1. Opzet.

In het secundair onderwijs zijn er uiteenlopende vormen van werkplekleren die verschillen qua intensiteit, gaande van het observeren van bedrijfsactiviteiten tot daadwerkelijke kennismaking met een werkplek. De meest doorgedreven vorm van werkplekleren in het secundair onderwijs is duaal leren. In deze omzendbrief lichten we de regelgeving van dit stelsel toe.

Duaal leren is bedoeld voor leerlingen die voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht en die klaar (of op zijn minst bereid) zijn om te leren en te participeren op een werkplek. Hierbij ligt de focus volledig op leren; zowel bij de aanbieder duaal leren als op de werkplek gaat de jongere nieuwe competenties aanleren in het kader van zijn opleidingsprogramma. De aanbieder duaal leren blijft steeds verantwoordelijk voor het opleidingstraject van de leerling en dient vanuit die rol ook goed op te volgen hoe de opleiding op de werkplek verloopt.

Duaal leren kan aangeboden worden in zowel het gewoon als buitengewoon secundair onderwijs.

- Voor het gewoon secundair onderwijs richt duaal leren zich op opleidingen met een arbeidsmarktgerichte of een dubbele finaliteit in 2e en 3e graad. Dit wil echter niet zeggen dat elke opleiding uit deze finaliteiten duaal zal uitgewerkt worden; voor elke opleiding zal worden nagegaan of een duaal traject mogelijk en relevant is. Duaal leren zal bij verschillende aanbieders kunnen gevolgd worden: in een school voor voltijds secundair onderwijs, in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (CDO) of in een centrum voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (Syntra vzw). Ongeacht de aanbieder wordt duaal leren beschouwd als voltijds secundair onderwijs.

- Voor het buitengewoon secundair onderwijs is duaal leren mogelijk in de kwalificatie- en integratiefase van opleidingsvorm 3 (OV3) en opleidingen in de 2e en 3e graad met een arbeidsmarktgerichte of dubbele finaliteit in opleidingsvorm 4 (OV4).

Voor leerlingen die wel bereid zijn om te leren op een werkplek maar nog niet beschikken over voldoende arbeidscompetenties, is de aanloopfase (zie deel 8. Aanloopfase) uitgewerkt; hierin kunnen ze op hun eigen tempo voorbereid worden op een instap in duaal leren. Deze aanloopfase is enkel mogelijk in het gewoon secundair onderwijs. In het niet-duale buitengewoon secundair onderwijs werkt men immers al zo geïndividualiseerd dat een aanloopfase hier geen bijkomend nut heeft.

Scholen zijn vrij om te beslissen of ze in duaal leren instappen of niet; enkel de Syntra vzw en de CDO’s moeten op termijn hun hele aanbod overzetten naar duaal leren. Een school maakt best een weloverwogen keuze voor duaal leren aangezien het een duurzame samenwerking met ondernemingen veronderstelt. Ook moet er een overlegde aanpak zijn met het personeel waarbij de personeelsleden die werken rond duaal leren, voldoende ruimte krijgen om duaal leren kwaliteitsvol in te vullen, inclusief de nodige vorming en opleiding.

Deze omzendbrief verduidelijkt duaal leren voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Hierbij wordt vertrokken van het kader voor het gewoon secundair onderwijs waarbij een eventuele afwijkende regeling voor buitengewoon secundair onderwijs wordt vermeld. Indien er voor die laatste geen afwijkende regeling is vermeld, is daar de regeling voor het gewoon secundair onderwijs van toepassing.

Voor alle aspecten met betrekking tot de organisatie van duaal leren die niet expliciet in deze omzendbrief geregeld zijn, blijven de andere relevante omzendbrieven van toepassing.

2. Organisatie schooljaar.

Binnen duaal leren wordt er steeds gesproken over opleidingsdagen. Een opleidingsdag is elke kalenderdag waarop opleiding onder de vorm van lessen of ermee gelijkgestelde activiteiten (extramuros activiteiten, evaluatie …) of opleiding op de werkplek wordt georganiseerd. De duur van een opleidingsuur varieert, nl. 50 minuten voor een les of ermee gelijkgestelde activiteit (schoolcomponent) en 60 minuten voor opleiding op de werkplek (werkplekcomponent). Om het totaal aantal uren vast te stellen wordt geen omrekening naar minuten gemaakt, waardoor een uur van 50 minuten en een uur van 60 minuten fictief aan elkaar gelijkgesteld worden.

De schoolcomponent in duaal leren omvat zowel algemene vorming als praktijkgerichte vorming. In duaal leren gebeurt een belangrijk deel van de praktische opleiding op de werkplek. Echter, ook bij de aanbieder duaal leren zal er nog praktijkgerichte vorming gegeven worden; daarom is het ook noodzakelijk dat materiële infrastructuur aanwezig is om de praktijkgerichte vorming aan te kunnen bieden. Voor de CDO moet hierbij vermeld worden dat het aantal uren van de schoolcomponent niet strikt is vastgelegd, zoals dat in het verleden wel het geval was; jullie hebben hier dus ook vrijheid in om te bepalen hoeveel uren de schoolcomponent bedraagt.

Er kan afgeweken worden van de gebruikelijke regeling dat de schoolweek wordt ingevuld gedurende 9 halve dagen lopende van maandag tot en met vrijdag. Hierbij moet er rekening gehouden worden met de arbeidswetgeving en de sectorale afspraken. Daarnaast zijn ook alle wettelijke, arbeidsrechtelijke en reglementaire bepalingen inzake arbeidstijdregeling van toepassing op duaal leren. Het gaat hierbij o.m. over het principieel verbod op arbeid op zon- en feestdagen en op nachtarbeid behoudens afwijkingen en de verplichte rusttijden. Meer informatie over deze regelgeving in combinatie met duaal leren is te vinden in de thematische fiches via deze pagina.

In duaal leren wordt de schoolvakantieregeling gevolgd. Op dit principe zijn een aantal afwijkingen mogelijk voor leerlingen die een overeenkomst alternerende opleiding hebben:

1. In samenspraak tussen leerling, onderneming en school kan men afspreken dat de leerling tijdens een schoolvakantie naar de werkplek gaat. Deze afwijking is enkel mogelijk wanneer er zich daadwerkelijk leeropportuniteiten voordoen. Het opvangen van een afwezige collega in een vakantieperiode, het bijspringen in een drukke periode, etc. waarbij er geen aanwijsbare leeropportuniteit is, kan niet. Als er een leeropportuniteit is en de leerling gaat in de schoolvakantie naar de werkplek, wordt dit opgenomen in de overeenkomst en het schoolreglement. De leerling mag het aantal dagen dat er gewerkt wordt in een schoolvakantie compenseren binnen hetzelfde schooljaar op dagen waarop hij normaal gezien naar de werkplek zou gaan;

2. Waar de eerste afwijking betrekking heeft op een individuele afspraak tussen leerling, onderneming en aanbieder, kan ook op het niveau van een opleiding worden afgesproken dat de leerling een aantal dagen in een schoolvakantie naar de werkplek gaat ten gevolge van een leeropportuniteit; in deze situatie geldt de afwijking voor alle leerlingen die de opleiding volgen. Men kan hierbij denken aan een seizoensgebonden leeropportuniteit, zoals een specifieke oogst in de zomer in de tuinbouwsector. Ook in deze situatie heeft de leerling recht op compensatie van deze dagen binnen hetzelfde schooljaar op dagen waarop hij normaal gezien naar de werkplek zou gaan. Deze afwijking wordt op het niveau van het sectoraal partnerschap vastgelegd per studierichting, waarna de Vlaamse Regering deze bekrachtigt;

3. Op niveau van de opleiding kunnen onderwijsverstrekkers (koepels en netten) in consensus met sectorale partners (en na validering door het Vlaams Partnerschap en de Vlaamse Regering) ervoor kiezen om voor derdegraadsopleidingen (of opleidingen van de kwalificatie- en integratiefase voor BuSO OV3) het aantal weken vakantie op jaarbasis terug te brengen van 15 naar 12 weken. Dit is evenwel enkel mogelijk bij een overeenkomst alternerende opleiding, niet bij een stageovereenkomst alternerende opleiding.

Er dienen echter twee bemerkingen te worden geplaatst bij bovenstaande regeling, gekoppeld aan de verschillende mogelijke overeenkomsten (zie 7.3 Afsluiten Overeenkomst). Ten eerste is bovenstaande regeling niet van toepassing op deeltijdse arbeidsovereenkomsten die worden afgesloten in het kader van duaal leren. Vakantieregelingen dienen daar te worden afgesproken tussen de verschillende betrokken partijen. Ten tweede is het bij de overeenkomst alternerende opleiding zo dat de leerling betaalde vakantie opbouwt. Als een leerling zo betaalde vakantie opbouwt, kan hij deze niet additioneel aan de schoolvakantieweken opnemen, maar moeten deze binnen die schoolvakanties opgenomen worden. Zo heeft hij dan een aantal betaalde vakantiedagen tijdens de schoolvakantieweken. Een leerling in duaal leren kan ook studentenarbeid doen; meer info hierover vind je bij de thematische fiches op deze link.

3. Studieaanbod en standaardtrajecten.

3.1. Studieaanbod.

Het studieaanbod binnen duaal leren is volledig afgestemd op de matrix secundair onderwijs. Dit betekent dat zowel de naamgeving als de inhoud van de opleidingen in lijn zijn met die van de matrix. In afwachting van de uitrol van de matrix in de niet-duale studierichtingen, wijken de duale studierichtingen mogelijk af van de bestaande niet-duale studierichtingen.

Aanbieders duaal leren die een duale opleiding wensen aan te bieden, dienen hiervoor een programmatieaanvraag in. Voor het gewoon secundair onderwijs wordt in omzendbrief SO 61 uitgelegd hoe deze programmatieaanvraag dient te worden opgesteld. Voor het buitengewoon secundair onderwijs is dit opgenomen in omzendbrief SO/2006/03(BuSO). Programmatieaanvragen moeten ingediend worden tegen 30 november van het voorafgaande schooljaar waarna de beslissing volgt tegen 31 maart. Indien de programmatieaanvraag van de aanbieder duaal leren wordt goedgekeurd kan de aanbieder de duale opleiding aanbieden vanaf 1 september van het daaropvolgende schooljaar. Echter, indien er op 1 oktober geen regelmatige leerling is ingeschreven, mag de opleiding niet aangeboden worden in de rest van het schooljaar en moet de aanbieder een nieuwe programmatieaanvraag indienen om de opleiding het daaropvolgende schooljaar in te kunnen richten. Hierop is er echter één uitzondering; als er leerlingen ingeschreven zijn in een aanloopstructuuronderdeel (zie deel 8. Aanloopfase) dat afgeleid is uit een duale opleiding, mogen deze leerlingen ook nog tijdens het schooljaar doorstromen naar de duale opleiding, zelfs als daar geen leerlingen in zaten op 1 oktober.

Een opleiding kan pas in aanmerking worden genomen als "duaal", wanneer deze bestaat uit de combinatie van een schoolcomponent en een werkplekcomponent, die samen minstens 28 opleidingsuren per week omvat (32 opleidingsuren in OV3 van het BuSO). Op jaarbasis dient de werkplekcomponent minstens 14u per week te omvatten.

Binnen een duale opleiding moet minstens 28 (of 32 voor BuSO OV3) uren worden opgeleid, maar in de realiteit zal dit aantal vaak hoger liggen. Dit laatste heeft te maken met de gebruikte overeenkomst (zie 7.3 Afsluiten overeenkomst):

- Bij een overeenkomst alternerende opleiding is het aantal wekelijkse opleidingsuren in een duale opleiding gekoppeld aan de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de cao binnen de sector. Voor het merendeel van de sectoren is dit 38 uur, wat dan meteen ook het aantal wekelijkse opleidingsuren van de opleiding is.

- Bij een stageovereenkomst alternerende opleiding en een deeltijdse arbeidsovereenkomst is er niet noodzakelijk een koppeling aan de cao van de sector. Hier kan men dus ook minder wekelijkse opleidingsuren hebben dan de cao van de sector.

3.2. Standaardtrajecten.

Voor elke duale opleiding wordt een standaardtraject uitgewerkt, waarin de minimale inhoudelijke en organisatorische modaliteiten van een opleiding vervat zitten. De standaardtrajecten worden ontwikkeld in een samenwerking tussen onderwijs en werk: concreet zijn dit de onderwijsverstrekkers (onderwijskoepels en -netten en Syntra vzw) die samen met de sectoren, SYNTRA Vlaanderen en VDAB de standaardtrajecten uitwerken. Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen (AHOVOKS) heeft hier de rol van procesbegeleider. Elk standaardtraject dient te worden goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Alle standaardtrajecten die tot dusver werden uitgewerkt, zijn terug te vinden op deze webpagina. Voor het schooljaar 2019-2020 werden alle standaardtrajecten geüpdatet. Indien een aanbieder in het voorafgaande schooljaar (2018-2019) al met een tweejarig standaardtraject startte in het kader van het proefproject, kan voor die leerlingen dat standaardtraject nog verder afgewerkt worden. Voor nieuwe cohortes die vanaf 1 september 2019 starten, moet meteen het nieuwe standaardtraject gebruikt worden.

Een standaardtraject is opgebouwd uit algemene (en sociale) vorming (met uitzondering van de Se-n-Se-opleidingen waar er geen algemene vorming wordt voorzien) en beroepsgerichte vorming.

- De algemene (en sociale) vorming bestaat uit de eindtermen (voor gewoon secundair onderwijs en BuSO OV4) of ontwikkelingsdoelen (voor BuSO OV3). In duaal leren moet ook levensbeschouwing en lichamelijke opvoeding onderwezen worden aan de leerlingen. De enige uitzondering hierop is er voor leerlingen die duaal leren volgen in een CDO of een Syntra vzw; zij moeten geen levensbeschouwing en lichamelijke opvoeding krijgen.

- De beroepsgerichte vorming vloeit voort uit de beroepskwalificaties (en/of daaruit afgeleide deelkwalificaties). In een beroepskwalificatie worden de competenties opgesomd die een beginnende werknemer in een bepaald beroep moet kunnen uitoefenen; een deelkwalificatie is een afgerond geheel van competenties uit een beroepskwalificatie dat op zichzelf relevant is voor de arbeidsmarkt. Door de beroeps- en deelkwalificaties als uitgangspunt te nemen bij het uitwerken van een standaardtraject, wordt de maximale afstemming op de noden op de arbeidsmarkt gegarandeerd. We willen benadrukken dat in duaal leren de beroepsgerichte vorming wordt aangeboden zowel bij de aanbieder als op de werkplek; ook bij de aanbieder duaal leren moet dus een zekere materiële infrastructuur voor de opleiding aanwezig zijn om ook beroepsgerichte vorming aan de leerling te geven. Dit moet ook aangetoond worden in de programmatie-aanvraag.

Verder omvatten de standaardtrajecten de volgende elementen:

- De reguliere opleidingsduur uitgedrukt in jaren en semesters (in OV3 kan de klassenraad nog steeds beslissen om het traject van de leerling per leerjaar te verlengen op basis van het individuele handelingsplan);

- De specifieke toelatingsvoorwaarden;

- Voor het gewoon secundair onderwijs en BuSO OV4: de onderwijsvorm, de graad en het studiegebied waartoe de opleiding behoort;

- Voor BuSO OV3: de fase waartoe de opleiding behoort;

- De omvang van de werkplekcomponent, waar automatisch uit voortvloeit welke overeenkomst gebruikt moet worden in die opleiding (zie 7.3 Afsluiten overeenkomst);

- De verschillende vormen van studiebekrachtiging die in de opleiding behaald kunnen worden en wanneer deze uitgereikt kunnen worden;

- De aanloopstructuuronderdelen die afgeleid worden uit het standaardtraject in gewoon secundair onderwijs;

- Voor BuSO OV4 en OV3 de nauw-verwante niet-duale opleidingen.

Een duale opleiding kan modulair of lineair georganiseerd worden. De aanbieder duaal leren mag zelf beslissen welke organisatievorm ze hanteert. Voor elke opleiding is zowel een modulaire als een lineaire variant in het standaardtraject uitgewerkt. Belangrijk om te vermelden is dat er aparte administratieve groepsnummers zijn voor de verschillende organisatiewijzen (zie deel 5. Toelatings- en overgangsvoorwaarden).

4. Doelgroep.

Duaal leren is toegankelijk voor leerlingen die voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht (15 jaar zijn en de eerste twee jaar van het secundair onderwijs hebben gevolgd - geslaagd zijn moet niet – of 16 jaar zijn).

Verder mikt duaal leren op leerlingen die arbeidsrijp (competent om te leren en participeren op de werkplek) of op zijn minst arbeidsbereid (gemotiveerd om te leren en te participeren op de werkplek) zijn. Dit wil dus zeggen dat leerlingen op zijn minst de motivatie moeten hebben om te leren op een werkplek. Wanneer deze motivatie ontbreekt, is duaal leren niet de geschikte leerweg voor de leerling. De klassenraad van het niet-duale jaar zal aan leerlingen een niet-bindend advies geven met betrekking tot de arbeidsrijpheid en bereidheid van de leerling (zie 6. Niet-bindend advies en verkennende leerlingenstage).

5. Toelatings- en overgangsvoorwaarden.

Een instap in een duale opleiding kan van rechtswege tot en met de eerste lesdag van november; hiermee wordt in duaal leren afgeweken van de data van 15 januari (5e jaar) en 30 september (7e specialisatiejaren en Se-n-Se) die in het gewoon secundair onderwijs worden gehanteerd. Na de eerste lesdag van november kan een instap in duaal leren ook nog maar moet deze verlopen via een toelatingsklassenraad. Met uitzondering van deze momenten, zijn in duaal leren in het gewoon secundair onderwijs en OV4 van het buitengewoon secundair onderwijs dezelfde algemene toelatingsvoorwaarden van toepassing als gangbaar in het niet-duale voltijds secundair onderwijs (zie omzendbrief SO 64 voor een omschrijving hiervan per leerjaar en onderwijsvorm). Voor OV3 zijn de gangbare toelatingsvoorwaarden, alsook de leeftijdsvoorwaarden opgenomen in omzendbrief SO/2011/03/Buso. Voor de interpretatie van de toelatingsvoorwaarden zijn twee opmerkingen van belang:

- Ten eerste, voor de toelating tot en overstap van en naar niet-duale opleidingen uit een bepaald studiegebied, beschouwen we de duale opleidingen uit dat studiegebied, als een andere studierichting.

- Ten tweede werkt men in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd niet met studiegebieden. Als in de toelatingsvoorwaarden van omzendbrief SO 64 wordt verwezen naar studiegebied, kunnen de CDO’s en Syntra vzw dit als volgt interpreteren: opleidingen die verwant zijn met het studiegebied van de duale opleiding.

Het is mogelijk dat er bijkomende toelatingsvoorwaarden zijn per studierichting, aanvullend op de bovenstaande voorwaarden. Deze staan telkens opgenomen in het standaardtraject van de opleiding (voor meer info per standaardtraject zie deze pagina).

In duaal leren is er verder één belangrijke uitzondering wat de toelatings- en overgangsvoorwaarden betreft. Indien een duale opleiding van het gewoon secundair onderwijs en van OV4 van het buitengewoon secundair onderwijs modulair georganiseerd wordt, kan de leerling al naar een volgende graad gaan als hij de onderliggende beroepskwalificatie of deelkwalificatie van de opleiding behaalde, zonder de algemene (en sociale) vorming behaald te hebben. Hierdoor kan een traject op maat van de leerling worden uitgezet. Tijdens dit traject op maat dient er wel eerst gefocust te worden op de ontbrekende algemene vorming van de onderliggende graad, waarna het getuigschrift van de 2e graad kan uitgereikt worden. Na het behalen hiervan kan de leerling dan zijn onderwijskwalificatie van die graad krijgen om later (na het behalen van de algemene en beroepsgerichte vorming van die graad) ook de onderwijskwalificatie van de bovenliggende graad te kunnen behalen. Deze uitzondering kan toegepast worden bij de overstap van tweede naar derde graad of bij de overstap van een zesde jaar BSO naar een specialisatiejaar. Voor een Se-n-Se is dit niet mogelijk.

In duaal leren van OV3 kunnen leerlingen niet toegelaten worden tot de integratiefase van de identieke duale opleiding en de integratiefase (of ABO) van de nauw-verwante niet-duale opleiding wanneer zij in het bezit zijn van één van de volgende studiebewijzen behaald in de kwalificatiefase van een duaal structuuronderdeel: getuigschrift van de opleiding, bewijs van beroepskwalificatie, bewijs van deelkwalificatie,... Zij hebben immers de maximale studiebekrachtiging reeds behaald. Andere overgangen zijn wel mogelijk.

Een leerling die wordt toegelaten tot een duale opleiding moet ingeschreven worden onder het juiste administratieve groepsnummer. Voor elke duale opleiding zijn er per aanbieder administratieve groepsnummers aangemaakt per leerjaar en voor respectievelijk een modulaire of lineaire variant. Wanneer de aanbieder de modulaire of lineaire variant van de opleiding gebruikt, moet de leerling dus onder een andere administratief groepsnummer ingeschreven worden. De aanbieder kan (ook doorheen het schooljaar) wisselen van organisatiewijze indien ze dat wensen.

De administratieve groepsnummers vindt u in bijlage 1 bij deze omzendbrief.

6. Niet-bindend advies en verkennende leerlingenstage.

6.1. Niet-bindend advies.

Elke leerling in een studierichting die gecategoriseerd wordt met de finaliteiten arbeidsmarktgericht of dubbel (dus na concordantie met de matrix van het secundair onderwijs zoals opgenomen in de concordantietabel bij omzendbrief SO 61) krijgt van de delibererende klassenraad een niet-bindend advies over zijn arbeidsrijpheid en -bereidheid in het schooljaar voorafgaand aan een mogelijke instap in duaal leren. Dit advies is niet-bindend en kan dus niet gebruikt worden om leerlingen de toegang tot een duale opleiding te ontzeggen. Het kan best beschouwd worden als een element dat leerlingen kunnen meenemen in hun studiekeuze; daarom wordt het advies best tijdig aan de leerling bezorgd. Alleszins wordt het advies geformaliseerd via het oriënteringsattest A of B dat aan de leerling bij het einde van het schooljaar wordt toegekend (zie omzendbrief SO 64 voor het model van oriënteringsattest). Aangezien er in opleidingsvorm 3 van BuSO niet met oriënteringsattesten gewerkt wordt, kan de klassenraad een eigen document uitwerken om dit advies aan hun leerlingen te formuleren.

Het is mogelijk dat een leerling uit een doorstroomgerichte studierichting beslist om over te stappen naar duaal leren. Deze leerling ontvangt dan op zijn vraag een advies van de klassenraad van de voorafgaande opleiding of de trajectbegeleider van de duale opleiding.

Ook personen die het onderwijs al even verlaten hebben (de zogenaamde zij-instromers) kunnen beslissen om in te stappen in duaal leren. Een advies wordt dan verstrekt door het OCMW voor (equivalent) leefloongerechtigden en door VDAB bij andere zij-instromers. Respectievelijk OCMW of VDAB gaan na wat de meest passende opleiding naar werk is voor de zij-instromer. Hierbij kan een positief of een negatief advies gegeven worden over een instap in duaal leren. Bij een negatief advies, wordt een meer gepast traject voorgesteld aan de zij-instromer.

Scholen kunnen gebruik maken van de screeningsinstrumenten die worden gehanteerd bij de aanloopfase (zie 8. Aanloopfase) of een verkennende leerlingenstage voor het bepalen van het niet-bindend advies, maar scholen kunnen er ook voor kiezen om eigen criteria te hanteren.

6.2. Verkennende leerlingenstage.

In het schooljaar voorafgaand aan duaal leren, kan de leerling al een verkenning van de arbeidsmarkt volgen van maximaal één week. Deze week kan in één keer of in verschillende verkenningen van enkele dagen worden opgenomen; gezamenlijk mag dit slechts één week bedragen. Het doel van deze verkenning is vooral gericht op kennismaking met een beroep en/of werkgever. Het is verder de bedoeling dat de verkennende leerlingenstage informatie oplevert aan de klassenraad die kan helpen bij het formuleren van het niet-bindend advies.

De modaliteiten van de verkenning verschillen naargelang de leerling voldaan heeft aan de voltijdse leerplicht (15 jaar zijn en de eerste twee jaar van het secundair onderwijs hebben gevolgd - geslaagd zijn moet niet – of 16 jaar zijn) of niet.

- Voldaan aan de voltijdse leerplicht: de leerling kan een verkennende leerlingenstage volgen, waarbij de leerling kan participeren in het arbeidsproces. Voor deze leerlingenstage kan de overeenkomst gebruikt worden zoals vastgelegd in omzendbrief SO/2015/01 voor het gewoon secundair onderwijs en OV4, en omzendbrief SO/2016/01(BuSO) voor het buitengewoon secundair onderwijs OV3.

- Nog voltijds leerplichtig: de leerling kan gedurende maximaal één week observatieactiviteiten verrichten in een onderneming, zonder deel te nemen aan het arbeidsproces. In bijlage 2 is een modelovereenkomst voor deze observatieactiviteiten te vinden.

Voor beide varianten geldt dat de verkenning geen deel moet uitmaken van het huidige leerprogramma van de leerling, maar de verkenning mag evenmin afbreuk doen aan het bereiken van de doelen van dat leerprogramma. Ook is het voorafgaande akkoord van de begeleidende klassenraad en de betrokken personen nodig.

Terwijl de leerling een verkennende activiteit volgt, moet er iemand van de onderwijsinstelling (eventueel telefonisch) bereikbaar zijn voor de leerling (zelfs indien dit in een vakantieperiode of weekend valt). Het is de autonomie van de school om te bepalen welk personeelslid bereikbaar is (leerkracht, administratief medewerker, directie, etc.). Deze verplichting mag geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van het personeel. Als deze bepaling verplichtingen met zich meebrengt voor het personeel die er anders niet geweest zouden zijn, voorziet het bestuur in een passende compensatieregeling. Als hier beroep op wordt gedaan, moet erover onderhandeld worden in het bevoegde lokaal comité of in de ondernemingsraad. Die regeling vergt het uitdrukkelijke, schriftelijke en voorafgaande akkoord van het betrokken personeelslid.

Op verkennende activiteiten die gebeuren onder de vorm van een leerlingenstage zijn de geldende welzijns- en arbeidsreglementen van toepassing, zoals opgenomen in omzendbrief SO/2015/01. Voor observatieactiviteiten is de welzijnswetgeving niet rechtstreeks van toepassing maar kan er eveneens meer informatie gevonden in omzendbrief SO/2015/01.

7. Kiezen van onderneming tot afsluiten overeenkomst.

7.1. Kiezen van een onderneming.

Voor elke leerling in duaal leren dient een onderneming gevonden te worden. Dit is een gedeelde verantwoordelijkheid van alle betrokkenen. Zo kunnen leerlingen zelf op zoek gaan naar ondernemingen, maar kan de trajectbegeleider hier ook bij helpen door ondernemingen voor te stellen voor de leerling. Scholen kunnen vaak beroep doen op het eigen netwerk van ondernemingen. Daarnaast hebben ook de sectoren en Syntra Vlaanderen zich geëngageerd om de scholen te ondersteunen bij deze zoektocht en ontwikkelden ze hiervoor diverse tools. Indien er zich toch nog problemen zouden voordoen in het vinden van geschikte werkplekken, kunnen deze gesignaleerd worden via dit webformulier.

Het is van belang dat leerlingen tijdig een werkplek hebben. Het is daarom niet nodig om te wachten tot het schooljaar gestart is om een werkplek te zoeken. Idealiter is er al een werkplek gevonden voordat het schooljaar start. Om ervoor te zorgen dat leerlingen niet te lang zonder werkplek in duaal leren ingeschreven zijn, heeft een leerling per schooljaar een periode van 20 opleidingsdagen om een overeenkomst met een werkplek af te sluiten. Deze termijn begint te tellen vanaf de eerste lesbijwoning van de leerling in de duale opleiding. De periode waarin de leerling nog geen werkplek heeft gevonden, wordt deze geacht een voltijdse invulling van minstens 28 uren per week te krijgen van de aanbieder duaal leren. Het is daarbij wel toegestaan om afwezig te zijn om contacten met ondernemingen te leggen of om een intakegesprek te gaan doen.

Er zijn 3 situaties waarin de periode van 20 opleidingsdagen per schooljaar verlengd kan worden:

1. Bij gewettigde afwezigheden (zie SO/2005/04 voor het gewoon secundair onderwijs en omzendbrief SO/2002/05/buso voor het buitengewoon secundair onderwijs) wordt de periode verlengd met de duur van de gewettigde afwezigheid;

2. Als de onderneming nog een erkenning moet aanvragen, wordt de periode verlengd met het aantal opleidingsdagen dat in beslag wordt genomen door de erkenning;

3. De trajectbegeleider kan eenmalig een nieuwe periode van 20 opleidingsdagen voor het gewoon secundair onderwijs en 40 opleidingsdagen voor het buitengewoon secundair onderwijs (OV3 en OV4) toekennen op basis van de inspanningen die de leerling al geleverd heeft en de specifieke context. Voor het buitengewoon secundair onderwijs wordt voor deze toekenning ook rekening gehouden met de individuele handelingsplanning van de leerling.

Indien de leerling na 20 opleidingsdagen (eventueel aangevuld met bovenstaande drie uitzonderingen) geen werkplek gevonden heeft, moet hij uit de duale opleiding uitgeschreven worden en in een andere opleiding (in dezelfde of een andere school) inschrijven. Als een leerling tijdens het schooljaar zijn werkplek verliest, moet nagegaan worden hoeveel dagen er nog resteren van de 20 opleidingsdagen (aangevuld met bovenstaande drie uitzonderingen). Dit resterend aantal kan hij dan gebruiken om een nieuwe werkplek te zoeken. Het aantal dagen zonder werkplek wordt niet beïnvloed door een wijziging van onderneming en/of opleiding gedurende het lopende schooljaar. Bij de start van een nieuw schooljaar wordt opnieuw een nieuwe periode van 20 opleidingsdagen toegekend.

Elke onderneming in duaal moet erkend worden door het Vlaams of een sectoraal partnerschap (zie deel 15. Ondernemingen onderaan deze omzendbrief voor meer info).

7.2. Intake en matching.

Als er een onderneming gevonden is, vindt er een intakegesprek plaats tussen de leerling en de werkplek. Hierbij wordt nagegaan of alle partijen akkoord gaan met de modaliteiten van de opleiding en/of er een persoonlijke "match" kan gevonden worden. De trajectbegeleider kan hierbij ondersteuning aanbieden aan de leerling; dit kan door te focussen op de voorbereiding van of de nazorg bij het intakegesprek of door aanwezig te zijn tijdens het gesprek. Hoe dit wordt ingevuld kan de trajectbegeleider bepalen op basis van de noden van de leerling.

Voor het BuSO is de ondersteuning van de trajectbegeleider bij de voorbereiding of opvolging van het intakegesprek, of tijdens het intakegesprek verplicht. Ook moet de mentor aanwezig zijn tijdens het intakegesprek. Dit laatste wordt echter ook sterk aangeraden voor àlle intakegesprekken, ongeacht of deze kaderen binnen gewoon secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs.

7.3. Afsluiten overeenkomst.

In duaal leren kunnen er drie mogelijke overeenkomsten afgesloten worden. Meer informatie is te vinden via onderstaande links:

- Een onbezoldigde stageovereenkomst alternerende opleiding (SAO) voor opleidingen waarin er gemiddeld op jaarbasis minstens 14 en maximaal 19 opleidingsuren per week op de werkplek (reëel en/of gesimuleerd samen);

- Een bezoldigde overeenkomst alternerende opleiding (OAO) voor opleidingen waarin er gemiddeld op jaarbasis 20 uur of meer per week op de reële werkplek wordt gerealiseerd;

- Een deeltijdse arbeidsovereenkomst voor bepaalde opleidingen uit de social profit en de zeevisserij waarin er gemiddeld op jaarbasis 20 uur of meer per week op de reële werkplek wordt gerealiseerd.

Het type overeenkomst kan niet bepaald worden in onderling overleg met de betrokken partijen maar wordt vastgelegd in het standaardtraject van de opleiding. Hiervan kan men niet afwijken. Alle ondernemingen in duaal leren moeten ook erkend worden (zie 15. Ondernemingen). Een overeenkomst kan pas afgesloten worden na de erkenning van de onderneming.

Voor de toepassing van de welzijnswetgeving bij een stageovereenkomst alternerende opleiding, verwijzen we naar de bepalingen m.b.t. stages opgenomen in omzendbrieven SO/2015/01 en SO/2016/01. Het uitvoeren van de risicoanalyse en het nemen van de preventiemaatregelen behoren tot de verantwoordelijkheid van de onderneming. Het afsluiten van een arbeidsongevallenverzekering voor de leerlingen is de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing tijdens de verkennende leerlingenstage (zie deel 6.2 verkennende leerlingenstage).

Bij de uitvoering van een overeenkomst alternerende opleiding en de deeltijdse arbeidsovereenkomst berusten alle verantwoordelijkheden m.b.t. de toepassing van de welzijnswetgeving bij de onderneming. De arbeidsongevallenverzekering wordt door de onderneming afgesloten en is van toepassing op zowel de werk- als de schoolcomponent.

Aanmaak en registratie van de overeenkomsten dient steeds te gebeuren via de daartoe ontwikkelde online tool Werkplekduaal. Deze tool bevat ook de gegevens van erkende ondernemingen, waardoor het opmaken van een overeenkomst grotendeels wordt geautomatiseerd. Na ondertekening moet de overeenkomst ook terug opgeladen worden in de applicatie.

7.4. Extra ondersteuning werkplekcomponent (IBAL).

Leerlingen kunnen extra ondersteuning krijgen bij de zoektocht naar een werkplek of tijdens de invulling van de werkplekcomponent op een werkplek; deze ondersteuning vindt plaats onder het project intensieve begeleiding alternerend leren (IBAL). Het is de aanbieder duaal leren die de noodzaak tot een dergelijke begeleiding nagaat en dit dan opstart met een organisator van de IBAL-begeleiding. De noodzaak om dergelijke begeleiding op te starten voor een leerling moet opgenomen worden in het opleidingsplan, en er moet overleg gebeuren tussen de leerling, de werkplek en de aanbieder duaal leren.

De IBAL-begeleiding wordt aangeboden door externe organisatoren (op deze pagina vind je een overzicht met alle organisatoren). Zij tekenen hiervoor in op een oproep vanuit de overheid om deze begeleiding te mogen aanbieden. Deze ondersteuning kan echter nooit in de plaats komen van de rol van een trajectbegeleider.

Indien voor een leerling beroep wordt gedaan op de extra ondersteuning via een externe organisator, moet een registratie gebeuren van het traject van de leerling in Mijn Loopbaan voor partners van VDAB.

Het aanbod aan extra ondersteuning is afhankelijk van de beschikbare kredieten.

7.5. Redelijke aanpassingen.

Vanaf 2019 kunnen leerlingen met een beperking die een opleiding volgen in het kader van duaal leren speciale onderwijsleermiddelen en/of bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen (BTOM’s) aanvragen. Zowel voor de school- als de werkplekcomponent kunnen aanpassingen aangevraagd worden. Leerlingen uit het buitengewoon onderwijs kunnen enkel een aanvraag indienen voor aanpassingen met betrekking tot de werkplekcomponent.

Zowel de aanvragen die betrekking hebben op de schoolcomponent als de aanvragen die betrekking hebben op de werkplekcomponent worden ingediend bij de cel Speciale Onderwijsleermiddelen van AGODI door middel van het aanvraagformulier "Aanvraag tot financiering van speciale onderwijsleermiddelen en bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen voor leerlingen in het duaal leren" in bijlage 3 bij deze omzendbrief.

Wat de behandeling van aanvragen betreft, wordt voor duaal leren de volgende werkwijze gehanteerd:

- Voor aanpassingen met betrekking tot de schoolcomponent, wordt de aanvraag behandeld door de cel Speciale Onderwijsleermiddelen van AGODI. Concreet kunnen er verschillende categorieën van ondersteuning aangevraagd worden.

- Voor aanpassingen met de betrekking tot de werkplekcomponent, wordt de aanvraag behandeld door VDAB. De cel Speciale Onderwijsleermiddelen bezorgt de aanvraag hiervoor rechtstreeks aan VDAB. Meer informatie over aanpassingen met betrekking tot de werkplekcomponent is terug te vinden op de website van VDAB.

8. Aanloopfase naar duaal leren (enkel in duaal leren in het gewoon secundair onderwijs).

Duaal leren mikt op leerlingen die klaar zijn om te leren en te participeren op een werkplek. Voor leerlingen die wel de motivatie hebben om te leren op een werkplek, maar hier nog niet helemaal klaar voor zijn, wordt de aanloopfase uitgewerkt. De aanloopfase is niet bedoeld voor leerlingen die ertoe aangetrokken worden louter omdat dit geen standaard voltijds onderwijs is zonder enige intentie om aan duaal leren te doen. Het doel van de aanloopfase is om de leerling zo snel als mogelijk voor te bereiden op een instap in duaal leren. De aanloopfase is hierbij zo kort als mogelijk, maar zo lang als nodig. Dit laatste impliceert dat de leerling op eender welk moment van het schooljaar kan doorstromen naar de duale opleiding, zelfs als er op 1 oktober geen leerlingen in die opleiding zaten (zie 3.1 Studieaanbod).

De aanloopfase kan aangeboden worden door verschillende aanbieders; een school voor voltijds onderwijs, een CDO of Syntra vzw. Echter, in het schooljaar 2019-2020 kunnen scholen voltijds onderwijs de aanloopfase nog niet aanbieden omdat de opleidingen voor de aanloopfase/aanloopstructuuronderdelen (zie verder) nog niet werden uitgewerkt. In de CDO’s en Syntra vzw kan een aanloopcomponent wel al worden aangeboden in het kader van de bestaande opleidingen leren en werken, zonder de koppeling aan de aanloopstructuuronderdelen.

Elke leerling die naar de aanloopfase wil gaan, moet bij aanvang gescreend worden door de aanbieder van de aanloopfase (een school voor voltijds onderwijs, een CDO of Syntra vzw). Tijdens deze screening wordt nagegaan in welke mate de leerling klaar en bereid is om te leren en te participeren op een werkplek. Hieruit moet minimaal blijken dat de leerling de intentie heeft om een duale opleiding te volgen waarin hij aan werkplekleren zal doen. De aanbieder van de aanloopfase heeft voor deze screening een keuze uit onderstaande tools:

- Klaar voor duaal ontwikkeld in samenwerking tussen de Universiteit Antwerpen en het Provinciaal Onderwijs (zie handleiding, evaluatielijst en rubric)

- ICE-model DuLeGO!

- Screeningstool ontwikkeld door VOLTA

- SIM-ME (JES)

- InClusieF (TOPunt)

- Kickstart je Toekomst

Voor de aanloopfase zijn afzonderlijke opleidingen (aanloopstructuuronderdelen) uitgewerkt die voortvloeien uit een standaardtraject van een duale opleiding (deze aanloopstructuuronderdelen zullen nog niet beschikbaar zijn in schooljaar 2019-2020); de aanloopfase kan dan ook enkel georganiseerd worden voor die standaardtrajecten waarbij er aanloopstructuuronderdelen werden geformuleerd. De koppeling van de aanloopstructuuronderdelen aan standaardtrajecten benadrukt en faciliteert de instap in een specifieke duale studierichting. De programmatie van een opleiding in de aanloopfase vloeit automatisch voort uit de programmatie van de duale opleiding waaraan de aanloopfaseopleiding gekoppeld is. Als een aanbieder duaal leren na programmatie dus een bepaalde duale opleiding aanbiedt, mag deze beslissen om ook de bijhorende aanloopfaseopleiding(en) aan te bieden; dit is echter geen verplichting.

Binnen elk aanloopstructuuronderdeel kan het onderscheid gemaakt worden tussen een schoolcomponent en een aanloopcomponent.

- De schoolcomponent wordt ingericht bij de aanbieder van de aanloopfase en wordt aangegrepen om algemene en beroepsgerichte competenties aan de leerling aan te leren.

- De aanloopcomponent kan inhoudelijk focussen op (een combinatie van) drie types van competenties:

  • Loopbaangerichte competenties voor leerlingen die nog geen duidelijkheid hebben over hun concrete onderwijsloopbaan, maar wel overtuigd zijn om een duale leerweg te volgen;

  • Arbeidsgerichte competenties voor leerlingen die bepaalde generieke competenties missen die noodzakelijk zijn om te kunnen leren en participeren op een werkplek. Voorbeelden hiervan zijn samenwerken, op tijd komen, werken onder gezag, …

  • Vaktechnische competenties voor leerlingen die op vaktechnisch vlak geen of onvoldoende bagage hebben om een duale opleiding aan te vatten.

Tijdens de screening van de leerling kan er nagegaan worden op welk van de drie bovenstaande vlakken de leerling moet ondersteund worden.

Wat de invulling van de aanloopcomponent betreft, zijn er eveneens verschillende mogelijkheden:

- De aanbieder van de aanloopfase kan zelf een invulling uitwerken;

- De aanbieder van de aanloopfase kan beroep doen op een externe organisator. Deze externe organisatoren tekenen in op een oproep vanuit de overheid om de begeleiding van een aanloopfase te mogen aanbieden. Indien voor een leerling beroep wordt gedaan op een externe organisator, moet een registratie gebeuren van het traject van de leerling in Mijn Loopbaan voor partners van VDAB;

- De leerling kan een begeleide leerervaring volgen op een reële werkplek. Immers, ook op een reële werkplek kunnen leerlingen bepaalde competenties aanleren die nuttig zijn om later over te stappen naar een duale opleiding. De leerling maakt hiervoor gebruik van een leerlingenstageovereenkomst, zoals bepaald in SO/2015/01.

Per leerling dient te worden nagegaan welk van bovenstaande invullingen het meest wenselijk en haalbaar is. Tijdens het traject van de aanloopfase kan er ook van invulling veranderd worden. Zo zal het voor veel leerlingen in het begin van de aanloopfase moeilijk zijn om een begeleide leerervaring te doen, terwijl dit op het einde van een aanloopfase al veel realistischer is. Op deze manier kan er ook een groeipad in de invulling van de aanloopfase gezien worden. Er kan ook gekozen worden voor een combinatie van invullingen.

9. Schoolreglement.

Een aantal aspecten van duaal leren zijn innovatief en bijgevolg niet vanzelfsprekend voor ouders en leerlingen. Daarom worden deze opgenomen in het school- of centrumreglement. Dit gaat onder andere om de volgende aspecten:

- De afwijkingen die er mogelijk zijn van de schoolvakantieregeling (zie 2. Organisatie schooljaar);

- De verplichting om de opleiding te verlaten als er niet tijdig een onderneming wordt gevonden (zie 6. Niet-bindend advies en verkennende leerlingenstage);

- De onderwerping aan een bindende screening bij een instap in de aanloopfase (zie 8. Aanloopfase);

- De vermelding dat de mentor een stemgerechtigd lid van de klassenraad is (zie 12. Evaluatie, klassenraad en studiebekrachtiging).

10. Opleidingsplan en begeleiding leerlingen.

Voor elke leerling wordt – op basis van het standaardtraject, de specifieke noden van de leerling en de context van de werkplek – een individueel opleidingsplan uitgewerkt door de trajectbegeleider, in overleg met de leerling en de onderneming. In het opleidingsplan is het individuele leertraject van de leerling opgenomen, inclusief de afstemming van het leerprogramma tussen de aanbieder en de werkplek van de leerling. Ook als een leerling extra ondersteuning (zie deel 7.4 Extra ondersteuning) nodig heeft, moet dit geduid worden in het opleidingsplan. Het opleidingsplan wordt ook als bijlage toegevoegd aan de overeenkomst. Voor leerlingen uit het BuSO wordt het opleidingsplan opgenomen in het handelingsplan.

In aanvulling op de vrijstellingsmogelijkheden zoals die vermeld zijn in artikel 136 tot 136/6 van de codex secundair onderwijs , kan voor duaal leren de klassenraad vrijstelling verlenen van (een deel van) de algemene (en sociale) vorming aan jongeren vanaf het schooljaar dat begint in het kalenderjaar waarin de leerling 18 jaar wordt. De klassenraad moet dan in een alternatieve invulling voorzien van de vrijgekomen opleidingsuren; dit kan onder meer via extra werkplekleren of extra uren beroepsgerichte vorming bij de aanbieder.

In duaal leren worden verschillende vormen van ondersteuning aan de leerling aangeboden. Vaktechnische ondersteuning zal door de praktijkleerkracht worden aangeboden aan de leerling. Immers, ook in duaal leren zal de leerling nog beroepsgerichte en technische vorming bij de aanbieder duaal leren krijgen. Daarom is bij de aanbieder duaal leren ook een zekere materiële infrastructuur voor nodig. Daarnaast zal de aanbieder ook een trajectbegeleider moeten aanduiden; dit personeelslid staat in voor de opvolging en begeleiding van de leerling met het oog op het volledig realiseren van het opleidingsplan. Belangrijk is dat de trajectbegeleiding betrekking heeft op zowel de school- als de werkplekcomponent. Ten slotte zal een leerling op de werkplek begeleid en opgeleid worden door een mentor vanuit de onderneming. Een goede communicatie tussen de verschillende betrokken personen is cruciaal om een goed zicht te houden op het leertraject van de leerling en adequate ondersteuning te kunnen bieden.

De begeleiding van de leerling veronderstelt ook dat de jongere tijdens de periodes dat hij/zij de werkplekcomponent effectief invult, een vertegenwoordiger van de school moet kunnen bereiken (zelfs indien dit in een vakantieperiode of weekend valt). Het is de autonomie van de school om te bepalen welk personeelslid bereikbaar is (leerkracht, administratief medewerker, directie, etc.). Deze verplichting mag geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van het personeel. Als deze bepaling verplichtingen met zich meebrengt voor het personeel die er anders niet geweest zouden zijn, voorziet het bestuur in een passende compensatieregeling. Als hier beroep op wordt gedaan, moet erover onderhandeld worden in het bevoegde lokaal comité of in de ondernemingsraad. Die regeling vergt het uitdrukkelijke, schriftelijke en voorafgaande akkoord van het betrokken personeelslid.

11. Regelmatige leerling.

Leerlingen moeten aan de onderstaande voorwaarden voldoen om als regelmatige leerling beschouwd te kunnen worden:

1. De leerling moet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht (15 jaar zijn en de eerste twee jaar van het secundair onderwijs hebben gevolgd - geslaagd zijn moet niet – of 16 jaar zijn). In afwijking hiervan kan bijzondere toelating gegeven worden aan een leerling om vanaf het begin van het schooljaar waarin hij gaat voldoen aan de voltijdse leerplicht toegelaten te worden tot duaal leren. Voor deze toelating moet het bestuur van de aanbieder duaal leren advies inwinnen bij het centrum voor leerlingenbegeleiding;

2. De leerling moet voldoen aan de (specifieke) toelatingsvoorwaarden van die duale opleiding. Voor een inschrijving in de aanloopfase moet de leerling eveneens voldoen aan de toelatingsvoorwaarde van de bovenliggende duale opleiding en bijkomend voor de aanloopfase positief gescreend zijn. Leerlingen met studiebewijzen die zijn uitgereikt door scholen die niet door de Vlaamse Gemeenschap worden erkend, gefinancierd of gesubsidieerd (dit gaat voornamelijk over scholen uit het buitenland of van een andere Gemeenschap), of leerlingen uit het buitengewoon secundair onderwijs (met uitzondering van OV4) die de overstap naar het gewoon secundair onderwijs maken, kunnen toegelaten worden via een gunstige beslissing van de klassenraad;

3. Zij-instromers (voor omschrijving van deze doelgroep zie 6.1. Niet-bindend advies) moeten een gunstige beslissing hebben van de klassenraad.

Zolang de werkplekcomponent niet is gestart, wordt de opleiding volledig georganiseerd via de schoolcomponent, d.w.z. dat de leerling voltijds aanwezig is op school.

Een leerling kan om diverse redenen afwezig zijn.

- Voor de schoolcomponent geeft omzendbrief SO/2005/04 voor het gewoon secundair onderwijs en omzendbrief SO/2002/05/buso voor het buitengewoon secundair onderwijs een overzicht van (1) de "van rechtswege" gewettigde afwezigheden, (2) de afwezigheden die door de aanbieder kunnen worden gewettigd en (3) de problematische afwezigheden. De staving hiervan gebeurt volgens de gebruikelijke weg. In afwijking van deze omzendbrieven wordt ook de afwezigheid van de leerling tijdens de opleidingsuren waarop intakegesprekken zijn gepland (met inbegrip van de verplaatsingen die daarbij horen), beschouwd als een van rechtswege gewettigde afwezigheid.

- Voor de werkplekcomponent geeft de thematische infofiche "Schorsing van de uitvoering van de OAO tijdens de werkplekcomponent" een overzicht van de gewettigde afwezigheden wegens schorsing van de uitvoering van de overeenkomst. Afwezigheden moeten gewettigd worden conform de betrokken wetgeving of het arbeidsreglement.

In het aanwezigheidsregister worden de aan- en afwezigheden van de leerling geregistreerd, per halve dag. De codes worden aangevuld in omzendbrief SO 70 voor het gewoon secundair onderwijs en omzendbrief BUSO 04 voor het buitengewoon secundair onderwijs.

De aan- en afwezigheden worden geregistreerd voor de periode van 1 september tot en met 30 juni (voor de maanden juli en augustus is er geen enkele vorm van registratie).

12. Evaluatie, klassenraad en studiebekrachtiging.

12.1. Evaluatie en klassenraad

Een belangrijk uitgangspunt blijft dat de aanbieder duaal leren de hoofdverantwoordelijke blijft voor het opleidingstraject van de leerling, en de evaluatie daarvan. Hierbij is het van belang dat zij een goed zicht behouden op het deel van de opleiding dat plaatsvindt op de werkplek. De aanbieders duaal leren zijn vrij om hun evaluatiebeleid voor duaal leren uit te stippelen, waarbij dit ingebed kan worden in het bredere evaluatiebeleid van de aanbieder.

Meerjarige duale opleidingen in het gewoon secundair onderwijs en OV4 van het buitengewoon secundair onderwijs zijn geconcipieerd als graadsopleidingen in die zin dat leerlingen van rechtswege doorstromen van het eerste naar het tweede leerjaar van een graad. De klassenraad reikt op het einde van het eerste leerjaar van een tweejarige opleiding geen oriënteringsattest uit, maar een attest van regelmatige lesbijwoning (zie model in bijlage 4). Voor een leerling die na een eerste of een tweede leerjaar van de tweede graad of een eerste leerjaar van de derde graad overstapt van een duaal naar een ander structuuronderdeel, beslist de delibererende klassenraad van dat duaal structuuronderdeel over de toekenning van een oriënteringsattest. Dit oriënteringsattest doet een uitspraak over respectievelijk het eerste of tweede leerjaar van de tweede graad of het eerste leerjaar van de derde graad.Voor een leerling die na het tweede leerjaar van de derde graad overstapt van het gevolgde duale structuuronderdeel naar een ander structuuronderdeel én die geen onderwijskwalificatie behaalde, beslist de delibererende klassenraad van dat duaal structuuronderdeel over de toekenning van een oriënteringsattest dat een uitspraak doet over het eerste leerjaar van de derde graad.

Net zoals in niet-duale studierichtingen, beslist de klassenraad over de studiebekrachtiging van de leerlingen. Belangrijk hierbij is dat dit zowel gedurende het schooljaar als op het einde ervan kan. Dit impliceert dat in duaal leren, leerlingen ook voor de datum van 30 juni al een studiebekrachtiging kunnen krijgen, en dit ongeacht of de aanbieder voor een lineaire of modulaire organisatiewijze kiest. Evengoed kan een leerling die op 30 juni nog niet alle competenties verwierf, in het daaropvolgende schooljaar de opleiding verderzetten om dan de studiebekrachtiging te krijgen op het moment dat de resterende competenties zijn verworven.

Aangezien de leerling een substantieel deel van zijn tijd op een werkplek leert, is het van belang om ook de evaluatie van de mentor over het deel op de werkplek mee te nemen. Om dit te waarborgen, is de mentor een stemgerechtigd lid van elke klassenraad, met uitzondering van de toelatingsklassenraad. Wanneer de mentor een bloed- of aanverwant is van de leerling in kwestie, tot en met de vierde graad, kan deze mentor niet deelnemen aan de klassenraad. Het kan zijn dat een leerling naar meerdere ondernemingen gaat voor zijn duale opleiding. In dit geval kunnen de verschillende mentoren gezamenlijk slechts één stem uitbrengen. Wanneer er meerdere mentoren zijn en men tot een ex aequo in de stemming komt voor de bepaling van hun gezamenlijke stem, kan de trajectbegeleider in de plaats van de mentoren stemmen, bovenop de eigen stem van de trajectbegeleider. Er worden praktische afspraken gemaakt tussen de onderneming en de aanbieder over het functioneren van de mentor in de klassenraad, ook wat zijn aanwezigheid betreft. Hoe dan ook moet de mentor zich houden aan het ambtsgeheim dat van toepassing is op elk lid van de klassenraad.

De organisatie van een geïntegreerde proef (GIP) is facultatief in duaal leren, en dit op het niveau van de voltallige groep, en niet op niveau van de individuele leerling. Voor duaal leren in OV3 van het BuSO is de kwalificatieproef eveneens facultatief.

12.2. Studiebekrachtiging

12.2.1. Gewoon secundair onderwijs en BuSO OV4

In duaal leren in het gewoon secundair onderwijs en OV4 van het BuSO kunnen er verschillende vormen van studiebekrachtiging (zie modellen in bijlage 5 tot en met 10) uitgereikt worden, die per leerling worden opgesomd in het proces-verbaal (zie voor model in bijlage 12). Voor elk duaal structuuronderdeel is in het standaardtraject vastgelegd welke studiebewijzen er uitgereikt kunnen worden:

- Onderwijskwalificaties: afhankelijk van het niveau en de onderwijsvorm van de opleiding kan dit een getuigschrift van de tweede graad secundair onderwijs van het BSO (bijlage 5), een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de 3e graad van het BSO (bijlage 6), een diploma secundair onderwijs (bijlage 7) of een studiegetuigschrift van het 3e jaar van de derde graad van het BSO (bijlage 8) zijn. De onderwijskwalificatie van een opleiding wordt toegekend aan leerlingen die geslaagd zijn voor het geheel van de onderwijsdoelen van de opleiding (beroepsgerichte vorming en algemene – en sociale - vorming) zoals vermeld in het standaardtraject van de opleiding;

- Bewijs van beroepskwalificatie (bijlage 9): dit wordt uitgereikt aan leerlingen die niet slagen voor het geheel van de onderwijsdoelen van het standaardtraject, maar wel voor alle competenties die deel uitmaken van een beroepskwalificatie. Sommige opleidingen zijn gebaseerd op meerdere beroepskwalificaties, waardoor de leerling ook meerdere bewijzen van beroepskwalificatie kan behalen met één opleiding;

- Bewijs van deelkwalificatie (bijlage 10): een deelkwalificatie is een afgerond geheel van competenties uit een beroepskwalificatie dat relevant is voor de arbeidsmarkt. Niet voor elke opleiding zullen er deelkwalificaties afgebakend kunnen worden aangezien niet elke beroepskwalificatie toelaat om nog kleinere gehelen af te bakenen met afzonderlijke relevantie op de arbeidsmarkt;

- Bewijs van competenties (bijlage 11): aan leerlingen die geen afgerond geheel van competenties bereikten, kan een bewijs van competenties uitgereikt worden waarop de afzonderlijke competenties staan die de leerling behaalde. Daarnaast kan dit ook toegekend worden aan een leerling die bovenop een beroepskwalificatie of deelkwalificatie, nog verschillende andere competenties behaalde zonder dat dit echter een afgerond geheel van competenties vormt.

- Indien een leerling zijn opleiding stopzet, zonder competenties te hebben bereikt, krijgt deze een attest van regelmatige lesbijwoning (zie model in bijlage 4).

Met duaal leren stappen we af van de systematiek van oriënteringsattesten A, B en C (bij wijze van uitzondering wordt enkel aan leerlingen die op het einde van het eerste of tweede leerjaar van de tweede graad, of het eerste leerjaar van de derde graad beslissen om over te stappen naar een andere opleiding, een oriënteringsattest toegekend door de klassenraad dat een uitspraak doet over het eerste of tweede leerjaar van de tweede graad of het eerste leerjaar van de derde graad). Leerlingen krijgen op het einde van hun traject één van de bovenstaande studiebewijzen uitgereikt die dan een indicatie geven van de competenties die reeds bereikt zijn. Leerlingen die geen onderwijskwalificatie behaalden, maar dit wel nastreven, kunnen zich dan opnieuw inschrijven in de duale opleiding; er kan dan tijdens het verdere traject ingezet worden op de ontbrekende competenties. Ook in de aanloopfase kunnen er studiebewijzen worden toegekend. Wel is dit beperkt tot getuigschrift van de tweede graad secundair onderwijs van het BSO, een bewijs van beroepskwalificatie, een bewijs van deelkwalificatie en een bewijs van competenties (zie modellen in bijlage 7 tot en met 10).

Leerlingen ontvangen bovenstaande studiebewijzen niet cumulatief. Wanneer een leerling de onderwijskwalificatie behaalt, omvat deze reeds de beroepskwalificatie(s) en/of deelkwalificatie(s). De leerling krijgt in dat geval dan ook enkel de onderwijskwalificatie en niet de onderliggende bewijzen uitgereikt. Hetzelfde geldt voor de beroepskwalificatie met onderliggende deelkwalificaties. Als een leerling bovenop een bewijs van beroepskwalificatie of een bewijs van deelkwalificatie bijkomende competenties verwierf, kan dit wél bijkomend gecertificeerd worden via een bewijs van competenties.

Voor de centra voor deeltijds onderwijs is het van belang om aan te stippen dat we afstappen van de systematiek dat elke module recht geeft op een deelcertificaat. In duaal leren is er ten eerste geen tussentijdse studiebekrachtiging, maar wordt de studiobekrachtiging telkens gegeven op het einde van de opleiding (hetzij doorheen of op het einde van het schooljaar). Ten tweede is het niet zo dat elke cluster de facto overeenkomt met een kwalificatie; in bepaalde gevallen kan dit zo zijn, maar in andere niet. Hiervoor wordt best het standaardtraject geraadpleegd waarin duidelijk is opgenomen in welke situaties de leerling recht heeft op welke studiebekrachtiging.

12.2.2. BuSO OV3

Voor OV3 van het BuSO kunnen eveneens verschillende vormen van studiebekrachtiging uitgereikt worden, die per leerling worden opgesomd in het proces-verbaal (voor model zie bijlage 12). Voor zowel de kwalificatie- als de integratiefase gaat dit over de volgende:

- Een getuigschrift van de opleiding voor leerlingen die slagen voor het luik beroepsgerichte vorming en algemene en sociale vorming (bijlage 13);

- Een bewijs van beroepskwalificatie (zie bijlage 14): zie voor meer info de uitleg hierboven bij de studiebewijzen uit het gewoon secundair onderwijs;

- Een bewijs van deelkwalificatie (zie bijlage 15): zie voor meer info de uitleg hierboven bij de studiebewijzen uit het gewoon secundair onderwijs;

- Een attest van verworven bekwaamheden (zie bijlage 16): aan leerlingen die geen afgerond geheel van competenties bereikten, kan een attest van verworven bekwaamheden uitgereikt worden waarop de afzonderlijke competenties staan die de leerling behaalde. Daarnaast kan dit ook toegekend worden aan een leerling die bovenop een beroepskwalificatie of deelkwalificatie, nog verschillende andere competenties behaalde zonder dat dit echter een afgerond geheel van competenties vormt;

- Een attest beroepsonderwijs (bijlage 17) wordt toegekend aan leerlingen in OV3 die geen recht hebben op één van de andere studiebewijzen die hierboven werden opgesomd;

Ook voor BuSO OV3 moet herhaald worden dat leerlingen bovenstaande studiebewijzen niet cumulatief ontvangen. Wanneer een leerling een getuigschrift van de opleiding behaalt, omvat deze reeds de beroepskwalificatie(s) en/of deelkwalificatie(s). De leerling krijgt in dat geval dan ook enkel het getuigschrift en niet de onderliggende bewijzen uitgereikt. Hetzelfde geldt voor de beroepskwalificatie met onderliggende deelkwalificaties. Als een leerling bovenop een bewijs van beroepskwalificatie of een bewijs van deelkwalificatie bijkomende competenties verwierf, kan dit wél bijkomend gecertificeerd worden via een attest van verworven bekwaamheden.

Een belangrijke wijziging voor het buitengewoon secundair onderwijs van OV3 is dat leerlingen meerdere kwalificaties kunnen behalen (en dit zowel voor het duale als het niet-duale OV3-onderwijs). Na het succesvol afronden van een kwalificatie- of integratiefase, kan de klassenraad de leerling toelaten om een bijkomende kwalificatie- of integratiefase te volgen. Wat deze overstap betreft zijn eigenlijk alle overstappen van kwalificatiefase naar integratiefase of van integratiefase naar een andere integratiefase mogelijk, met twee belangrijke uitzonderingen:

- Indien een leerling geen getuigschrift, bewijs van beroepskwalificatie of bewijs van deelkwalificatie behaalt in de kwalificatiefase, maar wel een attest van verworven bekwaamheden, moet de klassenraad van de integratiefase een gunstig advies verlenen.

- Leerlingen die een getuigschrift, een bewijs van beroepskwalificatie of een bewijs van deelkwalificatie behaalden in de kwalificatiefase van duaal leren, mogen niet naar de integratiefase van dezelfde duale opleiding, noch naar de integratiefase van de nauw-verwante niet-duale opleiding.

13. Financiering.

13.1. Scholen voltijds onderwijs, scholen buitengewoon onderwijs en centra voor deeltijds onderwijs.

Voor de scholen voltijds secundair onderwijs, scholen voor buitengewoon secundair onderwijs en de centra voor deeltijds onderwijs blijft de financieringswijze gelijk aan de financiering zoals deze nu bestaat voor de niet-duale studierichtingen in die onderwijsvorm, en dit zowel voor de omkadering, werking als globale puntenenveloppe. Voor het buitengewoon secundair onderwijs wordt voor de wekelijkse lesuren telkens gerekend met de wekelijkse lesuren die de school doorgeeft voor de duale opleiding (zij gebruikt hiervoor als referentie de wekelijkse lesuren van een niet-duale tegenhanger van de duale opleiding in dezelfde fase en leerjaar, rekening houdend met het reglementair vastgelegde minimaal en maximaal aantal mogelijke wekelijks in te richten lesuren). Voor scholen voor voltijds secundair onderwijs zal de financiering voor duaal leren berekend worden zoals vastgelegd in omzendbrieven SO 55, SO 16 en PERS/2009/06. Voor de CDO wordt de omkadering voor duaal leren op identiek dezelfde manier berekend als vastgelegd in omzendbrief SO/2008/08. De telling vindt plaats op de gebruikelijke teldatum.

De centra voor deeltijds onderwijs blijven voor leerlingen in duaal leren of de aanloopfase ook aanvullende werkingsmiddelen genereren. De toekenning van deze middelen wordt berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen dat op 1 februari is ingeschreven in hun centrum (dit kan zowel in duaal leren, aanloopfase als leren en werken zijn). Het concrete bedrag dat per leerling wordt toegekend, wordt jaarlijks door de Vlaamse minister van onderwijs vastgelegd op basis van de beschikbare kredieten.

13.2. Centra voor de vorming van zelfstandigen en KMO.

De financiering van duale opleidingen bij de centra voor vorming van zelfstandigen en KMO (Syntra vzw) is gelijk aan de financiering van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, met uitzondering van de aanvullende werkingsmiddelen die exclusief zijn voorbehouden voor de CDO. Voor de Syntra vzw zullen de leerlingen op 1 oktober van het lopende schooljaar geteld worden zolang het aanbod van leertijd niet geheel is omgezet naar een duaal aanbod. Wanneer dit laatste het geval is, worden leerlingen geteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar.

Middelen die voortvloeien uit die telling worden nog datzelfde schooljaar uitbetaald in de vorm van een krediet. Omkaderingsmiddelen kunnen enkel aangewend worden voor personeel in duaal leren. Werkingsmiddelen kunnen enkel gebruikt worden voor de werking van de duale opleidingen die er aangeboden worden. Dit dient via een analytische boekhouding aangetoond te kunnen worden.

Regelgeving over de rechtspositie van onderwijspersoneel is niet van toepassing op de personeelsleden van de Syntra vzw. De enige uitzondering hierop heeft betrekking op de verloning van de lesgevers: personeelsleden van de Syntra vzw die voldoen aan de regeling voor bekwaamheidsbewijzen die van toepassing is in het secundair onderwijs, dienen ook verloond te worden overeenkomstig de geldende salarisschalen.

13.3. Besteding van uren.

13.3.1. Trajectbegeleiding.

Van het beschikbare urenpakket van de aanbieder, moeten er uren besteed worden aan trajectbegeleiding waardoor leraren de rol van trajectbegeleider kunnen opnemen. Deze uren vallen in de categorie "uren die geen lesuren zijn" en dienen dan ook niet in een klassieke klassituatie ingezet te worden, maar kunnen ook aangewend worden voor bedrijfsbezoeken, coaching van leerlingen et cetera. Wat het aantal uren betreft is er momenteel geen minimum vastgelegd, maar de uren dienen in het elektronisch personeelsdossier te worden geregistreerd als "trajectbegeleiding duaal" met de code 00001744. Deze aparte registratie laat een doorgedreven monitoring toe.

13.3.2. Voordrachtgevers.

In duaal leren kunnen er voordrachtgevers aangesteld worden. Voordrachtgevers zijn personen die geen deel uitmaken van het bestuur of het personeel van de aanbieder en die voordrachten geven aan leerlingen vanuit hun expertise en ervaring. Per week kan er gemiddeld op jaarbasis maximum 2 uur van de wekelijkse lessentabel, wat de schoolcomponent betreft, van een bepaalde opleiding voor voordrachtgevers aangewend worden.

13.3.3. Overdracht van uren.

Duaal leren biedt eveneens een grote flexibiliteit aan overdracht van middelen. Volgende overdrachten zijn mogelijk:

- Tussen een school voor voltijds onderwijs, een school voor buitengewoon secundair onderwijs en een centrum voor deeltijds onderwijs voor wat betreft de overdracht van uren-leraar;

- Tussen een school voor voltijds onderwijs en een Syntra vzw (of vice versa) voor wat betreft de overdracht van omzettingen van uren-leraar naar krediet. Dit bedraagt in deze situatie een krediet van 34,27 euro. Dat bedrag wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen conform de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat krediet wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar worden doorgevoerd, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar;

- Ook tussen een centrum voor deeltijds onderwijs en een Syntra vzw (of vice versa) wordt een krediet uitbetaald per uur-leraar. Dit bedraagt in deze situatie een krediet van 29,63 euro. Dat krediet wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen conform de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat krediet wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar worden doorgevoerd, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar;

- Bij de overdracht tussen een school voor buitengewoon secundair onderwijs en een Syntra vzw (of vice versa) wordt een krediet van 31,72 euro uitbetaald voor een lesuur. Dat bedrag wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen conform de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat krediet wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar worden doorgevoerd, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar;

- Bij de overdracht tussen een school voor buitengewoon secundair onderwijs en een Syntra vzw (of vice versa) wordt een krediet van 22,46 euro uitbetaald voor een uur. Dat bedrag wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen conform de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat krediet wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar worden doorgevoerd, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar.

Verder zijn ook samenwerkingen met centra voor volwassenenonderwijs mogelijk. Bij de overdracht van uren-leraar van een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs aan een centrum voor volwassenenonderwijs wordt elk overgedragen uur-leraar omgezet in een leraarsuur (meer info: zie de omzendbrief SO 55 voor scholen voltijds onderwijs en omzendbrief SO/2008/08 voor de centra voor deeltijds onderwijs).

Als een Syntra vzw uren overdraagt naar een centrum voor volwassenenonderwijs (of vice versa), gebeurt dit in de vorm van een krediet. Dit bedraagt in deze situatie een krediet van 33,77 euro. Dat krediet wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen conform de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat krediet wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar worden doorgevoerd, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar.

14. Kwaliteitstoezicht.

Ook in duaal leren heeft de onderwijsinspectie de opdracht om tijdens een doorlichting na te gaan of een aanbieder duaal leren de onderwijsreglementering respecteert en of zij aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het Referentiekader voor Onderwijskwaliteit, tegemoetkomt. In deze optiek blijft de aanbieder duaal leren ook de eerste verantwoordelijke voor het opleidingstraject van de leerling en de evaluatie daarvan. Het toezicht wordt geïntegreerd met het reguliere kwaliteitstoezicht van de onderwijsinspectie en zal gebeuren met het instrumentarium inspectie 2.0. dat aangepast werd om de specifieke context van duaal leren te vatten. Voor wat de werkplekcomponent betreft wordt de onderwijsinspectie bijgestaan door het team toezicht van SYNTRA Vlaanderen. De werkplekbezoeken maken namelijk deel uit van het onderzoek van het duale traject in de opleidingsinstelling. Tijdens de doorlichting voeren toezichthouders van de beide inspectiediensten de activiteiten van het toezicht op het duale traject samen uit. De toezichthouders komen uiteindelijk tot één gezamenlijke conclusie.

15. Ondernemingen.

In duaal leren is het uiteraard van belang dat elke leerling een werkplek heeft om zijn duaal leren in te vullen. Elke onderneming in duaal leren dient een erkenning aan te vragen. Deze erkenning wordt aangevraagd door de onderneming voor een specifieke opleiding bij een Vlaams of een sectoraal partnerschap; dit moet online gebeuren via Werkplekduaal. Pas nadat de erkenning is verleend, kan een overeenkomst met die onderneming worden afgesloten.

16. Bijlagen.

Bijlage 1 - Standaardtrajecten duaal – administratieve groepsnummers 2019-2020

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=12070 (doc. nr. 12070)

Bijlage 2 - Overeenkomst voor het uitvoeren van observatieactiviteiten buiten de school (snuffelstages)

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11800 (doc. nr. 11800)

Bijlage 3 - Aanvraag tot financiering van speciale onderwijsleermiddelen en bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen voor leerlingen in het duaal leren

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11635 (doc. nr. 11635)

Bijlage 4 - Attest van regelmatige lesbijwoning in een duale opleiding of een opleiding in de aanloopfase in het secundair onderwijs

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11801 (doc. nr. 11801)

Bijlage 5 - Getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs in een duale opleiding of een opleiding in de aanloopfase van het secundair onderwijs

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11814 (doc. nr. 11814)

Bijlage 6 - Studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs in een duale opleiding van het secundair onderwijs

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11813 (doc. nr. 11813)

Bijlage 7 - Diploma van secundair onderwijs in een duale opleiding

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11812 (doc. nr. 11812)

Bijlage 8 - Studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar in een duale opleiding van het secundair onderwijs

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11811 (doc. nr. 11811)

Bijlage 9 - Bewijs van beroepskwalificatie in een duale opleiding of een opleiding in de aanloopfase van het secundair onderwijs

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11810 (doc. nr. 11810)

Bijlage 10 - Bewijs van deelkwalificatie in een duale opleiding of een opleiding in de aanloopfase van het secundair onderwijs

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11809 (doc. nr. 11809)

Bijlage 11 - Bewijs van competenties behaald in een duale opleiding of een opleiding in de aanloopfase van het secundair onderwijs

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11808 (doc. nr. 11808)

Bijlage 12 - Proces-verbaal met betrekking tot de studiebekrachtiging, na leerlingenevaluatie, in een duale opleiding of een opleiding in de aanloopfase van het secundair onderwijs

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11807 (doc. nr. 11807)

Bijlage 13 - Getuigschrift van een opleiding in een duale opleiding van opleidingsvorm 3 (BuSO)

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11806 (doc. nr. 11806)

Bijlage 14 - Bewijs van beroepskwalificatie in een duale opleiding van opleidingsvorm 3 (BuSO)

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11805 (doc. nr. 11805)

Bijlage 15 - Bewijs van deelkwalificatie in een duale opleiding van opleidingsvorm 3 (BuSO)

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11804 (doc. nr. 11804)

Bijlage 16 - Attest van verworven bekwaamheden behaald in een duale opleiding van opleidingsvorm 3 (BuSO)

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11803 (doc. nr. 11803)

Bijlage 17 - Attest beroepsonderwijs in een duale opleiding van opleidingsvorm 3 (BuSO)

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11802 (doc. nr. 11802)