Bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon secundair onderwijs

  • referentie
    SO/2013/01
  • publicatiedatum
    4/7/2013
  • datum laatste wijziging
    29/05/2019
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs
  • opheffing
    PERS/2012/04, SO/2010/03 (pers), NO/2009/03, SO/2008/07, SO/2007/07 (pers), PERS/2006/07, PERS/2005/16, PERS/2003/09, PERS/2002/11
  • contact
    Uw werkstation
  • De voorliggende omzendbrief coördineert de verschillende tot nu toe verschenen omzendbrieven rond het thema bekwaamheidsbewijzen buitengewoon secundair onderwijs.
  • De omzendbrief bestaat uit een algemeen gedeelte (punt 1 t.e.m. 4), een specifiek gedeelte met de aandachtspunten voor het schooljaar 2019-2020 (punt 5) en een archiefgedeelte (punt 6) waarin de aandachtspunten van de voorbije schooljaren zoals die in de verschillende omzendbrieven opgenomen waren, gebundeld zijn. In punt 7 is de link naar de online toepassing BBSO opgenomen. In punt 8 ten slotte wordt voor een aantal studiebewijzen uit het secundair volwassenenonderwijs de rangschikking meegegeven. Onder punt 5 worden de wijzigingen toegelicht die ingaan vanaf 1 september 2019. Enerzijds gaat het om de invloed van de hervormde lerarenopleidingen op de bekwaamheidsbewijzen van het buitengewoon secundair onderwijs en de plaats die de nieuwe educatieve bachelors, de educatieve master en het educatief graduaat in het buitengewoon secundair onderwijs krijgen.Anderzijds licht de omzendbrief een aantal actualisaties toe die doorgevoerd worden bij de ambten van leraar BGV in OV3, psycholoog, orthopedagoog en kinderverzorger.

1. Inleiding

Het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs wordt regelmatig geactualiseerd. In deze omzendbrief vindt u de wijzigingen die betrekking hebben op het buitengewoon secundair onderwijs.

Deze omzendbrief vervangt de verschillende omzendbrieven die de laatste jaren rond de bekwaamheidsbewijzen voor het buitengewoon secundair onderwijs verschenen zijn.

2. Toepassingsgebied van deze omzendbrief

Deze omzendbrief is van toepassing op:

- de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs met volledig leerplan, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap (met uitzondering van de leraren godsdienst: zie hiervoor de omzendbrief PERS/2012/03 bekwaamheidsbewijzen van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraar).

- de leden van het ondersteunend personeel van de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs met volledig leerplan, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap;

- de leden van het paramedisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel, het psychologisch personeel en het medisch personeel van de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap;

- de leden van het opvoedend hulppersoneel van de internaten, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap;

- de leden van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel van de instituten van het buitengewoon secundair onderwijs van het Gemeenschapsonderwijs;

- de leden van de selectie- en bevorderingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel in type 5-scholen gehecht aan een universitair ziekenhuis of een residentiële setting.

3. Inhoud van deze omzendbrief 

Deze omzendbrief omvat vier onderdelen. Een algemeen gedeelte over de bekwaamheidsbewijzen (punt 1-4) handelt over de algemene principes en verzamelbenamingen. Een specifiek gedeelte (punt 5) attendeert u op de recente vernieuwingen en aandachtspunten voor het schooljaar 2019-2020. De aandachtspunten van de vorige schooljaren zijn gebundeld in het archiefgedeelte (punt 6).

Ten slotte vindt u in punt 7 de bekwaamheidsbewijzen voor het buitengewoon secundair onderwijs online en in punt 8 een overzicht dat de rangschikking van een aantal in het secundair volwassenenonderwijs uitgereikte certificaten geeft.

4. De bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon secundair onderwijs

4.1. Wat is een bekwaamheidsbewijs?

De Vlaamse Regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot de ambten in het buitengewoon secundair onderwijs en, voor de leraar beroepsgerichte vorming, tot de specialiteiten. Als bekwaamheidsbewijs geldt een basisdiploma, eventueel aangevuld met een diploma van leraar of een bewijs van pedagogische bekwaamheid en eventueel aangevuld met de vereiste erkende nuttige ervaring.  In een aantal gevallen bestaat het bekwaamheidsbewijs enkel uit erkende nuttige ervaring.  De Vlaamse Regering kan voor elk ambt en elke specialiteit ‘vereiste’, ’voldoende geachte’ en ‘andere’ bekwaamheidsbewijzen vastleggen.

4.2. Wie reikt het bekwaamheidsbewijs uit?

De studiebewijzen die deel uitmaken van het bekwaamheidsbewijs moeten in principe uitgereikt zijn door een Belgische onderwijsinstelling of examencommissie. Ze kunnen eveneens uitgereikt zijn na het volgen van een opleiding die door wet of decreet gelijkgesteld is met een opleiding aan een Belgische universiteit of een door de staat of door de gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling.

In het kader van de leertijd kunnen vanaf 1 september 2008 in het deeltijds beroepssecundair onderwijs het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs), het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) en het diploma secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) uitgereikt worden.

Daarenboven kunnen in het kader van de leertijd de erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (Syntra) een aantal studiebewijzen van secundair onderwijs afleveren, waarvan sommige in aanmerking genomen worden voor indienstttreding in het onderwijs. Concreet gaat het om:

- het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

- het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs)

- het diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs).

Daarnaast heeft de erkende instantie niet-confessionele zedenleer, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, de bevoegdheid om de attesten uit te reiken die opgenomen zijn in de bijlage voor leraar niet-confessionele zedenleer, ter aanvulling van het basisdiploma. Ook de hoofden van de erediensten kunnen studiebewijzen uitreiken. Zie hiervoor eveneens de omzendbrief PERS/2012/03 .

4.3. Het stelsel van bekwaamheidsbewijzen

De bekwaamheidsbewijzen worden ingedeeld als volgt:

Vereiste bekwaamheidsbewijzen (VE)

Wie voor een ambt of een specialiteit een vereist bekwaamheidsbewijs heeft, is specifiek opgeleid om dat ambt of die specialiteit uit te oefenen. In de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel, moet het personeelslid steeds over een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschikken. Een bewijs van pedagogische bekwaamheid geeft aan dat de houder ervan een pedagogische opleiding heeft gevolgd. De basisdiploma's van kleuteronderwijzer, onderwijzer, GLSO, GVSO-groep 1, de bachelors in het onderwijs en de nieuwe educatieve bachelors in het kleuteronderwijs, in het lager onderwijs en in het secundair onderwijs, maar ook de educatieve master en het educatief graduaatin het secundair onderwijs gelden tegelijkertijd als bewijs van pedagogische bekwaamheid.

Voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen (VO)

Wie voor een ambt of een specialiteit een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs heeft, is niet specifiek voor dat ambt of die specialiteit opgeleid. Wel moet het personeelslid in de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel ook hier telkens over een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschikken. Het schoolbestuur kan bij een aanwerving vrij kiezen tussen kandidaten met een vereist bekwaamheidsbewijs of kandidaten met een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

Andere bekwaamheidsbewijzen (AND)

Aan personen met een 'ander' bekwaamheidsbewijs, wordt tijdelijk een financiering of subsidiëring verleend.

Een schoolbestuur moet voorrang verlenen aan kandidaten met een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. Het kan enkel kandidaten met een ‘ander’ bekwaamheidsbewijs aanwerven bij wijze van tijdelijke uitzonderingsmaatregel. Daarbij moet het schoolbestuur aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten op eer verklaren dat het niet mogelijk was om een houder van een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aan te werven.

(Zie omzendbrief: Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en Vorming referentie : PERS/2005/09 van 29/06/2005.)

Het schoolbestuur hoeft die verklaring op eer niet af te leggen:

- wanneer de aanstelling van het personeelslid met een ‘ander’ bekwaamheidsbewijs zich beperkt tot een aanstelling van maximaal 97 dagen;

- wanneer het personeelslid over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs zou beschikken indien het ook in het bezit zou zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid. Deze periode is gelijk aan de minimumduur nodig om een bewijs van pedagogische bekwaamheid te behalen, vermeerderd met één schooljaar. De bedoelde periode loopt vanaf de eerste september volgend op de datum van de eerste aanstelling in het buitengewoon secundair onderwijs.

Als het schoolbestuur een personeelslid met een ander bekwaamheidsbewijs aanstelt buiten de twee bovenvermelde gevallen, kan een personeelslid dat een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs bezit en dat zich voor het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld, verhaal aantekenen bij het schoolbestuur. Meer informatie hierover vindt u terug in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs.

De aanstelling van een personeelslid dat een ander bekwaamheidsbewijs heeft, is beperkt tot het lopende schooljaar. Het personeelslid kan eventueel het volgende schooljaar opnieuw aangesteld worden op basis van een ander bekwaamheidsbewijs als opnieuw aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan.

Zolang het personeelslid een ander bekwaamheidsbewijs heeft, kan het geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of vaste benoeming verwerven. De salarisschaal is lager dan bij de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen.

4.4. Regeling voor buitenlandse diploma’s en studiegetuigschriften

Buitenlandse studiebewijzen moeten erkend worden door Naric-Vlaanderen om als een bekwaamheidsbewijs te kunnen gelden.

Er bestaan twee grote systemen:

- de academische erkenning van buitenlandse diploma’s;

- de professionele erkenning (EER-leerkrachten).

4.5. Regeling voor diploma’s behaald in de Franstalige Gemeenschap

De diploma’s uitgereikt door erkende onderwijsinstellingen in de Franse Gemeenschap van België zijn evenwaardig met de overeenkomstige diploma’s die erkende onderwijsinstellingen in Vlaanderen uitreiken. Er is dus geen beslissing tot gelijkwaardigheid nodig voor een diploma van de Franse Gemeenschap in Vlaanderen.

4.6. Het bekwaamheidsbewijs als bewijs van de vereiste taalkennis van het Nederlands

Vanaf 1 september 2009 is het gehele stelsel van taalkennisvoorwaarden om een betrekking in het onderwijs te kunnen uitoefenen en in aanmerking te komen voor een salaris(toelage) herzien en is het Europees Referentiekader voor Talen van toepassing. Uitgebreide informatie hierover vindt u in de omzendbrief Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs (PERS/2010/01) .

4.7. Hoe het besluit en de bijlagen gebruiken?

De bekwaamheidsbewijzen zijn per ambt opgenomen in de bijlagen van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990. Voor de leraar in OV 3 is daarenboven nog een opsplitsing gemaakt naargelang de specialiteit. U kunt de bekwaamheidsbewijzen raadplegen in de online toepassing bekwaamheidsbewijzen buitengewoon secundair onderwijs online

4.7.1.  Basisdiploma’s

Het overzicht van de aanvaarde basisdiploma’s vindt u terug in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs.

Deze lijst bevat een reeks studiebewijzen die gerangschikt zijn volgens niveau en gaan van de diploma’s uitgereikt in overeenstemming met de wetgeving op de academische graden tot de studiebewijzen van het niveau lager secundair onderwijs.

Het komt voor dat voor een ambt geen specifiek studiebewijs wordt gevraagd, maar een ‘algemeen diplomaniveau’, al dan niet aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid. Welke studiebewijzen tot een dergelijke verzamelbenaming behoren, kunt u terugvinden in artikel 8 van het besluit.

4.7.2.  Bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB)

De bewijzen van pedagogische bekwaamheid die gelden in het buitengewoon secundair onderwijs, zijn strikt omschreven in artikel 4, §2 van het besluit.

Zoals opgenomen in artikel 4, §5 van het besluit worden een aantal diploma’s en studiebewijzen echter enkel als bewijs van pedagogische bekwaamheid erkend, indien zij ten laatste in het academiejaar 2014-2015 uitgereikt werden. Meer informatie hierover vindt u onder punt 6, aandachtspunten schooljaar 2015-2016.

4.7.3.  Nuttige ervaring als onderdeel van het bekwaamheidsbewijs

Bij studiebewijzen van het niveau secundair onderwijs of van een lager onderwijsniveau, of wanneer het personeelslid geen erkend studiebewijs heeft, is het steeds noodzakelijk dat het personeelslid beschikt over minimaal 3 jaar erkende nuttige ervaring. Meer informatie hierover vindt u in de omzendbrief betreffende de erkenning van diensten als nuttige ervaring (referentie 13/CB/SG/WVB/4). 

4.7.4.  Bekwaamheidsbewijzen buitengewoon secundair onderwijs online

De bijlagen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs sommen per ambt en, voor de leraar beroepsgerichte vorming, per specialiteit de bekwaamheidsbewijzen op. U kunt deze overzichten online raadplegen via de website Onderwijs en Vorming en meer specifiek via buitengewoon secundair onderwijs online. Een toelichting over de mogelijkheden van het programma vindt u in de bijhorende handleiding.

De onlinetoepassing bestaat uit vier onderdelen. U kunt ofwel vanuit de ambten (behalve het ambt van leraar) opzoeken welke bekwaamheidsbewijzen voor die ambten gelden. U kunt ook omgekeerd van een bekwaamheidsbewijs vertrekken en nagaan tot welke ambten die bekwaamheidsbewijzen toegang geven.

U kunt ook vanuit het ambt van leraar zoeken welke bekwaamheidsbewijzen gelden bij de ambten van leraar ASV (leraar algemene en sociale vorming) of welke bekwaamheidsbewijzen gelden bij de verschillende specialiteiten van de leraar BGV (leraar beroepsgerichte vorming). Ook hier kunt u omgekeerd opzoeken welk bekwaamheidsbewijs toegang geeft tot het ambt van leraar ASV of tot welke specialiteit van de leraar BGV.

Voor de ambten van het onderwijzend personeel worden bij de vereiste bekwaamheidsbewijzen hoofdzakelijk concrete diploma’s opgenomen, zoals bv. bachelor in het onderwijs: lager onderwijs, GLSO kleding , HOKT biotechnologie + BPB, HSBS renovatie bouw + gehomologeerd getuigschrift HSO + BPB + 3 jaar NE, HSTO vleeswarentechnieken + BPB + 3 jaar NE, kleuteronderwijzer, educatieve bachelor in het secundair onderwijs bedrijfsorganisatie, educatief graduaat in het secundair onderwijs bakkerij, …

Dit geldt eveneens voor de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen van het medisch, orthopedagogisch, paramedisch, psychologisch en sociaal personeel: master in de kinesitherapie, licentiaat pedagogische wetenschappen + BPB, bachelor (PBA) toegepaste psychologie, HOKT ergotherapie, diploma van maatschappelijk assistent optie personeelswerk, diploma in de verpleegkunde (secundair onderwijs), ...

Bij de vereiste bekwaamheidsbewijzen van het bestuurspersoneel en de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen van de specialiteiten BGV geldt meestal een algemeen diplomaniveau, zoals ‘ten minste bachelor + BPB’ of ‘bekwaamheidsbewijs van het niveau secundair onderwijs + BPB + 3 jaar NE’.

Bij de ‘andere’ bekwaamheidsbewijzen wordt steeds gebruik gemaakt van een algemeen diplomaniveau. Deze algemene niveaus worden aangeduid via een aantal verzamelbenamingen. Hieronder vindt u informatie over de belangrijkste verzamelbenamingen.

4.7.4.1. ‘Ten minste master’ 

De term ‘diploma van master’ omvat het diploma van

- een initiële master aansluitend bij een bachelor, eventueel na een schakelprogramma.

Met ingang van 1 september 2013 vallen hier ook onder:

- de master, aansluitend op een master (manama);

- de graden van gediplomeerde in de aanvullende studiën (GAS) en van gediplomeerde in de gespecialiseerde studiën (GGS).

Met ingang van 1 september 2019 wordt hier ook de nieuwe educatieve master onder gerekend.

Onder de definitie 'ten minste master' worden niet alleen de bovenvermelde diploma's van master gerekend, maar ook de diploma’s van licentiaat, arts, burgerlijk en industrieel ingenieur, hoger technisch of hoger kunstonderwijs van de 3e graad met volledig leerplan, enz. Voor het volledige overzicht zie punt 1° tot en met 11° van artikel 7 van het besluit van 31 juli 1990.

4.7.4.2. ‘Ten minste bachelor ‘ 

De term ‘diploma van bachelor’ omvat diploma’s van:

- professioneel gerichte bachelor uitgereikt na het volgen van een initiële bacheloropleiding;

- bachelor, aansluitend op een bachelor (vanaf 1 september 2013);

- academisch gerichte bachelor (vanaf 1 september 2013).

Onder de definitie 'ten minste bachelor' worden in de eerste plaats de bovenvermelde diploma's van bachelor gerekend. Bovendien omvat de verzamelbenaming ook de diploma's van het hoger onderwijs van het korte type (HOKT), de diploma's van gegradueerde (zowel de vroeger uitgereikte als de nu uitgereikte in het hoger beroepsonderwijs en vanaf 1 september 2019 ook de diploma’s van het educatief graduaat in het secundair onderwijs), diploma's van technisch ingenieur, diploma's van hoger kunstonderwijs van de eerste of tweede graad met volledig leerplan, diploma's van een hogere technische leergang van de tweede graad, ...

Ook alle diploma’s die onder de verzamelbenaming ‘ten minste master’ vallen, worden hieronder gerekend. Voor het volledige overzicht zie punt 1° tot en met 42° van artikel 7, van het besluit van 31 juli 1990.

De diploma’s van onderwijzer, kleuteronderwijzer, GLSO en GVSO-groep 1, evenals de bachelors in het onderwijs en vanaf 1 september 2019 de nieuwe educatieve bachelor in het kleuteronderwijs, in het lager onderwijs en in het secundair onderwijs, maar ook de educatieve master en het educatief graduaat in het secundair onderwijs vallen eveneens onder de verzamelbenaming ‘ten minste bachelor; zij voldoen tezelfdertijd ook aan de definitie van ‘bewijs van pedagogische bekwaamheid’.

Opmerking:

De definitie van 'ten minste bachelor’ omvat niet:

- het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie;

- het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, noch het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie;

- het pedagogisch getuigschrift uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs.


Bovenvermelde pedagogische diploma's of getuigschriften worden uitgesloten omdat ze niet voldoen aan de minimale norm van 900 lestijden die gesteld wordt om als basisdiploma in aanmerking te komen.

4.7.4.3. ‘Ten minste HSO ‘

Onder deze verzamelbenaming vallen ondermeer alle diploma’s hoger onderwijs, het diploma van kandidaat, het diploma van de 4e graad beroepssecundair onderwijs, het diploma secundair onderwijs, het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, het certificaat van het volwassenenonderwijs gerangschikt als TSO3 of BSO3, … Voor het volledige overzicht zie zowel punt 1° tot en met 56°bis van artikel 7 als de definities ASBO, HSBO, HSTO en HSKO, die opgenomen zijn in artikel 8 van het besluit van 31 juli 1990.

4.7.4.4. ‘Bekwaamheidsbewijs van het niveau bachelor’

Onder deze verzamelbenaming vallen ondermeer de professioneel gerichte en academisch gerichte bachelors (met inbegrip van de nieuwe educatieve bachelors) en de bachelors-na-bachelor, evenals de diploma’s HOKT, de gegradueerden (zowel de vroeger uitgereikte als de nu uitgereikte in het hoger beroepsonderwijs en vanaf 1 september 2019 ook de diploma’s van het educatief graduaat in het secundair onderwijs), diploma’s van technisch ingenieur, diploma’s hoger kunstonderwijs van de 1e of 2e graad met volledig leerplan, diploma’s van een hogere technische leergang van de 2e graad, …. Voor het volledige overzicht zie punt 12° tot en met 42° van artikel 7, van het besluit van 31 juli 1990.

4.7.4.5. ‘Bekwaamheidsbewijs van het niveau secundair onderwijs ‘

Onder deze verzamelbenaming vallen ondermeer het diploma van de 4e graad beroepssecundair onderwijs, het diploma secundair onderwijs, het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, het certificaat gerangschikt als TSO3 of BSO3, … Voor het volledige overzicht zie zowel punt 47° tot en met 56°bis van artikel 7 als de definities ASBO, HSBO, HSTO en HSKO, die opgenomen zijn in artikel 8 van het besluit van 31 juli 1990.

4.7.4.6. Andere verzamelbenamingen

Andere verzamelbenamingen, zoals bv. HOKT, HSTO, LSTO, LSBO, … vindt u eveneens terug in artikel 8 van het besluit van 31 juli 1990.

4.7.5. Studiebewijzen van het volwassenenonderwijs

4.7.5.1. Algemene regel

Om als basisdiploma in aanmerking te komen moet voor een studiebewijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs (of het vroegere onderwijs voor sociale promotie) de onderwijscyclus ten minste negenhonderd lestijden hebben omvat. Voor bewijzen van pedagogische bekwaamheid uitgereikt in het volwassenenonderwijs (of het vroegere onderwijs voor sociale promotie) geldt een minimum van 450 lestijden.

4.7.5.2. Studiebewijzen van het secundair volwassenenonderwijs

Het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs voorziet voor alle opleidingen secundair volwassenenonderwijs een nieuwe modulaire structuur op basis van een opleidingsprofiel. In overeenstemming hiermee zijn er al vanaf 1 september 2007 studiebewijzen van opleidingen secundair onderwijs in het volwassenenonderwijs afgeleverd zonder vermelding van onderwijsvorm en graad.

De bekwaamheidsbewijzen hanteren momenteel wel nog onderwijsvorm en graad bij studiebewijzen van secundair volwassenenonderwijs, bv. bso3, tso2 enz. Om van de nieuwe studiebewijzen de correcte rangschikking te kennen, wordt een tabel als bijlage bij deze omzendbrief gevoegd waarin de rangschikking van de opleiding staat voor modulaire opleidingen die voor 2011 ingevoerd werden (bijlage 1 bij deze omzendbrief).

Voor de opleidingen die ingevoerd werden na 1 september 2011 is geen rangschikking naar onderwijsvorm en –graad van secundair onderwijs meer voorzien. De studiebewijzen (certificaten en diploma’s) die uitgereikt worden in het modulaire volwassenenonderwijs na het volgen van zo’n nieuwe opleiding die niet meer gerangschikt zijn als bso2, bso3, bso4, tso2 of tso3, kunnen wel in aanmerking genomen worden als een bekwaamheidsbewijs. Zij worden gegroepeerd onder de verzamelbenamingen ‘ten minste HSO’ en ‘bekwaamheidsbewijs van het niveau secundair onderwijs’. Sommige van deze studiebewijzen hebben daarenboven vanaf het schooljaar 2019-2020 voor een aantal specialiteiten binnen het ambt van leraar BGV in OV3 een vereist bekwaamheidsbewijs (zie hiervoor ook punt 5.2.2.).

5. Aandachtspunten schooljaar 2019-2020

5.1. Hervorming van de lerarenopleidingen

5.1.1. Algemeen

Naar aanleiding van het decreet van 4 mei 2018 waarin de versterking van de lerarenopleidingen in de hogescholen en universiteiten voorzien wordt, was het noodzakelijk om de stelsels van de bekwaamheidsbewijzen aan te vullen met de vernieuwde lerarenopleidingen. De vernieuwde lerarenopleidingen bestaan uit 5 soorten lerarenopleidingen:

  • de educatieve master met een of meer gevolgde vakdidactieken
    • als generatietraject, aansluitend aan een academische bachelor;
    • in verkorte vorm voor wie al een ander masterdiploma heeft;
  • de educatieve bachelor in het secundair onderwijs
    • met onderwijsvakken
    • in verkorte vorm zonder onderwijsvakken voor wie al over een ander bachelordiploma beschikt ;
  • d e educatieve bachelor in het kleuteronderwijs
  • de educatieve bachelor in het lager onderwijs;
  • het educatief graduaat in het secundair onderwijs met een of meer gevolgde onderwijsvakken ;

Deze 5 soorten lerarenopleidingen worden allen beschouwd als zowel een basisdiploma als een bewijs van pedagogische bekwaamheid. Ze worden daarenboven ook allen gerekend onder de definities ‘ten minste HSO’ en ‘ten minste bachelor’ (dus ook het educatief graduaat in het secundair onderwijs). De educatieve master behoort daarnaast ook tot de omschrijving ‘ten minste master’.

5.1.2. Educatieve master (VKS niveau 7)

Er zijn twee soorten van opleidingen die leiden tot het diploma van educatieve master. Enerzijds is er het ‘generatietraject’ die studenten aansluitend bij een academische gerichte bachelor kiezen en dat uit hetzij 90 studiepunten, hetzij 120 studiepunten bestaat. Anderzijds is er een korter traject van 60 studiepunten voor wie al een ander masterdiploma heeft.

  • Wie de opleiding educatieve master volgt, kiest minstens één vakdidactiek uit het aanbod van de hogeschool of de universiteit, die erover waakt dat de student de nodige vakinhoudelijke voorkennis heeft. D e lijst van benamingen van toegelaten vakdidactieken is in een besluit van de Vlaamse Regering vastgelegd. De vakdidactieken en aanverwante opleidingsonderdelen bepalen wie in het buitengewoon secundair onderwijs een vereist of in een aantal gevallen een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs heeft .

Concreet worden aan de hieronder opgesomde BGV-vakken van OV3 de volgende vakdidactieken als vereist bekwaamheidsbewijs toegekend:

  • BGV OV 3 - Agrarische technieken
    • educatieve master met vakdidactiek bio-engineering
    • educatieve master met vakdidactiek gezondheidswetenschappen: diergeneeskunde.
    • BGV OV 3 – Bouw
  • educatieve master met vakdidactiek engineering en technologie
  • educatieve master met vakdidactiek architectuur

  • BGV OV 3 – Mechanica
  • educatieve master met vakdidactiek engineering en technologie

  • BGV OV 3 - Metaal
    • educatieve master met vakdidactiek engineering en technologie

  • BGV OV 3 – Schilderen en decoratie
  • educatieve master met vakdidactiek ontwerp;
  • BGV OV 3 – Verkoop- en kantoortechnieken
    • educatieve master met vakdidactiek economie
    • educatieve master met vakdidactiek productontwikkeling;

  • BGV OV 3 – Verzorging
    • educatieve master met vakdidactiek gezondheidswetenschappen: verpleegwetenschappen

Daarenboven wordt ook bij het ambt van leraar ASV (OV1,2,3) het diploma van educatieve master (alle vakdidactieken ) als vereist bekwaamheidsbewijs toegevoegd.

2 vakdidactieken worden ten slotte ook als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs toegevoegd, nl.:

  • Bij het ambt leraar ASV, specialiteit lichamelijke opvoeding (OV 1,2,3)

de educatieve master met vakdidactiek lichamelijke opvoeding;

  • Bij het ambt van leraar Niet-confessionele zedenleer (OV 1,2,3) de educatieve master met vakdidactiek moraalwetenschappen
  • Zie hiervoor ook de online databank . Wat de onderwijsbevoegdheid betreft, kan er een verschil zijn tussen de onderwijsbevoegdheid toegekend op basis van een educatieve master en de bijhorende vakdidactiek enerzijds en de huidige gelijknamige master + BPB.

5.1.3. Educatieve bachelorskleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs (VKS 6)

5.1.3.1. Educatieve bachelor in het kleuteronderwijs en in het lager onderwijs

De nieuwe opleidingen van educatieve bachelor in het kleuteronderwijs en educatieve bachelor in het lager onderwijs worden overal op g enomen waar hun voorlopers, de bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs en de bachelor in het onderwijs: lager onderwijs opgenomen waren. Dat betekent bv. dat de educatieve bachelor in het kleuteronderwijs een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs wordt in zowel het ambt van leraar ASV, leraar BGV in OV 2 en in OV3 en dat de educatieve bachelor in het lager onderwijs een vereist bekwaamheidsbewijs wordt voor het ambt van leraar ASV en een voldoende geacht voor de ambten van leraar BGV in OV2 en OV3. Voor het volledige o verzicht: zie de online databank .

5.1.3.2. Educatieve bachelor in het secundair onderwijs

Binnen de educatieve bachelor secundair onderwijs kunnen twee trajecten onderscheiden worden:

  • het traject van 180 studiepunten waarin de student 2 onderwijsvakken kiest. Dit traject is de opvolger van de bachelor in het onderwijs: secundair onderwijs;
  • het verkorte traject van 60 studiepunten zonder onderwijsvakken dat gericht is naar kandidaat-leraren die al over een andere bachelordiploma beschikken.

In de meeste gevallen kan de student van de educatieve bachelor met onderwijsvakken uit dezelfde lijst onderwijsvakken kiezen als de student die tot nu toe de bachelor in het onderwijs: secundair onderwijs volgde. De onderwijsbevoegdheid is in deze gevallen dan ook dezelfde gebleven – zie hiervoor de online databank .

Vb.: het diploma van educatieve bachelor secundair onderwijs met onderwijsvak Nederlands heeft dezelfde onderwijsbevoegdheid als het diploma van bachelor in het onderwijs: secundair onderwijs onderwijsvak Nederlands ( = vereist bekwaamheidsbewijs voor leraar ASV in OV 1, 2 en 3).

Een aantal onderwijsvakken is echter van naam veranderd, maar behoudt daarbij de onderwijsbevoegdheid:

  • de onderwijsvakken burotica , handel, handel- burotica zijn samenge bracht in het onderwijsvak bedrijfsorganisatie, maar dit blijft een vereist bekwaamheidsbewijs voor BGV verkoop- en kantoortechnieken ;
  • het onderwijsvak godsdienst is gewijzigd in katholieke godsdienst, maar blijft een vereist bekwaamheidsbewijs voor leraar ASV;
  • het onderwijsvak voeding/verzorging is gewijzigd in gezondheidsopvoeding, maar blijft een vereist bekwaamheidsbewijs voor leraar BGV huishoudkunde, BGV verzorging en BGV voeding en een voldoende geacht voor leraar ASV.

Daarenboven worden de nieuwe onderwijsvakken Nederlands niet-thuistaal en natuurwetenschappen als vereist bekwaamheidsbewijs toegevoegd aan het ambt van leraar ASV, evenals de voorloper van die laatste, de bachelor in het onderwijs: secundair onderwijs met onderwijsvak natuurwetenschappen.

De onderwijsbevoegdheid van wie de verkorte educatieve bachelor zonder onderwijsvakken gevolgd heeft, wordt niet bepaald op basis van de educatieve bachelor, maar nog steeds op basis van het andere basisdiploma dat deze leraar heeft.

Bv. de houder van een bachelor (PBA) houttechnologie + een verkorte educatieve bachelor heeft een vereist bekwaamheidsbewijs voor BGV hout en BGV bouw in OV 3.

5.1.4. Educatief graduaat in het secundair onderwijs (VKS 5)

Deze opleiding is specifiek gericht naar kandidaat-leraren die niet over een diploma hoger onderwijs beschikken en les wensen te geven in technische en praktische vakken. Om tot de opleiding en een welbepaald onderwijsvak toegelaten te worden, oordeelt de inrichtende hogeschool of de kandidaat-leraar over de nodige vakinhoudelijke startbekwaamheid beschikt. De Vlaamse Regering heeft de onderwijsvakken die de student kan opnemen, in een besluit vastgelegd. Specifiek voor het buitengewoon secundair onderwijs komt de benaming van het gevolgde onderwijsvak meestal overeen met de benaming van het overeenstemmende BGV-vak. Voor het concrete overzicht: zie de online databank .

Bv. de houder van een educatief graduaat met onderwijsvak grafische technieken heeft een vereist bekwaamheidsbewijs voor BG V grafische technieken in OV 3.

Bij houders van een educatief graduaat is het niet meer nodig om nuttige ervaring te laten erkennen als onderdeel van het bekwaamheidsbewijs – door het behalen van het educatief graduaat voldoen de betrokken leraren hier al aan. Wel kunnen zij volgens de geijkte procedure nog nuttige ervaring laten erkennen als deel van hun geldelijke anciënniteit (zie hiervoor de omzendbrief met referentie 13/CB/SG/WVB/4 ).

5.2. Overige actualisaties

5.2.1. Certificaten verzorgende en zorgkundige

Tot nu toe was het certificaat verzorgende als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs opgenomen bij de ambten van kinderverzorger en kinderverzorger in een internaat . Daarmee werd oorspronkelijk het certificaat bedoeld dat uitgereikt werd in het modulair deeltijds beroepssecundair onderwijs. Later viel hier echter ook het certificaat van de opleiding verzorgende die in het secundair volwassenenonderwijs uitgereikt wordt, onder. Zo konden houders van dat certificaat ook aangesteld worden. Houders van een certificaat van zorgkundige konden echter niet met een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aangesteld worden, hoewel de opleiding zorgkundige verder bouwt op de opleiding verzorgende en meer lestijden omvat.

Daarom wordt vanaf 1 september 2019 het certificaat van de opleiding zorgkundige als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs toegevoegd aan beide ambten van kinderverzorger en worden beide certificaten verzorgende uiteen gehaald, zodat het duidelijker is dat het om 2 soorten certificaten gaat.

5.2.2. Overige certificaten van het secundair volwassenenonderwijs

Tot voor enkele jaren kreeg elke diplomagerichte opleiding uit het secundair volwassenenonderwijs de vermelding bso3 of tso3. Die vermelding stond ook op het diploma van de cursist die het certificaat combineerde met (de toenmalige) algemene vorming. Sedert 2011 krijgt elke cursist die in een diplomagerichte opleiding zijn certificaat combineert met aanvullende algemene vorming (AAV) een diploma zonder vermelding , waardoor die certificaten niet meer ingeschaald konden worden onder HSTO of HSBS en er dus geen correcte vereiste bekwaamheidsbewijzen aan gekoppeld konden worden . Een aantal van deze opleidingen zijn ondertussen aan een onderzoek onderworpen, waardoor er vanaf 1 september 2019 toch vereiste bekwaamheidsbewijzen aan gekoppeld kunnen worden.

D e betrokken certificaten zijn opgenomen als hetzij ”certificaat of diploma van de opleiding X + BPB + 3 jaar NE”(indien de opleiding meer dan 900 lestijden heeft en als gelijkwaardig kan beschouwd worden aan een TSO-opleiding), hetzij “diploma van de opleiding X + BPB + 3 jaar NE” (indien de opleiding als gelijkwaardig aan een BSO-opleiding beschouwd kan worden of de 900-uren grens enkel behaald wordt mits de beroepsgerichte opleiding gecombineerd wordt met AAV).

Concreet gaat het om volgende certificaten en diploma’s die toegevoegd worden als vereist bekwaamheidsbewijs bij:

  • BGV OV 3 - Verkoop- en kantoortechnieken:
  • certificaat boekhoudkundig bediende (volwassenenonderwijs) (artikel 7, 56bis) + BPB + 3 jaar NE
  • diploma secundair onderwijs boekhoudkundig bediende + BPB + 3 jaar NE
  • diploma secundair onderwijs medisch administratief bediende + BPB + 3 jaar NE
  • certificaat meertalig polyvalent bediende (volwassenenonderwijs) (artikel 7, 56bis) + BPB + 3 jaar NE
  • diploma secundair onderwijs meertalig polyvalent bediende + BPB + 3 jaar NE
  • diploma secundair onderwijs polyvalent verkoper + BPB + 3 jaar NE
  • diploma secundair onderwijs secretariaatsmedewerker + BPB + 3 jaar NE
  • certificaat transport- en logistiek medewerker (volwassenenonderwijs) (artikel 7, 56bis) + BPB + 3 jaar NE
  • diploma secundair onderwijs transport- en logistiek medewerker + BPB + 3 jaar NE ;

  • BGV OV 3 - Verzorging:
  • certificaat begeleider-animator voor bejaarden (volwassenenonderwijs) (artikel 7, 56bis) + BPB + 3 jaar NE
  • diploma secundair onderwijs begeleider-animator voor bejaarden + BPB + 3 jaar NE
  • certificaat jeugd- en gehandicaptenzorg (volwassenenonderwijs) (artikel 7, 56bis) + BPB + 3 jaar NE
  • diploma secundair onderwijs jeugd- en gehandicaptenzorg + BPB + 3 jaar NE
  • diploma secundair onderwijs zorgkundige + BPB + 3 jaar NE ;

  • BGV OV 3 - Huishoudkunde:
  • certificaat jeugd- en gehandicaptenzorg (volwassenenonderwijs) (artikel 7, 56bis) + BPB + 3 jaar NE
  • diploma secundair onderwijs jeugd- en gehandicaptenzorg + BPB + 3 jaar NE .

5.2.3. Ambten van orthopedagoog

Bij de ambten orthopedagoog, orthopedagoog in een semi-internaat, orthopedagoog in een IPO en pedagoog in een semi-internaat wordt n aar analogie met de master in de educatieve studies (+ BPB) ook de Master of Educational Studies (salarisschaal 542) en de Master of Educational Studies + BPB (salarisschaal 501) als vereist bekwaamheidsbewijs opgenomen.

5.2.4. Ambten van psycholoog

Bij de ambten psycholoog, psycholoog in een semi-internaat en psycholoog in een IPO wordt het diploma van licentiaat: bedrijfs- en experimentele psychologie (salarisschaal 542) en licentiaat: bedrijfs- en experimentele psychologie + BPB (salarisschaal 501) als vereist bekwaamheidsbewijs toegevoegd.

5.2.5. Wijzigingen ten gevolge naamsveranderingen of Engelstalige varianten

Ten slotte zijn een aantal studiebewijzen die als vereist bekwaamheidsbewijs in het buitengewoon secundair onderwijs opgenomen waren in de loop van de laatste jaren van naam gewijzigd of is er een Engelstalige variant opgestart. Aan de nieuwe of Engelstalige varianten wordt dezelfde onderwijsbevoegdheid toegekend als aan de bestaande benaming. Voor de exacte onderwijsbevoegdheid: zie de online databank . Het gaat om volgende bekwaamheidsbewijzen:

Waar … voorkomt 

wordt … toegevoegd 

Bachelor (PBA) facilitair management + BPB 

Bachelor (PBA) in het facility management + BPB  

Bachelor (PBA) toerisme en recreatiemanagement + BPB 

Bachelor (PBA) of International Tourism and Leisure + BPB 

Bachelor (PBA) communicatiemanagement + BPB 

Bachelor (PBA) of International Communication and Media + BPB 

 

Bachelor (PBA) interieurvormgeving + BPB 

Bachelor (PBA) of Interior and Service Design + BPB 

 

Bachelor (PBA) office management + BPB 

Bachelor (PBA) of International Office Management + BPB 

 

Master handelsingenieur + BPB 

Master of Business Engineering + BPB 

 

Master in de handelswetenschappen + BPB 

Master of Business Administration + BPB 

 

Master of Applied Economic Sciences: Business Administration + BPB 

Master of Applied Economic Sciences: Business Economics + BPB 

Master of Business Engineering: Business and Technology + BPB 

Master of Business Engineering + BPB 

 

Master of Industrial Sciences: Electromechanical Engineering + BPB 

Master of Electromechanical Engineering Technology + BPB 

Master of Agro - and Ecosystems Engineering + BPB 

Master of Bioscience Engineering: Agro - and Ecosystems + BPB 

6. Aandachtspunten van de vorige schooljaren

7. Buitengewoon secundair onderwijs online .

8. Bijlagen