Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    14 JUNI 1989
  • publicatiedatum
    B.S.31/08/1989
  • datum laatste wijziging
    21/04/2017

(opschrift gewijzigd bij B.Vl.R. 9-11-2007)

COORDINATIE

B.Vl.R. 31-7-1990 - B.S. 1-11-1990

B.Vl.R. 26-9-1990 - B.S. 16-3-1991

B.Vl.R. 12-6-1991 - B.S. 12-10-1991

B.Vl.R. 19-12-1991 - B.S. 24-6-1992; err. B.S. 27-8-1992

B.Vl.R. 15-7-1992 - B.S. 18-9-1992

B.Vl.R. 3-2-1993 - B.S. 30-4-1993

B.Vl.R. 7-7-1993 - B.S. 21-10-1993

B.Vl.R. 15-9-1993 - B.S. 13-1-1994

B.Vl.R. 18-5-1994 - B.S. 4-8-1994

B.Vl.R. 7-9-1994 - B.S. 28-10-1994

B.Vl.R. 14-12-1994 - B.S. 24-3-1995

B.Vl.R. 25-1-1995 - B.S. 8-9-1995

B.Vl.R. 12-6-1995 - B.S. 15-9-1995

B.Vl.R. 28-7-1995 - B.S. 9-12-1995

B.Vl.R. 31-1-1996 - B.S. 20-3-1996

B.Vl.R. 9-7-1996 - B.S. 29-8-1996

B.Vl.R. 15-4-1997 - B.S. 10-7-1997

B.Vl.R. 7-10-1997 - B.S. 19-11-1997

B.Vl.R. 4-11-1997 - B.S. 9-3-1998

B.Vl.R. 31-8-1999 - B.S. 23-3-2000

B.Vl.R. 11-1-2002 - B.S. 19-2-2002

B.Vl.R. 11-1-2002 - B.S. 26-3-2002

B.Vl.R. 14-3-2003 - B.S. 9-7-2003

B.Vl.R. 21-11-2003 - B.S. 11-2-2004

B.Vl.R. 28-11-2003 - B.S. 29-11-2004

B.Vl.R. 23-9-2005 - B.S. 22-12-2005

B.Vl.R. 1-9-2006 - B.S. 14-12-2006

B.Vl.R. 9-11-2007 - B.S. 25-1-2008

B.Vl.R. 24-10-2008 - B.S. 15-1-2009

B.Vl.R. 24-4-2009 - B.S. 16-6-2009

B.Vl.R. 4-9-2009 - B.S. 7-12-2009

B.Vl.R. 17-9-2010 - B.S. 9-11-2010

B.Vl.R. 27-5-2011 - B.S. 20-6-2011

B.Vl.R. 15-7-2011 - B.S. 9-9-2011

B.Vl.R. 7-9-2012 - B.S. 24-10-2012

B.Vl.R. 6-9-2013 - B.S. 11-10-2013

B.Vl.R. 5-9-2014 - B.S. 4-12-2014

B.Vl.R. 17-7-2015 - B.S. 18-8-2015

B.Vl.R. 10-3-2017 - B.S. 14-4-2017

B.Vl.R. 10-3-2017 - B.S. 21-4-2017

De Vlaamse Regering,

Gelet op de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, inzonderheid op de artikelen 12 bis, § 2, ingevoegd bij de wet van 11 juli 1973, en 29;

Gelet op de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986, inzonderheid op de artikelen 1, 4 en 5;

Gelet op het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, inzonderheid op artikel 55, § 1;

Gelet op het protocol van 17 mei 1989 houdende de conclusies van de onderhandelingen in het Gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten (Comité A);

Gelet op het akkoord van de Gemeenschapsminister van Begroting, gegeven op 3 mei 1989;

Gelet op het akkoord van de Gemeenschapsminister van Binnenlandse Aangelegenheden en Openbaar Ambt, gegeven op 11 mei 1989;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van de Gemeenschapsminister van Onderwijs;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden die behoren tot de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel [, van het opvoedend hulppersoneel en van het ondersteunend personeel]² van de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijsinstellingen [voor voltijds secundair onderwijs [[en voor deeltijds beroepssecundair onderwijs]].]¹

[ ]¹ B.Vl.R. 26-9-1990; [ ]² B.Vl.R. 31-8-1999; [[ ]] B.Vl.R. 4-9-2009

[Het is niet van toepassing op de personeelsleden van het buitengewoon secundair onderwijs [[...]]. Het is evenmin van toepassing op de godsdienstleraars, met uitzondering van de bepalingen van artikel 12 en 13.]

B.Vl.R. 31-7-1990; [[ ]] B.Vl.R.9-7-1996

Art. 2.

§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 9 van dit besluit, kan geen [salaris]³ noch [salaristoelage]³ worden verleend voor een personeelslid dat tewerkgesteld wordt in een door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling, tenzij het personeelslid in het bezit is van een van de bekwaamheidsbewijzen die in hoofdstuk II van dit besluit voor de onderscheiden ambten en vakken zijn bepaald.

Deze bekwaamheidsbewijzen worden ingedeeld in :

- vereiste bekwaamheidsbewijzen;

- voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen;

- andere bekwaamheidsbewijzen.

§ 2. In afwijking van § 1 kan de [Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs]² ieder bekwaamheidsbewijs dat niet is opgenomen in hoofdstuk II van dit besluit, beschouwen als een vereist, een voldoende geacht of een ander bekwaamheidsbewijs, indien er geen enkel in artikel 6 bepaald basisdiploma in de betrokken specialiteit wordt uitgereikt.

§ 3. Onder door de Vlaamse Regering nader te bepalen voorwaarden kan een personeelslid, dat een bekwaamheidsbewijs bezit dat is opgenomen in hoofdstuk II van dit besluit, een andere onderwijsbevoegdheid verwerven door een door de [Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs]² erkende navorming [of nascholing]¹ te volgen.

[ ]¹ B.Vl.R. 4-11-1997; [ ]² B.Vl.R. 23-9-2005; [ ]³ B.Vl.R. 9-11-2007

Art. 3.

§ 1. Een bekwaamheidsbewijs bestaat uit een basisdiploma, eventueel aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid en/of nuttige ervaring. [Voor de gevallen waarin toepassing wordt gemaakt van artikel 5bis kan een bekwaamheidsbewijs bestaan uit artistieke ervaring.]

B.Vl.R. 24-10-2008

§ 2. [Onder bewijs van pedagogische bekwaamheid wordt verstaan :

1° het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs;

2° het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;

3° het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs;

4° het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen;

5° het getuigschrift van normaalleergangen;

6° het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;

7° het getuigschrift van pedagogische leergangen;

8° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1;

9° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 2;

10° het diploma van bachelor in het onderwijs : secundair onderwijs;

[[...]]

19° het diploma van leraar, uitgereikt door een specifieke lerarenopleiding, zoals bepaald in het decreet van 15 december 2006 betreffende de lerarenopleidingen in Vlaanderen, met uitzondering van het diploma van leraar dans.]

B.Vl.R. 9-11-2007; [[ ]] B.Vl.R. 6-9-2013

[§ 3. [[Voor de houder van het diploma van licentiaat, die tevens houder is van een diploma of getuigschrift, genoemd in § 2, wordt dit laatste gelijkgesteld met het diploma van GHSO of GVO.]] ]

B.Vl.R. 19-12-1991; [[ ]] B.Vl.R.31-8-1999

[§ 4. Bij de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen worden [[het diploma van onderwijzer en van bachelor in het onderwijs : lager onderwijs en het diploma van kleuteronderwijzer en van bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs]]¹ eveneens als een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschouwd.

[[Bij de volgende ambten worden die diploma's ook als bewijs van pedagogische bekwaamheid beschouwd :

1° adjunct-directeur;

2° beheerder;

3° coördinator;

4° directeur;

5° technisch adviseur;

6° technisch adviseur-coördinator.]]² ]

B.Vl.R. 28-11-2003; [[ ]]¹ B.Vl.R. 9-11-2007; [[ ]]² B.Vl.R. 17-7-2015

[§ 5. Voor de toepassing van dit besluit moet de onderwijscyclus voor de normaalleergangen, de pedagogische leergangen, het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie en de pedagogische getuigschriften uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs, ten minste 450 lestijden hebben omvat. In afwijking van artikel 6, § 2, geldt dit vanaf 1 september 1989 ook wanneer ze voor de toepassing van dit besluit beschouwd worden als een basisdiploma.]

B.Vl.R. 7-9-2012

[§ 6. De volgende diploma's of getuigschriften worden eveneens beschouwd als een bewijs van pedagogische bekwaamheid, voor zover ze uitgereikt zijn uiterlijk in het academiejaar 2014-2015 :

1° het diploma van de voortgezette lerarenopleiding zorgverbreding en remediërend leren;

2° het diploma van bachelor in het onderwijs: zorgverbreding en remediërend leren;

3° het diploma van de voortgezette studie van geaggregeerde voor het buitengewoon onderwijs;

4° het diploma van de voortgezette studie van geaggregeerde voor het buitengewoon onderwijs en remedial teaching;

5° het diploma van de voortgezette studie van remedial teacher;

6° het diploma van de voortgezette lerarenopleiding buitengewoon onderwijs;

7° het diploma van bachelor in het onderwijs: buitengewoon onderwijs;

8° het bekwaamheidsgetuigschrift tot het geven van buitengewoon onderwijs.]

B.Vl.R. 5-9-2014

Art. 4.

§ 1. De in artikel 3 vermelde basisdiploma's en bewijzen van pedagogische bekwaamheid moeten uitgereikt zijn, hetzij door een Belgische universiteit of door een door een wet of decreet daarmee gelijkgestelde instelling of door een door de Staat of door de Gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling, [hetzij door een ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs,]² hetzij door een door de Staat of de Gemeenschap ingestelde examencommissie. [Ze kunnen eveneens uitgereikt zijn na het volgen van een opleiding die door wet of decreet gelijkgesteld is met een opleiding aan een Belgische universiteit of een door de staat of door de gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling.]¹

[ ]¹ B.Vl.R. 28-11-2003; [ ]² B.Vl.R.23-9-2005

§ 2. [Worden eveneens aangenomen de in overeenstemming met een buitenlandse regeling behaalde diploma's en studiegetuigschriften die gelijkwaardig worden verklaard met een van de dit besluit bedoelde diploma's of studiegetuigschriften :

- krachtens verdragen of internationale overeenkomsten of;

- met toepassing [[, tot 31 augustus 2011,]]² van de procedure voor het verlenen van de gelijkwaardigheid, voorgeschreven bij de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften of;

- met ingang van 1 september 1995, met toepassing van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap of;

- met ingang van 1 oktober 1992, met toepassing van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap of;

- met ingang van 1 januari 2003, met toepassing van het decreet van 4 april 2003betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;

[[- met ingang van 1 september 2011, met toepassing van de codex secundair onderwijs , het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken en het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.]]²

[[Diploma's of getuigschriften die buiten België uitgereikt zijn, worden eveneens aangenomen indien ze vergezeld gaan van een conformiteitsattest zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 betreffende de omzetting van de Europese Richtlijn 2005/36 voor wervingsambten in het onderwijs en voor sommige functies in de basiseducatie [[[en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties voor gereglementeerde beroepen in het onderwijs in het kader van de Europese Richtlijn 2005/36]]].]]¹ ]

B.Vl.R. 23-9-2005; [[ ]]¹ B.Vl.R. 24-4-2009; [[ ]]² B.Vl.R. 15-7-2011; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[§ 3. De bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, heeft de bevoegdheid om de attesten uit te reiken die opgenomen zijn in de [[bijlage 1]]¹ bij dit besluit voor [[het ambt van leraar]]² niet-confessionele zedenleer, ter aanvulling van het basisdiploma.]

B.Vl.R. 28-11-2003; [[ ]]¹ B.Vl.R. 9-11-2007; [[ ]]² B.Vl.R. 5-9-2014

[§ 4. [[Voor de vakken die als algemeen vak worden beschouwd ter uitvoering van artikel 152, tweede lid, van de Codex Secundair onderwijs, alsook voor het algemene vak Nederlands voor nieuwkomers,]]² worden eveneens buitenlandse diploma's aangenomen [[als er een verklaring is bijgevoegd van NARIC-Vlaanderen, waaruit blijkt dat het buitenlandse diploma erkend is in het land van uitreiking, uitgereikt is door een in dat land erkende instelling voor hoger onderwijs en dat de studieomvang vergelijkbaar is met een studieomvang in het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap]]¹.]

B.Vl.R. 1-9-2006; [[ ]]¹ B.Vl.R. 17-9-2010; [[ ]]² B.Vl.R. 6-9-2013

Art. 5.

[...]

B.Vl.R.7-10-1997

[Art. 5bis.

§ 1. Voor de leraar in kunstvakken of kunstvakken die als praktisch vak worden beschouwd in het kunstsecundair onderwijs kan een bekwaamheidsbewijs bestaan uit artistieke ervaring, erkend zoals vermeld in dit artikel.

§ 2. Voor de erkenning van de artistieke ervaring wordt de volgende procedure gevolgd :

1° de directeur van de instelling waar kunstsecundair onderwijs ingericht wordt, die de kandidaat wil aanstellen, stelt een dossier samen dat ten minste de volgende documenten bevat :

a) het curriculum vitae van de kandidaat, met vermelding van de identiteitsgegevens, opleiding en werkervaring;

b) een beschrijving van de activiteiten en de ervaring die voor de erkenning van de artistieke ervaring nuttig kunnen zijn, eventueel aangevuld met relevante documentatie en referenties;

c) de erkende artistieke ervaring in het deeltijds kunstonderwijs als die er is;

d) een nauwkeurige beschrijving van het vak in het kunstsecundair onderwijs waarvoor de erkenning als bekwaamheidsbewijs gevraagd wordt :

1) het ambt;

2) de onderwijsvorm;

3) de graad;

4) de vakbenaming en -rubricering, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 1989 tot vaststelling van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken en de praktische vakken in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs en in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs die als centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs fungeren, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs;

2° de inrichtende macht of haar gemandateerde roept een adviesverlenende commissie samen, die minstens bestaat uit vier leden, waarvan :

a) ofwel twee directeurs van instellingen waar kunstsecundair onderwijs ingericht wordt, ofwel één directeur van een instelling waar kunstsecundair onderwijs ingericht wordt en één directeur van een instelling voor deeltijds kunstonderwijs.

Indien de instelling deel uitmaakt van een scholengemeenschap, moet het gaan om directeurs van instellingen die tot andere scholengemeenschappen en andere inrichtende machten en, voor wat het gemeenschapsonderwijs betreft, tot andere scholengroepen behoren. Indien de instelling geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap, moet het gaan om directeurs van instellingen die tot andere inrichtende machten en, voor wat het gemeenschapsonderwijs betreft, tot andere scholengroepen behoren;

b) twee docenten, verbonden aan verschillende hogescholen. Voor de vakken klassieke dans en hedendaagse dans mogen de twee docenten tot dezelfde hogeschool behoren. Voor een kandidaat die verbonden is aan een hogeschool waar hoger kunstonderwijs georganiseerd wordt of aan een hoger instituut of instelling voor hoger kunstonderwijs die de Vlaamse Regering mee financiert of subsidieert en waarmee ze een beheersovereenkomst heeft gesloten, hoeven geen docenten van hogescholen deel uit te maken van de commissie.

Elk van de leden moet beschikken over de nodige deskundigheid om te adviseren, rekening houdend met, wat de directeurs betreft, het opleidingsaanbod van de instellingen en met, wat de docenten betreft, hun vakgebied.

Als datum van de samenroeping geldt de postdatum van de schriftelijke uitnodiging aan de commissieleden;

3° de commissie beoordeelt of de kandidaat op basis van artistieke ervaring beschikt over de nodige vakbekwaamheid voor het conform 1°, d), omschreven vak in het kunstsecundair onderwijs. Daarbij houdt de commissie er rekening mee dat de kandidaat minstens zes jaar artistieke ervaring moet kunnen voorleggen. De commissie verstrekt binnen negentig dagen een advies waarin ze zich duidelijk uitspreekt over de erkenning van de artistieke ervaring. Het advies is bindend;

4° de inrichtende macht beslist op een gemotiveerde wijze. Daarbij geeft ze de uitzonderlijke toestand weer die ertoe geleid heeft om tot een aanstelling op basis van artistieke ervaring over te gaan en toont ze aan dat de kandidaat een autoriteit is in het kunstvak in kwestie;

5° de beslissing van de inrichtende macht houdt de erkenning in van de artistieke ervaring van de kandidaat als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor een conform 1°, d), omschreven vak in het kunstsecundair onderwijs;

6° de inrichtende macht of haar gemandateerde deelt de beslissing mee aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten en voegt een kopie van het advies toe dat tot de beslissing aanleiding gegeven heeft.

§ 3. Voor een personeelslid dat via de procedure, vermeld in § 2, een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs verworven heeft, kan een salaris(toelage) uitbetaald worden :

1° in de salarisschaal 301 voor opdrachten in de eerste graad en in de tweede graad KSO;

2° in de salarisschaal 302 voor opdrachten in de derde graad KSO.]

B.Vl.R. 24-10-2008

Art. 6.

[ [[§ 1.]]4 Voor de toepassing van dit besluit worden als een in artikel 3, § 1 bedoeld basisdiploma beschouwd :

1. de diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op de academische graden;

2. de andere diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de staat of de gemeenschap opgerichte examencommissie, indien de duur van de studies ten minste vier jaar bedraagt, zelfs als een gedeelte van de studies niet in een van de voormelde onderwijsinstellingen werd volbracht;

[[2.bis [[[het diploma van master;]]]² ]]¹

3. het diploma van hoger technisch onderwijs van de derde graad;

4. het diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad met volledig leerplan;

5. het diploma van voortgezet hoger kunstonderwijs met volledig leerplan;

6. het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;

7. het laureaatsattest van het Nationaal Hoger Instituut van Antwerpen, verleend na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;

8. de prijs Lemmens-Tinel, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;

9. het diploma van meester, uitgereikt overeenkomstig de regelgeving op het hoger onderwijs;

10. het diploma van de officieren die vóór 1 januari 1965 met vrucht hun studies hebben volbracht aan de Oefenschool bij de Koninklijke Militaire School of aan de polytechnische afdeling van die school;

11. het diploma van architect, interieurarchitect of van industrieel ingenieur;

12. het diploma van technisch ingenieur;

13. het universitair diploma van burgerlijk conducteur;

14. het diploma van een hogere technische school van de tweede graad;

15. het diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad met volledig leerplan;

16. het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vier studiejaren;

17. het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan voor 1 september 1969 uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door een instelling voor de beeldende kunsten;

18. het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;

[[18bis. het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst in Antwerpen;]]²

19. het diploma van de tweede cyclus, uiterlijk in het academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium;

20. het diploma van binnenhuisontwerper, uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door het Provinciaal Hoger Instituut voor Architectuur en Toegepaste Kunsten in Hasselt, het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut in Hasselt-Diepenbeek en het Stedelijk Hoger Architectuurinstituut "De Bijloke" te Gent;

21. het diploma van binnenhuisontwerper, behaald vóór het academiejaar 1964-1965 en uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedebouw in Antwerpen;

22. het diploma van aspirant-officier ter lange omvaart;

23. het diploma van officier-werktuigkundige eerste klasse;

24. het diploma van het hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan;

25. het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren;

26. het diploma van de eerste cyclus uiterlijk in het academiejaar 1994-1995, uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium, met uitzondering van het diploma van kandidaat;

27. het diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;

28. het diploma van een hogere technische school van de eerste graad;

29. het diploma van onderwijzer(es);

[[29bis. het diploma van bachelor in het onderwijs : lager onderwijs;]]²

30. het diploma van kleuteronderwijzer(es);

[[30bis. het diploma van bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs;]]²

31. het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);

32. het diploma van geaggregeerd leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regentes voor de middelbare scholen;

33. het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;

34. het diploma van een basisopleiding van één cyclus;

[[34.bis [[[het diploma van professioneel gerichte bachelor]]]² ]]¹

[[34ter. het diploma van academisch gerichte bachelor;]]5

35. het diploma van gegradueerde in de godsdienstwetenschappen;

[[35bis. het diploma van gegradueerde, uitgereikt in het hoger beroepsonderwijs;]]³

36. het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijsgroep 1;

[[36bis. het diploma van bachelor in het onderwijs : secundair onderwijs;]]²

37. het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijsgroep 1 samen met het diploma van de voortgezette lerarenopleiding voor de bijkomende uitdieping van een opleidingseenheid;

38. het diploma van leraar dans;

39. a) de vergunning van lijnbestuurder, lijnvliegtuigbestuurder of lijnpiloot, uitgereikt of erkend door het Bestuur der Luchtvaart of door het Directoraat-generaal Luchtvaart, ongeacht de periode(s) waarvoor de vergunning geldt;

b) vanaf 1 september 2003, de vergunning van beroepsbestuurder of beroepsvliegtuigbestuurder, uitgereikt of erkend door het Bestuur der Luchtvaart of door het Directoraat-generaal Luchtvaart, met de bevoegdheidsverklaring instrumentvliegen voorzover de kandidaten geslaagd zijn voor de examens over de algemene kennis voor het verkrijgen van de vergunning van lijnbestuurder, lijnvliegtuigbestuurder of lijnpiloot, ongeacht de periode(s) waarvoor de vergunning geldt;

40. het diploma van virtuositeit en het hoger diploma, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;

41. het diploma van een hogere technische leergang van de tweede graad;

42.[[het diploma van het hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie of van een hogere technische leergang van de eerste graad of, vanaf 1 september 2000, van hoger onderwijs voor sociale promotie of, vanaf 1 september 2002, van hoger onderwijs, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs [[[...]]]¹;]]²

43. het diploma van eerste prijs, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;

44. het diploma van kandidaat, uitgereikt krachtens de wet op het toekennen van de academische graden;

45. de andere diploma's van kandidaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de staat of de gemeenschap opgerichte examencommissie;

46. het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans;

47. het brevet van een aanvullende secundaire beroepsschool of leergang;

48. vanaf 1 september 2001 met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2002 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : een studiebewijs van het volwassenenonderwijs, gerangschikt BSO4;

49. het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs;

50. het diploma in de psychiatrische verpleegkunde;

51. het diploma in de ziekenhuisverpleegkunde;

[[51.bis het diploma in de verpleegkunde, uitgereikt na de vierde graad van het beroepssecundair onderwijs;]]¹

52. het finaliteitsdiploma van het kunstonderwijs, ingericht volgens beperkt leerplan;

53. het gehomologeerd getuigschrift van hoger secundair onderwijs;

54. het gehomologeerd getuigschrift van het middelbaar onderwijs van de hogere graad;

55. het gehomologeerd diploma van secundair onderwijs;

56. het diploma van secundair onderwijs;

[[56bis. een certificaat of diploma, uitgereikt na het volgen van een modulaire opleiding in het secundair volwassenenonderwijs, die ingevoerd is vanaf 1 september 2011 en niet gerangschikt is als bso2, bso3, bso4, tso2 of tso3;]]4

57. een studiebewijs van het niveau hoger technisch secundair onderwijs;

58. een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het technisch secundair onderwijs;

59. vanaf 1 september 2001, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2002 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : een studiebewijs van het volwassenenonderwijs, gerangschikt als TSO3;

60. een studiebewijs van het niveau van hoger kunstsecundair onderwijs;

61. een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het kunstsecundair onderwijs;

62. een studiebewijs van het niveau van hoger beroepssecundair onderwijs;

63. een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;

64. vanaf 1 september 2001, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2002 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : een studiebewijs van het volwassenenonderwijs gerangschikt als BSO3;

65. een studiebewijs van het niveau van lager technisch secundair onderwijs;

66. een studiebewijs van het niveau van de tweede graad van het technisch secundair onderwijs;

67. vanaf 1 september 2001, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2002 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : een studiebewijs van het volwassenenonderwijs, gerangschikt als TSO2;

68. een studiebewijs van het niveau van lager beroepssecundair onderwijs;

69. een studiebewijs van het niveau van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs;

70. vanaf 1 september 2001, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2002 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : een studiebewijs van het volwassenenonderwijs, gerangschikt als BSO2.]

B.Vl.R. 28-11-2003; [[ ]]¹ B.Vl.R. 23-9-2005; [[ ]]² B.Vl.R. 9-11-2007; [[ ]]³ B.Vl.R. 17-9-2010; [[ ]]4 B.Vl.R. 7-9-2012; [[ ]]5 B.Vl.R. 6-9-2013; [[[ ]]]¹ B.Vl.R. 17-9-2010; [[[ ]]]² B.Vl.R. 6-9-2013

[§ 2. Voor de toepassing van dit besluit moet de onderwijscyclus voor de basisdiploma's uitgereikt in het onderwijs voor sociale promotie of door een centrum voor volwassenenonderwijs, ten minste 900 lestijden hebben omvat.]

B.Vl.R. 7-9-2012

[Art. 6bis.

§ 1. Voor het onderricht van de technische vakken of de praktische vakken in de specialiteiten nautische technieken, zeemanschap en werktuigkunde zeevisserij worden daarenboven als basisdiploma beschouwd :

- het brevet van 2e luitenant ter lange omvaart;

- het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van zeevisserijonderwijs;

- het brevet van schipper ter visserij;

- het brevet van schipper ter kustvisserij;

- het brevet van officier-werktuigkundige 2e klasse;

- het brevet van werktuigkundige ter diepzeevisserij;

- het brevet van motorist;

- het brevet van matroos-motorist;

- het getuigschrift van aspirant-schipper ter visserij.

§ 2. Voor het onderricht van de technische of de praktische vakken in de specialiteiten Rijn- en binnenvaart en scheepvaart worden daarenboven als basisdiploma beschouwd :

- het brevet van officier-werktuigkundige 2e of 1e klasse;

- Rijnschipperspatent uitgereikt door de commissie van het Ministerie van Verkeerswezen belast met het attest A.D.N.R., afgeleverd door dezelfde commissie en het radardiploma voor de Rijn afgegeven door de commissie belast met het houden van het examen voor de gegadigden voor het radardiploma voor de Rijn.

§ 3. De bepalingen van [[artikel 4, § 1,]] zijn niet van toepassing op de basisdiploma's vermeld in de §§ 1 en 2.]

B.Vl.R. 19-12-1991; [[ ]] B.Vl.R.31-8-1999

Art. 7.

§ 1. [Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1. een bekwaamheidsbewijs van ten minste master : één van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met 11;

2. HOLT :

-een bekwaamheidsbewijs van het hoger onderwijs van het lange type;

- een diploma van een basisopleiding van twee cycli;

3. een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de derde graad :

- het diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad met volledig leerplan;

- het diploma van voortgezet hoger kunstonderwijs met volledig leerplan;

- het laureaatsattest van het Nationaal Hoger Instituut van Antwerpen, uitgereikt na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;

- het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;

- de prijs Lemmens-Tinel, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;

- het diploma van meester, uitgereikt overeenkomstig de regelgeving op het hoger onderwijs;

4. een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de tweede graad :

- het diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad met volledig leerplan;

- het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vier studiejaren;

- het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt vóór 1 september 1969 na een cyclus van ten minste drie studiejaren door een instelling voor de beeldende kunsten;

- het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;

- van 1 september 1989 met de beperking evenwel dat hieruit voor de periode van 1 september 1989 tot en met 31 augustus 2007 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot bezoldiging en terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling : het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst in Antwerpen;

- het diploma van de tweede cyclus, uiterlijk in het academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium;

- het diploma van binnenhuisontwerper, uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door het Provinciaal Hoger Instituut voor Architectuur en Toegepaste Kunsten in Hasselt, het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut in Hasselt-Diepenbeek en het Stedelijk Hoger Architectuurinstituut De Bijloke in Gent;

- het diploma van binnenhuisontwerper, behaald voor het academiejaar 1964-1965 en uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedenbouw in Antwerpen;

5. 1° een bekwaamheidsbewijs van het hoger onderwijs van het korte type, afgekort : HOKT :

- een diploma van het hoger onderwijs van het korte type;

- een diploma van een hogere technische school of leergang van de eerste graad;

- een diploma van technisch ingenieur;

- een diploma van een basisopleiding van één cyclus;

- een diploma van gegradueerde in de godsdienstwetenschappen;

- de vergunning van lijnbestuurder, lijnvliegtuigbestuurder of lijnpiloot, uitgereikt of erkend door het Bestuur der Luchtvaart of door het Directoraat-generaal Luchtvaart, ongeacht de periode(s) waarvoor de vergunning geldt;

- vanaf 1 september 2003, de vergunning van beroepsbestuurder of beroepsvliegtuigbestuurder, uitgereikt of erkend door het Bestuur der Luchtvaart of door het Directoraat-generaal Luchtvaart, met de bevoegdheidsverklaring instrumentvliegen voor zover de kandidaten geslaagd zijn in de examens over de algemene kennis voor het verkrijgen van de vergunning van lijnbestuurder, lijnvliegtuigbestuurder of lijnpiloot, ongeacht de periode(s) waarvoor de vergunning geldt;

- vanaf 1 september 2000 : het diploma van hoger onderwijs voor sociale promotie;

- vanaf 1 september 2002 : het diploma van hoger onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs;

- vanaf 1 september 2007 : het diploma van gegradueerde, [[uitgereikt in het hoger beroepsonderwijs]]².

2°[[Met dat bekwaamheidsbewijs wordt evenwel niet bedoeld]]5 :

- het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan of voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie en, vanaf 1 september 2002, het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs, of vanaf 1 september 2007 het diploma van leraar, uitgereikt door een specifieke lerarenopleiding;

- het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig en beperkt leerplan;

- het diploma van onderwijzer(es) en het diploma van bachelor in het onderwijs : lager onderwijs;

- het diploma van kleuteronderwijzer(es) en het diploma van bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs;

- het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);

- het diploma van geaggregeerde leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regentes voor de middelbare scholen;

- het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;

- het diploma van geaggregeerde voor het godsdienstonderricht in het lager secundair onderwijs;

- het diploma van gegradueerde voor het godsdienstonderricht in het lager secundair onderwijs;

- het diploma van de middelbare technische normaalschool;

- het diploma van de technische normaalafdelingen met volledig leerplan gerangschikt in de cat. D.;

- het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1 en het diploma van bachelor in het onderwijs : secundair onderwijs;

- het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1 samen met het diploma van de voortgezette lerarenopleiding voor de bijkomende uitdieping van een opleidingseenheid;

6. [[bachelor :

a) een diploma van professioneel gerichte bachelor als vermeld in artikel 6, § 1, 34bis;

b) een diploma van academisch gerichte bachelor als vermeld in artikel 6, § 1, 34ter;]]5

7. een bekwaamheidsbewijs van [[ten minste bachelor]]5 : de bekwaamheidsbewijzen, vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met 42, met uitzondering van het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en, vanaf 1 september 2000 het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en, vanaf 1 september 2002, het pedagogisch getuigschrift uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs;

8. [[een bekwaamheidsbewijs van het niveau [[[bachelor]]]² : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punt 12 tot en met 42, met uitzondering van het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en vanaf 1 september 2000 het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en vanaf 1 september 2002 het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs;]]¹

[[8bis. een bekwaamheidsbewijs van het niveau master : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met 11;

8ter. een bekwaamheidsbewijs van het niveau secundair onderwijs :

- een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punten 47 tot en met [[[56bis]]]¹;

- de studiebewijzen die hieronder vermeld zijn als ASBO, HSBO, HSTO en HSKO;]]¹

9. een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de eerste graad :

- het diploma van hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan;

- het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren;

- het diploma van de eerste cyclus, uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium;

[[...]]5

13. GLSO :

- het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;

- het diploma van geaggregeerd leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regentes voor de middelbare scholen;

- het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;

- het diploma van regent(es);

- het diploma van de middelbare technische normaalschool;

- het diploma van de technische normaalafdelingen met volledig leerplan gerangschikt in de cat. D.;

- het diploma van geaggregeerde voor het godsdienstonderricht in het lager secundair onderwijs;

- het diploma van gegradueerde voor het godsdienstonderricht in het lager secundair onderwijs;

14. GVSO-groep 1 :

- het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1;

- het diploma van leraar dans;

[[...]]5

19. ASBS met gehomologeerd getuigschrift HSO :

- het gehomologeerd getuigschrift van hoger secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;

- het gehomologeerd diploma van secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;

- het diploma van secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;

- het diploma van secundair onderwijs, uitgereikt na de vierde graad van het beroepssecundair onderwijs;

20. ASBO :

- het brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs met volledig leerplan of voor sociale promotie;

- het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs;

- het diploma in de psychiatrische verpleegkunde;

- het diploma in de ziekenhuisverpleegkunde;

- het diploma in de verpleegkunde, uitgereikt na de vierde graad van het beroepssecundair onderwijs;

- het brevet, certificaat of getuigschrift van het volwassenenonderwijs gerangschikt als BSO4;

21. HSBS met gehomologeerd getuigschrift HSO/gehomologeerd getuigschrift van HSO (BSO) :

- het gehomologeerd of een door een examencommissie van de Staat uitgereikt getuigschrift van hoger secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

- het gehomologeerd of een door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikt diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

- het diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

22. HSBO :

- het brevet van een hogere secundaire beroepsschool of -leergang;

- het studieattest of -getuigschrift van het 6° leerjaar van het beroepssecundair onderwijs;

- het studieattest of -getuigschrift van het 7° vervolmakings- of specialisatiejaar van het beroepssecundair onderwijs;

- het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

- het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar (beroepssecundair onderwijs);

- de bekwaamheidsbewijzen, vermeld onder HSBS met gehomologeerd getuigschrift HSO/gehomologeerd getuigschrift van HSO (BSO);

- vanaf 1 september 2001 met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2002 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : het brevet of certificaat of getuigschrift van het volwassenenonderwijs, gerangschikt als BSO3;

- het diploma van secundair onderwijs, gerangschikt als BSO3;

23. HSTO :

- het diploma van een hogere secundaire technische school of leergang;

- het gehomologeerd of een door de examencommissie van de Staat uitgereikt getuigschrift van hoger secundair technisch onderwijs;

- het studieattest of -getuigschrift van het 7° vervolmakings- of specialisatiejaar van het technisch secundair onderwijs;

- het gehomologeerd of een door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikt diploma van secundair onderwijs (technisch secundair onderwijs);

- het diploma van secundair onderwijs (technisch secundair onderwijs);

- het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar (technisch secundair onderwijs);

- het diploma of certificaat of getuigschrift van het volwassenenonderwijs, gerangschikt als TSO3;

- het diploma van secundair onderwijs, gerangschikt als TSO3;

[[- het certificaat van een opleiding secundair-na-secundair (Se-n-Se) [[[, uitgereikt in het technisch secundair onderwijs]]]¹;]]³

24. HSKO :

- het diploma of getuigschrift van het hoger secundair kunstonderwijs met volledig leerplan of met beperkt leerplan;

- het gehomologeerd of een door de examencommissie van de Staat uitgereikt getuigschrift van hoger secundair kunstonderwijs;

- het studieattest of -getuigschrift van het 7e vervolmakings- of specialisatiejaar van het kunstsecundair onderwijs;

- het gehomologeerd of een door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikt diploma van secundair onderwijs (kunstsecundair onderwijs);

- het diploma van secundair onderwijs (kunstsecundair onderwijs);

- het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar (kunstsecundair onderwijs);

[[- certificaat van een opleiding secundair-na-secundair (Se-n-Se), uitgereikt in het kunstsecundair onderwijs.]]4

Onder "HSKO" wordt niet verstaan het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in Titel V van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;

25. ten minste HSO :

- één van de basisdiploma's vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met [[56bis]]4;

- de studiebewijzen die hierboven vermeld zijn als ASBO, HSBO, HSTO en HSKO;

26. LSTO :

- het diploma van een lagere secundaire technische school of leergang;

- het oriënteringsattest A of B van het 4° leerjaar technisch secundair onderwijsof van het 4e leerjaar van het lager secundair technisch onderwijs;

- het studieattest of -getuigschrift van het 5° vervolmakings- en/of specialisatiejaar van het technisch secundair onderwijs;

- het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs (technisch secundair onderwijs);

- het oriënteringsattest A of B van het tweede leerjaar van de tweede graad (technisch secundair onderwijs);

- vanaf 1 september 2001 met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2002 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : het diploma of certificaat of getuigschrift van het volwassenenonderwijs, gerangschikt als TSO2;

- vanaf 1 september 1989 met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 1989 tot en met 31 augustus 2002 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : het gehomologeerd getuigschrift van lager secundair onderwijs van het technisch secundair onderwijs;

27. ten minste LSTO :

- één van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met 67;

- de studiebewijzen, vermeld in punt 25 en 26;

28. LSBO :

- het brevet van een lagere secundaire beroepsschool of -leergang;

- het oriënteringsattest A of B van het 4° leerjaar van het beroepssecundair onderwijs of van het 4e leerjaar van het lager secundair beroepsonderwijs;

- het studieattest of -getuigschrift van het 5° vervolmakings- en/of specialisatiejaar van het beroepssecundair onderwijs;

- het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

- het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de tweede graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

- het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de tweede graad van het secundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een vervolmakingsjaar (beroepssecundair onderwijs);

- het oriënteringsattest A of B van het tweede leerjaar van de tweede graad (beroepssecundair onderwijs);

- het brevet of certificaat of getuigschrift van het volwassenenonderwijs, gerangschikt als BSO2;

29. GMTN : het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen;

30. GPB : het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;

31. GPL : het getuigschrift van pedagogische leergangen;

32. NE : nuttige ervaring;

33. ASO : algemeen secundair onderwijs;

34. TSO : technisch secundair onderwijs.

35. KSO : kunstsecundair onderwijs;

36. BSO : beroepssecundair onderwijs;

37. BPB : bewijs van pedagogische bekwaamheid;

38. (het diploma van) onderwijzer :

- het diploma of de akte van onderwijzer;

- het diploma of de akte van lager onderwijzer;

- met ingang van 1 september 1997 met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 1997 tot en met 31 augustus 2002 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : het diploma van een voortgezette opleiding voor het lager onderwijs;

39. (het diploma van) kleuteronderwijzer :

- het diploma van kleuteronderwijzer;

- het diploma van bewaarschoolonderwijzer;

- het diploma van kleuterleider;

- met ingang van 1 september 1997 met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 1997 tot en met 31 augustus 2002 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : het diploma van een voortgezette opleiding voor het kleuteronderwijs;

40. licentiaat + BPB :

- van 1 september 1989 tot 31 augustus 1991 : licentiaat + GHSO of GVO, met uitzondering van licentiaat vertaler, licentiaat tolk, licentiaat productontwikkeling en licentiaat bestuurskunde waarvoor alle BPB's van artikel 3 gelden;

- van 1 september 1991 tot 31 augustus 1999 : licentiaat + GHSO of GVO of GLSO, met uitzondering van licentiaat vertaler, licentiaat tolk, licentiaat productontwikkeling en licentiaat bestuurskunde waarvoor alle BPB's van artikel 3 gelden;

- vanaf 1 september 1999 : licentiaat + BPB;

41. HSTL : een diploma van hogere secundaire technische leergangen.

42. BSO4 : vierde graad van het beroepssecundair onderwijs voor sociale promotie;

43. BSO3 : derde graad van het beroepssecundair onderwijs voor sociale promotie;

44. BSO2 : tweede graad van het beroepssecundair onderwijs voor sociale promotie;

45. TSO3 : derde graad van het technisch secundair onderwijs voor sociale promotie;

46. TSO2 : tweede graad van het technisch secundair onderwijs voor sociale promotie;

47. HSBS :

- het brevet van een hogere secundaire beroepsschool;

- het studieattest of -getuigschrift van het 6° leerjaar van het beroepssecundair onderwijs;

- het studieattest of -getuigschrift van het 7° vervolmakings- of specialisatiejaar van het beroepssecundair onderwijs;

- het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;

- het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar van het beroepssecundair onderwijs;

48. HOKT + BPB :

- een van de studiebewijzen, vermeld in punt 5., samen met een bewijs van pedagogische bekwaamheid, vermeld in artikel 3, en voor de kunstvakken en de kunstvakken die als praktisch vak worden beschouwd, eveneens de bewijzen van pedagogische bekwaamheid, vermeld in artikel 8, § 3;

- GLSO;

- GVSO-groep 1;

- vanaf 1 september 2002, het diploma van onderwijzer en van kleuteronderwijzer.

Onder HOKT + BPB wordt niet verstaan : het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en, vanaf 1 september 2000, het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en, vanaf 1 september 2002, het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs, en vanaf 1 september 2007, het diploma van leraar, uitgereikt door een specifieke lerarenopleiding;

49. [[bachelor]]5 + BPB :

- het diploma van [[bachelor vermeld in punt 6]]5, samen met een bewijs van pedagogische bekwaamheid, vermeld in artikel 3 en voor de kunstvakken en de kunstvakken die als praktisch vak worden beschouwd, eveneens de bewijzen van pedagogische bekwaamheid, vermeld in artikel 8, § 3;

- GLSO;

- GVSO-groep 1;

- vanaf 1 september 2006 : bachelor in het onderwijs : secundair onderwijs;

- onderwijzer;

- vanaf 1 september 2006 : bachelor in het onderwijs : lager onderwijs;

- kleuteronderwijzer;

- vanaf 1 september 2006 : bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs.

50. ten minste [[bachelor]]5 + BPB :

- een van de studiebewijzen, vermeld in 7., samen met een bewijs van pedagogische bekwaamheid, vermeld in artikel 3 en voor de kunstvakken en de kunstvakken die als praktisch vak worden beschouwd, eveneens de bewijzen van pedagogische bekwaamheid, vermeld in artikel 8, § 3;

- GLSO;

- GVSO-groep 1;

- vanaf 1 september 2006 : bachelor in het onderwijs : secundair onderwijs;

- vanaf 1 september 2002, het diploma van onderwijzer;

- vanaf 1 september 2006 : bachelor in het onderwijs : lager onderwijs;

- vanaf 1 september 2002, het diploma van kleuteronderwijzer;

- vanaf 1 september 2006 : bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs.

Onder ten minste [[bachelor]]5 + BPB wordt niet verstaan : het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en, vanaf 1 september 2000, het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en, vanaf 1 september 2002, het pedagogisch getuigschrift uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs, en vanaf 1 september 2007, het diploma van leraar, uitgereikt door een specifieke lerarenopleiding;

[[51. PBA : professioneel gerichte bachelor.]]5 ]

B.Vl.R. 9-11-2007; [[ ]]¹ B.Vl.R. 24-10-2008; [[ ]]² B.Vl.R. 17-9-2010; [[ ]]³ B.Vl.R. 15-7-2011; [[ ]]4 B.Vl.R. 7-9-2012; [[ ]]5 B.Vl.R. 6-9-2013; [[[ ]]]¹ B.Vl.R. 7-9-2012; [[[ ]]]² B.Vl.R. 6-9-2013

[§ 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt het diploma van licentiaat in de pedagogische wetenschappen of van licentiaat in de psychologische en pedagogische wetenschappen of van licentiaat in de opvoedkunde of van licentiaat in de opvoedingswetenschappen of van licentiaat in de psycho-pedagogische wetenschappen, uitgereikt vóór 1 januari 1968, gelijkgesteld met respectievelijk het diploma van licentiaat in de pedagogische wetenschappen of van licentiaat in de psychologische en pedagogische wetenschappen of van licentiaat in de opvoedkunde of van licentiaat in de opvoedingswetenschappen of van licentiaat in de psycho-pedagogische wetenschappen, aangevuld met het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs, evenals met een bekwaamheidsbewijs van hoger onderwijs van het lange type, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid.]

B.Vl.R. 19-12-1991

[§ 3. Voor de toepassing van dit besluit, moet in het hoger onderwijs van het korte type en in het hoger kunstonderwijs van de tweede en de derde graad, de benaming "afdeling" desgevallend vervangen worden door, naargelang van het geval, "specialiteit", "specialisatie", "discipline" of "optie".]

B.Vl.R.25-1-1995

[§ 4. [[In de [[[bijlage I]]] ]] gelden de afdelingen, specialiteiten, specialisaties, disciplines en opties, vermeld onder de basisdiploma's :

1° GLSO ook voor de basisdiploma's HOKT, technisch ingenieur en hoger kunstonderwijs van de tweede graad;

2° HOKT ook voor de basisdiploma's GLSO, technisch ingenieur en hoger kunstonderwijs van de tweede graad;

3° technisch ingenieur ook voor de basisdiploma's GLSO, HOKT en hoger kunstonderwijs van de tweede graad;

4° hoger kunstonderwijs van de tweede graad ook voor de basisdiploma's GLSO, HOKT en technisch ingenieur,

wanneer deze basisdiploma's voor hetzelfde vak, in dezelfde graad en onderwijsvorm opgenomen zijn.]

B.Vl.R. 31-8-1999; [[ ]] B.Vl.R. 23-9-2005; [[[ ]]] B.Vl.R. 9-11-2007

[§ 5. Voor de studiebewijzen "certificaat van de opleiding" en "diploma secundair onderwijs", uitgereikt in het volwassenenonderwijs vanaf 1 september 2007, is de rangschikking, zoals bedoeld in artikel 6, 48°, 59°, 64°, 67° en 70° en in artikel 7, § 1, 21°, 23°, 24°, 27° en 29°, terug te vinden in bijlage II, gevoegd bij dit besluit.]

B.Vl.R. 9-11-2007

Art. 8.

§ 1. Worden gelijkgesteld met de in de artikelen 6 en 7 vermelde diploma's, getuigschriften en brevetten van een school of leergang, de diploma's uitgereikt door de technische en beroepsscholen of -leergangen die ermede gelijkgesteld zijn zoals hierna bepaald :

1° met de hogere technische scholen van de 3e graad : de scholen gerangschikt A5;

2° met de hogere technische scholen van de 2e graad : de scholen voor technische ingenieurs gerangschikt A1, de scholen van architecten gerangschikt A7/A1;

3° met de hogere technische scholen van de 1e graad : de scholen gerangschikt A1, A6/A1, A7/A1, A8/A1, C1/A1;

4° met de hogere secundaire technische scholen : de scholen gerangschikt A2, A2A, A6/A2, A6/C1 - 2e cyclus, A7/A2, A8/A2, C1 - 2e cyclus, C1A, C5/C1 - 2e cyclus, C1/A6/A2, A7/C1 - 2e cyclus, A2/C1 (scholen voor verpleegaspiranten);

5° met de lagere secundaire technische scholen : de scholen gerangschikt A3, A3A, A6/A3, A6/C1 - 1e cyclus, A7/A3, C1 - 1e cyclus, C2, C2Aa, C5/C1 - 1e cyclus, C1/A6/A3, A7/C1 - 1e cyclus;

6° met de aanvullende secundaire beroepsscholen : de scholen gerangschikt C1D (voortgezette opleiding), C1/A2 (scholen van verpleegassistenten);

7° met de hogere secundaire beroepsscholen : de 2e cyclus van de scholen gerangschikt A4, C3 en C5, de beroepsscholen gerangschikt A2 evenals de scholen gerangschikt C2 (scholen voor kinderverzorgsters);

8° met de lagere secundaire beroepsscholen : de 1e cyclus van de scholen gerangschikt A4, C3, C5 en A7/C3;

9° met de middelbare technische normaalscholen : de scholen gerangschikt A1D, A6/A1D, A7/A1D, A7/C1D, C1D, C5/C1D en C1An [alsmede de normaalafdelingen met volledig leerplan gerangschikt in de categorie D];

10° met de lagere technische normaalscholen : de scholen gerangschikt A2An;

11° met de hogere technische leergangen van de eerste graad : de scholen gerangschikt B1 en B3/B1, die bij de toelating van de leerlingen, een getuigschrift van volledig hoger secundair onderwijs eisen of die het voorwerp geweest zijn van een ministeriële dienstbrief waarbij ze opnieuw gerangschikt werden op het niveau van de hogere technische leergangen van de eerste graad.

Met de houder van een getuigschrift van het hoger niveau van de eerste graad worden eveneens gelijkgesteld :

- de houder van een getuigschrift B1 en van een getuigschrift van het hoger secundair niveau;

- de houder van een getuigschrift B1 en van een getuigschrift B2;

12° met de hogere secundaire technische leergangen : de scholen gerangschikt B1 en B3/B1 die niet aan de onder 11° hierboven gestelde voorwaarde voldoen en de scholen gerangschikt B2 en B3/B2 die bij de toelating van de leerlingen een getuigschrift van volledig lager secundair onderwijs eisen of die het voorwerp geweest zijn van een ministeriële omzendbrief waarbij ze opnieuw gerangschikt worden op het niveau van de hogere secundaire technische leergangen.

Met de houder van een getuigschrift van het hoger secundair niveau wordt eveneens gelijkgesteld de houder van een getuigschrift B2 en van een getuigschrift van het lager secundair niveau;

13° met de lagere secundaire technische leergangen : de scholen gerangschikt B2 en B3/B2 die niet aan de onder 12° hierboven gestelde voorwaarde voldoen, evenals de scholen gerangschikt B3/B5;

14° met de hogere secundaire beroepsleergangen : de scholen gerangschikt B4/B1 en B6/B1 en gerangschikt B4/B2 die bij de toelating een titel van volledige lagere secundaire studiën eisen;

15° met de lagere secundaire beroepsleergangen : de scholen gerangschikt B6/B2, B5, B6/B4, B6/B5, C4, B4/C4, C6 en C2Ab, evenals gerangschikt B4/B2, die niet aan de onder 14° hierboven gestelde voorwaarden voldoen;

16° met de middelbare technische normaalleergangen : de leergangen met beperkt leerplan gerangschikt D, die vooraleer het eindbekwaamheidsgetuigschrift uit te reiken, het bezit eisen van een titel van volledige studiën van het hoger secundair niveau van het technisch onderwijs ten minste, of die het voorwerp geweest zijn van een ministeriële dienstbrief waarbij ze opnieuw gerangschikt werden op het niveau van de middelbare technische normaalleergangen.

B.Vl.R.26-9-1990

[§ 1. bis. De getuigschriften en diploma's die vóór de inwerkingtreding van de bevoegde homologatiecommissies uitgereikt werden door een hogere secundaire middelbare of technische school, die door de Staat ingericht, gesubsidieerd of erkend was, worden geacht gehomologeerd te zijn.]

B.Vl.R.31-8-1999

[§ 1ter. Voor de toepassing van dit besluit worden volgende studiebewijzen gelijkgesteld met het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans :

1° het getuigschrift van pedagogische leergang afdeling klassieke dans en bewegingsleer of dans en bewegingsleer, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;

2° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van onderwijs in ballet of bewegingsleer, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;

3° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van dansonderwijs, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;

4° het pedagogisch getuigschrift van hedendaagse dans of klassiek ballet, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;

5° het specialisatiegetuigschrift klassieke dans, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie.]

B.Vl.R.28-11-2003

§ 2. Wat het hoger kunstonderwijs betreft, worden gelijkgesteld :

1° met een diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad : het diploma van virtuositeit, het diploma van eerste prijs compositie of orkestdirectie, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;

2° met een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad : het hoger diploma, het diploma van eerste Prijs fuga of contrapunt, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;

3° met een diploma van hoger kunstonderwijs van de eerste graad :

- het diploma van eerste Prijs, andere dan deze bedoeld sub 1° en 2° hierboven, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs, met uitzondering van het diploma van eerste Prijs notenleer;

- de getuigschriften van de pedagogische leergangen, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren door een instelling of een afdeling van een instelling voor hoger kunstonderwijs.

[Voor de toepassing van deze bepalingen worden de diploma's beeldende kunsten uitgereikt door instellingen voor hoger kunstonderwijs met volledig leerplan in de periode van 1 september 1981 tot en met het academiejaar 1993-1994, samen met het verklarend attest met vermelding van de specialiteit, gelijkgesteld met de diploma's uitgereikt door instellingen voor hoger kunstonderwijs met volledig leerplan waarop de specialiteit vermeld staat.]

B.Vl.R.31-8-1999

§ 3. Voor het onderwijs in de kunstvakken [en de kunstvakken die als praktische vakken worden beschouwd,]² wordt gelijkgesteld met het getuigschrift van pedagogische leergangen :

1° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van onderricht in de plastische kunsten;

2° het getuigschrift van bekwaamheid uitgereikt overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 9 september 1969 betreffende het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van onderricht in de gesubsidieerde inrichtingen voor muziekonderwijs;

3° met de houder van het G.P.L. wordt eveneens gelijkgesteld, de houder van het diploma van laureaat met aanvullende vermelding "muziekopvoeding van ... (specialiteit)", uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;

[4° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van onderricht aan een rijksinrichting voor muziekonderwijs.]¹

[ ]¹ B.Vl.R. 25-1-1995; [ ]² B.Vl.R. 4-11-1997

[§ 4. Het diploma van leraar muzikale opvoeding of zangleraar van de eerste graad en het diploma van leraar muzikale opvoeding of zangleraar van de tweede graad, uitgereikt door de daartoe samengestelde examencommissie worden gelijkgesteld met een diploma van GLSO muzikale opvoeding.]

B.Vl.R.28-11-2003

[§ 5. Voor de toepassing van artikel 16terdecies en artikel 17ter wordt verstaan onder :

1° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het lange type, afgekort : ten minste HOLT : een van de basisdiploma's vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met 11, met uitzondering van punt 2bis;

2° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het korte type, afgekort ten minste HOKT : de bekwaamheidsbewijzen, vermeld in artikel 6, punt 1 tot en met 42, met uitzondering van het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie of van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie of het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs, of het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en met uitzondering van punt 2bis, 29bis, 30bis, 34bis en 36bis;

3° ten minste HOKT + BPB :

- een van de studiebewijzen, vermeld in punt 2°, samen met een bewijs van pedagogische bekwaamheid, vermeld in artikel 3, en voor de kunstvakken en de kunstvakken die als praktisch vak worden beschouwd, eveneens de bewijzen van pedagogische bekwaamheid, vermeld in artikel 8, § 3;

- GLSO;

- GVSO-groep 1;

- vanaf 1 september 2002, het diploma van onderwijzer en van kleuteronderwijzer.

Onder ten minste HOKT + BPB wordt niet verstaan : het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en, vanaf 1 september 2000, het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en, vanaf 1 september 2002, het pedagogisch getuigschrift uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs, en vanaf 1 september 2007, het diploma van leraar, uitgereikt door een specifieke lerarenopleiding.]

B.Vl.R. 9-11-2007

[§ 6. Het bekwaamheidsbewijs dat als vereist, respectievelijk voldoende geacht bekwaamheidsbewijs vermeld is voor de opleiding in de desbetreffende taal, richtgraad 1, in het volwassenenonderwijs, met toepassing van het besluit van 23 april 2010 betreffende de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen voor de personeelsleden van de centra voor volwassenenonderwijs, wordt gelijkgesteld met een vereist, respectievelijk voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak vierde vreemde taal.

Voor een bekwaamheidsbewijs dat op grond van het eerste lid gelijkgesteld is, geldt het volgende :

1° als het een bekwaamheidsbewijs van het niveau master is, als vermeld in artikel 7, § 1, 8bis, komt het in aanmerking in de tweede graad ASO-TSO-KSO, de derde graad ASO-TSO-KSO-BSO en HBO5-verpleegkunde en is salarisschaal 501 van toepassing;

2° als het een bekwaamheidsbewijs van het niveau bachelor is, als vermeld in artikel 7, § 1, 8, komt het in aanmerking in de eerste graad, de tweede graad ASO-TSO-KSO-BSO, de derde graad BSO en HBO5-verpleegkunde en is salarisschaal 301 van toepassing.

Met behoud van de toepassing van het tweede lid geldt voor een bekwaamheidsbewijs dat op grond van het eerste lid gelijkgesteld is voor het algemeen vak Hebreeuws, het volgende :

1° als het bekwaamheidsbewijs bedienaar van de eredienst of rabbijn is, komt het in aanmerking in de tweede graad ASO-TSO-KSO, de derde graad ASO-TSO-KSO-BSO en HBO5-verpleegkunde en is salarisschaal 501 van toepassing;

2° als het bekwaamheidsbewijs geen bekwaamheidsbewijs is als vermeld in punt 1° of het tweede lid, 1° of 2°, dan komt het in aanmerking in de eerste graad, de tweede graad ASO-TSO-KSO-BSO, de derde graad BSO en HBO5-verpleegkunde en is salarisschaal 301 van toepassing.]

B.Vl.R. 5-9-2014

Art. 9.

§ 1. Onverminderd de verplichtingen opgelegd door de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling kan een inrichtende macht die voor een bepaald ambt een houder van een bekwaamheidsbewijs dat ingedeeld is als een "ander bekwaamheidsbewijs" aanwerft slechts een [salaris] of een [salaristoelage] voor dit personeelslid ontvangen indien zij op eer verklaart in de onmogelijkheid te zijn geweest een houder van een voor dit ambt vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aan te werven.

B.Vl.R. 9-11-2007

§ 2. In afwijking van § 1 moet deze verklaring niet worden afgelegd bij de aanwerving van een personeelslid door de inrichtende macht voor een periode die de duur van 97 dagen niet overschrijdt.

[Deze verklaring moet ook niet afgelegd worden bij de aanwerving van een personeelslid, indien het bekwaamheidsbewijs van dit personeelslid beschouwd zou worden als een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs indien de voorwaarde inzake het bezit van een bewijs van pedagogische bekwaamheid vervuld zou zijn. Deze bepaling kan slechts toegepast worden gedurende een periode gelijk aan de minimumduur nodig voor het behalen van een bewijs van pedagogische bekwaamheid zoals gedefinieerd in artikel 3, § 2, vermeerderd met één schooljaar. [[De bedoelde periode loopt ononderbroken vanaf de eerste september die volgt op de eerste aanstelling van het personeelslid in het secundair onderwijs.]] ]

B.Vl.R. 31-8-1999; [[ ]] B.Vl.R.28-11-2003

[...]

B.Vl.R.31-8-1999

§ 3. 1. Behalve indien § 2 van toepassing is, kan de houder van een voor een bepaald ambt vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, die bij een inrichtende macht voor een betrekking in een dergelijk ambt zijn kandidatuur heeft gesteld doch niet werd aangeworven, verhaal aantekenen bij die inrichtende macht en eisen dat hij voor deze betrekking wordt aangeworven, wanneer deze een personeelslid in de bedoelde betrekking heeft aangeworven dat slechts houder is van een bekwaamheidsbewijs dat op grond van artikel 2 is ingedeeld als een "ander bekwaamheidsbewijs".

Het verzoekschrift van de afgewezen kandidaat moet het bewijs bevatten dat hij zich voor de bedoelde betrekking kandidaat heeft gesteld.

Daarenboven kan slechts diegene een verhaal indienen die zich bij aangetekend schrijven kandidaat heeft gesteld bij de betrokken inrichtende macht of bij de representatieve vereniging van inrichtende machten van de betrokken inrichtende macht daar waar deze bestaat.

2. Indien geen akkoord wordt bereikt tussen de inrichtende macht en de kandidaat, beschikt deze laatste over een termijn van 60 kalenderdagen om bij aangetekend schrijven bij de [Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs]¹ verhaal in te dienen.

De bovenvermelde termijn van 60 kalenderdagen begint te lopen vanaf de dag waarop de kandidaat feitelijk kennis neemt van de aanstelling en voor zover deze datum valt binnen het schooljaar van de aanstelling.

Elk verhaal dat buiten deze termijn wordt ingediend is onontvankelijk.

3. De [Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs]¹ of zijn afgevaardigde vraagt bij het ontvangen van het bedoelde verhaal onverwijld aan de betrokken inrichtende macht de motivering mede te delen omtrent de aanwerving.

Voor deze mededeling beschikt de inrichtende macht over een termijn van 10 werkdagen. Deze termijn van 10 werkdagen begint te lopen vanaf de datum van verzending van de vraag tot motivering; de postdatum is bewijskrachtig. Niet-naleving hiervan heeft tot gevolg dat de inrichtende macht het recht op de [salaris]² of de [salaristoelage]² verliest voor het personeelslid aangeworven met een bekwaamheidsbewijs dat is ingedeeld als een "ander bekwaamheidsbewijs" vanaf de eerste van de maand die volgt op het verstrijken van de termijn van 10 werkdagen.

4. Na ontvangst van het antwoord van de betrokken inrichtende macht, onderzoekt de [Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs]¹ of zijn afgevaardigde in hoever de aanwerving van het personeelslid, houder van een bekwaamheidsbewijs ingedeeld als een "ander bekwaamheidsbewijs", in overeenstemming is met de bepalingen van dit besluit en of een motivering werd gegeven waarom de verzoeker niet werd aangeworven.

5. Indien de [Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs]¹ of zijn afgevaardigde vaststelt dat de hiervoorvermelde procedure werd nageleefd en dat door de inrichtende macht een motivering werd gegeven, worden de kandidaat die het verzoekschrift heeft ingediend en de inrichtende macht hiervan onmiddellijk op de hoogte gesteld.

6. Indien de [Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs]¹ of zijn afgevaardigde vaststelt dat de procedure niet werd nageleefd of dat door de inrichtende macht geen motivering werd gegeven, verliest de inrichtende macht het recht op de [salaris]² of de [salaristoelage]² voor het ten onrechte aangeworven personeelslid, met ingang van de eerste van de maand die volgt op die waarin de beslissing werd medegedeeld. Deze beslissing wordt zowel aan de betrokken inrichtende macht als aan de kandidaat, die het verzoekschrift heeft ingediend, bij aangetekende brief medegedeeld.

7. Aangezien de aanwerving van een personeelslid, houder van een bekwaamheidsbewijs, ingedeeld als een "ander bekwaamheidsbewijs" beperkt is tot de duur van het lopende schooljaar, eindigt elke procedure die werd ingeleid op de wijze zoals hierboven uiteengezet van rechtswege op 30 juni van het lopende schooljaar.

[ ]¹ B.Vl.R. 23-9-2005; [ ]² B.Vl.R. 9-11-2007

[§ 4. Wie overgangsmaatregelen geniet, vermeld in artikel 16 tot en met 16terdecies van dit besluit, kan van de [[salarisschaal]] van de indeling "andere" bekwaamheidsbewijzen genieten, zonder dat de §§ 1 tot en met 3 van dit artikel van toepassing zijn. Dit geldt vanaf 1 september 1989.]

B.Vl.R. 23-9-2005; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

HOOFDSTUK II. - Bekwaamheidsbewijzen, salarisschalen, prestatiestelsel en bezoldigingsregeling

Art. 10.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 2 worden de bekwaamheidsbewijzen waarvan de personeelsleden bedoeld in artikel 1, eerste lid van dit besluit houder moeten zijn, opgesomd in de [bijlage I] gevoegd bij dit besluit.

B.Vl.R. 9-11-2007

[§ 1bis. [[Voor de GVSO-groep 1 en de bachelor in het onderwijs : secundair onderwijs wordt de onderwijsbevoegdheid bepaald per gevolgde opleidingseenheid, [[[of per gevolgd onderwijsvak]]].]] ]

B.Vl.R. 28-11-2003; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007; [[[ ]]] B.Vl.R. 4-9-2009

§ 2. De vakken exploratie, expressie, psychomotorische oefeningen, sociale activiteiten, sportactiviteit dienen door de inrichtende macht gelijkgesteld te worden met één van de vakken die in dezelfde graad [of, in voorkomend geval, in de HBO5-opleiding verpleegkunde]² kunnen onderwezen worden [...]¹.

Deze gelijkstelling wordt bepaald in functie van de bekwaamheidsbewijzen van het personeelslid dat belast wordt met één of meer van deze vakken.

Naargelang van deze gelijkstelling is het personeelslid in het bezit van een vereist, een voldoende geacht of een ander bekwaamheidsbewijs.

Deze bepalingen gelden eveneens voor de personeelsleden die belast zijn met uren die geen lesuren zijn.

[ ]¹ B.Vl.R. 26-9-1990; [ ]² B.Vl.R. 4-9-2009

§ 3. Voor vakken waarvoor geen bekwaamheidsbewijs voorzien is in de graden waarin ze worden gegeven, dient het personeelslid in het bezit te zijn van een van de bekwaamheidsbewijzen die voor hetzelfde vak voorzien zijn in een andere graad.

[Voor vakken die gegeven worden [[...]] in de HBO5-opleiding verpleegkunde, en waarvoor daar geen bekwaamheidsbewijs is voorzien, dient het personeelslid in het bezit te zijn van een van de bekwaamheidsbewijzen die voor hetzelfde vak voorzien zijn in de derde graad BSO.]

B.Vl.R. 4-9-2009; [[ ]] B.Vl.R. 6-9-2013

Art. 11.

§ 1. [De personeelsleden bedoeld in artikel 1, eerste lid, van dit besluit worden bezoldigd overeenkomstig de salarisschalen die in de [[bijlage I]] van dit besluit naast elk bekwaamheidsbewijs zijn vermeld.

Deze salarisschalen worden, met ingang van 1 december 2001, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.]

B.Vl.R. 21-11-2003; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

§ 2. [De personeelsleden belast met de vakken exploratie, expressie, psychomotorische oefeningen, sociale activiteiten of sportactiviteit worden bezoldigd op basis van het bekwaamheidsbewijs dat ze bezitten voor het vak waarmee die vakken worden gelijkgesteld.

Indien het vak gelijkgesteld wordt met een van de vakken Latijn, klassieke studiën, antieke cultuur of Grieks, wordt het personeelslid dat het bekwaamheidsbewijs bezit vereist voor het onderwijs van die vakken, in de eerste graad bezoldigd op basis van [[salarisschaal]] nummer 301.

De personeelsleden belast met uren die geen lesuren zijn worden bezoldigd op basis van het bekwaamheidsbewijs dat ze bezitten voor het vak waarmee die uren worden gelijkgesteld, ook indien de gelijkstelling gebeurt met Latijn, klassieke studiën, antieke cultuur of Grieks in de eerste graad.]

B.Vl.R. 28-11-2003; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

§ 3. De personeelsleden belast met vakken bedoeld in artikel 10 § 3 worden bezoldigd op basis van de[salarisschalen]¹ toegekend in de graad waar deze vakken worden gegeven. Zij worden geacht in het bezit te zijn van een vereiste, een voldoende geacht of een ander bekwaamheidsbewijs, naargelang zij voor het onderwijs van die vakken in een andere graad beschikken over een vereiste, een voldoende geachte of een ander bekwaamheidsbewijs.

[De personeelsleden, die belast zijn met de vakken, vermeld in artikel 10, § 3, tweede lid, worden bezoldigd op basis van de salarisschalen, toegekend in de derde graad BSO. Ze worden geacht in het bezit te zijn van een vereist, een voldoende geacht of een ander bekwaamheidsbewijs, naargelang zij voor het onderwijs van die vakken in de derde graad BSO beschikken over een vereist, een voldoende geacht of een ander bekwaamheidsbewijs.]²

[ ]¹ B.Vl.R. 9-11-2007; [ ]² B.Vl.R. 4-9-2009

[§ 4. De personeelsleden die tijdelijk belast worden met een andere opdracht in een niet-vacante betrekking in een ambt waarvoor de titularis de [[salarisschaal]] 106 ontvangt, krijgen de toelage voor het uitoefenen van een beter bezoldigde opdracht.]

B.Vl.R. 31-8-1999; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

Art. 12.

§ 1. [Het minimum en het maximum aantal lesuren, vereist voor een ambt met volledige prestaties van de personeelsleden, vermeld in artikel 1, wordt vastgesteld als volgt :

1° Wat de eerste graad van het secundair onderwijs betreft :

voor het onderwijs van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken, de praktische vakken, de klassenraad en de klassendirectie, alsook voor de andere uren die geen lesuren zijn en [[voor de ambten van begeleider en leraar niet-confessionele zedenleer]]³ : minimum 22 en maximum 23 lesuren;

2° Wat de tweede graad van het secundair onderwijs betreft :

a) voor het onderwijs van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken, de daarmee gelijkgestelde uren die geen lesuren zijn, de klassenraad en de klassendirectie en [[voor de ambten van begeleider en leraar niet-confessionele zedenleer]]³ : minimum 21 en maximum 22 lesuren.

Voor de personeelsleden die belast zijn met [[een halve lesopdracht in de derde graad [[[...]]] en/of in de HBO5-opleiding verpleegkunde]]¹ : minimum 20 en maximum 21 lesuren;

b) voor het onderwijs van de praktische vakken, alsook voor de daarmee gelijkgestelde uren die geen lesuren zijn : minimum 29 en maximum 30 lesuren;

3° Wat de derde graad van het secundair onderwijs betreft :

a) voor het onderwijs van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken, de daarmee gelijkgestelde uren die geen lesuren zijn, de klassenraad en de klassendirectie en [[voor de ambten van begeleider en leraar niet-confessionele zedenleer]]³ : minimum 20 en maximum 21 lesuren;

b) voor het onderwijs van de praktische vakken, alsook voor de daarmee gelijkgestelde uren die geen lesuren zijn : minimum 29 en maximum 30 lesuren;

4° Wat [[...]]² [[de HBO5-opleiding verpleegkunde]]¹ betreft :

a) voor het onderwijs van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken en de daarmee gelijkgestelde uren die geen lesuren zijn, de klassenraad en de klassendirectie : minimum 20 en maximum 21 lesuren;

b) voor het onderwijs van de praktische vakken, alsook voor de daarmee gelijkgestelde uren die geen lesuren zijn : minimum 29 en maximum 30 lesuren.]

B.Vl.R. 23-9-2005; [[ ]]¹ B.Vl.R. 4-9-2009; [[ ]]² B.Vl.R. 6-9-2013; [[ ]]³ B.Vl.R. 5-9-2014; [[[ ]]] B.Vl.R. 6-9-2013

[§ 2. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties mogen maximaal belast worden met een opdracht die het minimum van het aantal uren voor een ambt met volledige prestaties bedraagt.]

B.Vl.R. 31-8-1999

[§ 3. [[In afwijking van § 1 geldt tijdens het schooljaar 2001-2002 in de 2e, 3e en/of 4e graad voor de leraar die belast is met het onderwijs van praktische vakken en/of de hiermee gelijkgestelde uren die geen lesuren zijn, de volgende regeling :

1° als het personeelslid uitsluitend belast is met het onderwijs van deze vakken en/of uren : het minimum en het maximum van een ambt met volledige prestaties wordt vastgesteld op 30 lesuren;

2° als het personeelslid belast is met een ambt met volledige prestaties, samengesteld uit het onderwijs van, enerzijds, lesuren praktisch vak waarvoor het minimum van een ambt met volledige prestaties 30 lesuren bedraagt en, anderzijds, uit vakken waarvoor een ander minimum geldt, mag :

a) het totaal aantal lesuren waarmee dit personeelslid wordt belast, niet meer bedragen dan 30 lesuren;

b) binnen dit maximaal aantal van 30 lesuren het personeelslid slechts twee lesuren presteren die als plage-uren moeten worden beschouwd overeenkomstig de ponderatieregel die voor de berekening van de [[[salaris]]] wordt toegepast.]] ]

B.Vl.R. 11-1-2002; [[ ]] B.Vl.R. 14-3-2003; [[[ ]]] B.Vl.R. 9-11-2007

[§ 4. Het personeelslid dat zitting heeft in een lokaal inspraakorgaan dat opgericht is door of krachtens een wet of een decreet, krijgt dienstvrijstelling om de vergaderingen van dat inspraakorgaan bij te wonen. De dienstvrijstelling wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.]

B.Vl.R. 27-5-2011

Art. 13.

Voor de toepassing van artikel 41, § 2 en 44 ter, § 2, van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Onderwijs, is de deler voor een ambt met onvolledige prestaties gelijk aan :

a) voor de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken, alsmede voor de hiermee gelijkgestelde uren die geen lesuren zijn, de klasseraad en de klassedirectie en [voor de ambten van begeleider en leraar niet-confessionele zedenleer]³ :

- 22 in de eerste graad;

- 21 in de tweede graad; hij is gelijk aan 20 [indien minstens een halve opdracht wordt uitgeoefend in de derde graad [[...]]² en/of in de HBO5-opleiding verpleegkunde]²;

- 20 [in de derde graad, [[...]]² en de HBO5-opleiding verpleegkunde]².

b) [voor de praktische vakken, alsmede voor de hiermee gelijkgestelde uren die geen lesuren zijn :

1° 22 in de eerste graad;

2° [[29 in de tweede [[en derde graad]]² en in de HBO5-opleiding verpleegkunde.]]¹ ]¹

[De deler voor een bijbetrekking is gelijk aan :

1° 25, als de deler voor een ambt met onvolledige prestaties 22, 21 of 20 bedraagt;

2° 35, als de deler voor onvolledige prestaties gelijk is aan 30;

3° 32, als de deler voor onvolledige prestaties gelijk is aan 29.]¹

[ ]¹ B.Vl.R. 14-3-2003; [ ]² B.Vl.R. 4-9-2009; [ ]³ B.Vl.R. 5-9-2014; [[ ]]¹ B.Vl.R. 4-9-2009; [[ ]]² B.Vl.R. 6-9-2013

Art. 14.

§ 1. Voor de personeelsleden die ten laatste op 31 augustus 1989 op grond van de voor deze datum geldende reglementering in een wervingsambt van leraar technische vakken en beroepspraktijk in het secundair onderwijs van de lagere of van de hogere cyclus hetzij tot de stage toegelaten, hetzij vastbenoemd, hetzij vastbenoemd en als dusdanig erkend daarwaar de erkenning bestaat, hetzij gelijkgesteld zijn met de vastbenoemde of definitief erkende personeelsleden, is ongeacht de rangschikking van de vakken waarmee zij vanaf het schooljaar 1989-1990 belast zijn :

- het minimum en maximum aantal uren vastgesteld op 24 en [25],

- de deler voor een ambt met onvolledige prestaties gelijk aan 24,

- de deler voor een bijbetrekking gelijk aan 30.

Deze bepaling is enkel toepasselijk voor het aantal uren waarvoor de hierboven bedoelde personeelsleden hetzij tot de stage toegelaten, hetzij vastbenoemd en als dusdanig erkend daar waar de erkenning bestaat, hetzij gelijkgesteld zijn met de vastbenoemde of definitief erkende personeelsleden.

B.Vl.R.27-5-2011

§ 2. [De bepalingen van § 1 [[en § 4]] zijn evenwel niet van toepassing wanneer deze personeelsleden in de eerste graad belast worden met het onderwijs van algemene vakken, kunstvakken, technische vakken en praktische vakken, alsmede de hiermee gelijkgestelde uren die geen lesuren zijn of met het ambt van begeleider. In dat geval zijn op hen de bepalingen van artikel 12, 1° , en van artikel 13 van toepassing.]

B.Vl.R. 12-6-1991; [[ ]] B.Vl.R. 9-7-1996

[§ 3. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing in het zeevisserijonderwijs voor de personeelsleden die ten laatste op 31 augustus 1990 op grond van de voor deze datum geldende regeling in een wervingsambt van leraar technische vakken en beroepspraktijk in het secundair onderwijs van de lagere of van de hogere cyclus hetzij tot de stage toegelaten, hetzij vastbenoemd, hetzij vastbenoemd en als dusdanig erkend daar waar de erkenning bestaat, hetzij gelijkgesteld zijn met de vastbenoemde of definitief erkende personeelsleden, ongeacht de rangschikking van de vakken waarmee zij vanaf het schooljaar 1990-1991 belast zijn.]

B.Vl.R.19-12-1991

[§ 4. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing voor de personeelsleden die uiterlijk op 31 augustus 1996 op grond van de vóór deze datum geldende reglementering vast benoemd waren in een wervingsambt van leraar technische vakken en beroepspraktijk in het aanvullend secundair beroepsonderwijs. Dit geschiedt ongeacht de rangschikking van de vakken waarmee zij vanaf het schooljaar 1996-1997 zijn belast. De toepassing is beperkt tot het aantal uren technische vakken en beroepspraktijk waarvan het personeelslid vastbenoemd titularis was op 31 augustus 1996.]

B.Vl.R. 9-7-1996

[§ 5. Het personeelslid dat zitting heeft in een lokaal inspraakorgaan dat opgericht is door of krachtens een wet of een decreet, krijgt dienstvrijstelling om de vergaderingen van dat inspraakorgaan bij te wonen. De dienstvrijstelling wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.]

B.Vl.R. 27-5-2011

Art. 15.

a) Voor iedere maand begrepen tussen 1 september 1989 en 31 december 1989 bekomt het personeelslid op wie dit besluit van toepassing is en wiens [jaarsalaris] op 31 augustus 1989 gekoppeld aan de spilindex 114,20 gelijk is aan of hoger is dan 322.380 frank, een maandelijkse [salarisbijslag] die voor een ambt met volledige prestaties berekend word als volgt :

1824 verminderd met het bedrag van de solidariteitsbijdrage dat op zijn [maandsalaris] zou ingehouden worden, indien het percentage van december 1987 zou toegepast worden.

b) Indien het betrokken personeelslid belast is met een ambt met onvolledige prestaties wordt de [salarisbijslag] berekend naar rato van deze prestaties.

c) Voor de personeelsleden die niet onderworpen zijn aan de solidariteitsbijdrage, alsmede voor de personeelsleden die niet meer aan de solidariteitsbijdrage onderworpen zijn in 1989, wordt de [salarisbijslag] berekend alsof zij onderworpen waren of onderworpen gebleven waren aan de solidariteitsbijdrage.

Op de [salarisbijslag], gekoppeld aan de spilindex 132,65, worden de sociale bijdragen ingehouden, met uitzondering van de solidariteitsbijdrage.

B.Vl.R. 9-11-2007

HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen

Art. 16.

§ 1. Overgangsbepalingen worden toegekend aan :

1° de personeelsleden die ten laatste op 31 augustus 1989 op grond van de op deze datum geldende reglementering hetzij tot de stage toegelaten, hetzij vastbenoemd en als dusdanig erkend zijn, daar waar de erkenning bestaat, hetzij gelijkgesteld zijn met de vastbenoemde of definitief erkende personeelsleden;

2° [de tijdelijke personeelsleden die op 1 september 1986 in dienst waren in het gewoon secundair onderwijs en sedertdien ononderbroken in dienst zijn gebleven in het onderwijs, het universitair onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het opvoedend hulppersoneel en als dusdanig bezoldigd geweest zijn.]

B.Vl.R.26-9-1990

[3°. De personeelsleden die uiterlijk op 31 augustus 1989 op grond van de op deze datum geldende reglementering over een vrijstelling van het vereiste bekwaamheidsbewijs met het oog op de toelating tot de stage beschikten en uiterlijk op 1 juli 1998 in vast verband benoemd werden in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel.]

B.Vl.R.31-8-1999

Voor de toepassing van voormelde bepaling worden niet als dienstonderbreking beschouwd : de vakantieperioden, [de [[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]],]¹ de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte- of bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van [salaris(toelage)]² ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van [salaris(toelage)]² voor een maximum duur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een periode van ten hoogste 30 kalenderdagen per schooljaar.

[ ]¹ B.Vl.R. 4-11-1997; [ ]² 9-11-2007; [[ ]] B.Vl.R. 10-3-2017

§ 2. De overgangsbepalingen gelden voor :

1° de in § 1 bedoelde personeelsleden die behoren tot het bestuurs- en onderwijzend personeel en die een selectie- of een bevorderingsambt uitoefenen : voor het ambt dat zij hetzij op 1 februari 1988 hetzij op 1 februari 1989 uitoefenden;

2° de in § 1 bedoelde personeelsleden die behoren tot het bestuurs- en onderwijzend personeel en

A) die een wervingsambt uitoefenen : voor de vakken en of specialiteiten waarmee zij belast waren hetzij op 1 februari 1988 hetzij op 1 februari 1989;

B) die behoren tot het bestuurs- en onderwijzend personeel en die een selectieambt van leraar uitoefenden : voor de vakken en/of specialiteiten waarmee zij belast waren hetzij op 1 februari 1988 hetzij op 1 februari 1989;

[2° bis. Voor de in § 1, 1° , bedoelde personeelsleden gelden de voornoemde bepalingen niet alleen voor het ambt, het vak en/of de specialiteit van het ambt dat zij op 1 februari 1988 en/of 1 februari 1989 effectief uitoefenden, maar eveneens voor het ambt, het vak en/of de specialiteit van het ambt waarvan zij titularis zijn gebleven.]

B.Vl.R.26-9-1990

[2°ter. Voor de in § 1, 3° bedoelde personeelsleden voor het ambt, vak en/of specialiteit waarvoor de vrijstelling van het vereiste bekwaamheidsbewijs met het oog op de toelating tot de stage werd verleend.

B.Vl.R.31-8-1999

Deze overgangsbepalingen gelden :

- in de 1ste en de 2de graad voor de vakken en/of de specialiteit van het ambt waarmee zij in het secundair onderwijs van de lagere cyclus hetzij op 1 februari 1988 hetzij op 1 februari 1989 belast waren;

- in de [tweede, derde en vierde graad] voor de vakken en/of de specialiteit van het ambt waarmee zij in het secundair onderwijs van de hogere cyclus hetzij op 1 februari 1988 hetzij op 1 februari 1989 belast waren.

B.Vl.R.9-7-1996

3° de in § 1 bedoelde personeelsleden die behoren tot het opvoedend hulppersoneel : voor de ambten waarmee zij belast waren hetzij op 1 februari 1988 hetzij op 1 februari 1989;

4° de in § 1 bedoelde personeelsleden :

- die op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1989 in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en geen vereist bekwaamheidsbewijs meer bezitten bij toepassing van dit besluit : zij worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs;

- die op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1989 niet in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs bezitten bij toepassing van dit besluit : zij worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

- die op grond van artikel 20 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen drie jaar afwijking hebben bekomen van de vereiste bekwaamheidsbewijzen : zij worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

[§ 3. De overgangsmaatregelen worden toegekend op 1 september 1989,rekening houdend met het volgende :

1° de in § 1, 1° bedoelde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het universitair en academisch onderwijs uitgezonderd.

2° de in § 1, 2° bedoelde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het universitair en academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel of van het ondersteunend personeel en als dusdanig gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd : de perioden opgesomd in § 1, 2°, tweede lid.

3° met ingang van 1 september 1999 hebben de in 2° bedoelde personeelsleden recht op de overgangsmaatregelen die hen toegekend werden op 1 september 1989, indien ze sindsdien ononderbroken in dienst zijn gebleven in het onderwijs, het universitair en academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel of van het ondersteunend personeel en als dusdanig gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap.

Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd :

[[1° de vakantieperioden;

2° de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de borstvoedingsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]]

4° de in 2° en 3° bedoelde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel of van het ondersteunend personeel en als dusdanig gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd : de perioden opgesomd in 3°, tweede lid.]

B.Vl.R. 31-8-1999; [[ ]] B.Vl.R. 24-10-2008; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16bis.

§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 16 zijn in het deeltijds beroepssecundair onderwijs overgangsbepalingen van toepassing op de personeelsleden die op 1 februari 1988 in dienst waren in het experimenteel secundair onderwijs met beperkt leerplan, en sedertdien ononderbroken in dienst zijn gebleven in het onderwijs, het universitair onderwijs uitgezonderd, in de hoedanigheid van lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het opvoedend hulppersoneel.

Voor de toepassing van voormelde bepalingen worden niet als dienstonderbreking beschouwd : de vakantieperioden, [[de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]],]]¹ de militaire dienst, perioden van wederoproeping, de ziekte- of bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van [[salaris(toelage)]]² ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van [[salaris(toelage)]]² voor een maximum duur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een periode van ten hoogste 30 kalenderdagen per schooljaar. Voornoemde verloven en afwezigheden kunnen eveneens aanvangen op 1 februari 1988.

§ 2. De overgangsbepalingen gelden voor :

1° de in § 1 bedoelde personeelsleden die hetzij op 1 februari 1989, hetzij op 1 februari 1990 belast waren met een coördinatieopdracht in het experimenteel secundair onderwijs met beperkt leerplan voor het ambt van coördinator;

2° de in § 1 bedoelde personeelsleden die in de hoedanigheid van lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel fungeren : voor de vakken en/of specialiteiten waarmee zij belast waren hetzij op 1 februari 1989, hetzij op 1 februari 1990;

3° de in § 1 bedoelde personeelsleden die in de hoedanigheid van lid van het opvoedend hulppersoneel fungeren : voor het ambt waarmee zij belast waren hetzij op 1 februari 1989, hetzij op 1 februari 1990.]

B.Vl.R. 26-9-1990; [[ ]]¹ B.Vl.R. 4-11-1997; [[ ]]² B.Vl.R. 9-11-2007; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[§ 3. De overgangsmaatregelen worden toegekend op 1 september 1990, rekening houdend met het volgende :

1° de in § 1 bedoelde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het universitair en academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel of van het ondersteunend personeel. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd : de perioden opgesomd in § 1, tweede lid;

2° met ingang van 1 september 1999 hebben de in § 1 bedoelde personeelsleden recht op de overgangsmaatregelen die hen toegekend werden op 1 september 1990, indien ze sindsdien ononderbroken in dienst zijn gebleven in het onderwijs, het universitair en academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel of van het ondersteunend personeel.

Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd :

[[1° de vakantieperioden;

2° de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de borstvoedingsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]]

3° de in 1° en 2° bedoelde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel of van het ondersteunend personeel. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd : de perioden opgesomd in 2°, tweede lid.]

B.Vl.R. 31-8-1999; [[ ]] B.Vl.R. 24-10-2008; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16ter.

§ 1. Overgangsbepalingen worden toegekend aan :

1° de personeelsleden die ten laatste op 31 augustus 1990 op grond van de op deze datum geldende reglementering, hetzij tot de stage toegelaten, hetzij vastbenoemd en als dusdanig erkend, daar waar de erkenning bestaat, hetzij gelijkgesteld zijn met de vastbenoemde of definitief erkende personeelsleden, in het zeevisserijonderwijs;

2° de tijdelijke personeelsleden die, behoudens de hierna vermelde verloven en afwezigheden, op 29 juni 1990 in dienst waren in het zeevisserijonderwijs en sedertdien ononderbroken in dienst zijn gebleven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel of het opvoedend hulppersoneel, en als dusdanig bezoldigd zijn geweest door het Rijk of de Gemeenschap.

Voor de toepassing van voormelde bepaling worden niet als dienstonderbreking beschouwd : de vakantieperioden, [[de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]],]]¹ de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte- of bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van []salaris(toelage)]]² ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van [[salaris(toelage)]]² voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een periode van ten hoogste dertig kalenderdagen per schooljaar. Voornoemde verloven en afwezigheden kunnen eveneens aanvangen op 29 juni 1990.

§ 2. De overgangsbepalingen gelden voor :

1° de in § 1 bedoelde personeelsleden die behoren tot het bestuurs- en onderwijzend personeel en die een selectie- of een bevorderingsambt uitoefenen : voor het ambt dat zij op 1 februari 1990 uitoefenden;

2° de in § 1 bedoelde personeelsleden die behoren tot het bestuurs- en onderwijzend personeel en die een wervingsambt uitoefenen : voor de vakken en/of specialiteiten waarmee zij belast waren op 1 februari 1990;

3° de in § 1 bedoelde personeelsleden die behoren tot het opvoedend hulppersoneel : voor de ambten waarmee zij belast waren op 1 februari 1990;

4° de in § 1 bedoelde personeelsleden :

- die op basis van de reglementering, van kracht vóór 1 september 1990, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en geen vereist bekwaamheidsbewijs meer bezitten bij toepassing van dit besluit : zij worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs;

- die op basis van de reglementering, van kracht vóór 1 september 1990, niet in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs bezitten bij toepassing van dit besluit : zij worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

§ 3. Voor de in § 1, 1° , bedoelde personeelsleden gelden de in § 2 bedoelde bepalingen niet alleen voor het ambt, het vak en/of de specialiteiten van het ambt dat zij op 1 februari 1990 effectief uitoefenden, maar eveneens voor het ambt, het vak en/of de specialiteit van het ambt waarvan zij titularis zijn gebleven.]

B.Vl.R. 19-12-1991; [[ ]]¹ B.Vl.R. 4-11-1997; [[ ]]² B.Vl.R. 9-11-2007; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[§ 4. De overgangsmaatregelen worden toegekend op 1 september 1990, rekening houdend met het volgende :

1° de in § 1, 1°, bedoelde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het universitair en academisch onderwijs uitgezonderd;

2° de in § 1, 2°, bedoelde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het universitair en academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel of van het ondersteunend personeel en als dusdanig gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd : de perioden opgesomd in § 1, 2°, tweede lid.

3° met ingang van 1 september 1999 hebben de in § 1, 2° bedoelde personeelsleden recht op de overgangsmaatregelen die hen toegekend waren op 1 september 1990, indien ze sindsdien ononderbroken in dienst zijn gebleven in het onderwijs, het universitair en academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel of van het ondersteunend personeel en als dusdanig gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap.

Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd :

[[1° de vakantieperioden;

2° de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de borstvoedingsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]]

4° de in 2° en 3° bedoelde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel of van het ondersteunend personeel en als dusdanig gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd : de perioden opgesomd in 3°, tweede lid.]

B.Vl.R. 31-8-1999; [[ ]] B.Vl.R. 24-10-2008; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16quater.

De personeelsleden die op 30 juni 1992 op basis van hetzelfde besluit voor een bepaald ambt, vak of specialiteit in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en dit vanaf 1 september 1992 niet meer zijn [[...]], worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt, het vak of de specialiteit die zij op 30 juni 1992 effectief uitoefenden en eveneens voor het ambt, het vak of de specialiteit waarvan zij titularis zijn gebleven.]

B.Vl.R. 19-12-1991; [[ ]] B.Vl.R. 23-9-2005

[Art. 16quinquies.

De personeelsleden die voor een vak genoemd in het laatste lid van artikel 53, § 4, artikel 54, § 3 en artikel 55, §§ 3, 6 en 7, van het decreet betreffende het onderwijs-II van 31 juli 1990, de overgangsbepalingen bedoeld in artikel 16 [[en artikel 16sexies]] genieten, genieten deze overgangsbepalingen eveneens wanneer zij belast worden met het algemeen vak "Project algemene vakken", bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 1989 tot vaststelling van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken en de praktische vakken in de instellingen voor secundair onderwijs met volledig leerplan georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs en aanvullend secundair beroepsonderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 en 5 juni 1991.]

B.Vl.R. 19-12-1991; [[ ]] B.Vl.R. 9-7-1996

[Art. 16sexies.

§ 1. In de vierde graad van het voltijds secundair onderwijs worden overgangsbepalingen toegekend aan :

1° de personeelsleden die uiterlijk op 31 augustus 1996 op grond van de op deze datum geldende reglementering, vastbenoemd zijn in het aanvullend secundair beroepsonderwijs;

2° de tijdelijke personeelsleden die, behoudens de hierna vermelde verloven en afwezigheden, op 28 juni 1996 in dienst waren in het aanvullend secundair beroepsonderwijs en sedertdien ononderbroken in dienst zijn gebleven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel of het opvoedend hulppersoneel, en als dusdanig zijn gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.

Voor de toepassing van voormelde bepaling worden niet als dienstonderbreking beschouwd : de vakantieperioden, [[de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]],]]¹ de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte- of bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van [[salaris(toelage)]]² ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van [[salaris(toelage)]]² voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een periode van ten hoogste dertig kalenderdagen per schooljaar. Voornoemde verloven en afwezigheden kunnen eveneens aanvangen op 28 juni 1996.

§ 2. De overgangsbepalingen gelden voor :

1° de in § 1 genoemde personeelsleden die behoren tot het bestuurs- en onderwijzend personeel en die een selectie- of een bevorderingsambt uitoefenen : voor het ambt dat zij op 1 februari 1996 uitoefenden in het aanvullend secundair beroepsonderwijs;

2° de in § 1 genoemde personeelsleden die behoren tot het bestuurs- en onderwijzend personeel en die een wervingsambt uitoefenen : voor de vakken en/of specialiteiten waarmee zij waren belast op 1 februari 1996 in het aanvullend secundair beroepsonderwijs;

3° de in § 1 genoemde personeelsleden die behoren tot het opvoedend hulppersoneel : voor de ambten waarmee zij waren belast op 1 februari 1996 in het aanvullend secundair beroepsonderwijs;

4° de in § 1 genoemde personeelsleden :

- die op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1996, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en geen vereist bekwaamheidsbewijs meer bezitten bij toepassing van dit besluit : zij worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs;

- die op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1996, niet in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs bezitten bij toepassing van dit besluit : zij worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

§ 3. De overgangsbepalingen genoemd in § 1 en § 2 gelden ook in de tweede en de derde graad.

§ 4. Voor de in § 1, 1° en 2° genoemde personeelsleden gelden de in § 2 en § 3 genoemde bepalingen niet alleen voor het ambt, het vak en/of de specialiteiten van het ambt dat zij op 1 februari 1996 effectief uitoefenden, maar eveneens voor het ambt, het vak en/of de specialiteit van het ambt waarvan zij titularis waren op dezelfde datum.]

B.Vl.R. 9-7-1996; [[ ]]¹ B.Vl.R. 4-11-1997; [[ ]]² B.Vl.R. 9-11-2007; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[§ 5. De overgangsmaatregelen worden toegekend op 1 september 1996, rekening houdend met het volgende :

1° de personeelsleden, genoemd in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;

2° de personeelsleden, genoemd in § 1, 2°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel of van het ondersteunend personeel en als dusdanig gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling wordt niet als onderbreking beschouwd : de perioden opgesomd in § 1, 2°, tweede lid;

3° met ingang van 1 september 1999 hebben de personeelsleden, genoemd in § 1, 2°, recht op de overgangsmaatregelen die hen toegekend werden op 1 september 1996, indien ze sindsdien ononderbroken in dienst zijn gebleven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel of van het ondersteunend personeel en als dusdanig gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap.

Voor de toepassing van deze bepaling wordt niet als een onderbreking beschouwd :

[[1° de vakantieperioden;

2° de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de borstvoedingsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]]

4° de personeelsleden genoemd in 2° en 3° behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel of van het ondersteunend personeel en als dusdanig gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd : de perioden opgesomd in 3°, tweede lid.]

B.Vl.R. 31-8-1999; [[ ]] B.Vl.R. 24-10-2008; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16septies.

§ 1. Overgangsbepalingen worden toegekend aan :

1° de personeelsleden die op 30 juni 1998 op grond van de op deze datum geldende reglementering vastbenoemd waren in een ambt van het opvoedend hulppersoneel;

2° de personeelsleden die op 30 juni 1998 tijdelijk aangesteld waren of tijdelijk belast waren met een opdracht in een vacante betrekking van het opvoedend hulppersoneel;

3° de personeelsleden die op 30 juni 1998 tijdelijk aangesteld waren in een niet-vacante betrekking van het opvoedend hulppersoneel en die sinds 1 september 1996 tot en met 31 augustus 1998 ononderbroken in dienst waren in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;

4° de personeelsleden die op 30 juni 1998 tijdelijk belast waren met een opdracht in een niet-vacante betrekking van een selectie- of bevorderingsambt van het opvoedend hulppersoneel en die sinds 1 september 1996 tot en met 31 augustus 1998 ononderbroken in dienst waren in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.

Voor de toepassing van voormelde bepaling worden niet als onderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de [[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]³, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte- of bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van [[salaris(toelage)]]¹ ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van [[salaris(toelage)]]¹ voor een maximum duur van ten hoogste 30 kalenderdagen per schooljaar. Voornoemde onderbrekingen kunnen aanvangen of lopen op 1 september 1996.

§ 2. De overgangsmaatregelen gelden voor de ambten van het ondersteunend personeel.

§ 3. De in § 1 genoemde personeelsleden :

1° die op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1998 organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor een ambt van het opvoedend hulppersoneel en geen vereist bekwaamheidsbewijs meer hebben voor een ambt van het ondersteunend personeel worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs;

2° die op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1998 organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor een ambt van het opvoedend hulppersoneel en geen vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor een ambt van het ondersteunend personeel worden geacht in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs.

§ 4. De overgangsbepalingen worden toegekend op 1 september 1998, rekening houdend met het volgende :

1° De personeelsleden, genoemd in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.

2° De personeelsleden, genoemd in § 1, 2°, 3°en 4°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd :

[[1° de vakantieperioden;

2° de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de borstvoedingsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]]² ]

B.Vl.R. 31-8-1999; [[ ]]¹ B.Vl.R. 9-11-2007; [[ ]]² B.Vl.R. 24-10-2008; [[ ]]³ B.Vl.R. 10-3-2017; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16octies.

§ 1. Overgangsbepalingen worden toegekend aan :

1° de personeelsleden die op 30 juni 1998 op grond van de op deze datum geldende reglementering vastbenoemd waren in een ambt van het administratief

personeel;

2° de personeelsleden die op 30 juni 1998 tijdelijk aangesteld waren of tijdelijk belast waren met een opdracht in een vacante betrekking van het administratief personeel;

3° de personeelsleden die op 30 juni 1998 tijdelijk aangesteld waren in een niet-vacante betrekking van het administratief personeel en die sinds 1 september 1996 tot en met 31 augustus 1998 ononderbroken in dienst waren in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.

Voor de toepassing van voormelde bepaling worden niet als een onderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de [[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]³, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte- of bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van [[salaris(toelage)]]¹ ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van [[salaris(toelage)]]¹ voor een maximum duur van ten hoogste 30 kalenderdagen per schooljaar. Voornoemde onderbrekingen kunnen aanvangen of lopen op 1 september 1996.

§ 2. De overgangsmaatregelen gelden voor de ambten van het ondersteunend personeel.

§ 3. De in § 1 genoemde personeelsleden die op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1998 organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een bekwaamheidsbewijs vereist voor een ambt van het administratief personeel en geen vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor een ambt van het ondersteunend personeel : zij worden geacht in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs.

§ 4. De overgangsbepalingen worden toegekend op 1 september 1998, rekening houdend met het volgende :

1° De personeelsleden, genoemd in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;

2° De personeelsleden, genoemd in § 1, 2° en 3°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd :

[[1° de vakantieperioden;

2° de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de borstvoedingsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]]² ]

B.Vl.R. 31-8-1999; [[ ]]¹ B.Vl.R. 9-11-2007; [[ ]]² B.Vl.R. 24-10-2008; [[ ]]³ B.Vl.R. 10-3-2017; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16nonies.

§ 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de volgende personeelsleden :

1° de personeelsleden die uiterlijk op 31 augustus 2002 vast benoemd zijn voor het algemeen vak psychologie, en/of sociologie en/of media;

2° de personeelsleden die tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met het algemeen vak psychologie, het algemeen vak sociologie en/of het algemeen vak media in de loop van het schooljaar 2001-2002;

3° de personeelsleden die uiterlijk op 1 september 2002 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven voor het algemeen vak psychologie, het algemeen vak sociologie en/of het algemeen vak media.

§ 2. De personeelsleden, genoemd in § 1, die op basis van de reglementering die vóór 1 september 2002 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak psychologie en/of voor het algemeen vak sociologie en/of voor het algemeen vak media in een bepaalde graad en/of onderwijsvorm, en die vanaf 1 september 2002 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het algemeen vak cultuurwetenschappen in de betreffende graad en/of onderwijsvorm worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak cultuurwetenschappen in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

De personeelsleden, genoemd in § 1, die op basis van de reglementering die vóór 1 september 2002 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak sociologie en/of voor het algemeen vak psychologie en/of voor het algemeen vak media in een bepaalde graad en/of onderwijsvorm, en die vanaf 1 september 2002 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het algemeen vak gedragswetenschappen in de betreffende graad en/of onderwijsvorm worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak gedragswetenschappen in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

De personeelsleden, genoemd in § 1, die op basis van de reglementering die vóór 1 september 2002 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak psychologie en/of voor het algemeen vak sociologie en/of voor het algemeen vak media in een bepaalde graad en/of onderwijsvorm, en die vanaf 1 september 2002 geen voldoend geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het algemeen vak cultuurwetenschappen in de betreffende graad en/of onderwijsvorm worden geacht in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak cultuurwetenschappen in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

De personeelsleden, genoemd in § 1, die op basis van de reglementering die vóór 1 september 2002 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak sociologie en/of voor het algemeen vak psychologie en/of voor het algemeen vak media in een bepaalde graad en/of onderwijsvorm, en vanaf 1 september 2002 geen voldoend geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het algemeen vak gedragswetenschappen in de betreffende graad en/of onderwijsvorm : zij worden geacht in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak gedragswetenschappen in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2, worden toegekend op 1 september 2002, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° De personeelsleden, genoemd in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;

2° de personeelsleden, genoemd in § 1, 2° en 3°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

[[1° de vakantieperioden;

2° de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de borstvoedingsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]]

§ 4. De algemene vakken sociologie, psychologie en media worden ambtshalve geconcordeerd naar de algemene vakken gedragswetenschappen en cultuurwetenschappen.

Art. 16decies.

§ 1. Overgangsmaatregelen worden toegekend aan de volgende personeelsleden :

1° de personeelsleden die uiterlijk op 31 augustus 2002 vast benoemd zijn voor het technisch en/of het praktisch vak sport;

2° de personeelsleden die tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met het technisch en/of het praktisch vak sport in de loop van het schooljaar 2001-2002;

3° de personeelsleden die uiterlijk op 1 september 2002 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven voor het vak sport.

§ 2. De personeelsleden, genoemd in § 1, die op basis van de reglementering die vóór 1 september 2002 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het technisch en/of praktisch vak sport in een bepaalde graad en/of onderwijsvorm, en vanaf 1 september 2002 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het algemeen vak sport in de betreffende graad en/of onderwijsvorm worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak sport in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

De personeelsleden, genoemd in § 1, die op basis van de reglementering die vóór 1 september 2002 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het technisch en/of praktisch vak sport in een bepaalde graad en/of onderwijsvorm, en vanaf 1 september 2002 geen voldoend geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het algemeen vak sport in de betreffende graad en/of onderwijsvorm worden geacht in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak sport in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2, worden toegekend op 1 september 2002 rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° De personeelsleden, genoemd in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;

2° de personeelsleden, genoemd in § 1, 2° en 3°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

[[1° de vakantieperioden;

2° de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de borstvoedingsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]]

§ 4. Het technisch en het praktisch vak sport worden ambtshalve geconcordeerd naar het algemeen vak sport.]

B.Vl.R. 28-11-2003; [[ ]] B.Vl.R. 24-10-2008; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16undecies.

§ 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de volgende personeelsleden :

1° de personeelsleden die uiterlijk op 31 augustus 2005 vast benoemd zijn voor het algemeen vak wijsgerige stromingen;

2° de personeelsleden die tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met het algemeen vak wijsgerige stromingen in de loop van het schooljaar 2004-2005;

3° de personeelsleden die uiterlijk op 1 september 2005 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven voor het algemeen vak wijsgerige stromingen.

§ 2. De personeelsleden, genoemd in § 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2005 van kracht was via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak wijsgerige stromingen, en vanaf 1 september 2005 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben in de betreffende graad en/of onderwijsvorm worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak filosofie in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

De personeelsleden, genoemd in § 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2005 van kracht was via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak wijsgerige stromingen, en vanaf 1 september 2005 geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben in de betreffende graad en/of onderwijsvorm worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak filosofie in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2, worden toegekend op 1 september 2005, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° De personeelsleden, genoemd in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;

2° de personeelsleden, genoemd in § 1, 2° en 3°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.

Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

[[1° de vakantieperioden;

2° de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de borstvoedingsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]] ]

B.Vl.R. 23-9-2005; [[ ]] B.Vl.R. 24-10-2008; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16duodecies.

§ 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de volgende personeelsleden : 1° de personeelsleden die uiterlijk op 31 augustus 2005 vast benoemd zijn voor het technisch en/of praktisch vak kleding;

2° de personeelsleden die tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met het technisch/en of praktisch vak kleding in de loop van het schooljaar 2004-2005;

3° de personeelsleden die uiterlijk op 1 september 2005 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven voor het technisch en/of praktisch vak kleding.

§ 2. De personeelsleden, genoemd in § 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2005 van kracht was via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het technisch en/of praktisch vak kleding, en vanaf 1 september 2005 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben in de betreffende graad en/of onderwijsvorm worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het technisch en/of praktisch vak mode in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

De personeelsleden, genoemd in § 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2005 van kracht was via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het technisch en/of praktisch vak kleding, en vanaf 1 september 2005 geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben in de betreffende graad en/of onderwijsvorm worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het technisch en/of praktisch vak mode in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2, worden toegekend op 1 september 2005, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° De personeelsleden, genoemd in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;

2° de personeelsleden, genoemd in § 1, 2° en 3°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.

Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

[[1° de vakantieperioden;

2° de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de borstvoedingsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]] ]

B.Vl.R. 23-9-2005; [[ ]] B.Vl.R. 24-10-2008; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16terdecies.

§ 1. Alle personeelsleden die uiterlijk op 31 augustus 2005 in het bezit zijn van een van de volgende bekwaamheidsbewijzen :

1° diploma van onderwijzer(es) uitgereikt door een niet-confessionele instelling + attest onderwijsbevoegdheid niet-confessionele zedenleer;

2° GLSO of GVSO-groep 1 uitgereikt door een niet-confessionele instelling + attest cursus zedenleer gevolgd in het hoger secundair onderwijs;

3° ten minste HOKT + BPB + attest van definitieve vrijstelling;

worden geacht vanaf 1 september 2005 in het bezit te zijn van het bekwaamheidsbewijs : ten minste HOKT + BPB + attest "voldoende geacht" voor NCZ.

§ 2. Alle personeelsleden die uiterlijk op 31 augustus 2005 in het bezit zijn van een van de volgende bekwaamheidsbewijzen :

1° licentiaat wijsbegeerte uitgereikt door een niet-confessionele instelling + BPB + attest van beroepsbekwaamheid niet-confessionele zedenleer;

2° ten minste HOLT + BPB + attest cursus zedenleer gevolgd in het hoger secundair onderwijs;

3° ten minste HOLT + BPB + attest van definitieve vrijstelling;

worden geacht vanaf 1 september 2005 in het bezit te zijn van het bekwaamheidsbewijs : ten minste HOLT + BPB + attest "voldoende geacht" voor NCZ.

§ 3. Alle personeelsleden die uiterlijk op 31 augustus 2005 in het bezit zijn van een van de volgende bekwaamheidsbewijzen :

1° diploma van onderwijzer(es) + attest onderwijsbevoegdheid niet-con-fessionele zedenleer;

2° GLSO of GVSO-groep 1 + attest voorlopige vrijstelling cursus niet-confessionele zedenleer in HSO;

3° GLSO of GVSO-groep 1 + attest voorlopige vrijstelling diploma uitgereikt door een niet-confessionele instelling;

4° ten minste HOKT + attest voorlopige vrijstelling cursus niet-confessionele zedenleer in het H.S.O;

5° ten minste HOKT uitgereikt door een niet-confessionele instelling + attest onderwijsbevoegdheid en de cursus niet-confessionele zedenleer gevolgd in het H.S.O;

6° ten minste HOLT uitgereikt door een niet-confessionele instelling + attest onderwijsbevoegdheid en de cursus niet-confessionele zedenleer gevolgd in het H.S.O;

7° ten minste HOLT + attest voorlopige vrijstelling cursus niet-confessionele zedenleer in het H.S.O;

8° ten minste HOLT + attest voorlopige vrijstelling diploma uitgereikt door een niet-confessionele instelling;

worden geacht vanaf 1 september 2005 in het bezit te zijn van het bekwaamheidsbewijs : ten minste HOKT + attest "ander" voor NCZ.]

B.Vl.R.23-9-2005

[Art. 16quater decies.

§ 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die in toepassing van artikel 103sexies van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 84ter decies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs een individuele concordantie hebben voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2006 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor een vak in de specifieke uren-leraar in het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon secundair onderwijs, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers.

De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2006 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor een vak in de specifieke uren-leraar in het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon secundair onderwijs en vanaf 1 september 2006 geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers.

De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2006 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een ander bekwaamheidsbewijs voor een vak in de specifieke uren-leraar in het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon secundair onderwijs en vanaf 1 september 2006 geen ander bekwaamheidsbewijs hebben voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers, worden geacht in het bezit te zijn van een ander bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers.

§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2, worden toegekend op 1 september 2006, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° De vast benoemde personeelsleden vermeld in § 1, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;

2° de tijdelijke personeelsleden vermeld in § 1, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.

Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

[[1° de vakantieperioden;

2° de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de borstvoedingsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]] ]

B.Vl.R. 1-9-2006; [[ ]] B.Vl.R. 24-10-2008; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16quinquies decies.

§ 1. Een personeelslid dat in juni 2008 als contractueel personeelslid of als tijdelijk personeelslid ten laste van de inrichtende macht in dienst was in een functie van studiemeester-opvoeder in een door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerd internaat, zoals vermeld in artikel 84quater decies van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, en dat :

1° ofwel niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste HSO);

2° ofwel in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (tenminste HSO) dat voor dat ambt geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs is volgens dit besluit,

wordt met ingang van 31 augustus 2008 bij overgangsmaatregel geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, met salarisschaal 125, voor het ambt van studiemeester-opvoeder in een internaat.

§ 2. Een personeelslid dat in juni 2008 als tijdelijk personeelslid in dienst was als studiemeester-opvoeder in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd internaat en dat in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (tenminste HSO) dat voor dat ambt geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs is volgens dit besluit, wordt met ingang van 31 augustus 2008 bij overgangsmaatregel geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, met salarisschaal 125, voor het ambt van studiemeester-opvoeder in een internaat.

§ 3. De personeelsleden behouden de overgangsmaatregelen, vermeld in § 1 en § 2, zolang zij ononderbroken in dienst blijven in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd internaat.

Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

1° de vakantieperioden;

2° de [[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de borstvoedingsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.]

B.Vl.R. 24-10-2008; [[ ]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16sexiesdecies.

De overgangsbepalingen die volgens artikel 16 tot en met 16quinquiesdecies gelden voor de vierde graad, gelden ook voor de HBO5-opleiding verpleegkunde.]

B.Vl.R. 4-9-2009

[Art. 16septiesdecies.

§ 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die met toepassing van hoofdstuk I van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 betreffende de individuele concordantie naar het vak podiumtechniek in de studierichting podiumtechnieken van de derde graad van het technisch secundair onderwijs, en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 1989 tot vaststelling van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken en de praktische vakken in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs en in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs die als centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs fungeren, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars, een individuele concordantie hebben voor het technisch en/of praktisch vak podiumtechniek.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2009 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het vak vanwaaruit ze een individuele concordantie hebben gekregen, en die vanaf 1 september 2009 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het technisch en/of praktisch vak podiumtechniek, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het technisch en/of praktisch vak podiumtechniek.

De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2009 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het vak vanwaaruit ze een individuele concordantie hebben gekregen, en die vanaf 1 september 2009 geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het technisch en/of praktisch vak podiumtechniek, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het technisch en/of praktisch vak podiumtechniek.

§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 2, worden toegekend op 1 september 2009, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° voor de vastbenoemde personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, blijven deze overgangsmaatregelen gelden zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;

2° voor de tijdelijke personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, blijven deze overgangsmaatregelen gelden zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. De volgende perioden worden niet als een onderbreking beschouwd :

1° de vakantieperioden;

2° de [[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de onbezoldigde ouderschapsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]

B.Vl.R. 4-9-2009; [[ ]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16duodevicies.

§ 1. Er gelden overgangsmaatregelen voor de personeelsleden die in het bezit zijn van het bekwaamheidsbewijs GLSO wiskunde, als zodanig vermeld in bijlage 1, en aan een van de volgende voorwaarden voldoen :

1° uiterlijk op 31 augustus 2012 vastbenoemd zijn voor respectievelijk het algemene vak fysica, het technische/praktische vak toegepaste fysica, het algemene vak natuurwetenschappen, het technische/praktische vak toegepaste natuurwetenschappen of het algemene vak wetenschappelijk werk;

2° in de loop van het schooljaar 2009-2010, 2010-2011 of 2011-2012 tijdelijk aangesteld zijn of tijdelijk belast geweest zijn met respectievelijk het algemene vak fysica, het technische/praktische vak toegepaste fysica, het algemene vak natuurwetenschappen, het technische/praktische vak toegepaste natuurwetenschappen of het algemene vak wetenschappelijk werk.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2012 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het vak, vermeld in paragraaf 1, en die vanaf 1 september 2012 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor dat vak, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat vak in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 2, worden toegekend op 1 september 2012, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, 1°, blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang ze in dienst zijn in het onderwijs, de hogescholen en de universiteiten uitgezonderd;

2° voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, 2°, blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang zij ononderbroken in dienst zijn in het onderwijs, de hogescholen en de universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

1° vakantieperioden;

[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]];

3° militaire dienst;

4° perioden van wederoproeping;

5° ziekte- en bevallingsverloven;

6° onbezoldigde ouderschapsverloven;

7° perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° verloven van korte duur met behoud van salaris of salaristoelage ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° verloven zonder behoud van salaris of salaristoelage tot maximaal zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]

B.Vl.R. 17-9-2012; [[ ]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16undevicies.

§ 1. Er gelden overgangsmaatregelen voor de personeelsleden :

1° die een individuele concordantie naar het algemene vak natuurwetenschappen genieten, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2010 betreffende de concordantie naar het algemene vak natuurwetenschappen en het technische vak techniek ten gevolge van de wijzigingen in de basisvorming van de eerste graad van het secundair onderwijs, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars, artikel 1 tot en met 6 ;

2° die een ambtshalve concordantie naar het algemene vak natuurwetenschappen genieten, zoals bepaald in de bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 betreffende de ambtshalve concordantie, punt 5° tot en met 9°;

3° die een amtshalve concordantie naar het technische vak techniek genieten, zoals bepaald in de bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 betreffende de ambtshalve concordantie, punt 4°.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, 1°, die op basis van de reglementering die van kracht was aan de vooravond van de toekenning van de concordantie, in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, organiek of via overgangsmaatregelen, en die vanaf de datum waarop de concordantie toegekend wordt, geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het algemene vak natuurwetenschappen in de betreffende graad en/of onderwijsvorm, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemene vak natuurwetenschappen in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

§ 3. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, 2°, die op basis van de reglementering die van kracht was aan de vooravond van de toekenning van de concordantie, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs, organiek of via overgangsmaatregelen, en die vanaf de datum waarop de concordantie toegekend wordt, geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het algemene vak natuurwetenschappen in de betreffende graad en/of onderwijsvorm, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemene vak natuurwetenschappen in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

§ 4. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, 3°, die op basis van de reglementering die van kracht was aan de vooravond van de toekenning van de concordantie, in het bezit waren van een vereist respectievelijk voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, organiek of via overgangsmaatregelen, en die vanaf de datum waarop de concordantie toegekend wordt geen vereist respectievelijk voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het technische vak techniek, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist respectievelijk voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het technische vak techniek in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

§ 5. De overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 2 tot en met 4, worden toegekend op het moment van concordantie, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° voor de vastbenoemde personeelsleden blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang ze in dienst zijn in het onderwijs, de hogescholen en de universiteiten uitgezonderd;

2° voor de tijdelijke personeelsleden blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang zij ononderbroken in dienst zijn in het onderwijs, de hogescholen en de universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

1° vakantieperioden;

[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]];

3° militaire dienst;

4° perioden van wederoproeping;

5° ziekte- en bevallingsverloven;

6° onbezoldigde ouderschapsverloven;

7° perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° verloven van korte duur met behoud van salaris of salaristoelage ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° verloven zonder behoud van salaris of salaristoelage tot maximaal zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]

B.Vl.R. 17-9-2010; [[ ]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art.16vicies.

[[...]] ]

B.Vl.R. 6-9-2013, [[ ]] B.Vl.R. 5-9-2014

[Art.16vicies semel.

§ 1. Er gelden overgangsmaatregelen voor de personeelsleden die in het bezit zijn van een van de volgende bekwaamheidsbewijzen :

1° master in de kinesitherapie + BPB;

2° master in de revalidatiewetenschappen en de kinesitherapie + BPB;

3° master of Adapted Physical Activity + BPB;

4° master of Rehabilitation Sciences and Physiotherapy + BPB.

De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, moeten aan een van de volgende voorwaarden voldoen :

1° uiterlijk op 31 augustus 2013 vastbenoemd zijn voor respectievelijk het algemene vak sport of het algemene vak lichamelijke opvoeding;

2° in de loop van het schooljaar 2010-2011, 2011-2012 of 2012-2013 tijdelijk aangesteld zijn of tijdelijk belast geweest zijn met respectievelijk het algemene vak sport of het algemene vak lichamelijke opvoeding.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2013 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het vak, vermeld in paragraaf 1, en die vanaf 1 september 2013 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor dat vak, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat vak in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2, worden toegekend op 1 september 2013, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang ze in dienst zijn in het onderwijs, de hogescholen en de universiteiten uitgezonderd;

2° voor de personeelsleden, vermeld in § 1, tweede lid, 2°, blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang zij ononderbroken in dienst zijn in het onderwijs, de hogescholen en de universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

1° vakantieperioden;

[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]];

3° militaire dienst;

4° perioden van wederoproeping;

5° ziekte- en bevallingsverloven;

6° onbezoldigde ouderschapsverloven;

7° perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° verloven van korte duur met behoud van salaris of salaristoelage ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° verloven zonder behoud van salaris of salaristoelage tot maximaal zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]

B.Vl.R. 6-9-2013; [[ ]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16vicies bis.

§ 1. Er gelden overgangsmaatregelen voor de personeelsleden aan wie een ambtshalve concordantie naar het ambt van leraar niet-confessionele zedenleer wordt toegekend, als vermeld in bijlage I, 10°, bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 betreffende de ambtshalve concordantie.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2014, in het bezit waren van een vereist respectievelijk voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak niet-confessionele zedenleer, organiek of via overgangsmaatregelen, en die vanaf 1 september 2014 geen vereist, respectievelijk voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het ambt van leraar niet-confessionele zedenleer, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist respectievelijk voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leraar niet-confessionele zedenleer in de desbetreffende graad en/of onderwijsvorm.

§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 2, worden toegekend op 1 september 2014, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° voor de vastbenoemde personeelsleden blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang ze in dienst zijn in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en de universiteiten;

2° voor de tijdelijke personeelsleden blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang ze ononderbroken in dienst zijn in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en de universiteiten, en zolang ze gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.

Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

1° vakantieperioden;

[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]];

3° militaire dienst;

4° perioden van wederoproeping;

5° ziekte- en bevallingsverloven;

6° onbezoldigde ouderschapsverloven;

7° perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° verloven van korte duur met behoud van salaris of salaristoelage ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° verloven zonder behoud van salaris of salaristoelage tot maximaal zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]

B.Vl.R. 5-9-2014; [[ ]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16vicies ter.

§ 1. Er gelden overgangsmaatregelen voor de personeelsleden die in het bezit zijn van een van de volgende bekwaamheidsbewijzen :

1° licentiaat archeologie + BPB;

2° master in de archeologie + BPB;

3° master of Archeology + BPB;

4° licentiaat kunstgeschiedenis en oudheidkunde + BPB;

5° licentiaat oudheidkunde en kunstgeschiedenis + BPB;

6° licentiaat kunstwetenschappen en archeologie + BPB;

7° licentiaat kunstgeschiedenis en archeologie + BPB;

8° licentiaat kunstwetenschappen + BPB;

9° master in de kunstwetenschappen + BPB;

10° master in de kunstwetenschappen en de archeologie + BPB.

De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, moeten aan een van de volgende voorwaarden voldoen :

1° uiterlijk op 31 augustus 2015 vastbenoemd zijn voor het algemene vak muzikale opvoeding, respectievelijk het kunstvak of praktische vak kunstinitiatie;

2° in de loop van het schooljaar 2012-2013, 2013-2014 of 2014-2015 tijdelijk aangesteld zijn of tijdelijk belast geweest zijn met het algemene vak muzikale opvoeding, respectievelijk het kunstvak of praktische vak kunstinitiatie.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2015, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemene vak muzikale opvoeding, respectievelijk het kunstvak of praktische vak kunstinitiatie, organiek of via overgangsmaatregelen, en die vanaf 1 september 2015 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het algemene vak muzikale opvoeding, respectievelijk het kunstvak of praktische vak kunstinitiatie, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemene vak muzikale opvoeding, respectievelijk het kunstvak of praktische vak kunstinitiatie in de desbetreffende graad en onderwijsvorm.

§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 2, worden toegekend op 1 september 2015, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang ze in dienst zijn in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en de universiteiten;

2° voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2°, blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang ze ononderbroken in dienst zijn in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en de universiteiten, en zolang ze gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

a) vakantieperioden;

b) [[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]];

c) militaire dienst;

d) perioden van wederoproeping;

e) ziekte- en bevallingsverloven;

f) onbezoldigde ouderschapsverloven;

g) perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

h) verloven van korte duur met behoud van salaris of salaristoelage ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

i) verloven zonder behoud van salaris of salaristoelage tot maximaal zes werkdagen per schooljaar;

j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]

B.Vl.R. 17-7-2015; [[ ]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16vicies quater.

§ 1. Er gelden overgangsmaatregelen voor de personeelsleden die in het bezit zijn van een van de volgende bekwaamheidsbewijzen :

1° bachelor (PBA) multimedia en communicatietechnologie + BPB;

2° bachelor (PBA) of Multimedia and Communication Technology + BPB.

De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, moeten aan een van de volgende voorwaarden voldoen :

1° uiterlijk op 31 augustus 2015 vastbenoemd zijn voor het technische of praktisch vak kantoortechnieken;

2° in de loop van het schooljaar 2012-2013, 2013-2014 of 2014-2015 tijdelijk aangesteld zijn of tijdelijk belast geweest zijn met het technische of praktisch vak kantoortechnieken.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2015, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het technische of praktische vak kantoortechnieken, organiek of via overgangsmaatregelen, en die vanaf 1 september 2015 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het technische of praktische vak kantoortechnieken, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het technische of praktische vak kantoortechnieken in de desbetreffende graad en onderwijsvorm.

§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 2, worden toegekend op 1 september 2015, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang ze in dienst zijn in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en de universiteiten;

2° voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang ze ononderbroken in dienst zijn in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en de universiteiten, en zolang ze gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

a) vakantieperioden;

b) [[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]];

c) militaire dienst;

d) perioden van wederoproeping;

e) ziekte- en bevallingsverloven;

f) onbezoldigde ouderschapsverloven;

g) perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

h) verloven van korte duur met behoud van salaris of salaristoelage ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

i) verloven zonder behoud van salaris of salaristoelage tot maximaal zes werkdagen per schooljaar;

j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]

B.Vl.R. 17-7-2015; [[ ]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 16vicies quinquies.

§ 1. Er gelden overgangsmaatregelen voor de personeelsleden die in het bezit zijn van een bekwaamheidsbewijs van master uit het studiegebied toegepaste taalkunde met Nederlands als hoofdtaal + BPB.

De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, moeten aan een van de volgende voorwaarden voldoen :

1° uiterlijk op 31 augustus 2015 vastbenoemd zijn voor het algemene vak Nederlands;

2° in de loop van het schooljaar 2012-2013, 2013-2014 of 2014-2015 tijdelijk aangesteld zijn of tijdelijk belast geweest zijn met het algemene vak Nederlands.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2015, in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemene vak Nederlands, organiek of via overgangsmaatregelen, en die vanaf 1 september 2015 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het algemene vak Nederlands, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemene vak Nederlands in de desbetreffende graad en onderwijsvorm.

§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 2, worden toegekend op 1 september 2015, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang ze in dienst zijn in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en de universiteiten;

2° voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, blijven de overgangsmaatregelen gelden zolang ze ononderbroken in dienst zijn in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en de universiteiten, en zolang ze gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

a) vakantieperioden;

b) [[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]];

c) militaire dienst;

d) perioden van wederoproeping;

e) ziekte- en bevallingsverloven;

f) onbezoldigde ouderschapsverloven;

g) perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

h) verloven van korte duur met behoud van salaris of salaristoelage ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

i) verloven zonder behoud van salaris of salaristoelage tot maximaal zes werkdagen per schooljaar;

j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]

B.Vl.R. 17-7-2015; [[ ]] B.Vl.R. 10-3-2017

Artikel 17.

[§ 1. De personeelsleden, bedoeld in artikel 16, blijven de [[salarisschaal]]³ genieten die hun op grond van de vóór 1 september 1989 geldende reglementering mocht verleend worden, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]]³.

§ 2. De personeelsleden, bedoeld in artikel 16, die op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1989 :

- niet in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs;

- niet in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs;

- in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs,

blijven eveneens de [[salarisschaal]]³ genieten die hun op grond van de vóór dezelfde datum geldende reglementering mocht verleend worden, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]]³.

§ 3. In de eerste en in de tweede graad genieten de in §§ 1 en 2 bedoelde personeelsleden voor de vakken en/of de specialiteit van het ambt waarvoor zij de overgangsbepalingen genieten de [[salarisschaal]]³ die hun op grond van de vóór 1 september 1989 geldende reglementering mocht verleend worden in het secundair onderwijs van de lagere cyclus, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]]³.

§ 4. In de [[tweede, derde en vierde graad]]² genieten de in §§ 1 en 2 bedoelde personeelsleden voor de vakken en/of de specialiteit van het ambt waarvoor zij de overgangsbepalingen genieten de [[salarisschaal]]³ die hun op grond van de vóór 1 september 1989 geldende reglementering mocht verleend worden in het secundair onderwijs van de hogere cyclus, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]]³.

§ 5. Indien zowel de bepalingen van § 3 als deze van § 4 van toepassing zijn op een personeelslid, wordt [[uitsluitend voor de tweede graad]]¹ aan dit personeelslid de voordeligste [[salarisschaal]]³ toegekend.

§ 6. De bepalingen van artikel 11 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, zijn niet van toepassing.]

B.Vl.R. 19-12-1991; [[ ]]¹ B.Vl.R. 25-1-1995; [[ ]]² B.Vl. R. 9-7-1996; [[ ]]³ B.Vl.R. 9-11-2007

[Artikel 17bis.

§ 1. De personeelsleden, bedoeld in artikel 16bis [[en in artikel 16ter,]]¹ blijven de [[salarisschaal]]² genieten die hun op grond van de vóór 1 september 1990 geldende reglementering mocht verleend worden, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover de personeelsleden beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]]².

§ 2. De personeelsleden, bedoeld in artikel 16bis, die op basis van de reglementering van kracht vóór de erin vermelde datum :

- niet in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs;

- niet in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs;

- in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs,

blijven eveneens de [[salarisschaal]]² genieten die hun op grond van de vóór dezelfde datum geldende reglementering mocht verleend worden, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]]².

De bepalingen van artikel 11 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, zijn niet van toepassing.]

B.Vl.R. 26-9-1990; [[ ]]¹ B.Vl.R. 19-12-1991; [[ ]]² B.Vl.R. 9-11-2007

[Artikel 17ter.

§ 1. De personeelsleden die :

- in dienst zijn op 1 juni 1990 in een gesubsidieerd internaat of in een gesubsidieerde onderwijsinstelling waaraan een internaat verbonden is,

- en in het bezit zijn van een bekwaamheidsbewijs van ten minste HOKT,

worden geacht houder te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van beheerder, met als [[salarisschaal]]² 165, vanaf het ogenblik dat zij drie jaar ervaring hebben verworven in een gesubsidieerd internaat [[of in een medisch pedagogisch instituut]]¹.

§ 2. De personeelsleden die :

- in dienst zijn op 1 juni 1990 in een gesubsidieerd internaat of in een gesubsidieerde onderwijsinstelling waaraan een internaat verbonden is,

- en in het bezit zijn van een bekwaamheidsbewijs van ten minste HSO,

worden geacht houder te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van beheerder, met als [[salarisschaal]]² 384, vanaf het ogenblik dat zij drie jaar ervaring hebben verworven in een gesubsidieerd internaat.]

B.Vl.R. 26-9-1990; [[ ]]¹ B.Vl.R. 19-12-1991; [[ ]]² B.Vl.R. 9-11-2007

[Art. 17quater.

[[§ 1. De personeelsleden die niet in het bezit zijn van één van de vereiste bekwaamheidsbewijzen die in de [[[bijlage I]]] gevoegd bij dit besluit bepaald zijn voor het ambt van werkplaatsleider/technisch adviseur-coördinator, doch die uiterlijk op 1 juni 1986 het bevorderingsbrevet voor dit ambt behaald hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van werkplaatsleider en van technisch adviseur-coördinator met als [[[salarisschaal]]] 311.

§ 2. De personeelsleden die niet in het bezit zijn van één van de vereiste bekwaamheidsbewijzen die in de [[[bijlage I]]] gevoegd bij dit besluit bepaald zijn voor het ambt van werkplaatsleider/technisch adviseur-coördinator, doch die het ambt van werkmeester uitoefenen en uiterlijk op 1 juni 1991 in dit ambt hetzij vastbenoemd en als dusdanig erkend zijn, daar waar de erkenning bestaat, hetzij gelijkgesteld zijn met de vastbenoemde of definitief erkende personeelsleden, worden eveneens geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van werkplaatsleider en van technisch adviseur-coördinator met [[[salarisschaal]]] 311.]] ]

B.Vl.R. 26-9-1990; [[ ]] B.Vl.R. 31-8-1999; [[[ ]]] B.Vl.R. 9-11-2007

[Art. 17quinquies.

De personeelsleden, bedoeld in artikel 16 quater, blijven de [[salarisschaal]] genieten die hun op grond van de vóór 1 september 1992 geldende reglementering mocht verleend worden, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover de personeelsleden beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].]

B.Vl.R. 19-12-1991; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

[Art. 17sexties.

De personeelsleden, bedoeld in artikel 16 quinquies, blijven de [[salarisschaal]] genieten waarop zij, in toepassing van de bepalingen van de artikelen 17 en 17bis recht hebben, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover de personeelsleden beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].]

B.Vl.R. 19-12-1991; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

[Art. 17septies.

Wanneer een instelling voor secundair onderwijs zonder derde graad wordt omgevormd tot een instelling voor secundair onderwijs met derde graad, is de in die instelling vast benoemde titularis van het bevorderingsambt van directeur gemachtigd het ambt van directeur in die instelling voort uit te oefenen.

Hij behoudt de [[salarisschaal]], evenals de vaste benoeming verbonden aan het ambt van directeur van een instelling voor secundair onderwijs zonder derde graad, tenzij hij beschikt over het bekwaamheidsbewijs dat in aanmerking komt voor een vaste benoeming in het ambt van directeur in een instelling voor secundair onderwijs met derde graad, in welk geval hij recht heeft op de [[salarisschaal]] verbonden aan dat ambt.]

B.Vl.R. 15-9-1993; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

[Art. 17octies.

§ 1. De personeelsleden, genoemd in artikel 16sexies, blijven de [[salarisschaal]] genieten die hun op grond van de vóór 1 september 1996 geldende reglementering mocht worden verleend, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover de personeelsleden beschikken, recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].

§ 2. De personeelsleden, genoemd in artikel 16sexies, die op basis van de reglementering van kracht vóór de erin vermelde datum :

- niet in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs;

- niet in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs;

- in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs,

blijven eveneens de [[salarisschaal]] genieten die hun op grond van de vóór dezelfde datum geldende reglementering mocht worden verleend, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken, recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].

§ 3. De overgangsbepalingen genoemd in § 1 en § 2 gelden in de tweede, de derde en de vierde graad, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover de personeelsleden beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].

§ 4. Indien zowel de bepalingen van artikel 17, artikel 17bis, en van 17octies van toepassing zijn op een personeelslid, wordt aan dit personeelslid de voordeligste [[salarisschaal]] toegekend.

§ 5. De bepalingen van artikel 11 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, zijn niet van toepassing.]

B.Vl.R. 9-7-1996; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

[Art. 17nonies.

§ 1. De personeelsleden, genoemd in artikel 16septies en 16octies, blijven in de ambten van het ondersteunend personeel de [[salarisschaal]] genieten die hen op grond van de vóór 1 september 1998 geldende reglementering verleend mocht worden in de ambten van het opvoedend hulppersoneel of van het administratief personeel, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].

§ 2. De personeelsleden, genoemd in artikel 16septies, § 1, die op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1998 :

1° organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor een ambt van het opvoedend hulppersoneel en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor een ambt van het ondersteunend personeel;

2° organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor een ambt van het opvoedend hulppersoneel en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor een ambt van het ondersteunend personeel,

blijven eveneens de [[salarisschaal]] genieten die hen op grond van de vóór deze datum geldende reglementering toegekend werd, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].

§ 3. De personeelsleden genoemd in artikel 16 octies § 1, die op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1998 in het bezit waren van een bekwaamheidsbewijs vereist voor een ambt van het administratief personeel en een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor een ambt van het ondersteunend personeel, blijven eveneens de [[salarisschaal]] genieten die hen op grond van de vóór deze datum geldende reglementering toegekend werd, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].]

B.Vl.R. 31-8-1999; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

[Art. 17decies.

§ 1. De personeelsleden genoemd in artikel 16nonies, genieten voor de algemene vakken gedragswetenschappen en cultuurwetenschappen de [[salarisschaal]] die hen op grond van de reglementering die gold vóór 1 september 2002 mocht worden verleend voor de algemene vakken sociologie, psychologie en/of media in de betreffende graad en onderwijsvorm, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].

Art. 17undecies.

De personeelsleden, genoemd in artikel 16decies, genieten voor het algemeen vak sport de [[salarisschaal]] die hen op grond van de reglementering die gold vóór 1 september 2002 werd toegekend voor het technisch en/of het praktisch vak sport in de betreffende graad en/of onderwijsvorm, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].]

B.Vl.R. 28-11-2003; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

[Art. 17duodecies.

De personeelsleden, genoemd in artikel 16undecies, genieten voor het algemeen vak filosofie de[[salarisschaal]] die hen op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2005 mocht worden verleend voor het algemeen vak wijsgerige stromingen, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].]

B.Vl.R. 23-9-2005; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

[Art. 17terdecies.

De personeelsleden, genoemd in artikel 16duodecies , genieten voor het technisch en/of praktisch vak mode de[[salarisschaal]] die hen op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2005 mocht worden verleend voor het technisch en/of praktisch vak kleding, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].]

B.Vl.R. 23-9-2005; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

[Art. 17quater decies.

De personeelsleden, vermeld in artikel 16quater decies, genieten voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers de [[salarisschaal]] die hen op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2006 mocht worden verleend voor het vak in de specifieke uren-leraar in het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].]

B.Vl.R. 1-9-2006; [[]] B.Vl.R. 9-11-2007

[Art. 17quinquiesdecies.

De overgangsbepalingen die volgens artikel 17 tot en met 17quaterdecies gelden voor de vierde graad, gelden ook voor de HBO5-opleiding verpleegkunde.]

B.Vl.R. 4-9-2009

[Art. 17sexiesdecies.

De personeelsleden, vermeld in artikel 16duodevicies, genieten voor het algemene vak fysica, respectievelijk het technische/praktische vak toegepaste fysica, respectievelijk het algemene vak natuurwetenschappen, respectievelijk het technische/praktische vak toegepaste natuurwetenschappen, respectievelijk het algemene vak wetenschappelijk werk de salarisschaal die hen voor dat vak op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2012, mocht worden verleend, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal.]

B.Vl.R. 17-9-2012

[Art. 17septiesdecies.

§ 1. De personeelsleden, vermeld in artikel 16undevicies, paragraaf 1, 1° en 2°, genieten voor het algemene vak natuurwetenschappen de salarisschaal die hen op grond van de reglementering die gold aan de vooravond van de toekenning van de concordantie mocht worden verleend voor het algemene vak biologie respectievelijk fysica respectievelijk wetenschappelijk werk, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in artikel 16undevicies, paragraaf 1, 3°, genieten voor het technische vak techniek de salarisschaal die hen op grond van de reglementering die gold aan de vooravond van de toekenning van de concordantie mocht worden verleend voor het technische vak technologische opvoeding, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal.]

B.Vl.R. 17-9-2010

[Art. 17duodevicies.

De personeelsleden, vermeld in artikel 16vicies semel, § 1, genieten voor het algemene vak sport respectievelijk het algemene vak lichamelijke opvoeding de salarisschaal die hen op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2013 mocht worden verleend voor het algemene vak sport respectievelijk het algemene vak lichamelijke opvoeding, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal.]

B.Vl.R. 6-9-2013

[Art. 17undevicies.

De personeelsleden, vermeld in artikel 16vicies bis, paragraaf 1, genieten voor het ambt van leraar niet-confessionele zedenleer de salarisschaal die hen op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2014 mocht worden verleend voor het algemeen vak niet-confessionele zedenleer, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover ze beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal.]

B.Vl.R. 5-9-2014

[Art. 17vicies.

De personeelsleden, vermeld in artikel 16vicies ter, § 1, genieten voor het algemene vak muzikale opvoeding, respectievelijk het kunstvak of praktische vak kunstinitiatie de salarisschaal die hen op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2015, mocht worden verleend voor het algemene vak muzikale opvoeding, respectievelijk het kunstvak of praktische vak kunstinitiatie, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover ze beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal.]

B.Vl.R. 17-7-2015

[Art. 17vicies semel.

De personeelsleden, vermeld in artikel 16vicies quater, genieten voor het technische of praktische vak kantoortechnieken de salarisschaal die hen op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2015, mocht worden verleend voor het technische of praktische vak kantoortechnieken, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover ze beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal.]

B.Vl.R. 17-7-2015

[Art. 17vicies bis.

De personeelsleden, vermeld in artikel 16vicies quinquies, genieten voor het algemene vak Nederlands de salarisschaal die hen op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2015, mocht worden verleend voor het algemene vak Nederlands, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover ze beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal.]

B.Vl.R. 17-7-2015

Art. 18.

Voor de toepassing van onderhavig besluit worden in het secundair onderwijs van het type II beschouwd te behoren tot :

1° de eerste graad :

- de eerste twee leerjaren van de lagere secundaire cyclus van de onderwijsvormen : A.S.O. - T.S.O. - K.S.O. - B.S.O.;

2° de tweede graad A.S.O. - T.S.O. - K.S.O. :

- de derde en vierde leerjaren en de vijfde vervolmakings- en specialisatiejaren van de lagere secundaire cyclus van de onderwijsvormen T.S.O. - K.S.O.;

- het derde leerjaar van de lagere secundaire cyclus van de onderwijsvorm A.S.O.;

- het vierde leerjaar van de hogere secundaire cyclus van de onderwijsvormen A.S.O. - T.S.O. - K.S.O.;

3° de derde graad A.S.O. - T.S.O. - K.S.O. :

- de vijfde en zesde leerjaren van de hogere secundaire cyclus van de onderwijsvormen A.S.O. - T.S.O. - K.S.O., alsmede het voorbereidend jaar op het hoger onderwijs en de zevende vervolmakings- en specialisatiejaren van de onderwijsvormen T.S.O. - K.S.O.;

4° de tweede graad B.S.O. :

- de derde, vierde en vijfde vervolmakings- en specialisatiejaren van de lagere secundaire cyclus behorend tot de onderwijsvorm B.S.O.;

- de derde en vierde leerjaren en de vijfde vervolmakings- en specialisatiejaren van de lagere secundaire cyclus van de onderwijsvorm B.S.O.;

- het vierde leerjaar van de hogere secundaire cyclus van de onderwijsvorm B.S.O.;

5° de derde graad B.S.O. :

- de vijfde, zesde en zevende leerjaren van de hogere secundaire cyclus, behorend tot de onderwijsvorm B.S.O.;

- de zevende vervolmakings- en specialisatiejaren van de onderwijsvorm B.S.O.

Art. 19.

[...]

B.Vl.R. 7-9-2012

HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen

Art. 20.

[...]

B.Vl.R.31-8-1999

Art. 21.

[§ 1. ] De hiernavermelde koninklijke en ministeriële besluiten worden, voor zover zij bekwaamheidsbewijzen vaststellen, opgeheven wat de instellingen en de personeelsleden betreft, waarop dit besluit van toepassing is :

B.Vl.R.19-12-1991

1. het koninklijk besluit van 14 april 1964 houdende bepaling van de wijze waarop de weddetoelagen worden vastgesteld voor de personeelsleden van de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar en normaalonderwijs, die houder zijn van bekwaamheidsbewijzen welke voldoende worden geacht, gewijzigd bij ...;

2. het koninklijk besluit van 17 maart 1967 tot vaststelling van de bevoegdheidsbewijzen die voldoende geacht worden voor de leden van het personeel der vrije inrichtingen voor middelbaar en normaalonderwijs, gewijzigd bij ...;

3. het koninklijk besluit van 16 januari 1968 houdende bepaling van de wijze waarop de weddetoelagen worden vastgesteld voor de personeelsleden van de vrije inrichtingen voor middelbaar onderwijs, die houder zijn van een bekwaamheidsgetuigschrift dat voldoende geacht wordt, gewijzigd bij ...;

4. het koninklijk besluit van 26 januari 1968 tot vaststelling van de titels vereist met het oog op de toekenning van toelagen aan de gesubsidieerde inrichtingen voor muziekonderwijs, gewijzigd bij ...;

5. het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, gewijzigd bij ...;

6. het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs georganiseerd in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar onderwijs en in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor normaalonderwijs, gewijzigd bij ...;

7. het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs dat verstrekt wordt in de gesubsidieerde vrije inrichtingen voor middelbaar onderwijs of voor normaalonderwijs, met inbegrip van het postsecundair psychopedagogisch jaar, gewijzigd bij ...;

8. het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor secundair technisch en beroepsonderwijs met volledig leerplan en voor sociale promotie, gewijzigd bij ...;

9. het koninklijk besluit van 4 augustus 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde officiële inrichtingen die secundair onderwijs verstrekken overeenkomstig de wet van 19 juli 1971 betreffende de algemene structuur en de organisatie van het secundair onderwijs, gewijzigd bij ...;

10. het koninklijk besluit van 4 augustus 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde vrije inrichtingen die secundair onderwijs verstrekken overeenkomstig de wet van 19 juli 1971 betreffende de algemene structuur en de organisatie van het secundair onderwijs;

11. het koninklijk besluit van 31 augustus 1978 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen en de gesubsidieerde inrichtingen voor kunstonderwijs, die secundair onderwijs verstrekken in de plastische kunsten, gewijzigd bij ...;

12. het ministerieel besluit van 15 mei 1969 - waarbij de bekwaamheidsbewijzen nader gespecificeerd worden die vereist zijn om het ambt uit te oefenen van leraar algemene vakken en leraar technische vakken en beroepspraktijk in de middelbare scholen, in de lagere graad van de koninklijke lycea en athenea, in de afdelingen voor lager secundair technisch onderwijs en in de afdelingen voor lager secundair beroepsonderwijs verbonden aan de inrichtingen voor middelbaar onderwijs, waar het Nederlands de onderwijstaal is, gewijzigd bij ...;

13. het ministerieel besluit van 15 mei 1969 waarbij de bekwaamheidsbewijzen nader gespecificeerd worden die vereist zijn om het ambt uit te oefenen van leraar algemene vakken, van leraar technische vakken en van leraar beroepspraktijk in de lagere secundaire technische scholen en in de lagere secundaire beroepsscholen, waarvan de Nederlandse taal de onderwijstaal is, gewijzigd bij ...;

14. het ministerieel besluit van 15 mei 1969 waarbij de bekwaamheidsbewijzen nader gespecificeerd worden die vereist zijn om het ambt uit te oefenen van leraar algemene vakken, van leraar technische vakken en van leraar beroepspraktijk in de hogere secundaire technische scholen, in de hogere secundaire beroepsscholen en in de aanvullende secundaire beroepsscholen, waarvan de Nederlandse taal de onderwijstaal is, gewijzigd bij ...;

15. het ministerieel besluit van 15 mei 1969 waarbij de bekwaamheidsbewijzen nader gespecificeerd worden die vereist zijn om het ambt uit te oefenen van leraar algemene vakken in de hogere graad van de koninklijke athenea en lycea waar het Nederlands de onderwijstaal is.

[§ 2. Wordt eveneens opgeheven, wat de instellingen en de personeelsleden van het zeevisserijonderwijs en voor zover het bekwaamheidsbewijzen betreft :

- Het koninklijk besluit van 26 juli 1962 houdende vaststelling van de bevoegdheidsbewijzen, vereist van het onderwijzend personeel van de rijksinstellingen voor zeevisserijonderwijs.]

B.Vl.R.19-12-1991

[Art. 21bis.

[[De bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen, vermeld in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd, treden in werking op 1 september 2015.

De bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen die voorafgegaan worden door code 1, hebben uitwerking hebben met ingang van 1 september 1998, met de beperking evenwel dat daaruit tijdens de periode van 1 september 1998 tot en met 31 augustus 2015 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling.]] ]

B.Vl.R. 31-8-1999; [[ ]] B.Vl.R. 17-7-2015

Art. 22.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 1989 [, behoudens wat artikel 8, § 1, 16° , betreft, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1985.]

B.Vl.R.26-9-1990

Art. 23.

De [Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs] is belast met de uitvoering van dit besluit.

B.Vl.R. 23-9-2005

BIJLAGE

Bijlage I wordt vervangen door Bijlage I, gevoegd bij B.Vl.R. 24-10-2008.

Bijlage I wordt vervangen door Bijlage I, gevoegd bij het B.Vl.R. 4-9-2009, en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

Bijlagen I en II worden vervangen met het B.Vl.R. 17-9-2010, en zijn raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

Bijlagen I en II worden vervangen met het B.Vl.R. 15-7-2011, en zijn raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

Bijlagen I en II worden vervangen met het B.Vl.R. 7-9-2012, en zijn raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

Bijlage I wordt vervangen door de bijlage, gevoegd bij het B.Vl.R. 6-9-2013, en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

Bijlage I wordt vervangen door de bijlage, gevoegd bij het B.Vl.R. 5-9-2014, en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

Bijlage I wordt vervangen door de bijlage, gevoegd bij het B.Vl.R. 17-7-2015, en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad , waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

De bekwaamheidsbewijzen, vermeld in bijlage I, die voorafgegaan worden door code 1, hebben uitwerking met ingang van 1 september 1998, met de beperking evenwel dat daaruit tijdens de periode van 1 september 1998 tot en met 31 augustus 2015 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. (B.Vl.R. 17-7-2015; Art. 10)

Ook te raadplegen via :

Bijlage I http://www.ond.vlaanderen.be/bekwaamheidsbewijzen/