Omzendbrief inzake leerlingenstages, sociaal-maatschappelijke trainingen, observatieactiviteiten en praktijklessen op verplaatsing in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 1, 2 en 3

  • Omzendbrief inzake leerlingenstages, sociaal- maatschappelijke trainingen, observatieactiviteiten en praktijklessen op verplaatsing in het BuSO (OV1, 2 en 3): overzicht van vigerende regelgeving en aansprakelijkheid.
  • Deze omzendbrief is een verduidelijking m.b.t. de regels i.v.m. leerlingenstages, sociaal-maatschappelijke trainingen, observatieactiviteiten en praktijklessen op verplaatsing in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 1, 2 en 3.
  • De maximale duurtijd zowel van stage als van sociaal maatschappelijke trainingen is aangepast, en er zijn nu afwijkingen voorzien.
  • Vrijwilligerswerk, het zich onbezoldigd en vrijwillig inzetten in een organisatie die geen winst nastreeft, is in OV1 geschrapt bij SMT. De voorbereiding op vrijwilligerswerk wordt georganiseerd als een stage.
  • Begeleid werk, het op een individuele en trajectmatige manier begeleiden van volwassen personen met een handicap naar een onbezoldigde arbeidsmatige activiteit op de gewone arbeidsmarkt, is in OV1 geschrapt bij SMT. De voorbereiding op begeleid werk wordt georganiseerd als een stage.
  • Het begrip "maatwerkbedrijf" wordt, wegens de schorsing van de uitvoeringsbesluiten m.b.t. maatwerk vervangen door de oude begrippen "sociale werkplaats en beschutte werkplaats".
  • Deze wijzigingen treden in werking vanaf 1/9/2016, behalve de mogelijke afwijkingen op de maximale duurtijd van de stage en SMT, en de vervanging van het begrip maatwerkbedrijf door de begrippen sociale werkplaats en beschutte werkplaats, die onmiddellijk in werking treden.
  • Voor de zending i.v.m. leerlingenstages, vindt u de richtlijnen in de SO/2007/05, onder punt 8. Voor SMT is er geen zending.
  • De afwezigheid omwille van stage wordt in het aanwezigheidsregister conform de richtlijnen in de BUSO 04 geregistreerd met de code W, de afwezigheid omwille van SMT wordt in het aanwezigheidsregister geregistreerd als met lesactiviteiten gelijkgestelde dagen: aanwezig met vermelding van de aard van de activiteit.
  • Indien, bij een stage of SMT van een halve dag, de leerling in de onmogelijkheid verkeert om gedurende het overige dagdeel de les op school bij te wonen, kan de leerling in het aanwezigheidsregister, conform de richtlijnen in de BUSO 04, gedurende dit dagdeel geregistreerd worden met de code P.
  • Voor de leerlingen van opleidingsvorm 3 van het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase kan een stage georganiseerd worden, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. De duurtijd van deze stage wordt bepaald door de klassenraad.
  • Voor de leerlingen van opleidingsvorm 1 en 2 kan een stage (in OV1 ook een sociaal maatschappelijke training) georganiseerd worden, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. De duurtijd van deze stage wordt bepaald door de k lassenraad.
  • De meldingen aan en afwijkingsaanvragen voor de onderwijsinspectie kunnen gestuurd worden naarbuso@onderwijsinspectie.be.

1. Opzet

Bij de organisatie van leerlingenstages, sociaal-maatschappelijke trainingen, observatieactiviteiten, bepaalde vormen van praktijkles op verplaatsing moeten onderwijsinstellingen rekening houden met zowel de onderwijsregelgeving, de welzijnswetgeving en de arbeidswetgeving. In deze omzendbrief tonen we aan hoe deze samen moeten worden gelezen voor het buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 1, 2 en 3 (voor opleidingsvorm 4: zie Omzendbrief SO/2015/01 inzake leerlingenstages, observatieactiviteiten en praktijklessen op verplaatsing in het voltijds gewoon secundair onderwijs en BuSO OV4). Hoofdzakelijk gaat het dus om federale materie (welzijns- en arbeidsregelgeving). Deze omzendbrief is bijgevolg informatief van aard entreedt niet in de plaats van de federale regelgeving.

De omzendbrief bevat richtlijnen voor onderwijsinstellingen bij het organiseren van leerlingenstages, sociaal-maatschappelijke training en observatieactiviteiten en praktijklessen op verplaatsing. Specifiek voor leerlingenstages wil deze omzendbrief ook een instrument aanreiken in de vorm van een modelovereenkomst (zie bijlage 1).

Deze omzendbrief doet, gezien de pedagogische vrijheid van de onderwijsinrichters, geen uitspraak over de pedagogisch-didactische invulling van leerlingenstage, sociaal-maatschappelijke training, observatieactiviteiten en praktijklessen op verplaatsing.

In het kader van administratieve vereenvoudiging moeten de onderwijsverstrekkers noch aan de administratie secundair onderwijs, noch aan de verificatie of inspectie, stageplannen en dergelijke ter goedkeuring voorleggen of systematisch informatie erover toesturen.

2. Leerlingenstages, sociaal-maatschappelijke trainingen, observatieactiviteiten en praktijklessen op verplaatsing: een begripsbepaling

De afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt is een thema dat de laatste jaren steeds meer aandacht geniet, zowel op het vlak van het onderwijsaanbod als bij de uitwerking van de leerprogramma’s. In het kader van leerprogramma’s zien we dat leerlingen meer en meer naar de werkvloer gebracht worden om daar te gaan leren. Dit kan verschillende vormen aannemen. In deze omzendbrief concentreren we ons op de meest courante: leerlingenstages, observatieactiviteiten en praktijklessen op verplaatsing.

- Leerlingenstages: dit is een vorm van opleiding, buiten een vestigingsplaats van de school, in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever, onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever, waarbij effectieve arbeid verricht wordt, met de bedoeling beroepservaring op te doen (Codex SO, art. 3, 17°/2 en Codex over het welzijn op het werk, Boek X – werkorganisatie en bijzondere werknemerscategorieën, titel 4 - Stagiairs).

De leerlingenstage kan al dan niet in groep. Leerlingenstages kunnen zowel georganiseerd worden onder de vorm van alternerende stages als van blokstages.

- Sociaal- maatschappelijke training is een buitenschoolse training met als doel ervaring op te doen met het oog op een zinvolle dagbesteding (i.h.k.v. wonen en/of vrije tijd), maar heeft niet als doel om beroepservaring op te doen, gericht op latere betaalde of onbetaalde arbeid.

- Observatieactiviteiten: leerlingen volgen, al dan niet in groep, het bedrijfsgebeuren zonder effectief aan de bedrijfsactiviteiten deel te nemen. Voorbeelden zijn een bedrijfsbezoek of een observatie in een kleuterklas. Hierbij verrichten de leerlingen dus geen arbeid.

- Praktijklessen op verplaatsing (VDAB, RTC, lasschool, bedrijf, …): onderwijsinstellingen maken gebruik van de lokalen, apparatuur, materialen en eventueel de instructeurs van een andere opleidingsinstelling (maar geen onderwijsinstelling) of van een bedrijf om praktijklessen te geven. De leerlingen verrichten arbeid maar ze gaan niet in gelijkaardige omstandigheden aan de slag gaan als de werknemers ter plaatse. Ze werken bijvoorbeeld aan een productielijn onder toezicht van de leraar, onder een trager tempo, ... Er is bij deze werkwijze geen interferentie met de werknemers ter plaatse, tenzij met de instructeur. Verder volgt meer uitleg.

- Verder is er ook nog lesbijwoning in een andere school , zoals vermeld in punt 10.3 in de SO/2011/03/BuSO .

Andere vormen? Indien u als school een werkvorm uitwerkte die niet onmiddellijk past in één van bovenstaande typemodellen, kan u de concrete casus –vooraleer deze met leerlingen uit te voeren- voorleggen aan de begeleidingscommissie preventie en bescherming in het Vlaams onderwijs. In deze commissie zitten ambtenaren en inspectiediensten van zowel FOD WASO als het Departement Onderwijs en Vorming samen met vertegenwoordigers van de verschillende netten om uitvoeringsproblematieken rond de welzijnswetgeving te bespreken. U kan de commissie bereiken op volgend mailadres: preventie.onderwijs@vlaanderen.be. Deze commissie vergadert vier maal per jaar maar kan in tussentijd via schriftelijke procedure eveneens advies verstrekken.

3. Reglementering

Hieronder geven we per typevorm een overzicht van de toepasselijke reglementering.

3.1. Onderwijsreglementering

3.1.1. Onderwijsreglementering voor leerlingenstages

Stagevolume, –spreiding en inplanning

Stageduur opleidingsvorm 1

De stage in opleidingsvorm 1 is facultatief en kan alleen worden georganiseerd mits het schriftelijke akkoord van de ouders of de meerderjarige leerling. Het is daarom van groot belang hen tijdig en volledig in te lichten en zo nauw mogelijk bij de voorbereiding te betrekken.

Voor de leerlingen van opleidingsvorm 1 die de leeftijd van 16 jaar bereikt hebben, kan (mits het schriftelijk akkoord van de ouders) een stage georganiseerd worden van maximaal 30 werkdagen per schooljaar.

De klassenraad bepaalt de minimale en de maximale duur van de niet-verplichte leerlingenstage, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar kan plaatsvinden in opleidingsvo rm 1.

De klassenraad kan op basis van de individuele handelingsplanning ook wachten tot een later moment (bvb. tot de leeftijd van 18 jaar) waarop de leerling begint met stage. De maximumduur blijft hetzelfde, ongeacht de leeftijd.

Zo nodig kan de stage in opleidingsvorm 1 worden opgesplitst in periodes van halve dagen.

Stageduur opleidingsvorm 2

Voor de leerlingen van opleidingsvorm 2 kan een stage worden georganiseerd vanaf de tweede fase, op voorwaarde dat de leerlingen de leeftijd van 15 jaar hebben bereikt én niet meer voltijds leerplichtig zijn (dus een dubbele voorwaarde). In voorkomend geval maakt de principiële beslissing om in opleidingsvorm 2 in stages te voorzien, deel uit van het pedagogische project. Op grond daarvan kan de school de stage voor leerlingen van opleidingsvorm 2 die voldoen aan bovenstaande voorwaarden verplicht stellen en op gemotiveerde beslissing van de klassenraad in afwijkingen voorzien op deze algemene regel.

Dit moet dan geregeld worden in het schoolreglement.

Gedurende de tweede fase van opleidingsvorm 2 is de duur van de stage beperkt tot een maximum van 30 werkdagen per schooljaar.

Zo nodig kan de stage in opleidingsvorm 2 worden opgesplitst in periodes van halve dagen.

De klassenraad bepaalt de minimale en de maximale duur van de niet-verplichte leerlingenstage, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar kan plaatsvinden in opleidingsvorm 2.

Stageduur opleidingsvorm 3

Voor de leerlingen van opleidingsvorm 3 van het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase kan een stage georganiseerd worden, op voorwaarde dat de leerlingen de leeftijd van 15 jaar hebben bereikt én niet meer voltijds leerplichtig zijn (dus een dubbele voorwaarde), en de stage in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. De duurtijd van deze stage wordt bepaald door de klassenraad. Let op: de stagegever is verplicht om een Dimona-aangifte te doen, indien er bij dezelfde stagegever meer dan 60 dagen stage per schooljaar worden gedaan door dezelfde leerling, zie hiervoor punt 3.3.1.

Voor de leerlingen van opleidingsvorm 3 moet een individuele leerlingenstage georganiseerd worden, dit wil zeggen dat de leerlingen de leeftijd van 15 jaar moeten hebben bereikt én niet meer voltijds leerplichtig mogen zijn (dus een dubbele voorwaarde):

- In de kwalificatiefase met uitzondering van het laatste jaar is de duur minimum 5 werkdagen en maximum 15 werkdagen per schooljaar.

- In het laatste jaar van de kwalificatiefase (en de verkorte kwalificatiefase) is de duur minimum 10 werkdagen en maximum 30 werkdagen per schooljaar.

De stage in opleidingsvorm 3 wordt bij voorkeur georganiseerd in een beperkt aantal ononderbroken periodes. Een verregaande versnippering heeft een ongunstige invloed op de vormende waarde van de stage en is niet bevorderlijk voor de integratie in het arbeidsmilieu.

Zo nodig kan de stage in opleidingsvorm 3 worden opgesplitst in periodes van halve dagen.

Alterneren in leerlingenstage en leren in het laatste jaar van opleidingsvorm 2 en in de integratiefase van opleidingsvorm 3

In opleidingsvorm 2 kan een leerling tijdens het laatste jaar van de tweede fase op basis van individuele handelingsplanning, na beslissing van de klassenraad, en zo mogelijk in samenspraak met de ouders en de leerling, een stage volgen onder een alternerende vorm van stage en vorming op school op weekbasis. Hierbij kan afgeweken worden van de stageduur vermeld hierboven. Let op: De stagegever is verplicht om een Dimona-aangifte te doen, indien er bij dezelfde stagegever meer dan 60 dagen stage per schooljaar worden gedaan door dezelfde leerling, zie hiervoor punt 3.3.1.

De vorming op school of de werkervaring kan uitzonderlijk gedurende een langere periode zonder onderbreking georganiseerd worden, met een maximum van 3 weken. Afwijkingen hiervoor kunnen door de onderwijsinspectie worden toegestaan op basis van individuele handelingsplanning. Indien dit het geval is dient de school dit schriftelijk aan te vragen aan de onderwijsinspectie.

In opleidingsvorm 3 kan een leerling tijdens de integratiefase, een alternerende beroepsopleiding volgen (in NEC): een alternerende vorm van stage en vorming op school op weekbasis. Hierbij wordt afgeweken van de stageduur vermeld hierboven. Op jaarbasis omvat de integratiefase immers minstens 700 uren werkervaring in een regulier bedrijf (of in voorkomend geval, minstens 525 uur). Let op: De stagegever is verplicht om een Dimona-aangifte te doen, indien er bij dezelfde stagegever meer dan 60 dagen stage per schooljaar worden gedaan door dezelfde leerling, zie hiervoor punt 3.3.1.

Deze werkervaring wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage.

De integratiefase in de vorm van alternerende beroepsopleiding bestaat uit 2 dagen vorming op school en 3 dagen werkervaring in een regulier bedrijf. Ze omvat wekelijks ten minste 14 lesuren op school en 24 uren werkervaring in een regulier bedrijf.

De vorming op school of de werkervaring kan uitzonderlijk gedurende een langere periode zonder onderbreking georganiseerd worden, met een maximum van 3 weken. Afwijkingen hiervoor kunnen door de onderwijsinspectie worden toegestaan op basis van individuele handelingsplanning. Indien dit het geval is dient de school dit schriftelijk aan te vragen aan de onderwijsinspectie.

Verlenging van de stage

De bijkomende voorwaarden die bij een verlenging dienen gerespecteerd te worden zijn de volgende:

- de verlenging van de stage past in de individuele handelingsplanning van de leerling en wordt besproken met de ouders en de leerling en kan alleen worden georganiseerd mits het schriftelijke akkoord van de ouders of de meerderjarige leerling.

- alle noodzakelijke informatie ligt op de school ter beschikking en ter inzage van de onderwijsinspectie.

In opleidingsvorm 1 kan de duur van de individuele stage op gemotiveerde beslissing van de klassenraad voor individuele leerlingen verlengd worden tot 60 werkdagen per schooljaar. De verlenging kan ook langer dan 60 werkdagen per schooljaar zijn indien dit bijkomend gemotiveerd wordt voor individuele leerlingen, maar dan dient de school dit schriftelijk te melden aan de onderwijsinspectie. Let op: indien deze verlenging als gevolg heeft dat men bij dezelfde stagegever meer dan 60 dagen stage per schooljaar worden gedaan door dezelfde leerling, dan is de stagegever verplicht om een Dimona-aangifte te doen, zie hiervoor punt 3.3.1.

In het laatste jaar van opleidingsvorm 2 en de verschillende jaren van de kwalificatiefase (en de verkorte kwalificatiefase) van opleidingsvorm 3, kan de stageduur op gemotiveerde beslissing van de klassenraad van de individuele stage voor individuele leerlingen verlengd worden tot 60 werkdagen per schooljaar. De verlenging kan ook langer dan 60 werkdagen per schooljaar zijn, indien dit bijkomend gemotiveerd wordt voor individuele leerlingen, maar dan dient de school dit schriftelijk te melden aan de onderwijsinspectie. Let op: indien deze verlenging als gevolg heeft dat men bij dezelfde stagegever meer dan meer dan 60 dagen stage per schooljaar worden gedaan door dezelfde leerling, dan is de stagegever is verplicht om een Dimona-aangifte te doen, zie hiervoor punt 3.3.1.

Vrijstell ing van de verplichte individuele stage voor leerlingen van opleidingsvorm 3

De stage vormt een zeer belangrijk onderdeel van de OV3-opleiding, ondermeer omdat ze een indicatie kan opleveren omtrent de mogelijkheden van de leerling tot integratie in het gewoon leef en arbeidsmilieu (= de einddoelstelling van deze opleidingsvorm).

Het moet dan ook duidelijk zijn dat de klassenraad slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan beslissen om de verplichte stage niet te laten doorgaan, bvb. als er door onvoorziene omstandigheden, zoals ziekte of ongeval, plotse wijzigingen optreden in het functioneren van de leerling.

In deze situaties kan de klassenraad vrijstelling verlenen aan een leerling die tijdelijk ongeschikt is de stage te vervullen. Die ongeschiktheid mag geen blijvend onvermogen om het beroep uit te oefenen tot gevolg hebben.

Inhaalstage voor opleidingsvorm 3

Het is aangeraden dat er in het geval van ziekte, ongeval of andere gewettigde afwezigheden gedurende de stage inhaalstages worden georganiseerd voor het einde van het schooljaar (= voor 31 augustus).

Vanuit de optiek dat de doelstellingen onverkort dienen gerealiseerd te worden, kan de school, in hoofde van een individuele leerling, al dan niet beslissen tot een inhaalstage indien deze leerling omwille van ziekte of een andere reden de stage niet op het voorziene tijdstip heeft kunnen verrichten.

Uiteraard dient rekening gehouden te worden met de toegelaten stageperiodes zoals bepaald in de omzendbrief SO 74. Zo een leerling op het einde van het jaar het vooropgesteld stagevolume nog niet heeft bereikt, dan wordt hetzij onmiddellijk een eindbeslissing over het al dan niet geslaagd zijn genomen, hetzij een eindbeslissing uitgesteld teneinde aanvullende evaluatiegegevens te verzamelen op grond van inhaalstage. De regelgeving op de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs bevat informatie over uitgestelde beslissingen (omzendbrief SO/2011/03/BuSO). Indien dit niet haalbaar is, dan zal (voor de leerlingen in het laatste jaar van de kwalificatiefase) op het einde van het schooljaar een eindbeslissing worden genomen zonder dat de klassenraad over evaluatiegegevens m.b.t. stages beschikt. Het zal op dat moment exclusief aan de klassenraad toekomen om de leerling, die in het laatste jaar geen of onvoldoende stage heeft gelopen, één van de getuigschriften of één van de attesten toe te kennen.

Leerlingenstages zijn toegestaan tijdens vakantie- of verlofperiodes. Er wordt wel verondersteld dat de instelling, wanneer ze stages tijdens vakantie- of verlofperiodes organiseert, voorziet in een evenwichtige compensatieregeling, tenzij het gaat om inhaalstages voor individuele leerlingen die de oorspronkelijke stage wegens ziekte of andere reden niet hebben kunnen lopen. Indien zomerstages worden opgelegd, dan is de instelling hoe dan ook steeds verplicht aan elke betrokken leerling-stagiair tijdens de maanden juni/juli/augustus ten minste vier aaneensluitende weken vakantie toe te kennen. Houd er rekening mee dat over deze periodes overleg binnen de schoolraad en binnen het lokaal personeelsorgaan moet gebeuren en dat de stages en de compenserende verlofregeling binnen eenzelfde schooljaar dienen plaats te vinden (een stage dient dus ook af te lopen ten laatste op 31 augustus).

Het is niet ondenkbaar dat een school geen of onvoldoende stageplaatsen kan vinden, niettegenstaande de engagementen tussen de overheid en de socio-economische partners op macro niveau en niettegenstaande de inspanningen die van elke school worden verwacht om een lokaal stagebeleid concreet gestalte te geven en hiertoe een netwerk uit te bouwen. In voorkomend geval zal de school, desgevraagd, ten aanzien van de onderwijsinspectie moeten kunnen aantonen dat het niet of ontoereikend vinden van stageplaatsen enkel het gevolg is van overmacht.

Spreiding van de stage in alle opleidingsvormen

Ook op de spreiding van de stage staan geen voorschriften. De stage kan zowel alternerend worden opgezet (afwisselend leren op school en de werkplek) als in blok (één ononderbroken periode). Ook een combinatie van beide is mogelijk.

Voor zover een alternerende stage tijdens de schooluren plaatsvindt, moet ze een halve of een volledige dag omvatten. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden, dat de combinatie van een halve lesdag met een halve dag stage tijdens de schooluren, slechts verantwoord is indien de verplaatsing school/stageplaats niet tijdrovend is, zodat het normale verloop van de lessen en de stage niet in het gedrang komt.

Leerling-stagiairs

Alle leerlingen van het structuuronderdeel waarin leerlingenstages zijn voorzien, moeten zonder onderscheid tot de stage worden toegelaten. Het principe dat onderwijs een sociaal recht is en dat bijgevolg iedere - al dan niet als regelmatige - leerling in een school kan worden ingeschreven, geldt ook voor stages. Immers, ingevolge een koninklijk besluit van 6 februari 2003 tot wijziging van de regelgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, is het toegelaten dat ook personen die niet over een geldige verblijfstitel beschikken, stage kunnen lopen indien die een essentieel onderdeel van het leerprogramma is.

Stagegever - stageplaats

De stagegever kan een organisatie zijn uit zowel de profit-sector als de non-profitsector. Het moet wel gaan om een organisatie die de sociale bijdrage voor zelfstandige arbeid voor ten minste één persoon moet betalen of ten minste één werknemer moet tewerkstellen waarvoor werkgeversbijdrage in de rijkssociale zekerheid wordt betaald.

Een school voor secundair onderwijs kan niet fungeren als stagegever voor leerlingen van een andere school voor secundair onderwijs, maar desgevallend wel als stageplaats (bv. het bedrijf waaraan een leerling-stagiair is toegewezen, vervult de catering in een school). Een uitzondering hierop zijn de scholen voor gewoon secundair onderwijs, of de scholen van het buitengewoon secundair onderwijs van OV4 waar wel stage kan worden gelopen. In voorkomend geval zal de school, desgevraagd, ten aanzien van de onderwijsinspectie moeten kunnen aantonen dat het niet of ontoereikend vinden van stageplaatsen buiten het gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs van OV4 enkel het gevolg is van overmacht. Onderwijsinstellingen die zich richten naar een ander onderwijsniveau (basisscholen, CVO, CBE,…) kunnen de rol vervullen van stagegever ten aanzien van het secundair onderwijs ook wanneer ze onder hetzelfde schoolbestuur ressorteren als de secundaire school waar de leerlingen-stagiairs zijn ingeschreven. Ze worden dan als een bedrijf of onderneming beschouwd binnen de context van deze omzendbrief.

Elke vorm van belangenvermenging moet worden vermeden. Vandaar dat de onderwijsreglementering stages verbiedt:

1. In organisaties uitgebaat of beheerd door een persoon die tevens lid is van het bestuurs- of onderwijzend personeel van de school van de leerling-stagiair;

2. Ten huize van leden van het bestuurs- of onderwijzend personeel van de school van de leerling-stagiair, van hun partners of van hun bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad;

3. In een organisatie uitgebaat of beheerd door de wettige vertegenwoordigers (vb. ouders, voogd) van de leerling-stagiair of door bloed- of aanverwanten van de leerling-stagiair tot en met de tweede graad. Uitzondering hierop zijn studierichtingen binnen het studiegebied land- en tuinbouw.

De stage in opleidingsvorm 1 kan in een beschutte werkplaats, een sociale werkplaats, een stageplaats voor voorbereiding op het begeleid werken of voor voorbereiding op vrijwilligerswerk of het normaal economisch circuit plaatsvinden of in elk bedrijf dat aan de leerling, rekening houdend met zijn beperking, aangepaste activiteiten oplegt en hem daarbij de nodige bescherming en ondersteuning biedt.

Om in aanmerking te komen als stagebedrijf voor opleidingsvorm 2 moet het bedrijf een beschutte werkplaats of een sociale werkplaats zijn of elk ander bedrijf dat aan de leerling, rekening houdend met zijn beperking, aangepaste activiteiten oplegt en hem daarbij de nodige bescherming en ondersteuning biedt. Het bedrijf moet zo gekozen worden dat de leerlingen er activiteiten kunnen uitoefenen die voorbereiden op latere tewerkstelling met ondersteuning.

Voor stagesin opleidingsvorm 3 moet het bedrijf zo gekozen worden dat de leerlingen er voornamelijk de activiteiten kunnen uitoefenen die rechtstreeks verband houden met de gevolgde opleiding. Stage in opleidingsvorm 3 vindt plaats in het normaal economisch circuit (met uitzondering van de onderstaande situatie).

Voor opleidingsvorm 3 mag het stagebedrijf uitzonderlijk en grondig gemotiveerd (indien men niet werkt naar een getuigschrift maar naar een attest van verworven bekwaamheden) een beschutte werkplaats of sociale werkplaats zijn. Een leerling die stage loopt in een beschutte werkplaats, sociale werkplaats bereikt de doelstelling van het getuigschrift niet. In geen enkel geval mag het stagebedrijf in opleidingsvorm 3 een stageplaats voor voorbereiding op het begeleid werken of voor voorbereiding op vrijwilligerswerk of dagcentrum zijn.

Let op: in de integratiefase of in ABO is deze uitzondering niet mogelijk omdat de voorwaarde daar reguliere tewerkstelling (d.w.z. in het normaal economisch circuit) is.

Leerlingenstageovereenkomst

Een leerlingenstage wordt gebaseerd op een (papieren of digitale) leerlingenstageovereenkomst. De stage kan niet gebaseerd zijn op een gewone arbeidsovereenkomst of een overeenkomst voor tewerkstelling voor studenten.

De leerlingenstageovereenkomst wordt gesloten tussen drie partijen: de leerling-stagiair, de onderwijsinstelling en de stagegever. Deze overeenkomst kan slechts betrekking hebben op één leerling in één schooljaar. De overeenkomst wordt door elke partij of gevolmachtigde vertegenwoordiger ondertekend (in geval van een minderjarige leerling-stagiair: door zijn wettige vertegenwoordigers) en wordt in drie exemplaren, één voor elke partij, opgesteld vóór de aanvang van de stage.

In het geval een groot aantal leerlingen aan eenzelfde stagegever worden toegewezen, is het toegelaten om als school één overeenkomst te sluiten met deze stagegever waarop alle betrokken leerlingen met hun overeenkomstige gegevens worden vermeld (zoals bvb. bij leerlingenstage in groep). Tussen de school en elke leerling wordt daarnaast een individuele overeenkomst afgesloten, waarin naar de ene overeenkomst tussen de school en de stagegever wordt verwezen. Beide luiken vormen dan de "globale" overeenkomst. Deze werkwijze moet de administratieve last inperken. Nog een andere optie is om te werken met één tripartite overeenkomst maar waarbij de leerlingen ieder afzonderlijk tekenen in een gepersonaliseerde bijlage (zie voorstel in bijlage modelovereenkomst).

Een uniform model van leerlingenstageovereenkomst wordt niet voorgeschreven. Wel dient iedere leerlingenstageovereenkomst verplicht volgende onderdelen te bevatten:

- het ondernemingsnummer van de betrokken onderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Het begrip "onderneming" slaat ook op de zachte sector. Het bestaat uit 10 cijfers waarvan het eerste cijfer 0 of 1 is. Bij vermelding in de leerlingenstageovereenkomst van de gegevens inzake de stagegever, dient daarom het ondernemingsnummer, afgekort, toegevoegd: nr. KBO. xxxx.xxx.xxx; na het ondernemingsnummer wordt vermeld: "eenmanszaak" of "vennootschap"; bij stage in het buitenland wordt geen ondernemingsnummer vermeld;

- het nummer van het paritair comité van de betrokken onderneming (rekening houdend met de aard van de stageactiviteiten) en indien mogelijk het RSZ-werkgeverskengetal (code werkgeverscategorie) of, bij ontstentenis van dit nummer of kengetal, de NACE-code. Deze nummers of codes moeten door de onderneming aan de school worden meegedeeld. De geldige codes zijn hier te vinden; bij stage in het buitenland (EU) wordt de NACE-code vermeld, bij stage in het buitenland (niet-EU) wordt geen nummer, kengetal of code vermeld;;

- de stageperiode(s), niet uitgedrukt in een totaal aantal dagen/uren doch met specificering van dag(en)/maand(en) + dagelijks begin- en einduur; desgevallend wordt vermeld welke periodes plaatsvinden binnen de bezoldigde arbeidstijd;

- de stagebegeleider en de stagementor;

- (in voorkomend geval) een raming van de kosten ten laste van de leerling-stagiair;

- de vermelding dat de stagegever het gezondheidstoezicht toevertrouwt aan de preventiedienst van de school of er zelf voor instaat en bekostigt, naargelang van het geval;

- de vermelding dat de stagegever een werkpostfiche ter beschikking stelt van de leerling-stagiair en de school;

- de geplande lijst van stageactiviteiten, die gezamenlijk wordt opgesteld door de stagebegeleider en de stagementor en die moet rekening houden zowel met de genoten schoolse opleiding en vorming als met de fysische en psychische maturiteit van de leerling;

- een bijlage bevattende de risicoanalyse.

Een model voor een leerlingenstageovereenkomst vindt u als bijlage 1 van deze omzendbrief.

Sta gebegeleider

De stagebegeleider is een leraar die de begeleiding van de leerling-stagiairs als opdracht toegewezen kreeg. In die zin is de stagebegeleider, ongeacht het feit of hij aan de betrokken leerling ook klassikaal onderricht verstrekt, automatisch stemgerechtigd lid van de klassenraad. Op deze wijze zal zijn stagebeoordeling onmiddellijk kunnen worden ingebracht als element bij de eindevaluatie door de delibererende klassenraad over het al dan niet geslaagd zijn van de leerling voor het leerjaar in kwestie.

De evaluatie van de leerlingenstage gebeurt in constructief overleg met de stagementor, maar de eindverantwoordelijkheid voor de stagebeoordeling ligt bij de stagebegeleider.

Een degelijke stage vereist een adequate stagebegeleiding door de school op de stageplaats (dus niet op afstand). Bij de vastlegging van het organisatiemodel van het nieuwe schooljaar, zal het schoolbestuur hier terdege rekening mee houden. Het inrichten van stages in vakantieperiodes is dan ook pas zinvol indien niet gehypothekeerd door de van kracht zijnde vakantieregeling voor het personeel van de school.

Een efficiënte stagebegeleiding vergt op zijn beurt dat er een voldoende en redelijk aantal lesuren wordt aan besteed. Leerlingenstages kunnen onder geen beding een alibi vormen voor besparing bij aanwending van het urenpakket.

Het is niet toegelaten om stagebegeleidende opdrachten onbezoldigd te laten uitoefenen. Ook op het vlak van stages geldt de bepaling dat "bij toewijzing van opdrachten aan leden van het onderwijzend personeel die niet gebaseerd zijn op door de overheid gefinancierde of gesubsidieerde uren of op reglementaire plage-uren, de bezoldiging ten laste valt van het schoolbestuur".

Het feit dat in de meeste gevallen de stagebegeleider slechts op gespreide momenten op de stageplaats aanwezig zal zijn, ontslaat de school tot slot niet van de verplichting dat in het tijdsbestek dat de leerling-stagiair op de stageplaats aanwezig is, respectievelijk dat hij zich - op normale wijze - verplaatst tussen deze stageplaats en zijn woon- of verblijfplaats, steeds een verantwoordelijke van de school bereikbaar moet zijn!

Administratieve documenten voor de stage

Alle administratieve documenten met betrekking tot stages die een school aanlegt, moeten ter beschikking liggen van inspectie en verificatie.

Onbezoldigd karakter

De relatie tussen school en stagegever kan op geen enkele wijze op financiële afspraken worden gebaseerd.

Ook de leerlingenstage zelf wordt niet bezoldigd.

Zogenaamde "vrijgevigheden" van de stagegever ten aanzien van de leerling-stagiair kunnen uitsluitend gebeuren onder dezelfde voorwaarden als die waaronder vrijgevigheden plaatsvinden ten aanzien van de gewone werknemers (bv. een eindejaarsgeschenk).

Onkosten die voortvloeien uit de stage (in de meeste gevallen zal het om verplaatsingskosten gaan) mogen daarentegen wel worden vergoed. Indien de leerling-stagiair deze kosten echter zelf moet dragen, dan dient dit - zoals eerder vermeld - in de leerlingenstageovereenkomst te worden bepaald; de school zal er alsdan over waken, onder meer door de keuze van de stageplaats, dat deze kosten beheersbaar blijven.

Alle onkosten die het gevolg zijn van stagebegeleiding, vallen ten laste van het schoolbestuur.

- Hierbij wordt vooral gedacht enerzijds aan telecom- en briefwisselingskosten en anderzijds aan vervoerskosten.

- Personeelsleden die in opdracht van het schoolbestuur verplaatsingen met hun eigen wagen, moto of bromfiets maken, hebben vanaf 1 juli 2017 recht op de vergoeding van 0,3460 euro per kilometer (zie de artikelen 12septies en 17septies van de decreten rechtspositie). Het schoolbestuur kan dit bedrag met maximum 10 % verminderen, op voorwaarde dat ze daarnaast een omniumverzekering heeft afgesloten voor dienstverplaatsingen.

- Personeelsleden die in opdracht van het schoolbestuur verplaatsingen maken met het openbaar vervoer genieten, bij de inlevering van het vervoerbewijs, de volledige betaling van de erop vermelde bedragen. De verplaatsingen per trein worden terugbetaald aan het tarief van een standaardbiljet tweede klas.

- De fietsvergoeding bedraagt 0,21 euro per kilometer.

- Deze bepalingen gelden niet als het schoolbestuur een gunstiger systeem van kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen hanteert.

3.1.2. Onderwijsreglementering voor sociaal-maatschappelijke training

I n aanmerking komende leerlingen en duur van de sociaal-maatschappelijke training

Voor de leerlingen van opleidingsvorm 1 die de leeftijd van 16 jaar bereikt hebben, kan een niet verplichte sociaal-maatschappelijke training georganiseerd worden van maximaal 30 werkdagen per schooljaar, op voorwaarde dat er een schriftelijke akkoord is van de ouders of de meerderjarige leerling. Het is daarom van groot belang hen tijdig en volledig in te lichten en zo nauw mogelijk bij de voorbereiding te betrekken.

De klassenraad kan op basis van de individuele handelingsplanning ook wachten tot een later moment (bvb. tot de leeftijd van 18 jaar) waarop de leerling begint met sociaal-maatschappelijke training. De maximumduur blijft hetzelfde, ongeacht de leeftijd.

Zo nodig kan de sociaal-maatschappelijke training worden opgesplitst in periodes van halve dagen.

De klassenraad bepaalt de minimale en de maximale duur van de niet-verplichte sociaal-maatschappelijke training, die in groep en onder voortdurende begeleiding van d e leraar kan plaatsvinden in opleidingsvorm 1.

Verlenging van de sociaal-maatschappelijke training

De duur van de individuele sociaal-maatschappelijke training kan op gemotiveerde beslissing van de klassenraad (indien de ouders of de meerderjarige leerling hiermee akkoord gaan) voor individuele leerlingen tot 60 werkdagen, of langer indien dit bijkomend gemotiveerd wordt voor individuele leerlingen, per schooljaar verlengd worden. Indien dit het geval is dient de school dit schriftelijk te melden aan de onderwijsinspectie.

De voorbereiding van de sociaal-maatschappelijke training

Vanuit de doelstellingen en in functie van het individueel handelingsplan bereidt de klassenraad de sociaal-maatschappelijke training voor.

Minimaal komen volgende aspecten aan bod:

- wenselijkheid van de sociaal-maatschappelijke training;

- standpunt van de ouders;

- duur, tijdstip en spreiding over het schooljaar;

- inhoudelijke elementen (klemtonen, aandachtspunten, begeleiding en evaluatie, ...);

- voorafgaande contacten met de plaats waar de sociaal-maatschappelijke training zal plaatsvinden;

- verantwoording van de keuze van de plaats van de sociaal-maatschappelijke training.

De neerslag van deze voorbereiding wordt gebundeld in een individueel trainingsplan dat onderdeel is van het handelingsplan.

De plaats van de sociaal-maatschappelijke training

De sociaal-maatschappelijke training vindt plaats in instellingen voor de opname van volwassen personen met een beperking, bvb.: een dagcentrum, een bezigheidshome, …. of kan ook doorgaan in andere organisaties die activiteiten aanbieden voor personen met een beperking in de contexten wonen en vrije tijd.

De trainingsovereenkomst

Deze wordt afgesloten tussen de school en de instelling waar de sociaal-maatschappelijke training gebeurt. Deze schriftelijke overeenkomst moet minstens de volgende elementen bevatten:

- de identiteit van de instelling waar de sociaal-maatschappelijke training plaats heeft, van de school en van de leerling;

- de situering van de sociaal-maatschappelijke training in tijd en ruimte;

- de regeling van alle eventuele kosten;

- de vermelding van de onderschreven verzekeringspolissen die de aansprakelijkheden dekken;

- de verwijzing naar het trainingsplan waarin alle nuttige en nodige inlichtingen voor een vlot verloop van de sociaal-maatschappelijke training worden vermeld.

Begeleider

De begeleider is een leraar die de begeleiding van de leerling tijdens de sociaal-maatschappelijke training als opdracht toegewezen kreeg.

De evaluatie van de sociaal maatschappelijke training gebeurt in constructief overleg met de mentor, maar de eindverantwoordelijkheid voor de beoordeling ligt bij de begeleider.

Een degelijke sociaal-maatschappelijke training vereist een adequate begeleiding door de school op de sociaal-maatschappelijke training plaats (dus niet op afstand). Bij de vastlegging van het organisatiemodel van het nieuwe schooljaar, zal het schoolbestuur hier terdege rekening mee houden. Het inrichten van sociaal-maatschappelijke training in vakantieperiodes is dan ook pas zinvol indien niet gehypothekeerd door de van kracht zijnde vakantieregeling voor het personeel van de school.

Een efficiënte begeleiding vergt op zijn beurt dat er een voldoende en redelijk aantal lesuren wordt aan besteed. Sociaal-maatschappelijke training kan onder geen beding een alibi vormen voor besparing bij aanwending van het lesurenpakket.

Het is niet toegelaten om begeleidende opdrachten onbezoldigd te laten uitoefenen. Ook op het vlak van sociaal-maatschappelijke training geldt de bepaling dat "bij toewijzing van opdrachten aan leden van het onderwijzend personeel die niet gebaseerd zijn op door de overheid gefinancierde of gesubsidieerde uren of op reglementaire plage-uren, de bezoldiging ten laste valt van het schoolbestuur".

Het feit dat in de meeste gevallen de begeleider slechts op gespreide momenten op de plaats aanwezig zal zijn, ontslaat de school tot slot niet van de verplichting dat in het tijdsbestek dat de leerling op de plaats van de sociaal-maatschappelijke training aanwezig is, respectievelijk dat hij zich - op normale wijze - verplaatst tussen deze sociaal-maatschappelijke training plaats en zijn woon- of verblijfplaats, steeds een verantwoordelijke van de school bereikbaar moet zijn!

De verplaatsing van de leerlingen

De school is niet aansprakelijk voor de verplaatsing van de leerling tussen zijn woning en de inrichting waar hij de sociaal-maatschappelijke training volgt. De school kan niet verplicht worden deze verplaatsing te organiseren.

Het vervoer van de leerlingen tussen de school en de inrichting waar hij sociaal-maatschappelijke training volgt is intern vervoer en derhalve aan de terzake geldende reglementering onderworpen.

Administratieve documenten voor de sociaal-maatsc happelijke training

Alle administratieve documenten met betrekking tot sociaal-maatschappelijke training die een school aanlegt, moeten ter beschikking liggen van inspectie en verificatie.

Onbezoldigd karakter

De relatie tussen school en sociaal-maatschappelijke training gever kan op geen enkele wijze op financiële afspraken worden gebaseerd.

Ook de sociaal-maatschappelijke training zelf wordt niet bezoldigd.

Zogenaamde "vrijgevigheden" van de sociaal-maatschappelijke training gever ten aanzien van de leerling-stagiair kunnen uitsluitend gebeuren onder dezelfde voorwaarden als die waaronder vrijgevigheden plaatsvinden ten aanzien van de gewone werknemers (bv. een eindejaarsgeschenk).

Onkosten die voortvloeien uit de sociaal-maatschappelijke training (in de meeste gevallen zal het om verplaatsingskosten gaan) mogen daarentegen wel worden vergoed. Indien de leerling deze kosten echter zelf moet dragen, dan dient dit - zoals eerder vermeld - in de overeenkomst te worden bepaald; de school zal er alsdan over waken, onder meer door de keuze van de sociaal-maatschappelijke training plaats, dat deze kosten beheersbaar blijven.

Alle onkosten die het gevolg zijn van de begeleiding, vallen ten laste van het schoolbestuur.

- Hierbij wordt vooral gedacht enerzijds aan telecom- en briefwisselingskosten en anderzijds aan vervoerskosten.

- Personeelsleden die in opdracht van het schoolbestuur verplaatsingen met hun eigen wagen, moto of bromfiets maken, hebben vanaf 1 juli 2017 recht op de vergoeding van 0,3460 euro per kilometer (zie de artikelen 12septies en 17septies van de decreten rechtspositie). Het schoolbestuur kan dit bedrag met maximum 10 % verminderen, op voorwaarde dat ze daarnaast een omniumverzekering heeft afgesloten voor dienstverplaatsingen.

- Personeelsleden die in opdracht van het schoolbestuur verplaatsingen maken met het openbaar vervoer genieten, bij de inlevering van het vervoerbewijs, de volledige betaling van de erop vermelde bedragen. De verplaatsingen per trein worden terugbetaald aan het tarief van een standaardbiljet tweede klas.

- De fietsvergoeding bedraagt 0,21 euro per kilometer.

- Deze bepalingen gelden niet als het schoolbestuur een gunstiger systeem van kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen hanteert.

3.1.3. Onderwijsreglementering voor observatieactiviteiten

Extramurosactiviteit

Voor de onderwijsreglementering zijn observatieactiviteiten te beschouwen als een extramurosactiviteit (cf. Omzendbrief SO/2004/06). Uitgangspunt is dat alle leerlingen aan de activiteit deelnemen. Het schoolbestuur zal er over waken dat, indien het dit nodig acht, de leerlingen worden begeleid door een personeelslid van de school.

Onbezoldigd karakter

Aan leerlingen die observatieactiviteiten uitvoeren, wordt geen vergoeding gegeven.

Overeenkomst

Het is aangeraden tussen school en bedrijf schriftelijk een aantal afspraken te maken, ook al is dit niet verplicht: bv. Over het tijdstip waarop de observatieactiviteit plaatsvindt, de begeleiding vanuit school en bedrijf, de na te leven afspraken, de toepassing van eventuele veiligheidsmaatregelen, etc.

3.1.4. Onderwijsreglementering voor praktijklessen op verplaatsing

Extramurosactiviteit

Voor de onderwijsregelgeving worden praktijklessen op verplaatsing beschouwd als een extramurosactiviteit (Omzendbrief SO/2004/06).

De grens tussen praktijklessen op verplaatsing en stages is niet steeds scherp te trekken. Belangrijk is de aftoetsing te maken aan de definitie van stage volgens de Codex over het welzijn op het werk, Boek X – werkorganisatie en bijzondere werknemerscategorieën, titel 4 - Stagiairs en een regeling te treffen waarbij de leerlingen de nodige bescherming genieten. Indien u twijfelt of een activiteit die u wil organiseren onder de noemer stage valt of niet, kan u deze vraag steeds voorleggen aan de begeleidingscommissie preventie en bescherming in het Vlaams onderwijs (zie hoger).

Overeenkomst

Onderwijsinstellingen wordt aangeraden om ook voor dergelijke praktijklessen met de betrokken organisatie een overeenkomst te sluiten, ook al is dit niet verplicht. Daarin kunnen dan aspecten geregeld worden zoals het moment waarop de activiteit zal plaatsvinden, de begeleiding van de leerlingen, de toepassing van eventuele veiligheidsmaatregelen, afspraken inzake aansprakelijkheid, etc. Denk bv. Aan medische geschiktheid wanneer leerlingen leren werken met heftrucks. Van belang voor aansprakelijkheden is duidelijk te zijn in wie het toezicht over de leerlingen draagt. We gaan hier verder op in, zie 3.4.4.

Onbezoldigd karakter

Aan leerlingen die praktijklessen bijwonen, wordt geen vergoeding gegeven.

Praktijklessen op verplaatsing worden steeds in een opleidingsinstelling die geen school is of in een bedrijf georganiseerd. In die gevallen geldt de uitzonderingsregel buitenschoolse activiteiten. NOOT: praktijklessen op verplaatsing kunnen aan elke opdracht of aan elk vak toegekend worden. De leraar die de praktijkles op verplaatsing geeft of begeleidt, hoeft bijgevolg geen praktijkleraar te zijn.

Indien praktijklessen niet doorgaan in de eigen maar in een andere school, dan spreekt men niet van praktijklessen op verplaatsing, maar van ofwel lesbijwoning in een andere school ofwel een vestigingsplaats. Er zijn wel procedurele gevolgen voor. In het geval de leraar van de eigen school de praktijkles geeft, dan wordt de locatie van die andere school als een vestigingsplaats van de eigen school beschouwd en is een melding van ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats noodzakelijk (Codex secundair onderwijs en omzendbrief SO/2006/03(BuSO). In het geval de leraar van de ontvangende school de lessen geeft, dan valt de praktijkles onder “lesbijwoning in een andere school”. Deze “lesbijwoning in een andere school” kan gebeuren, indien bepaalde voorwaarden zijn gerespecteerd, zie hiervoor omzendbrief SO/2011/03/BuSO.

Op basis van de geldende regelgeving in de Codex secundair onderwijs en omzendbrief SO/2006/03(BuSO), (vestigingsplaatsen), omzendbrief SO/2011/03/BuSO (lesbijwoning in een andere school) en omzendbrief SO/2004/06 (extramurosactiviteiten) komen we tot volgend overzicht voor de praktijklessen die niet in de eigen school doorgaan:

 

Praktijk les in andere school 

praktijk les in opleidingsinstelling of bedrijf(geen school) 

Instructies door eigen leraar 

= vestigingsplaatsen 

= extramuros activiteiten 

Instructies door externe instructeur/niet de eigen leraar 

= lesbijwoning in andere school 

= extramuros activiteiten 

3.2. Welzijnswetgeving

3.2.1. Welzijnswetgeving voor leerlingenstages

Codex over het welzijn op het werk

Boek X.- Werko rganisatie en bijzondere werknemerscategorieën

Titel 4.– Stagiairs

Titel 4 van Boek X van de Codex over het welzijn op het werk definieert een stagiair als elke leerling of student die in het kader van een leerprogramma georganiseerd door een onderwijsinstelling, daadwerkelijk arbeid verricht bij een werkgever, in gelijkaardige omstandigheden als de werknemers in dienst van die werkgever, en dit met het oog op het opdoen van beroepservaring.

Dit betekent het volgende:

- De stagegever (de aanbieder van de werkplek) zal een risicoanalyse moeten maken van de werkposten en het resultaat hiervan moeten aanleveren aan de school. Hierin moet in het bijzonder vermeld worden of gezondheidstoezicht (arbeidsgeneeskundig onderzoek of inentingen) hetzij overbodig is, hetzij passend of specifiek toezicht nodig is. Bovendien moet gemeld worden of en welke verplichte inentingen moeten gebeuren. Tot slot zal het resultaat moeten vermelden of er onmiddellijke preventiemaatregelen moeten worden getroffen die verband houden met de moederschapsbescherming.

- De stagegever zal, vooraleer leerling-stagiairs aan het werk te stellen op een werkpost aan de leerlingen én aan de onderwijsinstelling een werkpostfiche moeten bezorgen.

- Een voorafgaand gezondheidstoezicht is overbodig:

1. wanneer de leerling-stagiair jonger is dan 18 jaar en beschikt over een attest waaruit blijkt dat hij/zij minder dan 5 jaar geleden werd onderworpen aan medisch schooltoezicht (1) én uit de risicoanalyse blijkt dat gezondheidstoezicht overbodig is;

2. of wanneer het gaat om een activiteit die er hoofdzakelijk in bestaat beeldschermwerk te verrichten.

Wanneer er wel een gezondheidstoezicht nodig is, onderscheiden we twee vormen: een passend gezondheidstoezicht en een specifiek gezondheidstoezicht. Het passend gezondheidstoezicht is het toezicht dat ook wordt uitgeoefend op gewone werknemers voor zover die analoge arbeidsprestaties verrichten. Het specifiek gezondheidstoezicht is het toezicht indien de stagiair zich in één van de drie volgende gevallen bevindt:

1. Jonger dan 18 jaar;

2. Stage tussen 20u ‘s avonds en 06u ’s ochtends, zijnde nachtarbeid;

3. Prestaties die een verhoogd risico inhouden en waarvoor er normaliter een verbod tot tewerkstelling geldt, zoals het werken met bepaalde machines of producten (een afzonderlijke regelgeving geeft hiervan een limitatieve opsomming).

Het spreekt voor zich dat, wanneer uit de vermelde risicoanalyse blijkt dat er een type van gezondheidstoezicht vereist is, de stagegever er voor zorgt dat dit ook effectief gebeurt. Hiervoor kan de stagegever zijn/haar interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk inschakelen. Hij/zij kan dit ook overlaten aan de externe dienst voor preventie en bescherming van de school. Enkel in dit laatste geval kan de externe dienst de kosten terugvorderen bij het Fonds voor Beroepsziekten.

Van belang hierbij is dat de eerste stagegever (de eerste plaats waar leerlingen stage doen) er voor zorgt dat de leerling-stagiair waarop een type van gezondheidstoezicht vereist is, het voorafgaande gezondheidstoezicht ondergaat. Bij elke volgende stageplaats wordt dit gezondheidstoezicht enkel herhaald indien de leerling-stagiair wordt blootgesteld aan een nieuw risico waarvoor nog geen gezondheidstoezicht gebeurde. Het bewijs dat een leerling-stagiair een voorafgaand gezondheidstoezicht onderging, blijkt uit het formulier van het gezondheidstoezicht dat door de uitvoerder van het onderzoek aan de leerling-stagiair werd bezorgd en dat hij/zij ter beschikking moet houden van elke nieuwe stageplaats waar hij/zij leerlingenstage zal doen.

- Vooraleer tot slot de leerling-stagiairs effectief aan de slag gaan, neemt de stagegever de nodige maatregelen inzake onthaal en begeleiding met het oog op een vlotte integratie in de werkomgeving én zorgt hij/zij ervoor dat de leerling-stagiairs in staat zijn hun leerlingenstage naar behoren uit te oefenen. Stapsgewijs betekent dit dat bij een leerlingenstage waarbij de leerling-stagiair daadwerkelijk arbeid zal verrichten bij de stagegever:

1. de stagegever aan de school de risicoanalyses doorgeeft;

2. er nagegaan wordt of er sprake is van een nieuw risico waarvoor nog geen voorafgaand gezondheidstoezicht is gebeurd en zo ja, dit wordt uitgevoerd, hetzij door de interne of externe dienst voor preventie op het werk van de stagegever, hetzij door de externe dienst voor preventie en bescherming van de school;

3. de leerling-stagiair op de werkplaats wordt onthaald en onder meer de werkpostfiche overlopen wordt.

- Bovendien moet de stagegever voor sommige werkzaamheden gratis persoonlijke beschermingsmiddelen (bv. handschoenen, helm, oorbeschermers,…) ter beschikking stellen om de leerling-stagiairs te beschermen tegen bepaalde risico’s. De stagegever is tevens verplicht deze beschermingsmiddelen te onderhouden en het consequent gebruik ervan te verplichten. De leerling-stagiairs van hun kant zijn verplicht de persoonlijke beschermingsmiddelen te gebruiken volgens de informatie en voorschriften die ze van de stagegever ontvingen (2).

Welzijnsbepalingen voor stagebegeleiders

Het schoolbestuur blijft verantwoordelijk om de welzijnsverplichtingen na te leven voor wat betreft haar eigen personeelsleden. Dit is van belang voor stagebegeleiders die met de stageplaatsen en de werkposten worden geconfronteerd.

Bijkomende voorschriften

Per sector gelden specifieke bepalingen inzake welzijns- en arbeidswetgeving. Gelieve hiervoor contact op te nemen met een sectorverantwoordelijke (sociale partners, vormingsfonds, …)

Buitenlandse leerlingenstages

Leerlingenstage is ook toegelaten in het buitenland. In dat geval dient men rekening te houden met het gegeven dat de regelgeving rond arbeids- en welzijnsaspecten in het buitenland anders kan zijn dan in België. Hoewel de welzijnswetgeving van het buitenland van toepassing is, kan hier contractueel van afgeweken worden in de leerlingenstageovereenkomst, indien de buitenlandse welzijnswetgeving minder bescherming biedt dan de Belgische wetgeving. Het is onontbeerlijk u eerst te informeren over de geldende regels.

Verboden arbeid

Een aantal werkzaamheden zijn verboden voor leerling-stagiairs. Dit kan gelden voor de agentia waarmee gewerkt wordt (bv. kwikverbindingen, benzeen, arseenverbindingen,…), de procedés die gehanteerd worden (bv. vervaardiging van springstoffen, besturen van machines voor het heien van palen, gebruik van schiethamers,…) of de plaatsen waar het werk verricht wordt (bv. lokalen voor autopsiediensten, lokalen waar asbestvezels kunnen worden vrijgemaakt).

Als bijlage 4 bij het model van leerlingenstageovereenkomst bij deze omzendbrief wordt de niet-limitatieve lijst van agentia, procedés en werkzaamheden en plaatsen als beschreven in artikel X.3-3.-§2 en artikel X.3-8 van Titel 3 van boek X van de Codex over het welzijn op het werk, jongeren op het werk, opgenomen.

Enkel en alleen onder de voorwaarden van artikel X.3-10 van dezelfde titel kan van dit verbod afgeweken worden. Dit artikel bepaalt dat aan elk van de volgende voorwaarden moet worden voldaan:

1. Het moet gaan om arbeid, betrokkenheid of aanwezigheid die onontbeerlijk is voor de beroepsopleiding van de leerling-stagiairs

2. De stagegever moet zich ervan vergewissen dat de door de codex opgelegde preventiemaatregelen effectief zijn. Dit moet door een lid van de hiërarchische lijn (3) gecontroleerd worden. Die persoon wordt aangewezen door de stagegever

3. De stagegever moet erop toezien dat de arbeid wordt uitgevoerd in het bijzijn van een ervaren werknemer en dat in voorkomend geval de aanwezigheid op de werkposten plaatsvindt in het bijzijn van een ervaren werknemer.

Daarnaast is het jongeren ook verboden arbeid te verrichten welke:

- jongeren objectief gezien (lichamelijk of psychisch) niet aankunnen;

- waardoor jongeren worden blootgesteld aan giftige of carcinogene stoffen;

- blootstelling inhoudt aan ioniserende straling;

- risicofactoren inhoudt voor ongevallen waarvan men vermoedt dat jongeren die niet beseffen of niet kunnen voorkomen;

- jongeren kunnen blootstellen aan extreme koude, hitte, lawaai, trillingen.

3.2.2. Welzijnswetgeving voor sociaal-maatschappelijke trainingen

Leerlingen die deelnemen aan sociaal-maatschappelijke trainingen, verrichten volgens de welzijnswetgeving geen arbeid. Zij zijn bijgevolg in beginsel niet rechtstreeks onderworpen aan de welzijnswetgeving.

Indien de sociaal-maatschappelijke trainingen plaatsvinden bij een bedrijf of voorziening, blijft dat bedrijf of die voorziening echter wel onderworpen aan de welzijnswetgeving voor zijn eigen werknemers. De leerlingen en de begeleidende leraren moeten in hun hoedanigheid van bezoeker daarom de instructies volgen van de verantwoordelijke van het bedrijf of de voorziening en het bezoekersreglement naleven. Ingevolge de welzijnswetgeving en op basis van de door het bedrijf uitgevoerde risicoanalyse, zullen de leerlingen bijvoorbeeld de persoonlijke beschermingsmiddelen moeten dragen die het bedrijf voor bezoekers ter beschikking stelt. Daarnaast moeten de leerlingen en de ouders door het bedrijf geïnformeerd worden over de risico’s in het bedrijf en over de noodprocedures en evacuatiewegen.

Leerlingen die sociaal-maatschappelijke training doen, vallen dus niet onder de federale definitie van gelijkgestelde werknemer, want zij zijn geen stagiair. Zij vallen wat betreft preventie en bescherming dus buiten de bestaande categorieën. Echter, vanuit kwaliteitsvol onderwijs en burgerrechterlijke aansprakelijkheidsvoorzorg t.a.v. deze leerlingen is het opportuun om eveneens elementen uit de welzijnswet mee te nemen in de voorbereiding van sociaal-maatschappelijke training: de risicoanalyse (bvb. in een manege, bij kaarsen gieten, ...), alsook preventiemaatregelen (bvb. het medisch attest voor FAVV indien leerlingen meer dan sporadisch in contact komen met voedsel dat voor derden bestemd is, ...), onthaal, eerste hulp, evacuatie, ...

3.2.3. Welzijnswetgeving voor observatieactiviteiten

Leerlingen die deelnemen aan observatieactiviteiten, verrichten volgens de welzijnswetgeving geen arbeid. Zij zijn bijgevolg in beginsel niet rechtstreeks onderworpen aan de welzijnswetgeving.

Indien de observatieactiviteiten plaatsvinden bij een bedrijf, blijft dat bedrijf echter wel onderworpen aan de welzijnswetgeving voor zijn eigen werknemers. De leerlingen en de begeleidende leraren moeten in hun hoedanigheid van bezoeker daarom de instructies volgen van de verantwoordelijke van het bedrijf en het bezoekersreglement naleven. Ingevolge de welzijnswetgeving en op basis van de door het bedrijf uitgevoerde risicoanalyse, zullen de leerlingen bijvoorbeeld de persoonlijke beschermingsmiddelen moeten dragen die het bedrijf voor bezoekers ter beschikking stelt. Daarnaast moeten de leerlingen door het bedrijf geïnformeerd worden over de risico’s in het bedrijf en over de noodprocedures en evacuatiewegen.

3.2.4. Welzijnswetgeving voor praktijkles op verplaatsing

Indien u praktijklessen op verplaatsing organiseert, is het belangrijk om weten dat de leerlingen die een vorm van arbeid verrichten in de school gelijk gesteld worden met werknemers en dat derhalve de welzijnswetgeving van toepassing is. De school zal bijgevolg over een risicoanalyse moeten beschikken. Hiervoor kan de school in voorkomend geval gebruik maken van de risicoanalyse van het bedrijf waar de praktijkles plaatsvindt.

Hoewel een praktijkles op verplaatsing in een andere locatie wordt gegeven, is de school verantwoordelijk voor het geven van deze les (die in realiteit niet enkel door een leraar, maar door een derde (werknemer van een andere instelling) kan worden gegeven). Het is dan ook de onderwijsinstelling die ervoor verantwoordelijk is dat preventiemaatregelen worden genomen, zoals bv. de verplichting voor de leerlingen om persoonlijke beschermingsmiddelen te dragen. In de praktijk zal de onderwijsinstelling vaak zelf persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking stellen, voor zover zij deze al aan de leerlingen ter beschikking heeft gesteld voor de lesactiviteiten die op school plaats vinden (bv. veiligheidsbril, veiligheidsschoenen,…). Het bedrijf dat de opleiding verzorgt of faciliteert, zal in de praktijk vaak de aanvullende persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking stellen die specifiek zijn voor de aard van de activiteiten van het bedrijf. Op dat vlak kunnen dus praktische afspraken gemaakt worden tussen het bedrijf en de school. Het blijft uiteraard wel de verantwoordelijkheid van de school om ervoor te zorgen dat de geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen worden gedragen door de leerlingen.

Er is nog geen wettelijke regeling die bepaalt wie de kostprijs van de persoonlijke beschermingsmiddelen moet dragen. In de praktijk worden de persoonlijke beschermingsmiddelen die ook op school worden gebruikt, gedeeltelijk of volledig door de school en/of de leerlingen gefinancierd.

Wat betreft het ter beschikking stellen van werkkledij geldt, net als voor het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen, dat de school verantwoordelijk is voor het ter beschikking stellen en het dragen van de werkkledij.

3.3. Arbeidswetgeving (5)

3.3.1. Arbeidswetgeving voor leerlingenstages (6)

Bij leerlingenstages leveren leerling-stagiairs arbeid onder gezag. Dit betekent dat een aantal aspecten van de arbeidswetgeving van toepassing zijn. Bij deze activiteit is er interferentie met andere werknemers, doordat er een stagementor (werknemer van de stagegever belast met de begeleiding van stagiair op de werkplek) wordt aangesteld en gewerkt wordt tussen de andere werknemers. Voor de arbeidswetgeving zijn de leerlingen duidelijk te beschouwen als gelijkgestelde werknemers.

  • Arbeidsduur

De arbeidsduur van leerling-stagiairs mag niet meer bedragen dan 8 uren (van 60 minuten) per dag en 38 uren per week.

Voor het berekenen van de totale arbeidsduur per week, wordt de tijd die aan het volgen van lessen wordt gespendeerd, meegeteld. Indien m.a.w. leerlingen 4 dagen les volgen in de school en 1 dag op leerlingenstage gaan, wordt de tijd van de vier "schooldagen" samengeteld met de dag leerlingenstage voor wat betreft de berekening van de maxima. Let er wel op dat het hier gaat om uren van 60 minuten, terwijl lesuren maar 50 minuten duren. (7)

  • Overwerk

Overwerk is verboden

  • Rusttijden

Bij leerlingenstages mogen leerling-stagiairs die jonger zijn dan 18 jaar niet meer dan 4½ uren ononderbroken arbeid verrichten:

- wanneer de arbeidstijd meer dan 4½ uren bedraagt, hebben zij recht op een half uur rust;

- wanneer de arbeidstijd meer dan zes uren bedraagt, duurt de rusttijd een uur, waarvan een half uur ineens moet worden genomen (bv. 2 x 15 minuten pauze en een half uur als lunchpauze).

De rusttijd tussen twee "dagen" in, moet minstens 12 opeenvolgende uren bedragen (bv. een leerling-stagiair die om 19 uur het werk beëindigt, zal 's anderendaags ten vroegste om 7 uur opnieuw aan de slag kunnen gaan). Op deze regel zijn geen afwijkingen mogelijk. Hij geldt ook wanneer leerling-stagiairs de ene dag aan leerlingenstage doen en de andere dag op school aanwezig moeten zijn. Ook hier moet een minimumrustperiode voorzien worden van 12 opeenvolgende uren.

Aan deze leerling-stagiairs moet, buiten de zondagsrust, een bijkomende rustdag worden toegekend, onmiddellijk volgend op of voorafgaand aan een zondag (dus een maandag - ook wanneer dit een lesdag is - of een zaterdag). Zij kunnen dus ten minste aanspraak maken op een wekelijkse onderbreking van 48 uren.

  • Arbeid op zon- en feestdagen

In de regel mogen leerling-stagiairs geen arbeid verrichten op zondag of op de tien wettelijke feestdagen.

Hierop bestaan evenwel afwijkingen:

1. Meerderjarige leerling-stagiairs mogen op die dagen toch leerlingenstage lopen in die gevallen en onder die omstandigheden dat dat kan voor reguliere werknemers (8)

2. Minderjarige leerling-stagiairs mogen op die dagen toch leerlingenstage lopen in die opleidingen en onder die voorwaarden die zijn opgenomen in de bijlage bij omzendbrief SO 74.

Zelfs in het geval van een afwijking, mogen minderjarige leerling-stagiairs geenszins meer dan één zondag op twee arbeid verrichten, behalve met voorafgaande toelating van de bevoegde inspecteur van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten (9).

Alle leerling-stagiairs hebben, in het geval van arbeid op zondagen, bijkomende rustdagen of feestdagen, recht op inhaalrust, onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde duur als de volwassen werknemers.

In het geval van arbeid op een zondag of op een bijkomende rustdag, zal de minderjarige leerling-stagiair niet altijd twee opeenvolgende rustdagen toegekend krijgen, maar dikwijls twee niet-opeenvolgende. Hij/zij zal wel inhaalrust moeten krijgen die niet minder mag bedragen dan 36 opeenvolgende uren (d.w.z. dat één van die rustdagen een werkonderbreking van ten minste 36 opeenvolgende uren moet meebrengen). De inhaalrust kan uiteraard niet worden aangerekend op de bijkomende rustdagen die hen moeten worden toegekend.

  • Nachtarbeid

Nachtarbeid is voor leerling-stagiairs in beginsel verboden. Zij mogen niet werken tussen 20 uur en 6 uur.

Hierop bestaan evenwel uitzonderingen:

1. meerderjarige leerling-stagiairs mogen wel nachtarbeid verrichten, indien deze afwijking voorzien is voor reguliere werknemers;

2. minderjarige leerling-stagiairs mogen wel nachtarbeid verrichten in die opleidingen en onder die voorwaarden die zijn opgenomen in de bijlage bij omzendbrief SO 74;

3. voor minderjarige leerling-stagiairs ouder dan 16 jaar wordt het verbod op nachtarbeid ingekort tot hetzij 22 u tot 6 u, hetzij 23 u tot 7 u, als het arbeid in ploegen betreft of wanneer de arbeid wegens de aard der werken niet mag onderbroken worden.

  • Arbeidsreglement

Het arbeidsreglement van de stagegever geldt ook voor leerlingen die leerlingenstage doen, doch enkel voor zover het gaat om bepalingen die voor hen relevant zijn (bv. niet de bepalingen i.v.m. de betaling van het loon, gunstiger opzeggingstermijnen, …).

Bij het onthaal van de leerling-stagiairs in de onderneming, zal de stagegever hen kennis laten nemen van het arbeidsreglement.

De leerling-stagiairs volgen de aanwezigheidsregistratie zoals voorzien in het arbeidsreglement.

  • Sociale documenten

De Dimona (Déclaration Immédiate/Onmiddellijke Aangifte) is het elektronische bericht waarmee de werkgever iedere indiensttreding en uitdiensttreding van een werknemer aangeeft bij de RSZ of de DIBISS. De Dimona-aangifte is verplicht voor alle werkgevers uit de publieke en de private sector.

De stagegever is niet verplicht om een Dimona-aangifte te doen bij:

- de leerlingenstage die bij een stagegever wordt gedaan en waarvan de overheid via regelgeving de minimumduur expliciet heeft vastgelegd in het kader van een opleiding die leidt tot het afleveren van een diploma, een certificaat of een bekwaamheidsattest.

- de leerlingenstage die bij een stagegever in het kader van een opleiding wordt gedaan, waarvan de duur niet expliciet is vastgelegd door de overheid en voor zover de totale duur van de arbeidsprestaties de 60 dagen binnen het schooljaar of academiejaar bij eenzelfde stagegever niet overschrijdt. Bijgevolg is vanaf de 61e dag leerlingenstage bij die stagegever wel een Dimonamelding nodig. Het gaat over opleidingen, die in een onderwijs- of vormingsinstelling worden genoten, die opgericht, gesubsidieerd of erkend zijn door de bevoegde Gemeenschap of het bevoegde Gewest.

De Dimonamelding die desgevallend dient te worden uitgevoerd, is steeds een melding van het type "DWD" Dimona zonder DmfA. De stagiair tewerkgesteld onder een leerlingenstageovereenkomst wordt geacht niet te zijn onderworpen aan de sociale zekerheid en dient dan ook niet te worden vermeld op de DmfA-aangifte.

De stagegever moet ook geen individuele rekening (d.i. een document dat onder andere de prestaties van de werknemer, de hem verschuldigde bedragen en bepaalde inhoudingen op het loon vermeldt) voor stagiairs opmaken, gezien géén loon mag worden uitgekeerd.

Het verdient wel aanbeveling om een kopie van de leerlingenstageovereenkomst bij te hebben op de plaats van tewerkstelling (hetzij door de leerling-stagiair, hetzij door de stagegever). Dit vergemakkelijkt dan het werk van de sociaal inspecteurs en er hoeft dan ook geen controle in de school door te gaan.

  • Collectieve arbeidsovereenkomsten en paritaire comités

"Collectieve arbeidsovereenkomsten" zijn akkoorden die worden gesloten tussen de sociale partners (werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers), waarin de individuele en collectieve arbeidsbetrekkingen tussen werkgevers en werknemers in de ondernemingen of in een bedrijfstak worden vastgesteld. Ze kunnen zowel op nationaal, sectoraal (paritair comité of subcomité) als op ondernemingsniveau worden gesloten.

In beginsel is de wetgeving inzake collectieve arbeidsovereenkomsten en paritaire comités ook op leerling-stagiairs van toepassing. De toepasselijkheid van een collectieve arbeidsovereenkomst zelf hangt evenwel af van het toepassingsgebied van de betrokken overeenkomst en de daarin geregelde materie(s) en dient bijgevolg van geval tot geval bekeken te worden.

Wanneer er bijvoorbeeld uitdrukkelijk sprake is van "werknemers tewerkgesteld onder arbeidsovereenkomst", dan geldt dit niet voor leerlingen die aan leerlingenstage doen. Een overeenkomst tot leerlingenstage is immers géén arbeidsovereenkomst. Een collectieve arbeidsovereenkomst inzake loonvoorwaarden bijvoorbeeld heeft geen gevolgen voor de leerling-stagiair: leerlingenstages in het voltijds gewoon secundair onderwijs gebeuren immers zonder dat er aan de leerling-stagiairs een loon wordt uitbetaald.

Collectieve arbeidsovereenkomsten die betrekking hebben op arbeidsvoorwaarden (bv. bijkomende beschermingsmaatregelen) kunnen daarentegen wel van belang zijn voor alle leerlingen die aan leerlingenstage doen, aangezien hun arbeid in gelijkaardige omstandigheden verricht wordt als de gewone werknemers.

  • Stages in het buitenland

Stage is ook toegelaten in het buitenland. In dat geval dient men rekening te houden met het gegeven dat de regelgeving rond arbeids- en welzijnsaspecten in het buitenland anders kan zijn dan in België. Hoewel de arbeidswetgeving van het buitenland van toepassing is, kan hier contractueel eventueel van afgeweken worden in de leerlingenstageovereenkomst, indien de buitenlandse arbeidswetgeving minder bescherming biedt dan de Belgische wetgeving. Het is onontbeerlijk u eerst te informeren over de geldende regels.

3.3.2. Arbeidswetgeving voor observatieactiviteiten en sociaal-maatschappelijke trainingen

Vermits leerlingen bij observatieactiviteiten en sociaal-maatschappelijke trainingen niet deelnemen aan de bedrijfsactiviteiten, nemen ze het statuut van "bezoeker" aan en is de arbeidswetgeving niet op hen van toepassing.

3.3.3. Arbeidswetgeving voor praktijkles op verplaatsing

Bij praktijklessen op verplaatsing leveren leerling-stagiairs arbeid onder gezag. Dit betekent dat een aantal aspecten van de arbeidswetgeving van toepassing zijn. Voor de arbeidswetgeving zijn de leerlingen te beschouwen als gelijkgestelde werknemers.

3.4. Aansprakelijkheden

Hieronder volgt per vorm (leerlingenstage, observatieactiviteit, praktijkles op verplaatsing) een beknopte toelichting m.b.t. het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht (art. 1382 – 1384 van het Burgerlijk Wetboek). Deze toelichting moet conform dit aansprakelijkheidsrecht en art. 123/20 van de Codex secundair onderwijs worden gelezen.

3.4.1. Aansprakelijkheden voor leerlingenstage

3.4.1.1. Aansprakelijkheid voor schade die door de leerling-stagiair veroorzaakt wordt

3.4.1.1.1. Aansprakelijkheid van de stagegever en de leerling-stagiair

Aansprakelijkheid

Met ingang van 1 september 2015 wordt de aansprakelijkheid van de leerling-stagiair ingevolge artikel 123/20 van de Codex secundair onderwijs gelijk gesteld aan deze van een gewone werknemer.

De werkgever is aansprakelijk voor de fouten van zijn werknemers, en zal als stagegever van de leerling-stagiair daarom ook instaan voor de schade die de leerling-stagiair veroorzaakt door zijn lichte, eerder toevallig voorkomende fout. Deze aansprakelijkheid is onweerlegbaar. Bij opzet, zware fout en veel voorkomende lichte fout kan de stagegever echter op zijn beurt de schade verhalen op de leerling-stagiair door het instellen van een zogenaamde regresvordering.

Deze aansprakelijkheidsregeling kan niet contractueel gewijzigd worden.

Op basis van art. 123/20 van de Codex secundair onderwijs kunnen de ouders van de leerling-stagiair niet aansprakelijk worden gesteld voor de fouten van hun kind en dit ongeacht zijn leeftijd.

3.4.1.1.2. Aansprakelijkheid van de stagementor

Aansprakelijkheid

De stagementor draagt tijdens de leerlingenstage de onderwijzersaansprakelijkheid voor de leerling-stagiair. Deze aansprakelijkheid is weerlegbaar en vervalt indien de stagementor aantoont dat hij/zij de daad die de schade veroorzaakte, niet kon beletten. De stagementor moet meer bepaald aantonen dat hij/zij een toereikend toezicht uitoefende.

De stagegever is als aansteller van de stagementor (werknemer/aangestelde) op zijn/haar beurt burgerlijk aansprakelijk voor schade die het gevolg is van een fout van de stagementor. Deze aansprakelijkheid is onweerlegbaar.

3.4.1.1.3. Aansprakelijkheid van het schoolbestuur en de stagebegeleider

Aansprakelijkheid

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de aansprakelijkheid van het schoolbestuur en de stagebegeleider voor de fouten gemaakt door de leerling-stagiair en voor de fouten gemaakt door de stagebegeleider zelf. Het schoolbestuur en de stagebegeleider kunnen doorgaans niet aansprakelijk gesteld worden voor schade die door de leerling-stagiair aan derden of aan de stagegever berokkend wordt. De stagementor oefent tijdens de leerlingenstage immers het toezicht uit op de leerling-stagiair en verleent de instructies.

In het kader van het bevorderen van het leerproces en het minimaliseren van risico’s kan het echter een meerwaarde zijn dat de stagebegeleider tijdens zijn/haar periodieke bezoeken bepaalde handelingen demonstreert, voor zover deze opgenomen zijn in de werkpostfiche van de leerling. De stagebegeleider is hier niet toe verplicht. De stagebegeleider is alleen verplicht om actief tussen te komen, indien dit noodzakelijk is om schade ten gevolge van een gevaarlijke, acute situatie te voorkomen of te beperken (10). Het is belangrijk om te weten dat indien de stagebegeleider handelingen demonstreert hij/zij op dat moment de onderwijzersopdracht van de stagementor mee opneemt. De stagebegeleider en het schoolbestuur nemen bijgevolg ook hun onderwijzersaansprakelijkheid, respectievelijk aanstellersaansprakelijkheid (= aansprakelijkheid van werkgever voor zijn/haar personeel) op, voor schade die de leerling-stagiair berokkent. Er kan dan een met de stagementor gedeelde aansprakelijkheid ontstaan.

Aangezien het demonstreren van handelingen die opgenomen zijn in de werkpostfiche of leerlingenstageovereenkomst van de leerling-stagiair behoort tot de rol van de stagebegeleider zijn deze handelingen verzekerd via de schoolpolis.

Dit geldt uiteraard niet voor het uitvoeren van handelingen die enkel de functie hebben om het werk van de werknemers op de stageplaats te helpen verlichten (bijv. afwerken van verpleegkundige/zorgkundige taken). De rol van stagebegeleider is niet verzoenbaar met die van werknemer van de stageplaats.

3.4.1.2. Lichamelijk letsel van de leerling-stagiair

Het schoolbestuur is wettelijk verplicht om een arbeidsongevallenverzekering af te sluiten voor zijn leerlingen-stagiairs. Zij moet deze arbeidsongevallenverzekering afsluiten bij dezelfde verzekeraar als deze voor het niet-gesubsidieerd personeel van de school (cf. "Eenheid van verzekering", Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971).

Bij een ernstig arbeidsongeval dient een omstandig verslag te worden opgemaakt door de stagegever.

De kosten van een lichamelijk letsel van de leerling-stagiair op de stageplaats worden vergoed door de arbeidsongevallenverzekering.

De kosten van een lichamelijk letsel van de leerling-stagiair op weg naar of van de stageplaats worden niet vergoed door de arbeidsongevallenverzekering, maar wel door de schoolpolis (na tussenkomst van de mutualiteit van de leerling-stagiair). Desgevallend moet de schoolpolis worden uitgebreid.

Tijdelijke arbeidsongeschiktheid van de leerling-stagiair wordt niet vergoed. Definitieve arbeidsongeschiktheid wordt daarentegen wel vergoed.

3.4.2. Aansprakelijkheden voor sociaal-maatschappelijk trainingen

Aansprakelijkheid

Zoals in punt 3.2.2. vermeld wordt, moeten de leerlingen de instructies van de verantwoordelijke van het bezochte bedrijf of voorziening nauwgezet volgen. De verantwoordelijke van het bedrijf of voorziening neemt op dat moment de onderwijsaansprakelijkheid op.

Het bedrijf of de voorziening waar de sociaal-maatschappelijk trainingen plaatsvinden, is aansprakelijk voor eventuele schade die veroorzaakt wordt door haar infrastructuur of door zaken die aan de bezoekende leerlingen of leraren worden ter beschikking gesteld (bv. geen of gebrekkige persoonlijke beschermingsmiddelen aanbieden, terwijl uit de risicoanalyse van het bedrijf bleek dat het dragen ervan op de werkvloer te allen tijde verplicht is).

3.4.3. Aansprakelijkheden voor observatieactiviteiten

Aansprakelijkh eid

Zoals in punt 3.2.2. vermeld wordt, moeten de leerlingen en de begeleidende leraar als bezoeker de instructies van de verantwoordelijke van het bezochte bedrijf nauwgezet volgen. Ingevolge de gewone regeling van de burgerlijke aansprakelijkheid van de leraar, is de begeleidende leraar er tijdens de observatieactiviteiten immers toe verplicht om te controleren dat de leerlingen deze instructies volgen.

Het bedrijf waar de observatieactiviteiten plaatsvinden, is aansprakelijk voor eventuele schade die veroorzaakt wordt door haar infrastructuur of door zaken die aan de bezoekende leerlingen of leraren worden ter beschikking gesteld (bv. geen of gebrekkige persoonlijke beschermingsmiddelen aanbieden, terwijl uit de risicoanalyse van het bedrijf bleek dat het dragen ervan op de werkvloer te allen tijde verplicht is).

De leerlingen en de leraren wordt ten stelligste ontraden om tijdens een bedrijfsbezoek enige vorm van arbeid te verrichten. Indien ze dat wel zouden doen, is het bedrijfsbezoek niet langer een observatieactiviteit maar wel een leerlingenstage of praktijkles op verplaatsing. Er gelden bij een stage en bij een praktijkles andere regels en verplichtingen op vlak van arbeidswetgeving, welzijnswetgeving, aansprakelijkheid en verzekeringen.

3.4.4. Aansprakelijkheid voor praktijkles op verplaatsing

Aansprakelijkheid

Algemeen kan gesteld worden dat de opleidingsinstelling in kwestie waar de praktijkles plaatsvindt, verantwoordelijk is voor de apparatuur en het lokaal. Daarentegen is het de werkgever van diegene die toezicht uitoefent die verantwoordelijk is voor het gebruik van die apparatuur en het lokaal, en het gedrag van de leerlingen waarop hij/zij toezicht uitoefent.

Indien de les gegeven wordt door een instructeur van het bedrijf of van de opleidingsinstelling waar de praktijkles plaatsvindt, berust de onderwijzersaansprakelijkheid bij de instructeur van dat bedrijf of die opleidingsinstelling. Het is namelijk in dat geval zo dat deze instructeur dan als een "leraar" beschouwd wordt. Hij/zij wordt bijgevolg vermoed burgerlijk aansprakelijk te zijn, indien een leerling schade veroorzaakt (onderwijzersaansprakelijkheid). Dit vermoeden is weerlegbaar, mits de "leraar", die werknemer van het bedrijf of de opleidingsinstelling is waar de praktijkles doorgaat, kan aantonen dat hij/zij een doeltreffend toezicht uitoefende. Indien de "leraar" aansprakelijk gehouden moet worden, wordt diens werkgever aansprakelijk gehouden (aanstellersaansprakelijkheid). Het bedrijf of de opleidingsinstelling waar de praktijkles plaatsvond, kan een regresvordering instellen tegen zijn werknemer indien het gaat om opzet, zware fout of vaak voorkomende lichte fout.

Indien de les gegeven wordt door een leraar van de school, wordt hij/zij vermoed aansprakelijk te zijn, indien een leerling schade veroorzaakt (onderwijzersaansprakelijkheid). Dit vermoeden is weerlegbaar, mits de leraar kan aantonen dat hij/zij een doeltreffend toezicht uitoefende. Indien de leraar aansprakelijk gehouden moet worden, wordt het schoolbestuur als werkgever/aansteller aansprakelijk gehouden (aanstellersaansprakelijkheid). Het schoolbestuur kan een regresvordering instellen tegen zijn werknemer indien het gaat om opzet, zware fout of vaak voorkomende lichte fout.

Samengevat zijn specifiek naar toezicht op de leerlingen toe, vier mogelijke situaties te onderscheiden:

1. Enkel een instructeur is aanwezig; er is geen personeelslid van de school aanwezig: Het toezicht op de leerlingen en op het gebruik van de apparatuur berust bij de instructeur, die de aansprakelijkheid draagt (zie tweede paragraaf van deze rubriek voor omstandige uitleg).

1. Enkel een personeelslid van de school is aanwezig: Het toezicht op de leerlingen en op het correcte gebruik van de apparatuur berust bij het personeelslid van de school, dat de aansprakelijkheid draagt (zie derde paragraaf van deze rubriek voor omstandige uitleg).

2. Een instructeur en een personeelslid van de school zijn aanwezig, en het personeelslid van de school geeft geen instructie (neemt deel aan de les of is louter aanwezig): in elk geval ziet het personeelslid toe op orde en discipline van de leerlingen, maar het toezicht op het correcte gebruik van de machines (en de bijhorende aansprakelijkheid) ligt bij de instructeur.

3. Een instructeur en een personeelslid van de school zijn aanwezig en het personeelslid van de school geeft wel instructie: Afhankelijk van de concrete omstandigheden kan het personeelslid, eventueel samen met de instructeur, aansprakelijk zijn voor eventuele fouten

Noten

(1) Medisch schooltoezicht = medisch onderzoek/algemeen consult uitgevoerd door de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB), zoals bepaald in art. 2 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding.

(2) In de praktijk worden echter vaak de persoonlijke beschermingsmiddelen van de school of de leerlingen zelf gebruikt, aangezien het nie t altijd vanzelfsprekend is dat de stagegever bereid is hiervoor indien nodig een extra financiële inspanning te doen. Juridisch blijft de verantwoordelijkheid echter wel bij de stagegever berusten.

(3) Werknemers belast met toezicht op, of leiding geven aan andere werknemers.

(4) Codex over het welzijn op het werk, Boek X.- Werkorganisatie en bijzondere werknemerscategorieën, Titel 3.– Jongeren op het werk.

(5) De omzendbrief vermeldt alleen de wetgeving die van toepassing is voor de private sector. Ind ien de leerling-stagiair tewerkgesteld zou worden in de publieke sector (bv. een gemeente of een autonoom gemeentebedrijf), kan er een afwijkende regeling zijn wat betreft rusttijden, arbeid op zon- en feestdagen en nachtarbeid.

(6) De bepalingen met betr ekking tot arbeidsduur, rusttijden, arbeid op zon- en feestdagen en nachtarbeid hebben voor het merendeel betrekking op leerling-stagiairs jonger dan 18 jaar. Leerling-stagiairs ouder dan 18 jaar mogen het ritme van de andere werknemers in het bedrijf volg en. Zie ook bijlage 1 van de omzendbrief SO 74: Organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs.

(7) In de arbeidsduur wordt ook de vervoerstijd meegeteld in dien collectief vervoer van en naar de stageplaats georganiseerd wordt door de werkgever.

(8) Bedoeld worden de gevallen omschreven in artikel 12, 3° en 4° en artikel 26 van de Arbeidswet. Het betreft situaties waarin het verrichten van arbeid op een zon- of feestdag noodzakelijk is om het hoofd te bieden aan of het afwenden van een ongeval, of arbeid die nodig is omwille van een onvoorziene noodzakelijkheid, of arbeid die nodig is om een ernstige belemmering van de normale werking van het bedrijf te voork omen. In deze gevallen mag overigens eveneens worden afgeweken van de bijkomende rustdag.

(9) De contactgegevens vindt u op www.werk.belgie.be, > Over de FOD > Organigram > Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten > Externe directies Toezicht op de Sociale Wetten.

(10) Art. 422bis Strafwetboek (bepaling over schuldig verzuim).

4. Bijlagen