken schooljaar een topsportstatuut A of B hebben verkregen van de selectiecommissie voor de betrokken sportdiscipline overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector. Deze toekenning houdt geen garantie in dat de topsportrichting het schooljaar nadien verder kan worden gevolgd.

Voor alle KSO-studierichtingen van de studiegebieden ballet en podiumkunsten, kan (dus geen verplichting) de school bovendien, als bijkomende algemene toelatingsvoorwaarde, eisen dat de leerling positief werd geëvalueerd door de toelatingsklassenraad op een door de school georganiseerde geschiktheidsproef. Die geschiktheidsproef is eenmalig en geldt voor de duur van de opleiding, onverminderd de mogelijkheid tot één herkansing voor de leerling die negatief is geëvalueerd. De proef peilt naar de artistieke aanleg van de leerling. In deze situatie moeten in de toelatingsklassenraad ambtshalve raadgevende externe deskundigen worden opgenomen. Het aantal externe deskundigen wordt door de school bepaald; deze deskundigen mogen geen voordrachtgever in de betrokken school zijn.

Voor de studierichtingen (zie bijlage 18) waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten. Onderhavige regeling is van toepassing op leerlingen die met een desbetreffende opleiding starten vanaf het schooljaar 2008-2009 of later en is dus niet van toepassing op die leerlingen die een desbetreffende opleiding al volgden tot het einde van het schooljaar 2007-2008.

9.2.10.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.10.1, is tot en met 15 januari toegelaten : de verandering van onderwijsvorm en/of studierichting binnen hetzelfde leerjaar.

Van voornoemde datum kan worden afgeweken, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de begeleidende klassenraad van de studierichting die de leerling tot dan volgt;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen.

Eveneens in afwijking van voornoemde datum is de overgang van een studierichting TSO met component topsport naar lichamelijke opvoeding en sport T.S.O. of omgekeerd gedurende het volledig schooljaar van rechtswege toegelaten. Idem voor wat betreft de overgang tussen studierichtingen TSO met component topsport.

9.2.11. Eerste leerjaar van de derde graad B.S.O.

9.2.11.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het tweede leerjaar van de tweede graad met vrucht hebben beëindigd;

2° de houders van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap of door een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad over de keuze van de studierichting;

3° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor de studierichtingen bouwplaatsmachinist en vrachtwagenchauffeur moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden voor de uitoefening van het beroep. Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaatsvindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. Deze geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de duur van de opleiding.

Voor de studierichtingen BSO met een component topsport moeten de leerlingen bovendien voor het betrokken schooljaar een topsportstatuut A of B hebben verkregen van de selectiecommissie voor de betrokken sportdiscipline overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector. Deze toekenning houdt geen garantie in dat de topsportrichting het schooljaar nadien verder kan worden gevolgd.

Voor de studierichtingen (zie bijlage 18) waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten. Onderhavige regeling is van toepassing op leerlingen die met een desbetreffende opleiding starten vanaf het schooljaar 2008-2009 of later en is dus niet van toepassing op die leerlingen die een desbetreffende opleiding al volgden tot het einde van het schooljaar 2007-2008.

9.2.11.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.11.1, is tot en met 15 januari toegelaten : de verandering van onderwijsvorm en/of studierichting binnen hetzelfde leerjaar.

Van voornoemde datum kan worden afgeweken, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de begeleidende klassenraad van de studierichting die de leerling tot dan volgt;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen.

9.2.12. Tweede leerjaar van de derde graad A.S.O.

9.2.12.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd in dezelfde studierichting;

2° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd in een andere studierichting van hetzelfde studiegebied, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad;

3° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd in een studierichting van een ander studiegebied, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de delibererende klassenraad van de studierichting die de leerling in het eerste leerjaar van de derde graad met vrucht heeft gevolgd;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen;

4° in afwijking op 1°, 2° en 3°, de leerling die in het onderliggend leerjaar tekorten heeft voor bepaalde programmaonderdelen en op voorwaarde dat de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt na overleg met de delibererende klassenraad van het structuuronderdeel waaruit de leerling komt.

Het schoolbestuur beslist of de school gebruik maakt van deze afwijkingsmogelijkheid, die ertoe strekt a) rekening te houden in individuele gevallen met specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten en b) meer individuele leertrajecten aan te bieden.

In voorkomend geval gelden volgende uitzonderlijke modaliteiten :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) moeten de tekorten voor bepaalde programmaonderdelen in het eerste leerjaar worden weggewerkt vóór het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie waarvoor de leerling toelating heeft verkregen (bv. via remediëring, bijkomende opdrachten, ...);

c) wordt in het eerste leerjaar van de graad in kwestie de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;

d) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie toch om een oriënteringsattest toe te kennen indien de leerling, zonder dat zijn tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een structuuronderdeel van dezelfde of een andere school waar niet gebruikgemaakt wordt van deze afwijkingsmogelijkheid. Indien deze beslissing pas wordt genomen in de loop van het schooljaar waarin de leerling al in het tweede leerjaar van de graad in kwestie zit, omdat hij dan pas voornoemde overstap zet, én die beslissing wordt door de betrokken personen betwist, dan blijft de procedure beschreven in rubriek 11 van deze omzendbrief van toepassing; rekening houdend met het principe van de redelijkheid bepaalt het schoolbestuur evenwel zelf de termijnen die inherent zijn aan die procedure;

e) beslist de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest A van het eerste leerjaar van die graad toe te kennen aan elke leerling die de tekorten van het eerste leerjaar heeft weggewerkt doch niet geslaagd is in het tweede leerjaar;

5° de leerling die houder is van een attest van regelmatige lesbijwoning over het eerste leerjaar van deze graad binnen het systeem van uitstel van de delibererende klassenraad tot het einde van desbetreffende graad zoals beschreven in rubriek 10.1.2.;

6° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor een studierichting ASO met component topsport moeten de leerlingen bovendien voor het betrokken schooljaar een topsportstatuut A of B hebben verkregen van de selectiecommissie voor de betrokken sportdiscipline overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector.

9.2.12.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Overgangen gedurende het schooljaar zijn in beginsel niet toegelaten.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.12.1., kan evenwel van voornoemd beginsel worden afgeweken, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de begeleidende klassenraad van de studierichting die de leerling tot dan volgt;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen.

Eveneens in afwijking van voornoemd beginsel is de overgang van een studierichting ASO met component topsport naar wetenschappen-sport A.S.O. of omgekeerd gedurende het volledig schooljaar van rechtswege toegelaten. Idem voor wat betreft de overgang tussen studierichtingen ASO met component topsport.

9.2.13. Tweede leerjaar van de derde graad T.S.O

9.2.13.1. Toelatingsvoorwaarden

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd in dezelfde studierichting;

2° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd in een andere studierichting van hetzelfde studiegebied, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad;

3° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd in een studierichting van een ander studiegebied, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de delibererende klassenraad van de studierichting die de leerling in het eerste leerjaar van de derde graad met vrucht heeft gevolgd;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen;

4° in afwijking op 1°, 2° en 3°, de leerling die in het onderliggend leerjaar tekorten heeft voor bepaalde programmaonderdelen en op voorwaarde dat de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt na overleg met de delibererende klassenraad van het structuuronderdeel waaruit de leerling komt.

Het schoolbestuur beslist of de school gebruik maakt van deze afwijkingsmogelijkheid, die ertoe strekt a) rekening te houden in individuele gevallen met specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten en b) meer individuele leertrajecten aan te bieden.

In voorkomend geval gelden volgende uitzonderlijke modaliteiten :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) moeten de tekorten voor bepaalde programmaonderdelen in het eerste leerjaar worden weggewerkt vóór het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie waarvoor de leerling toelating heeft verkregen (bv. via remediëring, bijkomende opdrachten, ...);

c) wordt in het eerste leerjaar van de graad in kwestie de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;

d) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie toch om een oriënteringsattest toe te kennen indien de leerling, zonder dat zijn tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een structuuronderdeel van dezelfde of een andere school waar niet gebruikgemaakt wordt van deze afwijkingsmogelijkheid. Indien deze beslissing pas wordt genomen in de loop van het schooljaar waarin de leerling al in het tweede leerjaar van de graad in kwestie zit, omdat hij dan pas voornoemde overstap zet, én die beslissing wordt door de betrokken personen betwist, dan blijft de procedure beschreven in rubriek 11 van deze omzendbrief van toepassing; rekening houdend met het principe van de redelijkheid bepaalt het schoolbestuur evenwel zelf de termijnen die inherent zijn aan die procedure;

e) beslist de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest A van het eerste leerjaar van die graad toe te kennen aan elke leerling die de tekorten van het eerste leerjaar heeft weggewerkt doch niet geslaagd is in het tweede leerjaar;

5° de leerling die houder is van een attest van regelmatige lesbijwoning over het eerste leerjaar van deze graad binnen het systeem van uitstel van de delibererende klassenraad tot het einde van desbetreffende graad zoals beschreven in rubriek 10.1.2.;

6° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor een studierichting TSO met component topsport moeten de leerlingen bovendien voor het betrokken schooljaar een topsportstatuut A of B hebben verkregen van de selectiecommissie voor de betrokken sportdiscipline overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector.

Voor de studierichtingen (zie bijlage 18) waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten. Onderhavige regeling is van toepassing op leerlingen die met een desbetreffende opleiding starten vanaf het schooljaar 2008-2009 of later en is dus niet van toepassing op die leerlingen die een desbetreffende opleiding al volgden tot het einde van het schooljaar 2007-2008.

9.2.13.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Overgangen gedurende het schooljaar zijn in beginsel niet toegelaten.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.13.1., kan evenwel van voornoemd beginsel worden afgeweken, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de begeleidende klassenraad van de studierichting die de leerling tot dan volgt;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen.

Eveneens in afwijking van voornoemd beginsel is de overgang van een studierichting TSO met component topsport naar lichamelijke opvoeding en sport T.S.O. of omgekeerd gedurende het volledig schooljaar van rechtswege toegelaten. Idem voor wat betreft de overgang tussen studierichtingen TSO met component topsport.

9.2.14. Tweede leerjaar van de derde graad K.S.O.

9.2.14.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de derde graad van het kunstsecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd in dezelfde studierichting;

2° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de derde graad van het kunstsecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd in een andere studierichting van hetzelfde studiegebied, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad

3° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd in een studierichting van een ander studiegebied, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de delibererende klassenraad van de studierichting die de leerling in het eerste leerjaar van de derde graad met vrucht heeft gevolgd;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen;

4° in afwijking op 1°, 2° en 3°, de leerling die in het onderliggend leerjaar tekorten heeft voor bepaalde programmaonderdelen en op voorwaarde dat de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt na overleg met de delibererende klassenraad van het structuuronderdeel waaruit de leerling komt.

Het schoolbestuur beslist of de school gebruik maakt van deze afwijkingsmogelijkheid, die ertoe strekt a) rekening te houden in individuele gevallen met specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten en b) meer individuele leertrajecten aan te bieden.

In voorkomend geval gelden volgende uitzonderlijke modaliteiten :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) moeten de tekorten voor bepaalde programmaonderdelen in het eerste leerjaar worden weggewerkt vóór het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie waarvoor de leerling toelating heeft verkregen (bv. via remediëring, bijkomende opdrachten, ...);

c) wordt in het eerste leerjaar van de graad in kwestie de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;

d) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie toch om een oriënteringsattest toe te kennen indien de leerling, zonder dat zijn tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een structuuronderdeel van dezelfde of een andere school waar niet gebruikgemaakt wordt van deze afwijkingsmogelijkheid. Indien deze beslissing pas wordt genomen in de loop van het schooljaar waarin de leerling al in het tweede leerjaar van de graad in kwestie zit, omdat hij dan pas voornoemde overstap zet, én die beslissing wordt door de betrokken personen betwist, dan blijft de procedure beschreven in rubriek 11 van deze omzendbrief van toepassing; rekening houdend met het principe van de redelijkheid bepaalt het schoolbestuur evenwel zelf de termijnen die inherent zijn aan die procedure;

e) beslist de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest A van het eerste leerjaar van die graad toe te kennen aan elke leerling die de tekorten van het eerste leerjaar heeft weggewerkt doch niet geslaagd is in het tweede leerjaar;

5° de leerling die houder is van een attest van regelmatige lesbijwoning over het eerste leerjaar van deze graad binnen het systeem van uitstel van de delibererende klassenraad tot het einde van desbetreffende graad zoals beschreven in rubriek 10.1.2.;

6° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor alle KSO-studierichtingen van de studiegebieden ballet en podiumkunsten, kan (dus geen verplichting) de school bovendien, als bijkomende algemene toelatingsvoorwaarde, eisen dat de leerling positief werd geëvalueerd door de toelatingsklassenraad op een door de school georganiseerde geschiktheidsproef. Die geschiktheidsproef is eenmalig en geldt voor de duur van de opleiding, onverminderd de mogelijkheid tot één herkansing voor de leerling die negatief is geëvalueerd. De proef peilt naar de artistieke aanleg van de leerling. In deze situatie moeten in de toelatingsklassenraad ambtshalve raadgevende externe deskundigen worden opgenomen. Het aantal externe deskundigen wordt door de school bepaald; deze deskundigen mogen geen voordrachtgever in de betrokken school zijn.

9.2.14.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar

Overgangen gedurende het schooljaar zijn in beginsel niet toegelaten.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.14.1., kan evenwel van voornoemd beginsel worden afgeweken, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de begeleidende klassenraad van de studierichting die de leerling tot dan volgt;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen.

9.2.15. Tweede leerjaar van de derde graad B.S.O.

9.2.15.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd in dezelfde studierichting;

2° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd in een andere studierichting van hetzelfde studiegebied, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad;

3° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd in een studierichting van hetzelfde studiegebied, onder de volgende voorwaarde :

gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad

(deze piste wordt normaliter gevolgd voor die leerlingen die in het eerste leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs een oriënteringsattest B hebben behaald)

4° de regelmatige leerlingen die het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen, technisch, kunst- of beroepssecundair onderwijs met vrucht hebben beëindigd in een studierichting van een ander studiegebied, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de delibererende klassenraad van de studierichting die de leerling in het eerste leerjaar van de derde graad met vrucht heeft gevolgd;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen

(deze piste kan in uitzonderlijke gevallen worden gevolgd voor die leerlingen die in het eerste leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs een oriënteringsattest B hebben behaald);

5° in afwijking op 1°, 2°, 3° en 4°, de leerling die in het onderliggend leerjaar tekorten heeft voor bepaalde programmaonderdelen en op voorwaarde dat de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt na overleg met de delibererende klassenraad van het structuuronderdeel waaruit de leerling komt.

Het schoolbestuur beslist of de school gebruik maakt van deze afwijkingsmogelijkheid, die ertoe strekt a) rekening te houden in individuele gevallen met specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten en b) meer individuele leertrajecten aan te bieden.

In voorkomend geval gelden volgende uitzonderlijke modaliteiten :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) moeten de tekorten voor bepaalde programmaonderdelen in het eerste leerjaar worden weggewerkt vóór het einde van het tweede leerjaar van de graad in kwestie waarvoor de leerling toelating heeft verkregen (bv. via remediëring, bijkomende opdrachten, ...);

c) wordt in het eerste leerjaar van de graad in kwestie de uitreiking van een oriënteringsattest vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning in afwachting van het wegwerken van de tekorten;

d) beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie toch om een oriënteringsattest toe te kennen indien de leerling, zonder dat zijn tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een structuuronderdeel van dezelfde of een andere school waar niet gebruikgemaakt wordt van deze afwijkingsmogelijkheid. Indien deze beslissing pas wordt genomen in de loop van het schooljaar waarin de leerling al in het tweede leerjaar van de graad in kwestie zit, omdat hij dan pas voornoemde overstap zet, én die beslissing wordt door de betrokken personen betwist, dan blijft de procedure beschreven in rubriek 11 van deze omzendbrief van toepassing; rekening houdend met het principe van de redelijkheid bepaalt het schoolbestuur evenwel zelf de termijnen die inherent zijn aan die procedure;

e) beslist de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de graad in kwestie alsnog om een oriënteringsattest A van het eerste leerjaar van die graad toe te kennen aan elke leerling die de tekorten van het eerste leerjaar heeft weggewerkt doch niet geslaagd is in het tweede leerjaar;

6° de leerling die houder is van een attest van regelmatige lesbijwoning over het eerste leerjaar van deze graad binnen het systeem van uitstel van de delibererende klassenraad tot het einde van desbetreffende graad zoals beschreven in rubriek 10.1.2.;

7° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor de studierichtingen bouwplaatsmachinist en vrachtwagenchauffeur moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden voor de uitoefening van het beroep. Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaatsvindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. Deze geschiktheidsverklaring is evenwel niet nodig indien reeds voorgelegd in het eerste leerjaar van de derde graad !

Voor de studierichtingen BSO met een component topsport moeten de leerlingen bovendien voor het betrokken schooljaar een topsportstatuut A of B hebben verkregen van de selectiecommissie voor de betrokken sportdiscipline overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector. Deze toekenning houdt geen garantie in dat de topsportrichting het schooljaar nadien verder kan worden gevolgd.

Voor de studierichtingen (zie bijlage 18) waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten. Onderhavige regeling is van toepassing op leerlingen die met een desbetreffende opleiding starten vanaf het schooljaar 2008-2009 of later en is dus niet van toepassing op die leerlingen die een desbetreffende opleiding al volgden tot het einde van het schooljaar 2007-2008.

9.2.15.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Overgangen gedurende het schooljaar zijn in beginsel niet toegelaten.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.15.1., kan evenwel van voornoemd beginsel worden afgeweken, onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de begeleidende klassenraad van de studierichting die de leerling tot dan volgt;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen.

9.2.16. Derde leerjaar van de derde graad A.S.O. K.S.O., ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs.

9.2.16.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de houders van het diploma van secundair onderwijs;

2° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor alle KSO-studierichtingen van het studiegebied podiumkunsten kan (dus geen verplichting) de school bovendien, als bijkomende algemene toelatingsvoorwaarde, eisen dat de leerling positief werd geëvalueerd door de toelatingsklassenraad op een door de school georganiseerde geschiktheidsproef. De leerling die negatief is geëvalueerd, heeft de mogelijkheid tot één herkansing. De proef peilt naar de artistieke aanleg van de leerling. In deze situatie moeten in de toelatingsklassenraad ambtshalve raadgevende externe deskundigen worden opgenomen. Het aantal externe deskundigen wordt door de school bepaald; deze deskundigen mogen geen voordrachtgever in de betrokken school zijn.

9.2.16.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.16.1, is tot en met 30 september toegelaten :

de verandering van onderwijsvorm en/of studierichting binnen hetzelfde leerjaar.

Voor uitzonderlijke gevallen kan van voornoemde datum worden afgeweken onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de begeleidende klassenraad van de studierichting die de leerling tot dan volgt;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen.

9.2.17. Se-n-Se van de derde graad T.S.O. K.S.O.

9.2.17.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de houders van een diploma van secundair onderwijs, uitgereikt in een studierichting van hetzelfde studiegebied; indien bedoeld diploma evenwel werd uitgereikt in het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar, dan slaan de woorden "hetzelfde studiegebied" op het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs. Elke overstap tussen een tweede leerjaar van de derde graad en een Se-n-Se van die graad binnen hetzelfde studiegebied vindt m.a.w. van rechtswege plaats en kan niet worden geweigerd. Dit sluit niet uit dat toelatingsklassenraden vrijblijvend een advies of aanbeveling formuleren inzake opportuniteit en/of haalbaarheid van de betrokken doorstroming. De indeling van studierichtingen in studiegebieden is opgenomen in de omzendbrief S.O. 60;

2° de houders van een diploma van secundair onderwijs, uitgereikt in een studierichting van een ander studiegebied, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad; indien bedoeld diploma evenwel werd uitgereikt in het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar, dan slaan de woorden "ander studiegebied" op het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs.

Bij studiegebiedoverschrijdende overstap ligt de beslissing dus bij de toelatingsklassenraad. In sommige gevallen kan dat er op neerkomen dat een toelatingsklassenraad de toelating tot een bepaalde Se-n-Se vanuit een bepaalde studierichting van het tweede leerjaar van de derde graad, in vrij algemene zin aanvaardt. In andere gevallen zal de beslissing van de toelatingsklassenraad een strikt individueel karakter hebben; dit zal inzonderheid van toepassing zijn indien elders competenties of vaardigheden werden verworven (bvb. via beroepservaring, vrijwilligerswerk, zelfstudie,...) die bij de beoogde toelating in positieve zin in aanmerking kunnen worden genomen. De scholen/toelatingsklassenraden handelen op dit vlak dus volkomen autonoom, hoewel mag worden verondersteld dat voor elke genomen beslissing steeds een motiveringsgrond bestaat;

3° de leerlingen over wie de toelatingsklassenraad op basis van een toelatingsproef een gunstige beslissing neemt;

4° in afwijking op 1°, 2° en 3°, de leerlingen over wie de toelatingsklassenraad op basis van elders verworven competenties of kwalificaties een gunstige beslissing neemt.

Het schoolbestuur beslist of de school gebruik maakt van deze afwijkingsmogelijkheid, die ertoe strekt rekening te houden in individuele gevallen met specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten;

5° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor de studierichtingen (zie bijlage 18) waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten. Onderhavige regeling is van toepassing op leerlingen die met een desbetreffende opleiding starten vanaf het schooljaar 2008-2009 of later en is dus niet van toepassing op die leerlingen die een desbetreffende opleiding al volgden tot het einde van het schooljaar 2007-2008.

Voor de studierichting integrale veiligheid moeten de leerlingen bovendien aan volgende voorwaarden voldoen :

1° medisch geschikt zijn bevonden voor de uitoefening van het beroep; daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaatsvindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken;

2° van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan 6 maanden voor de effectieve start van de opleiding door de betrokken leerling, werd afgegeven. Bij overzitten is een nieuw uittreksel vereist. Het uittreksel wordt uitgereikt door de ter zake bevoegde gemeentelijke dienst van de woonplaats van de leerling. Aandacht : het voorgaande betekent niet per definitie een "blanco" uittreksel, doch wel dat in voorkomend geval de school een afweging maakt of, binnen het raam van de sector "veiligheid", de eventueel vermelde feiten (zowel naar aard als naar tijdstip) indruisen tegen de voorwaarde "onberispelijk gedrag".

9.2.17.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.17.1, is tot en met 30 september (resp. 1 maart indien de studierichting waaruit wordt gestapt pas op 1 februari is opgestart) toegelaten :

de verandering van onderwijsvorm en/of studierichting binnen hetzelfde leerjaar.

Voor uitzonderlijke gevallen kan van voornoemde datum worden afgeweken onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de begeleidende klassenraad van de studierichting die de leerling tot dan volgt;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen.

9.2.18. Derde leerjaar van de derde graad B.S.O., ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar.

9.2.18.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de houders van een diploma van secundair onderwijs, uitgereikt in een studierichting van hetzelfde studiegebied, of van een studiegetuigschrift van het tweede of derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt in een studierichting van hetzelfde studiegebied;

2° de houders van een diploma van secundair onderwijs, uitgereikt in een studierichting van een ander studiegebied, of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt in een studierichting van een ander studiegebied, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad. Bij studiegebiedoverschrijdende overstap ligt de beslissing dus bij de toelatingsklassenraad. In sommige gevallen kan dat er op neerkomen dat een toelatingsklassenraad de toelating tot een bepaald specialisatiejaar vanuit een bepaalde studierichting van het tweede leerjaar van die graad, in vrij algemene zin aanvaardt. In andere gevallen zal de beslissing van de toelatingsklassenraad een strikt individueel karakter hebben; dit zal inzonderheid van toepassing zijn indien elders competenties of vaardigheden werden verworven (bvb. via beroepservaring, vrijwilligerswerk, zelfstudie,...) die bij de beoogde toelating in positieve zin in aanmerking kunnen worden genomen. De scholen/toelatingsklassenraden handelen op dit vlak dus volkomen autonoom, hoewel mag worden verondersteld dat voor elke genomen beslissing steeds een motiveringsgrond bestaat;

3° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor de studierichtingen bijzonder transport, dakwerken, mechanische en hydraulische kranen, wegenbouwmachines, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden voor de uitoefening van het beroep. Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaatsvindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. Deze geschiktheidsverklaring is evenwel niet nodig indien reeds voorgelegd in het eerste of tweede leerjaar van de derde graad (studierichting bouwplaatsmachinist of vrachtwagenchauffeur).

Voor de studierichtingen BSO met een component topsport moeten de leerlingen bovendien voor het betrokken schooljaar een topsportstatuut A of B hebben verkregen van de selectiecommissie voor de betrokken sportdiscipline overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector.

Voor de studierichtingen (zie bijlage 18) waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten. Onderhavige regeling is van toepassing op leerlingen die met een desbetreffende opleiding starten vanaf het schooljaar 2008-2009 of later en is dus niet van toepassing op die leerlingen die een desbetreffende opleiding al volgden tot het einde van het schooljaar 2007-2008.

Voor de studierichting thuis- en bejaardenzorg/zorgkundige geldt punt 2° hierboven niet : de toelating is enkel mogelijk binnen hetzelfde studiegebied (cf. federale regelgeving op de functie van zorgkundige).

Voor de studierichting veiligheidsberoepen moeten de leerlingen bovendien aan volgende voorwaarde voldoen : van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan 6 maanden voor de effectieve start van de opleiding door de betrokken leerling, werd afgegeven. Bij overzitten is een nieuw uittreksel vereist. Het uittreksel wordt uitgereikt door de ter zake bevoegde gemeentelijke dienst van de woonplaats van de leerling. Aandacht : het voorgaande betekent niet per definitie een "blanco" uittreksel, doch wel dat in voorkomend geval de school een afweging maakt of, binnen het raam van de sector "veiligheid", de eventueel vermelde feiten (zowel naar aard als naar tijdstip) indruisen tegen de voorwaarde "onberispelijk gedrag".

9.2.18.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.18.1, is tot en met 30 september toegelaten : de verandering van onderwijsvorm en/of studierichting binnen hetzelfde leerjaar.

Voor uitzonderlijke gevallen kan van voornoemde datum worden afgeweken onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de begeleidende klassenraad van de studierichting die de leerling tot dan volgt;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen.

9.2.19. Derde leerjaar van de derde graad B.S.O., niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar (d.i. een naamloos leerjaar).

9.2.19.1. Toelatingsvoorwaarden.

Kunnen als regelmatige leerlingen worden toegelaten :

1° de houders van het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;

2° de houders van het diploma van secundair onderwijs, uitgereikt in het beroepssecundair onderwijs;

3° de leerling die rechtstreeks overkomt uit een niet-Vlaamse school (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, onder de volgende voorwaarde : gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel zijn opgenomen. De beslissing van de toelatingsklassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de effectieve regelmatige lesbijwoning door de leerling. Aandacht :

a) vanaf het schooljaar 2011-2012 vervalt voor de secundaire scholen de procedure "gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen"; toelatingsklassenraden zijn niet gehouden aan gelijkwaardigheidbeslissingen die de overheid intussen al mogelijks heeft genomen;

b) de toelatingsklassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

c) indien de toelatingsklassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming, NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

d) van zodra de leerling doorstroomt op basis van een in het Vlaams secundair onderwijs behaald oriënteringsattest A of B, een (studie)getuigschrift of een diploma, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing. Indien echter de leerling het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest A, B of C, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. de toelatingsklassenraad van dat ander structuuronderdeel zal over de instapmogelijkheid beslissen. Het is slechts indien de leerling overzit in hetzelfde structuuronderdeel na een behaald oriënteringsattest B of C, dat het recht op overzitten primeert (en de toelatingsklassenraad dus niet meer beslist), ook niet bij schoolverandering;

e) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

Voor de studierichtingen (zie bijlage 18) waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen bovendien medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten. Onderhavige regeling is van toepassing op leerlingen die met een desbetreffende opleiding starten vanaf het schooljaar 2008-2009 of later en is dus niet van toepassing op die leerlingen die een desbetreffende opleiding al volgden tot het einde van het schooljaar 2007-2008.

9.2.19.2. Voorwaarden inzake overgangen gedurende het schooljaar.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van rubriek 9.2.19.1, is tot en met 30 september toegelaten : de verandering van studierichting binnen hetzelfde leerjaar.

Voor uitzonderlijke gevallen kan van voornoemde datum worden afgeweken onder de volgende voorwaarden :

a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad na kennisname van advies van de begeleidende klassenraad van de studierichting die de leerling tot dan volgt;

b) bedoelde gunstige beslissing is gebaseerd op ernstige medische, psychische, sociale of onderwijskundige redenen.

10. Evaluatie en bekrachtiging van de studies.

10.1. Algemene beginselen.

10.1.1. De concipiëring van de evaluatiecriteria, zoals de eventuele organisatie van examens of proeven tijdens en/of op het einde van het schooljaar, vormt een aangelegenheid waarvoor niet de overheid doch wel de schoolbesturen van het onderwijs bevoegd zijn.

Eén uitzondering in het voltijds secundair onderwijs : in een aantal leerjaren en onderwijsvormen moet een geïntegreerde proef worden georganiseerd waaraan deelname, uit hoofde van de definitie van de regelmatige leerling, verplichtend wordt gesteld.

Deze leerjaren zijn :

- het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch, het kunst- en het beroepssecundair onderwijs;

- het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar;

De bedoelde proef slaat alleszins op vakken van het specifiek gedeelte (= de studierichting), maar eventueel ook op vakken van de basisvorming of van het complementair gedeelte indien die vakken ondersteunend zijn voor de geïntegreerde proef. De proef kan diverse vormen aannemen, b.v. een eindwerk.

De geïntegreerde proef wordt beoordeeld door de leraars die de betrokken vakken onderwijzen, evenals door deskundigen op het terrein van de te beoordelen kwalificatie. Deze buitenstaanders die dus niet tot de desbetreffende school behoren, mogen numeriek het aantal leraars niet overschrijden en worden in de loop van het schooljaar aangeduid door het schoolbestuur of haar afgevaardigde. Het schoolbestuur (of afgevaardigde) kan ook andere personeelsleden dan voormelde leraars aanwijzen om op basis van hun deskundigheid advies te verlenen over de beoordeling van de geïntegreerde proef.

Vermits de geïntegreerde proef meestal niet slechts een momentopname is, doch een proces dat zich over een langere periode tijdens het schooljaar uitstrekt, zal het schoolbestuur of haar afgevaardigde autonoom bepalen op welke wijze de betrokkenheid van de deskundigen bij dit proces wordt geconcretiseerd.

De geïntegreerde proef is totaal inherent aan het toetsingsmechanisme rond het al dan niet voldaan hebben voor "het geheel van de vorming", daar niet leidend tot een apart studiebewijs; vermits deze proef daarenboven een vakoverschrijdend karakter draagt, wordt ze getypeerd als zijnde "geïntegreerd". Het resultaat van de geïntegreerde proef zal echter onverminderd een belangrijk element betekenen in de beslissing van de delibererende klassenraad over de leerling in kwestie.

10.1.2. In plaats van het systeem waarbij in elk structuuronderdeel bij het einde van het schooljaar een delibererende klassenraad wordt gehouden, bestaat de afwijkingsmogelijkheid om de delibererende klassenraad in de eerste, de tweede respectievelijk de derde graad uit te stellen tot het einde van het tweede leerjaar van het structuuronderdeel en de graad in kwestie. Het schoolbestuur beslist of de school gebruik maakt van deze afwijkingsmogelijkheid, die ertoe strekt rekening te houden met specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten. Voor alle duidelijkheid : over de afwijkende regeling wordt beslist vóór de start van het schooljaar en ze is van toepassing op alle leerlingen van een bepaald structuuronderdeel tijdens een bepaald schooljaar !

In voorkomend geval :

1° wordt de uitreiking van een oriënteringsattest in het eerste leerjaar van de graad in kwestie vervangen door de uitreiking van een attest van regelmatige lesbijwoning, dat van rechtswege toelating verleent tot het tweede leerjaar van die graad doch enkel (!) voor zover in dat leerjaar wordt gebruikgemaakt van onderhavige regeling;

2° beslist de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie toch om een oriënteringsattest toe te kennen aan elke leerling die het leerjaar heeft beëindigd en die vóór het einde van de graad overstapt naar een structuuronderdeel van dezelfde of een andere school waar niet gebruikgemaakt wordt van onderhavige regeling; bij de toekenning van een oriënteringsattest A of B in een eerste leerjaar van de eerste graad wordt een getuigschrift van basisonderwijs gevoegd, voor zover de leerling dat nog niet in zijn bezit heeft.

Indien deze beslissing pas wordt genomen in de loop van het schooljaar waarin de leerling al in het tweede leerjaar van de graad in kwestie zit, omdat hij dan pas voornoemde overstap zet, én die beslissing wordt door de betrokken personen betwist, dan blijft de procedure beschreven in rubriek 11 van deze omzendbrief van toepassing; rekening houdend met het principe van de redelijkheid bepaalt het schoolbestuur evenwel zelf de termijnen die inherent zijn aan die procedure;

3° wordt op het einde van het tweede leerjaar van de eerste graad of beroepsvoorbereidend leerjaar van die graad aan elke leerling, voor zover hij het nog niet in zijn bezit heeft, een getuigschrift van basisonderwijs uitgereikt indien de leerling dat tweede leerjaar van de eerste graad of beroepsvoorbereidend leerjaar van die graad met vrucht heeft beëindigd.

10.1.3. Eén der twee varianten waarover de klassenraad dient te delibereren is dat de leerling wordt aanzien als het leerjaar met succes te hebben afgerond.

De regelgeving geeft de volgende inhoudelijke opvulling aan de formule "een leerling beëindigt met vrucht" :

1° het eerste en tweede leerjaar van de eerste graad, het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad en het eerste leerjaar van de derde graad, indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar;

2° het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en een Se-n-Se van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs, indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar;

3° het tweede leerjaar van de derde graad van het algemeen, het technisch of het kunstsecundair onderwijs, indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs;

4° het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, al dan niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar, indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en desgevallend bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs.

10.1.4. De beslissingen van de delibererende klassenraad voorzien twee alternatieven :

1° de leerling wordt beschouwd het leerjaar met vrucht te hebben beëindigd;

2° de leerling wordt - tegenovergesteld - beschouwd het leerjaar niet met vrucht te hebben voltooid.

Deze beslissingen worden in beginsel genomen uiterlijk op 30 juni van het betrokken schooljaar. Voor wat evenwel een Se-n-Se betreft worden deze beslissingen tijdens het betrokken schooljaar, naargelang van de start, de duur en het aanbod van de opleiding, genomen :

- hetzij uiterlijk op 31 januari;

- hetzij uiterlijk op 30 juni;

- hetzij uiterlijk op 31 januari én uiterlijk op 30 juni (nl. in het geval de opleiding één semester duurt en tweemaal dat schooljaar wordt ingericht);

- hetzij niet genomen (nl. in het geval de opleiding drie semesters duurt en zodoende doorloopt in het daaropvolgend schooljaar).

Dit vormt de algemene regel, er van uitgaande dat de klassenraad de leerling afdoende kent en weet wat hij waard is na hem gedurende een volledig schooljaar te hebben begeleid en geëvalueerd. M.a.w., de delibererende klassenraad moet in principe uiterlijk op desbetreffende datum over voldoende nuttige elementen beschikken om een eindbeslissing te kunnen treffen.

Niettemin kan die termijn voor individuele gevallen worden verlengd tot "uiterlijk de eerste schooldag van het daaropvolgend schooljaar". Voor een Se-n-Se die loopt tot 31 januari, kan zonodig het besluitvormingsproces worden verlengd tot uiterlijk 1 maart van het schooljaar in kwestie. Het betreft hier geen uitstel van de eindbeoordeling, maar louter een langer dan gebruikelijk lopend besluitvormingsproces. Het behoort tot de autonome bevoegdheid van de delibererende klassenraad om te oordelen of sommige leerlingen aan een bijkomende proef moeten onderworpen worden vooraleer een definitieve beslissing kan genomen worden. Deze bijkomende evaluatie kan gebeuren op basis van herexamens, vakantiewerk of -lectuur, enz. Indien daarentegen de eindbeslissing wel uiterlijk 30 juni (of voor een Se-n-Se : 31 januari) is genomen, dan kan de leerling vanuit het oogpunt van evaluatie nadien niet met extra opdrachten worden belast.

De beslissingen van de delibererende klassenraad monden uit in de studiebekrachtiging. Hiervoor komen uitsluitend de regelmatige leerlingen van het schooljaar waarvoor ze zijn ingeschreven in aanmerking.

Aan vrije leerlingen kan slechts een attest van lesbijwoning worden toegekend.

10.1.5. Externe certificering heeft betrekking op bekwaamheidsproeven die opgelegd worden door instanties, extern aan de school, in het kader van reglementaire voorwaarden inzake beroepsuitoefening. Vanaf het schooljaar 2012-2013 wordt dit principe binnen het secundair onderwijs toegepast op de studierichting vrachtwagenchauffeur, derde graad BSO. Om die opleiding met vrucht te kunnen beëindigen en het studiegetuigschrift te verwerven, is het vereist dat het bewijs wordt geleverd aan de school dat de leerling is geslaagd voor de proeven tot het behalen van het rijbewijs CE en de basiskwalificatie vakbekwaamheid groep C.

Het slagen voor die proeven betekent niet dat de leerling per definitie ook geslaagd is voor de opleiding in globo. Dit blijft de beslissingsbevoegdheid van de delibererende klassenraad.

Het niet-slagen voor die proeven geldt wél onmiddellijk als motivatie voor de (enige) beslissing van de delibererende klassenraad voor het niet-slagen voor de opleiding in globo.

10.1.6. Zoals vermeld in de omzendbrief SO 74 (organisatie schooljaar) kunnen de deliberaties niet eerder aanvangen dan de vijfde laatste lesdag van de maand juni (januari voor wat betreft de Se-n-Se en HBO verpleegkunde die eindigen op 31 januari). Van zodra een delibererende klassenraadsbeslissing is genomen, kan het resultaat ter kennis worden gebracht van de betrokken personen. Het schoolbestuur is bevoegd om te bepalen op welke datum en onder welke vorm de betrokken personen de klassenraadsbeslissing in ontvangst nemen. Dit hoeft niet perse op 30 juni te zijn en dit hoeft niet perse persoonlijk door de ouders op school te gebeuren. Bijvoorbeeld : het resultaat kan worden meegegeven met de leerling, het resultaat wordt op school overhandigd tijdens een proclamatieplechtigheid …. De desbetreffende ontvangstdatum en –vorm zijn bepaald in het schoolreglement. De school wijkt er enkel van af voor gevallen waar het besluitvormingsproces langer duurt of waar een beroep in het geding is; alsdan stelt het schoolbestuur de betrokken personen schriftelijk in kennis van de voorziene ontvangstdatum. Bijzondere aandacht: vermits de betrokken personen vooraf weten wanneer en hoe ze het evaluatieresultaat zullen ontvangen, wordt bij het niet effectief in ontvangst nemen van het resultaat, geacht het resultaat op de voorziene datum te zijn ontvangen! Ouders die, bijvoorbeeld, op dat tijdstip reeds op vakantie zijn vertrokken en geen weet hebben van een toegekend oriënteringsattest B of C, zouden hierdoor eventueel hun beroepsmogelijkheid kunnen verliezen omdat ze niet tijdig de te zetten stappen hebben ondernomen.  

10.1.7. Bij toekenning van een oriënteringsattest B of C moet de school t.a.v. de betrokken personen volgende verplichtingen nakomen.

1. De beslissing moet schriftelijk worden gemotiveerd. Dit kan onder uiteenlopende vorm maar moet wel strikt individueel-gericht zijn. Indien, bijvoorbeeld, gekozen wordt voor een uittreksel uit de notulen van de delibererende klassenraad, dan mag dit stuk geen informatie bevatten die verwijst naar andere leerlingen.

Benevens de schriftelijke motivering moet de school ook verwijzen naar de mogelijkheid tot beroep en naar de daarbij te volgen procedure. Hoewel deze info ook in het schoolreglement dient opgenomen, moet het telkens wanneer zich een concrete situatie voordoet opnieuw onder de aandacht worden gebracht. De betrokken personen moeten er daarbij echter worden op gewezen dat beroep maar kan indien ze voorafgaand een overleg hebben gepleegd met de directeur of zijn afgevaardigde (zie hierna). Er geldt m.a.w. een bepaalde chronologie die de partijen moeten volgen.

2. Mits vraag van de betrokken personen: de directeur of zijn afgevaardigde moet met de betrokken personen een overleg plegen over het evaluatieresultaat binnen een redelijke termijn nadat ze dat resultaat in ontvangst hebben genomen. Die termijn wordt in het schoolreglement bepaald. Van het schoolbestuur wordt verwacht dat "redelijkheid" veronderstelt dat de betrokken personen zo spoedig mogelijk meer duiding krijgen en dat, desgevallend, een beslissing in beroep qua timing haalbaar blijft. Van de betrokken personen wordt verwacht dat ze begrip opbrengen voor het tijdstip van het overleg dat met de zomervakantie-beschikbaarheid in onderwijs rekening zal houden. Van het overleg wordt een schriftelijk verslag gemaakt.

Tijdens het overleg maken beide partijen hun standpunt duidelijk. Daarbij moet er worden naar gestreefd om via een constructief gesprek een uitkomst te bereiken waarin elkeen zich kan vinden. Het overleg is dan ook geen onderdeel van de beroepsprocedure maar vormt een zogenaamde "bemiddelingsfase".

Het overleg kan het volgende opleveren :

a. de directeur of zijn afgevaardigde is van oordeel dat de elementen die de betrokken personen aanbrengen niet van aard zijn om de delibererende klassenraad opnieuw te laten samenkomen en beraadslagen. De betrokken personen nemen deze beslissing op de voorziene datum in ontvangst (ook hier : "geacht" te zijn ontvangen indien verzuim van ontvangst). Ook indien reeds tijdens het overleg de betrokken personen te kennen geven dat ze, na de verkregen uitleg, akkoord gaan met het evaluatieresultaat, moeten de betrokken personen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen "formeel" ontvangen (niet onbelangrijk indien er toch een beroep zou volgen!);

b. de directeur of zijn afgevaardigde is van oordeel dat de elementen die de betrokken personen aanbrengen wel van aard zijn om de delibererende klassenraad opnieuw te laten samenkomen en beraadslagen. Deze piste kan er voor de leerling op neerkomen dat hij met nieuwe toetsen, examens of andere opdrachten wordt belast vooraleer de klassenraad zich definitief uitspreekt of de toekenning van het B- of C-attest wordt gehandhaafd of dat een ander attest wordt toegekend. Aandacht: het oorspronkelijk evaluatieresultaat door een ander resultaat vervangen betekent niet noodzakelijk een voor de betrokken personen "beter" resultaat; het valt niet uit te sluiten dat de klassenraad, die opnieuw is samengeroepen, beslist om een clausulering (B-attest) alsnog te wijzigen of uit te breiden of om een "B-attest" te vervangen door een "C-attest". De betrokken personen nemen hoe dan ook de desbetreffende beslissing op de voorziene datum in ontvangst (ook hier: "geacht" te zijn ontvangen indien verzuim van ontvangst).

10.1.8. Indien een leerling zijn studie aanvangt op basis van een beslissing van de toelatingsklassenraad, dan wordt de leerling geacht te beschikken over de meest gunstige officiële studiebekrachtiging van de niet effectief gevolgde secundaire leerjaren (in Vlaanderen) die globaal door deze beslissing worden gedekt.

10.1.9. Voor een evaluatiebeslissing van een beroepscommissie draagt het schoolbestuur niet alleen de verantwoordelijkheid, maar kent het schoolbestuur ook het studiebewijs toe dat aansluit bij die beslissing. Het model van een studiebewijs is hetzelfde indien het aansluit bij een beslissing van de delibererende klassenraad of indien het aansluit bij een beslissing van de beroepscommissie. Alleen uit het proces-verbaal zal blijken welke orgaan (klassenraad of beroepscommissie) de beslissing heeft genomen.

10.1.10. Een getuigschrift van een opleiding (voorheen: kwalificatiegetuigschrift), afgeleverd in opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs, kan gelijkgesteld worden aan het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs.

10.1.11. Aan een regelmatige leerling die wordt uitgeschreven ten gevolge van overlijden, wordt geen oriënteringsattest C uitgereikt noch in de loop van het schooljaar (als bewijs van gedeeltelijke studies) noch op het einde van het schooljaar (indien klassenraadbeslissing "niet geslaagd"). De toekenning van een oriënteringsattest C is immers, ten aanzien van de nabestaanden, psychologisch niet aangewezen. In voorkomend geval staat het de school vrij hetzij geen studiebewijs af te leveren hetzij een document (model naar keuze) waarin, onder een meer positieve vorm, de verworven bekwaamheden van de leerling worden geattesteerd.

10.1.12. Bepaalde studiebewijzen die inherent zijn aan het voltijds secundair onderwijs, worden niettemin ook in andere vormen van onderwijs uitgereikt. Vermits de onderliggende kwaliteitsnormen dezelfde zijn als voor het voltijds secundair onderwijs, hebben die studiebewijzen, ongeacht waar ze zijn uitgereikt, dezelfde waarde en genereren ze dezelfde civiele effecten naar vervolgonderwijs of doorstroming naar de arbeidsmarkt. Hierna een concreet overzicht :

- kunnen ook worden behaald in het deeltijds beroepssecundair onderwijs :

* het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;

* het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;

* het diploma van secundair onderwijs;

* het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer;

- kunnen ook worden behaald in de leertijd (Syntra opleidingen :

* het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;

* het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;

* het diploma van secundair onderwijs;

* het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer;

- kunnen ook worden behaald in het volwassenenonderwijs :

* het diploma van secundair onderwijs;

* het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer.

10.2. Specifieke bekrachtigingsmodaliteiten.

10.2.1. Afgeleverde studiebewijzen aan regelmatige leerlingen in de onderscheiden leerjaren.

10.2.1.1. Eerste leerjaar A.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :

- het oriënteringsattest A : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten;

- het oriënteringsattest B : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in - één van de volgende drie alternatieven - :

a) de basisopties "Grieks-Latijn en Latijn";

b) de basisopties "Grieks-Latijn, Latijn, Moderne wetenschappen, R. Steinerpedagogie en Yeshiva";

c) het tweede leerjaar van de eerste graad (de leerling kan dan nog wél naar het beroepsvoorbereidend leerjaar);

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij het leerjaar heeft beëindigd doch niet met vrucht, hetzij het leerjaar slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken school heeft gevolgd;

- het getuigschrift van basisonderwijs : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd (= een oriënteringsattest A of B) en dit getuigschrift nog niet bezit.

10.2.1.2. Eerste leerjaar B.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :

- het oriënteringsattest A : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten;

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij het leerjaar heeft beëindigd doch niet met vrucht, hetzij het leerjaar slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken school heeft gevolgd;

- het getuigschrift van basisonderwijs : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd (= een oriënteringsattest A) en dit getuigschrift nog niet bezit.

10.2.1.3. Tweede leerjaar van de eerste graad.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :

- het oriënteringsattest A : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten;

- het oriënteringsattest B : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen/studierichtingen;

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij het leerjaar heeft beëindigd doch niet met vrucht, hetzij het leerjaar en de basisoptie slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken school heeft gevolgd;

- het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd (= een oriënteringsattest A of B).

10.2.1.4. Beroepsvoorbereidend leerjaar.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :

- het oriënteringsattest A : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten;

- het oriënteringsattest B : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen/ studierichtingen;

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij het leerjaar heeft beëindigd doch niet met vrucht, hetzij het leerjaar en één of twee beroepenvelden slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken school heeft gevolgd;

- het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd (= een oriënteringsattest A of B);

- het getuigschrift gelijkwaardig met het getuigschrift van basisonderwijs : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd (= een oriënteringsattest A of B) en het getuigschrift van basisonderwijs niet bezit.

10.2.1.5. Eerste leerjaar van de tweede graad A.S.O. T.S.O. K.S.O. B.S.O.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :

- het oriënteringsattest A : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten;

- het oriënteringsattest B : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen/ studierichtingen;

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij het leerjaar heeft beëindigd doch niet met vrucht, hetzij het leerjaar, de onderwijsvorm en de studierichting slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken school heeft gevolgd.

10.2.1.6. Tweede leerjaar van de tweede graad A.S.O. T.S.O. K.S.O.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :

- het oriënteringsattest A : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten;

- het oriënteringsattest B : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen/studierichtingen;

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij het leerjaar heeft beëindigd doch niet met vrucht, hetzij het leerjaar, de onderwijsvorm en de studierichting slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken school heeft gevolgd;

- het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs : mits de leerling het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad met vrucht (= een oriënteringsattest A of B) heeft beëindigd.

10.2.1.7. Tweede leerjaar van de tweede graad B.S.O.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :

- het oriënteringsattest A : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten;

- het oriënteringsattest B : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen/studierichtingen. Voor wat het beroepssecundair onderwijs betreft, geldt dat de leerling tot het eerste leerjaar van de derde graad B.S.O. mag worden toegelaten behalve in bepaalde studierichtingen;

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij het leerjaar heeft beëindigd doch niet met vrucht, hetzij het leerjaar, de onderwijsvorm en de studierichting slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken school heeft gevolgd;

- het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs : mits de leerling het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad met vrucht (= een oriënteringsattest A of B) heeft beëindigd.

10.2.1.8. Eerste leerjaar van de derde graad A.S.O. K.S.O. B.S.O.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :

- het oriënteringsattest A : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten;

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij het leerjaar heeft beëindigd doch niet met vrucht, hetzij het leerjaar, de onderwijsvorm en de studierichting slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken school heeft gevolgd.

Aandacht : de mogelijkheden inzake studieverandering binnen de derde graad die onder welbepaalde strikte voorwaarden ontstaan, betekenen niet dat in het eerste leerjaar van de derde graad A.S.O., K.S.O. en B.S.O. kan worden geclausuleerd. Enkel in het eerste leerjaar van de derde graad T.S.O. is clausulering mogelijk; het feit dat overstappen van het T.S.O. naar het B.S.O. niet ongebruikelijk zijn en het feit dat vele studiegebieden T.S.O.- en B.S.O.-overschrijdend zijn, liggen hier aan de basis van.

10.2.1.9. Eerste leerjaar van de derde graad T.S.O.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :

- het oriënteringsattest A : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten;

- het oriënteringsattest B : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in de onderwijsvorm technisch secundair onderwijs (zie in dit verband ook de rubriek 9.2.15.1.);

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij het leerjaar heeft beëindigd doch niet met vrucht, hetzij het leerjaar, de onderwijsvorm en de studierichting slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken school heeft gevolgd.

10.2.1.10. Tweede leerjaar van de derde graad A.S.O. T.S.O. K.S.O.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :

- het diploma van secundair onderwijs : mits de leerling houder is van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs én het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het A.S.O., T.S.O. of K.S.O. met vrucht heeft beëindigd;

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij het leerjaar heeft beëindigd doch niet met vrucht, hetzij het leerjaar, de onderwijsvorm en de studierichting slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken school heeft gevolgd.

Bemerking: de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu heeft een lijst vastgelegd van studierichtingen die, op basis van het leerprogramma, in aanmerking komen voor aanvraag van een fytolicentie. Een fytolicentie is een certificaat dat aangeeft dat de houder als professionele gebruiker, distributeur of voorlichter op een correcte manier met gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen kan omgaan. In die lijst is ook de studierichting dier- en landbouwtechnische wetenschappen opgenomen voor zover gebaseerd op het leerprogramma "akkerbouw en veeteelt". Omdat bedoeld programma niet uit het ingevuld model van het diploma van secundair onderwijs blijkt, moet vanaf het schooljaar 2016-2017 bij de uitreiking ervan in voorkomend geval een door de directie ondertekende schriftelijke verklaring (model naar keuze) worden gevoegd, die vermeldt :

1) dat het specifiek leerprogramma van de studierichting dier- en landbouwtechnische wetenschappen in de betrokken school gebaseerd is op "akkerbouw en veeteelt", en

2) dat de titularis van het diploma met deze verklaring bij de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu een aanvraag tot het bekomen van een fytolicentie kan indienen.

10.2.1.11. Tweede leerjaar van de derde graad B.S.O.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :

- het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd;

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij het leerjaar heeft beëindigd doch niet met vrucht, hetzij het leerjaar, de onderwijsvorm en de studierichting slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken school heeft gevolgd.

10.2.1.12. Derde leerjaar van de derde graad A.S.O. K.S.O., ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs.

Het volgend studiebewijs wordt afgeleverd :

- een attest van regelmatige lesbijwoning : mits de leerling het leerjaar geheel of ten dele heeft gevolgd.

10.2.1.13. Se-n-Se van de derde graad T.S.O. K.S.O.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :

- het certificaat van een opleiding secundair-na-secundair (Se-n-Se) : mits de leerling de Se-n-Se met vrucht heeft beëindigd;

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij de Se-n-Se heeft beëindigd doch niet met vrucht.

10.2.1.14. Derde leerjaar van de derde graad B.S.O., ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :- het diploma van secundair onderwijs : mits de leerling houder is van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs én het eerste leerjaar van de derde graad, het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar, met vrucht heeft beëindigd;

- het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar : mits de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd, doch niet in aanmerking komt voor het diploma van secundair onderwijs;

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij het leerjaar heeft beëindigd doch niet met vrucht, hetzij het leerjaar, de onderwijsvorm en de studierichting slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken school heeft gevolgd.

10.2.1.15. Derde leerjaar van de derde graad B.S.O., niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar.

De volgende studiebewijzen worden afgeleverd :

- het diploma van secundair onderwijs : mits de leerling houder is van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs én het eerste leerjaar van de derde graad, het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar, met vrucht heeft beëindigd;

- het oriënteringsattest C : mits de leerling hetzij het leerjaar heeft beëindigd doch niet met vrucht, hetzij het leerjaar en de onderwijsvorm slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken school heeft gevolgd.

10.2.1.16. Derde graad (met uitzondering van het eerste leerjaar).

Een getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer wordt uitgereikt onder de voorwaarden en modaliteiten vastgelegd in de omzendbrief SO/2008/01.

10.2.2. Het aspect "rechtsgeldigheid" en de modellen der studiebewijzen.

10.2.2.1. De onderscheiden studiebewijzen die worden afgeleverd binnen het voltijds secundair onderwijs zijn de volgende (voor elke titel wordt verwezen naar een bijlage, bevattende het model + de onderrichtingen voor het invullen) :

- het oriënteringsattest A (bijlage 1)

- het oriënteringsattest B (bijlage 2)

- het oriënteringsattest C (bijlage 3)

- het getuigschrift van basisonderwijs (bijlage 4)

- het getuigschrift gelijkwaardig met het getuigschrift basisonderwijs (bijlage 5)

- het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs (bijlage 6)

- het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs (bijlage 7)

- het diploma van secundair onderwijs (onderwijsvormen algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs) (bijlage 8)

- het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (bijlage 9)

- het attest van regelmatige lesbijwoning (bijlage 10)

- het certificaat van een opleiding secundair-na-secundair (Se-n-Se) (bijlage 11)

- het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar (bijlage 12)

- het diploma van secundair onderwijs (onderwijsvorm beroepssecundair onderwijs, niveau derde graad) (bijlage 13)

- het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer (bijlage 14)

- het attest van verworven bekwaamheden (bijlage 16).

Het model + de onderrichtingen voor het invullen van het attest van lesbijwoning als vrije leerling gaan in bijlage 15).

10.2.2.2. De invulling van studiebewijzen moet volledig in overeenstemming zijn met de gegevens vermeld op het proces-verbaal van de beslissingen van de delibererende klassenraad.

Noch het gebruik van een datumstempel, noch verbeteringen, herschikkingen of schrappingen (tenzij andersluidende richtlijn) van teksten of tekstgedeelten, is toegelaten !

Met uitzondering van de oriënteringsattesten waarop ze verplicht dient aangebracht, mogen de studiebewijzen de volgende informatie niet bevatten : het instellingsnummer, de administratieve groep, het stamnummer van de leerling.

Behoudens de directeur kan elke gemandateerde van het schoolbestuur met de ondertekening van de studiebewijzen worden belast. In voorkomend geval worden in het model van het betrokken studiebewijs enerzijds de woorden 'directeur van de bovengenoemde school' vervangen door de woorden 'gemandateerde van het schoolbestuur van de bovengenoemde school' en anderzijds, onderaan, de woorden 'De directeur' vervangen door de woorden 'De gemandateerde van het schoolbestuur'.

Ondertekening van de studiebewijzen gebeurt handgeschreven en niet ingescand, via stempel of eender ander procédé !

10.2.2.3. De door de onderwijsinrichters afgeleverde studiebewijzen zijn van rechtswege geldend, wat betekent dat ze niet ter goedkeuring aan de overheid worden voorgelegd. Het recht om deze studiebewijzen af te leveren vloeit voort uit de erkenning van de school. Deze erkenning vereist het voldoen aan een reeks voorwaarden die zijn vastgelegd in de schoolpactwet van 29 mei 1959. Indien aan deze voorwaarden niet meer wordt voldaan, kan de Vlaamse regering, op voorstel van een college van onderwijsinspecteurs, de erkenning van een school of een onderdeel ervan, al dan niet geleidelijk opheffen.

10.2.2.4. Elke materiële fout in de vorm van ten onrechte uitreiking van een studiebewijs waardoor de rechten van de leerling worden geschonden (bv. toekenning van een oriënteringsattest C aan een geslaagde leerling), moet door het schoolbestuur worden hersteld. Het initiatiefrecht tot herstel van die fout, dat te allen tijde kan worden uitgeoefend, ligt zowel bij het schoolbestuur als bij de leerling.

Elke materiële fout in de vorm van ten onrechte uitreiking van een studiebewijs waardoor aan de leerling meer rechten worden toegekend dan de rechten die voortvloeien uit de beslissing van de delibererende klassenraad, kan door het schoolbestuur worden hersteld uiterlijk dertig dagen na de uitreiking ervan. Een herstel is evenwel niet mogelijk indien de leerling kan aantonen dat binnen die dertig dagen rechtsgevolgen zijn ontstaan (bv. ingevolge het sluiten van een arbeidsovereenkomst) die bij intrekking van het studiebewijs schade zou veroorzaken in hoofde van die leerling.

10.2.3. Drukwerk der studiebewijzen.

De scholen dienen zelf in te staan voor het drukwerk van de noodzakelijk geachte voorraad exemplaren van studiebewijzen.

Hierbij mag een beroep worden gedaan op derden en/of gebruik worden gemaakt van een computerprocédé, voor zover uiteraard de tekst, de lay-out en het formaat = A4 (nl. 210 x 297 mm, in verticale zin te drukken) van de modellen in kwestie worden gerespecteerd.

10.2.4. Overhandiging van studiebewijzen aan de betrokken personen.

Alle uitgereikte studiebewijzen, met uitzondering van de oriënteringsattesten, worden steeds onmiddellijk aan de betrokken personen overhandigd. Dit impliceert onder meer dat het niet toegelaten is om studiebewijzen in te houden tot op het ogenblik dat de betrokken personen hun eventuele financiële verplichtingen ten aanzien van de school hebben voldaan.

De oriënteringsattesten worden in de school bewaard tot de leerling de school verlaat; alsdan worden ze onmiddellijk overgemaakt aan de betrokken personen of aan een andere school waar de leerling zich inschrijft en die er bij de eerste school om verzoekt.

10.2.5. Proces-verbaal van de beslissingen van de delibererende klassenraad.

10.2.5.1. De beslissingen van de delibererende klassenraad dienen vastgelegd in een proces-verbaal. Elk proces-verbaal, waarop uitsluitend regelmatige leerlingen mogen voorkomen, wordt gedateerd op 30 juni en in één exemplaar opgemaakt.

Desbetreffend proces-verbaal dat eind juni wordt opgemaakt, kan mogelijks worden aangevuld met één of twee processen-verbaal-addendum. Het betreft dan de leerlingen waarvoor een definitieve beslissing pas plaats grijpt in de periode NA 30 juni. Volgende situaties doen zich voor :

a. de beslissing wordt genomen door de delibererende klassenraad naar aanleiding van verlenging van besluitvorming (na herexamen, inhaalstage….);

b. de oorspronkelijke beslissing wordt vervangen door een andere beslissing van de delibererende klassenraad naar aanleiding van overleg tussen de school en de betrokken personen;

c. de oorspronkelijke beslissing wordt vervangen door een andere beslissing van de delibererende klassenraad naar aanleiding van betwisting door het schoolbestuur;

d. de oorspronkelijke beslissing wordt vervangen door een andere beslissing van een beroepscommissie naar aanleiding van betwisting door de betrokken personen.

Zo de eerste beslissing pas na 30 juni wordt genomen (geval a.), dan dient de beslissing vastgelegd bij een proces-verbaal – addendum.

Zo de eerste beslissing na 30 juni wordt vervangen (gevallen, b., c. en d.), dan dient :

1° op het initieel proces-verbaal al de gegevens met betrekking tot de desbetreffende leerling door middel van een volle lijn te worden geschrapt en daarachter de formule "zie addendum" te worden vermeld;

2° de uiteindelijke beslissing vastgelegd bij een proces-verbaal - addendum.

De gevallen a., b. en c. komen op één proces-verbaal – addendum voor; het geval d. komt op een afzonderlijk proces-verbaal – addendum voor (het betreft dan immers een beslissing van een beroepscommissie en niet van de delibererende klassenraad zoals in de overige gevallen!). De stelregel blijft evenwel dat elk proces-verbaal, waarop uitsluitend regelmatige leerlingen mogen voorkomen, wordt gedateerd op 30 juni en in één exemplaar opgemaakt. 

Voor een Se-n-Se die loopt tot 31 januari komen alle beslissingen, wanneer ook genomen, samen voor op eenzelfde proces-verbaal van 30 juni daaropvolgend.

Ook in het geval een Se-n-Se van één semester gedurende een schooljaar tweemaal wordt ingericht, worden de leerlingen samen op hetzelfde proces-verbaal van 30 juni vermeld. Leerlingen daarentegen van een Se-n-Se van drie semesters en waarvoor in het eerste schooljaar geen beslissingen worden genomen, komen dat schooljaar niet op een proces-verbaal voor.

10.2.5.2. Enkel als dergelijke gevallen zich voordoen worden op het proces-verbaal een of twee extra categorieën toegevoegd, nl.

Categorie: "leerlingen waarvoor geen formele beslissing door de delibererende klassenraad wordt genomen". Dit zijn leerlingen waarover de klassenraad niet oordeelt dat ze geslaagd, geslaagd met clausulering of niet-geslaagd zijn en waar het schooljaar enkel wordt bekrachtigd met een attest van regelmatige lesbijwoning. Concreet gaat het om volgende situaties:

1° in het systeem dat, binnen een graad, de individuele leerling met tekorten in het eerste leerjaar toch overgaat naar het tweede leerjaar;

2° in het systeem dat, per structuuronderdeel, de delibererende klassenraad worden uitgesteld tot het einde van een graad;

3° in het systeem van spreiding van een leerjaar over twee schooljaren of spreiding van een graad over drie schooljaren in geval van ziekte of ongeval van een leerling of in het geval van een leerling met specifieke onderwijsbehoeften;

4° in het systeem van verdubbeling van de gebruikelijke studieduur voor een opleiding Se-n-Se.

Categorie : "leerlingen die een individueel aangepast curriculum hebben gevolgd". Dit zijn leerlingen waaraan een attest van verworven bekwaamheden wordt toegekend.

De aandacht wordt gevestigd op het volgende :

1° indien, binnen het systeem dat een leerling met tekorten overgaat naar het hoger leerjaar, de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie alsnog moet beslissen om een oriënteringsattest toe te kennen omdat de leerling, zonder dat zijn tekorten zijn weggewerkt, overstapt naar een structuuronderdeel van dezelfde of een andere school waar niet gebruikgemaakt wordt van dit systeem, dan dient :

a) op het initieel proces-verbaal al de gegevens met betrekking tot de desbetreffende leerling door middel van een volle lijn te worden geschrapt en daarachter de formule "zie addendum" te worden vermeld;

b) de uiteindelijke beslissing vastgelegd bij een proces-verbaal - addendum;

2° indien, binnen het systeem dat een leerling met tekorten overgaat naar het hoger leerjaar, de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de graad in kwestie beslist dat de leerling de tekorten van het eerste leerjaar heeft weggewerkt doch niet geslaagd is in het tweede leerjaar, dan wordt over het eerste leerjaar alsnog een oriënteringsattest A uitgereikt (en, in de eerste graad, een getuigschrift van basisonderwijs zo de leerling dat nog niet bezit). De leerling zal dan, op dezelfde datum, voorkomen onder de categorie "geslaagd" op het proces-verbaal over het eerste leerjaar van de betrokken graad, en onder de categorie "niet geslaagd" op het proces-verbaal over het tweede leerjaar van de betrokken graad; ook de studiebekrachtiging over dat eerste en tweede leerjaar van de betrokken graad zal op dezelfde datum plaats vinden. Om dit te verduidelijken wordt in elk van beide processen-verbaal in de rubriek "verleende studiebewijzen", na de weergave van het oriënteringsattest, bijkomend vermeld "systeem overstap naar het hoger leerjaar met tekorten in het onderliggend leerjaar";

3° indien, binnen het systeem van uitstel van eindbeslissing tot het einde van de graad, de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de graad in kwestie alsnog moet beslissen om een oriënteringsattest toe te kennen omdat de leerling overstapt naar een structuuronderdeel van dezelfde of een andere school waar niet gebruikgemaakt wordt van dit systeem, dan dient :

a) op het initieel proces-verbaal al de gegevens met betrekking tot de desbetreffende leerling door middel van een volle lijn te worden geschrapt en daarachter de formule "zie addendum" te worden vermeld;

b) de uiteindelijke beslissing vastgelegd bij een proces-verbaal - addendum.

Specifiek voor structuuronderdelen waarin een getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer wordt toegekend, wordt verwezen naar de bepalingen van rubriek 5 van de omzendbrief SO/2008/01 aangaande bedrijfsbeheer.

10.2.5.3. Het model van het proces-verbaal en de invulonderrichtingen gaan in bijlage 17. Noch het gebruik van een datumstempel, noch verbeteringen, herschikkingen of schrappingen (tenzij andersluidende richtlijn) van teksten of tekstgedeelten, is toegelaten !

Noteer tot slot dat op het model van het proces-verbaal een kolom "verleende studiebewijzen" wordt voorzien, dewelke moet worden vervolledigd met alle titels die elke afzonderlijke regelmatige leerling in dat structuuronderdeel verwerft.

10.2.6. Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs.

Via het afleggen van proeven voor de examencommissie van de Vlaamse gemeenschap, kunnen volgende studiebewijzen van het voltijds secundair onderwijs worden verworven :

-het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs

-het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs

-het diploma van secundair onderwijs.

Vanaf 1 oktober 2012 werkt de examencommissie volgens een nieuw systeem, waarbij o.m. examens op permanente basis worden ingericht en dit uitsluitend volgens eigen programma’s over bepaalde studierichtingen.

Voor meer info : 02/553.89.16 of email : examencommissie.secundaironderwijs@vlaanderen.be

10.2.7. Vervanging van verloren of vernietigde studiebewijzen.

In geval, naar verklaring, authentieke studiebewijzen werden verloren of vernietigd, dan dient de volgende procedure toegepast :

voor zover het gehomologeerde studiebewijzen betreft : een uittreksel uit het notulenboek dient aangevraagd bij AgODi, met vermelding van alle essentiële gegevens (betrokken school, schooljaar, leerjaar/onderwijsvorm/afdeling of studierichting);

voor zover het studiebewijzen betreft uitgereikt door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap : contact dient opgenomen met het secretariaat van voornoemde commissie;

voor zover het studiebewijzen betreft goedgekeurd door de overheid : de school zal een vervangend document opstellen naar het door AgODi voorgeschreven en aldaar te verkrijgen model. Vervolgens zal het samen met het destijds afgestempeld proces-verbaal van de eindbeslissingen ter goedkeuring aan het AgODi worden overgemaakt;

voor zover het door de scholen afgeleverde en van rechtswege geldende studiebewijzen betreft : de school zal een vervangend document opstellen naar het door AgODi voorgeschreven en aldaar te verkrijgen model. Voor het overige is ook dit document van rechtswege geldend.

In elk van die gevallen zal het nieuwe attest de datum van uitreiking van het authentiek studiebewijs vermelden.

Personen die in toepassing van de wetgeving betreffende de toekenning van namen en voornamen een wijziging van hun naam of voornaam hebben verkregen, kunnen bij de school waar ze hun authentiek studiebewijs hebben behaald of bij AgODi een verzoek indienen om dat studiebewijs te laten vervangen door een studiebewijs met hun nieuwe naam of voornaam. Bij de aanvraag moet het oorspronkelijk behaalde studiebewijs worden ingeleverd en moeten officiële stukken worden gevoegd die de naamswijziging aantonen. Indien het verzoek tot vervanging wordt gericht aan de school, dan zal die school AgODi contacteren met betrekking tot de te volgen werkwijze.

10.2.8. Specifieke bepalingen inzake evaluatie en studiebekrachtiging in veiligheidsopleidingen.

In de veiligheidsopleidingen vindt de studiebekrachtiging onder volgende vorm plaats.

1° In de Se-n-Se Integrale veiligheid TSO (derde leerjaar derde graad):

a)certificaat van een opleiding secundair-na-secundair (Se-n-Se);

b)algemeen bekwaamheidsattest bewakingsagent (model wordt rechtstreeks aan de secundaire school bezorgd);

c)attest voetbalsteward (door de secundaire school vrij te bepalen model);

d)attest divisiechef (door de secundaire school vrij te bepalen model);

e)getuigschrift bedrijfshulpverlener(toegekend door en onder de verantwoordelijkheid van de instellingen of werkgevers die door de FOD WASO zijn gelegitimeerd om vorming en bijscholing aan hulpverleners te verstrekken volgens het Koninklijk Besluit van 15 december 2010);

f)modulecertificaat levensreddende handelingen van het nieuwe brevet BO1 (‘brandweerman’) (in samenwerking met de secundaire school, door en onder de verantwoordelijkheid van de brandweerschool toegekend);

g)attest eerste interventieploeglid (in samenwerking met de secundaire school, door en onder de verantwoordelijkheid van de brandweerschool toegekend);

h) attest werken op hoogte (in samenwerking met de secundaire school, door en onder de verantwoordelijkheid van de brandweerschool toegekend);

i) attest kleine blusmiddelen (in samenwerking met de secundaire school, door en onder de verantwoordelijkheid van de brandweerschool toegekend);

j) een opleidingscentrum voor de civiele veiligheid organiseert achtereenvolgens drie proeven met het oog op het uitreiken door dat centrum van het federaal geschiktheidsattest (FGA), nl. een competentietest, een operationele handvaardigheidstest en lichamelijke geschiktheidsproef, bestaande uit vier onderdelen. De leerling die aantoont regelmatige leerling te zijn in de opleiding Integrale veiligheid én aan bepaalde andere voorwaarden zoals bepaald door de FOD Binnenlandse Zaken voldoet, geniet een vrijstelling voor de competentietest doch enkel tot en met 31 augustus van het schooljaar waarin hij de opleiding Integrale veiligheid volgt. Indien vervolgens geslaagd voor de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven wordt vermeld FGA toegekend;

k)slaagattesten van de selectieproeven betreffende de ingangsexamens voor de opleiding van politie-inspecteur en politieagent (in samenwerking met de secundaire school, door en onder de verantwoordelijkheid van de politieschool toegekend).

2° In het specialisatiejaar Veiligheidsberoepen BSO (derde leerjaar derde graad):

a)diploma van secundair onderwijs of studiegetuigschrift, naargelang van de vooropleiding van de leerling;

b)algemeen bekwaamheidsattest bewakingsagent (model wordt rechtstreeks aan de secundaire school bezorgd);

c)attest voetbalsteward (door de secundaire school vrij te bepalen model);

d)attest gemeenschapswacht (door de secundaire school vrij te bepalen model);

e)getuigschrift bedrijfshulpverlener(toegekend door en onder de verantwoordelijkheid van de instellingen of werkgevers die door de FOD WASO zijn gelegitimeerd om vorming en bijscholing aan hulpverleners te verstrekken volgens het Koninklijk Besluit van 15 december 2010);

f) een opleidingscentrum voor de civiele veiligheid organiseert achtereenvolgens drie proeven met het oog op het uitreiken door dat centrum van het federaal geschiktheidsattest (FGA), nl. een competentietest, een operationele handvaardigheidstest en lichamelijke geschiktheidsproef, bestaande uit vier onderdelen. De leerling die aantoont regelmatige leerling te zijn in de opleiding Veiligheidsberoepenén aan bepaalde andere voorwaarden zoals bepaald door de FOD Binnenlandse Zaken voldoet, geniet een vrijstelling voor de competentietest doch enkel tot en met 31 augustus van het schooljaar waarin hij de opleiding Veiligheidsberoepen volgt. Indien vervolgens geslaagd voor de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven wordt vermeld FGA toegekend.

De studiebekrachtiging is het resultaat van evaluatie van de regelmatige leerlingen. In de veiligheidsopleidingen moet de delibererende klassenraad daarbij, omwille van het uitzonderlijk karakter, met de volgende principes rekening houden.

1° Het toekennen van het studiebewijs vermeld in 1°, a) of 2°, a) verloopt volgens de geëigende regels van het secundair onderwijs, d.w.z. een leerling is geslaagd indien hij in voldoende mate de leerplandoelstellingen heeft bereikt. Dit betekent dat er mogelijkheid is tot deliberatie bij een of meer onvoldoendes voor opleidingsonderdelen. Hieruit volgt dat het behalen van desbetreffend studiebewijs niet noodzakelijk inhoudt dat betrokkene alle bewijzen vermeld in 1°, b) t/m k), of 2°, b) t/m f) heeft verworven en, omgekeerd, dat het behalen van al deze bewijzen op zich geen garantie is voor het in aanmerking komen voor het studiebewijs vermeld in 1°, a) of 2°, a). Bij niet-slagen wordt een oriënteringsattest C toegekend.

2° Voor zover de toekenningsbevoegdheid van de bewijzen vermeld in 1°, b) t/m k), of 2°, b) t/m f)bij de secundaire school ligt, kan elk van die bewijzen slechts toegekend worden indien de leerling voldaan heeft voor alle opleidingsonderdelen die op dat bewijs betrekking hebben, m.a.w. er is geen mogelijkheid tot deliberatie bij een of meer onvoldoendes voor die opleidingsonderdelen. Deze bepaling is inherent aan de "licentie" die de school van de betrokken beroepssectoren en de FOD Binnenlandse Zaken heeft verkregen om tot toekenning van die bewijzen over te gaan. Op die wijze behaalt de leerling ofwel geen, ofwel enkele, ofwel alle bewijzen vermeld in 1°, b) t/m k), of 2°, b) t/m f) die aan zijn opleiding zijn verbonden.

Voor zover de toekenningsbevoegdheid van de bewijzen vermeld in 1°, b) t/m k), of 2°, b) t/m f)bij een andere instantie ligt, beslist die instantie zelf over de modaliteiten (bv. verplichte examinering) waaronder het bewijs in kwestie kan worden behaald.

In de notulen van de vergadering van de delibererende klassenraad moeten ook de (gunstige of ongunstige) beslissingen t.a.v. de diverse bewijzen, per leerling, worden vermeld (voor zover het bewijzen betreft waarvoor de toekenningsbevoegdheid bij de secundaire school ligt). Op het proces-verbaal van de eindbeslissingen worden evenwel alle effectief behaalde bewijzen weergegeven (dus ook die waarvoor de toekenningsbevoegdheid bij een andere instantie dan de secundaire school ligt).

Indien bij het einde van de opleiding de delibererende klassenraad gebruik maakt van de mogelijkheid om het besluitvormingsproces te verlengen (omwille van inhaalstage, herexamen ....), dan:

- worden die bewijzen vermeld in 1°, b) t/m k), of 2°, b) t/m f) waarvoor de leerling reeds heeft voldaan, toch al op 30 juni (31 januari voor een Se-n-Se die op die datum eindigt) uitgereikt, zodat er geen uitstel is, wat belangrijk kan zijn in het kader van beroepsuitoefening;

- worden, omwille van administratieve eenvoud, alle bewijzen vermeld in 1° of 2° voor zover ze aan de leerling worden toegekend, pas vermeld op het proces-verbaal “addendum”.

Voor zover het bewijzen vermeld in 1°of 2° betreft waarvoor de toekenningsbevoegdheid bij de secundaire school ligt, heeft de delibererende klassenraad een motiveringsplicht bij het niet verlenen ervan. Het in beroep gaan kan echter enkel tegen een uitgereikt oriënteringsattest C (dus geen beroepsprocedure als een of meer van de bewijzen vermeld in 1°, b) t/m k), of 2°, b) t/m f) niet worden uitgereikt).

Personen die niet tot het personeel van de school behoren kunnen, ambtshalve, slechts raadgevend deel uitmaken van de klassenraden. Deze bepaling is van toepassing op elkeen (instructeur politieschool of brandweerschool, voordrachtgever ....) die een deel van de afwerking van de opleiding op zich heeft genomen doch voor het overige vreemd is aan de secundaire school.

11. Door de betrokken personen omstreden beslissing van de delibererende klassenraad - beroep.

De mogelijkheid voor de betrokken personen, na voorafgaand overleg met de directeur of zijn afgevaardigde, tot verhaal tegen een evaluatiebeslissing is decretaal verplicht. Met "evaluatiebeslissing" (i.c. een oriënteringsattest B of C) wordt dan bedoeld hetzij de enige beslissing van de delibererende klassenraad, hetzij de beslissing die is genomen nadat de klassenraad door de directeur of zijn afgevaardigde eventueel opnieuw is samengeroepen (na het overleg) en die verschilt van de oorspronkelijke beslissing.

Het schoolbestuur beschikt enerzijds over een zekere autonomie, maar is anderzijds onderworpen aan onderstaande bepalingen. Zoals blijkt blijft de beroepsgang een schoolinterne aangelegenheid. Zowel naar de procedure als naar het functioneren van de beroepscommissie worden echter een aantal criteria van kracht die moeten aantonen dat elk beroep in het teken staat van onafhankelijkheid, neutraliteit en deskundigheid, vertrekkend vanuit de gelijkwaardigheid van beide partijen. Dit moet bijdragen tot de accepteerbaarheid van een beslissing in beroep.

Pas na uitputting van het schoolintern beroep kan de stap naar een bevoegd rechtscollege worden gezet..

11.1. Procedure.

De beroepsprocedure is concreet vastgelegd in het schoolreglement maar omvat alleszins volgende stappen :

1. de betrokken personen stellen het beroep in bij het schoolbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift dat ten minste het voorwerp van het beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt; bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd;

2. het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie;

3. het resultaat wordt uiterlijk 15 september (15 maart voor opleidingen die op 31 januari eindigen ) schriftelijk ter kennis gebracht aan de betrokken personen. Inzake timing wordt dus als norm enkel een limietdatum bepaald, voor al het overige beslist het schoolbestuur zelf. Indien echter het resultaat van het beroep nog niet ter kennis kan worden gebracht van de betrokken personen bij de start van het nieuwe schooljaar (= 1 september), dan heeft de leerling het recht om in de school in kwestie zijn studies verder te zetten zonder rekening te houden met de beperkingen van het B- of C-attest. Dit recht is echter tijdelijk, nl. in afwachting dat uiterlijk 15 september het uiteindelijk resultaat in beroep wél wordt meegedeeld (eventuele beroepen bij rechtscolleges worden hier volstrekt buiten beschouwing gelaten). Indien dan blijkt dat de leerling een structuuronderdeel heeft aangevat waarin hij ingevolge dat resultaat als regelmatig leerling kan worden toegelaten, dan wordt zijn toestand vanaf 1 september geregulariseerd (retroactieve omzetting van vrije naar regelmatige leerling); indien blijkt dat hij een structuuronderdeel heeft aangevat waarvoor hij uiteindelijk niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet, dan moet hij van structuuronderdeel veranderen en heeft hij tijdelijk de lessen gevolgd als vrije leerling. Dit tijdelijk recht bestaat, voor alle duidelijkheid, uitsluitend in de school waar de controversiële evaluatiebeslissing werd genomen; bij overstap naar een andere school zal de nieuwe school met het beroep pas rekening houden zodra het resultaat van dat beroep gekend is. 

11.2. Samenstelling beroepscommissie.

Het schoolbestuur stelt een beroepscommissie in, waarvan de samenstelling aan volgende voorwaarden moet beantwoorden :

1. per te behandelen individueel dossier kan de samenstelling verschillen, maar binnen het dossier kan de samenstelling niet meer wijzigen;

2. elke commissie bestaat uit :

a) interne leden: zijnde leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter, die de evaluatiebeslissing heeft genomen (het hoeft dus niet de voltallige klassenraad te zijn) en eventueel een lid van het schoolbestuur;

b) externe leden: zijnde leden die niet verbonden zijn aan het schoolbestuur of de school waar de evaluatiebeslissing werd genomen (zie concrete opsomming verder); een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of - met uitzondering van het personeel – de schoolraad die fungeert binnen de school waar de evaluatiebeslissing werd genomen, behoort tot de categorie "externe leden";

c) een voorzitter: door het schoolbestuur aangeduid onder de externe leden.

Een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel onder de omschrijving "intern lid" als de omschrijving "extern lid" valt, wordt geacht intern te zijn.

Concreet :

wordt verstaan onder lid van het schoolbestuur en is derhalve een intern lid van de beroepscommissie :

-in het Gemeenschapsonderwijs:

*een lid van de raad van het Gemeenschapsonderwijs

*een lid van de raad van bestuur van de scholengroep

*een lid van de algemene vergadering van de scholengroep

-in het gesubsidieerd provinciaal onderwijs:

*een lid van de provincieraad

*een lid van de bestendige deputatie

*(in voorkomend geval) een lid van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf

*(in voorkomend geval) een lid van het directiecomité van het autonoom provinciebedrijf

-in het gesubsidieerd gemeentelijk onderwijs:

*een lid van de gemeenteraad

*een lid van het college van burgemeester en schepenen

*(in voorkomend geval) een lid van de raad van bestuur van het autonoom gemeentebedrijf

*(in voorkomend geval) een lid van het directiecomité van het autonoom gemeentebedrijf

-in het gesubsidieerd onderwijs van de Vlaamse Gemeenschapscommissie:

* een lid van de raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

* een lid van het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

-in het gesubsidieerd vrij onderwijs:

* een lid van de algemene vergadering van de vzw-schoolbestuur

* een lid van de raad van bestuur van de vzw-schoolbestuur.

Elk lid van de beroepscommissie dat, naargelang van het betrokken onderwijsnet, niet aan één van de hierboven opgegeven hoedanigheden beantwoordt binnen het betrokken schoolbestuur én geen lid is van de betrokken school (zie verder) is een extern lid van de beroepscommissie.

Personeelsleden van de hierboven vermelde instanties zijn ook externe leden, aangezien ze zelf geen "inrichtende onderwijsverantwoordelijkheid" dragen.

wordt verstaan onder lid van de school (hieronder valt ook het eventueel aan de school verbonden niet-autonoom CDO) :

* een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd (= statutair) personeelslid aangesteld in de betrokken school

-in een ambt van het bestuurspersoneel, het onderwijzend personeel of het ondersteunend personeel

-ongeacht het volume of taakinvulling van de opdracht

-ongeacht effectieve prestaties worden geleverd of een vorm van dienstonderbreking/ verlofstelsel, terbeschikkingstelling (TBS) of tijdelijk andere opdracht (TAO) loopt

* een contractueel personeelslid van de betrokken school

Elk lid van de beroepscommissie dat geen lid is van het betrokken schoolbestuur én geen lid is van de betrokken school is een extern lid van de beroepscommissie.

Personeelsleden van andere scholen van hetzelfde schoolbestuur (of een ander schoolbestuur) die niet aangesteld zijn in de betrokken school zijn externe leden.

11.3. Werking beroepscommissie.

Het schoolbestuur bepaalt de werking (waaronder de stemprocedure) van de beroepscommissie, rekening houdend met volgende voorwaarden :

1. elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, maar bij stemming moet het aantal stemgerechtigde interne leden en het aantal stemgerechtigde externe leden gelijk zijn (m.a.w. de mogelijkheid bestaat dat het schoolbestuur bepaalde leden aanduidt die niet stemgerechtigd zijn). Bij staking van stemmen (= gelijk aan pro en contra) is de stem van de voorzitter doorslaggevend (cfr. werkwijze die ook geldt voor klassenraden);

2. elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3. een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;

4. een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen. Enkele van die stappen kunnen onder meer zijn :

a. het horen van een of meer stemgerechtigde leden van de delibererende klassenraad die de evaluatiebeslissing heeft genomen, uiteraard in zover het leden betreft die niet reeds in de beroepscommissie zetelen, of het horen van een of meer raadgevende leden van die klassenraad;

b. het organiseren van bijkomende toetsen, examens of andere opdrachten voor de leerling;

5. de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden van het onderwijs. Hiermee wordt gealludeerd op de rechten om op bepaalde tijdstippen (bv. schoolvakanties) niet met schoolopdrachten te kunnen worden belast, tenzij dit in het arbeidsreglement van de school uitdrukkelijk is geregeld;

6. een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het schoolreglement.

11.4. Resultaat beroepscommissie.

De beroepscommissie heeft drie alternatieven :

1. het beroep is onontvankelijk en wordt gemotiveerd afgewezen; dit kan als de termijn voor indiening, vastgelegd in het schoolreglement, wordt overschreden of als het beroep niet voldoet aan de vormvereisten die in het schoolreglement zijn voorzien;

2. het omstreden evaluatieresultaat wordt bevestigd, eventueel nadat de beroepscommissie aan de leerling bijkomende toetsen, examens of andere opdrachten heeft opgelegd;

3. het omstreden evaluatieresultaat wordt door een ander resultaat vervangen, eventueel nadat de beroepscommissie aan de leerling bijkomende toetsen, examens of andere opdrachten heeft opgelegd. Aandacht : het evaluatieresultaat door een ander resultaat vervangen, betekent niet noodzakelijk een voor de betrokken personen "beter" resultaat; het is niet uitgesloten dat in beroep een clausulering (B-attest) wordt gewijzigd of uitgebreid of dat de beslissing “B-attest” wordt vervangen door "C-attest".

De beroepscommissie heeft volheid van bevoegdheid en beslist op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten. Toch draagt het schoolbestuur steeds de verantwoordelijkheid voor de genomen beslissing. Achterliggende reden hiervoor is de algemene erkenningsvoorwaarde dat het schoolbestuur de verantwoordelijkheid opneemt voor het onderwijs dat het inricht (cfr. de verantwoordelijkheid voor klassenraadsbeslissingen berust trouwens ook bij het schoolbestuur). Anderzijds is dit niet onlogisch omdat de beroepscommissie (zoals een klassenraad vanuit het werkgeverschap) door datzelfde schoolbestuur wordt samengesteld.

12. Door het schoolbestuur omstreden beslissing van de delibererende klassenraad.

Een beslissing van de delibererende klassenraad waartegen de betrokken personen geen beroep of een niet-ontvankelijk beroep hebben ingesteld, kan door het schoolbestuur omstreden worden geacht. In dat geval kan het schoolbestuur de klassenraad opnieuw doen samenkomen om die beslissing te heroverwegen. Het opnieuw samenkomen dient te gebeuren hetzij uiterlijk op 15 september van het daaropvolgend schooljaar, hetzij uiterlijk op 15 maart van het schooljaar in kwestie als de omstreden beslissing betrekking heeft op een Se-n-Se en genomen werd op 31 januari dan wel, bij uitstel, uiterlijk op 1 maart van dat schooljaar. In het geval de alsdan genomen beslissing afwijkt van de omstreden beslissing, wordt ze schriftelijk en gemotiveerd, onmiddellijk aan de betrokken personen meegedeeld.

13. Toegang tot hoger onderwijs

De hiernavolgende richtlijnen worden enkel ter kennisgeving meegegeven.

De meest courante algemene toelatingsvoorwaarde tot het hoger onderwijs in Vlaanderen is het bezit van een diploma van secundair onderwijs (of gelijkgesteld). Het instellingsbestuur kan evenwel in het onderwijsreglement afwijkende toelatingsvoorwaarden opnemen voor een bacheloropleiding. Die afwijkende toelatingsvoorwaarden kunnen enkel rekening houden met volgende elementen :

1° humanitaire redenen;

2° medische, psychische of sociale redenen;

3° het algemeen niveau van de kandidaat, getoetst op de door het instellingsbestuur bepaalde wijze. Het instellingsbestuur kan deze toetsing opdragen aan een andere validerende instantie. Het instellingsbestuur kan op grond van de toetsing de inschrijving afhankelijk maken van het met succes voltooien van een voorbereidingsprogramma.

14. Attest van inschrijving.

Sommige vreemdelingen hebben, met het oog op de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf door de Dienst Vreemdelingenzaken en een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister, een attest nodig, afgegeven door een door de overheid erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school (cfr. bijlage 19).

In principe kan dit "attest van inschrijving als regelmatig leerling" slechts afgeleverd worden indien belanghebbende voldoet aan de reglementaire toelatingsvoorwaarden tot die secundaire opleiding waarvoor hij opteert.

15. Taal-gebonden maatregelen.

Naast het feit dat vanaf het schooljaar 2014-2015 alle mondiaal levende talen als algemene vakken in het secundair onderwijs kunnen worden aangeboden (zie ook omzendbrief SO 69), treden vanaf datzelfde schooljaar ook andere taalgebonden maatregelen in werking.

  • Screening niveau onderwijstaal

Een goede kennis van de onderwijstaal is voor leerlingen essentieel om met goed gevolg het onderwijs te kunnen volgen en een kwalificatie te behalen. Daarom is het belangrijk dat elke leerling die voor het eerst instroomt in het voltijds gewoon secundair onderwijs, ongeacht de school of het structuuronderdeel, gescreend wordt op zijn niveau van de onderwijstaal. Op basis van deze taalscreening kan een school maatregelen nemen die tegemoet komen aan specifieke noden op het vlak van kennis van de onderwijstaal die bij een leerling worden vastgesteld.

In afwijking op het voorgaande is de screening niet verplicht voor een anderstalige nieuwkomer in het onthaalonderwijs. Voor dergelijke leerling treft de school in elk geval maatregelen die aansluiten bij zijn beginsituatie en zijn specifieke noden inzake de onderwijstaal, vermits inherent aan het onthaalonderwijs.

De taalscreening vindt plaats na de inschrijving van de leerling en is dus geen toelatingsvoorwaarde. De taalscreening is wel verplicht, zowel voor de school als voor de leerling.

De taalscreening gebeurt met een betrouwbaar en valide screeningsinstrument. De school kiest zelf dit instrument. Ter ondersteuning van die keuze heeft de overheid een "toolkit breed evalueren taalvaardigheid Nederlands" laten ontwikkelen door het Centrum voor Taal en Onderwijs en het Steunpunt Diversiteit en Leren. Deze toolkit biedt een overzicht van bestaande en betrouwbare valide instrumenten.

Zie http://www.ond.vlaanderen.be/toetsenvoorscholen/toolkit_breed_evalueren/

Voor het niveau van de onderwijstaal wordt gepolst naar de eindtermen Nederlands van het lager onderwijs. Op basis van deze screening kan de school een beginsituatieanalyse maken. Het kan zijn dat de school vaststelt dat er geen enkel probleem is, het kan zijn dat de leerling op bepaalde eindtermen zeer sterk is en extra uitdagende activiteiten kan gebruiken, het kan evenzeer zijn dat een leerling voor één of meerdere eindtermen remediëring nodig heeft.

  • Extra taallessen Nederlands

In het voltijds gewoon secundair onderwijs bestaan vandaag al verschillende instrumenten om tegemoet te komen aan leerlingen die al dan niet uit het onthaalonderwijs komen en onvoldoende kennis hebben van de onderwijstaal: het organiseren van inhaallessen, de vrije invulling van het keuze- of complementair gedeelte, het organiseren van flexibele leertrajecten (zie punt 2.2.6. van de omzendbrief SO/2005/04),… .

Het schoolbestuur beslist zelf of zijn school/scholen met deze instrumenten werkt en het behoort tot de bevoegdheid van de klassenraad en desgevallend de betrokken personen om te beslissen of één of meer van deze instrumenten wordt ingezet voor een individuele leerling.

Aan de bestaande instrumenten wordt nu een bijkomend instrument toegevoegd in de vorm van extra taallessen Nederlands voor leerlingen met onvoldoende kennis van de onderwijstaal. Deze extra taallessen kunnen oplopen tot maximaal drie uur per week bovenop de lessentabel van het structuuronderdeel waarin de betrokken leerling is ingeschreven. Het volgen van de extra taallessen is een verplichting voor de betrokken leerling.

Na het fiat van het schoolbestuur om dit instrument te gebruiken, is het de klassenraad die beslist of een individuele leerling extra taallessen moet volgen. Naargelang van het tijdstip (bij de start dan wel in de loop van het schooljaar) is dat de toelatingsklassenraad of de begeleidende klassenraad.

Om te garanderen dat de kennis van het Nederlands vanuit een breed perspectief wordt beoordeeld (Nederlands én als vak én als onderwijstaal), moet de klassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, ten minste zijn samengesteld uit de leraars van de basisvorming. Deze minimumvoorwaarde sluit dus niet uit dat de klassenraad kan worden uitgebreid met andere leraars of personen (CLB, …).

De begeleidende klassenraad beslist op basis van de evaluatie van de voortgang die de betrokken leerling maakt over de duur van de extra taallessen Nederlands tijdens het schooljaar. Het kan bijvoorbeeld voor een leerling volstaan om gedurende tien weken extra taallessen te volgen, een andere leerling zal misschien gedurende een gans schooljaar extra taallessen nodig hebben. Doordat de extra taallessen Nederlands boven op het reguliere leerprogramma komen, staan deze extra taallessen Nederlands los van de evaluatie en de studiebekrachtiging gekoppeld aan het structuuronderdeel waarvoor de leerling is ingeschreven.

Voor de organisatie van deze extra taallessen Nederlands kan een school putten uit de reguliere omkadering. Scholen kunnen hiervoor ook middelen bundelen (vb. uren-leraar overdragen) en leerlingen uit verschillende scholen samen extra taallessen Nederlands aanbieden.

  • CLIL (Content and Language Integrated Learning)

In het voltijds gewoon secundair onderwijs kan 20% van de lesuren besteed aan niet-taalvakken via CLIL (Content and Language Integrated Learning) aangeboden worden. CLIL is een werkvorm waarin het Frans, Engels of Duits als instructietaal wordt gebruikt om een niet-taalvak te onderwijzen.

De overheid heeft een kwaliteitsstandaard ontwikkeld om het schoolteam te ondersteunen in de voorbereiding van een CLIL-traject. Een school die CLIL wil aanbieden, moet ten laatste op 15 december van het voorgaande schooljaar een aanvraag indienen via de Vlaamse Adviescommissie CLIL.

Bij de organisatie van CLIL moet ook met het volgende rekening worden gehouden :

1° de leerling moet in de betrokken school ook steeds de mogelijkheid hebben om alle niet-taalvakken in het Nederlands te volgen; een leerling kan dus nooit tot het volgen van een CLIL-traject worden verplicht;

2° anderzijds kan een leerling slechts een CLIL-traject volgen :

a) indien de betrokken personen er schriftelijk en expliciet voor kiezen om dat traject gedurende het volledige schooljaar (d.w.z. vanaf het moment van instap van de leerling in het betrokken structuuronderdeel) te volgen, en

b) na positief advies van de toelatingsklassenraad dat ten minste gebaseerd is op voldoende kennis en beheersing door de leerling van het Nederlands;

3° de school moet er voor zorgen dat de kennis van het Nederlands bij de leerlingen prioritair blijft en dat het Nederlandstalige karakter van de school behouden blijft.

Meer informatie over CLIL, de kwaliteitsstandaard en de aanvraagprocedure vind je op de onderwijswebsite.

16. Bijlagen.

Bijlage 1 - Oriënteringsattest A

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4471 (doc. nr. 4471)

Bijlage 2 - Oriënteringsattest B

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4472 (doc. nr. 4472)

Bijlage 3 - Oriënteringsattest C

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4473 (doc. nr. 4473)

Bijlage 4 - Getuigschrift van basisonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4474 (doc. nr. 4474)

Bijlage 5 - Getuigschrift gelijkwaardig met het getuigschrift van basisonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4475 (doc. nr. 4475)

Bijlage 6 - Getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4476 (doc. nr. 4476)

Bijlage 7 - Getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4477 (doc. nr. 4477)

Bijlage 8 - Diploma van secundair onderwijs (algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4478 (doc. nr. 4478)

Bijlage 9 - Studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4479 (doc. nr. 4479)

Bijlage 10 - Attest van regelmatige lesbijwoning

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4480 (doc. nr. 4480)

Bijlage 11 - Certificaat van een opleiding secundair-na-secundair

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4070 (doc. nr. 4070)

Bijlage 12 - Studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4071 (doc. nr. 4071)

Bijlage 13 - Diploma van secundair onderwijs (derde graad BSO)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4072 (doc. nr. 4072)

Bijlage 14 - Getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4481 (doc. nr. 4481)

Bijlage 15 - Model - Attest van lesbijwoning als vrije leerling

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4482 (doc. nr. 4482)

Bijlage 16 - Attest van verworven bekwaamheden

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4483 (doc. nr. 4483)

Bijlage 17 - Model + onderrichtingen voor het invullen van het proces-verbaal van de beslissingen van de delibererende klassenraad

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4484 (doc. nr. 4484)

Bijlage 18 - Structuuronderdelen waar voor toelating een medisch attest is vereist in het kader van de federale regelgeving op de voedselveiligheid (FAVV)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3919 (doc. nr. 3919)

Bijlage 19 - Attest van inschrijving als regelmatige leerling of student in een school

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=5298 (doc. nr. 5298)