Gelijke onderwijskansenbeleid voor het secundair onderwijs: het geïntegreerd ondersteuningsaanbod

  • Onder voorbehoud van definitieve goedkeuring door het Vlaamse Parlement van het onderwijsdecreet XXXI en zijn uitvoeringsregelgeving.

1. Opzet

Een beleid gericht op gelijke onderwijskansen (GOK) strekt er toe om de onderwijsachterstand van kansarme autochtone en allochtone leerlingen weg te werken en de integratie te bevorderen. Omwille van hun sociale, culturele en economische omstandigheden hebben deze leerlingen, waarbinnen een grote mate van diversiteit aanwezig is, immers de minste leer- en ontwikkelingskansen en de meeste nood aan ondersteuning.

Het GOK-beleid van de Vlaamse overheid kent al een hele voorgeschiedenis. De initiële tijdelijke projecten onderwijsvoorrang en bijzondere noden maakten destijds plaats voor één "geïntegreerd ondersteuningsaanbod". Dit aanbod behelst het onder voorwaarden toekennen aan scholen van extra personeelsomkadering om een lokaal beleid rond GOK gestalte te geven. Daartoe zijn een aantal GOK indicatoren bepaald die een sterk voorspellende waarde hebben voor achterstand en achterstelling.

Deze aandacht voor GOK in het algemeen en het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het bijzonder, blijven vanaf het schooljaar 2021-2022 onverminderd overeind, zij het met een aantal bijsturingen. Belangrijkste wijziging is dat er niet langer wordt gewerkt met driejarige cycli met achtereenvolgens een beginsituatieanalyse, een tussentijdse zelfevaluatie en een externe kwaliteitscontrole. In de plaats daarvan komen meer lokale autonomie in het GOK-beleid, jaarlijkse berekening van middelen en controle geïntegreerd in de reguliere doorlichting van de school.

Dit geactualiseerd geïntegreerde ondersteuningsaanbod, zowel voor het voltijds gewoon als het buitengewoon secundair onderwijs ingericht door scholen voor voltijds secundair onderwijs, vormt het onderwerp van deze omzendbrief. Het geïntegreerde ondersteuningsaanbod is noch van toepassing op de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (ook niet wat voltijds duale structuuronderdelen betreft) noch op de opleiding verpleegkunde HBO.

Naast het geïntegreerd ondersteuningsaanbod bevat deze omzendbrief ook enkele bepalingen voor het gewoon secundair onderwijs voor wat betreft de werkingsmiddelen die zijn gebaseerd op leerlingenkenmerken. Deze bepalingen moeten echter samen worden gelezen met de omzendbrief SO 16 betreffende de berekening van de werkingsmiddelen.

Ook het inschrijvingsrecht kadert in het GOK-beleid waar de Vlaamse overheid voor staat. Voor dit luik zijn er afzonderlijke onderrichtingen, vastgelegd in de omzendbrief SO/2012/01.

2. Doelgroep

2.1. Gewoon secundair onderwijs

De doelgroep omvat de regelmatige leerlingen van de eerste, tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en van het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers die, zoals verder in deze omzendbrief zal blijken, aantikken op één of meer GOK-indicatoren. Deze indicatoren (inclusief bewijsvoering dat er aan wordt beantwoord) zijn:

1. het gezin ontvangt één of meer selectieve participatietoeslagen leerling (verder: "selectieve participatietoeslag(en)"), als vermeld in artikel 3, §1, 38°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vastgesteld op basis van de toestand vóór 15 juni van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het schooljaar start waarvoor de middelen worden toegekend.

Bewijsvoering: AGODI stelt dit vast op basis van de databanken van het Agentschap Opgroeien;

2. de leerling bevindt zich in één van de volgende situaties:

a) de leerling is thuisloze (verder: "thuisloze") als vermeld in artikel 3, punt 43°/2, a) van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.

Bewijsvoering: op basis van een bewijs van jeugdhulpverleningsbeslissing dat is afgeleverd door een gemandateerde voorziening of een sociale dienst van de jeugdrechtbank;

b) de leerling is thuisloze (verder: "thuisloze") als vermeld in artikel 3, punt 43°/2, b) van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.

Bewijsvoering: op basis van een document dat is afgeleverd door een instantie die onafhankelijk is van de school;

3) de ouders behoren tot de trekkende bevolking (verder: "trekkende bevolking").

Bewijsvoering: op basis van één van de volgende attesten waarover de ouders beschikken:

a) binnenschipper:

  • een attest van gezinssamenstelling waaruit blijkt dat beide ouders binnenschipper zijn;
  • een kopie van de aanvraag tot vermindering van het kostgeld voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben;
  • een attest, afgeleverd door een instantie die onafhankelijk is van de school, waaruit blijkt dat beide ouders tot de beroepsgroep behoren van de binnenschippers;

b) kermis- en circusexploitanten en -artiesten:

  • een attest van gezinssamenstelling of een kopie uit het handelsregister waaruit blijkt dat beide ouders kermis- of circusexploitanten of -artiesten zijn;
  • een lidkaart van kermisreiziger of -exploitant;
  • een kopie van de aanvraag tot vermindering van het kostgeld voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben;
  • een attest, afgeleverd door een instantie die onafhankelijk is van de school, waaruit blijkt dat beide ouders tot de beroepsgroep behoren van de kermis- en circusexploitanten en -artiesten;

c) Romzigeuners, Manoesjzigeuners, Voyageurs en andere personen met een nomadische cultuur:

  • een verklaring van de burgemeester dat het adres een terrein is dat specifiek bedoeld is voor de trekkende bevolking (Rom, Voyageur, Manoesj);
  • een attest van woonwagenbewoner dat is ingevuld en ondertekend door een vzw die door de Vlaamse Gemeenschap erkend is, of door een specifieke dienst of cel binnen een stad of gemeente;

d) Romazigeuners:

  • een document dat is opgesteld door een officiële instantie in België of het land van herkomst of door een vzw die door de Vlaamse Gemeenschap erkend is, waaruit blijkt dat de voormelde persoon Roma is. Bij documenten die opgesteld zijn in een andere taal dan het Nederlands, Frans, Engels of Duits, kan een Nederlandse vertaling gevraagd worden die opgesteld is door een Belgische beëdigde vertaler;
  • gedurende de periode dat de asielprocedure loopt, een document dat bij de asielaanvraag gevoegd is, waarin verklaard wordt dat de aanvrager Roma is;
  • een verklaring van een asielcentrum dat de voormelde persoon bekendstaat als Romazigeuner;

4) de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een studiebewijs dat daarmee gelijkwaardig is (verder: "opleidingsniveau moeder").

Bewijsvoering: op basis van een schriftelijke verklaring op eer, gedateerd en ondertekend door een persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of die de minderjarige leerplichtige leerling in rechte of in feite onder zijn bewaring heeft. De uitwisseling van leerlingenkenmerken, waaronder opleidingsniveau van de moeder, gebeurt via Discimus. Aangezien het om stabiele informatie gaat die niet snel wijzigt, moet de verklaring op eer slechts één keer in een volledige schoolloopbaan van een leerling ingevuld en doorgestuurd worden. Enkel een eventuele wijziging wordt achteraf nog gemeld;

5) de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands (verder: "thuistaal niet Nederlands"). De taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

Bewijsvoering: op basis van een schriftelijke verklaring op eer, gedateerd en ondertekend door een persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of die de minderjarige leerplichtige leerling in rechte of in feite onder zijn bewaring heeft. De uitwisseling van leerlingenkenmerken, waaronder thuistaal, gebeurt via Discimus. Aangezien het om stabiele informatie gaat die niet snel wijzigt, moet de verklaring op eer slechts één keer in een volledige schoolloopbaan van een leerling ingevuld en doorgestuurd worden. Enkel een eventuele wijziging wordt achteraf nog gemeld.

2.2. Buitengewoon secundair onderwijs

De doelgroep omvat de regelmatige leerlingen in type basisaanbod (type 1) of type 3 die, zoals verder in deze omzendbrief zal blijken, aantikken op één of meer GOK-indicatoren en die niet:

1) binnen het niet rechtstreeks toegankelijke aanbod, als vermeld in artikel 2, §1, 4°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, gebruik maken van de module verblijf in een multifunctioneel centrum als vermeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap; of

2) in een internaat buitengewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, ingeschreven zijn.

De GOK-indicatoren (inclusief bewijsvoering dat er aan wordt beantwoord) zijn:

1) de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een studiebewijs dat daarmee gelijkwaardig is (verder: "opleidingsniveau moeder").

Bewijsvoering: op basis van een schriftelijke verklaring op eer, gedateerd en ondertekend door een persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of die de minderjarige leerplichtige leerling in rechte of in feite onder zijn bewaring heeft. De uitwisseling van leerlingenkenmerken, waaronder opleidingsniveau van de moeder, gebeurt via Discimus. Aangezien het om stabiele informatie gaat die niet snel wijzigt, moet de verklaring op eer slechts één keer in een volledige schoolloopbaan van een leerling ingevuld en doorgestuurd worden. Enkel een eventuele wijziging wordt achteraf nog gemeld;

2) de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands (verder: "thuistaal niet Nederlands"). De taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

Bewijsvoering: op basis van een schriftelijke verklaring op eer, gedateerd en ondertekend door een persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of die de minderjarige leerplichtige leerling in rechte of in feite onder zijn bewaring heeft. De uitwisseling van leerlingenkenmerken, waaronder thuistaal, gebeurt via Discimus. Aangezien het om stabiele informatie gaat die niet snel wijzigt, moet de verklaring op eer slechts één keer in een volledige schoolloopbaan van een leerling ingevuld en doorgestuurd worden. Enkel een eventuele wijziging wordt achteraf nog gemeld.

3. Voorwaarde: minimum aantal GOK-leerlingen

3.1. Gewoon secundair onderwijs

Om voor de eerste graad en het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers in aanmerking te komen voor GOK-uren-leraar moet een school op 1 februari van het voorafgaand schooljaar in die graad en/of dat structuuronderdeel minstens 10% regelmatige leerlingen tellen die voldoen aan de GOK-indicatoren.

Om voor de tweede en de derde graad in aanmerking te komen voor GOK-uren-leraar moet een school op 1 februari van het voorafgaand schooljaar in één graad of beide graden samen minstens 25% regelmatige leerlingen tellen die voldoen aan de GOK-indicatoren.

De teldatum 1 oktober in het lopende schooljaar die voor financiering geldt bij sommige herstructureringen (aanbodwijzigingen), is in het kader van GOK niet van toepassing.

Vóór 1 maart volgend op voormelde teldatum (1 februari) moet AGODI op de hoogte zijn van het aantal regelmatige leerlingen die beantwoorden aan één of meer GOK-indicatoren en aan welke indicatoren, opgesplitst naar enerzijds eerste graad en structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers en anderzijds tweede en derde graad.

Leerlingenfluctuaties kunnen er toe leiden dat het vereiste minimum aantal GOK-leerlingen niet altijd jaar na jaar wordt bereikt. Om te vermijden dat door het wegvallen van de uren-leraar een meerjarig GOK-beleid in het gedrang zou komen, wordt een gedoogjaar ingevoerd. Dit houdt in dat als niet langer dan één schooljaar de norm niet wordt gehaald, de GOK-uren-leraar toch toegekend worden, uiteraard berekend op het effectief aantal GOK-leerlingen. De gedoogperiode kan dus niet twee of meer aansluitende schooljaren duren.

3.2. Buitengewoon secundair onderwijs

Om in aanmerking te komen voor GOK-lesuren moet een school op 1 februari van het voorafgaand schooljaar minstens 40% regelmatige leerlingen tellen in type basisaanbod (type 1) en/of 3 die voldoen aan de GOK-indicator "opleidingsniveau moeder" en die niet intern zijn (cfr. afbakening doelgroep in rubriek 2.2.).

De teldatum 1 oktober in het lopende schooljaar die voor financiering geldt bij sommige herstructureringen (aanbodwijzigingen), is in het kader van GOK niet van toepassing.

Vóór 1 maart volgend op voormelde teldatum (1 februari) moet AGODI op de hoogte zijn van het aantal regelmatige leerlingen die beantwoorden aan één of meer GOK-indicatoren en aan welke indicatoren.

Leerlingenfluctuaties kunnen er toe leiden dat het vereist minimum aantal GOK-leerlingen niet altijd jaar na jaar wordt bereikt. Om te vermijden dat door het wegvallen van de lesuren een meerjarig GOK-beleid in het gedrang zou komen, wordt een gedoogjaar ingevoerd. Dit houdt in dat als niet langer dan één schooljaar de norm niet wordt gehaald, de GOK-lesuren toch toegekend worden, uiteraard berekend op het effectief aantal GOK-leerlingen. De gedoogperiode kan dus niet twee of meer aansluitende schooljaren duren.

4. Berekening en toekenning

4.1. Gewoon secundair onderwijs

Stap 1 : gewichtvan de GOK-indicatoren, uitgedrukt in punten

Het beschikbare onderwijsbudget is een open budget, wat betekent dat het fluctueert in functie van het aantal regelmatige leerlingen dat scoort en in functie van de mate waarin die leerlingen scoren. Aan elk van de indicatoren wordt immers een wetenschappelijk onderbouwd gewicht toegekend vanuit het principe dat de zwaarst belastende indicatoren de hoogste weging krijgen. Concreet:

- de indicator, "selectieve participatietoeslag(en) leerling" vermeld in rubriek 2.1., 1°:

  • niet in combinatie met één of meer van de overige indicatoren ("thuisloze", "trekkende bevolking", "opleidingsniveau moeder", "thuistaal niet Nederlands"), vermeld in rubriek 2.1., 2° tot en met 5°: 0,40 punten;
  • alleen in combinatie met de indicator "thuistaal niet Nederlands", vermeld in rubriek 2.1., 5°: 0,40 punten;
  • in combinatie, met uitzondering van de combinatie in punt b), met één of meer van de overige indicatoren ("thuisloze", "trekkende bevolking", "opleidingsniveau moeder", "thuistaal niet Nederlands"), vermeld in rubriek 2.1., 2° tot en met 5°: 0,18 punten;

- de indicator "thuisloze", vermeld in rubriek 2.1., 2°: 0,80 punten;

- de indicator "trekkende bevolking", vermeld in rubriek 2.1., 3°: 0,80 punten;

- de indicator "opleidingsniveau moeder", vermeld in rubriek 2.1., 4°: 0,60 punten;

- de indicator "thuistaal niet Nederlands", vermeld in rubriek 2.1., 5°: 0,20 punten enkel in combinatie met één of meer van de overige indicatoren ("selectieve participatietoeslag(en) leerling", "thuisloze", "trekkende bevolking", "opleidingsniveau moeder", vermeld in rubriek 2.1., 1° tot en met 4°.

Stap 2 : vaststelling van het aantal punten per school

Het aantal punten van een school wordt afzonderlijk voor enerzijds de eerste graad en het structuuronderdeel onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers, en anderzijds de tweede en de derde graad als volgt vastgesteld:

1° het gewicht voor een regelmatige leerling die alleen voldoet aan de indicator "selectieve participatietoeslag(en) leerling", vermeld in rubriek 2.1., 1°, of die alleen voldoet aan de combinatie van de indicatoren "selectieve participatietoeslag(en) leerling" en "thuistaal niet Nederlands", vermeld in rubriek 2.1., 1° en 5°, wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,4417;

2° het met toepassing van punt 1° bekomen gewicht voor een regelmatige leerling die aan verschillende indicatoren beantwoordt, wordt geplafonneerd op 1,20 punten;

3° het met toepassing van punt 1° en 2° bekomen gewicht voor een regelmatige leerling die beantwoordt aan één of meer van die indicatoren, wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 1,50 als de school in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ligt of een concentratiegraad heeft van ten minste 55%. Als een school aan beide criteria voldoet, wordt de vermenigvuldiging twee keer toegepast.

De concentratiegraad is de procentuele verhouding tussen het aantal regelmatige leerlingen die beantwoorden aan één of meer van de indicatoren, gecorrigeerd op basis van punt 1° en 2°, en het totale aantal regelmatige leerlingen;

4° de optelsom van het met toepassing van stap 1 en stap 2, punt 1°, 2° en 3°, bekomen aantal punten voor alle regelmatige leerlingen samen wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter dan vier is, en naar de lagere eenheid als het eerste cijfer na de komma kleiner dan of gelijk aan vier is.

Stap 3 : omzetting van punten naar uren-leraar

Een punt is een berekeningseenheid voor financiering of subsidiëring in de vorm van toekenning van uren-leraar. Voor de eerste graad en het structuuronderdeel onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers is een punt gelijk aan 0,2916 uren-leraar. Voor de tweede en derde graad is een punt gelijk aan 0,1225 uren-leraar.

Stap 4 : vaststelling van het aantal uren-leraar per school

Het aantal uren-leraar van een school wordt voor de eerste graad en het structuuronderdeel onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers als volgt vastgesteld: het met toepassing van stap 2, punt 4°, bekomen aantal punten wordt vermenigvuldigd met 0,2916 uren-leraar en het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter dan vier is, en naar de lagere eenheid als het eerste cijfer na de komma kleiner dan of gelijk aan vier is.

Het aantal uren-leraar van een school wordt voor de tweede en de derde graad als volgt vastgesteld: het met toepassing van stap 2, punt 4°, bekomen aantal punten wordt vermenigvuldigd met 0,1225 uren-leraar en het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter dan vier is, en naar de lagere eenheid als het eerste cijfer na de komma kleiner dan of gelijk aan vier is.

Stap 5 : toekenning van het aantal uren-leraar aan de school

Het met toepassing van stap 4 vastgesteld totale aantal uren-leraar voor alle graden en het structuuronderdeel onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers samen, wordt maar effectief toegekend als het resultaat ten minste 6 uren-leraar bedraagt.

4.2. Buitengewoon secundair onderwijs

Stap 1 : gewicht van de GOK-indicatoren, uitgedrukt in punten

Het beschikbare onderwijsbudget is een open budget, wat betekent dat het fluctueert in functie van het aantal regelmatige leerlingen dat scoort en in functie van de mate waarin die leerlingen scoren. Aan elk van de indicatoren wordt een wetenschappelijk onderbouwd gewicht toegekend. Concreet:

- de indicator "opleidingsniveau moeder", vermeld in rubriek 2.2., 1°: 0,80 punten;

- de indicator "thuistaal niet Nederlands", vermeld in rubriek 2.2., 2°: 0,40 punten enkel in combinatie met de indicator "opleidingsniveau moeder", vermeld in rubriek 2.2., 1°.

Stap 2 : vaststelling van het aantal punten per school

Het aantal punten van een school wordt als volgt vastgesteld: de optelsom van het met toepassing van stap 1 bekomen aantal punten voor alle regelmatige leerlingen samen wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter dan vier is, en naar de lagere eenheid als het eerste cijfer na de komma kleiner dan of gelijk aan vier is.

Stap 3 : omzetting van punten naar lesuren

Een punt is een berekeningseenheid voor financiering of subsidiëring in de vorm van toekenning van lesuren. Een punt is gelijk aan 0,227197 lesuren.

Stap 4 : vaststelling van het aantal lesuren per school

Het aantal lesuren van een school wordt als volgt vastgesteld: het met toepassing van stap 2 bekomen aantal punten wordt vermenigvuldigd met 0,227197 lesuren en het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter dan vier is, en naar de lagere eenheid als het eerste cijfer na de komma kleiner dan of gelijk aan vier is.

Stap 5 : toekenning van het aantal lesuren aan de s chool

Het met toepassing van stap 4 vastgesteld aantal lesuren wordt maar effectief toegekend als het resultaat ten minste 6 lesuren bedraagt.

5. Aanwending

5.1. Personeel

De GOK-personeelsomkadering is "gekleurd", d.w.z. dat ze enkel kan worden aangewend om als schoolteam voor elke leerling een passende begeleiding te voorzien met het oog op GOK en om op dat vlak tegemoet te komen aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit. Teneinde hieraan uitvoering te geven, bepaalt de school haar eigen streefdoelen, indicatoren en een tijdspad. De overheid legt dus vanaf het schooljaar 2021-2022 geen doelen of thema’s meer op waarrond een school moet werken. Dit betekent enerzijds dat bestaande initiatieven rond bijvoorbeeld preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden of studie- en gedragsproblemen, taalvaardigheid, socio-emotionele ontwikkeling, leerlingen- en ouderparticipatie, ….verder kunnen worden gezet, maar anderzijds dat een school haar lokale GOK-beleid ook een andere invulling kan geven. Het staat de school vrij om ter zake het centrum voor leerlingenbegeleiding en/of de pedagogische begeleidingsdienst te betrekken.

5.1.1. Gewoon secundair onderwijs

Bij aanwending van de GOK-personeelsomkadering (i.c. uren-leraar) geldt daarenboven het volgende:

1) de uren-leraar worden aangewend voor het inrichten van één of meer betrekkingen in volgende ambten: leraar, godsdienstleraar, leraar niet-confessionele zedenleer;

2) de uren-leraar berekend voor de tweede en derde graad kunnen geheel of gedeeltelijk worden omgezet voor het inrichten van één of meer halftijdse of voltijdse betrekkingen in het ambt van opvoeder in voormelde graden. In dat geval moeten 11 uren-leraar worden omgezet naar een halftijdse en 22 uren-leraar naar een voltijdse betrekking van opvoeder (het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid heeft geen invloed op de omzetting);

3) hoewel de uren-leraar afzonderlijk worden berekend en toegekend voor enerzijds de eerste graad en het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers en anderzijds de tweede en derde graad, kunnen ze aangewend worden over de verschillende graden en voormeld structuuronderdeel heen;

4) zonder aan de "kleuring" afbreuk te doen, komen de uren-leraar in aanmerking voor overdrachten, rekening houdend met de voorwaarden van de omzendbrief SO 55 met betrekking tot het pakket uren-leraar in het voltijds secundair onderwijs.

5.1.2. Buitengewoon secundair onderwijs

Bij aanwending van de GOK-personeelsomkadering (i.c. lesuren) geldt daarenboven het volgende:

1) de lesuren worden aangewend voor het inrichten van één of meer betrekkingen in volgende ambten:

  • in opleidingsvormen 1, 2 en 3: leraar algemene en sociale vorming, leraar algemene en sociale vorming - specialiteit: lichamelijke opvoeding, godsdienstleraar, leraar niet-confessionele zedenleer, leraar beroepsgerichte vorming;

  • in opleidingsvorm 4: leraar, godsdienstleraar, leraar niet-confessionele zedenleer;

2) zonder aan de "kleuring" afbreuk te doen, komen de lesuren in aanmerking voor overdrachten, rekening houdend met de voorwaarden van de omzendbrief SO/2011/01 (buso) met betrekking tot de omkadering in het buitengewoon secundair onderwijs.

5.2. Werking

Ook het werkingsbudget voor het gewoon secundair onderwijs op basis van de leerlingenkenmerken (cfr. rubriek 1.3. van de omzendbrief SO 16) is "gekleurd", d.w.z. het kan enkel worden aangewend in het kader van een GOK-beleid.

6. Controle en sancties

6.1. Inhoudelijk

De externe controle op het GOK-beleid met inbegrip van de aanwending van de daarvoor toegekende specifieke middelen (voor personeel en, in het gewoon secundair onderwijs, voor werking) wordt uitgevoerd door de onderwijsinspectie in het kader van de periodieke schooldoorlichting. Vermits afgestapt wordt van het systeem van driejarige GOK-cycli is er ook geen vaste controle meer in het derde schooljaar van een dergelijke cyclus. De volgende situaties kunnen zich voordoen:

6.1.1. Positieve evaluatie

Is de evaluatie van het GOK-beleid door de onderwijsinspectie positief, dan blijft de school tot de daaropvolgende schooldoorlichting de volgende, onder de gestelde voorwaarden berekende, middelen ontvangen:

1) de GOK-personeelsomkadering in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs;

2) het deel van het werkingsbudget in het gewoon secundair onderwijs dat is gebaseerd op de leerlingenkenmerken.

6.1.2. Negatieve evaluatie

Is de evaluatie van het GOK-beleid door de onderwijsinspectie negatief, dan blijft de school tot de daaropvolgende schooldoorlichting de GOK- middelen (cfr. rubriek 6.1.1.) volledig ontvangen, maar moet ze een engagement tot remediëring met externe begeleiding en ondersteuning aangaan.

6.1.3. Tweede opeenvolgende negatieve evaluatie

Als er bij de volgende schooldoorlichting opnieuw een negatieve evaluatie volgt, dan ontvangt de school vanaf het daaropvolgend schooljaar slechts de helft van de GOK-middelen (cfr. rubriek 6.1.1.) en dat tot en met het schooljaar waarin een evaluatie opnieuw positief is. Tegen een tweede opeenvolgende negatieve evaluatie, die dus leidt tot een halvering van de middelen, kan niet in beroep gegaan worden. De onderwijsinspectie is er evenwel toe gehouden om binnen het jaar na een tweede opeenvolgende negatieve evaluatie de school opnieuw te evalueren. Dit biedt de school een perspectief om door het nemen van doeltreffende verbeteringsmaatregelen spoedig terug op de volledige GOK-middelen aanspraak te kunnen maken.

6.2. Administratief

Als met betrekking tot GOK een school aan de overheid gegevens doorstuurt die onjuistheden bevatten, kan artikel 103 van de Codex Secundair Onderwijs worden toegepast. Dat artikel luidt als volgt: "Onverminderd de strafvervolging waartoe zij aanleiding zou geven, kan elke valse of onnauwkeurige verklaring, afgelegd met de bedoeling om de berekening van het bedrag van een salaristoelage of werkingsbudget te beïnvloeden, voor de betrokken school medebrengen dat de subsidiëring bij gemotiveerd besluit van de Vlaamse Regering wordt ingehouden gedurende een periode van niet meer dan zes maanden voor elke overtreding. De teruggave van de ten onrechte als subsidiëring gestorte bedragen wordt geëist tenzij de fout te wijten is aan de betalende overheid.".

7. Personeel

De betrekkingen die met de GOK-personeelsomkadering worden ingericht, zijn organieke betrekkingen waarvoor volgende personeelsbepalingen gelden.

7.1. Administratieve toestand van het personeelslid

De betrekkingen zijn volledig onderworpen aan de bepalingen van de decreten rechtspositie van 27 maart 1991. Dit houdt in dat deze betrekkingen in aanmerking komen voor tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, vacantverklaring en vaste benoeming, affectatie en mutatie. Vastbenoemde personeelsleden kunnen, weliswaar rekening houdend met de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling, dadelijk als titularis aangesteld worden in de betrekkingen.

Deze betrekkingen zijn ook onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling.

7.2. Geldelijke toestand van het personeelslid

Een tijdelijk personeelslid in de betrekking zal worden bezoldigd volgens de geldende reglementering die van toepassing is op het ambt waarin betrokkene wordt aangesteld (met inbegrip van eventuele uitgestelde bezoldiging tijdens de zomermaanden).

Voor een vastbenoemd personeelslid via een verlof TAO in de betrekking gelden de bezoldigingsprincipes van de reglementering betreffende het verlof TAO (cfr. omzendbrief PERS/2014/01 betreffende de administratieve en geldelijke toestand van vast benoemde personeelsleden die tijdelijk belast worden met een andere opdracht – TAO).

7.3. Mededeling aan het werkstation van opdrachten in GOK-middelen

Voor een personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking in één of meer van de ambten die in aanmerking komen voor de aanwending van de GOK-personeelsomkadering, wordt per apart ambt een RL-1 ingestuurd met "lesuren GOK" (code 770) of, doch enkel in de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs, met "opvoeder GOK" (code 770).

Enkel voor volgende ambten moet er daarenboven een gelijkstelling zijn van de GOK-uren met een vak/specialiteit in functie van het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid:

- in het gewoon secundair onderwijs: voor het ambt van leraar;

- in het buitengewoon secundair onderwijs: voor het ambt van leraar beroepsgerichte vorming;

- in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs: voor het ambt van godsdienstleraar, nl. per aparte erkende godsdienst.

Als een directeur met lesopdracht GOK wordt belast, moet die lesopdracht worden meegedeeld, nl. een aantal uren directeur en een aantal uren directeur met lesuren GOK.

Voorbeeld:

Voor een vast benoemd directeur met 8 uren lesopdracht waarvan 6 lesuren GOK, betekent dit het in één bericht doorsturen van twee RL's:

- RL-1 - 10u directeur ato 4

- RL-1 - 6u directeur ato 2 met vakcode 770 (GOK) - aanduiding TAO (geen DO

019 opsturen).