Geldelijke validering van maximaal 8 jaar ervaring als werknemer of zelfstandige voor knelpuntambten en -vakken voor zijinstromers

  • referentie
    PERS/2020/04
  • publicatiedatum
    15/07/2020
  • datum laatste wijziging
    15/07/2020
  • wettelijke basis
    Koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 betreffende het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding
  • contact
    Uw werkstation
  • Onder voorbehoud van goedkeuring van “het Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van de regelgeving betreffende de geldelijke en sociale anciënniteit van sommige personeelsleden van het onderwijs” kunnen nieuwe personeelsleden in een knelpuntambt of -vak in een school van het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs vanaf 1 september 2020 tot 8 jaar geldelijke anciënniteit laten valideren.
  • Deze omzendbrief bevat de richtlijnen met betrekking tot de voorwaarden en de aanvraag procedure.
  • Deze omzendbrief is van toepassing op de personeelsleden die aangesteld zijn in een knelpuntambt in een school van het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs.
  • Knelpuntambt moet gelezen worden als knelpuntambt in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs, als het ambt van leraar voor bepaalde knelpuntvakken of -specialiteiten.

1. Geldelijke anciënniteit

1.1. Inleiding

Bij de berekening van het salaris van het personeel in het onderwijs wordt rekening gehouden met een aantal criteria, waaronder de leeftijd en de tijd die het personeelslid in dienst is in het onderwijs.

Het kan ook gaan over prestaties van het personeelslid buiten het onderwijs: overheidsdiensten en diensten als werknemer in de privésector of als zelfstandige. De anciënniteit die opgebouwd is als werknemer in de privésector of als zelfstandige wordt tot op heden enkel erkend met een maximum van tien jaar in het kader van het concept ‘nuttige ervaring’. Dat betekent binnen de onderwijswetgeving dat de ervaring een direct bewezen nut moet hebben voor het geven van een specifiek technisch, praktisch of kunstvak.

De nieuwe maatregel die ingaat op 1 september 2020 maakt het mogelijk om tot 8 jaar diensten als werknemer of zelfstandige op te nemen in de geldelijke anciënniteit op voorwaarde dat de personeelsleden aangesteld worden in een knelpuntambt. Deze maatregel kan gecumuleerd worden met de al bestaande maatregel van 10 jaar anciënniteit in het kader van nuttige ervaring. Meer informatie over nuttige ervaring is te vinden in de Omzendbrief betreffende de erkenning van diensten als nuttige ervaring.

Voor de leesbaarheid van de omzendbrief moet ‘knelpuntambt’ voor het secundair onderwijs gelezen worden als ‘ het ambt van leraar belast met bepaalde knelpuntvakken of -specialiteiten’.

Informatie voor het basisonderwijs

Informatie voor het secundair onderwijs

1.2. Basisonderwijs

1.2.1. Welke ambten?

De nieuwe maatregel is van toepassing op de volgende knelpuntambten in het gewoon en/of het buitengewoon basisonderwijs:

1° het ambt van onderwijzer;

2° het ambt van onderwijzer ASV.

De VDAB bepaalt welke ambten als knelpuntambten worden beschouwd.

De nieuwe maatregel zal geëvalueerd worden in functie van de evolutie van de arbeidsmarkt. Op basis daarvan kunnen er knelpuntambten bijkomen of verdwijnen. Daarom is het raadzaam dat u elke vacature aan de VDAB meldt.

1.2.2. Voorwaarden

Vanaf 1 september 2020 worden de diensten die een personeelslid als werknemer of als zelfstandige gepresteerd heeft met een maximum van 8 jaar meegeteld in de berekening van de geldelijke anciënniteit als aan de volgende voorwaarden voldaan is:

  • het personeelslid is aangesteld in een knelpuntambt;
  • het personeelslid is nieuw in het onderwijs (zie punt 1.2.3.);
  • de diensten die gepresteerd zijn als werknemer of als zelfstandige moeten vallen onder de RSZ-regeling (zie 1.2.4.) en moeten minimum de helft van een voltijdse tewerkstelling bedragen.

Opgelet: er hoeft geen inhoudelijke overeenstemming te zijn tussen de opgedane ervaring in de privésector en het uit te oefenen ambt. Het schoolbestuur kan uiteraard wel die afweging maken bij de aanwerving van haar personeel.

1.2.3. Wie wordt als nieuw in het onderwijs beschouwd?

1.2.3.1. Totaal nieuwe personeelsleden

De regeling geldt voor personeelsleden die vanaf 1 september 2020 in een knelpuntambt aangesteld worden en voor wie het daarenboven de eerste keer is dat zij in een gesubsidieerde of gefinancierde betrekking in het onderwijs aangesteld worden (met uitzondering van een tewerkstelling in een universiteit).

Dit betekent dat personeelsleden die al tewerkgesteld zijn in een van de volgende entiteiten van het onderwijs niet in aanmerking komen:

  • een school van het gewoon basisonderwijs,
  • een school van het buitengewoon basisonderwijs,
  • een school van het gewoon secundair onderwijs,
  • een school van het buitengewoon secundair onderwijs,
  • een internaat,
  • een semi-internaat,
  • een opvangcentrum,
  • een medisch-pedagogisch instituut,
  • een tehuis van het Gemeenschapsonderwijs (in het kader van hulp- en bijstandsregeling),
  • een Tehuis voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben,
  • een Instituut buitengewoon secundair onderwijs Gemeenschapsonderwijs,
  • een centrum voor leerlingenbegeleiding,
  • het deeltijds kunstonderwijs;
  • een hogeschool
  • een IPO

Voorbeeld 1

Een personeelslid wordt op 20 september 2020 voor de eerste keer in dienst genomen in een gesubsidieerde betrekking van onderwijzer. Het personeelslid heeft daarvoor 8 jaar gewerkt als zelfstandige na de leeftijd van 22 jaar.

Het personeelslid mag 8 jaar in aanmerking nemen voor de geldelijke anciënniteit.

Voorbeeld 2

Personeelslid heeft drie jaar voor de K.U. Leuven gewerkt en daarna één jaar voor een bank. Het personeelslid kan nu voor de eerste maal aan de slag als onderwijzer. Het personeelslid kan vier jaar geldelijke anciënniteit laten valideren.

1.2.3.2. Personeelsleden die minstens drie jaar afwezig zijn

De regeling geldt echter wel voor personeelsleden die al eerder tewerkgesteld waren binnen onderwijs en op 1 september 2020 of een later tijdstip worden aangesteld in een ambt van onderwijzer of onderwijzer ASV nadat ze in tussentijd minstens drie jaar ononderbroken het onderwijs verlaten hebben.

Dit geldt ook voor personeelsleden die weliswaar hun band met het onderwijs in die ononderbroken periode behouden maar in als werknemer of als zelfstandige aan de slag gaan via een afwezigheid verminderde prestaties (AVP).

Voorbeeld 1

Een personeelslid heeft gewerkt als kleuteronderwijzer van 5 oktober 2017 tot 30 juni 2018. Het personeelslid komt opnieuw in dienst op 1 september 2022 en heeft ondertussen 4 jaar voltijds gewerkt in de privésector. Omdat het personeelslid minimaal een periode van 3 ononderbroken kalenderjaren niet was aangesteld in het onderwijs kan het die 4 jaar opnemen in de geldelijke anciënniteit als onderwijzer.

Voorbeeld 2

Een vastbenoemd onderwijzer neemt een AVP van 1 oktober 2020 tot 31 september 2024. Het personeelslid neemt op 1 oktober 2024 opnieuw zijn betrekking als onderwijzer op en heeft ondertussen 4 jaar gewerkt in de privésector. Ook personeelsleden die weliswaar verbonden blijven aan onderwijs maar een AVP nemen kunnen hun geldelijke anciënniteit uit de privésector meenemen, in dit geval 4 jaar.

Voorbeeld 3

Een onderwijzer had een aanstelling tot 30 september 2020 en gaat van 1 oktober 2020 tot 30 september 2022 werken in de privésector. Het personeelslid komt opnieuw in dienst op 1 oktober 2022 en heeft ondertussen 2 jaar gewerkt in de privésector. Het personeelslid komt terug in het ambt van onderwijzer en kan zijn 2 jaar niet laten valideren, want hij is geen drie jaar uit het onderwijs weg geweest. Vanaf 1 september 2023 werkt het personeelslid opnieuw in de privésector voor een periode van 4 jaar. Nadien start hij opnieuw in het ambt van onderwijzer. Het personeelslid kan nu 4 jaar diensten in de privésector opnemen.

Voorbeeld 4

Een personeelslid heeft gewerkt als onderwijzer van 5 oktober 2018 tot 30 juni 2019. Het personeelslid komt opnieuw in dienst op 1 november 2022 en heeft ondertussen 3 jaar gewerkt in de privésector. Het personeelslid heeft in die tussenperiode een interim van 30 dagen uitgeoefend in het ambt van administratief medewerker. Omdat het personeelslid geen periode van 3 ononderbroken jaren is verdwenen uit het onderwijs kan het die 3 jaar niet opnemen in de geldelijke anciënniteit als onderwijzer.

1.2.4. Welke diensten komen in aanmerking?

Bezoldigde diensten als werknemer of als zelfstandige onderworpen aan de R.S.Z.-regeling komen in aanmerking. De diensten moeten volledig in overeenstemming zijn met de R.S.Z.-bepalingen, ongeacht het feit of er voor deze diensten al dan niet bijdragen voorzien zijn. Dit zal blijken uit de attesten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd. D e diensten die gepresteerd werden als werknemer of als zelfstandige moeten minstens de helft be d r ag en van wekelijkse prestatie s met een voltijdse opdracht.

De diensten die gepresteerd zijn als werknemer of als zelfstandige kunnen aan de hand van R.S.Z.-bijdragen bewezen worden. Door de R.S.Z. ‘gelijkgestelde periodes’ worden ook meegeteld.

Wie diensten gepresteerd heeft als werknemer of als zelfstandige in een lidstaat van de Europese Unie kan ook deze diensten laten valideren.

Het combineren van twee banen terzelfdertijd kan niet dubbel in rekening gebracht worden. De periode die gevalideerd wordt, kan nooit langer zijn dan de werkelijke duur van die periode.

Voorbeeld

Een personeelslid combineerde gedurende een 6 maanden een baan in de horeca met een functie in een grootwarenhuis. De geldelijke validering van deze arbeid bedraagt nooit meer dan 6 maanden.

1.2.5. Hoe worden de diensten als werknemer of als zelfstandige geteld?

1.2.5.1. Vanaf de minimumleeftijd

Diensten als werknemer of als zelfstandige komen pas in aanmerking wanneer ze gepresteerd zijn na de minimumleeftijd die van toepassing is op de salarisschaal die wordt toegekend.

Voorbeeld

Een onderwijzer start voor de eerste keer in het onderwijs op 10 oktober 2020 en heeft daarvoor 7 jaar in een bank gewerkt vanaf de leeftijd van 21 jaar. Het personeelslid kan 6 jaar geldelijke anciënniteit in aanmerking nemen omdat de periode voor de minimumleeftijd (klasse van de salarisschaal 148) niet meetelt. Voor salarisschaal 148 is de minimumleeftijd 22 jaar.

1.2.5.2. Wijze van tellen

De perioden van tewerkstelling worden geteld van dag tot dag en de som van het aldus bekomen aantal dagen wordt gedeeld door 30. Op die manier bekomt men een aantal maanden waarbij 12 maanden een jaar vormen. Het resterend aantal dagen wordt overgedragen naar een volgende periode. De resterende dagen worden opgeteld met de resterende dagen van een eventuele volgende periode. De diensten gepresteerd als werknemer of als zelfstandige kunnen voor maximaal 8 jaar in rekening gebracht worden.

Voorbeeld

Een personeelslid wordt op 1 september 2018 aangesteld als onderwijzer en heeft daarvoor twee perioden gewerkt als werknemer:

  • vanaf 16 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 voor 38/38
  • vanaf 15 maart 2019 tot en met 30 april 2019 voor 38/38.

Geldelijke anciënniteit op basis van de diensten als werknemer:

  • de eerste periode bedraagt 77 dagen = 2 maanden 17 dagen (de resterende 17 dagen worden naar een volgende periode overgedragen);
  • de tweede periode bedraagt 47 dagen = 1 maand 17 dagen

Het personeelslid heeft dus recht op 3 maanden en 34 dagen of 4 maanden en 4 dagen.

1.2.6. Behoud van anciënniteit voor elk knelpuntambt

De gewerkte jaren als werknemer of als zelfstandige komen in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit als het personeelslid een betrekking opneemt als onderwijzer of als onderwijzer ASV. Als het personeelslid later – al dan niet na een tijdelijke uitstap uit het onderwijs – aangesteld wordt in hetzelfde of een ander knelpuntambt, blijft die bijkomende geldelijke anciënniteit verworven.

Voorbeeld 1

Een personeelslid komt op 1 september 2020 in het onderwijs en heeft eerder 8 jaar gepresteerd in de privésector na de minimumleeftijd. Dat personeelslid wordt als volgt aangesteld:

  • Onderwijzer ASV voor 12 u
  • Zorgcoördinator voor 12 u

Voor onderwijzer ASV kan het personeelslid 8 jaar bijkrijgen, voor zorgcoördinator start het personeelslid met 0 jaar geldelijke anciënniteit.

Het personeelslid wordt op 1 september 2021 aangesteld voor 12/24 onderwijzer en voor 12/24 onderwijzer ASV. De bijkomende 8 jaar geldelijke anciënniteit gelden ook voor het ambt van onderwijzer want dat is eveneens een knelpuntambt. Ondertussen heeft het personeelslid ook 1 jaar anciënniteit verworven binnen onderwijs; hier spelen de gewone regels waardoor het personeelslid zowel in het ambt van onderwijzer als in het ambt van onderwijzer ASV kan rekenen op 9 jaar geldelijke anciënniteit.

Voorbeeld 2

Een onderwijzer ASV heeft een aanstelling gehad tot 30 september 2020 en gaat van 1 oktober 2020 tot 30 september 2024 werken in de privésector. Het personeelslid komt opnieuw in dienst in onderwijs op 1 oktober 2024 en heeft ondertussen dus 4 jaar gewerkt in de privésector. Het personeelslid komt terug in het ambt van onderwijzer ASV en kan zijn 4 jaar laten valideren. Op 1 september 2024 werkt het personeelslid opnieuw in de privésector voor een periode van 4 jaar en komt opnieuw in het ambt van onderwijzer ASV. Het personeelslid kan nu 8 jaar anciënniteit uit de privésector in rekening brengen.

1.2.7. Overstap naar een niet-knelpuntambt

1.2.7.1. Naar een selectie- of bevorderingsambt

De diensten als werknemer of als zelfstandige worden enkel toegekend aan personeelsleden die aangesteld worden in het ambt van onderwijzer of onderwijzer ASV. Wanneer zij echter vanuit die knelpuntambten overstappen naar een selectie- of bevorderingsambt in het basis- of het secundair onderwijs, behouden ze de verworven anciënniteit op basis van de diensten als werknemer of als zelfstandige.

Voorbeeld 1

Een vastbenoemd onderwijzer met 8 jaar diensten als zelfstandige in de geldelijke anciënniteit, wordt vastbenoemd als directeur van een basisschool. De 8 jaar diensten als zelfstandige komen in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit in het ambt van directeur.

Voorbeeld 2

Een vastbenoemd onderwijzer ASV met 8 jaar diensten als werknemer in de geldelijke anciënniteit, gaat via TAO naar het ambt van adjunct-directeur in een secundaire school. De 8 jaar diensten als werknemer komen in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit in het ambt van adjunct-directeur.

1.2.7.2. Naar een ander ambt

Als personeelsleden overstappen van het ambt van onderwijzer/onderwijzer ASV naar een niet-knelpuntambt dat bovendien geen selectie- of bevorderingsambt is, dan komen de jaren als werknemer of als zelfstandige niet langer in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit voor dat ambt.

Voorbeeld

Een vastbenoemd onderwijzer met 8 jaar privédiensten in de geldelijke anciënniteit, gaat via TAO naar het ambt van zorgcoördinator. De 8 jaar privé-diensten worden niet meegenomen in de geldelijke anciënniteit in het ambt van zorgcoördinator.

1.2.8. Toevoeging of verwijdering van ambten/vakken uit de lijst van knelpuntvakken

De nieuwe maatregel zal op regelmatige basis geëvalueerd worden in functie van de evolutie van de arbeidsmarkt. Op basis van die evaluatie kunnen andere ambten aan de lijst van knelpuntambten worden toegevoegd. Mogelijks worden bepaalde knelpuntambten na een evaluatie verwijderd uit de lijst.

Principe:
De opname van gepresteerde diensten als werknemer of als zelfstandige in de geldelijke anciënniteit is enkel mogelijk als het personeelslid op het ogenblik van de overstap naar het onderwijs in een knelpuntambt wordt aangesteld. Indien een ambt pas na de aanstelling van het personeelslid als knelpuntambt wordt erkend, komen de jaren als werknemer of als zelfstandige niet in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit. Omgekeerd geldt dat de verwijdering van een ambt uit de lijst met knelpuntambten geen negatieve invloed heeft op de geldelijke anciënniteit van het personeelslid dat de overstap naar het onderwijs maakte op het ogenblik dat het ambt waarin hij werd aangesteld wel nog op de lijst met knelpuntambten stond.

1.2.8.1. Toevoeging van een knelpuntambt aan de lijst

Voorbeeld 1

Een personeelslid wordt op 1 september 2020 aangesteld in het onderwijs en heeft 8 jaar gepresteerd na de minimumleeftijd in de privésector. Dat personeelslid wordt als volgt aangesteld:

  • Onderwijzer voor 12 u
  • ICT-coördinator voor 12 u

Voor onderwijzer kan het personeelslid 8 jaar laten opnemen in zijn geldelijke anciënniteit, voor ICT-coördinator start het personeelslid met 0 jaar.

In 2025 volgt een evaluatie van de lijst met knelpuntambten en het ambt van ICT-coördinator wordt daaraan toegevoegd. Toch kan het personeelslid geen aanspraak maken op 8 jaar bijkomende geldelijke anciënniteit want op het ogenblik dat hij de overstap maakte naar het onderwijs, was ICT-coördinator geen knelpuntambt.

Voorbeeld 2

Een personeelslid wordt op 1 september 2020 aangesteld in het onderwijs en heeft 8 jaar gepresteerd na de minimumleeftijd als werknemer in de privésector. Dat personeelslid wordt aangesteld als onderwijzer voor 24 u.

Na de toevoeging van het ambt van zorgcoördinator aan de lijst met knelpuntambten krijgt hij een nieuwe opdracht:

  • Onderwijzer: 12 u
  • Zorgcoördinator: 12 u

Het personeelslid krijgt voor het ambt van zorgcoördinator geen 8 jaar bijkomende geldelijke anciënniteit aangezien het ambt van zorgcoördinator niet in de lijst met knelpuntambten was opgenomen op het ogenblik dat het personeelslid de overstap maakte naar onderwijs.

Voorbeeld 3

Hetzelfde personeelslid verlaat het onderwijs op 30 april 2022 en keert op 6 oktober 2025 terug naar het onderwijs. In de tussentijd leverde hij prestaties als zelfstandige. Het ambt van zorgcoördinator is net ervoor toegevoegd aan de lijst met knelpuntvakken. Hij wordt opnieuw als volgt aangesteld:

  • Onderwijzer: 12 u
  • Zorgcoördinator: 12 u

Voor het ambt van onderwijzer behoudt hij zijn 8 jaar bijkomende anciënniteit (er kan geen 3 jaar meer worden toegevoegd want hij zat al aan zijn plafond van 8 jaar). Voor het ambt van zorgcoördinator kan hij 3 jaar 5 maanden en 8 dagen geldelijke anciënniteit in rekening brengen. Hij is immers minstens 3 jaar ononderbroken niet in onderwijs aangesteld en het ambt van zorgcoördinator behoort tot de lijst van knelpuntambten op het ogenblik van zijn overstap op 6 oktober 2025 naar het onderwijs.

Voorbeeld 4

Een personeelslid maakt in april 2025 voor het eerst de overstap naar onderwijs en heeft ervoor 11 jaar gewerkt als werknemer. Net ervoor werd het ambt van zorgcoördinator opgenomen in de lijst met knelpuntambten. Hij wordt als volgt aangesteld:

  • Onderwijzer: 12 u
  • Zorgcoördinator: 12 u

Het personeelslid kan voor beide ambten 8 jaar in rekening brengen voor zijn geldelijke anciënniteit .

1.2.8.2. Verwijdering van een knelpuntambt uit de lijst

Als een personeelslid aangesteld wordt in een knelpuntambt kan het de jaren die het vooraf heeft gepresteerd als werknemer of als zelfstandige laten opnemen in de geldelijke anciënniteit. Wanneer dat vak later als knelpuntambt wordt verwijderd, behoudt het personeelslid de geldelijke anciënniteit die het in dat ambt heeft opgebouwd.

Voorbeeld 1

Een personeelslid maakt pas in september 2025 voor het eerst de overstap naar het onderwijs en wordt voor 24 u aangesteld als onderwijzer ASV. Dat ambt werd net ervoor uit de lijst verwijderd. Het personeelslid kan dus geen aanspraak maken op bijkomende geldelijke anciënniteit vanuit de privésector.

Voorbeeld 2

Een personeelslid dat 5 jaar gewerkt heeft als zelfstandige maakt op 1 september 2020 de overstap naar het onderwijs en wordt als volgt aangesteld:

  • 10 u onderwijzer
  • 14 u: ICT-coördinator

Enkel voor het ambt van onderwijzer kan 5 jaar geldelijke anciënniteit in rekening worden gebracht.

Vanaf september 2025 wordt het ambt van onderwijzer verwijderd uit de lijst met knelpuntambten. Toch behoudt het personeelslid de 5 jaar bijkomende geldelijke anciënniteit aangezien het ambt van onderwijzer wel was opgenomen in de lijst op het ogenblik dat het personeelslid de overstap maakte naar het onderwijs.

In september 2026 wordt het personeelslid voor 24u aangesteld als leraar ICT-coördinator. Het personeelslid heeft geen recht op 5 jaar bijkomende anciënniteit o.b.v. zijn zelfstandige activiteit, want ICT-coördinator is geen knelpuntambt.

Voorbeeld 3

Hetzelfde personeelslid gaat vanaf 1 oktober 2022 opnieuw opnieuw aan de slag als zelfstandige om op 2 december 2025 terug te keren naar het onderwijs. Net ervoor werd het ambt van onderwijzer verwijderd uit de lijst met knelpuntambten.

Het personeelslid kan blijven rekenen op de 5 jaar bijkomende geldelijke anciënniteit dat hij ‘verworven’ heeft bij de overstap op 1 september 2020 voor het ambt van onderwijzer. Hij kan die 5 jaar echter niet aanvullen met nog eens 3 jaar bijkomende geldelijke anciënniteit aangezien bij de overstap in 2025 het ambt van onderwijzer geschrapt werd uit de lijst met knelpuntvakken.

1.2.8.3. Toevoeging en verwijdering van een knelpuntambt uit de lijst

Voorbeeld

Een personeelslid dat 5 jaar gewerkt heeft als werknemer in de privésector maakt op 1 september 2020 de overstap naar het onderwijs en wordt als volgt aangesteld:

  • 12 u als onderwijzer
  • 12 u als leermeester katholieke godsdienst

Enkel voor het ambt van onderwijzer kan 5 jaar geldelijke anciënniteit in rekening worden gebracht.

Op 1 september 2022 gaat dat personeelslid terug naar de privésector en komt in 2025 na drie jaar terug naar onderwijs en wordt opnieuw als volgt aangesteld:

  • 12 u onderwijzer
  • 12 u leermeester katholieke godsdienst

Net voor de overstap werd het ambt van onderwijzer verwijderd en het ambt van leermeester katholieke godsdienst toegevoegd aan de lijst met knelpuntambten.

Het personeelslid behoudt voor het ambt van onderwijzer zijn 5 ‘verworven’ jaren geldelijke anciënniteit van bij zijn overstap naar het onderwijs in 2020. Voor het ambt van leermeester katholieke godsdienst kan hij dat niet, maar kan hij wel rekenen op 3 jaar geldelijke anciënniteit voor zijn tewerkstelling in de privésector tijdens de periode 2022-2025.

1.3. Secundair onderwijs

1.3.1. Welke ambten?

De nieuwe maatregel is van toepassing op de volgende knelpuntambten in het gewoon en/of het buitengewoon secundair onderwijs:

1° het ambt van leraar, belast met het algemene vak Nederlands, Nederlands voor nieuwkomers, Frans of wiskunde;

2° het ambt van leraar, belast met het technische vak bouw, elektriciteit, hout, mechanica, handelscorrespondentie Nederlands en handelscorrespondentie Frans;

3° het ambt van leraar, belast met het praktisch vak bouw, elektriciteit, hout, en mechanica;

4° het ambt van leraar beroepsgerichte vorming met specialiteiten bouw, hout en mechanica;

5° de personeelsleden die aangesteld zijn in opleidingsvorm 4 en die belast zijn met een van de voormelde knelpuntambten, vermeld in 2° en 3°.

De VDAB bepaalt welke ambten als knelpuntambten worden beschouwd. De nieuwe maatregel zal geëvalueerd worden in functie van de evolutie van de arbeidsmarkt. Op basis daarvan kunnen er knelpuntambten bijkomen of verdwijnen. Daarom is het raadzaam dat u elke vacature aan de VDAB meldt.

1.3.2. Voorwaarden

Vanaf 1 september 2020 worden de diensten die een personeelslid als werknemer of als zelfstandige gepresteerd heeft met een maximum van 8 jaar meegeteld in de berekening van de geldelijke anciënniteit als aan de volgende voorwaarden voldaan is:

  • het personeelslid is aangesteld in een knelpuntambt;
    het personeelslid is nieuw in het onderwijs (zie punt 1.3.3.);
  • de diensten die gepresteerd zijn als werknemer of als zelfstandige moeten vallen onder de RSZ-regeling (zie 1.3.5) en moeten minimaal de helft van een voltijdse tewerkstelling bedragen.

Opgelet: in tegenstelling tot het laten valideren van nuttige ervaring hoeft er hier geen inhoudelijke overeenstemming te zijn tussen de opgedane ervaring in de privésector en het uit te oefenen ambt. Het schoolbestuur kan uiteraard wel die afweging maken bij de aanwerving van haar personeel.

1.3.3. Wie wordt als nieuw in het onderwijs beschouwd?

1.3.3.1. Totaal nieuwe personeelsleden

De regeling geldt voor personeelsleden die vanaf 1 september 2020 in een knelpuntambt aangesteld worden en voor wie het daarenboven de eerste keer is dat zij in een gesubsidieerde of gefinancierde betrekking in het onderwijs aangesteld worden (met uitzondering van tewerkstelling in een universiteit).

Dit betekent dat personeelsleden die al tewerkgesteld zijn in een van de volgende entiteiten van het onderwijs niet in aanmerking komen:

  • een school van het gewoon basisonderwijs,
  • een school van het buitengewoon basisonderwijs,
  • een school van het gewoon secundair onderwijs,
  • een school van het buitengewoon secundair onderwijs,
  • een internaat,
  • een semi-internaat,
  • een opvangcentrum,
  • een medisch-pedagogisch instituut,
  • een tehuis van het Gemeenschapsonderwijs (in het kader van hulp- en bijstandsregeling),
  • een Tehuis voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben,
  • een Instituut buitengewoon secundair onderwijs Gemeenschapsonderwijs,
  • een centrum voor leerlingenbegeleiding,
  • het deeltijds kunstonderwijs;
  • een hogeschool
  • een IPO

Voorbeeld 1

Een personeelslid wordt op 20 september 2020 voor de eerste keer in dienst genomen in een gesubsidieerde betrekking als leraar AV wiskunde (salarisschaal 501). Het personeelslid heeft daarvoor 8 jaar gewerkt als werknemer na de leeftijd van 24 jaar.

Het personeelslid mag 8 jaar in aanmerking nemen voor de geldelijke anciënniteit.

Voorbeeld 2

Een personeelslid heeft drie jaar voor de K.U. Leuven gewerkt en daarna één jaar voor een biotechnisch bedrijf. Het personeelslid kan nu voor de eerste maal aan de slag in een school voor secundair onderwijs als leraar AV Nederlands. Het personeelslid kan vier jaar geldelijke anciënniteit laten valideren.

1.3.3.2. Personeelsleden die minstens drie jaar afwezig zijn

De regeling geldt echter wel voor personeelsleden die al eerder tewerkgesteld waren binnen onderwijs en op 1 september 2020 of een later tijdstip worden aangesteld in een knelpuntambt nadat ze in tussentijd minstens drie jaar ononderbroken het onderwijs verlaten hebben.

Dit geldt ook voor personeelsleden die weliswaar hun band met het onderwijs in die ononderbroken periode behouden maar als werknemer of als zelfstandige aan de slag gaan via een afwezigheid verminderde prestaties (AVP).

Voorbeeld 1

Een personeelslid is een eerste keer in dienst gekomen op 5 oktober 2017 als leraar AV Nederlands tot 30 juni 2018. Het personeelslid komt opnieuw in dienst op 1 september 2022 en heeft ondertussen 4 jaar voltijds gewerkt in de privésector. Omdat het personeelslid minimaal een periode van 3 ononderbroken kalenderjaren niet was aangesteld in het onderwijs kan het die 4 jaar opnemen in de geldelijke anciënniteit als leraar AV Nederlands.

Voorbeeld 2

Personeelslid A is vast benoemd als leraar AV Frans. Op 1 september 2023 neemt het AVP voor 4 jaar en gaat aan de slag bij een bank. Nadien keert het personeelslid terug naar school. Hij kan tot 4 jaar privé anciënniteit laten valideren. Het personeelslid behoudt daarenboven de anciënniteit die het tijdens het eerste jaar van de loopbaan in het onderwijs opbouwde.

Voorbeeld 3

Een leraar TV bouw had een aanstelling tot 30 september 2020 en gaat van 1 oktober 2020 tot 30 september 2022 werken in de privésector. Het personeelslid komt opnieuw in dienst op 1 oktober 2022 en heeft ondertussen 2 jaar gewerkt in de privésector. Het personeelslid wordt aangesteld in het ambt van leraar TV bouw en kan zijn 2 jaar niet in rekening brengen want hij is geen drie jaar ononderbroken uit het onderwijs weg geweest. Vanaf 1 september 2023 werkt het personeelslid opnieuw in de privésector voor een periode van 4 jaar. Nadien start hij opnieuw in onderwijs in het ambt van leraar TV bouw. Het personeelslid kan nu 4 jaar diensten in de privésector opnemen.

Voor de periode tussen 1 oktober 2020 en 30 september 2022 kan het personeelslid eventueel wel gebruik maken van de mogelijkheid om deze anciënniteit te laten valideren als nuttige ervaring (zie Omzendbrief betreffende de erkenning van diensten als nuttige ervaring).

Voorbeeld 4

Een personeelslid heeft gewerkt als leraar PV elektriciteit van 5 oktober 2018 tot 30 juni 2019. Het personeelslid komt opnieuw in dienst op 1 november 2022 en heeft ondertussen 3 jaar gewerkt in de privésector. Het personeelslid heeft in die tussenperiode een tijdelijke opdracht van 30 dagen uitgeoefend in het onderwijs. Omdat het personeelslid geen periode van 3 ononderbroken jaren is verdwenen uit het onderwijs kan het die 3 jaar niet opnemen in de geldelijke anciënniteit als leraar PV elektriciteit.

Het personeelslid kan eventueel wel gebruik maken van de mogelijkheid om deze anciënniteit te laten valideren als nuttige ervaring (zie Omzendbrief betreffende de erkenning van diensten als nuttige ervaring).

1.3.4. Combinatie met het laten valideren van ‘nuttige ervaring’

De personeelsleden die aangesteld zijn in een technisch of praktisch vak, kunnen onder bepaalde voorwaarden maximaal 10 jaar laten erkennen als nuttige ervaring. Hiervoor blijft de Omzendbrief betreffende de erkenning van diensten als nuttige ervaring van toepassing.

Belangrijk: de nuttige ervaring kan gecombineerd worden met de 8 jaren tewerkstelling in de privésector als het personeelslid een knelpuntambt uitoefent. Een periode van tewerkstelling kan echter maar één keer gevalideerd worden, hetzij als nuttige ervaring, hetzij als bijkomende geldelijke anciënniteit i.k.v. knelpuntambten.

Voorbeeld 1

Een personeelslid wordt voor de eerste keer aangesteld in het onderwijs op 1 september 2020 als leraar TV hout. Hij heeft 20 jaar gewerkt als werknemer. Hij kan tot 10 jaar laten erkennen als nuttige ervaring overeenkomstig de bestaande procedure vermeld in de omzendbrief betreffende de erkenning van diensten als nuttige ervaring. Daarnaast kan het personeelslid nog max. 8 jaar privédiensten in aanmerking nemen. In totaal heeft het personeelslid recht op 18 jaar bijkomende geldelijke anciënniteit als aan alle voorwaarden voldaan is.

Voorbeeld 2

Een personeelslid wordt voor de eerste keer aangesteld in onderwijs op 1 september 2020 als leraar PV elektriciteit. Hij heeft 5 jaar gewerkt in de privésector. Hij kan 5 jaar laten erkennen hetzij als nuttige ervaring hetzij als diensten gepresteerd in de privésector maar niet voor de twee tegelijk. Als het personeelslid geen nuttige ervaring nodig heeft voor het bekwaamheidsbewijs, kan de nieuwe regeling toegepast worden i.p.v. nuttige ervaring te laten erkennen. Deze nieuwe regeling is immers veel eenvoudiger.

1.3.5. Welke diensten komen in aanmerking?

Bezoldigde diensten als werknemer of als zelfstandige onderworpen aan de R.S.Z.-regeling komen in aanmerking. De diensten moeten volledig in overeenstemming zijn met de R.S.Z.-bepalingen, ongeacht het feit of er voor deze diensten al dan niet bijdragen voorzien zijn. Dit zal blijken uit de attesten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd. De diensten die gepresteerd werden als werknemer of a l s zelfstandige moeten minstens de helft be drag en van wekelijkse prestaties met een voltijdse opdracht.

De diensten die gepresteerd zijn als werknemer of als zelfstandige kunnen aan de hand van R.S.Z.-bijdragen bewezen worden. Door de R. S.Z. ‘gelijkgestelde periodes’ worden ook meegeteld.

Wie diensten gepresteerd heeft als werknemer of als zelfstandige in een lidstaat van de Europese Unie kan ook deze diensten laten valideren.

Het combineren van twee banen terzelfdertijd kan niet dubbel in rekening gebracht worden. De periode die gevalideerd wordt, kan nooit langer zijn dan de werkelijke duur van die periode.

Voorbeeld

Een personeelslid combineerde gedurende 6 maanden een baan in de horeca met een functie in een grootwarenhuis. De geldelijke validering van deze arbeid bedraagt nooit meer dan 6 maanden.

1.3.6. Hoe worden de privé-diensten geteld?

1.3.6.1. Vanaf de minimumleeftijd

Diensten als werknemer of als zelfstandige komen pas in aanmerking wanneer ze gepresteerd zijn na de minimumleeftijd die van toepassing is op de salarisschaal die wordt toegekend

Voorbeeld

Een leraar BGV hout start voor de eerste keer in onderwijs op 10 oktober 2020 en heeft daarvoor 7 jaar in een houtbedrijf gewerkt vanaf de leeftijd van 21 jaar. Het personeelslid kan 6 jaar geldelijke anciënniteit in aanmerking nemen omdat de periode voor de minimumleeftijd (klasse van de salarisschaal 301) niet meetelt. Voor salarisschaal 301 is de minimumleeftijd 22 jaar.

1.3.6.2. Wijze van tellen

De perioden van tewerkstelling worden geteld van dag tot dag en de som van het aldus bekomen aantal dagen wordt gedeeld door 30. Op die manier bekomt men een aantal maanden waarbij 12 maanden een jaar vormen. Het resterend aantal dagen wordt overgedragen naar een volgende periode. De resterende dagen van die periode worden samengeteld met de resterende dagen van een eventuele volgende periode. De diensten gepresteerd in de als werknemer of als zelfstandige kunnen maximaal 8 jaar bedragen.

Voorbeeld

Een personeelslid wordt op 1 september 2018 aangesteld in een knelpuntambt en heeft daarvoor twee perioden gewerkt in de privésector:

  • vanaf 16 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 voor 38/38
  • vanaf 15 maart 2019 tot en met 30 april 2019 voor 38/38

Geldelijke anciënniteit

  • de eerste periode bedraagt 77 dagen = 2 maanden 17 dagen (de resterende 17 dagen worden naar een volgende periode overgedragen;
  • de tweede periode bedraagt 47 dagen = 1 maand 17 dagen

Het personeelslid heeft dus recht op 3 maanden en 34 dagen of 4 maanden en 4 dagen

1.3.7. Behoud van anciënniteit voor elk knelpuntambt

De gewerkte jaren als werknemer of als zelfstandige komen in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit als het personeelslid een betrekking opneemt in een knelpuntambt. Als het personeelslid later – al dan niet na een tijdelijke uitstap uit het onderwijs – aangesteld wordt in hetzelfde of een ander knelpuntambt, blijft die geldelijke anciënniteit verworven.

Voorbeeld 1

Een personeelslid komt op 1 september 2020 in dienst in het onderwijs en heeft eerder 8 jaar gepresteerd na de minimumleeftijd in de privésector. Dat personeelslid wordt als volgt aangesteld:

  • Leraar AV wiskunde voor 10 u
  • Leraar AV fysica voor 10 u

Voor AV wiskunde kan het personeelslid 8 jaar bijkrijgen; voor AV fysica start het personeelslid zonder geldelijke anciënniteit.

Het personeelslid wordt op 1 september 2021 opnieuw aangesteld voor 10/20 AV wiskunde en voor 10/20 AV Nederlands voor nieuwkomers. De bijkomende 8 jaar geldelijke anciënniteit gelden ook voor leraar AV Nederlands voor nieuwkomers want dat is eveneens een knelpuntambt. Ondertussen heeft het personeelslid ook 1 jaar anciënniteit verworven binnen onderwijs; hier spelen de gewone regels waardoor het personeelslid ook voor het vak AV Nederlands voor nieuwkomers kan rekenen op 9 jaar geldelijke anciënniteit, net als voor AV wiskunde.

Voorbeeld 2

Een leraar PV bouw heeft een aanstelling gehad tot 30 september 2020 en gaat van 1 oktober 2020 tot 30 september 2024 werken in de privésector. Het personeelslid komt opnieuw in dienst in het onderwijs op 1 oktober 2024 en heeft ondertussen dus 4 jaar gewerkt in de privésector. Het personeelslid komt terug in het ambt van leraar PV bouw en kan zijn 4 jaar uit de privésector laten valideren. Op 1 september 2024 start het personeelslid opnieuw in de privésector voor een periode van 4 jaar. Nadien komt hij opnieuw in dienst als leraar PV bouw. Het personeelslid kan nu in totaal 8 jaar diensten uit de privésector opnemen in zijn geldelijke anciënniteit.

1.3.8. Overstap naar een niet-knelpuntambt

1.3.8.1. Naar een selectie- of bevorderingsambt

De toegekende diensten als werknemer of als zelfstandige worden enkel toegekend aan personeelsleden die aangesteld worden in een knelpuntambt. Wanneer zij echter vanuit die knelpuntambten overstappen naar een selectie- of bevorderingsambt in het basis- ofhet secundair onderwijs, behouden ze de verworven anciënniteit op basis van de diensten als werknemer of als zelfstandige.

Voorbeeld 1

Een vastbenoemd leraar BGV mechanica met 8 jaar diensten als zelfstandige in de geldelijke anciënniteit, gaat via TAO naar het ambt van technisch adviseur-coördinator. De 8 jaar als zelfstandige komen in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit in het ambt van technisch adviseur-coördinator.

Voorbeeld 2

Een vastbenoemd leraar AV Nederlands met 6,5 jaar diensten als werknemer in de geldelijke anciënniteit, wordt vastbenoemd als directeur in een basisschool. De 6,5 jaar diensten als werknemer komen ook in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit in het ambt van directeur basisonderwijs.

1.3.8.2. Naar een ander ambt

Als personeelsleden overstappen van een knelpuntambt naar een ambt dat geen knelpuntambt is en bovendien ook geen selectie- of bevorderingsambt is, dan komen de jaren als werknemer of als zelfstandige niet langer in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit.

Voorbeeld

Een tijdelijk aangesteld leraar AV Nederlands met 8 jaar privédiensten in de geldelijke anciënniteit, krijgt in het daaropvolgende schooljaar een betrekking in het ambt van leraar AV Engels. De 8 jaar privé-diensten worden niet meegenomen omdat leraar AV Engels niet in de lijst van de knelpuntambten is opgenomen.

1.3.9. Toevoeging of verwijdering van ambten/vakken uit de lijst van knelpuntvakken

De nieuwe maatregel zal op regelmatige basis geëvalueerd worden in functie van de evolutie van de arbeidsmarkt. Op basis van die evaluatie kunnen andere ambten en vakken aan de lijst worden toegevoegd. Mogelijks worden bepaalde knelpuntambten- of vakken na een evaluatie verwijderd uit de lijst.

Principe:
De opname van gepresteerde diensten als werknemer of als zelfstandige in de geldelijke anciënniteit is enkel mogelijk als het personeelslid op het ogenblik van de overstap naar het onderwijs in een knelpuntambt wordt aangesteld. Als een ambt pas na de aanstelling van het personeelslid als knelpuntambt- of vak wordt erkend, komen de jaren als werknemer of als zelfstandige niet in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit. Omgekeerd geldt dat de verwijdering van een ambt uit de lijst met knelpuntambten geen negatieve invloed heeft op de geldelijke anciënniteit van het personeelslid dat de overstap naar het onderwijs maakte op het ogenblik dat het ambt waarin hij werd aangesteld wel nog op de lijst met knelpuntambten stond.

1.3.9.1. Toevoeging van een knelpuntambt aan de lijst

Voorbeeld 1

Een personeelslid wordt op 1 september 2020 aangesteld in het onderwijs en heeft 8 jaar gepresteerd na de minimumleeftijd in de privésector. Dat personeelslid wordt als volgt aangesteld:

  • Leraar AV wiskunde voor 10 u
  • Leraar AV fysica voor 10 u

Voor AV wiskunde kan het personeelslid 8 jaar laten opnemen in zijn geldelijke anciënniteit, voor AV fysica start het personeelslid met 0 jaar anciënniteit.

In 2025 volgt een evaluatie van de lijst met knelpuntambten en AV fysica wordt daaraan toegevoegd. Toch kan het personeelslid geen aanspraak maken op 8 jaar bijkomende geldelijke anciënniteit want op het ogenblik dat hij de overstap maakte naar het onderwijs, was AV fysica geen knelpuntambt.

Voorbeeld 2

Een personeelslid wordt in 2020 aangesteld voor 20/20 als leraar AV wiskunde en kan rekenen op 8 jaar bijkomende anciënniteit.

Na de toevoeging van leraar AV fysica aan de lijst met knelpuntambten krijgt hij een nieuwe opdracht:

  • Leraar AV wiskunde 10u
  • Leraar AV fysica 10u

Het personeelslid krijgt voor het vak fysica geen 8 jaar bijkomende geldelijke anciënniteit aangezien AV fysica niet in de lijst met knelpuntambten was opgenomen op het ogenblik dat het personeelslid de overstap maakte naar onderwijs.

Voorbeeld 3

Hetzelfde personeelslid verlaat het onderwijs op 30 april 2022 en keert op 6 oktober 2025 terug naar het onderwijs. In de tussentijd was hij als zelfstandige aan de slag. Het vak fysica is net ervoor toegevoegd aan de lijst met knelpuntambten. Hij wordt opnieuw als volgt aangesteld:

  • Leraar AV wiskunde voor 10 u
  • Leraar AV fysica voor 10 u

Voor het vak wiskunde behoudt hij zijn 8 jaar bijkomende anciënniteit (er kan geen 3 jaar meer worden toegevoegd want hij zat al aan zijn plafond van 8 jaar). Voor het vak fysica kan hij 3 jaar 5 maanden en 8 dagen geldelijke anciënniteit in rekening brengen. Hij is immers minstens 3 jaar ononderbroken niet in onderwijs aangesteld en het vak fysica behoort tot de lijst van knelpuntambten op het ogenblik van zijn overstap op 6 oktober 2025 naar het onderwijs.

Voorbeeld 4

Een personeelslid maakt in april 2025 voor het eerst de overstap naar onderwijs en heeft daarvoor 11 jaar gewerkt als werknemer. Net ervoor werd leraar TV carrosserie opgenomen in de lijst met knelpuntambten. Hij wordt als volgt aangesteld:

  • Leraar technische vakken mechanica voor 10u
  • Leraar technische vakken carrosserie voor 10u

Het personeelslid kan voor beide vakken 8 jaar geldelijke anciënniteit in rekening brengen voor zijn geldelijke anciënniteit

1.3.9.2. Verwijdering van een knelpuntambt van de lijst

Als een personeelslid voor de eerste keer aangesteld wordt in een knelpuntambt kan het de jaren die het vooraf heeft gepresteerd als werknemer of als zelfstandige, laten opnemen in de geldelijke anciënniteit. Wanneer dat vak later als knelpuntambt wordt verwijderd, behoudt het personeelslid de geldelijke anciënniteit die het in dat ambt heeft opgebouwd.

Voorbeeld 1

Een personeelslid maakt pas in september 2025 voor het eerst de overstap naar het onderwijs en wordt voor 20 u aangesteld als leraar BGV hout. Dat ambt werd net ervoor uit de lijst verwijderd. Het personeelslid kan dus geen aanspraak maken op bijkomende geldelijke anciënniteit als werknemer of als zelfstandige.

Voorbeeld 2

Een personeelslid dat 5 jaar gewerkt heeft als zelfstandige maakt op 1 september 2020 de overstap naar het onderwijs en wordt als volgt aangesteld:

  • 10u Leraar AV Nederlands
  • 10u Leraar AV Engels

Enkel voor het vak Nederlands kan 5 jaar geldelijke anciënniteit in rekening worden gebracht.

Vanaf 2025 wordt AV Nederlands verwijderd uit de lijst met knelpuntambten. Toch behoudt het personeelslid de 5 jaar bijkomende geldelijke anciënniteit aangezien het vak Nederlands wel was opgenomen in de lijst op het ogenblik dat het personeelslid de overstap maakte naar het onderwijs.

In september 2026 wordt het personeelslid voor 20u aangesteld als leraar AV Engels. Het personeelslid heeft geen recht op 5 jaar bijkomende anciënniteit o.b.v. zijn zelfstandige activiteit, want leraar AV Engels is geen knelpuntambt.

Voorbeeld 3

Hetzelfde personeelslid gaat vanaf 1 oktober 2022 opnieuw aan de slag als zelfstandige om op 2 december 2025 terug te keren naar het onderwijs. Net ervoor werd AV Nederlands verwijderd uit de lijst met knelpuntambten.

Het personeelslid kan blijven rekenen op de 5 jaar bijkomende geldelijke anciënniteit dat hij ‘verworven’ heeft bij de overstap op 1 september 2020 voor AV Nederlands. Hij kan die 5 jaar echter niet aanvullen met nog eens 3 jaar bijkomende geldelijke anciënniteit aangezien bij de overstap in 2025 AV Nederlands geschrapt werd uit de lijst met knelpuntvakken.

1.3.9.3. Toevoeging en verwijdering van een knelpuntambt uit de lijst

Voorbeeld

Een personeelslid dat 5 jaar gewerkt heeft als werknemer maakt op 1 september 2020 de overstap naar het onderwijs en wordt als volgt aangesteld:

  • 10u Leraar AV Nederlands
  • 10u Leraar AV Engels

Enkel voor AV Nederlands kan 5 jaar geldelijke anciënniteit in rekening worden gebracht.

Het personeelslid verlaat opnieuw het onderwijs op 1 september 2022 om opnieuw in de privésector gaan te werken. Dat personeelslid keert op 1 september 2025 terug naar het onderwijs en wordt opnieuw als volgt aangesteld:

  • 10u leraar AV Nederlands
  • 10u leraar AV Engels

Net voor de overstap werd AV Nederlands verwijderd uit en het vak Engels toegevoegd aan de lijst met knelpuntambten.

Het personeelslid behoudt voor AV Nederlands zijn 5 ‘verworven’ jaren geldelijke anciënniteit van bij zijn overstap naar het onderwijs in 2020. Voor AV Engels kan hij dat niet, maar kan hij wel rekenen op 3 jaar geldelijke anciënniteit voor zijn tewerkstelling in de privésector tijdens de periode 2022-2025.

2. Sociale anciënniteit voor diensten opgebouwd in de privésector

De sociale anciënniteit kan men definiëren als het “contingent” aantal jaren (maanden/dagen) dat het recht opent op bezoldigd ziekteverlof. Per 12 maanden sociale anciënniteit hebben vastbenoemde of tot de proeftijd toegelaten personeelsleden recht op 30 dagen bezoldigd ziekteverlof. (Zie ook omzendbrief PERS/2007/07)

De berekening van de sociale anciënniteit is gebaseerd op de geldelijke anciënniteit. De diensten als zij-instromer komen echter niet in aanmerking voor de berekening van de sociale anciënniteit. De berekening van de sociale anciënniteit is bijgevolg gewijzigd. (zie art 5. van het Besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 betreffende het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding)

De periodes van de diensten die als werknemer of als zelfstandige opgebouwd zijn komen niet in aanmerking voor de bepaling van de sociale anciënniteit.

3. Welke attesten en bewijsstukken moeten worden voorgelegd om geldelijke anciënniteit als zijinstromer te bekomen?

3.1. Diensten als werknemer

Als een personeelslid diensten als werknemer wil laten opnemen in zijn geldelijke anciënniteit als zijinstromer vult hij het formulier in, waarvan het model als bijlage 1 bij deze omzendbrief is gevoegd.

Hij voegt daarbij een gedetailleerd overzicht van zijn loopbaan als werknemer uit https://mycareer.be/nl/, dat de periode van tewerkstelling vermeldt en waaruit duidelijk blijkt dat het gaat over minstens halftijdse prestaties.

Wat is mycareer.be?
Mycareer.be is een webtoepassing die de loopbaangegevens van burgers bevat. Deze website biedt op een gebruiksvriendelijke manier – in de vorm van een tijdlijn – een overzicht van de loopbaan, dus van alle jobs en periodes van inactiviteit, het salaris en het aantal gewerkte dagen.
Aanmelden gebeurt via een digitale sleutel (via het e-ID, via itsme of via beveiligingscodes). Een gedetailleerd overzicht van de loopbaan is terug te vinden via het tabblad ‘Mijn loopbaan in detail’. Kies voor de optie ‘Alle info per jaar’. Kies vervolgens via de optie ‘filters uitklappen’ voor welke activiteit je een gedetailleerd overzicht wil (werknemer, zelfstandige of ambtenaar’. Duid daarna ‘Alles uitklappen aan’ om alle loopbaandetails zichtbaar te maken. Via het print-icoontje wordt een document in pfd-formaat gegenereerd.

Als de informatie uit mycareer.be niet duidelijk de periode van tewerkstelling aangeeft of niet duidelijk vermeldt dat de diensten als werknemer minstens een halftijdse tewerkstelling omvat, voegt het personeelslid bijkomende bewijsstukken toe, zoals arbeidscontracten met vermelding van de periode van tewerkstelling en van het arbeidsregime, het bij uitdiensttreding ontvangen tewerkstellingsattest of andere objectieve documenten waaruit de periode van tewerkstelling blijkt en dat het personeelslid minstens halftijdse diensten als werknemer presteerde.

3.2. Diensten als zelfstandige

Als een personeelslid diensten als zelfstandige wil laten opnemen in zijn geldelijke anciënniteit als zijinstromer vult hij het formulier in, waarvan het model als bijlage 2 bij deze omzendbrief is gevoegd.

Het invullen van dat attest is niet voldoende om de diensten als zelfstandige te laten opnemen in de geldelijke anciënniteit als zijinstromer. Het attest moet vergezeld zijn van één van volgende bewijsstukken:

  • Een gedetailleerd overzicht van de loopbaan als zelfstandige uit mycareer.be (zie punt 3.1.);
  • een getuigschrift met vermelding van de periode(s) van inschrijving bij een sociale kas voor zelfstandigen.

Als betrokkene deze documenten niet kan voorleggen, kan hij de diensten bewijzen via alle mogelijke rechtsmiddelen.

3.3. Diensten als werknemer of als zelfstandige in een lidstaat van de Europese Unie

Het personeelslid dat zijn diensten als zelfstandige of als werknemer in een lidstaat van de Europese Unie wil laten opnemen in zijn geldelijke anciënniteit als zijinstromer, vult de attesten in waarvan het model gaat als bijlage 1 en 2. Het personeelslid voegt bijkomende bewijsstukken toe waaruit blijkt dat de geleverde prestaties onderworpen waren aan de geldende fiscale en sociale zekerheidsregels.

Als deze bewijsstukken opgesteld zijn in een vreemde taal, dan staat betrokkene in voor een vertaling van de documenten naar het Nederlands

4. Bijlagen