Structuur en organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs

  • referentie
    SO/2011/03/BuSO
  • publicatiedatum
    15/08/2011
  • datum laatste wijziging
    29/06/2018
  • wettelijke basis
    Codex Secundair Onderwijs art. 291 t.e.m. 295 en art. 333 t.e.m. 336.
  • wettelijke basis
    Koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs.
  • wettelijke basis
    Ministerieel besluit van 19 september 1978 tot omschrijving van de inhoud en de bestemmelingen van het inschrijvingsverslag voorzien bij artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs.
  • wettelijke basis
    Ministerieel besluit van 15 april 1980 vaststelling van het model van attest voor buitengewoon secundair onderwijs tot sociale aanpassing zoals bepaald bij artikel 31 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs.
  • wettelijke basis
    Ministerieel besluit van 15 april 1980 houdende vaststelling van het model van attest voor het buitengewoon secundair onderwijs tot sociale aanpassing en arbeidsgeschiktmaking zoals bepaald bij artikel 35 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs.
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse regering van 19 april 2002 tot vaststelling van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3.
  • wettelijke basis
    Decreet van 19 juli 2002 tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3.
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3.
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs.
  • wettelijke basis
    Decreet van 27 mei 2011 aangaande de bekrachtiging van de bepalingen betreffende het secundair onderwijs, gecodificeerd op 17 december 2010.
  • opheffing
    SOZ(82)1(BuSO)
  • opheffing
    13CA/vdp/970515
  • opheffing
    CA 13/VDP/Bu.S.O.
  • opheffing
    SO/2002/08/BuSO
  • opheffing
    SO/2002/10/buso
  • opheffing
    Best. BaO; Directie BuO (01/09/1982)
  • opheffing
    Best. BaO; Directie BuO (27/08/1982)
  • contactpersoon
    Liesbeth Velghe, 02/553.97.83
  • contactpersoon
    Kristel De Plecker, 02/553.02.38

Volgende wijzigingen werden aangebracht in het M-decreet en gelden vanaf het schooljaar 2018-2019:

- Wijzigingen aan de definitie van het type 2;

- Wijzigingen m.b.t. de evaluatie van de inschrijving van een leerling in het type basisaanbod na de opleidingsfase;

- De uitzondering dat een CLB een voorlopig verslag type 3 kan opmaken voor die leerlingen waarvoor het handelingsgericht diagnostisch is afgerond met een vermoeden van een emotionele of gedragsstoornis en voor wie een aanbod in type 3 nodig is, maar waar een extern bekomen classificerende diagnose ontbreekt. Aan alle andere voorwaarden van de opmaak van een verslag, zowel inhoudelijk als procedureel (overleg tussen CLB, school en ouders) moet voldaan zijn;

- 5de uitzonderingsmogelijkheid voor een attestwijziging tijdens het schooljaar.

1. Inleiding.

Deze omzendbrief geeft toelichting over de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs.

Met "betrokken personen" en "ouders" wordt binnen de context van deze omzendbrief bedoeld de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerplichtige onder hun bewaring hebben of de meerderjarige leerling zelf.

Hoewel buitengewoon secundair onderwijs leerplichtonderwijs is, bestaat de leerlingenpopulatie dus ook uit meerderjarigen. Hier is de algemene norm van toepassing dat alle contacten, mededelingen, overeenkomsten, … rechtstreeks tussen de onderwijsverstrekker en de meerderjarige leerling verlopen. Slechts mits akkoord van de meerderjarige leerling mag en moet de school ook de ouders op de hoogte brengen van de studievoortgang van die leerling.

2. Structuur en organisatie van de 4 opleidingsvormen.

De structuur van het buitengewoon secundair onderwijs bestaat uit 4 opleidingsvormen. Elke opleidingsvorm streeft welbepaalde doelstellingen na.

2.1. Opleidingsvorm 1.

De doelstelling van opleidingsvorm 1 is het maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is en in voorkomend geval arbeidsdeelname in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is.

Opleidingsvorm 1 kan georganiseerd worden voor de types 2, 3, 4, 6, 7 en 9.

Deze opleidingsvorm geeft een algemene sociale vorming gericht op maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is en in voorkomend geval op arbeidsdeelname in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is.

Met "arbeidsdeelname" wordt bedoeld: het uitvoeren van maatschappijrelevante activiteiten met productief of dienstverlenend en niet-vrijblijvend karakter.

2.2. Opleidingsvorm 2.

De doelstelling van opleidingsvorm 2 is maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is en tewerkstelling in een werkomgeving waar in ondersteuning voorzien is.

Opleidingsvorm 2 kan georganiseerd worden voor de types 2, 3, 4, 6 , 7 en 9.

Deze opleidingsvorm geeft een algemene en sociale vorming en een arbeidstraining gericht op maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is en op tewerkstelling in een werkomgeving waar in ondersteuning voorzien is.

Met "tewerkstelling in een werkomgeving waar ondersteuning is voorzien" wordt bedoeld: het verrichten van betaalde arbeid in een werkomgeving die afgestemd is op de capaciteiten, beperkingen, de arbeid-gerelateerde wensen en ontwikkelingsmogelijkheden van personen met een arbeidshandicap.

2.3. Opleidingsvorm 3.

De doelstelling van opleidingsvorm 3 is maatschappelijk functioneren en participeren en op tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu.

Opleidingsvorm 3 kan georganiseerd worden voor het type basisaanbod en de types 3, 4, 6, 7 en 9. In opleidingsvorm 3 worden verschillende opleidingen georganiseerd.

Deze opleidingsvorm geeft een algemene, sociale en beroepsgerichte vorming gericht op maatschappelijk functioneren en participeren en op tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu.

Met "tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu" wordt bedoeld: het verrichten van betaalde arbeid in een gewone werkomgeving.

2.4. Opleidingsvorm 4.

De doelstelling van opleidingsvorm 4 is maatschappelijk functioneren en participeren, al dan niet in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, en aanvatten van vervolgonderwijs of tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu, al dan niet met ondersteuning.

Opleidingsvorm 4 kan georganiseerd worden voor de types 3, 4, 5, 6, 7 en 9. In opleidingsvorm 4 worden verschillende studierichtingen georganiseerd, die overeenkomen met de studierichtingen uit het gewoon voltijds secundair onderwijs.

Het buitengewoon secundair onderwijs in de 4 opleidingsvormen wordt verstrekt naar rata van tweeëndertig tot zesendertig lesuren van vijftig minuten per week, gespreid over negen halve dagen.

2.5. Types in het buitengewoon secundair onderwijs.

In elke opleidingsvorm kan de school leerlingen uit verschillende types samenbrengen. Er zijn acht types.

2.5.1. Type basisaanbod.

Het type basisaanbod richt zicht tot jongeren voor wie de onderwijsbehoeften dermate zijn en aantoonbaar blijkt dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn om de leerling te kunnen blijven meenemen binnen een gemeenschappelijk curriculum in een school voor gewoon onderwijs.

2.5.2. Type 2.

Het type 2 richt zicht tot jongeren met een verstandelijke beperking.

Jongeren met een verstandelijke beperking voldoen aan alle onderstaande criteria:

a) ze hebben significante beperkingen in het intellectueel functioneren, wat op basis van een psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een totaal intelligentiequotiënt op een gestandaardiseerde en genormeerde intelligentietest dat twee of meer standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdsgenoten rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;

b) ze hebben significante beperkingen in het adaptief gedrag, wat op basis van psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een uitslag op een gestandaardiseerde en genormeerde schaal voor adaptief gedrag, die twee of meer standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdgenoten, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;

c) de functioneringsproblemen zijn ontstaan vóór de leeftijd van 18 jaar;

d) het besluit "verstandelijke beperking" wordt genomen na een periode van procesdiagnostiek.

2.5.3. Type 3.

Het type 3 richt zich tot jongeren met een emotionele of gedragsstoornis, die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in type 2.

Jongeren met een emotionele of gedragsstoornis zijn jongeren bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld:

a) een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit;

b) een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis;

c) de gedragsstoornis in enge zin, "conduct disorder";

d) een angststoornis;

e) een stemmingsstoornis;

f) een hechtingsstoornis.

2.5.4. Type 4.

Het type 4 richt zich tot jongeren met een motorische beperking.

Jongeren met een motorische beperking zijn jongeren bij wie op basis van specifieke medische diagnostiek, een uitval wordt vastgesteld in de neuromusculoskeletale en beweginggerelateerde functies, meer bepaald:

a) de functies van gewrichten en beenderen;

b) de spierfuncties, meer bepaald de spierkracht, de tonus en het uithoudingsvermogen, met gedeeltelijke of volledige uitval van: 1) een van de of beide bovenste of onderste ledematen; 2) de linkerzijde, de rechterzijde of beide zijden; 3) de romp; 4) overige;

c) de bewegingsfuncties;

d) een door medische diagnostiek geobjectiveerde problematiek met weerslag op het beweginggerelateerd functioneren die niet terug te brengen is tot criterium a) tot en met c) maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten.

2.5.5. Type 5.

Het type 5 richt zich tot jongeren die opgenomen zijn in een universitair ziekenhuis, een residentiele setting of verblijven in een preventorium.

2.5.6. Type 6.

Het type 6 richt zich tot jongeren met een visuele beperking.

Jongeren met een visuele beperking zijn jongeren bij wie op basis van specifieke oogheelkundige diagnostiek een gezichtsstoornis werd vastgesteld die beantwoordt aan minstens een van de volgende criteria:

a) een optimaal gecorrigeerde gezichtsscherpte die kleiner dan of gelijk aan 3/10 voor het beste oog is;

b) een of meer gezichtsvelddefecten die meer dan 50% van de centrale zone van 30° beslaan of die het gezichtsveld concentrisch tot minder dan 20° verkleinen;

c) een volledige altitudinale hemianopsie, een oftalmoplegie, een oculomotorische apraxie of een oscillopsie. Onder altitudinale hemianopsie wordt verstaan: halfzijdige blindheid of blindheid in de helft van het gezichtsveld met verschillende varianten die door hersenbeschadiging veroorzaakt is. Onder oculomotorische apraxie wordt verstaan: het niet kunnen fixeren van de ogen op één voorwerp en het niet kunnen volgen van bewegende voorwerpen. Onder oftalmoplegie wordt verstaan: verlamming van de oogspieren. Onder oscillopsie wordt verstaan: subjectieve instabiliteit van het gezichtsveld of het symptoom waarbij het beeld dat iemand van de omgeving heeft, beweegt zodra het hoofd wordt bewogen;

d) een ernstige gezichtsstoornis die uit een geobjectiveerde cerebrale pathologie voortvloeit, zoals cerebrale visuele inperking;

e) een door een oogarts geobjectiveerde visuele problematiek die niet tot criterium a) tot en met d) terug te brengen is, maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten.

2.5.7. Type 7.

Het type 7 richt zich tot jongeren met een auditieve beperking of een spraak- of taalstoornis.

Jongeren met een auditieve beperking zijn jongeren die, op basis van een audiologisch onderzoek door een neus-, keel- en oorarts, beantwoorden aan een van de onderstaande criteria:

a) volgens de Fletcher-index een gemiddeld gehoorverlies hebben voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz van 40 dB of meer voor het beste oor zonder correctie;

b) als de Fletcher-index minder dan 40 dB bedraagt: een foneemscore van 80% of minder hebben bij de spraakaudiometrie met woorden met een medeklinker-klinker- medeklinker-samenstelling bij 70 dB geluidsterkte;

c) een door een neus-, keel- en oorarts geobjectiveerde auditieve problematiek hebben die niet terug te brengen is tot criterium a) of b), maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten.

Jongeren met een spraak- of taalstoornis zijn jongeren zonder een verstandelijke beperking, zoals in type 2, waarvoor, op basis van een multidisciplinair onderzoek door een erkend gespecialiseerd team, met minstens een logopedist, audioloog en neus-, keel- en oorarts, een diagnose ontwikkelingsdysfasie of kinderafasie wordt vastgesteld.

2.5.8. Type 9.

Het type 9 richt zich tot jongeren met een autismespectrumstoornis, die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in type 2.

Jongeren met een autismespectrumstoornis zijn jongeren bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld:

a) de autistische stoornis;

b) een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet-anders-omschreven.

3. Algemene toelatingsvoorwaarden, leeftijdsvoorwaarden en specifieke voorwaarden voor leerlingen uit het buitenland.

3.1. Algemene toelatingsvoorwaarden.

3.1.1. Het verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs.

Een regelmatige leerling van het buitengewoon secundair onderwijs is een leerling die voldoet aan alle toelatingsvoorwaarden en die het leerprogramma dat door de klassenraad voor de leerling individueel bepaald is werkelijk en regelmatig volgt, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.

Vanaf 1/1/2015 is voor inschrijvingen in het buitengewoon secundair onderwijs voor het schooljaar 2015-2016 en de schooljaren nadien een verslagvoor toegang tot het buitengewoon onderwijs, verder in deze tekst “verslag” genoemd, vereist.

Voor leerlingen die tijdens het schooljaar 2014-2015 of daarvoor ingeschreven waren in een school voor buitengewoon onderwijs met een oud inschrijvingsverslag moet er een verslag worden opgesteld in volgende gevallen:

- Bij de overstap van (buitengewoon) basisonderwijs naar het buitengewoon secundair onderwijs

- Bij verandering van type en/of opleidingsvorm

- Bij de overstap van het gewoon naar het buitengewoon onderwijs

- Bij de overstap van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs (in geval de leerling er een individueel aangepast curriculum zal volgen)

Daarnaast moet steeds een verslag opgesteld worden voor leerlingen die eerder met GON/ondersteuning in het kader van het ondersteuningsmodel het gewoon onderwijs volgden - met een oud inschrijvingsverslag of met een gemotiveerd verslag - en die de overstap zullen maken naar het buitengewoon onderwijs. Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag, dat werd opgemaakt in het kader van de vroegere GON-regeling, wordt het opmaken van een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs niet beschouwd als een attestwijziging. Het verslag kan bijgevolg onmiddellijke ingang hebben.

Het verslag bestaat uit een attest en een protocol ter verantwoording.

3.1.2. Het attest.

In het attest is opgenomen:

1° de identificatiegegevens van de leerling: voornaam, achternaam, geboortedatum en adres,

2° de identificatiegegevens van de ouders: voornaam, achternaam en adres

3° de identificatiegegevens van het een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) dat het attest bij de eerste attestering heeft afgeleverd: naam, adres en instellingsnummer, en voor- en achternaam van de directeur;

4° het type en de opleidingsvorm voor buitengewoon secundair onderwijs bij de eerste attestering (dit kan ook een type zijn van buitengewoon basisonderwijs), met vermelding van de datum van de ondertekening van het attest, de ingangsdatum van het attest en de handtekening van de directeur van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB);

5° het type en de opleidingsvorm voor buitengewoon secundair onderwijs, bij elk van de daaropvolgende attestwijziging, telkens met de vermelding van:

- De identificatiegegeven van het een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB), indien dat een ander CLB is dan hetgeen vermeld is in 3°;

- De datum van ondertekening van de attestwijziging;

- De ingangsdatum van de attestwijziging (die alleen betrekking kan hebben op het daaropvolgende schooljaar en niet op een datum tijdens het lopende schooljaar. Bij wijze van uitzondering is een attestwijziging met ingangsdatum in de loop van het schooljaar wel mogelijk als de attestwijziging wordt doorgevoerd om één van de hieronder vermelde redenen en nadat een handelingsgericht diagnostisch traject is doorlopen:

1) een verhuizing van woonplaats van de leerling, die gepaard gaat met het vinden van een meer passend onderwijsaanbod;

2) een schoolverandering op initiatief van de ouders, waarbij een overschakeling naar het type basisaanbod of type 9, dit laatste eventueel met inbegrip van een overschakeling naar een andere opleidingsvorm, nodig is;

3) na een verblijf in een residentiële setting om medische of psychiatrische redenen of door een plaatsing, waarbij de onderwijsbehoeften zo gewijzigd zijn dat het CLB-team in afstemming met alle partners bepaalt dat een wijziging van type of opleidingsvorm noodzakelijk is;

4) de noodzaak aan opname in een residentiële setting (Multifunctionele Centra (MFC), de internaten bij de scholen van het buitengewoon onderwijs van het GO!, de internaten met permanente openstelling (IPO)),of door een plaatsing, waarbij de onderwijsbehoeften zo gewijzigd zijn dat het CLB-team in afstemming met alle partners bepaalt dat een wijziging van type of opleidingsvorm of onderwijsniveau noodzakelijk is;

5) de overgang van een leerling met een verlengd verblijf in het buitengewoon basisonderwijs naar een school voor buitengewoon secundair onderwijs die bij de start van het schooljaar volzet was maar intussen een vrije plaats voor inschrijving heeft.

- De handtekening van de directeur van het een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB).

6° de extern bekomen classificerende diagnose (door vermelding van het opsommingsnummer of -letter van het desbetreffende criterium of criteria in artikel 259, §1, 3°, 4°, 6°, 7° of 8°) in geval van een attest voor type 3, 4, 6, 7 of 9.

Voorlopig verslag type 3

In uitzonderlijke situaties van ernstige gedrags- of emotionele problemen kan er dringend nood zijn aan een gepast aanbod in buitengewoon onderwijs type 3, maar staat het nog niet beschikbaar zijn van een psychiatrische diagnose die overgang in de weg.

Een voorlopig verslag type 3 is bedoeld voor leerlingen in het gewoon onderwijs voor wie het handelingsgericht diagnostisch traject is afgerond met een vermoeden van een emotionele of gedragsstoornis en voor wie een aanbod in type 3 nodig is, maar waar een extern bekomen classificerende diagnose ontbreekt (cf. punt 6°). Voorlopig, omdat de diagnose van de gedrags- of emotionele stoornis nog niet is gesteld. Aan alle andere voorwaarden van de opmaak van een verslag, zowel inhoudelijk als procedureel (overleg tussen CLB, school en ouders) moet voldaan zijn.

Een voorlopig verslag, dat steeds in consensus tussen alle partijen wordt opgemaakt, kan voor een leerling gedurende zijn of haar schoolloopbaan slechts eenmalig opgemaakt worden en leidt tot een inschrijving in een school voor buitengewoon onderwijs type 3. Wanneer de psychiatrische diagnose nog niet beschikbaar is bij de start van het daaropvolgende schooljaar, kan het CLB het voorlopig verslag maximaal één schooljaar verlengen.

Wanneer het extern diagnostisch traject leidt tot een psychiatrische diagnose van een emotionele of gedragsstoornis, wordt het voorlopig verslag opgeheven en wordt er een verslag type 3 opgesteld dat voldoet aan alle voorwaarden van een verslag type 3.

Wanneer het extern diagnostisch traject niet leidt tot een psychiatrische diagnose van een emotionele of gedragsstoornis, wordt het voorlopig verslag opgeheven. Tenzij de ouders de leerling al inschrijven in een school voor gewoon onderwijs, heeft de leerling het recht om in de school type 3 ingeschreven te blijven tot het einde van het lopende schooljaar.

Een voorlopig verslag dient bijgevolg enkel om ouders in de mogelijkheid te stellen om een inschrijving te bekomen in een school voor buitengewoon onderwijs type 3. Een voorlopig verslag heeft geen impact op inschrijvingsrechtof recht op ondersteuning in scholen voor gewoon onderwijs. Het concept voorlopig verslag is nergens opgenomen in de bepalingen omtrent het inschrijvingsrecht in het gewoon onderwijs, enkel voor een toegang tot buitengewoon onderwijs type 3. Een voorlopig verslag kan dan ook enkel dienen voor een inschrijving in een school voor buitengewoon onderwijs type 3 en genereert geen rechten of plichten voor gewoon onderwijs om:

- een afweging te maken van de redelijkheid van de aanpassingen n.a.v. wijzigende noden om vervolgens, na het afleveren van het voorlopig verslag, de inschrijving met het oog op het volgende schooljaar te ontbinden. Dit wil zeggen dat als ouders geen overstap naar buitengewoon onderwijs wensen te maken met het voorlopig verslag, de leerling niet uit de huidige gewone school uitgeschreven kan worden;

- de leerling een individueel aangepast curriculum te laten volgen;

- bij de inschrijving in een andere school voor gewoon onderwijs de inschrijving te behandelen als een inschrijving onder ontbindende voorwaarde met een afweging van de redelijkheid van aanpassingen. De leerling heeft m.a.w. een onverkort recht op inschrijving wanneer hij/zij zich aandient in een andere gewone school.

Indien het handelingsgericht diagnostisch traject leidt tot een diagnose, heft het CLB het voorlopig verslag op en maakt een verslag op. Indien het handelingsgericht diagnostisch traject niet leidt tot een diagnose, heft het CLB het voorlopig verslag op. De leerling behoudt in dat geval wel het recht om in de school type 3 ingeschreven te blijven tot het einde van het schooljaar. Uiteraard kunnen de ouders en de leerling ook beslissen zich in te schrijven in een school voor gewoon onderwijs.

3.1.3. Het protocol.

In het protocol is opgenomen:

Voor een inschrijving in opleidingsvorm 1, 2 of 3:

a) dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;

b) dat met toepassing van de principes van handelingsgericht werken de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen een gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;

c) dat de onderwijsbehoeften van de leerling werden omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap;

d) dat de onderwijsbehoeften van de leerling niet louter toe te schrijven zijn aan een gelijkekansenindicator van de leerling;

e) welk type en welke opleidingsvorm voor de leerling van toepassing is.

Voor een inschrijving in opleidingsvorm 4, met uitzondering van type 5:

a) dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;

b) dat met toepassing van de principes van handelingsgericht werken de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, die nodig zijn om de leerling binnen een gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen binnen de context van een gewone school disproportioneel zijn;

c) dat de inzet van paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch of orthopedagogisch personeel in een gespecialiseerde onderwijsomgeving noodzakelijk is om de onderwijsdoelen te bereiken;

d) dat de onderwijsbehoeften van de leerling werden omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap;

e) dat de onderwijsbehoeften van de leerling niet louter toe te schrijven zijn aan een gelijkekansenindicator van de leerling;

f) welk type voor de leerling van toepassing is.

3° voor een leerling die overgaat van het buitengewoon basisonderwijs naar het buitengewoon secundair onderwijs of die voor het eerst naar school gaat en wil starten in het buitengewoon secundair onderwijs moet in afwijking van 1°, a) en b), en 2°, a) en b), worden aangetoond dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum in een school voor gewoon onderwijs.

Een leerling kan alleen buitengewoon secundair onderwijs volgen van de opleidingsvorm en van het type waarnaar hij in het verslag georiënteerd wordt.

Het verslag wordt bezorgd aan de ouders. Voor de types 3, 4, 6, 7 en 9 is er daarenboven een medisch (voor type 4, 6 en 7) of multidisciplinair (voor type 3 en 9) onderzoek nodig uitgevoerd door een arts-specialist.

In geval van een effectieve inschrijving in een school voor buitengewoon onderwijs is het verslag bestemd voor de directeur van de onderwijsinstelling, ter staving van de inschrijving en wordt het toegevoegd aan het leerlingendossier op school. Als de leerling de school voor buitengewoon onderwijs verlaat, wordt het verslag aan de ouders terugbezorgd.

3.1.4. Het verslag op het moment van de inschrijving.

Voor een inschrijving in een school voor buitengewoon onderwijs is het hebben van een verslag een toelatingsvoorwaarde.

Voor de schooljaren 2015-2016, 2016-2017, 2017-2018 en 2018-2019 geldt de overgangsmaatregel dat voor nieuwe inschrijvingen de leerling bij de inschrijving nog niet over het verslag moet beschikken. Het volstaat om bij de inschrijving een voorlopig document van het CLB voor te leggen waaruit blijkt dat het handelingsgericht diagnostische proces is doorlopen, maar dat het verslag nog niet is kunnen gefinaliseerd worden. Het eigenlijke verslag moet er ten laatste zijn op het moment van effectieve lesbijwoning.

3.1.5. Evaluatie verslag type basisaanbod na de opleidingsfase of opheffing van het verslag opleidingsvorm 3, type basisaanbod na de opleidingsfase.

Op het einde van de opleidingsfase wordt een inschrijving in het type basisaanbod buitengewoon onderwijs geëvalueerd door de klassenraad en het CLB. Deze evaluatie kent twee mogelijke uitkomsten . Het CLB informeert de ouders en de leerling op een actieve wijze over de mogelijkheden die zich dan aandienen.

Mogelijkheid 1 :

1) De klassenraad en het CLB beslissen op basis van de evaluatie, en in overleg met de ouders dat de aanpassingen (waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen) proportioneel zijn om de leerling een gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs ;

2) De school voor buitengewoon onderwijs en het CLB ondersteunen de ouders bij het vinden van een school voor gewoon onderwijs waar de leerling kan worden ingeschreven;

3) De betrokken scholen, de CLB’s en de ouders maken afspraken met het oog op een vlotte overgang van de leerling van de school voor buitengewoon onderwijs naar de school voor gewoon onderwijs en met het oog op de eventuele ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel (zie omzendbrief NO/2017/02 );

4) Het CLB heft - naargelang de situatie - het verslag op, maakt een gemotiveerd verslag op of past het bestaande verslag aan op basis van de reële noden van de leerling;

5) De leerling ontvangt een studieadvies van de klassenraad van de school voor buitengewoon secundair onderwijs.

Mogelijkheid 2 :

1) De klassenraad en het CLB beslissen op basis van de evaluatie, en in overleg met de ouders, dat de aanpassingen (waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen) disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling een gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs;

2) Het CLB motiveert deze beslissing in het verslag;

3) De inschrijving in de school voor buitengewoon onderwijs wordt verlengd .

3.1.6. Opheffen van het verslag.

Wanneer niet meer voldaan is aan de voorwaarden van een verslag, heft het CLB het verslag op. Het gaat over de voorwaarden waarbij een leerling met redelijke aanpassingen opnieuw binnen het gemeenschappelijk curriculum meegenomen kan worden of dat de onderwijsbehoeften niet meer van die aard zijn dat een verslag vereist blijft en de gewone school via maatregelen in basiszorg, verhoogde zorg of uitbreiding van zorg de ondersteuning aan de leerling kan geven.

Bij opheffing van het verslag kan een leerling niet langer ingeschreven worden als regelmatige leerling in het buitengewoon onderwijs.

Wanneer een leerling die in het buitengewoon onderwijs is ingeschreven, overgaat naar het gewoon onderwijs met ondersteuning in het kader van het ondersteuningsmodel en dus een gemotiveerd verslag krijgt, vervalt het verslag buitengewoon onderwijs automatisch.

3.1.7. Attest type 5.

Voor leerlingen die onderwijs van het type 5 volgen is een attest nodig dat afgeleverd wordt door behandelende arts van de medische of psychiatrische voorziening, van het preventorium.

Het attest voor toelating tot buitengewoon onderwijs type 5 bevat de volgende elementen:

1° de identificatiegegevens van de leerling: voornaam, achternaam, geboortedatum, adres;

2° de identificatiegegevens van de ouders: voornaam, achternaam en adres;

3° de identificatiegegevens van de school voor gewoon of buitengewoon onderwijs waar de leerling ingeschreven is: naam, adres en instellingsnummer, met inbegrip van het studieaanbod dat de leerling er volgt;

4° de identificatiegegevens van de voorziening waar onderwijs van type 5 aangeboden wordt: naam, adres en instellingsnummer, en voor- en achternaam van de behandelende arts van de medische of psychiatrische voorziening, van het preventorium of van de directeur van de residentiële setting;

5° de datum van de ondertekening van het attest, de ingangsdatum van het attest en de handtekening van de behandelende arts of directeur, vermeld in punt 4°;

6° de motivering waarom:

a) de medische, psychiatrische of residentiële opvang of begeleiding niet toelaat dat het kind of de jongere voltijds in een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs de lessen kan volgen;

b) de jongere behoefte heeft aan een individueel of geïndividualiseerd aanbod dat in een residentiële omgeving verstrekt moet worden.

Het attest type 5 is bestemd voor de directeur van de onderwijsinstelling van type 5, ter staving van de inschrijving. Het wordt aan het leerlingdossier toegevoegd.

Als de leerling opnieuw alle onderwijsactiviteiten in een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs kan volgen, vervalt het attest voor toelating tot buitengewoon onderwijs type 5.

De type 5 leerling in de ziekenhuisschool blijft ook beschouwd als regelmatige leerling in zijn oorspronkelijke school (van het voltijds gewoon secundair onderwijs of het deeltijds beroepssecundair onderwijs of van het buitengewoon secundair onderwijs). Hij/zij is daarenboven ook regelmatige leerling: ofwel in de type 5 school bij het ziekenhuisschool of bij de residentiele setting, voor periodes van minimum vijf al dan niet opeenvolgende dagen waarin hij per dag gemiddeld ten minste één lestijd onderwijs krijgt; ofwel in de type 5 school bij het preventorium.

3.2. Leeftijdsvoorwaarden.

Jongeren kunnen als regelmatige leerling in het buitengewoon secundair onderwijs worden toegelaten op basis van een verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs:

- na de zomervakantie van het jaar waarin ze de leeftijd van dertien jaar bereiken;

- of op gemotiveerd advies opgenomen in het verslag na de zomervakantie van het jaar waarin ze de leeftijd van twaalf jaar bereiken;

- of indien ze een getuigschrift basisonderwijs hebben;

- en indien ze hoogstens eenentwintig jaar zijn.

3.2.1. Uitzonderingen op de leeftijdsvoorwaarden.

1° Voor de leerlingen of personen met een handicap die van rechtswege toegelaten worden na de leeftijd van eenentwintig jaar, die onder één van de volgende categorieën vallen:

a) een leerling, aangewezen op opleidingsvorm 3 of 4, die nog ten hoogste twee schooljaren nodig heeft na het schooljaar waarin hij de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt, voor het behalen van een getuigschrift van opleidingsvorm 3 of het diploma van secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 of het getuigschrift van alternerende beroepsopleiding;

b) een leerling, aangewezen op opleidingsvorm 1, 2, 3 of 4, die ingevolge ziekte of ongeval in de loop van het gewoon of het buitengewoon secundair onderwijs een handicap of een bijkomende handicap heeft opgelopen als gevolg waarvan zich een ernstige regressie heeft voorgedaan en waarvoor de termijn waarbinnen de studie zal beëindigd zijn duidelijk is aangegeven;

c) een persoon met een handicap van meer dan eenentwintig jaar die voor het eerst of opnieuw in het buitengewoon secundair onderwijs wenst ingeschreven te worden, als deze persoon door een ongeval of ziekte hem overkomen in aanmerking kan komen voor een beroepsopleiding of training in compenserende vaardigheden in het buitengewoon secundair onderwijs.

2° Voor de leerlingen van opleidingsvorm 1 en 2 op basis van een klassenraadbeslissing, na aanvraag van de ouders (hiermee wordt betrokken personen bedoeld), bij gebrek aan postschoolse opvangmogelijkheden:

in functie van het behalen van het attest kan de klassenraad een leerling in opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2, na het schooljaar waarin hij de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt telkens voor één schooljaar verder laten genieten van het buitengewoon onderwijs. Ouders vragen deze verlenging schriftelijk aan.

Dit is mogelijk indien deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 nog niet beschikt over een persoonsvolgend budget waarmee de gewenste dagondersteuning effectief is opgestart in het kader van het systeem van de persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, niettegenstaande een expliciete vraag hiertoe door de ouders en dit blijkt uit de verlengingsaanvraag van de ouders. We willen scholen en ouders aanzetten tijdig een vraag te doen bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, en niet te wachten tot de leerlingen reeds eenentwintig jaar of meer zijn.

Dit is eveneens mogelijk indien er geen plaats is voor deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 in de post-schoolse opvangmogelijkheden op gebied van tewerkstelling, en deze opvang geweigerd is, niettegenstaande een expliciete vraag hiertoe door de ouders en dit blijkt uit de verlengingsaanvraag van de ouders.

Deze verlengingsaanvraag moet ten laatste op 1 september van het schooljaar waarop de verlenging van toepassing is voorgelegd worden aan de klassenraad. De klassenraad dient uitspraak te doen over deze aanvraag ten laatste op 15 september van het schooljaar waarop de verlenging van toepassing is. In functie van de motivering van de aanvraag tot verlening kunnen ouders gebruik maken van een attest dat ter beschikking wordt gesteld door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. Dit attest is te downloadenvia mijnvaph.be. Opgelet: het attest toont enkel dat de aanvraag bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap werd opgestart én dat er nog geen budget ter beschikking is gesteld. Het attest geeft m.a.w. geen informatie over de toekenning van de gewenste dagondersteuning.

Een klassenraad kan deze verlengingsaanvraag ofwel accepteren ofwel weigeren. Een klassenraad kan ook beslissen om nooit verlengingen toe te staan. Als dit het geval is, neemt de school dat op in het schoolreglement.

De klassenraad kan bij de eventuele toekenning van een verlenging ofwel voorrang geven aan de leerlingen met een eerste aanvraag voor verlenging op leerlingen met een tweede of een nog verdere verlengingsaanvraag ofwel voorrang geven aan leerlingen met een context die meer ondersteuning noodzaakt boven leerlingen die een context hebben die minder ondersteuning noodzaakt.

Leerlingen waarover de klassenraad een positieve beslissing neemt, voldoen aan de toelatingsvoorwaarden inzake leeftijd, leerlingen waarover een negatieve beslissing wordt genomen, voldoen niet aan deze voorwaarden.

Een leerling voor wie de gewenste dagondersteuning in het kader van het systeem van de persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap effectief opgestart is, komt niet in aanmerking voor verlengingen. Als de verlenging al aangevangen was voor de gewenste ondersteuning kon opstarten, kan de leerling ook verder ingeschreven blijven en zijn schooljaar afwerken, na de opstart van de gewenste ondersteuning, als de ouders beoordelen dat het haalbaar is.

3.3. Specifieke voorwaarden voor leerlingen uit een onderwijssysteem dat niet valt onder de Vlaamse regelgeving.

De leerling die rechtstreeks overkomt uit een school die niet valt onder de Vlaamse regelgeving (buitenlandse school, Frans- of Duitstalige school in België) of uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, kan enkel worden toegelaten onder de volgende voorwaarde: gunstige beslissing van de klassenraad, waarin alle leraars van het betrokken structuuronderdeel of een administratieve groep zijn opgenomen. De beslissing van de klassenraad wordt genomen uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de regelmatige lesbijwoning (= te rekenen vanaf de eerstvolgende lesdag die volgt op de inschrijving van de leerling in het betrokken structuuronderdeel).

Aandacht: deze toelatingsmogelijkheid heeft volgende implicaties:

a) de klassenraad bepaalt zelf op welke wijze zijn beslissing over de regelmatigheid van de leerling tot stand komt; in afwachting van die beslissing blijft de leerling een vrije leerling;

b) indien de klassenraad ter voorbereiding van zijn beslissing informatie wenst over het buitenlands onderwijssysteem waaruit de leerling komt, dan kan contact worden opgenomen met NARIC-Vlaanderen, tel. 02/553.89.58;

c) van zodra de leerling een attest, een (studie)getuigschrift of een diploma in het Vlaams secundair onderwijs heeft behaald, is onderhavige toelatingsmogelijkheid niet meer van toepassing.

Indien de leerling echter een oriënteringsattest C heeft behaald in opleidingsvorm 4 en het leerjaar overzit in een ander structuuronderdeel, dan blijft onderhavige toelatingsmogelijkheid wel geldig, m.a.w. ook de toelatingsklassenraad van laatstbedoeld structuuronderdeel in opleidingsvorm 4 zal zich dan uitspreken over de instapmogelijkheid vanuit een school die niet valt onder de Vlaamse regelgeving. Indien de leerling een oriënteringsattest C heeft behaald in opleidingsvorm 4 en het leerjaar overzit in hetzelfde structuuronderdeel, dan blijft het recht op overzitten primeren, ook in een andere school.

d) indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de toelatingsklassenraad van opleidingsvorm 4 rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de toelatingsklassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd. In die toelatingsklassenraad moet, raadgevend, een persoon worden opgenomen die - op basis van specifiek toegekende uren-leraar - binnen de scholengemeenschap waar het onthaaljaar werd gevolgd, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer.

4. Het schoolreglement.

Elk schoolbestuur (behalve het schoolbestuur van de ziekenhuisschool) dient binnen het raam van een geïnstitutionaliseerde rechtspositie van de leerling een schoolreglement op te maken voor elk van haar scholen. Dit reglement zal alleszins worden opgebouwd uit het studiereglement, het ordereglement en het tuchtreglement. Het schoolreglement, evenals trouwens het pedagogisch project van de school, eerbiedigt de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder.

Het participatiedecreet van 2 april 2004 bepaalt dat voor wat betreft het gesubsidieerd onderwijs met ingang van 1 april 2005 het schoolbestuur verplicht overleg moet plegen met de schoolraad in een gezamenlijke vergadering over het opstellen of wijzigen van het schoolreglement. Indien bedoeld overleg niet tot een akkoord leidt, dan neemt het schoolbestuur de eindbeslissing. Het decreet stelt ook dat de schoolraad ten behoeve van al het personeel, leerlingen en ouders een communicatie- en informatieplicht heeft over de wijze waarop hij zijn bevoegdheden uitoefent.

Het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs bepaalt dat in dit onderwijsnet de schoolraad de bevoegdheid heeft overleg te plegen met de schooldirectie inzake het schoolreglement.

Het duidelijk aflijnen van de verhouding tussen de onderwijsverstrekker en de onderwijsconsument, via een verplicht schoolreglement, biedt de meeste garanties voor een sereen schoolklimaat.

Het schoolbestuur informeert de betrokken personen over het schoolreglement in volgende gevallen:

1° voorafgaand aan de inschrijving van de leerling (= de eerste opname van de leerling in het leerlingenbestand van de school of de heropname na uitschrijving);

2° bij elke wijziging van het schoolreglement.

Het schoolbestuur neemt daarbij volgende principes in acht:

1° voorafgaand aan de inschrijving wordt het schoolreglement schriftelijk of via elektronische drager aangeboden en verklaren de betrokken personen zich er schriftelijk mee akkoord via ondertekening van dit schoolreglement;

2° bij elke wijziging van het schoolreglement informeert het schoolbestuur de betrokken personen schriftelijk of via elektronische drager zo spoedig mogelijk in de loop van het schooljaar over die wijziging en de betrokken personen geven opnieuw schriftelijk akkoord. Indien ze dat niet doen, dan wordt aan de inschrijving van de leerling een einde gesteld op 31 augustus van dat lopende schooljaar;

3° het schoolbestuur vraagt de betrokken personen steeds of ze een papieren versie van het schoolreglement wensen te ontvangen.

Alleszins wordt op die wijze een mogelijks langdurige situatie vermeden waarin enerzijds de betrokken personen weigeren het schoolreglement volledig na te leven en anderzijds de leerling ingeschreven blijft, wat tot een juridisch vacuüm zou leiden die de optimale schoolorganisatie ondermijnt.

Een wijziging van het schoolreglement kan op zijn vroegst uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreeks gevolg is van nieuwe decreet- of regelgeving. Het decreet van 4 april 2014 houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositieregeling van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs en betreffende participatie op school treedt in werking op 1 september 2014. Dit betekent dat de schoolreglementen vanaf het schooljaar 2014-2015 rekening moeten houden met de minimale inhoud die dit decreet oplegt. Schoolreglementen 2014-2015 die reeds klaar zouden zijn en op basis waarvan eventueel reeds inschrijvingen zijn gebeurd, zullen m.a.w. moeten worden bijgestuurd. Alle betrokken personen dienen via addendum op de hoogte te worden gebracht van deze wijzigingen en moeten er opnieuw hun schriftelijk akkoord aan verlenen. Indien ze dat niet doen, dan wordt voor de start van het schooljaar de leerling alsnog uitgeschreven.

Hetzelfde decreet van 4 april 2014 heft de opdeling van het schoolreglement in een studie-, orde- en tuchtreglement op. Daarnaast breidt dit decreet de minimale inhoud van het schoolreglement uit. Het schoolreglement bevat minimaal volgende elementen (voor zover van toepassing op de desbetreffende school):

1° de basisprincipes van het schoolbeleid m.b.t.:

- toelatingen;

- afwijkingen, vrijstellingen en andere flexibiliseringsmaatregelen binnen het curriculum;

- aan- en afwezigheden;

2° de lesspreiding en de vakantie- en verlofregeling voor leerlingen;

3° de krachtlijnen m.b.t. extra-murosactiviteiten, leerlingenstages, sociaal-maatschappelijke trainingen en schoolvervangende onderwijsprogramma’s;

4° de samenwerking - met rechtstreekse impact op leerlingen - met andere onderwijsinstellingen, vormingsinstellingen of organisaties;

5° het tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren en het recht op synchroon internetonderwijs, met vermelding dat – in voorkomend geval - de leerling die aan de gestelde voorwaarden voldoet op dit recht zal worden gewezen;

6° de financiële bijdrageregeling, de mogelijke afwijkingen en de contactpersoon binnen de school voor vragen en opmerkingen over financiële aangelegenheden;

7° de lokale inspraakmogelijkheden;

8° de voorwaarden waaronder de betrokken leerling en de betrokken personen hun inzage-, toelichtings- en kopierecht kunnen uitoefenen m.b.t. leerlingengegevens, waaronder evaluatiegegevens;

9° de organisatie van de leerlingenevaluatie:

- de vermelding dat de school gedurende het schooljaar op regelmatige basis of tijdig zal communiceren (= communicatieplicht) over:

1) de basisprincipes van de school m.b.t. leerlingenevaluatie;

2) de studievorderingen van de leerling;

3) de voor de leerling noodzakelijke remediëring;

4) de tijdstippen waarop examens en andere evaluatieopdrachten over grotere leerstofonderdelen plaats vinden;

5) de vorm waaronder de school examens en andere evaluatieopdrachten organiseert;

6) de materies die de leerling dient te beheersen met het oog op examens en andere evaluatieopdrachten;

7) de regeling als de leerling - door overmacht of gewettigd verlet - niet kan deelnemen aan een examen of een andere evaluatieopdracht;

- de vermelding dat de school elke genomen beslissing van de klassenraad om de leerling de beoogde studiebekrachtiging niet toe te kennen, schriftelijk zal motiveren, en dat op vraag van de betrokken personen hierover een overleg zal plaatsvinden binnen een aangeduide termijn;

- de vermelding van de mogelijkheid tot beroep door de betrokken personen nadat dit overleg over een betwiste evaluatiebeslissing van de klassenraad heeft plaats gevonden, met inbegrip van de procedure en redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de werkingsprincipes (incl. de samenstelling van de beroepscommissie en de stemprocedure);

10° de lokale leefregels op materieel en immaterieel vlak, met inbegrip van:

- de tucht- of andere maatregelen die de school kan nemen bij schending van de leefregels door de leerling, m.i.v.:

1) de regels op het vlak van tuchtrechtspleging;

2) de mogelijkheid tot beroep tegen een beslissing tot definitieve uitsluiting, met inbegrip van de procedure en redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de werkingsprincipes (incl. de samenstelling van de beroepscommissie en de stemprocedure);

3) de opvangregeling;

4) de mogelijke schooluitschrijving;

- de plicht van de leerling om zich te onthouden van iedere daad van geweld, pesterij of ongewenst seksueel gedrag;

- de afspraken i.v.m. het rookverbod, de controle op de naleving ervan en de sancties die kunnen opgelegd worden bij overtreding van het rookverbod;

11° de eventuele beroepsmogelijkheden voor de betrokken personen tegen andere betwiste beslissingen (naast een definitieve uitsluiting en een evaluatiebeslissing);

12° de basisprincipes van het schoolbeleid m.b.t. reclame en sponsoring;

13° een engagementsverklaring met wederzijdse afspraken over het oudercontact, regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement t.a.v. de onderwijstaal.

M.b.t. het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal bevat het schoolreglement de bepaling dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren. Andere bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal kunnen enkel worden toegevoegd op voorwaarde dat daarover in het bevoegde lokaal overlegplatform een akkoord is bereikt (voor scholen in een gemeente zonder lokaal overlegplatform is hiervoor een akkoord met minstens 2/3 van de scholen nodig).

M.b.t. regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid vermeldt het schoolreglement de koppeling met schooltoelagen en de mogelijkheid tot het niet toekennen of het terugvorderen ervan;

14° de vermelding dat bij schoolverandering leerlingengegevens worden overgedragen aan de nieuwe school, tenzij de betrokken personen - na de gegevens te hebben ingezien - er zich expliciet tegen verzetten (voor zover de regelgeving de overdracht ervan niet verplicht).

Het schoolreglement kan geen onderwerpen bevatten waarin de betrokken personen een individuele keuze kunnen maken die hen door regelgeving wordt gegarandeerd. Bv.: portretrecht, auteursrechten, .... De school zal hier op een andere manier dan via het schoolreglement de keuze van de betrokken personen moeten bevragen, waarbij die keuze geen invloed heeft op het inschrijvingsrecht.

Aandacht: zoals hoger vermeld moet in het schoolreglement ook het rookverbod worden opgenomen. Dit verbod is vastgelegd in het decreet van 6 juni 2008 "houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding". Het decreet definieert roken als "het roken van producten op basis van tabak of van soortgelijke producten". Voor alle duidelijkheid: hieronder vallen ook de E-sigaret, de shisha-pen, de heat-stick en dergelijke.

5. Schending van leefregels.

Zoals opgenomen in het schoolreglement, zullen in elke school een reeks plaatselijke leefregels van kracht zijn. Die leefregels kunnen van materiële aard (bv. kledingvoorschriften) of immateriële aard (bv. taalgebruik) zijn en kunnen niet los worden gezien van het pedagogisch project van de school. Leefregels strekken ertoe de dagdagelijkse werking van een school zo vlot mogelijk te laten verlopen. Vermits het schoolbestuur de verantwoordelijkheid draagt voor het onderwijs dat het inricht, is het autonoom om te bepalen welke leefregels het meest bijdragen tot een ordentelijke onderwijsverstrekking. Het schoolbestuur heeft wel de verplichting om hierover afdoende te communiceren via het schoolreglement.

Niettegenstaande leerlingen verondersteld worden duidelijk op de hoogte te zijn van de regels waaraan ze zich dienen te houden bij elke les- of gelijkgestelde onderwijsactiviteit, is regelschending niet uitgesloten. Op dergelijke situaties moet de school adequaat kunnen reageren door ten aanzien van de leerling in kwestie een gepaste maatregel te nemen, die tevens een signaalfunctie heeft naar de andere leerlingen. Die maatregelen kunnen zeer divers zijn en spreiden zich over een continuüm van minimaal naar maximaal ingrijpend, waarbij maximaal betekent "definitieve uitsluiting". De school moet steeds voor ogen houden dat indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat met een minder zware maatregel dezelfde corrigerende of remediërende effecten bij de leerling worden bereikt, geen zwaardere maatregel hoeft genomen. Het werken volgens een continuüm betekent echter niet dat in een geval van regelschending eerst een lichtere en, bij onvoldoende resultaat, vervolgens een zwaardere maatregel kan worden opgelegd. Dit laatste kan enkel indien zich een nieuw feit van regelschending heeft voorgedaan (cfr. principe "niemand kan voor eenzelfde vergrijp tweemaal worden gestraft").

Het begrip "ordemaatregel" wordt, zoals blijkt, niet langer gebruikt. Er is nog enkel sprake van "maatregelen bij schending van leefregels", waarvan er slechts twee het statuut "tuchtmaatregel" dragen, nl. de tijdelijke en de definitieve uitsluiting.

5.1. Maatregelen andere dan tuchtmaatregelen.

Indien de handelingen van de leerling de leefregels schenden doch zonder een gevaar of ernstige belemmering te vormen voor het normale onderwijsgebeuren of voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van de schoolbevolking of van personen waarmee de leerling in het kader van stage of andere vormen van werkplekleren in contact komt, kunnen er maatregelen volgen die aan de leerling bepaalde voorzieningen ontzeggen of bepaalde verplichtingen opleggen. Dit mag in een contractvorm worden gegoten. De school zal hier zelf een concrete invulling aan geven, maar blijft een verplichting tot opvang van de leerling hebben. Het kan dan gaan om, bij wijze van voorbeeld en niet limitatief, een berisping, een waarschuwing, een strafstudie, een weigering tot deelname aan een facultatieve schoolreis tijdens een vakantie,…..; ook het gedurende maximum één lesdag vervangen van de geplande onderwijsactiviteiten door andere activiteiten is mogelijk (dit kan zich tijdens het schooljaar meermaals voordoen bij nieuwe feiten, doch nooit aaneensluitend). De getroffen maatregel doet geen afbreuk aan de hoedanigheid van regelmatig leerling en aan het daaraan verbonden recht op studiebekrachtiging.

Elkeen die én door het schoolbestuur daartoe is gemachtigd én toezicht uitoefent op de betrokken leerling op de locatie en het tijdstip van de regelschending kan een dergelijke maatregel opleggen. Dit houdt in dat zelfs een personeelslid van een andere school waar de school van inschrijving mee samenwerkt, een personeelslid van een organisator van werkplekleren, een stagementor, een voordrachthouder….. die op de leerling toezicht uitoefent, die machtiging van het schoolbestuur kan krijgen.

5.2. Tuchtmaatregelen.

Indien de handelingen (bv. materiële schade, fysieke of verbale agressie, vergaande ordeverstoring …..) van de leerling de leefregels dermate schenden dat ze een gevaar of ernstige belemmering vormen voor het normale onderwijsgebeuren of voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van de schoolbevolking of van personen waarmee de leerling in het kader van stage of andere vormen van werkplekleren in contact komt, dan is een tuchtmaatregel toegelaten. Bij tuchtmaatregelen moet met diverse modaliteiten en voorwaarden worden rekening gehouden zoals hierna beschreven.

5.2.1. Preventieve schorsing versus uitsluiting.

Tussen schorsing en uitsluiting zijn er overeenkomsten en verschillen.

Zowel bij schorsing als bij uitsluiting wordt de leerling het recht ontnomen om deel te nemen aan les- en gelijkgestelde onderwijsactiviteiten (met inbegrip van evaluatiebeurten). In beide gevallen beslist de school of de leerling op school moet aanwezig zijn. Is aanwezigheid niet verplicht, dan kunnen de betrokken personen niettemin een opvangvraag stellen: ofwel wordt op die vraag ingegaan en zullen er afspraken rond opvangvoorwaarden worden gemaakt, ofwel wordt de vraag schriftelijk én gemotiveerd geweigerd. Bij opvang bepaalt de school dus autonoom welke invulling aan deze opvang wordt gegeven (er geldt m.a.w. geen pedagogisch-didactisch verantwoorde opvangverplichting).

Een fundamenteel verschil echter is dat een schorsing geen tuchtmaatregel is doch een bewarende maatregel met een dubbel doel:

1. na een incident of vergrijp de leerling aan het onderwijsgebeuren onttrekken zodat opnieuw een sereen en onderwijsvriendelijk klimaat kan worden gecreëerd;

2. de nodige tijdsruimte voorzien om een tuchtonderzoek te voeren en een tuchtdossier samen te stellen, hetgeen impliceert dat vanaf het moment van preventieve schorsing het onderzoek en de dossiersamenstelling geacht worden opgestart te zijn;

De officiële benaming voor schorsing luidt dan ook "preventieve schorsing".

De preventieve schorsing, die op zich geen verplichting is, kan onmiddellijk na de regelschending (dus ook in de loop van de betrokken lesdag) ingaan, zij het na kennisgeving aan de betrokken personen. Het geldt als een signaal of een indicatie dat een tuchtmaatregel kan volgen. Na het beëindigen van het tuchtonderzoek kan het resultaat evenwel ook zijn dat, om welke reden dan ook, geen tuchtmaatregel wordt genomen. Als er wel tot een tuchtmaatregel wordt beslist, dan zijn er twee alternatieven: ofwel een tijdelijke uitsluiting ofwel een definitieve uitsluiting.

5.2.2. Maximale duur.

Een preventieve schorsing kan maximaal tien opeenvolgende lesdagen bestrijken. Indien binnen die periode het tuchtonderzoek niet kan worden afgerond en de school dit motiveert aan de betrokken personen, kan deze periode met maximaal tien opeenvolgende lesdagen worden verlengd. Een preventieve schorsing kan dus nooit langer dan twintig opeenvolgende lesdagen duren. Indien de schorsing onmiddellijk ingaat in de loop van de lesdag waarin het omstreden feit plaats vindt, dan telt die dag als de eerste van het toegelaten maximum. Het uitputten van dat maximum kan anderzijds geen alibi zijn om het voeren van het tuchtonderzoek en het samenstellen van een tuchtdossier, vanuit beide partijen bekeken, langer te laten duren dan strikt noodzakelijk om tot de beslissing tot het al dan niet nemen van een tuchtmaatregel te komen. Zowel voor de betrokken personen als voor de school is het immers belangrijk om, zonder nodeloze vertraging, tot rechtszekerheid te komen.

Een tijdelijke uitsluiting omvat minimaal één en maximaal vijftien opeenvolgende lesdagen. Zowel trouwens ook bij preventieve schorsing moet het instellen van een maximumduur voor tijdelijke uitsluiting vrijwaren dat de lesonderbreking geen ernstige nadelige effecten heeft voor de afwerking van het lesprogramma. Een leerling kan in het schooljaar meer dan eens tijdelijk worden uitgesloten doch enkel indien zich telkens een nieuw feit van regelschending heeft voorgedaan.

Zoals blijkt wordt maximale duur uitgedrukt in "lesdagen", wat betekent dat alle dagen die in de betrokken school volgens het vastgelegde organisatiemodel "lesvrij" zijn (vakantie, weekend, …) buiten beschouwing worden gelaten.

Aan definitieve uitsluiting is uiteraard geen maximale duur gekoppeld. Een beslissing tot definitieve uitsluiting gaat in hetzij onmiddellijk tijdens het schooljaar, hetzij op het einde van het schooljaar (= 31 augustus dan wel, voor opleidingen die dan eindigen, 31 januari). Indien de uitsluiting pas op het einde van het schooljaar ingaat, dan heeft ze in de feiten betrekking op het daaropvolgende schooljaar. Een uitsluiting op het einde van het schooljaar strekt ertoe om, in het belang van de leerling, alsnog de gelegenheid te bieden aan de (eind)examens of proeven van dat schooljaar deel te nemen; de school is er dan wel toe gehouden om de leerling tot op het einde van dat schooljaar effectief de lessen te laten bijwonen. Er zijn twee situaties waarbij een definitieve uitsluiting ook betrekking kan hebben op een andere instelling dan de school waar de leerling is ingeschreven, nl.

indien de regelschending heeft plaats gevonden in een andere school waarmee de school van inschrijving samenwerkt voor een deel van de onderwijsverstrekking (= lesbijwoning in een andere school);

Deze uitbreiding van het toepassingsgebied van de definitieve uitsluiting kan pas na overleg tussen de betrokken instellingen.

Definitieve uitsluiting is een mogelijke weigeringsgrond voor (her)inschrijving; zie in dit verband de omzendbrief SO/2012/01.

5.2.3. Tuchtdossier en –onderzoek.

De volgende regels, inherent aan tuchtrechtspleging, zijn ook binnen onderwijs van toepassing:

1. de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;

2. de betrokken personen alsmede de leerling, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon naar keuze, worden gehoord;

3. elke genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd; indien het een definitieve uitsluiting behelst dan wordt schriftelijk verwezen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure;

4. elke beslissing wordt schriftelijk ter kennis gebracht aan de betrokken personen voordat de tuchtmaatregel van kracht wordt;

5. er is geen mogelijkheid om tot collectieve uitsluitingen over te gaan waarbij in één beslissing meerdere leerlingen worden gevat; wanneer bijgevolg een groep leerlingen heeft bijgedragen tot hetzelfde feit, dan mag dit nimmer tot een collectief tuchtvoorstel leiden (elk tuchtdossier is dus een individueel dossier);

6. de betrokken personen hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling;

7. de tuchtmaatregel moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten (het zogenaamde "redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel");

8. het tuchtdossier en de tuchtmaatregel zijn niet overdraagbaar naar een andere school.

De twee laatste punten verdienen extra aandacht.

- Overeenstemming tussen tuchtmaatregel en ernst van de feiten: naast het opleggen van maatregelen op grond van een continuüm, waarvan hoger sprake, moet met elke uitsluiting omzichtig worden omgesprongen. De uitsluitende school moet namelijk steeds het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel naleven. Dit betekent dat de tuchtmaatregel de grenzen van de redelijkheid niet mag overschrijden en dat er geen wanverhouding mag bestaan tussen de bewezen feiten en de uitgesproken tuchtmaatregel. Bijkomend moet bij het uitspreken van een definitieve uitsluiting in de laatste maanden van het schooljaar, de uitsluitende school mee in overweging nemen dat deze beslissing een zware hypotheek legt op de studieloopbaan van de betrokken leerling en mogelijks tot een studiejaarverlies zal leiden.

- Niet-overdraagbaarheid van tuchtdossier en –maatregel: bij schoolverandering mag de nieuwe school niet "voortbouwen" op een tuchtdossier dat is aangelegd en een tuchtmaatregel die is genomen in de voorgaande school, m.a.w. de leerling moet met een propere lei kunnen starten. Regelschendingen van de leerling in een vorige school kunnen in de nieuwe school nooit op enigerlei wijze in rekening worden gebracht. Dit betekent niet dat de nieuwe school geen weet mag hebben van wat er zich op het vlak van tucht in de vorige school heeft voorgedaan. Indien in de loop van het schooljaar voor een definitief uitgesloten leerling naar een nieuwe school wordt gezocht, dan zal de reden voor de schoolverandering trouwens meestal sowieso aan het licht komen.

Tot slot wordt benadrukt dat een uitsluiting nooit implicaties kan hebben voor het eventuele lidmaatschap van de betrokken leerling in de leerlingenraad of de schoolraad.

5.2.4. Bevoegdheid.

De bevoegdheid tot het preventief schorsen of het nemen van een tuchtmaatregel ligt bij de directeur van de school waar de leerling is ingeschreven of zijn afgevaardigde.

Voorafgaand aan de beslissing tot definitieve uitsluiting, moet het advies van de begeleidende klassenraad worden ingewonnen. Gezien het ingrijpend karakter van definitieve uitsluiting, moet een dergelijke beslissing immers goed worden overwogen en breed worden gedragen. In die klassenraad zetelt overigens, met adviesbevoegdheid, ook een personeelslid van het CLB waar de school mee samenwerkt. Het advies van de klassenraad wordt in het tuchtdossier opgenomen.

5.2.5. Definitieve uitsluiting versus uitschrijving.

Indien een definitieve uitsluiting op het einde van het schooljaar ingaat, dan heeft ze in de feiten betrekking op het daaropvolgende schooljaar en komt uitsluiting per definitie neer op uitschrijving uit het leerlingenbestand van de school.

Indien een definitieve uitsluiting daarentegen in de loop van het schooljaar ingaat, dan blijft de leerling ingeschreven in de school in afwachting dat een andere school wordt gevonden. De uitsluitende school heeft de verantwoordelijkheid om, samen met het CLB waarmee het samenwerkt, de leerling actief bij te staan in het zoeken naar een andere school. "Bijstaan" veronderstelt evenwel dat ook de leerling en zijn ouders initiatief aan de dag moeten leggen tot het vinden van een nieuwe school. Anderzijds moet bij de zoekinspanningen van de uitsluitende school redelijkheid vooropstaan, d.w.z. er dient maximaal rekening te worden gehouden met de criteria "afstand" t.o.v. de verblijfplaats van de leerling, "zelfde onderwijsnet" en "zelfde opleiding" . Het vinden van een school die niet of moeilijk bereikbaar is of het totaal negeren van het beginsel van de vrije onderwijskeuze, kan onmogelijk als een aanvaardbare oplossing worden gezien.

Zelfs indien de definitieve uitsluiting in de loop van het schooljaar ingaat, kan ze in twee situaties uitmonden in uitschrijving, nl.

1. als de betrokken personen blijk geven van manifeste onwil om op het aanbod van verandering van school in te gaan. Zoals hoger vermeld moeten ook de betrokken personen voldoende meewerken aan het zoeken naar een nieuwe school. Is er daarentegen zelfs onwil of obstructie in het spel, dan komt dit ondubbelzinnig neer op het schenden van de leerplicht. Leerplicht kan niet verengd kan worden tot louter administratieve inschrijving in een school maar vereist ook effectieve lesbijwoning;

2. vanaf de tiende lesdag die volgt op de dag dat de definitieve uitsluiting ingaat en alleszins pas nadat een eventueel ingestelde beroepsprocedure is afgerond. Deze uitschrijving kan evenwel uitsluitend voor een leerling die op het moment van de uitschrijving niet meer leerplichtig is.

Een definitief uitgesloten doch (nog) niet uitgeschreven regelmatige leerling komt bij het einde van het schooljaar in aanmerking voor evaluatie en studiebekrachtiging. Evaluatie kan zowel uitstel van eindbeslissing als beroep tegen een controversiële eindbeslissing met zich brengen. Ook indien de definitief uitgesloten leerling vanaf 1 september daaropvolgend is uitgeschreven, blijft de regeling inzake uitstel van eindbeslissing en de regeling inzake beroep op deze leerling van toepassing. Er vinden m.a.w. binnen de school onderwijshandelingen plaats in de maand september ten aanzien van een leerling die op dat tijdstip ten gevolge van uitsluiting al is uitgeschreven. Administratief-reglementair hebben die onderwijshandelingen echter betrekking op het voorbije schooljaar.

5.2.6. Beroep.

De mogelijkheid tot verhaal tegen een definitieve uitsluiting is decretaal verplicht. Het beroep schort de uitvoering van de beslissing tot definitieve uitsluiting evenwel niet op. Het schoolbestuur beschikt enerzijds over een zekere autonomie, maar is anderzijds onderworpen aan onderstaande bepalingen. Zoals blijkt blijft de beroepsgang een schoolinterne aangelegenheid. Zowel naar de procedure als naar het functioneren van de beroepscommissie worden echter een aantal criteria van kracht die moeten aantonen dat elk beroep in het teken staat van onafhankelijkheid, neutraliteit en deskundigheid, vertrekkend vanuit de gelijkwaardigheid van beide partijen. Dit moet bijdragen tot de accepteerbaarheid van een beslissing in beroep.

Pas na uitputting van het schoolintern beroep kan de stap naar een bevoegd rechtscollege worden gezet.

5.2.6.1. Procedure.

De beroepsprocedure is concreet vastgelegd in het schoolreglement maar omvat alleszins volgende stappen:

1. de betrokken personen stellen het beroep in bij het schoolbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift dat ten minste het voorwerp van het beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt; bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd;

2. het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie;

3. het resultaat wordt binnen de termijn bepaald in het schoolreglement schriftelijk ter kennis gebracht aan de betrokken personen; zo deze termijn wordt overschreden, dan is de definitieve uitsluiting van rechtswege nietig.

5.2.6.2. Samenstelling beroepscommissie.

Het schoolbestuur stelt een beroepscommissie in, waarvan de samenstelling aan volgende voorwaarden moet beantwoorden:

1. per te behandelen individueel dossier kan de samenstelling verschillen, maar binnen het dossier kan de samenstelling niet meer wijzigen;

2. elke commissie bestaat uit:

a) interne leden: zijnde leden van het schoolbestuur of de school waar tot de definitieve uitsluiting werd beslist (zie concrete opsomming verder); de directeur of zijn afgevaardigde die de omstreden beslissing heeft genomen, kan niet in de beroepscommissie zetelen;

b) externe leden: zijnde leden die niet verbonden zijn aan het schoolbestuur of de school waar tot de definitieve uitsluiting werd beslist; een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of - met uitzondering van het personeel – de schoolraad die fungeert binnen de school die uitsluit, behoort tot de categorie "externe leden";

c) een voorzitter: door het schoolbestuur aangeduid onder de externe leden.

Een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel onder de omschrijving "intern lid" als de omschrijving "extern lid" valt, wordt geacht intern te zijn.

Concreet:

wordt verstaan onder lid van het schoolbestuur en is derhalve een intern lid van de beroepscommissie:

- in het Gemeenschapsonderwijs:

* een lid van de raad van het Gemeenschapsonderwijs

* een lid van de raad van bestuur van de scholengroep

* een lid van de algemene vergadering van de scholengroep

- in het gesubsidieerd provinciaal onderwijs:

* een lid van de provincieraad

* een lid van de bestendige deputatie

* (in voorkomend geval) een lid van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf

* (in voorkomend geval) een lid van het directiecomité van het autonoom provinciebedrijf

- in het gesubsidieerd gemeentelijk onderwijs:

* een lid van de gemeenteraad

* een lid van het college van burgemeester en schepenen

* (in voorkomend geval) een lid van de raad van bestuur van het autonoom gemeentebedrijf

* (in voorkomend geval) een lid van het directiecomité van het autonoom gemeentebedrijf

- in het gesubsidieerd onderwijs van de Vlaamse Gemeenschapscommissie:

* een lid van de raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

* een lid van het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

- in het gesubsidieerd vrij onderwijs:

* een lid van de algemene vergadering van de vzw-schoolbestuur

* een lid van de raad van bestuur van de vzw-schoolbestuur.

Elk lid van de beroepscommissie dat, naargelang van het betrokken onderwijsnet, niet aan één van de hierboven opgegeven hoedanigheden beantwoordt binnen het betrokken schoolbestuur én geen lid is van de betrokken school (zie verder) is een extern lid van de beroepscommissie.

Personeelsleden van de hierboven vermelde instanties zijn ook externe leden, aangezien ze zelf geen "inrichtende onderwijsverantwoordelijkheid" dragen.

wordt verstaan onder lid van de school en is derhalve een intern lid van de beroepscommissie:

* een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd (= statutair) personeelslidaangesteld in de betrokken school

- in een ambt van het bestuurspersoneel, het onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel, het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het psychologisch personeel of het orthopedagogisch personeel

- ongeacht het volume of taakinvulling van de opdracht

- ongeacht effectieve prestaties worden geleverd of een vorm van dienstonderbreking/ verlofstelsel, terbeschikkingstelling (TBS) of tijdelijk andere opdracht (TAO) loopt

* een contractueel personeelslid van de betrokken school.

Elk lid van de beroepscommissie dat geen lid is van het betrokken schoolbestuur én geen lid is van de betrokken school is een extern lid van de beroepscommissie.

Personeelsleden van andere scholen van hetzelfde schoolbestuur (of een ander schoolbestuur) die niet aangesteld zijn in de betrokken school zijn externe leden.

5.2.6.3. Werking beroepscommissie.

Het schoolbestuur bepaalt de werking (waaronder de stemprocedure) van de beroepscommissie

5.2.6.4. Werking beroepscommissie.

Het schoolbestuur bepaalt de werking (waaronder de stemprocedure) van de beroepscommissie, rekening houdend met volgende voorwaarden:

1. elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, maar bij stemming moet het aantal stemgerechtigde interne leden en het aantal stemgerechtigde externe leden gelijk zijn (m.a.w. de mogelijkheid bestaat dat het schoolbestuur bepaalde leden aanduidt die niet stemgerechtigd zijn). Bij staking van stemmen (= gelijk aan pro en contra) is de stem van de voorzitter doorslaggevend (cfr. werkwijze die ook geldt voor klassenraden);

2. elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3. een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;

4. een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen. Eén van die stappen kan het horen zijn van een of meer leden van de begeleidende klassenraad die een verplicht advies over de definitieve uitsluiting heeft moeten geven;

5. de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden van het onderwijs. Hiermee wordt gealludeerd op de rechten om op bepaalde tijdstippen (bv. schoolvakanties) niet met schoolopdrachten te kunnen worden belast, tenzij dit in het arbeidsreglement van de school uitdrukkelijk is geregeld;

6. een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het schoolreglement.

5.2.6.5. Resultaat beroepscommissie.

De beroepscommissie heeft drie alternatieven:

1. het beroep is onontvankelijk en wordt gemotiveerd afgewezen; dit kan als de termijn voor indiening, vastgelegd in het schoolreglement, wordt overschreden of als het beroep niet voldoet aan de vormvereisten die in het schoolreglement zijn voorzien;

2. de definitieve uitsluiting wordt bevestigd;

3. de definitieve uitsluiting wordt vernietigd.

De beroepscommissie heeft volheid van bevoegdheid en beslist op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten. Toch draagt het schoolbestuur steeds de verantwoordelijkheid voor de genomen beslissing. Achterliggende reden hiervoor is de algemene erkenningsvoorwaarde dat het schoolbestuur de verantwoordelijkheid opneemt voor het onderwijs dat het inricht (cfr. de verantwoordelijkheid voor klassenraadsbeslissingen berust trouwens ook bij het schoolbestuur). Anderzijds is dit niet onlogisch omdat de beroepscommissie (zoals een klassenraad vanuit het werkgeverschap) door datzelfde schoolbestuur wordt samengesteld.

5.2.7. Opdracht voor het CLB.

Conform de regelgeving op de operationele CLB-doelstellingen, moet elk CLB een begeleidingstaak opnemen t.a.v. elke leerling die in de loop van het schooljaar wordt geschorst of uitgesloten. Hoewel de leerling ernstig in de fout is gegaan (of, in het geval van schorsing, daarrond sterke vermoedens bestaan), kan hij niet volledig aan zijn lot worden overgelaten met het risico op herval. Het CLB moet dan ook actie ondernemen gericht op remediëring, ondersteuning en sensibilisering. De school en het schoolbestuur staan in deze dus niet alleen.

6. Leerlingengegevens.

Elke school verzamelt een waaier aan leerlingengegevens, zoals bv. beslissingen en adviezen van de klassenraad, bijzondere remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, keuze van levensbeschouwelijk vak.

Het decreet van 4 april 2014 houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositie van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs en betreffende participatie op school bepaalt voor het eerst expliciet:

1. de mogelijke overdracht van leerlingengegevens van de ene naar de andere school en de voorwaarden waaronder deze overdracht dient te gebeuren; de optimalisering van de individuele studieloopbaan van de leerling staat hierbij steeds voorop;

2. het recht voor de betrokken personen op inzage, toelichting en kopie met betrekking tot de eigen leerlingengegevens; op deze manier worden ze in staat gesteld om het onderwijscurriculum van de betrokken leerling systematisch op te volgen en - indien zij dat wensen - er op in te grijpen, evenwel altijd zonder afwending voor andere doeleinden (bv. om de desbetreffende school op enigerlei manier in diskrediet te brengen).

6.1. Gegevensoverdracht tussen scholen bij schoolverandering.

Wanneer een leerling van onderwijsinstelling verandert, vindt er een overdracht van leerlingengegevens tussen de betrokken onderwijsinstellingen plaats. Deze overdracht is gebonden aan een aantal strikte voorwaarden:

1° de gegevens hebben uitsluitend betrekking op de onderwijsloopbaan van een specifieke leerling;

2° de overdracht gebeurt uitsluitend in het belang van de leerling op wie de onderwijsloopbaan betrekking heeft;

3° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, mag de overdracht niet gebeuren als de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten, nadat ze - op hun verzoek - de gegevens hebben ingezien. Verplichte overdracht is er in volgende gevallen:

1) het aantal problematische afwezigheden;

2) de toegekende attestering;

3) een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag (opgemaakt door het CLB).

Via het schoolreglement zijn de leerling en de betrokken personen op de hoogte van het automatisme van deze gegevensoverdracht bij schoolverandering. De school moet m.a.w. voor een overdracht van leerlingengegevens niet de toestemming van de betrokken personen vragen; het zijn daarentegen de betrokken personen die het initiatief tot niet-overdracht moeten nemen.

Een tuchtdossier en tuchtmaatregelen zijn nooit overdraagbaar tussen scholen.

6.2. Inzage-, toelichtings- en kopierecht.

De betrokken leerling en de betrokken personen hebben recht op inzage in en recht op toelichting bij de gegevens die op de leerling betrekking hebben, zoals bv. evaluatiegegevens, die de school verzamelt. Een toelichting bij de inzage kan immers voor meer duiding bij de gegevens zorgen, eventuele vragen ter verduidelijking kunnen op die manier extra aandacht krijgen.

Als bepaalde gegevens ook een of meer andere leerlingen betreffen en volledige inzage door de betrokken leerling en de betrokken personen afbreuk zou doen aan het recht van die andere leerling(en) op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kunnen de betrokken leerling en de betrokken personen alleen via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage toegang krijgen tot deze gegevens.

Pas na gebruikmaking van het inzage- en toelichtingsrecht kunnen de betrokken leerling of de betrokken personen kopierecht uitoefenen. De school dient hen een kopie te bezorgen, eventueel tegen een vergoeding waarvan de grootteorde is voorzien in het onderdeel "financiële bijdrageregeling" van het schoolreglement. Elke kopie moet persoonlijk en vertrouwelijk worden behandeld en mag uitsluitend worden gebruikt in functie van de onderwijsloopbaan van de leerling.

Het schoolreglement moet vanaf het schooljaar 2014-2015 de voorwaarden expliciteren waaronder de betrokken leerling en de betrokken personen dit inzage, toelichtings- en kopierecht kunnen uitoefenen.

7. De klassenraad en klassendirectie.

7.1. De klassenraad.

De "klassenraad" is een orgaan dat als een emanatie van het schoolbestuur optreedt. De klassenraad beschikt over een discretionaire bevoegdheid, wat niet belet dat het schoolbestuur de krijtlijnen kan vastleggen waarin de klassenraad, zoals geïnstalleerd door het schoolbestuur, moet werken. Het schoolbestuur draagt immers de juridische verantwoordelijkheid voor het onderwijs (met inbegrip van klassenraadsbeslissingen), is werkgever van het schoolpersoneel en heeft de erkenning van de overheid gekregen. Elke klassenraad oefent m.a.w. zijn bevoegdheden uit binnen het kader dat desgevallend door het schoolbestuur is uitgetekend.

De klassenraad, bijgestaan door het CLB, heeft als opdracht:

7.1.1. Voor iedere leerling een orthopedagogisch handelingsplan vast te leggen.

7.1.2. De vorderingen van de leerlingen te evalueren.

7.1.3. Steunend op deze evaluatie:

7.1.3.1. Een gemotiveerde beslissing te treffen bij overgangen binnen dezelfde opleidingsvorm.

7.1.3.2. Een gemotiveerd advies uit te brengen waarbij voor de leerling:

a) de overgang naar een andere opleidingsvorm wordt voorgesteld;

b) de overgang naar het gewoon onderwijs wordt aanbevolen.

7.1.4. De pedagogische eenheden te vormen (zie verder onder punt 8.2.).

7.1.5. De uitwerking van belangstellingspunten, onderwijsthema's en planningsdocumenten die de handelingsplanning aansturen.

7.1.6. De bijwerking van leerlingen zonder dat deze lesuren in het algemeen lessenrooster opgenomen worden.

7.1.7. De samenstelling van de klassenraad:

7.1.7.1. Naargelang het onderwijs al dan niet leerjaar- en klasdoorbrekend georganiseerd is, wordt de samenstelling van de klassenraad bepaald in functie van een klas of van een pedagogische eenheid gevormd voor één of meer leervakken en/of opvoedende activiteiten.

7.1.7.2. De klassenraad is samengesteld uit leden van het onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel, het medisch, orthopedagogisch, paramedisch, psychologisch en sociaal personeel, die voorzien in het onderricht en de opvoedende activiteiten van één of meer leerlingen.

7.1.8. De werking van de klassenraad:

7.1.8.1. De directeur of zijn afgevaardigde, de klastitularis, zit de klassenraad voor.

Alle leden van de klassenraad zijn gelijkgerechtigd, onverschillig het aantal uren dat zij per week in de klas of pedagogische eenheid presteren.

7.1.8.2. Van iedere klassenraad worden notulen opgemaakt. Deze moeten ten minste de volgende gegevens bevatten:

1) de pedagogische eenheid;

2) de datum, het begin en het einde van de vergadering;

3) de naam van de klastitularis en van de aanwezige leden;

4) het verslag van de behandelde punten o.m. onderwerp, motivering, advies of beslissing.

7.1.8.3. Alle documenten betreffende de klassenraad worden steeds in de school bewaard en ter beschikking gehouden van de inspectie en de verificatiedienst.

7.1.9. De klassenraad wordt in principe wekelijks en buiten de lesuren gehouden. Ingeval de wekelijkse vergadering van de klassenraad om bepaalde redenen niet doorgaat, worden de hiervoor voorziene individuele prestaties verstrekt onder de vorm van individuele of groepsgewijze bijwerking van de leerlingen. In afwijking van het voorgaande kan ook gekozen worden voor andere stelsels op voorwaarde dat het totaal aantal uren klassenraad voorzien per maand binnen dezelfde maand wordt gepresteerd.

7.1.10. De bepalingen mbt de toekenning en aanwending van de uren klassenraad vindt u terug in: SO/2011/01(buso).

7.2. De klassendirectie.

7.2.1. Het personeelslid dat belast is met de klassendirectie is het lid van het onderwijzend personeel dat instaat voor de coördinatie van de opvoedingsactiviteiten uitgewerkt binnen het door de klassenraad bepaald handelingsplan van een leerlingengroep. Dit personeelslid fungeert als secretaris van de klassenraad.

Dit secretariaat omvat o.m.:

1° het bijhouden van het individueel dossier van de leerlingen van zijn pedagogische eenheid;

2° het opmaken van de notulen van de vergadering.

7.2.2. Het individueel dossier van de leerlingen omvat o.m.:

1° het attest en het verslag (niet het inschrijvingsverslag);

2° de gegevens verstrekt door het CLB;

3° de gegevens verstrekt door de verschillende categorieën van de personeelsleden verbonden aan de school;

4° gegevens verstrekt door vroeger bezochte scholen;

5° de concreet opgestelde handelingsplannen, de evaluatie en de regelmatige bijsturing van deze handelingsplannen;

6° de adviezen en beslissingen van de klassenraad;

7° alle relevante informatie om tot een goede beeldvorming te komen met het oog op het individueel handelingsplan.

De gegevens van het individueel dossier zijn vertrouwelijk. De leden van de klassenraad, de personeelsleden gelast met de permanente begeleiding van de leerlingen en de leden van de inspectie en de verificatiedienst kunnen kennis nemen van dit dossier. Zij zijn door het ambtsgeheim (voor leraren, inspectie en verificatie) of het beroepsgeheim (voor personeelsleden van de CLB's) gebonden. De betrokken personen hebben recht op inzage, toelichting en kopie met betrekking tot de eigen leerlingengegevens. Het schoolreglement moet vanaf het schooljaar 2014-2015 de voorwaarden expliciteren waaronder de betrokken leerling en de betrokken personen dit inzage, toelichtings- en kopierecht kunnen uitoefenen.

7.2.3. De bepalingen mbt de berekening en aanwending van de uren klassendirectie vindt u terug in: SO/2011/01(buso).

8. De indeling van de leerlingen in pedagogische eenheden.

8.1. De pedagogische eenheden.

De pedagogische eenheid kan bestaan uit leerlingen die zowel tot eenzelfde als tot verschillende types behoren. Deze leerlingen worden in een pedagogische eenheid tijdelijk of bestendig gegroepeerd met het oog op het verstrekken van opvoeding en onderwijs aangepast aan hun opvoedingsbehoeften.

De indeling van de leerlingen in pedagogische eenheden behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de klassenraden, bijgestaan door het CLB. De criteria die daarbij gehanteerd worden zijn afhankelijk van de pedagogische opties van het schoolbestuur, die hierbij over een volledige keuzevrijheid beschikt.

8.2. Pedagogische vrijheid.

Rekening houdend met de vrijheid, die het schoolbestuur inzake de pedagogische methode bezit, wordt onder dit punt slechts informatie en geen richtlijn verstrekt.

De criteria die kunnen gebruikt worden om de leerlingen in pedagogische eenheden in te delen zijn bvb. de door de leerling gemaakte vordering inzake taal, rekenen, zelfredzaamheid, communicatie, motorische mogelijkheden, de chronologische leeftijd, het mentale ontwikkelingsniveau, ...

De leerlingen kunnen naargelang de opvoedkundige activiteit, het leervak of het onderdeel hiervan in verschillende pedagogische eenheden worden ingedeeld.

Een leerling kan uiteraard ook deel uitmaken van verschillende pedagogische eenheden.

De pedagogische eenheden kunnen samengesteld worden voor de duur van het schooljaar of voor een gedeelte ervan. In dat laatste geval wordt de samenstelling van de pedagogische eenheid periodiek door de klassenraad herzien.

8.3. Bindende regels voor de vorming van de pedagogische eenheden in de opleidingsvormen 1, 2 en 3.

In het buitengewoon secundair onderwijs kunnen de pedagogische eenheden zowel afzonderlijk voor één type als gezamenlijk voor verschillende types van buitengewoon onderwijs georganiseerd worden.

Behoudens geval van overmacht is het maximum aantal leerlingen in een pedagogische eenheid beperkt tot tweemaal het richtgetal. Worden binnen eenzelfde pedagogische eenheid verschillende types georganiseerd, dan geldt het hoogste richtgetal.

9. (Geïntegreerde) Algemene en Sociale Vorming (GASV).

In sommige structuuronderdelen van het gewoon secundair onderwijs en opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs kunnen bepaalde vakken vervangen worden door het Project Algemene Vakken (PAV). Deze werkvorm kan ook zinvol zijn voor de andere opleidingsvormen van het buitengewoon secundair onderwijs. In dat geval kunnen taal en/of rekenen en/of maatschappelijke vorming en/of creatieve activiteiten geïntegreerd worden verstrekt als "Geïntegreerde Algemene en Sociale Vorming" of "GASV".

Ze worden dan niet als apart vak aangeboden.

Het al dan niet aanbieden van ASV onder geïntegreerde vorm behoort tot de pedagogische keuzevrijheid van de school.

De school die GASV organiseert moet de lesuren levensbeschouwelijke vakken (lesuren R.K. godsdienst, lesuren N.C. zedenleer) en de lesuren lichamelijke opvoeding wel nog als afzonderlijk vak organiseren.

De GASV kan verschillend zijn per fase van de opleiding in opleidingsvorm 3. Zo kan een school eventueel de vakkensplitsing handhaven in de observatiefase en de opleidingsfase en GASV geven in de kwalificatiefase.

De werkvorm kan ook worden toegepast op een gedeelte van de ASV-vakken. Zo kan een school "rekenen" als een afzonderlijk vak blijven organiseren en "taal, maatschappelijke vorming en creatieve activiteiten" vervangen door GASV.

Ook compensatietechnieken (bvb. compensatietechnieken braille type 6, gebarentaaltechnieken type 7, edm.) kan men als een afzonderlijk vak blijven organiseren.

De vakken die afzonderlijk worden georganiseerd moeten als dusdanig op de activiteitentabel worden vermeld.

Scholen (zowel zij die GASV wensen te organiseren, als zij die afzonderlijke vakken organiseren) doen dit op basis van de ontwikkelingsdoelen die voor de opleidingsvorm zijn bepaald. Ontwikkelingsdoelen voor het voltijds buitengewoon secundair onderwijs zijn doelen op het vlak van kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes die de overheid wenselijk acht voor zoveel mogelijk leerlingen van de leerlingenpopulatie. In samenspraak met het CLB en zo mogelijk in overleg met de ouders en eventueel andere betrokkenen, kiest de klassenraad de ontwikkelingsdoelen die aan individuele leerlingen of pedagogische eenheden worden aangeboden en uitdrukkelijk nagestreefd (zowel in ASV als in BGV). (artikel 263 §1 en §2 van de Codex Secundair Onderwijs).

Voor opleidingsvorm 3 zijn de ontwikkelingsdoelen bepaald door het Decreet van 19 juli 2002 tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3.

De school ontwikkelt op schoolniveau plannen die ondermeer zorgen voor de horizontale en verticale samenhang en de logische opbouw van het vormingsaanbod in opleidingsvorm 1, 2 en 3 (bvb. een samenhang en logische opbouw doorheen de verschillende fasen van de opleiding in opleidingsvorm 3).

Deze plannen dienen echter niet ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de inspectie. Ze zijn te beschouwen als de inventaris van het vormingsaanbod en kunnen dus in principe gelden voor meer dan één schooljaar.

Het selecteren uit en vertalen van deze programma's gebaseerd op de concrete pedagogische eenheid vormt een onderdeel van de handelingsplanning. Het handelingsplan komt tot stand zoals bepaald in artikel 266 §2 van de Codex Secundair Onderwijs. De neerslag van de handelingsplanning is terug te vinden in de planningsdocumenten. De scholen kunnen door hun pedagogische vrijheid zelf de procedures, de benamingen en de vorm van de documenten bepalen.

De modelformulieren van de activiteitentabellen bevatten zowel de mogelijkheid om te opteren voor vakkensplitsing als voor GASV.

Scholen (zowel zij die GASV wensen te organiseren als zij die afzonderlijke vakken organiseren) dienen hun activiteitentabellen, die overeenkomen met de reële situatie, (modellen zie bijlage nr. 12, 13 en 14) ter beschikking van de inspectie op school te houden.

10. Extramuros activiteiten, stage in groepen lesbijwoning in een andere school.

10.1. Extramuros activiteiten.

10.1.1. Extramuros activiteiten worden in twee categorieën onderverdeeld: Enerzijds kan het gaan om lessen in een andere vormingsinstelling die geen school is, observatieactiviteiten en bedrijfsbezoeken. Anderzijds zijn extramuros activiteiten ook alle binnen- of buitenlandse schooluitstappen of daaraan verwante activiteiten.

10.1.2. Deze extramuros activiteiten worden niet met stages gelijkgesteld.

10.1.3. De voorwaarden waaraan deze activiteiten moeten voldoen vindt u terug in de omzendbrief SO/2004/06.

Gemeenschappelijk is dat alle extramuros activiteiten door de schoolpolis moeten zijn gedekt.

10.2. Stage in groep.

10.2.1. In opleidingsvorm 1, 2, 3 en 4 bestaat de mogelijkheid om stage in groep te organiseren. De bepalingen met betrekking tot leerlingenstages in groep zijn opgenomen in de omzendbrief SO/2016/01 (BuSO).

10.2.2. De mogelijkheid om bepaalde vaardigheden en/of trainingen aan te bieden in een werkplek ontheft de school niet van de verplichting voor elke opleiding over de minimale basisuitrusting te beschikken.

10.3. Lesbijwoning in een andere school.

10.3.1. Door leerlingen van opleidingsvorm 1, 2, 3 en 4 in een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs voor maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren.

De mogelijkheid wordt voorzien dat enkele leerlingen of zelfs alle leerlingen van een klasgroep van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 1, 2, 3 of 4 gedurende een deel of het geheel van het schooljaar bepaalde lessen volgen in een andere school voor voltijds gewoon secundair onderwijs. Hieronder wordt dan verstaan:

- een andere school dan de school waarin de leerling is ingeschreven;

- een andere school van hetzelfde of een ander schoolbestuur;

- lesverstrekking door onderwijzend personeel van die andere school;

- mobiliteit van leerlingen naar die andere school.

Dergelijke samenwerking tussen scholen is niettemin aan een aantal gecumuleerde voorwaarden onderworpen:

1° de regeling wordt in het schoolreglement opgenomen, zodat de betrokken personen er vooraf op de hoogte van zijn;

2° uitsluitend het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven, is op die leerling van toepassing;

3° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken scholen;

4° uitsluitend de school waar de leerling is ingeschreven, is bevoegd en verantwoordelijk voor evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg;

5° de leraars van de andere school die aan de leerling lesgeven:

a) maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval de scholen tot hetzelfde schoolbestuur behoren (dit houdt verband met het feit dat de eindverantwoordelijkheid voor de onderwijsverstrekking in beide scholen sowieso bij eenzelfde schoolbestuur ligt);

b) maken raadgevend deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval de scholen niet tot hetzelfde schoolbestuur behoren;

6° de samenwerking tussen de scholen wordt vastgelegd in een overeenkomst die in beide scholen ter inzage moet liggen met het oog op administratieve controle (verificatie) en externe kwaliteitscontrole (inspectie). Die overeenkomst moet minimaal bevatten:

a) de samenwerkende scholen, met duidelijke vermelding van de school waar de leerling is ingeschreven;

b) de invulling van de samenwerking (waarbij een waaier aan organisatorische, materiële, infrastructurele, didactische ... aspecten aan bod kan komen naargelang van de situatie);

c) de looptijd van de samenwerking (eventueel schooljaaroverstijgend);

d) duidelijke afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg;

7° de leerling kan maximaal op schooljaarbasis gemiddeld halftijds een deel van de vorming bijwonen in het gewoon onderwijs, dit wil zeggen maximaal op schooljaarbasis gemiddeld gedurende de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waarvoor hij is ingeschreven;

8° deze regeling is voor een leerling van het buitengewoon secundair onderwijs gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met de lesbijwoning in een andere school van buitengewoon secundair onderwijs (10.3.2.).

10.3.2. Lesbijwoning in een andere school van het buitengewoon secundair onderwijs school in dezelfde administratieve groep.

De mogelijkheid wordt voorzien dat enkele leerlingen of zelfs alle leerlingen van een klasgroep van het buitengewoon secundair onderwijs een deel van de vorming van de opleidingsvorm en in voorkomend geval ook opleiding of studierichting waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van een andere school in dezelfde opleidingsvorm en in dezelfde administratieve groep voor buitengewoon secundair onderwijs, dan de school waarin de leerling is ingeschreven en dit op een vestigingsplaats van die andere school.

Dergelijke samenwerking tussen scholen is niettemin aan een aantal gecumuleerde voorwaarden onderworpen:

1° de regeling wordt in het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven opgenomen, zodat de betrokken personen er vooraf op de hoogte van zijn;

2° het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven, blijft onverkort van toepassing;

3° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken scholen;

4° de leraars van de andere school die aan de leerling vorming geven:

a) maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die tot hetzelfde schoolbestuur behoren;

b) maken raadgevend deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die niet tot hetzelfde schoolbestuur behoren;

5° uitsluitend de school waar de leerling is ingeschreven, is bevoegd en verantwoordelijk voor evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg;

6° de samenwerking tussen de scholen wordt vastgelegd in een overeenkomst die in beide scholen ter inzage moet liggen met het oog op administratieve controle (verificatie) en externe kwaliteitscontrole (inspectie). Die overeenkomst moet minimaal bevatten:

a) de samenwerkende scholen, met duidelijke vermelding van de school waar de leerling is ingeschreven;

b) de invulling van de samenwerking (waarbij een waaier aan organisatorische, materiële, infrastructurele, didactische ... aspecten aan bod kan komen naargelang van de situatie;

c) de looptijd van de samenwerking (eventueel schooljaaroverstijgend);

d) duidelijke afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg.

7° de leerling kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in de andere school van het buitengewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven;

8° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met de lesbijwoning in het gewoon secundair onderwijs (10.3.1.).

11. Structuur en organisatie van opleidingsvorm 1.

In opleidingsvorm 1 beogen de activiteiten vooral het ontwikkelen van de zelfredzaamheid, de communicatiemogelijkheden, de senso-motoriek en de sociale vorming van de leerlingen in de contexten wonen, werken en vrije tijd.

Voor iedere leerling van opleidingsvorm 1 wordt een onderwijsaanbod bepaald door de klassenraad in samenspraak met het CLB en zo mogelijk in samenspraak met de ouders en de leerling, en dit minstens tot op het einde van de leerplicht. Iedere leerling die dan de school verlaat, heeft recht op een attest, ondertekend door de directeur (model zie bijlage nr. 1).

In opleidingsvorm 1 van het buitengewoon secundair onderwijs behoren alle leer- en opvoedende activiteiten tot de Algemene en Sociale Vorming. Ook de compensatietechnieken, de lichamelijke opvoeding en de lessen in de erkende godsdiensten, in de niet-confessionele zedenleer of in de cultuurbeschouwing worden eronder gerangschikt. Voor deze opleidingsvorm dienen de scholen een activiteitentabel, die overeenkomt met de reële situatie, (model zie bijlage nr. 12) ter beschikking van de inspectie op school te houden.

In deze opleidingsvorm kunnen stages of sociaal maatschappelijke trainingen worden ingericht. De duur en het doel ervan wordt bepaald door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en zo mogelijk in samenspraak met de ouders en de leerling, met respect voor de bepalingen uit de omzendbrief inzake leerlingenstages, sociaal-maatschappelijke trainingen, observatieactiviteiten en praktijklessen op verplaatsing in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 1, 2 en 3 SO/2016/01 (BuSO) .Uitzonderlijk kunnen de stages georganiseerd worden tijdens de vakanties (inhaalstages), op voorwaarde dat de voorwaarden in de omzendbrief over de organisatie van het secundair onderwijs SO 74 (in het bijzonder punt 5.3 d) gerespecteerd worden.

12. Structuur en organisatie van opleidingsvorm 2.

Opleidingsvorm 2 omvat twee fasen, elke fase duurt ten minste twee leerjaren.

De eerste fase geeft voorrang aan de Algemene en Sociale Vorming en waarborgt tevens de arbeidsgerichte vorming. Ten minste vijftien lesuren per week worden voorbehouden aan de Algemene en Sociale Vorming.

De tweede fase geeft voorrang aan de arbeidsgerichte vorming. Ten minste negen lesuren per week worden voorbehouden aan de Algemene en Sociale Vorming.

De klassenraad, in samenspraak met het CLB, bepaalt voor iedere leerling de duur van elke fase.

In opleidingsvorm 2 behoren de leeractiviteiten met betrekking tot:

a) de algemene en sociale aanpassing, de compensatietechnieken, de lichamelijke opvoeding en de lessen in de erkende godsdiensten, in de niet-confessionele zedenleer of in de cultuurbeschouwing tot de Algemene en Sociale Vorming;

b) de technische en praktische beroepsopleiding tot de Beroepsgerichte Vorming.

Voor deze opleidingsvorm dienen de scholen een activiteitentabel, die overeenkomt met de reële situatie, (model zie bijlage nr. 13) ter beschikking van de inspectie op school te houden.

In deze opleidingsvorm kunnen stages worden ingericht. Deze worden georganiseerd gedurende de tweede fase, tijdens het schooljaar, met respect voor de bepalingen uit SO/2016/01 (BuSO). Uitzonderlijk kunnen deze stages georganiseerd worden tijdens de vakanties (inhaalstages), op voorwaarde dat de voorwaarden in SO 74 (in het bijzonder punt 5.3 d) gerespecteerd worden.

In opleidingsvorm 2 kan een leerling tijdens het laatste jaar van de tweede fase op basis van individuele handelingsplanning, na beslissing van de klassenraad, en zo mogelijk in samenspraak met de ouders en de leerling, een stage volgen onder een alternerende vorm van stage en vorming op school op weekbasis (meer hierover in punt 3.1.1.van de SO/2016/01 (BuSO).

Iedere leerling die de school verlaat na de tweede fase, op het einde van het schooljaar of in de loop van het schooljaar, heeft recht op een attest, ondertekend door de directeur (model zie bijlage nr. 2).

13. Structuur en organisatie opleidingsvorm 3.

13.1. Begrippen.

- opleiding: een geheel van onderwijs- en studieactiviteiten, erkend door de Vlaamse Gemeenschap en bestaande uit een algemeen vormende en een beroepsgerichte component. Een opleiding kan modulair of lineair georganiseerd worden.

- opleidingsprofiel: een geheel van vaardigheden, kennis en attitudes, die binnen een opleiding aangeboden moeten worden.

- assistentniveau: een kwalificatie die betrekkelijk eenvoudig werk omvat:

- de beroepsbeoefenaar is verantwoordelijk voor het eigen takenpakket;

- het takenpakket bestaat vooral uit het toepassen van geautomatiseerde routines en van standaardprocedures;

- het betreft functiegebonden vaardigheden en kennis.

- sleutelvaardigheden: cognitieve, psychomotorische en affectieve vaardigheden die tot de kern van het beroep behoren, bovendien ruimer inzetbaar zijn dan in het beroep waartoe wordt opgeleid en die bijdragen tot de algemene persoonsvorming.

13.2. Structuur.

Opleidingsvorm 3 omvat 4 fases: het observatiejaar, de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de facultatieve integratiefase.

In deze opleidingsvorm moeten stages worden ingericht. Deze worden georganiseerd gedurende de kwalificatiefase, tijdens het schooljaar, met respect voor de bepalingen uit SO/2016/01 (BuSO).Tijdens de opleidingsfase zijn stages in groep mogelijk, maar niet verplicht, met respect voor de bepalingen uit SO/2016/01 (BuSO). Uitzonderlijk kunnen deze verplichte stages georganiseerd worden tijdens de vakanties (inhaalstages), op voorwaarde dat de voorwaarden in SO 74 (in het bijzonder punt 5.3 d) gerespecteerd worden. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een stage.

13.3. Organisatie.

In opleidingsvorm 3 behoren:

a) de niet-beroepsgerichte leer- en opvoedende activiteiten, de compensatietechnieken, de lichamelijke opvoeding en de lessen in de godsdienst, de niet-confessionele zedenleer of in de cultuurbeschouwing tot de Algemene en Sociale Vorming;

b) de technische en praktische beroepsopleiding tot de Beroepsgerichte Vorming.

Uitzondering: Bij de programmatie van de opleidingen Winkelhulp en Receptiemedewerker had het schoolbestuur in 2001-2002 de keuze om de beroepsopleiding van de in de opleidingsprofielen vastgelegde competenties onder te brengen bij de Algemene en Sociale Vorming of bij de Beroepsgerichte Vorming.

13.4. Opleidingen.

In 2002 is in opleidingsvorm 3 een nieuwe opleidingenstructuur gecreëerd, met opleidingen waarvan de meeste werden afgeleid van beroepsprofielen. Betrachting is ondermeer een maximum aan gekwalificeerde uitstroom te realiseren en een transparant aanbod uit te werken voor scholen, leerlingen, ouders, werkgevers en gebruikers in het algemeen.

De volgende 28 opleidingen kunnen in opleidingsvorm 3 worden georganiseerd:

1. Auto-hulpmechanicien (S-opleiding)

2. Aluminium- en kunststofschrijnwerker

3. Bakkersgast

4. Boekbinder (S- opleiding)

5. Confectiestikker

6. Grootkeukenmedewerker

7. Hoeklasser

8. Hulpwever

9. Interieurbouwer

10. Kappersmedewerker (S- opleiding)

11. Logistiek assistent in ziekenhuizen en zorginstellingen

12. Loodgieter

13. Magazijnmedewerker

14. Metselaar

15. Meubelstoffeerder

16. Onderhoudshulp in instellingen en professionele schoonmaak

17. Onderhoudsassistent (*)

18. Plaatbewerker

19. Plaatslager

20. Receptiemedewerker

21. Schilder-decorateur

22. Slagersgast

23. Tuinbouwarbeider

24. Vloerder-tegelzetter

25. Wasserijoperator (S- opleiding)

26. Werkplaatsschrijnwerker

27. Winkelhulp

28. Zeefdrukker (S- opleiding)

"S" betekent dat scholen deze opleiding alleen mogen organiseren wanneer zij in het schooljaar 2001-2002 reeds over een gelijkaardige afdeling beschikten. Nieuwe programmaties (zie ook de omzendbrief over rationalisatie en programmatie SO/2006/03(BuSO))van deze opleidingen zijn dus niet mogelijk.

Als bijlage nr. 11 bij deze omzendbrief vindt u voor iedere opleiding het corresponderende opleidingsprofiel.

(*) De opleiding onderhoudsassistent bestaat uit 3 componenten, die een basis bieden die is gekozen uit 5 verschillende opleidingen, aangevuld met specifieke vaardigheden voor het elementair onderhoud binnen en buiten.

De 5 gehelen omvatten de basis van hout, bouw, tuinbouw, installatietechnieken en schilderen.

De school kan daarbij haar aanbod ondermeer bepalen, rekening houdend met de tewerkstellingsmogelijkheden in haar regio.

De leerling die de vaardigheden van drie van deze componenten beheerst, behaalt het getuigschrift van onderhoudsassistent.

Deze eenheden worden op het getuigschrift vermeld.

Bvb.: onderhoudsassistent voor hout, schilderen en installatietechnieken.

13.5. Verloop van de opleiding en samenzettingen.

13.5.1. Verloop van de opleiding.

Het doorlopen van de verschillende fasen van een opleiding gebeurt bij gemotiveerde beslissing van de klassenraad en op basis van handelingsplanning.

Bij het verloop van de opleiding wordt rekening gehouden met het recht op redelijke aanpassingen (cf. VN-verdrag). Het individuele handelingsplan wordt op basis van evaluatie en in overleg met de ouders en/of de leerling aangepast. In dit individueel handelingsplan wordt vastgelegd welke competenties prioritair worden nagestreefd, zodat de leerling alle kansen krijgt om het getuigschrift van het afgerond geheel binnen de gevolgde opleiding of een attest van verworven bekwaamheden te behalen. De opleidingen waarvoor een getuigschrift van het afgerond geheel mogelijk is, vindt u terug in bijlage nr. 9.

Binnen de doelenfase van de handelingsplanning worden door de klassenraad per periode van maximaal één schooljaar ontwikkelingsdoelen geselecteerd op maat van de leerling. Dit geldt zowel voor de Beroepsgerichte als voor de Algemene en Sociale Vorming.

De inhouden van de opleidingen die in het buitengewoon onderwijs worden aangeboden, werden voor ASV uitgeschreven in de lijst met ontwikkelingsdoelen die bekrachtigd werden door het Decreet van19 juli2002tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3.

Voor Beroepsgerichte Vorming (BGV) vormen de opleidingscompetenties, ondersteunende kennis en sleutelvaardigheden inhoudelijk de bouwstenen van een opleiding. Die bouwstenen liggen vast in het opleidingsprofiel. Ze geven aan een beroepsopleiding een vaste en duidelijk met het beroepsveld verbonden inhoud. Deze inhouden kunnen zowel in een lineair als in een modulair systeem aangeboden worden. De opleidingsprofielen vindt u terug in bijlage nr. 11. Het is de bedoeling dat de school zich zodanig organiseert dat alle in het opleidingsprofiel vastgestelde competenties kunnen nagestreefd worden binnen de normale studieduur zoals bepaald in de activiteitentabel (zie verder onder punt 13.10.).

13.5.2. Samenzettingen.

Samenzettingen van leerlingen over de verschillende fasen heen in een opleiding zijn toegelaten.

13.5.3. Observatiefase.

In principe duurt deze fase één schooljaar (d.w.z. van 1 september tot 30 juni van het daaropvolgende jaar). De klassenraad, in samenspraak met het CLB, kan de duur ervan aanpassen (verlengen of verkorten) door een gemotiveerde beslissing. Deze gemotiveerde beslissing moet opgenomen worden in het individueel handelingsplan.

De leerlingen krijgen naast Algemene en Sociale Vorming ook Beroepsgerichte Vorming. Deze BGV geeft minstens een initiatie in de opleidingen die de school aanbiedt. De school beslist zelf op welke manier zij deze initiatie organiseert zodat de leerling, in samenspraak met de klassenraad en de ouders, een gefundeerde keuze kan maken voor een beroep en de beroepsopleiding.

13.5.4. Opleidingsfase.

Deze fase duurt tenminste twee volledige schooljaren. De klassenraad kan, conform de bovenvermelde regel, in samenspraak met het CLB, de duur van deze fase voor iedere leerling verlengen.

In deze fase kan de leerling op elk ogenblik nog opteren voor een andere opleiding.

De school kan voor BGV pedagogische eenheden vormen over de opleidingen heen, voor zover het over gelijkaardige leerinhouden gaat met dezelfde uitrusting en specialiteit van de leraar. Het individuele niveau van de leerlingen moet gerespecteerd worden

De leerling moet, indien hij ingeschreven wordt in de opleiding Grootkeukenmedewerker, Bakkersgast of Slagersgast, medisch geschikt zijn bevonden en een geschiktheidsverklaring van een arts kunnen voorleggen. Voor de opleiding waarin leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, moeten de leerlingen immers medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cfr. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door de school (dit kan bvb. de huisarts van de betrokken leerling zijn), vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele schoolverandering of verandering van opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt.

Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de leerling niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de leerling uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin met voeding wordt gewerkt, moet stopzetten.

Het FAVV hanteert de norm dat het attest waaruit blijkt dat de leerling medisch geschikt is bevonden uit het oogpunt van consumentenbescherming, steeds vereist is in opleidingen waar leerlingen rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten. Hierop geldt één uitzondering: indien eenzelfde leerlingengroep (lees: klas) voeding bereidt én nadien consumeert, is er geen verplichting tot medisch attest.

Vermits de leerprogramma’s van andere opleidingen dan Grootkeukenmedewerker, Bakkersgast en Slagersgast, dienaangaande een heterogeen beeld geven, is het onmogelijk voor de onderwijsoverheid om eenvormig te bepalen voor welke van die opleidingen het medisch attest wel of niet verplicht is. De schoolbesturen moeten, in het licht van de FAVV-norm, hierin zelf hun verantwoordelijkheid nemen en beslissen. Die beslissing houdt dus in of in de betrokken school/opleiding het medisch attest wel of niet een toelatingsvoorwaarde is voor alle leerlingen. Hierover wordt via het schoolreglement gecommuniceerd.

13.5.5. Kwalificatiefase.

De fase duurt in principe twee volledige schooljaren. Het veranderen van opleiding in de loop van de kwalificatiefase is niet mogelijk, tenzij mits verlenging van de studieduur, waardoor normaal gezien twee volledige schooljaren in de kwalificatiefase van zelfde opleiding gevolgd worden.

De klassenraad kan, in samenspraak met het CLB, de duur van deze fase voor iedere leerling aanpassen (verlengen of verkorten). Voor individuele leerlingen kan het traject ook uitzonderlijk verkort worden tot één schooljaar (de minimumduur).

De school vormt voor elke opleiding afzonderlijke pedagogische eenheden en organiseert stages die aansluiten bij de gevolgde opleiding. De stage in het laatste jaar van de opleidingsfase en in het eerste jaar van de kwalificatiefase moet gericht zijn op het verwerven van de competenties van de volledige opleiding of van een afgerond geheel dat leidt tot inzetbaarheid op de arbeidsmarkt.

De regeling in verband met de medische geschiktheid in aansluiting op de FAVV-regelgeving, vermeld in rubriek 13.5.4., is ook in de kwalificatiefase van toepassing.

13.5.6. Integratiefase.

De integratiefase is facultatief d.w.z. men schrijft zich hiervoor vrijwillig in. De integratiefase duurt één schooljaar. Deze facultatieve integratiefase van één schooljaar kan bij wijze van uitzondering door de klassenraad wel verlengd worden tot een tweede schooljaar, indien een leerling door omstandigheden een lange periode gewettigd afwezig was (door ziekte of door een andere reden) gedurende het eerste schooljaar van de integratiefase en daardoor geen getuigschrift behaalde.

De leerling die een getuigschrift van de opleiding heeft behaald, wordt van rechtswege toegelaten tot de integratiefase die daarbij aansluit.

De leerling die een getuigschrift van verworven competenties of een attest van verworven bekwaamheden heeft behaald, en daartoe door de klassenraad bekwaam worden geacht, wordt toegelaten tot de integratiefase.

De leerling die een attest beroepsonderwijs heeft behaald, kan niet worden toegelaten tot de integratiefase.

De leerling kan tot de leeftijd van 21 jaar (of na deze leeftijd, indien de leerling voldoet aan een voorwaarde vermeld in punt 3.2.1.1.) de integratiefase volgen, op voorwaarde dat hij eerder de kwalificatiefase heeft gevolgd. Dit kan ook als de integratiefase niet onmiddellijk aansluit op de kwalificatiefase.

13.6. Minimumlessentabel.

In OV3 geldt een minimumlessentabel voor alle scholen. De scholen kunnen de overige, vrije uren een eigen invulling geven. Deze uren noemt men complementaire uren.

Fases 

ASV 

BGV 

WERKERVARING 

TOTAAL 

Observatie 

14 

16 

 

32 

Opleiding 

10 

13 

 

32 

Kwalificatie 

10 

19 

Stage binnen BGV 

32 

Integratie 

14  

24 

38 

Vb. Het minimum van 10 uur ASV is gebaseerd op:

6 uur GASV+ 2 uur LO + 2 uur levensbeschouwelijk vak

13.7. Schoolloopbaan.

Omwille van leerlingenkenmerken kan er soepel ingespeeld worden op de soms complexe problematiek en schoolloopbaan van de leerlingen. Volgende principes staan voorop:

13.7.1. Algemene principes.

1. Een leerling moet minimum de laatste twee jaar van de kwalificatiefase dezelfde opleiding hebben gevolgd.

2. Als de toegang tot een bepaalde fase wordt verleend, moet dit gemotiveerd worden in de handelingsplanning.

3. De klassenraad is het verantwoordelijke orgaan voor de bewaking van het studiepeil van de opleiding en bijgevolg ook voor de gefundeerdheid van elk individueel getuigschrift of attest.

4. De klassenraad beslist in welke administratieve groep de leerling is ingeschreven.

5. Op basis van individuele handelingsplanning kan een leerling verschillende schooljaren ingeschreven zijn in dezelfde administratieve groep.

13.7.2. Specifieke bepalingen aanvullend op de algemene beginselen.

De klassenraad beslist, op basis van de gevolgde opleiding, de leeftijd en de verworven bekwaamheden (en rekening houdend met onderstaande bepalingen) tot welke fase en jaar een leerling wordt toegelaten (op elk moment in de loop van het schooljaar).

Een leerling kan vóór de leeftijd van 18 jaar een getuigschrift in opleidingsvorm 3 behalen. Hij is dan niet langer onderworpen aan de leerplicht (art. 1, § 3, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht).

Gezien er stageverplichting geldt in de kwalificatiefase,kunnen enkel leerlingen toegelaten worden tot deze fase indien ze de leeftijd van 15 jaar hebben bereikt en minstens 2 jaar secundair onderwijs hebben gevolgd.

Om het getuigschrift te kunnen behalen moet de leerling het eerste en tweede jaar van de kwalificatiefase in dezelfde opleiding hebben gevolgd. Voor het eerste jaar van de kwalificatiefase of een deel van dit jaar kan evenwel een vrijstelling worden verleend.

Opgelet : Het verlenen van vrijstelling(en) voor een of meer jaren mag niet tot gevolg hebben dat de leerling vóór de leeftijd van 18 jaar zijn opleiding in opleidingsvorm drie beëindigt.

De periode dat een leerling gewettigd afwezig is (zie ook SO/2002/05/buso), telt mee voor de berekening van de twee schooljaren van de kwalificatiefase. Zo kan bvb. een leerling van het tweede jaar van de kwalificatiefase, die met een code P één maand afwezig is gedurende het tweede jaar van de kwalificatiefase, voldoen aan de vereiste van twee schooljaren te volgen in één opleiding en kan dus (indien de kwalificatiefase niet wordt verlengd via individuele handelingsplanning) in aanmerking komen voor studiebekrachtiging.

De klassenraad kan een andere gevolgde opleiding in opleidingsvorm 3 of een gevolgde studierichting in opleidingsvorm 4 of in het gewoon secundair onderwijs gelijkwaardig verklaren en zo vrijstelling verlenen voor het eerste jaar van de kwalificatiefase of een deel van dit jaar. Hiertoe dient de klassenraad een gemotiveerde beslissing te nemen die ter inzage moet liggen van de verificatie en van de inspectie.

De klassenraad treft deze gemotiveerde beslissingen in overleg met het begeleidende CLB. Hij beslist autonoom op basis van de curricula omtrent de gelijkwaardigheid van de inhoud. De klassenraad moet concreet de grond(en) omschrijven waarom een vrijstelling wordt toegestaan of geweigerd. In de beslissing moet dus duidelijk worden gespecificeerd:

a) de leerjaren die reeds werden gevolgd (en gedeeltelijk werden gevolgd), met vermelding van de opleiding, het schooljaar en de school en het behaalde resultaat;

b) de reden(en) waarop het toestaan van de vrijstelling berust.

De gemotiveerde beslissing wordt ondertekend door de voorzitter van de klassenraad en door de directeur van het CLB of diens afgevaardigde.

Voor zij-instromers (leerlingen die uit een andere school komen) kan de klassenraad, om een goede beeldvorming te kunnen opmaken met het oog op het individueel handelingsplan, gemotiveerd afwijken van de bepalingen i.v.m. de duurtijd van de fases, die "tenminste twee volledige schooljaren" is. Zo kan bvb. een leerling vanuit het gewoon secundair onderwijs eerst enkele weken in de opleidingsfase van een opleiding worden ingeschreven, en na een maand, indien blijkt dat de leerling reeds de nodige competenties heeft bereikt, in de kwalificatiefase worden ingeschreven. Deze leerling wordt dan zo spoedig als mogelijk in de juiste fase ingeschreven en de duurtijd van de lessen in de opleidingsfase wordt beschouwd als gelijkgesteld met de duurtijd lessen in de kwalificatiefase.

Dit is ook het geval voor leerlingen van de eigen school, die in het begin van het schooljaar verlengd in een fase blijven in het kader van de individueel handelingsplanning van de klassenraad en na beperkte tijd de overgang maken naar de volgende fase. Ook hier kan de klassenraad gemotiveerd afwijken van de bepalingen i.v.m. de duurtijd van de fases, die "tenminste twee volledige schooljaren" is. Zo kan bvb. een leerling van de eigen school verlengd in de opleidingsfase van een opleiding worden ingeschreven, en na een maand, indien blijkt dat de leerling reeds de nodige competenties heeft verworven om over te gaan naar de volgende fase, in de kwalificatiefase worden ingeschreven. Deze leerling wordt dan zo spoedig als mogelijk in de juiste fase ingeschreven en de duurtijd van de lessen in de opleidingsfase wordt beschouwd als gelijkgesteld met de duurtijd lessen in de kwalificatiefase.

13.8. Studieadvies op het einde van de opleidingsfase.

Voor een leerling met een verslag van opleidingsvorm 3, type basisaanbod, die valt onder de toepassing van punt 3.1.5, de eerste mogelijkheid, is het advies van de klassenraad een verplicht advies. Dit advies van de klassenraad bevat minstens het advies van de klassenraad voor het vervolgtraject van de leerling in het gewoon secundair onderwijs en een opsomming van de reeds verworven competenties. Er is geen opgelegd model voor dit advies.

Voor een leerling van opleidingsvorm 3, die tot een ander type behoort of die niet de overgang zal maken naar het gewoon secundair onderwijs is het advies geen verplicht studieadvies, maar een mogelijk studieadvies. De klassenraad kan ervoor kiezen om een dergelijk advies te geven. Dit advies van de klassenraad bevat minstens het advies van de klassenraad voor het vervolgtraject van de leerling in het buitengewoon secundair onderwijs en een opsomming van de reeds verworven competenties. Er is geen opgelegd model voor dit advies.

13.9. Studiebekrachtiging in de kwalificatiefase.

13.9.1. De samenstelling van de kwalificatiecommissie.

De kwalificatiecommissie wordt voorgezeten door de directeur van de school of diens afgevaardigde. De commissie bestaat uit leden van het onderwijzend personeel en uit deskundigen op het vlak van de te beoordelen kwalificatie, die in aantal het aantal leraren niet mogen overschrijden. De deskundigen worden in de loop van het schooljaar door het schoolbestuur of haar afgevaardigde aangeduid.

De kwalificatiecommissie wordt door het schoolbestuur of haar afgevaardigde in de loop van de 1ste trimester van ieder schooljaar samengesteld.

13.9.2. De rol van de klassenraad (voor de kwalificatieproef).

Vóór de aanvang van de beraadslagingen van de kwalificatiecommissie beslist de klassenraad voor alle leerlingen van het laatste jaar van de kwalificatiefase over de toelating tot de kwalificatieproef. Daarnaast beslist de klassenraad ook over de toelating tot de kwalificatieproef van de leerlingen van de integratiefase/ ABO (die in de integratiefase/ABO zijn toegelaten door de klassenraad met een getuigschrift van verworven competenties voor een afgerond geheel binnen een opleiding of een attest van verworven bekwaamheden).

13.9.3. De rol van de kwalificatiecommissie.

De kwalificatiecommissie vergadert ten laatste de eerste maal in de loop van het 2de trimester van het schooljaar. Zij stelt dan een huishoudelijk reglement op waarbij haar werkzaamheden geregeld worden en bepaalt o.m. welke werkstukken die in de loop van het schooljaar zijn vervaardigd, schriften enz., als kwalificatieproef aan haar dienen overgelegd te worden. De kwalificatieproef kan ook de vorm van een eindwerk aannemen.

De leden van de kwalificatiecommissie kunnen zich ook in groepen opsplitsen met het oog op een betere regeling van de werkzaamheden. Hierbij dient het gemengd karakter, voor wat de samenstelling van de commissie betreft, behouden te blijven.

De leden van de kwalificatiecommissie kunnen voor het vervullen van hun opdracht, in overleg en samen met de directeur of zijn afgevaardigde, de leslokalen tijdens de lesuren bezoeken, zich werkstukken, schriften e.d. laten voorleggen.

Het resultaat van de kwalificatieproef is een advies van de kwalificatiecommissie over elke leerling, die tot de proef is toegelaten.

13.9.4. Rol van de klassenraad (na de kwalificatieproef).

Na de kwalificatieproef is het nogmaals aan de klassenraad, die rekening houdend met:

1° het advies van de kwalificatiecommissie,

2° de ontwikkelingsdoelen en competenties vastgelegd in de opleidingsprofielen,

3° de stage en

4° de attitude van de leerling

oordeelt of aan de leerling al dan niet het getuigschrift van de opleiding, het getuigschrift van verworven competenties voor een afgerond geheel dat leidt tot inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, het attest van verworven bekwaamheden of het attest beroepsonderwijs wordt toegekend.

Zoals vermeld in de omzendbrief SO 74 (organisatie schooljaar) kunnen de deliberaties niet eerder aanvangen dan de vijfde laatste lesdag van de maand juni. Van zodra een klassenraadsbeslissing is genomen, kan het resultaat ter kennis worden gebracht van de betrokken personen. Het schoolbestuur is bevoegd om te bepalen op welke datum en onder welke vorm de betrokken personen de klassenraadsbeslissing in ontvangst nemen. Dit hoeft niet perse op 30 juni te zijn en dit hoeft niet perse persoonlijk door de ouders op school te gebeuren. Bijvoorbeeld: het resultaat kan worden meegegeven met de leerling, het resultaat wordt op school overhandigd tijdens een proclamatieplechtigheid …. De desbetreffende ontvangstdatum en –vorm zijn bepaald in het schoolreglement. De school wijkt er enkel van af voor gevallen waar het besluitvormingsproces langer duurt of waar een beroep in het geding is; alsdan stelt het schoolbestuur de betrokken personen schriftelijk in kennis van de voorziene ontvangstdatum. Bijzondere aandacht: vermits de betrokken personen vooraf weten wanneer en hoe ze het evaluatieresultaat zullen ontvangen, wordt bij het niet effectief in ontvangst nemen van het resultaat, geacht het resultaat op de voorziene datum te zijn ontvangen! Ouders die, bijvoorbeeld, op dat tijdstip reeds op vakantie zijn vertrokken en geen weet hebben van een toegekend attest beroepsonderwijs, zouden hierdoor eventueel hun beroepsmogelijkheid kunnen verliezen omdat ze niet tijdig de te zetten stappen hebben ondernomen.

13.9.5. Schematische weergave van de certificering en de mogelijke getuigschriften en attesten in opleidingsvorm 3 in de kwalificatiefase.

Stap 1 (klassenraad) 

Stap 2 (kwalificatiecommissie) 

Stap 3 (certificering kwalificatiefase door klassenraad) 

Leerling wordt toegelaten door de klassenraad tot de kwalificatieproef 

Kwalificatiecommissie geeft advies aan de klassenraad na de kwalificatieproef  

Leerling krijgt van de klassenraad ofwel: 

 

 

- Een getuigschrift van de opleiding (zie bijlage nr. 3

 

 

- Een getuigschrift van verworven competenties voor een afgerond geheel binnen een opleiding (zie bijlage nr. 4). De enige opleidingen waarvoor een getuigschrift van verworven competenties kan worden uitgereikt, vindt u terug in bijlage nr. 9

 

 

- Een attest van verworven bekwaamheden (zie bijlage nr. 5): het attest vermeldt alle bekwaamheden uit het opleidingsprofiel die verworven zijn. 

 

 

- Een attest beroepsonderwijs (zie bijlage nr. 6): het attest vermeldt alleen de periode van lesbijwoning. 

Leerling wordt niet toegelaten door klassenraad tot kwalificatieproef 

 

Leerling krijgt van de klassenraad een attest beroepsonderwijs (zie bijlage nr. 6): het attest vermeldt alleen de periode van lesbijwoning. 

Bovenstaand schema in woorden:

Wanneer een leerling de opleiding heeft gevolgd, en de klassenraad de leerling naar de kwalificatiecommissie heeft doorverwezen, kan de klassenraad, rekening houdend met onder meer het advies van de kwalificatiecommissie, de volgende beslissingen nemen:

- het toekennen van het getuigschrift van de opleiding (zie bijlage nr. 3);

- het toekennen van een getuigschrift van verworven competenties voor een afgerond geheel binnen een opleiding (zie bijlage nr. 4), dat leidt tot reële inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. De verworven vaardigheden worden afgeleid uit het opleidingsprofiel. De enige opleidingen waarvoor een getuigschrift van verworven competenties kan worden uitgereikt, vindt u terug in bijlage nr. 9.

- het toekennen van een attest van verworven bekwaamheden (zie bijlage nr. 5): het attest vermeldt alle bekwaamheden uit het opleidingsprofiel die verworven zijn.

- het toekennen van een attest beroepsonderwijs (zie bijlage nr. 6): het attest vermeldt alleen de periode van lesbijwoning (bij dit attest dienen ook de elementen vermeld in punt 13.9.7. meegegeven worden).

Opgelet: Leerlingen die 1 van de 2 bovenstaande getuigschriften krijgen, kunnen nadien geen 2de opleiding meer volgen in opleidingsvorm 3. Ze kunnen evenmin opnieuw dezelfde opleiding volgen indien ze reeds 1 van de bovenstaande getuigschriften hebben ontvangen.

De getuigschriften, de attesten en het proces-verbaal worden ondertekend door de directeur en minstens 3 leden van de klassenraad.

13.9.6. Schematische weergave van de certificering en de mogelijke getuigschriften en attesten in opleidingsvorm 3 bij verlenging van de kwalificatiefase of in de integratiefase.

Stap 3 (certificering kwalificatiefase klassenraad)  

Stap 4 (toelating ABO/integratiefase of verlenging kwalificatiefase) 

Stap 5 (certificering ABO/integratiefase of verlengde kwalificatiefase) 

Leerling krijgt van de klassenraad ofwel: 

 

 

- Een getuigschrift van de opleiding (zie bijlage nr. 3

Leerling is van rechtswege toegelaten tot ABO/integratiefase 

Halen van een getuigschrift van de opleiding is niet meer aan de orde. Leerling krijgt van klassenraad ofwel: 

- Een getuigschrift van alternerende beroepsopleiding (indien deze met vrucht is beëindigd) (zie bijlage nr. 7)  

- Een attest van alternerende beroepsopleiding (zie bijlage nr. 8

- Een getuigschrift van verworven competenties voor een afgerond geheel binnen een opleiding (zie bijlage nr. 4) De enige opleidingen waarvoor een getuigschrift van verworven competenties kan worden uitgereikt, vindt u terug in bijlage nr. 9

- Ofwel is leerling op basis van de gemotiveerde beslissing van de klassenraad toegelaten tot ABO/integratiefase 

Idem supra (ivm getuigschrift ABO of attest ABO). 

Daarnaast kan de leerling, indien zij wordt toegelaten door de klassenraad tot de kwalificatieproef op het einde van ABO/integratiefase opnieuw een kwalificatieproef afleggen en een getuigschrift van de opleiding halen als de werkervaring voldoende nauw aansluit bij de opleiding. 

 

- Ofwel is leerling op basis van de gemotiveerde beslissing van de klassenraad toegelaten tot het laatste jaar van de kwalificatiefase bvb. op basis van handelingsplanning 

Leerling blijft in het laatste jaar van de kwalificatiefase en kan dan op het einde van het schooljaar weer toegelaten worden tot de kwalificatieproef (terug naar stap 1 en verder). 

- Een attest van verworven bekwaamheden (zie bijlage nr. 5): het attest vermeldt alle bekwaamheden uit het opleidingsprofiel die verworven zijn. 

 

- Ofwel is leerling op basis van de gemotiveerde beslissing van de klassenraad toegelaten tot ABO/integratiefase 

Idem supra (ivm getuigschrift ABO of attest ABO). 

Daarnaast kan de leerling, indien zij wordt toegelaten door de klassenraad tot de kwalificatieproef op het einde van ABO opnieuw een kwalificatieproef afleggen en een getuigschrift van de opleiding of een getuigschrift van het afgerond geheel of een attest met meer bekwaamheden halen als de werkervaring voldoende nauw aansluit bij de opleiding. 

 

- Ofwel is leerling op basis van de gemotiveerde beslissing van de klassenraad toegelaten tot het laatste jaar van de kwalificatiefase bvb. op basis van handelingsplanning 

Leerling blijft in het laatste jaar van de kwalificatiefase en kan dan op het einde van het schooljaar weer toegelaten worden tot de kwalificatieproef (terug naar stap 1 en verder). 

- Een attest beroepsonderwijs (zie bijlage nr. 6): het attest vermeldt alleen de periode van lesbijwoning. 

Leerling kan van rechtswege niet toegelaten worden tot integratiefase/ABO 

Leerling blijft in het laatste jaar van de kwalificatiefase en kan dan op het einde van het schooljaar weer toegelaten worden tot de kwalificatieproef (terug naar stap 1 en verder). 

Leerling krijgt van de klassenraad een attest beroepsonderwijs (zie bijlage nr. 6): het attest vermeldt alleen de periode van lesbijwoning. 

Leerling kan van rechtswege niet toegelaten worden tot integratiefase/ABO 

Leerling blijft in het laatste jaar van de kwalificatiefase en kan dan op het einde van het schooljaar weer toegelaten worden tot de kwalificatieproef (terug naar stap 1 en verder). 

Bovenstaand schema in woorden:

- Een leerling die geen getuigschrift van de volledige opleiding behaalde tijdens de opleiding en uitzonderlijk op advies van de klassenraad toch wordt toegelaten tot de alternerende beroepsopleiding of de integratiefase, kan voor de kwalificatiecommissie de kwalificatieproef afleggen en een getuigschrift van de volledige opleiding of een getuigschrift van het afgerond geheel van de opleiding of een attest van verworven bekwaamheden behalen. Dit is mogelijk indien de klassenraad oordeelt dat de werkervaring en de bijkomende vorming op school voldoende aanvullend is bij de reeds gevolgde opleiding en hem/haar doorstuurt naar de kwalificatiecommissie. De leerling, ontvangt dan, naargelang het geval, van de klassenraad, rekening houdend met o.m. het advies van de kwalificatiecommissie, ofwel het getuigschrift van de opleiding ofwel het getuigschrift van verworven competenties ofwel het attest van verworven bekwaamheden.

- De klassenraad van de alternerende beroepsopleiding of de integratiefase neemt daarnaast ook volgende beslissingen:

- Aan de leerling die de alternerende beroepsopleiding of de integratiefase met vrucht heeft doorlopen, wordt een getuigschrift van alternerende beroepsopleiding uitgereikt op het einde van het schooljaar (zie bijlage nr. 7), afgeleverd door het begeleidingsteam. Op dit getuigschrift wordt de naam van de opleiding vermeld naast de naam van de sector. Op dit getuigschrift wordt het aantal uren werkervaring en de uren op school apart vermeld. Dit is niet het exacte aantal uren gevolgd per leerling, maar wel het aantal uren dat de school organiseert in een schooljaar. 1200 lesuren is het wettelijk vastgelegd minimum totaal (minimum 400 uren op school en minimum 700 uren in het bedrijf) voor een volledig schooljaar. Bij wijze van uitzondering kan de klassenraad in de integratiefase ook een leerling voor het einde van het schooljaar een studiebekrachtiging geven, indien deze leerling tewerkgesteld is en voorafgaand aan deze tewerkstelling 900 uur vorming heeft gevolgd, waarvan minimaal 300 uur schoolse vorming en minimaal 525 uur werkervaring, onder de vorm van leerlingenstage. Dit wordt eveneens vermeld op het getuigschrift.

- Een leerling die de alternerende beroepsopleiding of de integratiefase niet met vrucht heeft doorlopen of de opleiding vroegtijdig beëindigt, heeft recht op een attest van alternerende beroepsopleiding (zie bijlage nr. 8) , afgeleverd door het begeleidingsteam. Op dit attest wordt de naam van de opleiding vermeld naast de naam van de sector.

Het getuigschrift van de alternerende beroepsopleiding wordt ondertekend door de directeur en minstens 3 leden van de klassenraad. Het attest van de alternerende beroepsopleiding wordt ondertekend door de directeur.

13.9.7. Motivering van een attest beroepsonderwijs en informatie over overleg en beroepsprocedure.

Bij toekenning van een attest beroepsonderwijs moet de school t.a.v. de betrokken personen daarenboven de volgende verplichtingen nakomen:

De beslissing moet schriftelijk worden gemotiveerd. Dit kan onder uiteenlopende vorm maar moet wel strikt individueel-gericht zijn. Indien, bijvoorbeeld, gekozen wordt voor een uittreksel uit de notulen van de klassenraad, dan mag dit stuk geen informatie bevatten die verwijst naar andere leerlingen.

Naast de schriftelijke motivering moet de school ook verwijzen naar de mogelijkheid tot beroep en naar de daarbij te volgen procedure. Hoewel deze info ook in het schoolreglement dient opgenomen, moet het telkens wanneer zich een concrete situatie voordoet opnieuw onder de aandacht worden gebracht.

De betrokken personen moeten er daarbij echter worden op gewezen dat beroep (zie punt 13.9.9. tot en met 13.9.13.) maar kan indien ze voorafgaand een overleg hebben gepleegd met de directeur of zijn afgevaardigde (zie punt 13.9.8.).

Er geldt m.a.w. een bepaalde chronologie die de partijen moeten volgen.

13.9.8. Overleg voorafgaand aan beroepsprocedure.

Mits een vraag van de betrokken personen moet de directeur of zijn afgevaardigde met de betrokken personen een overleg plegen over het evaluatieresultaat binnen een redelijke termijn nadat ze dat resultaat in ontvangst hebben genomen. Die termijn wordt in het schoolreglement bepaald. Van het schoolbestuur wordt verwacht dat "redelijkheid" veronderstelt dat de betrokken personen zo spoedig mogelijk meer duiding krijgen en dat, desgevallend, een beslissing in beroep qua timing haalbaar blijft. Van de betrokken personen wordt verwacht dat ze begrip opbrengen voor het tijdstip van het overleg dat met de zomervakantie-beschikbaarheid in onderwijs rekening zal houden. Van het overleg wordt een schriftelijk verslag gemaakt.

Tijdens het overleg maken beide partijen hun standpunt duidelijk. Daarbij moet er worden naar gestreefd om via een constructief gesprek een uitkomst te bereiken waarin elkeen zich kan vinden. Het overleg is dan ook geen onderdeel van de beroepsprocedure maar vormt een zogenaamde "bemiddelingsfase".

Het overleg kan het volgende opleveren:

a. de directeur of zijn afgevaardigde is van oordeel dat de elementen die de betrokken personen aanbrengen niet van dien aard zijn om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen en beraadslagen. De betrokken personen nemen deze beslissing op de voorziene datum in ontvangst (ook: "geacht" te zijn ontvangen indien verzuim van ontvangst). Ook indien reeds tijdens het overleg de betrokken personen te kennen geven dat ze, na de verkregen uitleg, akkoord gaan met het evaluatieresultaat, moeten de betrokken personen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen "formeel" ontvangen (niet onbelangrijk indien er toch een beroep zou volgen!);

b. de directeur of zijn afgevaardigde is van oordeel dat de elementen die de betrokken personen aanbrengen wel van dien aard zijn om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen en beraadslagen. Deze piste kan er voor de leerling op neerkomen dat hij met nieuwe toetsen, examens of andere opdrachten wordt belast vooraleer de klassenraad zich definitief uitspreekt of de toekenning van het attest of getuigschrift wordt gehandhaafd of dat een ander attest of getuigschrift wordt toegekend.

13.9.9. Beroepsprocedure tegen de evaluatiebeslissingen van de klassenraad.

Ook in opleidingsvorm 3 kan (net als in opleidingsvorm 4) een beroep ingesteld worden door ouders tegen de beslissingen van de klassenraad. Als de ouder of de meerderjarige leerling het niet eens is met het attest beroepsonderwijs, het attest van verworven bekwaamheden of het getuigschrift van verworven competenties dan kan hij de schooluitslag betwisten.

De mogelijkheid voor de betrokken personen, na voorafgaand overleg met de directeur of zijn afgevaardigde, tot verhaal tegen een evaluatiebeslissing is decretaal verplicht. Met "evaluatiebeslissing" (i.c. een attest beroepsonderwijs, een attest van verworven bekwaamheden of een getuigschrift van verworven competenties) wordt dan bedoeld hetzij de enige beslissing van de klassenraad, hetzij de beslissing die is genomen nadat de klassenraad door de directeur of zijn afgevaardigde eventueel opnieuw is samengeroepen (na het overleg) en die verschilt van de oorspronkelijke beslissing.

Het schoolbestuur beschikt enerzijds over een zekere autonomie, maar is anderzijds onderworpen aan onderstaande bepalingen. Zoals blijkt blijft de beroepsgang een schoolinterne aangelegenheid. Zowel naar de procedure als naar het functioneren van de beroepscommissie worden echter een aantal criteria van kracht die moeten aantonen dat elk beroep in het teken staat van onafhankelijkheid, neutraliteit en deskundigheid, vertrekkend vanuit de gelijkwaardigheid van beide partijen. Dit moet bijdragen tot de accepteerbaarheid van een beslissing in beroep.

Pas na uitputting van het schoolintern beroep kan de stap naar de een bevoegd rechtscollege worden gezet.

13.9.10. Procedure.

De beroepsprocedure is concreet vastgelegd in het schoolreglement maar omvat alleszins volgende stappen:

1. de betrokken personen stellen het beroep in bij het schoolbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift dat ten minste het voorwerp van het beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt; bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd;

2. het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie;

3. het resultaat wordt uiterlijk 15 september (15 maart voor opleidingen die op 31 januari eindigen ) schriftelijk ter kennis gebracht aan de betrokken personen. Inzake timing wordt dus als norm enkel een limietdatum bepaald, voor al het overige beslist het schoolbestuur zelf. Indien echter het resultaat van het beroep nog niet ter kennis kan worden gebracht van de betrokken personen bij de start van het nieuwe schooljaar (= 1 september), dan heeft de leerling het recht om in de school in kwestie zijn studies verder te zetten zonder rekening te houden met de beperkingen van het attest of getuigschrift. Dit recht is echter tijdelijk, nl. in afwachting dat uiterlijk 15 september het uiteindelijk resultaat in beroep wél wordt meegedeeld (eventuele beroepen bij rechtscolleges worden hier volstrekt buiten beschouwing gelaten). Indien dan blijkt dat de leerling een structuuronderdeel heeft aangevat waarin hij ingevolge dat resultaat als regelmatig leerling kan worden toegelaten, dan wordt zijn toestand vanaf 1 september geregulariseerd (retroactieve omzetting van vrije naar regelmatige leerling); indien blijkt dat hij een structuuronderdeel heeft aangevat waarvoor hij uiteindelijk niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet, dan moet hij van structuuronderdeel veranderen en heeft hij tijdelijk de lessen gevolgd als vrije leerling. Dit tijdelijk recht bestaat, voor alle duidelijkheid, uitsluitend in de school waar de controversiële evaluatiebeslissing werd genomen; bij overstap naar een andere school zal de nieuwe school met het beroep pas rekening houden zodra het resultaat van dat beroep gekend is.

13.9.11. Samenstelling beroepscommissie.

Het schoolbestuur stelt een beroepscommissie in, waarvan de samenstelling aan volgende voorwaarden moet beantwoorden:

1. per te behandelen individueel dossier kan de samenstelling verschillen, maar binnen het dossier kan de samenstelling niet meer wijzigen;

2. elke commissie bestaat uit:

a) interne leden: zijnde leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter, die de evaluatiebeslissing heeft genomen (het hoeft dus niet de voltallige klassenraad te zijn) en eventueel een lid van het schoolbestuur;

b) externe leden: zijnde leden die niet verbonden zijn aan het schoolbestuur of de school waar de evaluatiebeslissing werd genomen (zie concrete opsomming verder); een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of - met uitzondering van het personeel – de schoolraad die fungeert binnen de school waar de evaluatiebeslissing werd genomen, behoort tot de categorie "externe leden";

c) een voorzitter: door het schoolbestuur aangeduid onder de externe leden.

Een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel onder de omschrijving "intern lid" als de omschrijving "extern lid" valt, wordt geacht intern te zijn.

Concreet:

wordt verstaan onder lid van het schoolbestuur en is derhalve een intern lid van de beroepscommissie:

- in het Gemeenschapsonderwijs:

* een lid van de raad van het Gemeenschapsonderwijs

* een lid van de raad van bestuur van de scholengroep

* een lid van de algemene vergadering van de scholengroep

- in het gesubsidieerd provinciaal onderwijs:

* een lid van de provincieraad

* een lid van de bestendige deputatie

* (in voorkomend geval) een lid van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf

* (in voorkomend geval) een lid van het directiecomité van het autonoom provinciebedrijf

- in het gesubsidieerd gemeentelijk onderwijs:

* een lid van de gemeenteraad

* een lid van het college van burgemeester en schepenen

* (in voorkomend geval) een lid van de raad van bestuur van het autonoom gemeentebedrijf

* (in voorkomend geval) een lid van het directiecomité van het autonoom gemeentebedrijf

- in het gesubsidieerd onderwijs van de Vlaamse Gemeenschapscommissie:

* een lid van de raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

* een lid van het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

- in het gesubsidieerd vrij onderwijs:

* een lid van de algemene vergadering van de vzw-schoolbestuur

* een lid van de raad van bestuur van de vzw-schoolbestuur.

Elk lid van de beroepscommissie dat, naargelang van het betrokken onderwijsnet, niet aan één van de hierboven opgegeven hoedanigheden beantwoordt binnen het betrokken schoolbestuur én geen lid is van de betrokken school (zie verder) is een extern lid van de beroepscommissie.

Personeelsleden van de hierboven vermelde instanties zijn ook externe leden, aangezien ze zelf geen "inrichtende onderwijsverantwoordelijkheid" dragen.

wordt verstaan onder lid van de school:

* een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd (= statutair) personeelslid aangesteld in de betrokken school

- in een ambt van het bestuurspersoneel, het onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel, het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het psychologisch personeel of het orthopedagogisch personeel

- ongeacht het volume of taakinvulling van de opdracht

- ongeacht effectieve prestaties worden geleverd of een vorm van dienstonderbreking/ verlofstelsel, terbeschikkingstelling (TBS) of tijdelijk andere opdracht (TAO) loopt

* een contractueel personeelslid van de betrokken school.

Elk lid van de beroepscommissie dat geen lid is van het betrokken schoolbestuur én geen lid is van de betrokken school is een extern lid van de beroepscommissie.

Personeelsleden van andere scholen van hetzelfde schoolbestuur (of een ander schoolbestuur) die niet aangesteld zijn in de betrokken school zijn externe leden.

13.9.12. Werking beroepscommissie.

Het schoolbestuur bepaalt de werking (waaronder de stemprocedure) van de beroepscommissie, rekening houdend met volgende voorwaarden:

1. elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, maar bij stemming moet het aantal stemgerechtigde interne leden en het aantal stemgerechtigde externe leden gelijk zijn (m.a.w. de mogelijkheid bestaat dat het schoolbestuur bepaalde leden aanduidt die niet stemgerechtigd zijn). Bij staking van stemmen (= gelijk aan pro en contra) is de stem van de voorzitter doorslaggevend (cfr. werkwijze die ook geldt voor klassenraden);

2. elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3. een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;

4. een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen. Enkele van die stappen kunnen onder meer zijn:

a. het horen van een of meer stemgerechtigde leden van de klassenraad die de evaluatiebeslissing heeft genomen, uiteraard in zover het leden betreft die niet reeds in de beroepscommissie zetelen, of het horen van een of meer raadgevende leden van die klassenraad;

b. het organiseren van bijkomende toetsen, examens of andere opdrachten voor de leerling;

5. de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden van het onderwijs. Hiermee wordt gealludeerd op de rechten om op bepaalde tijdstippen (bv. schoolvakanties) niet met schoolopdrachten te kunnen worden belast, tenzij dit in het arbeidsreglement van de school uitdrukkelijk is geregeld;

6. een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het schoolreglement.

13.9.13. Resultaat beroepscommissie.

De beroepscommissie heeft drie alternatieven:

1. het beroep is onontvankelijk en wordt gemotiveerd afgewezen; dit kan als de termijn voor indiening, vastgelegd in het schoolreglement, wordt overschreden of als het beroep niet voldoet aan de vormvereisten die in het schoolreglement zijn voorzien;

2. het omstreden evaluatieresultaat wordt bevestigd, eventueel nadat de beroepscommissie aan de leerling bijkomende toetsen, examens of andere opdrachten heeft opgelegd;

3. het omstreden evaluatieresultaat wordt door een ander resultaat vervangen, eventueel nadat de beroepscommissie aan de leerling bijkomende toetsen, examens of andere opdrachten heeft opgelegd.

De beroepscommissie heeft volheid van bevoegdheid en beslist op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten. Toch draagt het schoolbestuur steeds de verantwoordelijkheid voor de genomen beslissing. Achterliggende reden hiervoor is de algemene erkenningsvoorwaarde dat het schoolbestuur de verantwoordelijkheid opneemt voor het onderwijs dat het inricht (cfr. de verantwoordelijkheid voor klassenraadsbeslissingen berust trouwens ook bij het schoolbestuur). Anderzijds is dit niet onlogisch omdat de beroepscommissie (zoals een klassenraad vanuit het werkgeverschap) door datzelfde schoolbestuur wordt samengesteld.

Voor een evaluatiebeslissing van een beroepscommissie draagt het schoolbestuur niet alleen de verantwoordelijkheid, maar kent het schoolbestuur ook het studiebewijs toe dat aansluit bij die beslissing. Het model van een studiebewijs is hetzelfde indien het aansluit bij een beslissing van de klassenraad of indien het aansluit bij een beslissing van de beroepscommissie. Alleen uit het proces-verbaal zal blijken welke orgaan (klassenraad of beroepscommissie) de beslissing heeft genomen.

13.9.14. Door het schoolbestuur omstreden beslissing van de klassenraad.

Een beslissing van de klassenraad waartegen de betrokken personen geen beroep of een niet-ontvankelijk beroep hebben ingesteld, kan door het schoolbestuur omstreden worden geacht. In dat geval kan het schoolbestuur de klassenraad opnieuw doen samenkomen om die beslissing te heroverwegen. Het opnieuw samenkomen dient te gebeuren uiterlijk op 15 september van het daaropvolgend schooljaar. In het geval de dan genomen beslissing afwijkt van de omstreden beslissing, wordt ze schriftelijk en gemotiveerd, onmiddellijk aan de betrokken personen meegedeeld.

13.9.15. Het proces-verbaal van de klassenraad.

De beslissingen van de klassenraad worden opgenomen in een proces-verbaal van de klassenraad dat per opleiding wordt opgemaakt overeenkomstig het hierbijgevoegde model (bijlage nr. 10).

Gelieve daarbij de volgende punten in acht te nemen:

- Naam, voornamen, geboorteplaats- en -datum van de leerling moeten precies weergegeven worden, zoals zij voorkomen op de geboorteakte.

- Voor leerlingen, geboren in het buitenland, wordt naast de geboorteplaats, tussen haakjes, het geboorteland vermeld.

- Voor de benamingen van opleidingen en gedeelten van opleidingen die toegang verlenen tot de arbeidsmarkt mogen alleen deze gebruikt worden, die voorkomen in deze omzendbrief.

- De directeur en minstens 3 leden van de klassenraad ondertekenen het proces-verbaal van de klassenraad.

- De datum van het proces-verbaal is altijd 30 juni, ook als er eerder wordt gecertificeerd in de integratiefase. Dit is mogelijk indien deze leerling tewerkgesteld is en voorafgaand aan deze tewerkstelling 900 uur vorming heeft gevolgd, waarvan minimaal 300 uur schoolse vorming en minimaal 525 uur werkervaring, onder de vorm van leerlingenstage.

- In geval van een proces-verbaal-addendum na een beroepsprocedure (zie hierna) en een beslissing door de beroepscommissie tekenen alle leden van de beroepscommissie.

Desbetreffend proces-verbaal dat eind juni wordt opgemaakt, kan mogelijks worden aangevuld met één of twee processen-verbaal-addendum. Het betreft dan de leerlingen waarvoor een definitieve beslissing pas plaats grijpt in de periode NA 30 juni. Volgende situaties doen zich voor:

a. de beslissing wordt genomen door de klassenraad naar aanleiding van verlenging van besluitvorming (na herexamen, inhaalstage….);

b. de oorspronkelijke beslissing wordt vervangen door een andere beslissing van de klassenraad naar aanleiding van overleg tussen de school en de betrokken personen;

c. de oorspronkelijke beslissing wordt vervangen door een andere beslissing van de klassenraad naar aanleiding van betwisting door het schoolbestuur;

d. de oorspronkelijke beslissing wordt vervangen door een andere beslissing van een beroepscommissie naar aanleiding van betwisting door de betrokken personen.

Zo de eerste beslissing pas na 30 juni wordt genomen (geval a.), dan dient de beslissing vastgelegd bij een proces-verbaal – addendum.

Zo de eerste beslissing na 30 juni wordt vervangen (gevallen, b., c. en d.), dan dient:

1° op het initieel proces-verbaal al de gegevens met betrekking tot de desbetreffende leerling door middel van een volle lijn te worden geschrapt en daarachter de formule "zie addendum" te worden vermeld;

2° de uiteindelijke beslissing vastgelegd bij een proces-verbaal - addendum.

De gevallen a., b. en c. komen op één proces-verbaal – addendum voor; het geval d. komt op een afzonderlijk proces-verbaal – addendum voor (het betreft dan immers een beslissing van een beroepscommissie en niet van de klassenraad zoals in de overige gevallen!). De stelregel blijft evenwel dat elk proces-verbaal, waarop uitsluitend regelmatige leerlingen mogen voorkomen, wordt gedateerd op 30 juni en in één exemplaar opgemaakt.

13.10. Activiteitentabellen.

De scholen dienen de activiteitentabellen (model zie bijlage nr. 14) ter beschikking van de inspectie op de school te houden. Hierop worden met inachtneming van de minimumlessentabel de uren vermeld die besteed worden aan ASV en BGV. Deze documenten moeten steeds de reële situatie weergeven en wanneer nodig worden geactualiseerd.

De bepaling dat de opleidingsfase en de kwalificatiefase tenminste 2 jaar duren betekent niet dat de school de opleidingsduur structureel kan verlengen, bvb. door het inrichten van een driejarige kwalificatiefase.

Uiteraard is het wel mogelijk voor sommige leerlingen de studieduur te verlengen op basis van individuele handelingsplanning en daartoe het traject in meerdere leerfasen op te splitsen.

14. Structuur en organisatie van opleidingsvorm 4.

In deze opleidingsvorm worden de leervakken op dezelfde wijze ingedeeld als dit gebeurt in het gewoon voltijds secundair onderwijs (zie verder in SO 64).

Voor opleidingsvorm 4 gelden de eindtermen en ontwikkelingsdoelen van het gewoon secundair onderwijs evenals de leerplannen van het gewoon secundair onderwijs.

In deze opleidingsvorm moeten stages worden ingericht (zie verder in SO/2015/01).

Voor de klassenraden, toelatings- en overgangsvoorwaarden (die gelden naast diegene vermeld in punt 3 van deze omzendbrief) gelden dezelfde voorschriften als voor de leerlingen van het gewoon voltijds secundair onderwijs (zie verder in omzendbrief SO 64). Indien er twee verschillende voorwaarden zijn in punt 3 en in de SO 64 (bvb. i.v.m. leeftijd), geldt de meest gunstige voorwaarde voor de leerling.

Voor de studiebekrachtiging van de leerlingen van de opleidingsvorm 4 gelden dezelfde voorschriften als voor de leerlingen van het gewoon voltijds secundair onderwijs (zie verder in omzendbrief SO 64). De verhaalmogelijkheden tegen beslissingen ivm studiebekrachtiging in opleidingsvorm 4 verlopen zoals in het gewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen dat ook de regels inzake motivering, overleg en beroepsprocedure, bij een B- of C-attest in opleidingsvorm 4, dezelfde zijn als in het gewoon voltijds secundair onderwijs (zie verder in omzendbrief SO 64).

Bijzondere aandacht dient besteed te worden aan de STICORDI- maatregelen, waarop de klassenraad een beroep kan doen in het kader van de individuele handelingsplanning.

Ook de mogelijkheden waarop de klassenraad een beroep kan doen ivm de aanpassing van het lesprogramma en de spreiding van het programma over 2 schooljaren, vermeld in de omzendbrief SO/2005/06(BUSO)verdient bijzondere aandacht, alsook de elementen vermeld in de omzendbrief ivm afwezigheden en in- en uitschrijvingen in het buitengewoon secundair onderwijs SO/2002/05/buso onder punt 2.2.3. over afwezigheden die verband houden met het niet volgen van bepaalde onderdelen van het lesprogramma of met het spreiden van enkele specifieke opleidingen in opleidingsvorm 4.

15. De opmaak, overhandiging en het vervangen van studiebewijzen in alle opleidingsvormen.

15.1. Het invullen van de studiebewijzen.

15.1.1. Het invullen van de studiebewijzen moet volledig in overeenstemming zijn met de gegevens vermeld op het proces-verbaal van de beslissingen van de klassenraad.

Noch het gebruik van een datumstempel, noch verbeteringen, herschikkingen of schrappingen (tenzij andersluidende richtlijn) van teksten of tekstgedeelten, is toegelaten!

Met uitzondering van de oriënteringsattesten waarop ze verplicht dient aangebracht, mogen de studiebewijzen de volgende informatie niet bevatten: het instellingsnummer, de administratieve groep, het stamnummer van de leerling.

Behoudens de directeur kan elke gemandateerde van het schoolbestuur met de ondertekening van de studiebewijzen worden belast. In voorkomend geval worden in het model van het betrokken studiebewijs enerzijds de woorden "directeur van de bovenvermelde school" vervangen door de woorden "gemandateerde van het schoolbestuur van de bovenvermelde school" en anderzijds, onderaan, de woorden "De directeur" vervangen door de woorden "De gemandateerde van het schoolbestuur.

Ondertekening van de studiebewijzen gebeurt handgeschreven en niet ingescand, via stempel of eender ander procédé.

De door de onderwijsinrichters afgeleverde studiebewijzen zijn van rechtswege geldend, wat betekent dat ze niet ter goedkeuring aan de overheid worden voorgelegd. Het recht om deze studiebewijzen af te leveren vloeit voort uit de erkenning van de school. Deze erkenning vereist het voldoen aan een reeks voorwaarden die zijn vastgelegd in de schoolpactwet van 29 mei 1959. Indien aan deze voorwaarden niet meer wordt voldaan, kan de Vlaamse regering, op voorstel van een college van onderwijsinspecteurs, de erkenning van een school of een onderdeel ervan, al dan niet geleidelijk opheffen.

Elke materiële fout in de vorm van ten onrechte uitreiking van een studiebewijs waardoor de rechten van de leerling worden geschonden (bv. toekenning van een oriënteringsattest C aan een geslaagde leerling in opleidingsvorm 4), moet door het schoolbestuur worden hersteld. Het initiatiefrecht tot herstel van die fout, dat te allen tijde kan worden uitgeoefend, ligt zowel bij het schoolbestuur als bij de leerling.

Elke materiële fout in de vorm van ten onrechte uitreiking van een studiebewijs waardoor aan de leerling meer rechten worden toegekend dan de rechten die voortvloeien uit de beslissing van de klassenraad of de kwalificatiecommissie, kan door het schoolbestuur worden hersteld uiterlijk dertig dagen na de uitreiking ervan. Een herstel is evenwel niet mogelijk indien de leerling kan aantonen dat binnen die dertig dagen rechtsgevolgen zijn ontstaan (bv. ingevolge het sluiten van een arbeidsovereenkomst) die bij intrekking van het studiebewijs schade zou veroorzaken in hoofde van die leerling.

15.2. Het drukwerk van de studiebewijzen.

De scholen dienen zelf in te staan voor het drukwerk van de noodzakelijk geachte voorraad exemplaren van studiebewijzen.

Hierbij mag een beroep worden gedaan op derden en/of gebruik worden gemaakt van een computerprocédé, voor zover uiteraard de tekst, de lay-out en het formaat = A4 (nl. 210 x 297 mm, in verticale zin te drukken) van de modellen in kwestie worden gerespecteerd.

15.3. Het overhandigen van de studiebewijzen.

Alle uitgereikte studiebewijzen, met uitzondering van de oriënteringsattesten in opleidingsvorm 4, worden steeds onmiddellijk aan de betrokken personen overhandigd. Dit impliceert onder meer dat het niet toegelaten is om studiebewijzen in te houden tot op het ogenblik dat de betrokken personen hun eventuele financiële verplichtingen ten aanzien van de school hebben voldaan.

De oriënteringsattesten in opleidingsvorm 4 worden in de school bewaard tot de leerling de school verlaat; dan worden ze onmiddellijk overgemaakt aan de betrokken personen of aan een andere school waar de leerling zich inschrijft en die er bij de eerste school om verzoekt.

15.4. Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs.

Ook via het afleggen van proeven voor de examencommissie van de Vlaamse gemeenschap, kunnen bepaalde studiebewijzen van het voltijds secundair onderwijs worden verworven.

15.5. Vervanging van verloren of vernietigde studiebewijzen.

In geval, naar verklaring, authentieke studiebewijzen werden verloren of vernietigd, dan dient de volgende procedure toegepast:

voor zover het gehomologeerde studiebewijzen betreft: een uittreksel uit het notulenboek dient aangevraagd bij AGODI, met vermelding van alle essentiële gegevens (betrokken school, schooljaar, leerjaar/opleidingsvorm/(bij opleidingsvorm 4: onderwijsvorm/ afdeling of studierichting - bij opleidingsvorm 3: afdeling);

voor zover het studiebewijzen betreft uitgereikt door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap: contact dient opgenomen met het secretariaat van voornoemde commissie;

voor zover het studiebewijzen betreft goedgekeurd door de overheid: de school zal een vervangend document opstellen naar het door AGODI voorgeschreven en aldaar te verkrijgen model. Vervolgens zal het samen met het destijds afgestempeld proces-verbaal van de eindbeslissingen ter goedkeuring aan het AGODI worden overgemaakt;

voor zover het door de scholen afgeleverde en van rechtswege geldende studiebewijzen betreft: de school zal een vervangend document opstellen naar het door AGODI voorgeschreven en aldaar te verkrijgen model. Voor het overige is ook dit document van rechtswege geldend.

In elk van die gevallen zal het nieuwe attest de datum van uitreiking van het authentiek studiebewijs vermelden.

Personen die in toepassing van de wetgeving betreffende de toekenning van namen en voornamen een wijziging van hun naam of voornaam hebben verkregen, kunnen bij de school waar ze hun authentiek studiebewijs hebben behaald of bij AGODI een verzoek indienen om dat studiebewijs te laten vervangen door een studiebewijs met hun nieuwe naam of voornaam. Bij de aanvraag moet het oorspronkelijk behaalde studiebewijs worden ingeleverd en moeten officiële stukken worden gevoegd die de naamswijziging aantonen. Indien het verzoek tot vervanging wordt gericht aan de school, dan zal die school AGODI contacteren met betrekking tot de te volgen werkwijze.

16. Bijlagen.

Bijlage 1 - Attest maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving met ondersteuning en arbeidsdeelname in een omgeving met ondersteuning

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4871 (doc. nr. 4871)

Bijlage 2 - Attest maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving met ondersteuning en tewerkstelling in een werkomgeving met ondersteuning

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4872 (doc. nr. 4872)

Bijlage 3 - Getuigschrift van een opleiding

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=5642 (doc. nr. 5642)

Bijlage 4 - Getuigschrift van verworven competenties

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=5647 (doc. nr. 5647)

Bijlage 5 - Attest van verworven bekwaamheden

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4875 (doc. nr. 4875)

Bijlage 6 - Attest beroepsonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4876 (doc. nr. 4876)

Bijlage 7 - Getuigschrift van alternerende beroepsopleiding

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=5641 (doc. nr. 5641)

Bijlage 8 - Attest van Alternerende Beroepsopleiding

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4878 (doc. nr. 4878)

Bijlage 9 - Opleidingsprofielen buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 3 met afgeronde gehelen voor gedifferentieerde sanctionering

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4879 (doc. nr. 4879)

Bijlage 10 - Proces-verbaal klassenraad (OV3)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4880 (doc. nr. 4880)

Bijlage 11 - Opleidingsprofielen buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 3

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4881 (doc. nr. 4881)

Bijlage 12 - Activiteitentabel van opleidingsvorm 1

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4882 (doc. nr. 4882)

Bijlage 13 - Activiteitentabel van opleidingsvorm 2

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4883 (doc. nr. 4883)

Bijlage 14 - Activiteitentabel van opleidingsvorm 3

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4884 (doc. nr. 4884)