Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds secundair onderwijs

1. Inleiding.

Het opvolgen van de naleving van de leerplicht is één van de kerntaken van de overheid. De leerplicht hangt samen met de afwezigheidsproblematiek en de problematiek van in- en uitschrijvingen.

De hiernavolgende richtlijnen rond afwezigheden en in- en uitschrijvingen moeten samen worden gelezen met de onderrichtingen van de omzendbrief SO 70 dd. 3 juli 2000 betreffende aanwezigheid van leerlingen.

Wat het deeltijds beroepssecundair onderwijs betreft, moet in onderhavige omzendbrief onder school een, al dan niet autonoom, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs worden verstaan. De richtlijnen die gelden voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs, blijven onverkort van toepassing indien leerlingen die ingeschreven zijn in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs tijdelijk een persoonlijk ontwikkelingstraject volgen in een centrum voor deeltijdse vorming dat met eerstgenoemd centrum samenwerkt.

2. Wettiging van niet-problematische afwezigheden.

Onderstaande richtlijnen hebben betrekking op de component leren, d.w.z. op het voltijds gewoon secundair onderwijs dat tenminste 28u per week omvat en op het deeltijds beroepssecundair onderwijs dat 15u per week omvat. Ze gelden ook, zoals vermeld, voor persoonlijke ontwikkelingstrajecten die 13, 15 dan wel 28u per week omvatten.

Wat de niet-problematische afwezigheden binnen de component werkplekleren van het deeltijds beroepssecundair onderwijs betreft (voortraject, brugproject, arbeidsdeelname), is uitsluitend het arbeidsreglement van de betrokken instelling of onderneming of, bij ontstentenis daarvan, de door de organisator vastgelegde regeling van toepassing.

Op het vlak van afwezigheden wordt hierna een onderscheid gemaakt tussen van rechtswege gewettigde afwezigheden en afwezigheden die door de school kunnen worden gewettigd.

2.1. Van rechtswege gewettigde afwezigheden.

Bepaalde afwezigheden zijn van rechtswege gewettigd. Dit betekent dat ze, mits voorlegging van geldige verantwoordingsstukken, geen beslissing behoeven en de regelmatigheid van de leerling niet in het gedrang brengen.

Hierna een limitatief overzicht.

2.1.1. Afwezigheid om medische reden.

Voor een afwezigheid om medische reden is vereist :

- hetzij een melding door de betrokken personen wanneer de ziekte een periode van drie opeenvolgende kalenderdagen niet overschrijdt en voor zover hoogstens vier maal per schooljaar een dergelijke melding gebeurt. De school bepaalt onder welke vorm de betrokken personen de afwezigheid van de leerling wegens ziekte melden. In elk geval moet deze melding door de overheid verifieerbaar zijn. Onder "de betrokken personen" wordt telkens verstaan : de ouders of de personen die de minderjarige leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben dan wel de meerderjarige leerling zelf;

- hetzij een medisch attest, meer bepaald in volgende gevallen :

a) als de ziekte een periode van 3 opeenvolgende kalenderdagen overschrijdt (ook bij verlenging); dit betekent dat ook voor een leerling die op vrijdag en de daaropvolgende maandag ziek is, een medisch attest is vereist!;

b) als de betrokken personen reeds voordien 4 maal in hetzelfde schooljaar een verklaring hebben ingediend voor een ziekteperiode van maximum 3 kalenderdagen;

c) als de ziekte in examenperiodes valt;

d) als de ziekte tijdens andere evaluatiemomenten dan examenperiodes valt en voor zover de school in dergelijk geval een medisch attest verplicht stelt (de beslissing om dit al dan niet te doen wordt aan de school overgelaten, maar moet wél van toepassing zijn op alle leerlingen binnen eenzelfde leerlingengroep);

Een rechtsgeldig medisch attest is een attest uitgereikt door een in België of in het buitenland gevestigd geneesheer, geneesheer-specialist, psychiater, orthodontist, tandarts of door de administratieve diensten van een in België of in het buitenland gevestigd ziekenhuis of erkend labo.

Het attest moet duidelijk ingevuld, ondertekend en gedateerd worden en de relevante identificatiegegevens bevatten zoals naam, adres, telefoonnummer en het RIZIV-nummer (voor België) of het vergelijkbaar erkenningsnummer (voor het buitenland) van de verstrekker. Zo zal er aangegeven worden wat de gevolgen zijn van de ziekte voor bepaalde lessen en welke de begin- en de einddatum zijn van de ziekteperiode, met gebeurlijk de vermelding van voor- of namiddag.

De bijzondere aandacht wordt gevestigd op volgende uiteenlopende punten :

a) Het verantwoordingsbewijs voor de afwezigheid moet zo spoedig mogelijk op het secretariaat worden ingediend.

b) Wanneer een zelfde medische behandeling verschillende afwezigheden tot gevolg heeft, volstaat één attest waarop de verschillende afwezigheden zo gedetailleerd mogelijk worden vermeld. Wanneer een ziektebeeld dat verschillende afwezigheden tot gevolg heeft zonder dat een doktersconsultatie nodig is (vb. : kanker, nierdialyse,...), kan na samenspraak met de schoolarts één medisch attest volstaan. Wanneer een afwezigheid om deze reden zich dan effectief voordoet, volstaat een attest van de betrokken personen.

c) Deontologisch laat behandeling in Nederland geen toekenning van een medisch attest toe. De school zal daarom in samenwerking met de schoolarts een verklaring van de school aanmaken die aan de leerlingen wordt verschaft en die wordt ingevuld door de Nederlandse behandelende geneesheer. Deze verklaring vermeldt de naam en het logo van de school, de naam van de leerling, de ziekteperiode, de schoolactiviteiten waar niet kan aan worden deelgenomen, de naam en handtekening van de behandelende geneesheer en de datum van het bezoek aan de geneesheer.

d) Op initiatief van de Vlaamse Wetenschappelijke Vereniging voor Jeugdgezondheidszorg vzw en de Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen vzw, werd een uniform medisch attest ("medisch attest voor de lessen lichamelijke opvoeding en sportactiviteiten op school") ontworpen voor niet-deelname aan de lessen lichamelijke opvoeding. Alle Vlaamse huisartsen beschikken over deze attesten. Door invulling ervan kan uitgemaakt worden in hoeverre de leerling de lessen lichamelijke opvoeding en sport wel of niet kan volgen. Bij langdurige afwezigheid in deze lessen, bestaat een specifiek formulier dat inhoudt dat de schoolarts een herevaluatie vraagt aan de behandelende geneesheer.

e) In volgende drie gevallen is een medisch attest twijfelachtig, nl. :

- het attest geeft zelf de twijfel van de geneesheer aan wanneer deze schrijft "dixit de patiënt";

- het attest is geantedateerd of begin- en einddatum werden ogenschijnlijk vervalst;

- het attest vermeldt een reden die niets met de medische toestand van de leerling te maken heeft zoals de ziekte van één van de ouders, hulp in het huishouden,...

Dergelijke afwezigheden moeten benaderd worden vanuit de invalshoek van problematische afwezigheden (code B). Tezelfdertijd vergt een adequate aanpak echter ook een wijziging in het voorschrijfgedrag van bepaalde artsen. Medische attesten waarrond twijfel bestaat of die onaanvaardbaar zijn, zullen daarom door de betrokken scholen worden gesignaleerd aan de schoolarts, die het best geplaatst is om, rekening houdend met de deontologische artsencode, deze zaak verder op te volgen.

Ter afronding het volgende. Onder "afwezigheid om medische reden" wordt ook het moederschapsverlof verstaan. Vanaf het schooljaar 2014-2015 hebben leerlingen recht op moederschapsverlof naar rata van maximaal één week vóór de vermoedelijke bevallingsdatum en maximaal negen weken na de effectieve bevalling (de schoolvakanties worden in dat aantal weken mee verrekend). Een dergelijke afwezigheid is van rechtswege gewettigd mits voorlegging van een attest van een geneesheer(al dan niet specialist). Moederschapsverlof is een recht doch geen verplichting; het aantal weken afwezigheid kan dus ook lager liggen. Onder de gebruikelijke voorwaarden hebben deze leerlingen recht op tijdelijk onderwijs aan huis; zie in dit verband de omzendbrief SO/2005/05.

2.1.2. Overgang vanuit het deeltijds naar het voltijds secundair onderwijs.

De afwezigheid tussen 1 september en uiterlijk 15 november wegens het ingeschreven zijn in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of in de leertijd (Syntra). Een attest (model naar keuze) van het centrum voor deeltijds onderwijs geldt als bewijsstuk.

2.1.3. Afwezigheid ingevolge topsportconvenant in het voltijds secundair onderwijs.

Dit betreft de afwezigheden, toegestaan op basis van het topsportconvenant, aan leerlingen die voor het betrokken schooljaar door de selectiecommissie een topsportstatuut A of B werden toegekend. Deze leerlingen genieten van onderstaand maximum aantal halve lesdagen afwezigheid op schooljaarbasis om te kunnen deelnemen aan tornooien, intensieve trainingsperiodes of stages, onder verantwoordelijkheid van de betrokken unisportfederatie. De afwezigheid wordt vastgelegd en ten aanzien van de school geattesteerd door de betrokken unisportfederatie.

- Leerlingen met A-statuut ingeschreven in een studierichting (tweede of derde graad) met component topsport : 130;

- Leerlingen met A-statuut ingeschreven in de eerste graad van een school met topsport (eerste leerjaar of basisoptie topsport) : 90;

- Leerlingen met B-statuut al dan niet ingeschreven in een studierichting (tweede of derde graad) met component topsport en leerlingen met A-statuut ingeschreven in een andere studierichting (tweede of derde graad) dan een studierichting met component topsport (al dan niet topsportschool) : 40;

- Leerlingen met B-statuut ingeschreven in de eerste graad van een school al dan niet met topsport en leerlingen met een A-statuut ingeschreven in de eerste graad van een school zonder topsport : 40.

2.1.4. Afwezigheid ingevolge schorsing of uitsluiting bij schending van leefregels.

Een leerling die preventief geschorst, tijdelijk uitgesloten of definitief uitgesloten is, wordt het recht op lesbijwoning ontnomen. Ongeacht het feit of de leerling wel of niet door de school wordt opgevangen, wordt hij als van rechtswege gewettigd afwezig geregistreerd. Het tuchtdossier geldt als verantwoordingsstuk.

2.1.5. Afwezigheid ingevolge niet-invulling van de component werkplekleren in het deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Het betreft volgende afwezigheden :

1° tijdens de periode tussen het sluiten van een overeenkomst en de inwerkingtreding van die overeenkomst;

2° tijdens een periode waarin de jongere actief solliciteert, tenzij actief solliciteren onmogelijk is om gewettigde reden, met het oog op invulling van de component werkplekleren;

3° tijdens de periode tussen de inschrijving en de screening van de leerling.

De afwezigheden, bedoeld in 1° en 2°, kunnen, afzonderlijk voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor de leertijd (Syntra), maximum 30 dagen per leerling per schooljaar bedragen.

De afwezigheden, bedoeld in 1° en 2°, kunnen enkel slaan op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tijdens lesweken, d.w.z. met uitsluiting van de gebruikelijke vakantieperiodes, en voor zover de leerling tijdens de betrokken week niet tenminste 13u (van 50 minuten) aan werkplekleren doet. Bij eventuele overschrijding van voormeld maximum, waardoor niet meer aan de letter en de geest van de wet op de leerplicht en van het decreet leren en werken wordt voldaan, zullen de scholen maximale inspanningen blijven leveren om het voltijds engagement alsnog te realiseren en zal de overheid deze problematiek nauwgezet opvolgen.

De afwezigheden in kwestie worden verantwoord aan de hand van schriftelijke overeenkomsten rond werkplekleren, sollicitatiedocumenten of andere stukken.

De afwezigheden, bedoeld in 3°, kunnen maximum 14 dagen bedragen. Tussen de inschrijving (ten vroegste te rekenen vanaf 1 september) en de screening kunnen immers ten hoogste 14 dagen liggen. Als verantwoordingsstukken voor deze afwezigheden gelden de planningsdocumenten inzake de screening.

2.1.6. Afwezigheid in een structuuronderdeel van het studiegebied ballet van het voltijds secundair onderwijs.

Dit betreft de afwezigheden van leerlingen om deel te nemen aan balletoptreden, buitenlandse stages of concours, of, doch uitsluitend voor het tweede leerjaar van de derde graad, om audities af te leggen, op voorwaarde van voorlegging van een verklaring van de organisator tot staving van de afwezigheid.

De afwezigheid per leerling is bepaald op maximum 40 halve lesdagen per schooljaar.

2.1.7. Overige van rechtswege gewettigde afwezigheden.

De afwezigheid om één van onderstaande redenen mits overhandiging aan de school van, naargelang van het geval, een verklaring van de betrokken personen of een officieel document dat de reden van afwezigheid opgeeft.

a) Het bijwonen van een begrafenis- of huwelijksplechtigheid van een bloed- of aanverwant of van een persoon die onder hetzelfde dak woont.

b) Het bijwonen van een familieraad.

c) De oproeping of dagvaarding voor een rechtbank.

d) De onbereikbaarheid of ontoegankelijkheid van de school door overmacht.

e) Het onderworpen zijn aan maatregelen opgelegd in het kader van de bijzondere jeugdzorg of de jeugdbescherming.

f) Het beleven van de feestdagen die inherent zijn aan de door de Grondwet erkende levensbeschouwelijke overtuiging van de leerling, overtuiging die door de school moet worden gerespecteerd. De desbetreffende afwezigheden moeten vooraf door de betrokken personen gemeld worden aan de school met verwijzing naar het feit dat de betrokken leerling zal deelnemen aan de feestdag. In die scholen waar een keuzevrijheid rond de cursus godsdienst/niet-confessionele zedenleer bestaat, is de door de leerling gemaakte keuze niet voldoende om de afwezigheid voor de beleving van de feestdag te wettigen. Op zich is deze gemaakte keuze zelfs niet determinerend om recht te hebben op een dergelijke afwezigheid. Uitsluitend de hoger vernoemde melding is doorslaggevend.

Concreet gaat het over de volgende levensbeschouwingen en de respectieve feestdagen :

- voor de islam : het Suikerfeest (1 dag) en het Offerfeest (1 dag); aandacht : het is niet uitgesloten dat binnen de moslimgemeenschap een bepaalde groep het desbetreffend feest op een andere dag viert dan op de dag die is bepaald door de moslimexecutieve in België (i.c. Turkse moslims); voor die leerlingen is het toegelaten op "hun" feestdag (1 dag, geen combinatie van de 2 mogelijke dagen!) gewettigd afwezig te blijven;

- voor de joodse religie : het joods nieuwjaar (2 dagen), de Grote Verzoendag (1 dag), het Loofhuttenfeest (2 dagen) en het Slotfeest (2 laatste dagen), de Kleine Verzoendag (1 dag), het feest van Esther (1dag), het Paasfeest (4 dagen) en het Wekenfeest (2 dagen);

- voor de orthodoxe religie : Paasmaandag, Hemelvaartsdonderdag en Pinkstermaandag, voor de jaren waarin het orthodox Paasfeest niet samenvalt met het katholiek Paasfeest.

g) Het afleggen van proeven (niet : de voorbereiding op deze proeven) voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs.

h) Het deelnemen door leerlingen die zetelen in de raad van bestuur en de algemene vergadering van de Vlaamse scholierenkoepel v.z.w. aan activiteiten van deze raad of vergadering.

2.2. Door de school gewettigde afwezigheden.

Alle afwezigheden die noch van rechtswege gewettigd zijn, noch onder de noemer "problematisch" ressorteren, kunnen worden gewettigd door de school. De school moet hiertoe geen aanvraag bij de overheid indienen.

Het verlenen van autonomie aan de school moet toelaten in te spelen op specifieke situaties die zich kunnen voordoen. Onder "afwezigheid" dient zowel de fysieke afwezigheid op school van de leerling te worden verstaan als de gedeeltelijke afwezigheid bij het volgen van het gewone lesprogramma en de vervanging door een alternatief programma.

In beginsel bepaalt het schoolbestuur of van de wettigingsmogelijkheid gebruik wordt gemaakt en aan wie de beslissingsbevoegdheid voor concrete gevallen toekomt (directeur of zijn afgevaardigde dan wel de klassenraad), tenzij hierna uitdrukkelijk die bevoegdheid aan de klassenraad wordt toegewezen.

De verificatie bekijkt of, in voorkomend geval, de afwezigheid op een correcte wijze (d.w.z. aan de hand van de juiste code) in het aanwezigheidsregister is vermeld. Een correcte registratie moet niet alleen globale evoluties inzake schoolverlet in kaart brengen, maar moet ook vermijden dat regelgeving oneigenlijk zou worden toegepast of zelfs zou worden omzeild (bv. de toelatings- en overgangsvoorwaarden).

De overheid heeft in dit verband geen enkel appreciatierecht, d.w.z. dat geen enkele uitspraak mag worden gedaan over de zinvolheid van het al dan niet toestaan van een afwezigheid. De autonomie van de scholen moet hier ten volle worden gerespecteerd.

Afwezigheden die door de school kunnen worden gewettigd, worden in verschillende categorieën onderverdeeld.

2.2.1. Afwezigheden die verband houden met het gedurende een bepaalde periode van het schooljaar niet ingeschreven zijn in een school.

Het kan hier zowel een laattijdige instap, dus na aanvang van het schooljaar, betreffen als een periode in de loop van het schooljaar dat er geen inschrijving is geweest. Er hoeft evenwel geen wettiging van afwezigheid te gebeuren indien de leerling één semester afwezig is omdat een opleiding Se-n-Se of de opleiding verpleegkunde HBO zich slechts over het andere semester van dat schooljaar uitstrekt.

2.2.2. Afwezigheden die verband houden met het gedurende een bepaalde periode van het schooljaar niet volgen van het lesprogramma.

De redenen hiervoor kunnen zeer uiteenlopend zijn en er wordt van overheidswege geen plafond op de duur van de afwezigheid opgelegd, vanuit het idee dat de school het best geplaatst is om - rekening houdend met de lokale context en de individuele leerling in kwestie - een beslissing te nemen. Bovendien kan de school dit op elk tijdstip van het schooljaar beslissen.

Belangrijk is dat deze afwezigheden zeker niet mogen gezien worden als "automatismen".

Voorbeelden zijn :

- afwezigheid ingevolge het overlijden van een bloed- of aanverwant tot en met de tweede graad;

- afwezigheid ingevolge individuele selectie voor een culturele of sportieve manifestatie;

- afwezigheid ingevolge deelname aan time-out programma;

- afwezigheid ingevolge het tijdelijk volgen van opleidingsonderdelen hoger onderwijs door leerlingen van een leerjaar waarin ze normaliter een diploma van secundair onderwijs zullen behalen. Deze maatregel wordt beschouwd als een "uitdaging voor excellente leerlingen van het secundair onderwijs". Deze opportuniteit is niet afdwingbaar : dergelijke afwezigheid om persoonlijke redenen vergt altijd het voorafgaand akkoord van de secundaire school. Het lijkt evenwel aangewezen dat voor die jongeren waarvoor de maatregel in het leven is geroepen naar een aanvaardbaar compromis wordt gezocht tussen de verantwoordelijken van de secundaire school en de verantwoordelijken van de hogeschool of universiteit;

- afwezigheid ingevolge deelname aan een (buitenlandse) gestructureerde individuele leerlingenmobiliteit (Erasmus +).

2.2.3. Afwezigheden die verband houden met het vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van het lesprogramma om een bijkomende kwalificatie te behalen.

Het betreft hier de mogelijkheid om voor leerlingen die reeds houder zijn van een diploma van secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (of gelijkwaardig), vrijstellingen te verlenen van programmaonderdelen die deze leerling reeds voordien heeft gevolgd (in het secundair, hoger of volwassenenonderwijs) indien hij een bijkomend eindstudiebewijs (= een bijkomende kwalificatie) in het voltijds secundair onderwijs wil behalen. Desbetreffende vrijstellingen mogen er zelfs toe leiden dat de voor de leerling resterende lessentabel minder dan 28 wekelijkse lesuren omvat; ook vakken van de basisvorming komen voor vrijstelling in aanmerking. Anderzijds mag de school ook perfect de door de vrijstellingen ontstane ruimte benutten om in het belang van de leerling andere vakken (bv. praktijkvakken) meer aan bod te laten komen. De school zal tenslotte ook beslissen of de leerling tijdens de vrijgekomen uren al dan niet aanwezig moet zijn op school.

2.2.4. Afwezigheden die verband houden met het vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van het lesprogramma van een opleiding Se-n-Se.

De beslissingsbevoegdheid ligt bij de toelatingsklassenraad en wordt genomen op basis van individuele elders verworven competenties of kwalificaties. Se-n-Se zijn sterk kwalificatieverhogend en moeten de tewerkstellingsperspectieven bevorderen. De aantrekkingskracht ervan kan toenemen door een flexibele invulling (vrijstellingenbeleid), waardoor opleiding en werk makkelijker combineerbaar worden.

2.2.5. Afwezigheden die verband houden met het vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van het lesprogramma waarvoor de leerling al eerder geslaagd is en de verplichte vervanging door een alternatief programma.

Het betreft de mogelijkheid om een leerling vrij te stellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen van om het even welk structuuronderdeel mits de leerling al eerder geslaagd is in het secundair onderwijs voor diezelfde programmaonderdelen en mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt na kennisname van het advies van de delibererende klassenraad van het voorafgaand schooljaar.

In voorkomend geval :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) worden de vrijgekomen uren besteed aan een door de toelatingsklassenraad samengesteld individueel lesprogramma. Daarbij kan worden gefocust op programmaonderdelen die nieuw zijn, die uitgediept worden of die remediëring vereisen. Op die manier wordt de belangstelling van de leerling gewekt of kunnen zijn tekorten worden weggewerkt. Per saldo blijft de studiebelasting voor de leerling wel dezelfde als voor de overige leerlingen uit zijn groep, vermits het totaal aantal wekelijkse uren niet wordt verminderd.

2.2.6. Afwezigheden die verband houden met het vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van het lesprogramma omwille van hoogbegaafdheid, leermoeilijkheden of leerachterstanden en de verplichte vervanging door een alternatief programma.

Het betreft de mogelijkheid om een leerling gedurende een deel of het geheel van het schooljaar vrij te stellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen van om het even welk structuuronderdeel/opleiding (en is eveneens van toepassing in de leertijd (Syntra)), mits :

a) de leerling heeft:

- hetzij hoogbegaafdheid (lees : leerlingen die meer uitdaging behoeven), zoals vastgesteld op basis van handelingsgerichte diagnostiek van het CLB;

- hetzij tijdelijke leermoeilijkheden of leerachterstanden voor een of meer vakken, of onderdelen van de opleiding binnen het stelsel voor leren en werken (bv. omwille van verandering van studierichting, instroom vanuit het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers, overkomst vanuit een ander landsgedeelte of het buitenland ...) en valt niet onder punt 2.2.8 van deze omzendbrief;

b) gunstige beslissing van de klassenraad, daar waar relevant naargelang van het tijdstip in het schooljaar, de toelatingsklassenraad of de begeleidende klassenraad, of in geval van de leertijd (Syntra), het begeleidingsteam.

c) akkoord van de betrokken personen.

Voor het voltijds gewoon secundair onderwijs, in voorkomend geval :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) kan de vrijstelling van programmaonderdelen enkel betrekking hebben op vakonderdelen, activiteiten of doelen, maar niet op volledige vakken.

Hierop bestaat één uitzondering : een vrijstelling voor een of meer volledige vakken is wél toegelaten indien de vrijgekomen uren worden besteed aan Nederlands. Deze mogelijkheid laat onder meer toe om een leerling, na een onthaalklas te hebben gevolgd, in om het even welk structuuronderdeel en voor zolang door de klassenraad nodig geacht met het oog op taalbeheersing, meer uren Nederlands volgt. De doelstellingen van het tweede onthaaljaar, dat enkel gedurende het schooljaar 2010-2011 regulier bestond, kunnen alzo via onderhavige flexibiliseringsmaatregel evenzeer worden bereikt. Uiteraard moet deze maatregel ook tegemoet komen aan de behoeften van andere doelgroepen die met taalproblemen Nederlands kampen;

c) worden de vrijgekomen uren besteed aan een door de betrokken klassenraad samengesteld vervangend en evenwaardig individueel lesprogramma dat de finaliteit van het structuuronderdeel niet aantast; per saldo blijft daardoor de studiebelasting voor de leerling dezelfde als voor de overige leerlingen uit zijn groep, vermits het totaal aantal wekelijkse uren niet wordt verminderd;

d) worden de individuele vrijstellingen en vervangingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd in het leerlingendossier.

Voor leren en werken, in voorkomend geval :

a) kunnen individuele vrijstellingen nooit worden verleend voor het geheel van de algemene vorming of het geheel van de beroepsgerichte vorming;

b) worden individuele vrijstellingen en vervangingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd in het leerlingendossier;

c) worden de vrijgekomen uren besteed aan een door de betrokken klassenraad, of in voorkomend geval, het begeleidingsteam, samengesteld vervangend en evenwaardig individueel lesprogramma dat de finaliteit van de opleiding niet aantast; per saldo blijft daardoor de studiebelasting voor de leerling dezelfde als voor de overige leerlingen uit zijn groep, vermits het totaal aantal wekelijkse uren niet wordt verminderd.

2.2.7. Afwezigheden die verband houden met het aanpassen van het lesprogramma in geval van ziekte of ongeval.

Zie in dit verband de onderrichtingen van de ministeriële omzendbrief SO/2005/05.

2.2.8. Afwezigheden die verband houden met het aanpassen van het lesprogramma in geval van specifieke onderwijsbehoeften.

Zie in dit verband de onderrichtingen van de ministeriële omzendbrief SO/2005/05.

2.2.9. Afwezigheden die verband houden met het vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van het lesprogramma omwille van uitzonderlijke artistieke of sportieve talenten van de leerling.

2.2.9.1. Sportief getalenteerde leerlingen

Het betreft de mogelijkheid om een leerling gedurende een deel of het geheel van het schooljaar vrij te stellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen (lees : vakken of vakonderdelen van om het even welk structuuronderdeel behoudens een topsportrichting, teneinde sportieve talenten verder te ontwikkelen, mits :

a) de leerling een topsportstatuut heeft voor het betrokken schooljaar;

b) gunstige beslissing van, naargelang van het tijdstip in het schooljaar, de toelatingsklassenraad of de begeleidende klassenraad;

c) akkoord van de betrokken personen.

In voorkomend geval :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) moet voorafgaandelijk :

1) de selectiecommissie binnen het topsportconvenant aan de leerling het topsportstatuut hebben toegekend in de discipline tennis, triatlon of voetbal, en

2) de betrokken unisportfederatie de context of lesgever, betrokken bij de talentontwikkeling, als voldoende kwalitatief beschouwen;

c) worden de individuele vrijstellingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd in het leerlingendossier;

d) vindt de talentontwikkeling plaats via onderricht door een schoolexterne lesgever binnen de school of in een sportieve leercontext buiten de school;

e) kan na overleg met, in voorkomend geval, de externe lesgever en met de betrokken personen, het individueel leertraject door de begeleidende klassenraad worden bijgestuurd of eventueel zelfs beëindigd indien de schoolresultaten negatief evolueren.

2.2.9.2. Artistiek getalenteerde leerlingen

Het betreft de mogelijkheid om een leerling gedurende een deel of het geheel van het schooljaar vrij te stellen van het volgen van bepaalde programmaonderdelen (lees : vakken of vakonderdelen) van om het even welk structuuronderdeel, teneinde artistieke talenten verder te ontwikkelen, mits

:

a) de leerling een topkunstenstatuut heeft voor het betrokken schooljaar;

b) gunstige beslissing van, naargelang van het tijdstip in het schooljaar, de toelatingsklassenraad of de begeleidende klassenraad;

c) akkoord van de betrokken personen.

In voorkomend geval :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) moet voorafgaandelijk een selectiecommissie aan de leerling het topkunstenstatuut A, indien de leerling opteert voor een KSO-structuuronderdeel, of het topkunstenstatuut B, indien de leerling opteert voor een ASO-, TSO- of BSO-structuuronderdeel, hebben toegekend;

c) worden de individuele vrijstellingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd in het leerlingendossier;

d) vindt de talentontwikkeling plaats :

- bij topkunstenstatuut A : via individueel onderricht binnen de school of in een artistieke leercontext buiten de school, verstrekt door een aan de school externe deskundige lesgever die eventueel fungeert in het stelsel van voordrachtgever of personeelslid is van een instelling voor hoger kunstonderwijs of deeltijds kunstonderwijs;

- bij topkunstenstatuut B : via individueel onderricht in een artistieke leercontext buiten de school, verstrekt door een aan de school externe deskundige lesgever die eventueel personeelslid is van een instelling voor hoger kunstonderwijs of deeltijds kunstonderwijs;

e) kan de leerling van de selectiecommissie bijkomend het recht hebben verkregen om een bepaald aantal halve lesdagen (met een maximum van 90) per schooljaar gewettigd afwezig te zijn op school, teneinde deel te nemen aan wedstrijden, stages, masterclasses of andere school-extramurale activiteiten die rechtstreeks aanleunen bij de artistieke discipline van de leerling.

Ter info :

a) de selectiecommissie die topkunstenstatuten toekent, wordt ingesteld gezamenlijk door de ministers, bevoegd voor onderwijs en cultuur. De commissie hanteert selectiecriteria, waaronder alleszins het talentenprofiel van de leerling en het kwalitatief niveau van de externe lesgever of van de context;

b) een schriftelijke en gemotiveerde aanvraag tot toekenning van het topkunstenstatuut wordt ingediend door de betrokken personen (en niet door de school) bij AgODi uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar. Een eventuele aanvraag moet elk jaar worden hernieuwd.

2.2.10. Afwezigheden die verband houden met het spreiden van een opleiding Se-n-Se over het dubbele van de gebruikelijke studieduur.

Se-n-Se zijn sterk kwalificatieverhogend en moeten de tewerkstellingsperspectieven bevorderen. De aantrekkingskracht ervan kan toenemen door een flexibele tijdsordening (duurtijd), waardoor opleiding en werk makkelijker combineerbaar worden.

Voor elke volledige halve lesdag afwezigheid, wordt in het aanwezigheidsregister de code "G" gebruikt. Alle documenten die betrekking hebben op de spreiding van het lesprogramma worden per leerling ter beschikking gehouden van de verificatie- en inspectiediensten.

Indien de eindbeslissing op het einde van de verdubbelde studieduur "niet-geslaagd" is, dan kan de leerling de opleiding overzitten, desgevallend opnieuw (mits akkoord van de school) op basis van het spreidingsprincipe. De spreiding kan dan concreet hetzij over de verdubbelde studieduur, hetzij over de gebruikelijke studieduur (beperkt tot die inhouden waarvoor het overzitten opportuun is).

Op het einde van de voor de opleiding "gebruikelijke" studieduur (waar de leerling zijn opleiding dus nog niet heeft voltooid) wordt een attest van regelmatige lesbijwoning uitgereikt (model: zie bijlage 10 van omzendbrief SO 64).

2.2.11. Afwezigheden die verband houden met het spreiden van een module van de opleiding verpleegkunde HBO over het dubbele van de gebruikelijke studieduur.

Deze verlenging van studieduur maakt het mogelijk om tegemoet te komen aan de specifieke opleidingsbehoeften van bepaalde doelgroepen. Op de (halve) dagen afwezigheid, kunnen voor de leerlingen andere activiteiten, bv. VDAB-begeleiding, worden voorzien.

Voor elke volledige halve lesdag afwezigheid, wordt in het aanwezigheidsregister de code "G" gebruikt. Alle documenten die betrekking hebben op de spreiding van het lesprogramma worden per leerling ter beschikking gehouden van de verificatie- en inspectiediensten.

Indien de eindbeslissing op het einde van de verdubbelde studieduur "niet-geslaagd" is, dan kan de leerling de module overzitten, desgevallend opnieuw (mits akkoord van de school) op basis van het spreidingsprincipe. De spreiding kan dan concreet hetzij over de verdubbelde studieduur, hetzij over de gebruikelijke studieduur (beperkt tot die inhouden waarvoor het overzitten opportuun is).

Op het einde van de voor de module "gebruikelijke studieduur (waar de leerling de module dus nog niet heeft voltooid) wordt een attest van regelmatige lesbijwoning uitgereikt (model: zie bijlage 10 van omzendbrief SO 64).

2.2.12. Afwezigheden die verband houden met het spreiden van een opleiding over langer dan de gebruikelijke studieduur als specifieke maatregel voor zieke leerlingen.

Zie in dit verband de onderrichtingen van de ministeriële omzendbrief SO/2005/05.

2.2.13. Afwezigheden die verband houden met revalidatie tijdens de lesuren.

De directie van een school heeft beslissingsbevoegdheid tot wettiging van de afwezigheid van een leerling omwille van revalidatie binnen of buiten de school tijdens de lesuren, uitgevoerd door schoolexterne hulpverleners die hiertoe bij de wet gemachtigd zijn; meer bepaald gaat het om een behandeling na ziekte of ongeval (situatie 1) of een behandeling van een stoornis (situatie 2). Voor beide situaties geldt de afwezigheidcode H. Het schoolbestuur van de school moet volledig onafhankelijk zijn van de behandelende persoon of van zijn bestuur.

"Bij de wet gemachtigd zijn" is een algemene omschrijving om aan te geven dat de schoolexterne hulpverleners hun therapeutische taak uitvoeren binnen een door de wet geregelde context; dit kan een hulpverleningsinstantie zijn (zoals een revalidatiecentrum bijvoorbeeld) of op basis van het statuut van zelfstandig therapeut (logopedist, kinesitherapeut ...). De schoolexterne hulpverleners moeten kunnen legitimeren dat zij hun beroep uitoefenen op een reglementaire basis. Omdat de beroepscontexten sterk kunnen verschillen zullen ook diverse reglementaire kaders in het geding zijn.

Situatie 1 : de afwezigheid omwille van revalidatie na ziekte of ongeval gedurende maximaal 150 minuten per week, verplaatsing inbegrepen. De school moet beschikken over een dossier dat tenminste de volgende elementen bevat :

1) een verklaring van de ouders waarom de revalidatie tijdens de lesuren moet plaatsvinden;

2) een medisch attest waaruit de noodzakelijkheid, de frequentie en de duur van de revalidatie blijkt;

3) een advies, geformuleerd door het CLB, na overleg met de begeleidende klassenraad en de ouders. Dat advies moet motiveren waarom revalidatie tijdens de lesuren vereist is;

4) een toestemming van de directeur voor een periode die de duur op jaarbasis van de behandeling, vermeld in het medisch attest, niet kan overschrijden.

Uitzonderlijk kunnen de 150 minuten overschreden worden, mits gunstig advies van de CLB-arts, in overleg met de begeleidende klassenraad en de ouders. Het advies moet motiveren waarom de behandeling tijdens de lesuren noodzakelijk blijft en moet aantonen dat door die afwezigheid het leerproces van de leerling niet ernstig wordt benadeeld.

Situatie 2 : de afwezigheid omwille van de behandeling van een stoornis die is vastgelegd in een officiële diagnose gedurende maximaal 150 minuten per week (voor een ION-leerling : 250 minuten per week), verplaatsing inbegrepen. Onder een officiële diagnose wordt verstaan : een op systematische wijze opgebouwd, geobjectiveerd en gedetailleerd beeld van de problematiek en de onderwijsnoden van een leerling met gebruik van wetenschappelijk verantwoorde methoden en, waar die voorhanden zijn, van vastgelegde standaarden. De school moet beschikken over een dossier dat tenminste de volgende elementen bevat :

1) een verklaring van de ouders waarom de revalidatie tijdens de lesuren moet plaatsvinden;

2) een advies, geformuleerd door het CLB in overleg met de begeleidende klassenraad en de ouders. Dat advies moet motiveren waarom de problematiek van de leerling van die aard is dat het wettelijk voorziene zorgbeleid van een school daarop geen antwoord kan geven en dat de revalidatietussenkomsten niet beschouwd kunnen worden als schoolgebonden aanbod. Onder schoolgebonden aanbod wordt verstaan : het reguliere pedagogisch-didactische aanbod voor alle leerlingen, de aanvullende zorgmaatregelen op niveau van de school of scholengemeenschap, en de schoolexterne dienstverlening door personeel of diensten, gefinancierd of gesubsidieerd door het Beleidsdomein Onderwijs en Vorming (deze omschrijving is conform de adviezen van de Commissie Zorgvuldig Bestuur);

3) een samenwerkingsovereenkomst tussen de school en de revalidatieverstrekker over de manier waarop de revalidatie het onderwijs voor de leerling in kwestie zal aanvullen en de manier waarop de informatie-uitwisseling zal verlopen. De revalidatieverstrekker bezorgt op het einde van elk schooljaar een evaluatieverslag aan de directie van de school en van het CLB, met inachtneming van de privacywetgeving waaraan hij onderworpen is;

4) een toestemming van de directeur, die in voorkomend geval niet schooljaaroverschrijdend is doch jaarlijks moet vernieuwd en gemotiveerd worden, rekening houdend met het evaluatieverslag vermeld in punt 3).

De verzekering van de leerlingen die tijdens de lesuren revalidatie krijgen buiten de school, wordt tijdens de revalidatie en tijdens de verplaatsingen gedekt door de revalidatieverstrekker. De begeleiding van de leerling tijdens de verplaatsingen vallen niet ten laste van de school.

3. Problematische afwezigheden.

3.1. Beleid.

Problematische afwezigheden zijn afwezigheden die niet - al dan niet van rechtswege - gewettigd zijn.

Binnen het stelsel van leren en werken gaat het om problematische afwezigheden zowel binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de persoonlijke ontwikkelingstrajecten als binnen de voortrajecten, de brugprojecten en de arbeidsdeelname; dit betekent dat de problematische afwezigheden binnen de component leren en de problematische afwezigheden binnen de component werkplekleren worden getotaliseerd.

Het beleid inzake problematische afwezigheden is gericht op een aanpak van open communicatie over alle afwezigheden.

De school blijft in eerste instantie verantwoordelijk voor het opvolgen van de afwezigheden en het begeleiden van de leerlingen zelf. Ze moet echter samenwerken met het CLB dat de nodige expertise heeft om op het vlak van problematische afwezigheden de school te ondersteunen bij haar preventie, begeleiding en remediëring. Ook kan het CLB als draaischijf fungeren naar de welzijnssector toe. Vaak gaat het immers over problemen die wijzen op een afwezigheid die het gevolg is van een complex gegeven van familiale, sociale, psychische, socio-emotionele en andere factoren.

Het vlug en strikt opvolgen van afwezigheden is relevant voor het preventief aanpakken van deze problematiek. Daarom is het belangrijk dat de school :

- er oog voor heeft dat een mogelijke opeenstapeling van allerlei afwezigheden kan wijzen op een onderliggende problematiek. Van elke geregistreerde afwezigheid moet de exacte reden gekend zijn;

- reeds bij de eerste registratie van een dergelijke afwezigheid in communicatie treedt (via bv. een gesprek, huisbezoek of nota in de klasagenda)met de betrokken leerling (en/of de ouders).

De als problematisch geregistreerde afwezigheid van een leerling wordt als gewettigd beschouwd als de school aan volgende voorwaarden voldoet:

1° begeleidende maatregelen nemen, ongeacht het aantal halve dagen problematische afwezigheid dat de leerling opbouwt;

2° een dossier van die begeleidende maatregelen bijhouden, eventueel als onderdeel van het leerlingendossier;

3° vanaf vijf al dan niet gespreide halve lesdagen problematische afwezigheid per schooljaar:

a) die afwezigheden signaleren aan het CLB;

b) samen met het CLB beslissen of het onmiddellijk opstarten van een CLB-begeleidingstraject noodzakelijk is;

c) extra begeleidende maatregelen nemen na advies van het CLB.

Het belang van zorgvuldige registratie heeft geleid tot de invoering van specifieke codes voor problematische afwezigheden, die in volgende gevallen worden gebruikt :

- code B : bij afwezigheden binnen het voltijds secundair onderwijs, deeltijds beroepssecundair onderwijs of persoonlijke ontwikkelingstrajecten, die niet verantwoord kunnen worden of die, hoewel ze in beginsel gewettigd zijn, in vraag gesteld worden (bv. bij twijfelachtige medische attesten);

- code F : bij afwezigheden in een beschikbaar voortraject, brugproject of arbeidsdeelname binnen de component werkplekleren die met deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt gecombineerd;

- code K : bij niet-invulling van de component werkplekleren (die met deeltijds beroepssecundair onderwijs moet worden gecombineerd) omwille van manifeste onwil of tegenwerking van de leerling of zijn ouders.

Problematische afwezigheden zijn dus de optelsom van de codes B, F en K.

Ongeacht het aantal problematische afwezigheden wordt van de scholen verwacht dat ze, in samenwerking met het betrokken CLB, zich engageren om gedurende het gehele schooljaar leerlingen intensief te begeleiden.

3.2. Zorgwekkende dossiers.

Problematische afwezigheden kunnen een zorgwekkend karakter krijgen. Ongeacht het feit of hier van manifeste onwil of zelfs tegenwerking van de betrokken personen sprake is, zal blijken dat alle begeleidingsinspanningen van de school tevergeefs zijn. Dergelijke gevallen komen neer op een ondubbelzinnige schending van de leerplicht.

Indien het een jongere betreft die nog tenminste één schooljaar leerplichtig is, dan kan de school - indien ze het opportuun acht - het dossier overmaken aan AgODi. Dit gebeurt aan de hand van het formulier in bijlage 1. De overheid zal dan in functie van de omstandigheden die maatregelen nemen die zich opdringen.

Indien zich tot slot een dergelijke zeer problematische afwezigheid voordoet, ondanks alle begeleidingspogingen, of indien de leerling zelfs spoorloos is, dan kan de betrokken school ook steeds beslissen om tot uitschrijving van de leerling over te gaan. Het is immers zinloos om tijd en energie te blijven steken in een zaak die, over relatief langere tijd bekeken, geen kentering ten gunste vertoont. De school, die weliswaar terzake over beslissingsbevoegdheid beschikt, zal er zorg voor dragen dat hierover duidelijke informatie bij voorkeur in het schoolreglement is opgenomen en dat deze optie slechts in exceptionele gevallen wordt aangegrepen. Indien de leerling tijdens het schooljaar alsnog naar school terugkeert, dan zal een mogelijke herinschrijving als regelmatig leerling via de regeling "erkenning van gewettigde afwezigheid" gebeuren.

4. Meldingen.

4.1. Opvolging van de in- en uitschrijvingen.

Alle in- en uitschrijvingen in de loop van het schooljaar worden aan AgODi gemeld via DISCIMUS. Meer informatie hierover is te vinden in de omzendbrief NO/2012/01.

Het is de verantwoordelijkheid van de school die een leerling inschrijft om onmiddellijk het leerlingendossier op te vragen aan de uitschrijvende school. Indien AgODi, een melding van uitschrijving ontvangen heeft waarop binnen de 14 dagen geen melding van inschrijving volgt, zal ze bij de uitschrijvende school informeren of het dossier door een andere school werd opgevraagd. Als dat inderdaad zo is, zal laatstgenoemde school verzocht worden onmiddellijk de inschrijvingsgegevens op te sturen. Indien het dossier niet werd opgevraagd, zal AgODi de ouders aanschrijven.

4.2. Afwezigheden ingevolge definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel.

Soms raakt een leerling die in de loop van het schooljaar definitief uitgesloten wordt om de een of andere reden niet in een andere school of een ander centrum ingeschreven. Zeker als deze leerling tijdens de uitsluiting niet op school wordt opgevangen, wordt na verloop het recht op onderwijs van de leerling geschonden. De overheid wil deze problematiek in kaart brengen en in individuele gevallen gepast reageren. Het is dan ook verplicht om elke leerling die definitief uitgesloten wordt onmiddellijk te melden aan AGODI in Discimus.

Een leerling die niet meer leerplichtig is en tijdens het schooljaar definitief wordt uitgesloten, kan uitgeschreven worden vanaf de 10e lesdag volgend op de dag dat de definitieve uitsluiting ingaat.

4.3. Afwezigheden.

De school en het CLB regelen onderling hoe ze zich op de hoogte stellen van in- en uitschrijvingen van leerlingen en van leerlingen met problematische afwezigheden.

Alle afwezigheden in de loop van het schooljaar worden aan AgODi gemeld via DISCIMUS. Meer informatie hierover is te vinden in de omzendbrief NO/2012/01. Ten gevolge hiervan moet er geen elektronische zending via WebEDISON meer gebeuren wanneer een leerling 30 al dan niet gespreide halve dagen problematisch afwezig is.

Deze meldingen zijn niet bedoeld om over de betrokken leerlingen een beslissing inzake al dan niet regelmatigheid te nemen. De melding strekt er daarentegen wel toe om :

- fenomenen met betrekking tot afwezigheden in kaart te brengen;

- zonodig aanvullende beleidsmaatregelen te nemen;

- de repercussies op de schooltoelagen (zie punt 5) te bepalen.

Aan meldingen is het aspect "bescherming van de persoonlijke levenssfeer" gekoppeld. Daarom zal de school de betrokken personen op de hoogte stellen van de meldingen aan AgODi. Bovendien hebben de betrokken personen desgewenst, conform de bepalingen inzake openbaarheid van bestuur, het recht op inzage en verbetering van die leerlinggegevens die met de morele en/of fysieke integriteit te maken hebben.

De begeleidingsfiche en de registratiefiche blijven in het leerlingendossier in de school ter inzage van de verificatie.

Via DISCIMUS zal de school informatie over de afwezigheden van haar eigen leerlingen kunnen opvragen (zie omzendbrief NO/2012/01).

5. Koppeling aan schooltoelagen.

Naast financiële en opleidingsvoorwaarden, wordt de schooltoelage ook afhankelijk gesteld van de participatie op school. Dit is één van de beleidsmaatregelen gericht op spijbelpreventie. Opdat de administratie het voldoen aan deze voorwaarden kan vaststellen, is het noodzakelijk dat elke school tijdig en correct de meldingen van in- en uitschrijvingen respectievelijk van afwezigheden overmaakt aan AgODi en aan de nieuwe school in geval van schoolverandering, zoals hoger vermeld. De voorwaarden inzake participatie op school om recht te hebben op een schooltoelage zijn de volgende :

1° op de laatste schooldag van juni ingeschreven zijn in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school; de leerling die hieraan niet of niet langer voldoet, zal zijn schooltoelage moeten terugbetalen; (er zal onderzocht worden op welke wijze deze maatregel wordt vertaald naar opleidingen Se-n-Se en verpleegkunde HBO die, in voorkomend geval, slechts lopen tot het einde van het eerste semester van het schooljaar)

2° geen overmatig aantal dagen problematisch afwezig zijn geweest; de leerling die, ondanks begeleidingsmaatregelen van de school en het CLB en ondanks verwittigingen van de overheid, gedurende twee opeenvolgende schooljaren 30 of meer halve dagen problematisch afwezig is geweest, zal zijn schooltoelage (van het tweede schooljaar) moeten terugbetalen;

3° na uitschrijving in de loop van het schooljaar binnen de 15 kalenderdagen in een andere school ingeschreven zijn; een leerling die hieraan niet voldoet, zal zijn schooltoelage moeten terugbetalen.