Ambt van directeur en pakket "uren-leraar" in het voltijds gewoon secundair onderwijs

De nieuwe maatregelen naar aanleiding van cao-XII, en het omzetten van uren-leraar naar punten, worden in het groen weergegeven.

Naar aanleiding van de modernisering van het secundair onderwijs wordt de berekeningswijze van het pakket "uren-leraar" in het voltijds gewoon secundair onderwijs aangepast zonder te raken aan de fundamenten van de huidige systematiek. Om die reden wordt ook het gemoderniseerde studieaanbod van de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs ingedeeld in disciplines.

De geactualiseerde berekeningswijze van het pakket "uren-leraar" wordt parallel met de modernisering van het eerste leerjaar van de tweede graad ingevoerd en voor het eerst toegepast voor de berekening van het pakket "uren-leraar" voor het schooljaar 2022-2023. Voor scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs die in opbouw of in verplichte afbouw zijn, wordt de nieuwe berekeningswijze toegepast voor de berekening van het pakket "uren-leraar" voor het schooljaar 2021-2022.

Deze laatste bepalingen zijn nog onder voorbehoud van definitieve goedkeuring.

1. Inleiding.

Deze omzendbrief is bestemd voor alle scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en bevat de decretale en reglementaire beschikkingen aangaande de vaststelling van het ambt van directeur en van het aantal wekelijkse uren-leraar gebaseerd op het studieaanbod van de school. Een uur-leraar is steeds een prestatie van 50 minuten; er wordt niet met fracties van uren gewerkt.

Deze omzendbrief is niet van toepassing op de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.

2. Ambt van directeur.

In het voltijds gewoon secundair onderwijs wordt een voltijdse betrekking van directeur toegekend aan een school met ten minste 83 regelmatige leerlingen op de gebruikelijke teldatum. In afwijking hierop wordt aan een school die enkel de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert en die in de financierings- of subsidiëringsregeling werd opgenomen vanaf 1 september 1989, een voltijdse betrekking van directeur toegekend indien de school ten minste 120 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum.

Indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt, wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht die gelijk is aan een halve onderwijsopdracht, verminderd met vier uren-leraar of met een halftijdse opdracht van beheerder van het internaat verbonden aan een school voor zeevisserijonderwijs. De uren-leraar vallen binnen het urenpakket van de betrokken school. Hij behoudt echter het recht op de salarisschaal van directeur met een volledige opdracht of op de overeenstemmende salaristoelage.

3. Vaststellingsmodaliteiten van het pakket "uren-leraar".

3.1. Principe.

Het aantal wekelijkse uren-leraar, dat aan elke school wordt verleend, is opgebouwd uit:

1° een aantal uren-leraar voor het onderwijzen van vakken zonder rekening te houden met de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie;

2° een aantal uren-leraar voorbehouden voor het onderwijzen van de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie. Deze uren-leraar levensbeschouwelijke vakken worden evenwel niet toegekend voor volgende structuuronderdelen:

- het derde leerjaar van de derde graad aso en kso, aangeduid als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs (vanaf de modernisering: Se-n-Se die voorbereiden op hoger onderwijs, uitgezonderd het voorbereidend jaar op hoger onderwijs na structuuronderdeel met arbeidsmarktfinaliteit (onderwijskwalificatie 3));

- de Se-n-Se van de derde graad tso en kso (vanaf de modernisering: alle Se-n-Se als beroepsgerichte specialisatie);

- HBO-verpleegkunde.

3.2. Berekening.

3.2.1. Het aantal uren-leraar, bedoeld in punt 3.1, 1°.

3.2.1.1. Vaststellingsnormen.

Het aantal uren-leraar wordt vastgesteld op basis van de coëfficiënt uren-leraar die elke leerling genereert naargelang van het gevolgde structuuronderdeel. Alle structuuronderdelen van de tweede en de derde graad – zowel vóór de modernisering als na de modernisering – worden hierbij ingedeeld in disciplines. Een discipline bundelt een groep van inhoudelijk verwante studierichtingen per onderwijsvorm.

Elke leerling genereert daarenboven per afzonderlijke leerlingengroep een extra coëfficiënt uren-leraar die gebaseerd is op degressiviteit:

- leerlingengroep eerste graad: eerste leerjaar A + tweede leerjaar A;

- leerlingengroep eerste graad: eerste leerjaar B + tweede leerjaar B;

- leerlingengroep onthaaljaar;

- leerlingengroep tweede graad aso;

- leerlingengroep tweede graad tso;

- leerlingengroep tweede graad bso;

- leerlingengroep derde graad aso met inbegrip van, binnen de modernisering, de Se-n-Se die voorbereiden op hoger onderwijs en behoren tot de discipline modern;

- leerlingengroep derde graad tso;

- leerlingengroep derde graad bso zonder HBO verpleegkunde maar met inbegrip van, binnen de modernisering, de Se-n-Se als beroepsgerichte specialisatie.

Voor de structuuronderdelen kso is geen extra coëfficiënt uren-leraar voorzien, deze zit telkens vervat in de (basis)coëfficiënt uren-leraar.

3.2.1.2. Overzicht coëfficiënten uren-leraar.

1° De coëfficiënten uren-leraar per structuuronderdeel zijn opgenomen in de bijlagen bij deze omzendbrief:

a) in bijlage 4: de structuuronderdelen vóór de modernisering, in voorkomend geval gekoppeld aan onderwijsvorm, discipline en studiegebied;

b) in bijlage 5: de structuuronderdelen vanaf de modernisering, ingedeeld volgens graad en in voorkomend geval finaliteit, studiedomein, onderwijsvorm en discipline.

Elke bijlage vermeldt per structuuronderdeel naast de coëfficiënt uren-leraar ook het puntengewicht voor de berekening van het werkingsbudget (zie omzendbrief SO 16).

2° De extra coëfficiënt uren-leraar, gebaseerd op degressiviteit, die een leerling per afzonderlijke leerlingengroep genereert, is voor:

a) de leerlingengroep eerste graad: eerste leerjaar A + tweede leerjaar A

  • schijf van 1 tot en met 25 leerlingen: 0,65
  • schijf van 26 tot en met 50 leerlingen: 0,35
  • schijf van 51 tot en met 100 leerlingen: 0,20
  • schijf vanaf de 101ste leerling: nihil

b) leerlingengroep eerste graad: eerste leerjaar B + tweede leerjaar B

  • schijf van 1 tot en met 25 leerlingen: 0,60
  • schijf van 26 tot en met 50 leerlingen: 0,30
  • schijf van 51 tot en met 100 leerlingen: 0,15
  • schijf vanaf de 101ste leerling: nihil

c) leerlingengroep onthaaljaar

  • schijf van 1 tot en met 25 leerlingen: 0,65
  • schijf van 26 tot en met 50 leerlingen: 0,35
  • schijf van 51 tot en met 100 leerlingen: 0,20
  • schijf vanaf de 101ste leerling: nihil

d) leerlingengroep tweede graad aso

  • schijf van 1 tot en met 25 leerlingen: 0,45
  • schijf van 26 tot en met 50 leerlingen: 0,25
  • schijf van 51 tot en met 100 leerlingen: 0,15
  • schijf vanaf de 101ste leerling: nihil

e) leerlingengroep tweede graad tso

  • schijf van 1 tot en met 25 leerlingen: 0,50
  • schijf van 26 tot en met 75 leerlingen: 0,30
  • schijf van 76 tot en met 150 leerlingen: 0,10
  • schijf vanaf de 151ste leerling: nihil

f) leerlingengroep tweede graad bso

  • schijf van 1 tot en met 25 leerlingen: 0,60
  • schijf van 26 tot en met 75 leerlingen: 0,30
  • schijf van 76 tot en met 150 leerlingen: 0,15
  • schijf vanaf de 151ste leerling: nihil

g) leerlingengroep derde graad aso met inbegrip van, binnen de modernisering, de Se-n-Se die voorbereiden op hoger onderwijs en behoren tot de discipline modern

  • schijf van 1 tot en met 25 leerlingen: 0,45
  • schijf van 26 tot en met 50 leerlingen: 0,25
  • schijf van 51 tot en met 100 leerlingen: 0,15
  • schijf vanaf de 101ste leerling: nihil

h) leerlingengroep derde graad tso

  • schijf van 1 tot en met 25 leerlingen: 0,50
  • schijf van 26 tot en met 75 leerlingen: 0,30
  • schijf van 76 tot en met 150 leerlingen: 0,10
  • schijf vanaf de 151ste leerling: nihil

i) leerlingengroep derde graad bso zonder HBO verpleegkunde, maar met inbegrip van, binnen de modernisering, de Se-n-Se als beroepsgerichte specialisatie

  • schijf van 1 tot en met 25 leerlingen: 0,60
  • schijf van 26 tot en met 75 leerlingen: 0,30
  • schijf van 76 tot en met 150 leerlingen: 0,15
  • schijf vanaf de 151ste leerling: nihil

3° Voor de scholen die behoren tot een scholengemeenschap en waarvan de hoofdvestigingsplaatsen gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad enerzijds en voor de scholen met een hoofdvestigingsplaats in gemeenten waarvan de bevolkingsdichtheid lager is dan 125 inwoners per km² anderzijds, wordt:

- het aantal uren-leraar dat elke leerling van de eerste graad genereert op basis van 1° en 2° verhoogd met 0,10;

- het aantal uren-leraar dat elke leerling van de tweede graad, de derde graad of HBO verpleegkunde genereert op basis van 1° en 2° verhoogd met 0,20.

Opmerking:

Desbetreffende verhoging van de coëfficiënten blijft gegarandeerd gedurende een periode van 5 schooljaren van zodra de norm "lager dan 125 inwoners per km²" werd bereikt; op deze manier is de omkadering van een school niet constant afhankelijk van de wisselende factor bevolkingsdichtheid.

3.2.1.3. Tellingsdatum.

De coëfficiënten, bedoeld in punt 3.2.1.2, zijn coëfficiënten per regelmatige leerling op de toepasbare tellingsdatum. Als tellingsdatum doen zich verschillende situaties voor.

Aandacht: inzake teldatum geldt een bijzondere regeling voor het onthaalonderwijs dat wordt geprogrammeerd na de eerste lesdag van februari. Zie in dat verband omzendbrief SO 75.

3.2.1.3.1. Voor alle structuuronderdelen, uitgezonderd Se-n-Se en HBO-verpleegkunde, van scholen die niet in opbouw of verplichte afbouw (ingevolge het niet bereiken van de rationalisatienorm) zijn.

Tellingsdatum is 1 februari (of de eerstvolgende lesdag erna indien 1 februari een vrije dag is) van het voorafgaand schooljaar.

3.2.1.3.2. Voor structuuronderdelen Se-n-Se (vanaf de modernisering: Se-n-Se als beroepsgerichte specialisatie) van scholen die niet in opbouw of verplichte afbouw zijn.

Indien een structuuronderdeel zowel in het eerste als in het tweede semester van het voorafgaand schooljaar wordt aangeboden, dan is de tellingsdatum hetzij 15 januari hetzij 15 mei (of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum een vrije dag is) van dat schooljaar, in die zin dat als datum die met het hoogst aantal regelmatige leerlingen wordt genomen. Elke regelmatige leerling wordt voor een volle eenheid verrekend. Onder "aanbod van een structuuronderdeel" wordt verstaan dat de school inschrijvingen heeft opengesteld, zonder dat er effectief inschrijvingen of behoud van inschrijvingen moet zijn geweest.

Indien een structuuronderdeel, als beleidskeuze van de school, enkel in het eerste of het tweede semester van het voorafgaand schooljaar wordt aangeboden, dan is de tellingsdatum hetzij 15 januari hetzij 15 mei (of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum een vrije dag is) van dat schooljaar, naargelang van het geval. Elke regelmatige leerling wordt voor een halve eenheid verrekend.

Indien voor een leerling een structuuronderdeel Se-n-Se wordt gespreid over het dubbele van de gebruikelijke studieduur, dan wordt die leerling niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke studieduur.

3.2.1.3.3. Voor het structuuronderdeel HBO-verpleegkunde van scholen die niet in opbouw of verplichte afbouw zijn.

Tellingsdata zijn 15 januari en 15 mei (of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum een vrije dag is) van het voorafgaand schooljaar. Op elke datum wordt elke regelmatige leerling, cursist genoemd, voor een halve eenheid verrekend.

Indien voor een leerling een module van het structuuronderdeel HBO-verpleegkunde wordt gespreid over het dubbele van de gebruikelijke studieduur, dan wordt die leerling niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke studieduur.

3.2.1.3.4. Voor scholen die in opbouw of verplichte afbouw zijn.

Tellingsdatum is 1 oktober (of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum een vrije dag is) van het betrokken schooljaar.

Onder "in opbouw" wordt verstaan: een nieuwe school die tijdens aaneensluitende schooljaren haar aanbod uitbreidt met één of meer leerjaar gelijktijdig; onder "in opbouw" worden evenwel niet verstaan:

- de uitbreiding van een middenschool bestaande uit de eerste graad, respectievelijk de eerste en de tweede graad met de tweede graad, respectievelijk de derde graad;

- de oprichting binnen eenzelfde leerjaar van een nieuwe onderwijsvorm naast een reeds bestaande onderwijsvorm;

- de oprichting van een eerste leerjaar B naast een reeds bestaand eerste leerjaar A en omgekeerd;

- de oprichting van een eerste leerjaar naast een reeds bestaand tweede leerjaar binnen de eerste graad;

- de oprichting binnen eenzelfde leerjaar en onderwijsvorm van een andere onderverdeling;

- de oprichting van een derde leerjaar van de derde graad;

- de oprichting van een eerste leerjaar van de eerste graad in een school bestaande uit de tweede en de derde graad;

- de oprichting van een tweede leerjaar van de eerste graad in een school bestaande uit een eerste leerjaar van de eerste graad en de tweede en de derde graad;

- de oprichting van een onthaaljaar.

3.2.1.4. Minimum pakketten.

- Voor de scholen die onder toepassing vallen van artikel 190, §2 of 191 van de Codex Secundair Onderwijs, voor de scholen gevestigd in de gemeenten waarvan de bevolkingsdichtheid gelegen is tussen 125 en 250 inwoners per km², en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven, wordt de coëfficiëntenregeling, bedoeld in punt 3.2.1.2, vervangen door de regeling vermeld in bijlage 1 aan deze omzendbrief mits aan onderstaande vier voorwaarden wordt voldaan.

- Voor de scholen die onder toepassing vallen van artikel 192 van de Codex Secundair Onderwijs, voor de scholen met het Nederlands als onderwijstaal die gevestigd zijn in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad en voor de scholen gevestigd in de gemeenten waarvan de bevolkingsdichtheid lager is dan 125 inwoners per km², wordt de coëfficiëntenregeling, bedoeld in punt 3.2.1.2., vervangen door de regeling vermeld in bijlage 2 aan deze omzendbrief mits aan onderstaande vier voorwaarden wordt voldaan.

- Voor de scholen die onder toepassing vallen van artikel 193, 194, of 197 van de Codex Secundair Onderwijs, wordt de coëfficiëntenregeling, bedoeld in punt 3.2.1.2., vervangen door de regeling vermeld in bijlage 3 aan deze omzendbrief mits aan onderstaande vier voorwaarden wordt voldaan:

1° berekening dient uit te wijzen dat desbetreffende vervangende regeling een voordeliger resultaat oplevert dan de coëfficiëntenregeling;

2° de verhouding tussen MP en Y moet groter zijn dan of gelijk zijn aan 15,00 %, m.a.w.

MP/Y is groter dan of gelijk aan 15,00/100

waarbij

MP = het aantal uren-leraar waar de school recht op heeft door gebruik te maken van de minimum-pakkettenregeling

Y = het aantal aanwendbare uren-leraar aan 100 %, d.w.z. het aantal uren-leraar waar de school recht op heeft met coëfficiënten-berekening en met minimum-pakketten

3° de verhouding tussen CF en MP moet kleiner zijn dan of gelijk zijn aan 85,00 %, m.a.w.

CF/MP is kleiner dan of gelijk aan 85,00/100

waarbij

CF = het aantal uren-leraar toegekend via de coëfficiëntenregeling aan 100%, toegepast op die structuuronderdelen die voor minimum-pakketten in aanmerking komen

MP = het aantal uren-leraar waar de school recht op heeft door gebruik te maken van de minimum-pakkettenregeling.

Voor HBO-verpleegkunde worden geen minimum-pakketten voorzien.

3.2.1.5. Bijzonder pakket voor scholen in afbouw.

Als een school ingevolge het niet-bereiken van de rationalisatienorm overgaat tot afbouw, wordt de coëfficiëntenregeling vervangen door een pakket wekelijkse uren-leraar dat wordt toegekend voor de volledige duur van het schooljaar en dat wordt vastgesteld en toegekend door de Vlaamse Regering, op voorstel van het betrokken schoolbestuur gericht aan AGODI. Die maatregel is bedoeld om de school toe te laten tijdens de afbouw de afwerking van de goedgekeurde leerplannen te realiseren.

3.2.1.6. Specifieke regeling voor de structuuronderdelen aso en tso met component topsport.

a) bij de toepassing van de bepalingen van punt 3.2.1. worden de leerlingen waaraan een topsportstatuut A is toegekend overeenkomstig het topsportconvenant dat tussen de onderwijs- en de sportsector is afgesloten, niet in aanmerking genomen; voor elke desbetreffende regelmatige leerling wordt daarentegen aan de school 2,9 uren-leraar toegekend;

b) behoudens indien het leerlingen betreft waarvoor toepassing wordt gemaakt van het in c) gestelde, worden bij de toepassing van de bepalingen van punt 3.2.1. de leerlingen waaraan een topsportstatuut B is toegekend overeenkomstig hetzelfde topsportconvenant, wel in aanmerking genomen. In voorkomend geval worden, wat de schijven betreft bedoeld in punt 3.2.1.2., 4° respectievelijk 5°, deze leerlingen geteld in de schijf met de hoogste coëfficiënt; bij overschrijding van deze schijf met uitsluitend dergelijke leerlingen worden ze geteld in de onmiddellijk daaropvolgende schijf, en zo verder;

c) de vaststelling van het aantal uren-leraar op basis van het in a) en b) gestelde, wordt vervangen door de toekenning aan de school van een forfaitair pakket van 20 uren-leraar per leerjaar in maximum één van beide onderwijsvormen (aso of tso) voor zover voordeliger dan het resultaat met de coëfficiëntenberekening.

Aandacht: op de uren-leraar bedoeld in a) en c) wordt geen aanwendingspercentage toegepast, zodat ze aan 100 % mogen worden gebruikt.

Aan elke school met ten minste vijfentwintig regelmatige leerlingen op de toepasbare teldatum in structuuronderdelen met in de benaming "topsport" die onder toepassing valt van het gesloten topsportconvenant, wordt een betrekking van topsportschoolcoördinator toegekend. Die betrekking wordt niet meer toegekend als de norm twee aansluitende schooljaren niet wordt bereikt. Topsportschoolcoördinator is geen afzonderlijk ambt doch kan ingevuld worden, naar keuze van het schoolbestuur, met één van volgende bestaande ambten: adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator, technisch adviseur, leraar. De betrekking is niet opdeelbaar en kan slechts door één personeelslid, dat exclusief en voltijds met topsportschoolcoördinatie is belast, worden uitgeoefend. In geval de betrekking wordt uitgeoefend door een leraar, dan gebeurt dit onder vorm van bijzondere pedagogische taken.

3.2.1.7. Specifieke regeling voor maritieme scholen.

Deze regeling wordt rechtstreeks aan de betrokken scholen meegedeeld.

3.2.1.8. Extra uren-leraar voor land- en tuinbouwscholen.

Land- en tuinbouwscholen werken met levend didactisch materiaal, nl. met gewassen en veestapel. Onderhoud en verzorging hiervan vergen een bijzondere inzet gedurende het volledig jaar, ook in weekends en vakantie- en verlofperiodes. De gewone personeelsomkadering die aan scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs wordt toegekend, is ontoereikend om aan deze specifieke noden van land- en tuinbouwscholen te voldoen. Daarom worden extra organieke uren-leraar toegekend, voorbehouden voor het inrichten van betrekkingen in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met praktische vakken in de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs.

Voor de toekenning van deze extra uren-leraar komen uitsluitend die door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs in aanmerking, die ten minste één van de volgende structuuronderdelen organiseren in de tweede en/of derde graad (deze lijst is gebaseerd op het studieaanbod per 1 februari 2022 en wordt nadien geactualiseerd rekening houdend met de uitrol van de modernisering en van het duaal leren):

Tweede en derde graad tso

  • dier- en landbouwtechnische wetenschappen
  • plant-, dier- en milieutechnieken
  • planttechnische wetenschappen

Tweede graad dubbele finaliteit (tso)

  • plant-, dier- en milieutechnieken

Tweede en derde graad bso

  • agromanagement
  • landbouw
  • manegehouder-rijmeester
  • paardrijden en -verzorgen
  • plant, dier en milieu
  • tuinbouw en groenvoorziening
  • tuinbouwproductie
  • veehouderij en landbouwteelten

Tweede graad finaliteit arbeidsmarkt (bso)

  • paardenhouderij
  • plant, dier en milieu

Duale structuuronderdelen

  • assistent dierlijke productie duaal
  • assistent plantaardige productie duaal
  • dier en milieu duaal
  • hippisch assistent duaal
  • paardenhouderij duaal
  • plant en milieu duaal
  • productiemedewerker dier duaal
  • productiemedewerker plant duaal

De extra uren-leraar stemmen overeen met meerdere voltijdse betrekkingen (hoewel een betrekking uiteraard aan een personeelslid niet voltijds hoeft te worden toegewezen) in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met praktische vakken in de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs.

De betrokken personeelsleden zijn belast:

- met de uitbating en het onderhoud van de culturen, de serres en de veestapel;

- om tijdens de praktijklessen aan de leerlingen van het studiegebied land- en tuinbouw illustratieve demonstraties te geven die rekening houden met de technische en technologische ontwikkelingen in de sector.

Aan elke school worden ten minste 58 uren-leraar, wat overeenkomt met twee voltijdse betrekkingen van leraar praktische vakken, toegekend. Dit aantal wordt vermeerderd met:

- 29 uren-leraar, wat overeenkomt met één betrekking van leraar praktische vakken, als de school op de gebruikelijke tellingsdatum voor het eerste schooljaar de oprichtingsnorm van 71 regelmatige leerlingen bereikt en vanaf het daaropvolgende schooljaar de behoudsnorm van 61 regelmatige leerlingen;

- 58 uren-leraar, wat overeenkomt met twee betrekkingen van leraar praktische vakken, als de school op de gebruikelijke tellingsdatum voor het eerste schooljaar de oprichtingsnorm van 101 regelmatige leerlingen bereikt en vanaf het daaropvolgende schooljaar de behoudsnorm van 91 regelmatige leerlingen;

- 87 uren-leraar, wat overeenkomt met drie betrekkingen van leraar praktische vakken, als de school op de gebruikelijke tellingsdatum voor het eerste schooljaar de oprichtingsnorm van 171 regelmatige leerlingen bereikt en vanaf het daaropvolgende schooljaar de behoudsnorm van 161 regelmatige leerlingen.

Voor toepassing van deze normen wordt onder "regelmatige leerlingen" verstaan: de regelmatige leerlingen van alle structuuronderdelen uit het studiegebied of -domein land- en tuinbouw, voor zover de wekelijkse lessentabellen van deze structuuronderdelen praktijk bevatten.

Het aantal uren-leraar dat overeenstemt met een betrekking blijft toegekend gedurende twee opeenvolgende schooljaren waarin de behoudsnorm niet wordt bereikt. Vanaf het daaropvolgende schooljaar wordt de toekenning stopgezet tot de oprichtingsnorm opnieuw wordt gehaald. Deze gedoogperiode moet toelaten dat het personeelskader een zekere stabiliteit vertoont en niet onmiddellijk fluctueert bij schommelingen in het leerlingenbestand.

3.2.2. Het aantal uren-leraar, bedoeld in punt 3.1, 2°.

3.2.2.1. Voor de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie worden splitsingsnormen gehanteerd, uiteraard steeds toe te passen op het niveau van afzonderlijke leerjaren en - binnen eenzelfde leerjaar - per onderwijsvorm; deze normen zijn:

1° in het eerste leerjaar A en het tweede leerjaar A:

  • 26 leerlingen voor 2 klassen;

  • 51 leerlingen voor 3 klassen;

  • 76 leerlingen voor 4 klassen;

  • enz... per volledige schijf van 25 leerlingen;

2° in het eerste leerjaar B:

  • 16 leerlingen voor 2 klassen;

  • 31 leerlingen voor 3 klassen;

  • 46 leerlingen voor 4 klassen;

  • enz... per volledige schijf van 15 leerlingen;

3° in het tweede leerjaar B:

  • 18 leerlingen voor 2 klassen;

  • 35 leerlingen voor 3 klassen;

  • 52 leerlingen voor 4 klassen;

  • enz... per volledige schijf van 17 leerlingen;

4° in de tweede en de derde graad:

  • 28 leerlingen voor 2 klassen;

  • 55 leerlingen voor 3 klassen;

  • 82 leerlingen voor 4 klassen;

  • enz... per volledige schijf van 27 leerlingen.

3.2.2.2. Voor het bepalen van het aantal klassen godsdienst en niet-confessionele zedenleer in de officiële scholen en voor het bepalen van het aantal klassen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie in de scholen van het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs, geldt de volgende regeling voor de vakken die niet het meest worden gevolgd:

  • 10 leerlingen voor 2 klassen;

  • 21 leerlingen voor 3 klassen;

  • 28 leerlingen voor 4 klassen;

  • enz... per volledige schijf van 7 leerlingen.

Het aantal klassen van de minst gevolgde vakken mag het aantal klassen van het meest gevolgde vak NOOIT overschrijden.

3.2.2.3. De leerlingen van de onthaaljaren worden louter voor wat betreft de vakken die niet het meest worden gevolgd, geteld bij de leerlingen bedoeld:

- onder punt 3.2.2.1., 1°: indien in de school geen eerste leerjaar B maar wel een eerste leerjaar A wordt ingericht;

- onder punt 3.2.2.1., 2°: indien in de school een eerste leerjaar B wordt ingericht;

- onder punt 3.2.2.1., 4°, toegespitst op het eerste leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs: indien in de school geen eerste leerjaar A en B maar wel een eerste leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs wordt ingericht;

- onder punt 3.2.2.1., 4°, toegespitst op het eerste leerjaar van de tweede graad van het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs: indien in de school geen eerste leerjaar A en B en geen eerste leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs maar wel een eerste leerjaar van de tweede graad van het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs wordt ingericht.

3.2.2.4. Het aantal klassen, berekend overeenkomstig de hierboven vermelde punten, wordt vermenigvuldigd met het corresponderend aantal wekelijkse lestijden voor bedoelde vakken. Het resultaat wordt uitgedrukt in een aantal uren-leraar.

3.2.2.5. Tellingsdatum.

De bepalingen van de punten 3.2.1.3.1. en 3.2.1.3.4. gelden als datum voor telling van het aantal regelmatige leerlingen, evenwel rekening houdend met wat volgt:

- indien op 1 oktober (of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum een vrije dag is) van een bepaald schooljaar voor een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer onderwezen in een bepaald leerjaar en onderwijsvorm, leerlingen zijn ingeschreven waarvoor op 1 februari (of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum een vrije dag is) van het voorafgaand schooljaar geen leerlingen hebben gekozen, dan wordt voor deze cursus in het betrokken leerjaar en onderwijsvorm het aantal klassen bepaald op basis van het aantal regelmatige leerlingen op eerstvernoemde datum. De klassen godsdienst of niet-confessionele zedenleer die kunnen georganiseerd of gesubsidieerd worden in een bepaald leerjaar en onderwijsvorm op basis van de telling van 1 februari (of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum een vrije dag is) van het voorafgaand schooljaar maar waarvoor op 1 oktober (of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum een vrije dag is) van het lopende schooljaar geen leerlingen zijn ingeschreven, worden in mindering gebracht van het aantal klassen berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen op eerstvernoemde datum;

- indien in het officieel onderwijs na 1 oktober van een bepaald schooljaar een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer onderwezen in een bepaald leerjaar en onderwijsvorm wordt opgestart, dan wordt deze cursus gefinancierd of gesubsidieerd op basis van het aantal regelmatige leerlingen op de datum van opstarting. Een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer onderwezen in een bepaald leerjaar en onderwijsvorm in het officieel onderwijs waarvoor vanaf een bepaalde datum na 1 oktober geen leerlingen meer zijn ingeschreven, wordt vanaf de datum van stopzetting niet langer gefinancierd of gesubsidieerd;

- aandacht: onverminderd de herberekening in de loop van het betrokken schooljaar zoals uiteengezet in rubriek a) en b) hiervoor, geldt een bijzondere regeling inzake telling tijdens het voorafgaand schooljaar van het aantal regelmatige leerlingen in het onthaaljaar dat wordt geprogrammeerd na de eerste lesdag van februari. Zie in dat verband omzendbrief SO 75.

3.2.3. Fusie en afsplitsing.

3.2.3.1. Voor een school die op 1 september van een bepaald schooljaar ontstaat uit fusie, worden voor de berekening van het aantal uren-leraar, de onderscheiden aantallen aanwendbare uren-leraar en aantallen regelmatige leerlingen van 1 februari (of de eerstvolgende lesdag erna indien een vrije dag) van het voorafgaand schooljaar van de tot de fusie toegetreden scholen, samengevoegd, waarna de gestelde bewerkingen worden uitgevoerd.

Uit het oogpunt van de vaststelling van het aantal uren-leraar, wordt er m.a.w. gepretendeerd dat de fusie het desbetreffend voorafgaand schooljaar reeds was voltrokken.

3.2.3.2. Voor een school die op 1 september van een bepaald schooljaar ontstaat door afsplitsing, alsmede voor de overblijvende school, worden voor de berekening van het aantal uren-leraar, de onderscheiden aantallen aanwendbare uren-leraar en aantallen regelmatige leerlingen van 1 februari (of de eerstvolgende lesdag erna indien een vrije dag) van het voorafgaand schooljaar van de structuuronderdelen die ingevolge de afsplitsing tot de onderscheiden nieuwe scholen behoren, in aanmerking genomen, waarna de gestelde bewerkingen worden uitgevoerd.

Uit het oogpunt van de vaststelling van het aantal uren-leraar, wordt er m.a.w. gepretendeerd dat de afsplitsing het desbetreffend voorafgaand schooljaar reeds was voltrokken.

3.2.4. Scholen buiten scholengemeenschappen.

Voor een school die niet tot een scholengemeenschap is toegetreden, wordt het op basis van deze omzendbrief berekend aantal uren-leraar, met inbegrip van de aanwendingspercentages, met 1% verhoogd.

Deze bijkomende uren-leraar worden aangewend om de reductie van het aantal organiseerbare plage-uren op te vangen en/of om de werkdruk te verminderen door aanrekening van uren klassenraad, uren klassendirectie, extra uren ingevolge splitsing van klassen, uren lerarenondersteuning, uren stagebegeleiding en uren leerlingenbegeleiding op het pakket uren-leraar.

3.2.5. Bijkomende omkadering ter versterking van de kerntaak.

3.2.5.1. Doelstelling.

Scholen hebben recht op aanvullende uren-leraar ter ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel.

3.2.5.2. Berekening.

Het totale aantal aanvullende uren-leraar ter ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel bedraagt voor het schooljaar 2021-2022 in totaal 8.188 uren-leraar.

In de daaropvolgende schooljaren fluctueert het toegekende pakket uren-leraar over de schooljaren heen in functie van de leerlingenevolutie (teldatum: telkens de eerste lesdag van februari van het voorafgaand schooljaar) in het secundair onderwijs, in eenzelfde verhouding over deze onderwijsniveaus als bij aanvang. Voor schooljaar 2022-2023 komt dit op 8304 uren-leraar.

Nieuwe opgerichte scholen (programmatie) genereren in het schooljaar van hun oprichting geen aanvullende uren-leraar ter ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel.

AGODI informeert de scholen over hun aantal uren-leraar per dienstbrief.

3.2.5.3. Aanwending.

De aanvullende uren-leraar ter ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel kunnen enkel maar worden aangewend in ambten van het onderwijzend personeel. Het zijn zogenaamd "gekleurde" middelen, d.w.z. ze kunnen niet voor andere onderwijsdoeleinden dan de ondersteuning van de kerntaak worden ingezet.

Voor het schooljaar 2021-2022 en 2022-2023 kunnen deze uren-leraar uitzonderlijk ook worden aangewend in ambten van het ondersteunend personeel, bij een tekort aan onderwijzend personeel. De criteria voor de bepaling van het tekort aan onderwijzend personeel worden bepaald in het bevoegd lokaal comité en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel kan enkel worden toegepast na onderhandeling in het bevoegd lokaal comité. De betrekkingen die ingericht worden in ambten van het ondersteunend personeel, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. De omzetting van uren-leraar naar punten voor deze uitzonderlijke mogelijkheid, verloopt volgens eenzelfde werkwijze als diegene van toepassing voor de omzetting van de aanvangsbegeleiding en gebeurt steeds per halftijdse of voltijdse lesopdracht (zie omzendbrief SO/2019/02, punt 3.1). De regels i.v.m. de beperkte deelbaarheid van sommige ambten zijn daarbij niet meer van toepassing. Dit betekent dat in alle ambten van het ondersteunend personeel (administratief medewerker, opvoeder en ICT-coördinator) een of meer deeltijdse betrekkingen kunnen worden ingericht.

Hiertoe worden de punten op basis van de omzettingstabel in PERS/2009/06 (zie punt 4.1.2) terug vertaald naar een opdracht uitgedrukt in 36sten.

Voorbeelden

Een school stelt een lerarentekort vast en beslist dat ze een aantal uren-leraar kerntaak onderwijzend personeel niet kan toekennen. Ze beslist na lokaal overleg om die uren om te zetten naar punten voor aanwending in ambten van het ondersteunend personeel.

Voorbeeld 1:

De school zet 11 uren-leraar om naar 31,5 punten voor de oprichting van betrekkingen met een bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs. De school heeft verschillende mogelijkheden, zoals:

- Met deze 31,5 punten richt ze een opdracht van 18/36 opvoeder ssc 202 in en stelt ze daar een personeelslid in aan

- Met deze 31,5 punten richt ze een opdracht van 17/36 ICT-coördinator ssc 202 (30 punten) in en stelt ze daar een personeelslid in aan

- De school wendt 30 punten aan van de 31,5 punten om een betrekking van 4/36 administratief medewerker ssc 202 in te richten (7 punten) en een betrekking van 10/36 opvoeder ssc 158 (23 punten). Samen komt dit op 30 punten.

Voorbeeld 2:

De school zet 11 uren-leraar om naar 41 punten voor de oprichting van betrekkingen met een bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor. De school heeft verschillende mogelijkheden, zoals:

- Met deze 41 punten richt ze een opdracht van 18/36 opvoeder ssc 158 in en stelt ze daar een personeelslid in aan

- De school wendt 40 punten aan van de 41 punten om een betrekking van 17/36 ICT-coördinator ssc 301 in te richten.

- De school wendt de 41 punten om een betrekking van 8/36 administratief medewerker ssc 158 in te richten (18 punten) en een betrekking van 7/36 opvoeder ssc 542 (23 punten). Samen komt dit op 41 punten.

Voorbeeld 3:

De school zet 20 uren-leraar om naar 120 punten voor de oprichting van betrekkingen met een bekwaamheidsbewijs ten minste master. De school heeft verschillende mogelijkheden, zoals:

- Met deze 120 punten richt ze een opdracht van 18/36 opvoeder ssc 542 (60 punten) en een betrekking van 18/36 administratief medewerker ssc 542 (60 punten) in

- De school wendt de 120 punten aan om een betrekking van 13/36 administratief medewerker ssc 542 in te richten (43 punten), een betrekking van 3/36 opvoeder ssc 542 (10 punten) en een betrekking van 19/36 ICT-coördinator ssc 501 (67 punten). Samen komt dit op 120 punten.

Overdrachten en herverdelingen van de uren zijn mogelijk, met uitzondering van een overdracht naar een volgend schooljaar. Bij overdracht of herverdeling kunnen deze uren ook enkel maar aangewend worden voor de ondersteuning van de kerntaak.

Voor de toepassing van de personeelsregelgeving worden, voor het onderwijzend personeel, uren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel beschouwd als organieke uren die geen lesuren zijn, maar ermee gelijkgesteld worden.

3.2.5.4. Minimum en maximum per leerkracht.

Er kan aan een onderwijzend personeelslid maximum één uur-leraar toegekend worden. Van dit principe kan enkel worden afgeweken tot maximum drie uren-leraar per onderwijzend personeelslid op grond van een gemotiveerd verzoek en na onderhandeling in het lokaal comité. Dit gemotiveerd verzoek kan zowel van de afvaardiging van het schoolbestuur als van de afvaardiging van het personeel komen. Het schoolbestuur beslist na voornoemde onderhandeling over deze afwijking.

Het principe van minimum en maximum is niet van toepassing in schooljaar 2021-2022 en 2022-2023 wanneer de uren-leraar worden omgezet naar punten voor het ondersteunend personeel.

3.2.5.5. Melding.

De personeelsleden die aangesteld worden in de aanvullende uren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel meldt u met de vakcode 1778 (Ondersteuning Kerntaken Leraar).

Voorbeeld 1:

Een tijdelijke leraar PV Mechanica wordt vanaf 6 december belast met één uur voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel. Daarnaast heeft hij nog een aanstelling voor 24/29 PV Mechanica (ATO 1).

Eén bericht geldig op 6 december:

- RL-1: 1/29 PV Mechanica ATO 2 met vakcode 1778 (Ondersteuning Kerntaken Leraar) tot 30 juni.

- RL-1: 24/29 PV Mechanica ATO 1 tot 30 juni.

Als een vastbenoemd personeelslid een aanvullend uur voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel toegewezen krijgt, splitst u de vast benoemde opdracht op in een deel met en een deel zonder ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel. Een melding via een verlof TAO binnen de eigen school is niet correct omdat de uren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel benoembaar zijn en dus binnen de draagwijdte van de vaste benoeming vallen.

Voorbeeld 2:

Een voltijds vastbenoemd leraar (2de graad, TV Elektriciteit) wordt vanaf 15 november belast met 1 uur voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel.

Eén bericht geldig op 15 november:

- RL-1: 20/21 TV Elektriciteit ATO 4 met einddatum oneindig.

- RL-1: 1/21 TV Elektriciteit ATO 4 met vakcode 1778 (Ondersteuning Kerntaken Leraar) met einddatum oneindig.

Voorbeeld 3:

De school zet vanaf 15 oktober 11 uren-leraar om naar 41 punten en richt een betrekking van 18/36 opvoeder ssc 158 op ter ondersteuning van de kerntaken van de leerkracht. Ze stelt daar een personeelslid in aan dat ook nog een tijdelijke opdracht van 18/36 opvoeder ssc 158 heeft via punten uit de globale puntenenveloppe

Eén bericht geldig op 15 oktober:

- RL-1: 18/36 opvoeder "en minste bachelor" ATO 2 met vakcode 1778 (Ondersteuning Kerntaken Leraar) tot 30 juni.

- RL-1: 18/36 opvoeder "ten minste bachelor" ATO 2 tot 30 juni.

Voorbeeld 4:

De school gebruikt vanaf 13 november 11 uren-leraar om een betrekking van 17/36 ICT-coördinator (40 punten) op te richten met ssc 301 ter ondersteuning van de kerntaken van de leerkracht. Ze stelt daar een personeelslid in aan dat ook nog een tijdelijke opdracht van 19/36 ICT-coördinator heeft met ssc 301 via punten uit de ICT- puntenenveloppe.

Eén bericht geldig op 13 november:

 RL-1: 17/36 ICT-coördinator "ten minste bachelor" ATO 2 met vakcode 1778 (Ondersteuning Kerntaken Leraar) tot 30 juni.

- RL-1: 19/36 ICT-coördinator "ten minste bachelor" ATO 2 tot 30 juni.

Gezien het organieke karakter van de middelen voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel zijn de decreten rechtspositie voor de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs volledig van toepassing op de personeelsleden die met deze middelen worden aangesteld. De betrekkingen moeten dus vacant worden verklaard en het schoolbestuur moet een personeelslid dat zich rechtsgeldig kandidaat stelt hierin vast benoemen, affecteren of muteren.

Opgelet:

Scholen kunnen uren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel overdragen of herverdelen. In dat geval kan een vastbenoemd personeelslid alleen met uren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel belast worden via een verlof TAO. Overgedragen uren zijn immers niet benoembaar. Een overdracht naar het volgende schooljaar is niet mogelijk.

3.2.6. Bijkomende uren-leraar samen school maken.

3.2.6.1. Doelstelling.

Scholen hebben recht op aanvullende uren-leraar samen school maken. Een goede inspraakcultuur versterkt het beleidsvoerend vermogen en zorgt voor krachtige en kwaliteitsvolle onderwijsorganisaties en goede werkomstandigheden voor het onderwijspersoneel. Teneinde die doelstellingen te realiseren worden deze aanvullende uren-leraar toegekend.

3.2.6.2. Berekening.

Vanaf het schooljaar 2021-2022 hebben scholen recht op aanvullende uren-leraar samen school maken.

Het aantal aanvullende uren-leraar samen school maken waarop de school of centrum recht heeft, wordt berekend als 0,003190777* B, waarbij onder B wordt verstaan:

1° de uren-leraar voor de levensbeschouwelijke vakken;

2° de uren-leraar voor de niet-levensbeschouwelijke vakken;

3° de uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod.

De uren-leraar worden binnen een school als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

Scholen die volgens deze berekening recht hebben op meer dan 3 aanvullende uren-leraar samen school maken, hebben recht op 3 aanvullende uren-leraar. Scholen of centra die volgens deze berekening recht hebben op 7 of meer dan 7 aanvullende uren-leraar, krijgen 6 aanvullende uren leraar. Scholen die volgens de berekening recht hebben op minder dan 1 aanvullend uur-leraar samen school maken, hebben recht op 1 aanvullend uur-leraar.

Nieuwe opgerichte scholen (programmatie) genereren in het schooljaar van hun oprichting geen aanvullende uren-leraar samen school maken.

AGODI informeert de scholen over hun aantal uren-leraar per dienstbrief.

3.2.6.3. Aanwending.

De aanvullende uren-leraar kunnen worden aangewend in de personeelscategorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het ondersteunend personeel. Het zijn zogenaamd "gekleurde" middelen, d.w.z. ze kunnen niet voor andere onderwijsdoeleinden dan het samen school maken worden ingezet.

De aanwending van de uren-leraar samen school maken in ambten die worden ingericht op basis van punten, gebeurt op basis van criteria die bepaald worden via lokaal overleg. Deze omzetting moet alleszins steunen op een verhoudingsgewijze omzetting van het aantal uren-leraar naar een opdracht van 36 uur.

De omkadering samen school maken wordt op school- of centrumniveau aangewend conform het afsprakenkader tussen de sociale partners ter uitvoering van punt 3.4. Samen school maken van cao-XII. Dit afsprakenkader is bijgevoegd als bijlage 6 bij deze omzendbrief.

Overdrachten en herverdelingen van deze uren zijn mogelijk, met uitzondering van een overdracht naar een volgend schooljaar. Bij overdracht of herverdeling kunnen deze uren ook enkel maar aangewend worden voor het "samen school maken".

Voor de toepassing van de personeelsregelgeving wordt, voor het bestuurs- en onderwijzend personeel, het samen school maken beschouwd als organieke uren die geen lesuren zijn, maar ermee gelijkgesteld worden.

3.2.6.4. Melding.

De personeelsleden die aangesteld worden in de aanvullende uren om samen school te maken meldt u met de vakcode 1777 (samen school maken).

Voorbeeld:

Een tijdelijke leraar AV Geschiedenis met een aanstelling voor doorlopende duur wordt vanaf 1 december belast met één uur samen school maken. Daarnaast heeft hij nog een aanstelling voor 17/22 AV Aardrijkskunde (ATO 2).

Eén bericht geldig op 1 december:

- RL-1: 1/22 AV Geschiedenis ATO 2 met vakcode 1777 (samen school maken) tot 31 augustus

- RL-1: 17/22 AV Aardrijkskunde ATO 2 TADD tot 31 augustus.

Als een vastbenoemd personeelslid een aanvullend uur samen school maken toegewezen krijgt, splitst u de vast benoemde opdracht op in een deel met en een deel zonder samen school maken. Een melding via een verlof TAO binnen de eigen school is niet correct omdat de uren samen school maken benoembaar zijn en dus binnen de draagwijdte van de vaste benoeming vallen.

Voorbeeld:

Een voltijds vastbenoemd leraar (2de graad, TV Voeding) wordt vanaf 15 november belast met 1 uur samen school maken.

Eén bericht geldig op 15 november:

- RL-1: 20/21 TV Voeding ATO 4 met einddatum oneindig.

- RL-1: 1/21 TV Voeding ATO 4 met vakcode 1777 (samen school maken) met einddatum oneindig.

Gezien het organieke karakter van de middelen "samen school maken" zijn de decreten rechtspositie voor de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs volledig van toepassing op de personeelsleden die met deze middelen worden aangesteld. De betrekkingen moeten dus vacant worden verklaard en het schoolbestuur moet een personeelslid dat zich rechtsgeldig kandidaat stelt hierin vast benoemen, affecteren of muteren.

Opgelet:

Scholen kunnen uren "samen school maken" overdragen of herverdelen. In dat geval kan een vastbenoemd personeelslid alleen met uren "samen school maken" belast worden via een verlof TAO. Overgedragen uren zijn immers niet benoembaar. Een overdracht naar het volgende schooljaar is niet mogelijk.

4. Aanwending van het pakket "uren-leraar".

4.1. Aanwendingspercentages en afronding.

De aanwendingspercentages zijn:

- op het resultaat van de berekeningsmethode leerlingencoëfficiënten: 96,57 %

- op het resultaat van de berekeningsmethode minimumpakketten: 98,57 %

- op het resultaat van de berekeningsmethode levensbeschouwelijke cursussen: 96,57 %

Indien de berekening van het aantal uren-leraar, na toepassing van het desbetreffend aanwendingspercentage, een cijfer na de komma oplevert beneden .50 , dan vervalt dit cijfer; omgekeerd wordt een cijfer na de komma van .50 of meer opgetrokken naar de hogere eenheid.

4.2. Vrije aanwending als lesuren of als uren die geen lesuren zijn.

Het globaal pakket uren-leraar mag bij het uitwerken van de reële schoolorganisatie vrij worden aangewend voor:

- enerzijds lesuren;

- anderzijds uren die geen lesuren zijn, waaronder wordt verstaan: interne pedagogische begeleiding, bijzondere pedagogische taken, nascholing, inhaallessen, klassenraad, klassendirectie, seminaries, trajectbegeleiding duaal, aanvangsbegeleiding.

Uren-leraar van dat pakket mogen eveneens worden aangewend binnen het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat aan de school is verbonden.

Op het principe van de "vrije aanwending" staan evenwel de volgende beperkingen.

4.2.1. De uren, afkomstig van de berekeningswijze voor een cursus godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie, dienen voor de desbetreffende cursus te worden aangewend, hetzij als lesuren hetzij als uren die geen lesuren zijn. Uitsluitend indien de voor de betrokken cursus bevoegde inspectie zich akkoord verklaart, kunnen de uren voor aanwending naar een andere levensbeschouwelijke cursus worden overgeheveld.

4.2.2. Maximum 3 % van het aantal aanwendbare uren-leraar mag worden besteed aan bijzondere pedagogische taken. Onder "aanwendbare uren-leraar" worden ook de uren-leraar begrepen verkregen door middel van overdracht of herverdeling of door middel van toetreding tot een scholengemeenschap of door middel van vrijwillige fusie. Dit maximum kan niettemin worden overschreden mits akkoord van het inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokaal overleg- of onderhandelingsorgaan.

Bij de toepassing van deze bepaling wordt abstractie gemaakt van de uren-leraar voor de organisatie van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs volgens een modulair stelsel, vermits deze organisatie slechts mogelijk is via aanwending van uren onder vorm van bijzondere pedagogische taken. Het modulair stelsel verdwijnt vanaf het schooljaar 2025-2026, als de modernisering volledig uitgerold zal zijn.

Bij de toepassing van deze bepaling wordt eveneens abstractie gemaakt van de uren-leraar topsportschoolcoördinatie indien de betrekking van topsportschoolcoördinator wordt ingevuld via het ambt van leraar.

4.2.3. Via het topsportconvenant hebben de onderwijsverstrekkers er zich toe verbonden de uren, bedoeld in punt 3.2.1.6. uitsluitend aan te wenden voor de organisatie van de topsportrichtingen, eveneens hetzij als lesuren, hetzij als uren die geen lesuren zijn.

4.2.4. Bij de aanwending van het pakket uren-leraar wordt er rekening mee gehouden dat de goedgekeurde leerplannen dienen gerealiseerd. Voor zover aan deze bepaling is voldaan, zijn alle samenzettingen van leerlingen toegelaten. Inzonderheid bij praktische vakken zal de school bijkomend het veiligheidsaspect in beschouwing nemen.

4.2.5. Beperking van plage-uren

4.2.5.1. Personeelsleden kunnen niet belast worden met niet-gefinancierde of niet-gesubsidieerde uren, uitgezonderd uren die in de plage gelegen zijn. Als een schoolbestuur dit verbod overtreedt, dan valt de bezoldiging ten laste van dat schoolbestuur. Plage-uren zijn de uren-leraar begrepen tussen het minimum en het maximum van een voltijdse leraarsbetrekking. Ze kunnen al dan niet worden geput uit het globaal pakket uren-leraar waarover een school beschikt.

Er kan slechts 1 plage-uur worden toegekend. Daarenboven kunnen personeelsleden slechts met plage-uren worden belast als die uren om organisatorische redenen noodzakelijk zijn en op een billijke en transparante wijze georganiseerd worden. Over de algemene regels die het schoolbestuur hierbij zal hanteren, wordt bij de voorbereiding van het schooljaar in elke school onderhandeld in de bevoegde organen.

Ongeacht het feit of de uren plage uit het urenpakket komen of niet, geldt een beperking op de organisatie van plage-uren in verhouding tot bedoeld pakket. Onder het "pakket uren-leraar" worden de organieke uren verstaan die per school worden berekend in functie van haar voltijds + deeltijds secundair studieaanbod en haar regelmatige schoolbevolking, vermeerderd met de uren die eventueel worden verkregen ingevolge overdracht, herverdeling, vrijwillige fusie of verdeling door de scholengemeenschap respectievelijk verminderd met de uren die eventueel worden afgestaan ingevolge overdracht of herverdeling. (In zover een school zich in een afbouwproces bevindt, worden bedoelde organieke uren berekend door per 1 februari van het voorafgaand schooljaar enkel de regelmatige leerlingen in aanmerking te nemen van die structuuronderdelen die tijdens het betrokken schooljaar alsnog worden ingericht; op deze wijze wordt vermeden dat een maatregel die op het niveau van de scholengemeenschap slaat, gehypothekeerd wordt door het feit dat de tellingsdatum voor scholen in afbouw normaliter 1 oktober van het schooljaar in kwestie is.)

4.2.5.2. Scholen behorend tot een scholengemeenschap.

Er geldt een dubbele beperking op de organisatie van plage-uren, nl.

- maximum 3% van het urenpakket van de individuele school;

- maximum 1,3% van de som van de urenpakketten van de individuele scholen binnen de scholengemeenschap (waarbij scholen voor buitengewoon secundair onderwijs buiten beschouwing worden gelaten).

Om de reductie van het aantal plage-uren mogelijk te maken en in het kader van de vermindering van de werkdruk (door aanrekening van klassenraad, klassendirectie, splitsing van klassen, lerarenondersteuning, stagebegeleiding en leerlingenbegeleiding), blijft de maatregel dat onder de scholengemeenschappen secundair onderwijs een pakket van 20.000 uren verdeeld wordt pro rata van hun aandeel in het totale urenpakket.

De scholengemeenschappen zijn verplicht deze uren te verdelen over de scholen van de scholengemeenschap, na overleg onder de directies secundair onderwijs en onderhandelingen in het daartoe bevoegd onderhandelingscomité. In geval er geen oplossing wordt gevonden voor de verdeling, krijgt elke school van de scholengemeenschap het procentueel aandeel overeenkomstig het gewicht van deze school in de scholengemeenschap. Het gewicht van elke school wordt vastgesteld aan de hand van het urenpakket en het procentueel aandeel hiervan in het geheel van de scholengemeenschap.

4.2.5.3. Scholen niet behorend tot een scholengemeenschap.

Het maximum % plage-uren mag niet hoger liggen dan dat van het schooljaar 2001-2002, met dien verstande dat het nooit meer dan 3% kan bedragen.

4.2.5.4. De reductie van het aantal plage-uren wordt administratief als volgt geregeld.

4.2.5.4.1. Enerzijds zal de betrokken school een ondertekende verklaring op erewoord opmaken, waarin expliciet staat vermeld dat de ingerichte plage-uren het opgelegd maximum niet overschrijden. Een dergelijke verklaring op erewoord wordt opgesteld door de coördinerend directeur van elke scholengemeenschap, die daartoe door de betrokken schoolbesturen zal zijn gemandateerd. Voor scholen niet behorend tot een scholengemeenschap, wordt de verklaring opgesteld door de gemandateerde van het schoolbestuur. De verklaring ligt in de school ter inzage van verificatie en inspectie.

4.2.5.4.2. Anderzijds zullen de scholen vóór 15 november van het betreffende schooljaar het AGODI informeren over het aantal gepresteerde plage-uren per individueel personeelslid, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de situatie waarin de plage-uren worden geput uit het pakket uren-leraar en de situatie waarin de plage-uren niet worden geput uit het pakket uren-leraar. Bij een ten onrechte melding van een plage-uur moet een annulatie plage-uren CAO VI (gebeurteniscode 21015) worden ingestuurd; het aantal uren moet in dit geval altijd 0 zijn.

4.2.5.4.2.1. De uren-leraar die financierbaar of subsidieerbaar zijn en die in de "plage" vallen, worden meegedeeld via het gewone opdrachtenpakket met een RL-1. Het bepalen van de plage-uren en eventueel overwerk gebeurt automatisch zonder speciale aanduiding.

4.2.5.4.2.2. De uren-leraar die niet financierbaar of niet subsidieerbaar zijn en die in de "plage" vallen, worden meegedeeld met een nieuwe record layout RL-10 "melden plage-uren (opvraging CAO VI)". Concreet: voor elk personeelslid dat dergelijke plage-uren heeft op 15 september (= geldigheidsdatum van het bericht) moet een RL-10 "melden plage-uren opvraging CAO VI" (gebeurteniscode 21014)worden aangemaakt. Het aantal uren kan enkel 1 zijn, andere waarden zullen resulteren in een foutmelding. Een RL-10 met een andere geldigheidsdatum dan 15 september zal eveneens geweigerd worden.

De school bekijkt de toestand op 15 september van ieder personeelslid afzonderlijk, wat betekent dat de "oorsprong" van de plage-uren geen rol speelt. Indien een afwezige titularis niet-financierbare of niet-subsidieerbare uren heeft en volledig vervangen wordt door een interimaris, dan moet zowel voor de titularis als de interimaris een RL-10 opgestuurd worden. Het is eveneens van geen belang of het personeelslid al dan niet aanwezig is in de school op 15 september. Er wordt enkel gekeken naar de opdracht waarmee het personeelslid op dat moment belast is. Dit staat dus volledig los van een eventuele dienstonderbreking of van het feit dat het personeelslid op die dag geen lesopdracht heeft.

4.2.6. De aanwending van uren-leraar voor interne pedagogische begeleiding, bijzondere pedagogische taken, nascholing, inhaallessen, klassenraad en klassendirectie, kan nooit betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessentabellen.

De eventuele aanwending daarentegen van uren-leraar voor seminaries, die eveneens beschouwd worden als uren die geen lesuren zijn doch er personeelsmatig mee gelijkgesteld worden, heeft wél betrekking op de realisatie van de wekelijkse lessentabellen, meer bepaald op: a) het differentiatiegedeelte binnen de eerste graad, en b) het complementair gedeelte van de tweede of derde graad.

In het geval van organisatie van seminaries, vergt de toekenning van de overeenkomstige opdrachturen altijd het akkoord van het betrokken personeelslid; opdat een opdracht als seminaries zou kunnen worden aanzien, moet deze opdracht als een afzonderlijke betrekking worden aangeboden.

Het organiseren van interne pedagogische begeleiding kan uitsluitend in een school met bso.

4.2.7. Bij een tekort aan onderwijzend personeel kan het schoolbestuur tijdens de schooljaren 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025 maximaal 20% van het aantal toegekende vacante uren-leraar aanwenden in ambten van het ondersteunend personeel. Enkel de uren-leraar zoals vermeld in 3.1., punt 1°, en de uren "gelijke onderwijskansen" zoals vermeld in omzendbrief SO/2021/01, komen in aanmerking voor deze omzetting. GOK-uren-leraar die worden omgezet, dienen nog steeds te worden aangewend in functie van de doelstellingen bepaald in de omzendbrief SO/2021/01.

4.2.7.1. Algemeen principe en berekening van de omzetting.

De omzettingen kunnen telkens gebeuren vanaf 1 oktober van het lopende schooljaar in kwestie en gelden voor de duur van het lopende schooljaar.

Een omzetting van uren-leraar eindigt als het personeelslid dat aangesteld is in een betrekking die via de omzetting werd ingericht, tijdens het schooljaar vrijwillig ontslag neemt volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of volgens artikel 26 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. In dit geval eindigt de omzetting voor het overeenkomend deel van de uren-leraar vanaf het ogenblik dat het ontslag ingaat.

De punten die verkregen worden door de omzetting worden maximaal ter ondersteuning van de leraar in de school aangewend, zodat die zich kan focussen op zijn kerntaak: lesgeven.

De criteria om het tekort aan onderwijzend personeel te bepalen en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel, in het kader van de omzetting, worden vastgelegd na onderhandeling in het bevoegde lokale comité.

De betrekkingen die ingericht worden in ambten van het ondersteunend personeel, door de omzetting, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen.

De omzetting van de uren-leraar naar punten gebeurt volgens de onderstaande omzettingen:

a) 12 uren-leraar = 31,5 punten voor aanwending in een of meer betrekkingen met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;

b) 23 uren-leraar = 63 punten voor aanwending in een of meer betrekkingen met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;

c) 12 uren-leraar = 41 punten voor aanwending in een of meer betrekkingen met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;

d) 23 uren-leraar = 82 punten voor aanwending in een of meer betrekkingen met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;

e)12 uren-leraar = 60 punten voor aanwending in een of meer betrekkingen met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel;

f) 23 uren-leraar = 120 punten voor aanwending in een of meer betrekkingen met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel.

Daarna worden de punten op basis van de omzettingstabel in PERS/2009/06 (zie punt 4.1.2) terug vertaald naar een opdracht uitgedrukt in 36sten.

Voorbeelden

Een school stelt een lerarentekort vast en kan een aantal vacante uren-leraar onderwijzend personeel niet toekennen. Ze beslist na lokaal overleg om die uren om te zetten naar punten voor aanwending in ambten van het ondersteunend personeel. 

Voorbeeld 1:

De school zet 12 uren-leraar om naar 31,5 punten voor de oprichting van betrekkingen met een bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs. De school heeft verschillende mogelijkheden, zoals:

- Met deze 31,5 punten richt ze een opdracht van 18/36 opvoeder ssc 202 in en stelt ze daar een personeelslid in aan 

- Met deze 31,5 punten richt ze een opdracht van 17/36 ICT-coördinator ssc 202 (30 punten) in en stelt ze daar een personeelslid in aan

- De school wendt 30 punten aan van de 31,5 punten om een betrekking van 4/36 administratief medewerker ssc 202 in te richten (7 punten) en een betrekking van 10/36 opvoeder ssc 158 (23 punten) Samen komt dit op 30 punten. 

Voorbeeld 2:

De school zet 12 uren-leraar om naar 41 punten voor de oprichting van betrekkingen met een bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor. De school heeft verschillende mogelijkheden, zoals:

- Met deze 41 punten richt ze een opdracht van 18/36 opvoeder ssc 158 in en stelt ze daar een personeelslid in aan

- De school wendt 40 punten aan van de 41 punten om een betrekking van 17/36 ICT-coördinator ssc 301 in te richten. 

- De school wendt de 41 punten om een betrekking van 8/36 administratief medewerker ssc 158 in te richten (18 punten) en een betrekking van 7/36 opvoeder ssc 542 (23 punten). Samen komt dit op 41 punten. 

Voorbeeld 3:

De school zet 23 uren-leraar om naar 120 punten voor de oprichting van betrekkingen met een bekwaamheidsbewijs ten minste master. De school heeft verschillende mogelijkheden, zoals:

- Met deze 120 punten richt ze een opdracht van 18/36 opvoeder ssc 542 (60 punten) en een betrekking van 18/36 administratief medewerker ssc 542 (60 punten) in

- De school wendt de 120 punten aan om een betrekking van 13/36 administratief medewerker ssc 542 in te richten (43 punten), een betrekking van 3/36 opvoeder ssc 542 (10 punten) en een betrekking van 19/36 ICT-coördinator ssc 501 (67 punten). Samen komt dit op 120 punten.

4.2.7.2. Melding van de omzetting.

De personeelsleden die aangesteld worden in uren die omgezet zijn naar ambten van het ondersteunend personeel meldt u met OOM-code 38.

De personeelsleden die aangesteld worden in GOK-uren die omgezet zijn naar ambten van het ondersteunend personeel meldt u met vakcode 770 en OOM-code 38.

Voorbeeld 1:

De school zet vanaf 1 oktober 12 uren-leraar om naar 31,5 punten en richt een betrekking van 18/36 administratief medewerker ssc 202 op. Ze stelt daar een personeelslid in aan dat ook nog een tijdelijke opdracht van 18/36 opvoeder ssc 202 heeft via punten uit de globale puntenenveloppe.

Eén bericht geldig op 1 oktober:

- RL-1: 18/36 administratief medewerker "ten minste HSO" ATO 2 met OOM-code 38 tot 31 augustus.

- RL-1: 18/36 opvoeder "ten minste HSO" ATO 2 tot 30 juni.

Voorbeeld 2:

De school gebruikt vanaf 1 oktober 12 uren-leraar om een betrekking van 17/36 ICT-coördinator op te richten met ssc 501 (60 punten). Ze stelt daar een personeelslid in aan dat ook nog tijdelijke opdracht van 19/36 ICT-coördinator heeft met ssc 501 via punten uit de ICT-puntenenveloppe.

Eén bericht geldig op 1 oktober:

- RL-1: 17/36 ICT-coördinator "ten minste master" ATO 2 met OOM-code 38 tot 30 juni.

- RL-1: 19/36 ICT-coördinator "ten minste master" ATO 2 tot 30 juni

Voorbeeld 3:

De school zet vanaf 1 oktober 12 GOK-uren om naar 31,5 punten en richt een betrekking van 18/36 administratief medewerker ssc 202 op. Ze stelt daar een personeelslid in aan dat ook nog een tijdelijke opdracht van 18/36 administratief medewerker ssc 202 heeft via punten uit de globale puntenenveloppe.

Eén bericht geldig op 1 oktober:

- RL-1: 18/36 administratief medewerker "ten minste HSO" ATO 2 met vakcode 770 en met OOM-code 38  tot 31 augustus.

- RL-1: 18/36 administratief medewerker "ten minste HSO" ATO 2 tot 31 augustus.

4.3. Overdracht van uren-leraar naar het volgend schooljaar.

Een school kan tijdens een bepaald schooljaar niet-ingerichte uren-leraar overdragen naar het daaropvolgend schooljaar onder de volgende modaliteiten (tijdelijk ingerichte uren komen niet meer in aanmerking). Overdracht naar een volgend schooljaar van uren aanvangsbegeleiding, uren ter ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel en uren samen school maken, is niet mogelijk.

4.3.1. De overdracht van uren-leraar wordt beperkt tot maximum 2% van het aantal aanwendbare uren-leraar van dat bepaald schooljaar. Onder aantal aanwendbare uren-leraar wordt het volgende verstaan:

- de uren-leraar die door de overheid worden toegekend en waarin affectatie, mutatie en benoeming mogelijk zijn (zogenaamde organieke uren), met uitzondering van de extra uren-leraar voor het eerste onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers (vermits deze tijdens het schooljaar kunnen fluctueren);

- overdrachten vanuit het onderliggende schooljaar, overdrachten naar een andere school, overdrachten vanuit een andere school respectievelijk herverdelingen door het schoolbestuur, waardoor per saldo het pakket uren-leraar wordt vermeerderd of verminderd.

Uren-leraar die het resultaat zijn van omzetting van punten worden niet meegeteld.

4.3.2. Het maximum aantal uren-leraar dat wordt overgedragen naar het volgend schooljaar dient vastgelegd uiterlijk op 1 november van het lopend schooljaar. Aandacht: het gaat om het "maximum", niet het "effectief" aantal dat mogelijks lager ligt. Immers, ook na 1 november mogen niet-ingerichte uren-leraar, die als buffer werden aangelegd, alsnog gebruikt worden in de eigen school of overgedragen worden naar een andere school van hetzelfde net of van dezelfde scholengemeenschap.

4.3.3. De overgedragen uren-leraar kunnen enkel in het daaropvolgend schooljaar worden aangewend.

4.3.4. De overdracht van uren-leraar is slechts mogelijk indien tijdens dat schooljaar in de betrokken school, overeenkomstig de geldende reglementering, t.o.v. 1 september geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel worden uitgesproken of indien de leden van het onderwijzend personeel die nieuw of bijkomend ter beschikking werden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledig schooljaar.

De niet-naleving van deze bepaling heeft overigens tot gevolg dat een dergelijke terbeschikkingstelling geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid.

4.3.5. De punten 4.2.1., 4.2.2. en 4.2.5. zijn onverkort van toepassing op overgedragen uren-leraar.

4.4. Overdracht van uren-leraar naar een andere school.

Een school kan tijdens een bepaald schooljaar niet-ingerichte uren-leraar (tijdelijk ingerichte uren komen niet meer in aanmerking) overdragen naar een andere school (van hetzelfde net of van dezelfde scholengemeenschap) voor voltijds gewoon secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs of deeltijds beroepssecundair onderwijs.

4.4.1. De overdracht van uren-leraar wordt niet tot een maximum beperkt.

4.4.2. De overdracht van uren-leraar dient plaats te vinden uiterlijk op 1 november van dat schooljaar.

4.4.3. Voor zover de school die de uren afstaat tot een scholengemeenschap behoort, moet de overdracht in overeenstemming zijn met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. Voor zover de begunstigde school tot een andere scholengemeenschap behoort, moet de overdracht formeel aan deze scholengemeenschap worden meegedeeld.

4.4.4. De overdracht van uren-leraar moet onderhandeld worden in het lokaal comité (d.i. het lokaal comité op het niveau van de scholengemeenschap voor zover de school die uren overdraagt tot een scholengemeenschap behoort).

Indien evenwel de overdracht plaatsvindt tussen scholen van hetzelfde net die niet tot een scholengemeenschap of niet tot dezelfde scholengemeenschap behoren én voor zover de overdracht uitmondt in nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel in de school die uren overdraagt, dan is het expliciet akkoord van hogerbedoeld lokaal comité vereist.

4.4.5. De punten 4.2.1., 4.2.2. en 4.2.5. zijn onverkort van toepassing op overgedragen uren-leraar.

4.5. Overdracht van uren-leraar naar een andere school of opleidingsinstelling waarmee wordt samengewerkt in het kader van een structuuronderdeel Se-n-Se (vanaf modernisering: Se-n-se als beroepsgerichte specialisatie) of HBO-verpleegkunde.

Een, zogenaamd, coördinerende school voor voltijds gewoon secundair onderwijs kan tijdens een bepaald schooljaar niet-ingerichte uren-leraar (tijdelijk ingerichte uren komen niet meer in aanmerking) overdragen

* naar een centrum voor volwassenenonderwijs of een hogeschool waarmee wordt samengewerkt om een structuuronderdeel Se-n-Se te organiseren, of

* naar een hogeschool waarmee wordt samengewerkt om een structuuronderdeel HBO-verpleegkunde te organiseren.

Als het gaat om de Se-n-Se Integrale veiligheid tso dan is ook overdracht van uren-leraar mogelijk naar een opleidingsinstelling van politie of brandweer waarmee wordt samengewerkt.

4.5.1. De overdracht van uren-leraar wordt niet tot een maximum beperkt.

4.5.2. De overdracht van uren-leraar dient plaats te vinden uiterlijk op 30 september van dat schooljaar.

4.5.3. De overdracht van uren-leraar moet onderhandeld worden in het lokaal comité.

4.5.4. In een centrum voor volwassenenonderwijs worden overgedragen uren-leraar als leraarsuren beschouwd.

4.5.5. Bij overdracht naar een hogeschool of een opleidingsinstelling van politie of brandweer, vindt een omzetting van die uren-leraar in een krediet plaats, overeenkomstig de volgende modaliteiten:

1° van het wekelijks pakket uren-leraar waarover de school beschikt, wordt het aantal uren dat wordt omgezet, vermenigvuldigd met veertig, respectievelijk twintig voor een structuuronderdeel Se-n-Se, of HBO-verpleegkunde dat slechts één semester wordt aangeboden, dat is het aantal weken openstelling per jaar, zodat een aantal jaaruren wordt verkregen; het resultaat kan in de loop van het schooljaar niet meer worden gewijzigd;

2° het krediet dat wordt toegepast bij de omzetting, wordt vastgesteld op 34,27 euro per omgezet uur-leraar. Dat krediet wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat krediet wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar worden doorgevoerd, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar.Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het aldus geïndexeerd bedrag 60,86 euro per omgezet uur-leraar;

3° het product van het aantal jaaruren met het geïndexeerde krediet vormt het totale krediet dat wordt toegekend aan de coördinerende school (dus de school die de overdracht doet). Het krediet staat los van de financiële afspraken die de coördinerende school maakt met de hogeschool of de opleidingsinstelling waarop beroep wordt gedaan. Alleszins wordt het krediet toegekend door middel van een voorschot van 25% van het krediet in de loop van de maand november van het schooljaar in kwestie en het resterende saldo van 75% in de loop van de maand juni die daarop volgt.

4.6. Voordrachtgevers.

Een school kan tijdens een bepaald schooljaar uren-leraar aanwenden onder vorm van aanwerving van voordrachtgevers.

Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de school en die, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector en in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma, voor leerlingen en cursisten voordrachten geeft vanuit zijn of haar deskundigheid en ervaring in de arbeidsmarkt en de bedrijfswereld.

Op een voordrachtgever is, voor alle duidelijkheid, de rechtspositieregeling in onderwijs niet van toepassing. De school bepaalt anderzijds zelf de wijze waarop zij een voordrachtgever in dienst neemt: ofwel sluit de school een arbeidsovereenkomst met de voordrachtgever zelf, ofwel sluit de school een contract van huur van diensten.

In het geval van een arbeidsovereenkomst wordt de school werkgever van de voordrachtgever, waarbij deze laatste onder leiding, toezicht en gezag komt van de school. De arbeidsreglementering heeft dan volle uitwerking en de school moet alle verplichtingen als werkgever nakomen. Naast de betaling van het overeengekomen loon zijn o.a. de RSZ-bijdragen eveneens ten laste van de school.

In het geval van huur van diensten kan een contract, bv. tegen een vaste prijs per uur, afgesloten worden zowel met natuurlijke als met rechtspersonen. De school betaalt, op basis van de voorgelegde gefactureerde prestaties, het contractueel vastgelegde huurgeld. In dit geval is er geen band van leiding, toezicht en gezag en is er voor de school geen sprake van tewerkstelling en RSZ-verplichting. De betaling van RSZ is hier enkel afhankelijk van de persoonlijke toestand van de partij, hetzij fysieke hetzij rechtspersoon, die met de school een contract van huur van diensten afsluit en zich verbindt tot het leveren van diensten. Zo de persoonlijke toestand van de voordrachtgever RSZ-bijdragen vereist, dan dient hijzelf of de rechtspersoon waar hij tewerkgesteld is, in te staan voor de betaling ervan. Deze betaling valt geenszins ten laste van de school, maar zal uiteraard wel een rol spelen bij het onder contract leggen van de voordrachtgever.

4.6.1. Voordrachtgevers kunnen worden ingezet in ALLE structuuronderdelen (met inbegrip van HBO-verpleegkunde) van een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs.

4.6.2. Van de wekelijkse lessentabel van het structuuronderdeel in kwestie kunnen maximum 4 uren aan voordrachtgevers worden besteed; voor de structuuronderdelen Defensie en veiligheid tso , Integrale veiligheid tso en alle structuuronderdelen van het studiegebied ballet kso (vanaf de modernisering: de structuuronderdelen ballet) is dat evenwel maximum 6 uren.

4.6.3. De uren-leraar aangewend voor voordrachtgevers worden omgezet in een krediet, overeenkomstig de volgende modaliteiten:

1° het aantal uren van de wekelijkse lessentabel dat wordt voorbehouden voor voordrachtgevers, wordt vermenigvuldigd met veertig, respectievelijk twintig voor een structuuronderdeel Se-n-Se (vanaf de modernisering: Se-n-Se als beroepsgerichte specialisatie) of HBO-verpleegkunde dat slechts één semester wordt aangeboden, dat is het aantal weken openstelling per jaar, zodat een aantal jaaruren wordt verkregen. Dat aantal jaaruren wordt vermenigvuldigd met het aantal klassen gevormd in het betrokken structuuronderdeel ("parallelklassen"). Het eindresultaat (totale aantal jaaruren) kan in de loop van het schooljaar niet meer worden gewijzigd, behoudens vermindering bij overmacht;

2° het krediet voor voordrachtgevers wordt vastgesteld op 34,27 euro per omgezet uur-leraar. Dat krediet wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat krediet wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar worden doorgevoerd, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar. Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het aldus geïndexeerd bedrag 60,86 euro per omgezet uur-leraar;

3° het product van het totale aantal jaaruren met het geïndexeerde krediet vormt het totale krediet dat voorbehouden is voor de aanwerving van voordrachtgevers. Het krediet staat los van de financiële afspraken die de school maakt met of met betrekking tot de voordrachtgever(s) (zie hoger). Het wordt toegekend aan de school door middel van een voorschot van 25% van het krediet in de loop van de maand november van het schooljaar in kwestie en het resterende saldo van 75% in de loop van de maand juni die daarop volgt.

4.7. Herverdeling van uren-leraar door een schoolbestuur.

Een schoolbestuur kan tijdens een bepaald schooljaar uren-leraar herverdelen over haar scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs onder de volgende modaliteiten (tijdelijk ingerichte uren komen niet meer voor herverdeling in aanmerking).

4.7.1. De herverdeling van uren-leraar wordt beperkt tot maximum 2% van het totaal aantal uren-leraar dat gedurende het voorafgaande schooljaar aan desbetreffende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs werd toegekend. Onder aantal uren-leraar wordt het volgende verstaan:

- de uren-leraar die door de overheid worden toegekend en waarin affectatie, mutatie en benoeming mogelijk zijn (zogenaamde organieke uren), met uitzondering van de extra uren-leraar voor het eerste onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers (vermits deze tijdens het schooljaar kunnen fluctueren);

- overdrachten vanuit het onderliggende schooljaar, overdrachten naar het volgende schooljaar, overdrachten naar een andere school en overdrachten vanuit een andere school, waardoor per saldo het pakket uren-leraar wordt vermeerderd of verminderd.

Uren-leraar die het resultaat zijn van omzetting van punten worden niet meegeteld.

4.7.2. De herverdeling van uren-leraar dient plaats te vinden uiterlijk op 1 november van dat schooljaar.

4.7.3. Voor zover de school waaraan de uren worden onttrokken tot een scholengemeenschap behoort, moet de herverdeling in overeenstemming zijn met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. Voor zover de begunstigde school tot een andere scholengemeenschap behoort, moet de overdracht formeel aan deze scholengemeenschap worden meegedeeld.

4.7.4. De herverdeling van uren-leraar moet onderhandeld worden in het lokaal comité (d.i. het lokaal comité op het niveau van de scholengemeenschap voor zover de school waaraan de uren worden onttrokken tot een scholengemeenschap behoort).

Indien evenwel de herverdeling plaats vindt tussen scholen die niet tot een scholengemeenschap of niet tot dezelfde scholengemeenschap behoren én voor zover de herverdeling uitmondt in nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel in de school waaraan de uren worden onttrokken, dan is het expliciet akkoord van hogerbedoeld lokaal comité vereist.

4.7.5. De school waaraan de uren worden onttrokken, deelt in haar zending mee welke de begunstigde school is.

4.7.6. De punten 4.2.1., 4.2.2.en 4.2.5. zijn onverkort van toepassing op herverdeelde uren-leraar.

4.8. Lokale autonomie en inspraakregeling.

4.8.1. De vaststelling van de criteria en de aanwending van het pakket uren-leraar moet het voorwerp uitmaken van onderhandelingen in het daartoe bevoegd onderhandelingscomité. Onderhandeld wordt ook over het beleid inzake taakbelasting en met name over de criteria inzake toekenning van plage-uren.

Met het oog hierop zullen de scholengemeenschappen en de scholen de bevoegde onderhandelingscomités in kennis stellen over de verdeling respectievelijk de aanwending van de plage-uren en de extra uren-leraar toegekend aan de scholengemeenschappen.

Per school wordt er een proces-verbaal opgesteld dat ter inzage ligt van verificatie en inspectie.

4.8.2. De aanwending van het pakket uren-leraar is ook onderworpen aan:

a) de verplichtingen die het participatiedecreet van 2 april 2004 oplegt aan het gesubsidieerd onderwijs. Meer bepaald dient elk ontwerp van beslissing van het schoolbestuur inzake de vaststelling van de criteria voor de aanwending van uren-leraar te worden overlegd met de schoolraad in een gezamenlijke vergadering. Indien bedoeld overleg niet tot een akkoord leidt, dan neemt het schoolbestuur de eindbeslissing. Het participatiedecreet stelt ook dat de schoolraad ten behoeve van al het personeel, leerlingen en ouders een communicatie- en informatieplicht heeft over de wijze waarop hij zijn bevoegdheden uitoefent;

b) het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs waaruit volgt dat in dit onderwijsnet de schoolraad de bevoegdheid heeft overleg te plegen met de schooldirectie inzake het vastleggen van de criteria voor de aanwending van uren-leraar.

4.9. Zending "aanwending middelen".

Elk jaar stuurt iedere school vóór een door AGODI vastgestelde datum een elektronische zending "aanwending middelen" door die weergeeft welke bewegingen zich op het vlak van aanwending van de beschikbare uren-leraar hebben voorgedaan. Op basis van deze zending wordt het netto aanwendbaar pakket uren-leraar vastgelegd.

5. Bijlagen.