Bekwaamheidsbewijzen van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars

  • Deze omzendbrief geeft toelichting bij de bekwaamheidsbewijzen van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars.
  • Vanaf 1 september word en de lerarenopleidingen versterkt en hervormd met nieuwe benamingen tot gevolg (educatieve master, educatieve bachelor in het kleuteronderwijs educatieve bachelor in het lager onderwijs , educatieve bachelor in het secundair onderwijs, educatief graduaat in het secundair onderwijs ) . Punt 5 van deze omzendbrief geeft meer informatie over hun onderwijsbevoegdheid.

1. Inleiding

Het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars wordt regelmatig geactualiseerd. De verschillende omzendbrieven die hierover bestonden, worden opgeheven, voor wat deze thematiek betreft. Deze omzendbrief coördineert de relevante informatie.

2. Toepassingsgebied van deze omzendbrief

Deze omzendbrief is van toepassing op de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars van de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijsinstellingen voor lager, basis-, buitengewoon, voltijds secundair en deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Deze omzendbrief geldt niet voor de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer. Informatie hierover vindt u, althans voor wat de leermeesters niet-confessionele zedenleer betreft, in de
omzendbrief: bekwaamheidsbewijzen in het gewoon kleuter-, lager en basisonderwijs en de omzendbrief: bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon basisonderwijs

Belangrijk: Leermeesters godsdienst en godsdienstleraars moeten altijd voorgedragen worden door de bevoegde instanties van de betrokken godsdienst. Meer info hierover vindt u via de omzendbrief Onderwijsinspectie over de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer(GD/2002/05), punt 4.Scholen moeten de documenten over de voordracht niet aan het werkstation bezorgen.

3. Inhoud van deze omzendbrief

Deze omzendbrief omvat vier onderdelen. Een algemeen gedeelte over de bekwaamheidsbewijzen (punt 4) handelt over de algemene principes en definities.
Een specifiek gedeelte (punt 5) attendeert u op recente vernieuwingen. De aandachtspunten van de vorige schooljaren zijn gebundeld in punt 6. Tenslotte vindt u in punt 7 de link naar de website bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraren.

4. De bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars

4.1. Wat is een bekwaamheidsbewijs?

De Vlaamse regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot de verschillende ambten.

Als bekwaamheidsbewijs geldt een studiebewijs en/of de competenties verworven door activiteiten die het personeelslid uitoefent of heeft uitgeoefend,

zowel binnen als buiten het onderwijs. Beide kunnen eventueel worden aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid.

De Vlaamse regering kan voor elk ambt, naast ‘vereiste’ ook ‘voldoende geachte’ en ‘andere’ bekwaamheidsbewijzen vastleggen. Zij kan daarbij onder andere rekening houden met de situatie op de arbeidsmarkt.

Voor leermeesters en leraars anglicaanse godsdienst, islamitische godsdienst, israëlitische godsdienst, katholieke godsdienst, orthodoxe godsdienst en protestantse godsdienst vindt u een oplijsting van de verschillende bekwaamheidsbewijzen in de bijlage bij het Besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars. Via de website bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraren bieden wij u deze aan in de vorm van een elektronische databank, waarin u de recentste informatie kunt opzoeken.

4.2. Wie reikt het bekwaamheidsbewijs uit?

De in de bijlage vermelde diploma’s en getuigschriften moeten uitgereikt zijn
door een Belgische onderwijsinstelling of examencommissie. Ze kunnen eveneens uitgereikt zijn na het volgen van een opleiding die door wet of decreet gelijkgesteld is met een opleiding aan een Belgische universiteit of een door de staat of door de gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling.

Ook bepaalde studiebewijzen die afgeleverd worden door erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (Syntra) komen in aanmerking; in het kader van de leertijd kunnen deze centra een aantal studiebewijzen van secundair onderwijs afleveren. Komen concreet in aanmerking:

- het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

- het diploma secundair onderwijs(beroepssecundair onderwijs).

In afwijking van het bovenvermelde, hebben de hoofden van de betrokken erediensten of van andere organen de bevoegdheid om de hoedanigheid van bedienaar van de erkende eredienst te bevestigen of om aan sommige van de in de bijlagen opgenomen diploma's of getuigschriften goedkeuring te verlenen of om deze diploma's of getuigschriften uit te reiken.

4.3. Regeling voor buitenlandse diploma’s en studiegetuigschriften

Buitenlandse studiebewijzen moeten erkend worden om als een bekwaamheidsbewijs te kunnen gelden. Er zijn twee soorten erkenning :

-de academische erkenning van buitenlandse diploma’s. De erkenning wordt uitgereikt door NARIC-Vlaanderen. Voor meer informatie kunt u terecht op de website ;

-de professionele erkenning (voor EER- leerkrachten, in toepassing van de Europese richtlijn 2005/36 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, gewijzigd door ER 2013/55). De erkenning wordt uitgereikt door AGODI. Voor meer informatie kunt u terecht op de website .

4.4. Regeling voor diploma’s behaald in de Franse Gemeenschap

De diploma’s uitgereikt door erkende onderwijsinstellingen in de Franse Gemeenschap van België zijn evenwaardig met de overeenkomstige diploma’s die erkende onderwijsinstellingen in Vlaanderen uitreiken.

Er is dus geen beslissing tot gelijkwaardigheid nodig voor een diploma van de Franse Gemeenschap in Vlaanderen.

4.5. Het stelsel van bekwaamheidsbewijzen

“Vereiste” of “voldoende geachte” bekwaamheidsbewijzen (VE/VO)

Behalve over het vermelde basisdiploma moet men in principe beschikken over een bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB). Dat betekent dat men een lerarenopleiding gevolgd moet hebben (zie ook onder 4.5.1.1) om te beschikken over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

Wat de aanstelling en de bezoldiging betreft, is er geen onderscheid tussen de vereiste bekwaamheidsbewijzen enerzijds en de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen anderzijds.

“Andere” bekwaamheidsbewijzen (AND)

Aan personen met een 'ander' bekwaamheidsbewijs, wordt tijdelijk een financiering of subsidiëring verleend. Een inrichtende macht moet voorrang verlenen aan kandidaten met een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. Zij kan enkel kandidaten met een “ander” bekwaamheidsbewijs aanwerven bij wijze van tijdelijke uitzonderingsmaatregel. Daarbij moet op eer verklaard worden dat het niet mogelijk was om een houder van een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aan te werven:

-in het Gemeenschapsonderwijs en in de officiële instellingen voor secundair onderwijs wordt deze verklaring afgelegd door de hoofden van de betrokken erediensten;

-in de officiële lagere scholen die niet zijn georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap zijn het de bedienaars van de onderscheiden erediensten die deze verklaring dienen af te leggen;

-in het vrij onderwijs is het de betrokken inrichtende macht die deze verklaring op eer zal afleggen na raadpleging van de hoofden van de betrokken erediensten.

In de praktijk gebeurt dit door het aankruisen van het veldje 'geen kandidaat VE/VO' in de elektronische zending.

Zie omzendbrief: Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en vorming referentie : PERS/2005/09 van 29/06/2005.)

Die verklaring op eer hoeft niet afgelegd te worden:

- wanneer de aanstelling van het personeelslid met een 'ander' bekwaamheidsbewijs zich beperkt tot een aanstelling van maximaal 97 dagen;

- wanneer het personeelslid over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs zou beschikken indien het ook in het bezit zou zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid. In dat geval moet de verklaring op eer niet afgelegd worden gedurende de periode die gelijk is aan de minimumduur nodig om een bewijs van pedagogische bekwaamheid te behalen, vermeerderd met één schooljaar. Die periode loopt vanaf de eerste september volgend op de datum van de eerste aanstelling van het personeelslid in het basis- of secundair onderwijs.

Als een personeelslid met een 'ander' bekwaamheidsbewijs aangesteld wordt buiten de twee bovenvermelde gevallen, kan een personeelslid dat een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs bezit en dat zich voor een dergelijke betrekking kandidaat gesteld heeft, 'verhaal' aantekenen. Meer informatie hierover vindt u terug in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars.

De aanstelling van een personeelslid dat een 'ander' bekwaamheidsbewijs heeft, is beperkt tot het lopende schooljaar. Het personeelslid kan eventueel het volgende schooljaar opnieuw aangesteld worden op basis van een 'ander' bekwaamheidsbewijs als opnieuw aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan. Zolang het personeelslid een 'ander' bekwaamheidsbewijs heeft, kan het geen recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of vaste benoeming verwerven. De salarisschaal is lager dan bij de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen.

4.6. Het bekwaamheidsbewijs als bewijs van de vereiste taalkennis van het Nederlands

Vanaf 1 september 2009 is het gehele stelsel van taalkennisvoorwaarden om een betrekking in het onderwijs te kunnen uitoefenen en in aanmerking te komen voor een salaris(toelage) herzien en is het Europees Referentiekader voor Talen van toepassing. De kennis van de onderwijstaal Nederlands kan o.a. aangetoond worden via een Nederlandstalig bekwaamheidsbewijs.
Uitgebreide informatie hierover vindt u in de omzendbrief “Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs” (PERS/2010/01).

4.7. Hoe het besluit en de bijlagen gebruiken?

De bijlagen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars sommen per godsdienst de bekwaamheidsbewijzen en de bijhorende salarisschalen op.

U kunt de actuele overzichten online raadplegen via de website Onderwijs en Vorming en meer specifiek via de website bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraren. Een toelichting over de mogelijkheden van het programma vindt u in de bijhorende handleiding.

De website biedt u 2 zoeksystemen. Via ”van vak naar diploma” kunt u per godsdienstvak de verscheidene bekwaamheidsbewijzen terugvinden. U kunt ook omgekeerd via “van diploma naar vak” op basis van een bekwaamheidsbewijs zoeken tot welk godsdienstvak dit bekwaamheidsbewijs toegang geeft.

4.7.1. Verzamelbenamingen van studiebewijzen

In de bijlagen worden vaak verzamelbenamingen gebruikt, waarmee studiebewijzen gerangschikt worden: ten minste HOLT master, BPB, …. Hieronder vindt u enkele veel gebruikte verzamelbenamingen.

4.7.2. Bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB)

Bij de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen staat, voor wat het ambt van godsdienstleraar in het secundair onderwijs betreft, in principe de verzamelbenaming “BPB” vermeld. Dit slaat op het bewijs van pedagogische bekwaamheid. Voor de lijst van de studiebewijzen die in aanmerking komen: zie artikel 3bis van het besluit.

Voor de normaalleergangen, de pedagogische leergangen, het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie en voor de pedagogische getuigschriften uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs moet de onderwijscyclus ten minste 450 lestijden hebben omvat.

4.7.3. Basisdiploma’s

  • Om in aanmerking te komen moet een diploma of getuigschrift uitgereikt in het onderwijs voor sociale promotie of door een centrum voor volwassenenonderwijs een onderwijscyclus van ten minste 900 lestijden hebben omvat.
  • In het kader van de leertijd worden het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) en het diploma secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) die na 1 september 2008 in het deeltijds beroepssecundair onderwijs uitgereikt werden, eveneens als basisdiploma aanvaard.
  • Een volledig overzicht van alle verzamelbenamingen vindt u terug in artikel 5 van het besluit. Hieronder volgen de meest courante.

4.7.3.1. Ten minste master (tot 31.8.2015: ten minste HOLT)

Onder de verzamelbenaming ‘ten minste master’ worden diploma’s van master (met inbegrip van het diploma van educatieve master), licentiaat, arts, burgerlijk en industrieel ingenieur, hoger technisch of hoger kunstonderwijs van de 3e graad met volledig leerplan, … verstaan. Voor het volledige overzicht: zie punt 4°,1.-6. van artikel 5,§1 van het besluit van 26 september 1990.

4.7.3.2. master (artikel 5,§1,punt 4°,2bis)

De definitie 'master' omvat het diploma van initiële master aansluitend op een bachelor, eventueel na schakelprogramma.

Met ingang van 1 september 2013 valt hier ook onder:
-de master, aansluitend op een master (manama)
-de graden van gediplomeerde in de aanvullende studiën (GAS) en van gediplomeerde in de gespecialiseerde studiën (GGS).

Met ingang van 1 september 2019 valt hier ook het diploma van educatieve master onder.

4.7.3.3. Ten minste bachelor (tot 31.8.2015: ten minste HOKT)

Met “ten minste bachelor” wordt bedoeld: de diploma’s van het hoger onderwijs van het korte type, de gegradueerden (zowel de vroegere uitgereikte als degene die nu uitgereikt worden in het hoger beroepsonderwijs), diploma’s van technisch ingenieur, diploma’s hoger kunstonderwijs van de 1e of 2e graad met volledig leerplan, diploma’s van een hogere technische school of leergang van de 1e of 2e graad, …. Ook alle diploma’s die onder ‘ten minste master’ vallen, worden hieronder gerekend. Voor het volledige overzicht: zie punt 10° van artikel 5,§1.

Gecombineerd “ten minste bachelor + BPB (tot 31.8.2015:ten minste HOKT + BPB)”

Hiermee is ook bedoeld: het diploma van (kleuter)onderwijzer, van GLSO, van GVSO-groep 1, van bachelor in het onderwijs,van educatief graduaat in het secundair onderwijs, van educatieve master en van educatieve bachelor.

Opmerking:
Onder de definitie van ‘ten minste bachelor’ of ‘ten minste bachelor +BPB’ valt niet het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, noch het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, noch het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, noch het pedagogisch getuigschrift uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs.
Deze bovenvermelde pedagogische diploma's of getuigschriften worden uitgesloten omdat ze niet voldoen aan de minimale norm van 900 lestijden die gesteld wordt om als basisdiploma in aanmerking te komen.

4.7.3.4. bachelor

Onder de definitie 'bachelor' (punt 18° van artikel 5,§1) worden in de eerste plaats de diploma's van professioneel gerichte bachelor gerekend. Vanaf 1 september 2013 worden ook de diploma’s van bachelor, aansluitend op een bachelor en ook de diploma’s van academisch gerichte bachelor aanvaard.

Gecombineerd “bachelor + BPB” (punt 19° van artikel 5,§1)

Hiermee is ook bedoeld: het diploma van (kleuter)onderwijzer, van GLSO, van GVSO-groep 1, van bachelor in het onderwijs, van educatieve bachelor.

4.7.3.5. HOKT + BPB

“HOKT” komt op zich niet voor in de bijlagen. Gecombineerd, ”HOKT + BPB”, komt wel voor.

Hiermee is onder meer bedoeld: de diploma’s van het hoger onderwijs van het korte type, de gegradueerden (zowel de vroegere uitgereikte als degene die nu uitgereikt worden in het hoger beroepsonderwijs met inbegrip van de diploma’s van educatief graduaat in het secundair onderwijs), diploma’s van technisch ingenieur, een diploma van een hogere technische school of leergang van de 1e of 2e graad, in combinatie met een BPB (punt 16° van artikel 5,§1).

Hiermee is ook bedoeld: het diploma van (kleuter)onderwijzer, van GLSO, van GVSO-groep 1.

Met HOKT + BPB wordt niet bedoeld: het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs

4.7.3.6. ten minste HSO


Onder deze verzamelbenaming vallen ondermeer alle diploma’s hoger onderwijs, het diploma van kandidaat, het diploma van de 4e graad beroepssecundair onderwijs, het diploma secundair onderwijs, het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, het certificaat gerangschikt als TSO3 of BSO3, … Voor het volledige overzicht: zie punt 5° van artikel 5,§1.

5. Aandachtspunten vanaf het schooljaar 2019-2020

Vanaf 1 september 2019 worden de lerarenopleidingen versterkt en hervormd . Ook de benaming wijzigt . Voor de leermeester godsdienst en de godsdienstleraar zijn de onderstaande lerarenopleidingen van belang :

  • educatieve bachelor in het kleuteronderwijs (V laamse kwalificatiestructuur niveau 6)
  • educatieve bachelor in het lager onderwijs (V laamse kwalificatiestructuur niveau 6)
  • educatieve bachelor in het secundair onderwijs (V laamse kwalificatiestructuur niveau 6) :
    -
    met onderwijsvak ( ken )
    -
    educatieve bachelor in het secundair onderwijs ( zonder onderwijsvak (ken) )
  • educatieve master (V laamse kwalificatiestructuur niveau 7)

Vanaf 5.1 vindt u meer informatie .

Wat het educatief graduaat in het secundair onderwijs (V laamse kwalificatiestructuur niveau 5 ) betreft: deze lerarenopleiding richt zich in principe op leraars technische/praktische vakken en komt hieronder niet specifiek aan bod. Het diploma staat wel vermeld in de online databank bekwaamheidsbewijzen godsdienst en heeft dezelfde lesbevoegdheid als de verzamelbenamingen HOKT + BPB, ten minste bachelor + BPB, ten minste bachelor, ten minste HSO.

5.1. Leermeester godsdienst (basisonderwijs)

5.1.1. Educatieve bachelor (Vlaamse kwalificatiestructuur-niveau 6)

5.1.1.1. Educatieve bachelor in het lager onderwijs; educatieve bachelor in het kleuteronderwijs

Het diploma van educatieve bachelor in het lager onderwijs en het diploma van van educatieve bachelor in het kleuter onderwijs zijn toegevoegd met dezelfde lesbevoegdheid als de voorganger s (bachelor in het onderwijs: lager onderwijs resp. bachelor in het onderwijs: kleuter onderwijs) . Zie de online databank bekwaamheidsbewijzen godsdienst . Het diploma valt (zoals de voorganger s ) eveneens onder verzamelbenamingen (ten minste bachelor + BPB, bachelor + BPB, ten minste bachelor, ten minste HSO) .

5.1.1.2. Educatieve bachelor in het secundair onderwijs

De educatieve bachelor in het secundair onderwijs is toegevoegd met dezelfde lesbevoegdheid als de bachelor in het onderwijs : secundair onderwijs . Zie de online databank bekwaamheidsbewijzen godsdienst . H et diploma valt (zoals de bachelor in het onderwijs: secundair onderwijs ) eveneens onder verzamel benamingen (ten minste bachelor + BPB, bachelor + BPB , ten minste bachelor, ten minste HSO).

5.1.2. Educatieve master (Vlaamse kwalificatiestructuur- niveau 7):

Voor de educatieve master geldt dezelfde lesbevoegdheid als voor een master die de specifieke lerarenopleiding (BPB) gevolgd heeft. Zie de online databank bekwaamheidsbewijzen godsdienst . H et diploma valt eveneens onder verzamel benamingen (ten minste bachelor + BPB, , ten minste master + BPB, ten minste master, ten minste bachelor, ten minste HSO). ).

5.2. Godsdienstleraar (secundair onderwijs)

5.2.1. Educatieve master (Vlaamse kwalificatiestructuur- niveau 7):

Wie een opleiding tot educatieve master volgt, kiest minstens één vakdidactiek uit het aanbod van de hogeschool of de universiteit, die erover waakt dat de student de nodige vakinhoudelijke voorkennis heeft.

Een van de vakdidactieken die men kan kiezen is “godsdienst (met diplomaspecificatie mbt de erkende godsdienst). De educatieve master vakdidactiek godsdienst (met diplomaspecificatie m . b . t . de erkende godsdienst) is in de online databank bekwaamheidsbewijzen godsdienst als volgt opgenomen :

 

Krijgt dezelfde lesbevoegdheid als  

Katholieke godsdienst  

 

Educatieve master vakdidactiek godsdienst - diplomaspecificatie katholieke godsdienst 

 

Master in de theologie en religiewetenschappen + BPB 

Protestantse godsdienst  

 

Educatieve master vakdidactiek godsdienst - diplomaspecificatie protestants-evangelische godsdienst 

Master in de godgeleerdheid en de godsdienstwetenschappen uitgereikt door een erkende faculteit of instelling voor protestantse/evangelische theologie + BPB 

 

Islamitische godsdienst  

 

Educatieve master vakdidactiek godsdienst - diplomaspecificatie islamitische godsdienst  

Master in de wereldreligies optie islamitische theologie en godsdienstwetenschappen uitgereikt door een instelling erkend door het EMB + BPB van een instelling erkend door het EMB 

 

Anglicaanse godsdienst  

 

Educatieve master vakdidactiek godsdienst - diplomaspecificatie anglicaanse godsdienst  

 

Licentie van priester, uitgereikt door de bisschop van de Anglicaanse Kerk + ten minste master + BPB 

D e educatieve master heeft dezelfde lesbevoegdheid als een master die de specifieke lerarenopleiding (BPB) gevolgd heeft . U kunt deze raadplegen via de online databank bekwaamheidsbewijzen godsdienst (bij “van diploma naar vak of ambt”) . U zoekt op de benaming “educatieve master”. Het diploma valt eveneens onder verzamelbenamingen (ten minste bachelor + BPB, ten minste master + BPB, ten minste master, ten minste bachelor, ten minste HSO).

5.2.2. Educatieve bachelor (Vlaamse kwalificatiestructuur – niveau 6)

Er zijn drie soorten educatieve bachelors : educatieve bachelor in het secundair onderwijs , educatieve bachelor in kleuteronderwijs en educatieve bachelor in lager onderwijs .

5.2.2.1. Educatieve bachelor in het secundair onderwijs

Er zijn vanaf 1 september 2019 twee soorten opleidingen die leiden tot het diploma van educatieve bachelor in het secundair onderwijs:
-de educatieve bachelor in het secundair onderwijs
van 180 studiepunten waarbij men zoals voorheen “ onderwijsvak (ken)” gevolgd heeft (bv. onderwijsvak katholieke godsdienst, onderwijsvak islamitische godsdienst)
- de educatieve bachelor in het secundair onderwijs
zonder onderwijsvak (ken) voor studenten die reeds in het bezit zijn van een bachelordiploma (60 studiepunten) .


Wie tijdens de educatieve bachelor in secundair onderwijs het onderwijsvak katholieke godsdienst respectievelijk islamitische godsdienst volgde, heeft in de online databank bekwaamheidsbewijzen godsdienst dezelfde lesbevoegdheid als de voorganger:

Waar staat:  

Wordt toegevoegd:  

Bachelor in het onderwijs secundair onderwijs katholieke godsdienst 

educatieve bachelor in het secundair onderwijs katholieke godsdienst 

Bachelor in het onderwijs secundair onderwijs onderwijsvak islamitische godsdienst 

educatieve bachelor in het secundair onderwijs onderwijsvak islamitische godsdienst 

Voorts geldt dat het diploma van educatieve bachelor ook onder de verzamel benamingen ten minste bachelor + BPB , bachelor + BPB , ten minste bachelor , ten minste HSO valt.

5.2.2.2. educatieve bachelor in het kleuteronderwijs en educatieve bachelor in het lager onderwijs

Het diploma van educatieve bachelor in het lager onderwijs en het diploma van van educatieve bachelor in het kleuter onderwijs zijn toegevoegd met dezelfde lesbevoegdheid als de voorgangers (bachelor in het onderwijs: lager onderwijs resp. bachelor in het onderwijs: kleuter onderwijs). Zie de online databank bekwaamheidsbewijzen godsdienst . Het diploma valt (zoals de voorganger s ) eveneens onder verzamelbenamingen (ten minste bachelor + BPB, bachelor + BPB, ten minste bachelor, ten minste HSO) .

6. Aandachtspunten van de vorige schooljaren

7. Website bekwaamheidsbewijzen leermeesters godsdienst en godsdienstleraars(online databank)

  • Bijlage