BEKWAAMHEIDSBEWIJZEN IN HET GEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS

  • Deze omzendbrief coördineert en actualiseert de algemene informatie over de bekwaamheidsbewijzen in het gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs – opleidingsvorm 4 is verschenen.
  • Punt 1 tot 4 gaan in op de algemene principes. Vanaf 1 september 2019 wordt voorzien in versterkte lerarenopleidingen waarvoor nieuwe benamingen gelden (educatieve master, educatieve bachelor, educatief graduaat in het secundair onderwijs). Punt 5 van deze omzendbrief geeft meer informatie over hun onderwijsbevoegdheid. In punt 5.4 worden de overige actualisaties toegelicht.
  • U vindt alle info over de lerarenopleidingen op onze website .
  • In punt 6 worden de aandachtspunten van de vorige schooljaren gebundeld.

1. Inleiding

In deze omzendbrief vindt u algemene informatie over de bekwaamheids-bewijzen in het gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs – opleidingsvorm 4.

Deze bekwaamheidsbewijzen zijn opgenomen in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de prestatieregeling, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon secundair onderwijs, dat regelmatig geactualiseerd wordt. In punt 5 vindt u de meest recente vernieuwingen en aandachtspunten.

2. Toepassingsgebied van deze omzendbrief

Deze omzendbrief is van toepassing op:

de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel (met uitzondering van de godsdienstleraars: zie hiervoor de omzendbrief bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars)

de leden van het opvoedend hulppersoneel en van het ondersteunend personeel

van de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijsinstellingen voor voltijds secundair onderwijs, voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor buitengewoon secundair onderwijs: opleidingsvorm 4.

Voor wat de onderwijsinstellingen voor buitengewoon secundair onderwijs – opleidingsvorm 4 waar type 5 wordt georganiseerd volgens artikel 288 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 betreft, is deze omzendbrief alleen van toepassing op de personeelsleden van het bestuurs- en onderwijzend personeel die belast zijn met een wervingsambt in de secundaire afdeling van die instelling.

Deze omzendbrief is niet van toepassing op:
- de godsdienstleraar (zie hiervoor de omzendbrief Bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars)
- de leden van het administratief personeel (zie hiervoor de omzendbrief Bekwaamheidsbewijzen vereist van de kandidaten voor wervingsambten van het administratief personeel van de onderwijsinstellingen van de Vlaamse Gemeenschap en voor de gesubsidieerde betrekkingen van het administratief personeel in de door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijsinstellingen)

3. Inhoud van deze omzendbrief

Deze omzendbrief omvat vier onderdelen:

Een algemeen gedeelte over de bekwaamheidsbewijzen (punt 4) handelt over de algemene principes en definities.

Een specifiek gedeelte (punt 5) licht recente vernieuwingen en aandachtspunten toe.

De wijzigingen en aandachtspunten die de vorige jaren bij omzendbrief meegedeeld werden, kunt u vinden in punt 6.

Ten slotte vindt u in punt 7 de link naar de website bekwaamheidsbewijzen gewoon secundair onderwijs (online databank).

4. De bekwaamheidsbewijzen in het gewoon secundair onderwijs

4.1. Wat is een bekwaamheidsbewijs?

De Vlaamse regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot de ambten van het gewoon secundair onderwijs en voor de leraar secundair onderwijs tot de vakken.

Een ‘bekwaamheidsbewijs’ bestaat uit een basisdiploma, eventueel aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid en eventueel aangevuld met de vereiste erkende nuttige ervaring.

In een aantal gevallen bestaat het bekwaamheidsbewijs enkel uit erkende nuttige ervaring. In uitzonderlijke gevallen is het in het kunstsecundair onderwijs voor kunstvakken en kunstvakken die als praktisch vak beschouwd worden mogelijk dat een bekwaamheidsbewijs ook uit artistieke ervaring bestaat.

De Vlaamse regering kan voor elk vak en voor elk ambt ‘vereiste’,‘voldoende geachte’ en ‘andere’ bekwaamheids-bewijzen vastleggen.

4.2. Wie reikt het bekwaamheidsbewijs uit?

De studiebewijzen die deel uitmaken van het bekwaamheidsbewijs moeten in principe uitgereikt zijn door een Belgische onderwijsinstelling of examencom-missie. Ze kunnen eveneens uitgereikt zijn na het volgen van een opleiding die door wet of decreet gelijkgesteld is met een opleiding aan een Belgische universiteit of een door de staat of door de gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling.

In het kader van de leertijd kunnen vanaf 1 september 2008 in het deeltijds beroepssecundair onderwijs het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs), het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroeps-secundair onderwijs) en het diploma secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) uitgereikt worden.

Daarenboven komen ook sommige studiebewijzen in aanmerking die afgeleverd worden door erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (Syntra). In het kader van de leertijd kunnen deze centra een aantal studiebewijzen van secundair onderwijs afleveren. Concreet gaat het om:

-het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

-het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs)

-het diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs).

Daarnaast heeft de bevoegde instantie niet-confessionele zedenleer, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, de bevoegdheid om de attesten uit te reiken die opgenomen zijn in de bijlage voor de leraar niet-confessionele zedenleer, ter aanvulling van het basisdiploma.

4.3. Het stelsel van bekwaamheidsbewijzen

De bekwaamheidsbewijzen worden ingedeeld als volgt:

4.3.1. Vereiste bekwaamheidsbewijzen (VE)

Wie voor een bepaald vak in een bepaalde graad en onderwijsvorm of voor een bepaald ambt een vereist bekwaamheidsbewijs heeft, is specifiek opgeleid om dit vak te onderwijzen of dit ambt uit te oefenen.

In de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel, moet het personeelslid steeds over een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschikken.

4.3.2. Voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen (VO)

Wie voor een bepaald vak in een bepaalde graad en onderwijsvorm of voor een bepaald ambt een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs heeft, voldoet aan het gevraagde opleidingsniveau maar is volgens de geldende regelgeving niet specifiek opgeleid voor dat vak in die graad en onderwijsvorm of voor dat ambt. Voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen zijn ruim omschreven. Niet elke houder van die bekwaamheidsbewijzen is de geschikte persoon voor het betrokken vak of ambt, maar sommigen kunnen dat wel zijn. Het schoolbestuur beschikt over de mogelijkheid om bij het toewijzen van de opdrachten naast de lesbevoegdheid die door het specifieke diploma gegarandeerd wordt (VE) ook met de andere competenties van het individu rekening te houden: vakbekwaamheid die hij bijvoorbeeld via voortgezette opleiding, persoonlijke studie of ervaring verworven heeft.

Het spreekt voor zich dat een aanstelling van een personeelslid op basis van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs alleen gebeurt met instemming van zowel het personeelslid als de school, waarbij beide partijen overtuigd zijn van de competenties van het personeelslid.

In de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel beschikt het personeelslid ook hier telkens over een bewijs van pedagogische bekwaamheid.

Het schoolbestuur kan bij een aanwerving vrij kiezen tussen kandidaten met een vereist bekwaamheidsbewijs of kandidaten met een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. Ook qua bezoldiging is er geen verschil.

4.3.3. Andere bekwaamheidsbewijzen (AND)

Aan personen met een 'ander' bekwaamheidsbewijs, wordt tijdelijk een financiering of subsidiëring verleend.

Het schoolbestuur moet voorrang verlenen aan kandidaten met een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. Het kan enkel kandidaten met een ‘ander’ bekwaamheidsbewijs aanwerven bij wijze van tijdelijke uitzonderingsmaatregel. Daarbij moet het schoolbestuur aan het Ministerie van Onderwijs en Vorming op eer verklaren dat het niet mogelijk was om een houder van een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aan te werven. In de praktijk gebeurt dit door het aankruisen van het veldje ‘geen kandidaat VE/VO’ in de elektronische zending.

(Zie omzendbrief: Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en vorming referentie : PERS/2005/09 van 29/06/2005.)

Het schoolbestuur hoeft die verklaring op eer niet af te leggen:
-wanneer de aanstelling van het personeelslid met een ‘ander’ bekwaamheidsbewijs zich beperkt tot een aanstelling van maximaal 97 dagen;

-wanneer het personeelslid over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs zou beschikken indien het ook in het bezit zou zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid. De verklaring op eer moet in dat geval niet afgelegd worden gedurende een periode gelijk aan de minimumduur nodig om een bewijs van pedagogische bekwaamheid te behalen, vermeerderd met één schooljaar. De bedoelde periode loopt vanaf de 1e september volgend op de datum van de eerste aanstelling in het secundair onderwijs.

Als het schoolbestuur een personeelslid met een ‘ander‘ bekwaamheidsbewijs aanstelt buiten de twee bovenvermelde gevallen, kan een personeelslid dat een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs bezit en dat zich voor het betrokken ambt kandidaat heeft gesteld, verhaal aantekenen bij het schoolbestuur. Meer informatie hierover vindt u terug in artikel 9 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs.

De aanstelling van een personeelslid dat een ‘ander’ bekwaamheidsbewijs heeft, is beperkt tot het lopende schooljaar. Het personeelslid kan eventueel het volgende schooljaar opnieuw aangesteld worden op basis van een ‘ander’ bekwaamheidsbewijs als opnieuw aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan.

Zolang het personeelslid een 'ander' bekwaamheidsbewijs heeft, kan het geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of vaste benoeming verwerven. De salarisschaal is lager dan bij de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen.

4.4. Regeling voor buitenlandse diploma’s en studiegetuigschriften

Buitenlandse studiebewijzen moeten erkend worden om als een bekwaamheidsbewijs te kunnen gelden. Er zijn twee soorten erkenning:

-de academische erkenningvan buitenlandse diploma’s. De erkenning wordt uitgereikt door NARIC-Vlaanderen. Voor meer informatie kunt u terecht op de website;

-de professionele erkenning(voor EER- leerkrachten, in toepassing van de Europese richtlijn 2005/36 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, gewijzigd door ER 2013/55). De erkenning wordt uitgereikt door AGODI. Voor meer informatie kunt u terecht op de website.

4.5. Regeling voor diploma’s behaald in de Franse Gemeenschap

De diploma’s uitgereikt door erkende onderwijsinstellingen in de Franse Gemeenschap van België zijn evenwaardig met de overeenkomstige diploma’s die erkende onderwijsinstellingen in Vlaanderen uitreiken.

Er is dus geen beslissing tot gelijkwaardigheid nodig voor een diploma van de Franse Gemeenschap in Vlaanderen.

4.6. Het bekwaamheidsbewijs als bewijs van de vereiste taalkennis van het Nederlands

Vanaf 1 september 2009 is het gehele stelsel van taalkennisvoorwaarden om een betrekking in het onderwijs te kunnen uitoefenen en in aanmerking te komen voor een salaris(toelage) herzien en is het Europees Referentiekader voor Talen van toepassing. Uitgebreide informatie hierover vindt u in de omzendbrief “Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs” (PERS/2010/01).

4.7. Hoe het besluit en de bijlagen gebruiken?

4.7.1. Website bekwaamheidsbewijzen gewoon secundair onderwijs

De bijlagen bij het besluit van 14 juni 1989 sommen per ambt en voor de leraar per vak de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen op. U kunt deze ook raadplegen via de website bekwaamheidsbewijzen gewoon secundair onderwijs.

De bijhorende handleiding licht de mogelijkheden van het programma toe.

De website bekwaamheidsbewijzen gewoon secundair onderwijs biedt de mogelijkheid om opzoekingen te doen in twee richtingen. Met ”van vak naar diploma” en “van ambt naar diploma” kunt u de verscheidene bekwaamheidsbewijzen van de vakken en ambten terugvinden. U kunt ook omgekeerd via “van diploma naar vak” en “van diploma naarambt” op basis van een bekwaamheidsbewijs zoeken tot welke vakken en ambten dit bekwaamheidsbewijs toegang geeft.

Voor wat het onderwijzend personeel betreft, worden bij de “vereiste” bekwaamheidsbewijzen hoofdzakelijk concrete diplomabenamingen opgenomen, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB) en eventueel nuttige ervaring: bv. educatieve master vakdidactiek economie, master in de wiskunde + BPB, bachelor (PBA) dans + BPB, educatieve bachelor in het secundair onderwijs wiskunde, bachelor in het onderwijs secundair onderwijs aardrijkskunde, HOKT elektriciteit + BPB, educatief graduaat in het secundair onderwijs bouw, HSTO apotheekassistent + BPB + 3 jaar NE, HSBS mode-verkoop + gehomologeerd getuigschrift HSO(BSO) + BPB + 3 jaar NE, ….

Bij de “voldoende geachte” bekwaamheidsbewijzen van het onderwijzend personeel en bij de vereiste bekwaamheidsbewijzen van het bestuurspersoneel wordt veelal gebruik gemaakt van verzamelbenamingen die verschillende bekwaamheidsbewijzen van een bepaald niveau, of vanaf een bepaald niveau, omvatten zoals bv. ten minste master + BPB, bekwaamheidsbewijs van het niveau SO + BPB + 3 jaar NE. Dit wordt telkens aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid en/of nuttige ervaring (NE).

Als “ander” bekwaamheidsbewijs wordt veelal een verzamelbenaming vermeld, en in bepaalde gevallen “3 jaar nuttige ervaring”.

Voor een goed begrip gaan we hierna verder in op de bestanddelen van de bekwaamheidsbewijzen en op de betekenis van de meest gebruikte verzamelbenamingen, zoals ze gedefinieerd zijn in de regelgeving.

4.7.2. Basisdiploma’s

Het overzicht van de aanvaarde basisdiploma’s vindt u terug in artikel 6 en artikel 6 bis van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs. Voor bepaalde voornamelijk oudere studiebewijzen geldt ook artikel 8.

De lijst van artikel 6 bevat een reeks studiebewijzen die gerangschikt zijn volgens niveau en gaan van de diploma’s uitgereikt in overeenstemming met de wetgeving op de academische graden tot de studiebewijzen van het niveau lager secundair onderwijs.

4.7.3. Bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB)

De bewijzen van pedagogische bekwaamheid die gelden in het gewoon secundair onderwijs, zijn strikt omschreven in artikel 3, §2, van het besluit.

Voor welbepaalde oudere diploma’s geldt het artikel 8.

Volgens artikel 3,§6 worden ook volgende diploma’s of getuigschriften als bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB) beschouwd, voorzover ze uitgereikt zijn ten laatste in het academiejaar 2014-2015:

-het diploma van de voortgezette lerarenopleiding zorgverbreding en remediërend leren;

-het diploma van bachelor in het onderwijs: zorgverbreding en remediërend leren;

-het diploma van de voortgezette studie van geaggregeerde voor het buitengewoon onderwijs;

-het diploma van de voortgezette studie van geaggregeerde voor het buitengewoon onderwijs en remedial teaching;

-het diploma van de voortgezette studie van remedial teacher;

-het diploma van de voortgezette lerarenopleiding buitengewoon onderwijs;

-het diploma van bachelor in het onderwijs: buitengewoon onderwijs;

-het bekwaamheidsgetuigschrift tot het geven van buitengewoon onderwijs.

Diploma's van een geïntegreerde lerarenopleiding, kunnen tegelijkertijd als basisdiploma en als bewijs van pedagogische bekwaamheid gelden, bv. de diploma's van educatieve bachelor in het onderwijs, bachelor in het onderwijs, GVSO-groep 1, GLSO, kleuteronderwijzer, onderwijzer.

Bij de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen worden het diploma van onderwijzer , van bachelor in het onderwijs: lager onderwijs , van educatieve bachelor in het lager onderwijs en het diploma van kleuteronderwijzer , van bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs en van educatieve bachelor in het kleuteronderwijs eveneens als een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschouwd.

Voorbeeld: Een master in de wiskunde die tevens in het bezit is van een diploma van bachelor in onderwijs lager onderwijs heeft een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor AV wiskunde in de derde graad van het ASO (salarisschaal 501).

Vanaf 1 september 2015 geldt ook voor selectie- en bevorderingsambten (ambt van directeur, adjunct-directeur, beheerder, coördinator, technisch adviseur, technisch adviseur-coördinator) dat het diploma van onderwijzer , van bachelor in het onderwijs: lager onderwijs , van educatieve bachelor in het lager onderwijs , en van kleuteronderwijzer en , van bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs en van educatieve bachelor in het kleuteronderwijs beschouwd wordt als bewijs van pedagogische bekwaamheid. Meer info vindt u in punt 5.1.

4.7.4. Nuttige ervaring (NE) als onderdeel van het bekwaamheidsbewijs

Met “nuttige ervaring” is de periode bedoeld waarin een personeelslid van het onderwijs als werknemer of als zelfstandige een beroep of ambacht heeft uitgeoefend, in principe buiten het onderwijs. Diensten in het onderwijs gepresteerd in een andere categorie dan bestuurs- en onderwijzend personeel, kunnen ook in aanmerking komen voor een erkenning als nuttige ervaring.

Indien deze praktijkervaring bijgedragen heeft tot het verwerven van vakkennis voor het vak dat onderwezen wordt, kan zij erkend worden als nuttige ervaring. Er zijn wel enkele voorwaarden: o.a. dat de diensten moeten bezoldigd geweest zijn en onderworpen aan de RSZ-regeling.

Meer specifieke informatie over de erkenning van de nuttige ervaring vindt u in de omzendbrief betreffende de erkenning van diensten als nuttige ervaring (referentie 13/CB/SG/WVB/4).

“Nuttige ervaring” is een onderdeel van het bekwaamheidsbewijs, dat bij technische vakken, praktische vakken, en sommige kunstvakken gevraagd wordt als aanvulling bij basisdiploma’s die niet het minimumniveau van gegradueerde in het hoger beroepsonderwijs (VKS 5) hebben.

In de categorie van de vereiste en de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen is het voor basisdiploma’s van het niveau secundair onderwijs steeds noodzakelijk dat het personeelslid beschikt over minimaal 3 jaar erkende nuttige ervaring. Wanneer het een studiebewijs van het niveau lager secundair technisch of lager secundair beroepsonderwijs is, wordt minimaal 6 jaar erkende nuttige ervaring gevraagd. Wanneer de kandidaat niet in het bezit is van een aanvaard basisdiploma, wordt 9 jaar nuttige ervaring gevraagd.

In de categorie van de “andere” bekwaamheidsbewijzen kan men, bij gebrek aan een basisdiploma, aangesteld worden op basis van minimaal 3 jaar erkende nuttige ervaring.

4.7.5. Erkenning van artistieke ervaring

In uitzonderlijke gevallen is het in het kunstsecundair onderwijs vanaf 1 september 2009 voor kunstvakken en kunstvakken die als praktisch vak beschouwd worden, mogelijk om de artistieke ervaring van een kandidaat-leerkracht als een “voldoende geacht” bekwaamheidsbewijs in aanmerking te nemen.

Voor de erkenning van deze artistieke ervaring geldt de volgende procedure:

1° de directeur van de instelling waar kunstsecundair onderwijs wordt ingericht, die de kandidaat wil aanstellen, stelt een dossier samen dat ten minste de volgende documenten bevat:

a) het curriculum vitae van de kandidaat, met vermelding van de identiteitsgegevens, opleiding en werkervaring;

b) een beschrijving van de activiteiten en de ervaring die voor de erkenning van de artistieke ervaring nuttig kunnen zijn, eventueel aangevuld met relevante documentatie en referenties;

c) de erkende artistieke ervaring in het deeltijds kunstonderwijs als die er is;

d) een nauwkeurige beschrijving van het vak in het kunstsecundair onderwijs waarvoor de erkenning als bekwaamheidsbewijs gevraagd wordt:

1) het ambt;

2) de onderwijsvorm;

3) de graad;

4) de vakbenaming en -rubricering, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 1989 tot vaststelling van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken en de praktische vakken in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs en in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs die als centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs fungeren, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs;

2° het schoolbestuur of haar gemandateerde roept een adviesverlenende commissie samen, die minstens bestaat uit vier leden, waarvan:

a) ofwel twee directeurs van instellingen waar kunstsecundair onderwijs wordt ingericht, ofwel één directeur van een instelling waar kunstsecundair onderwijs wordt ingericht, en één directeur van een instelling voor deeltijds kunstonderwijs.

Indien de instelling deel uitmaakt van een scholengemeenschap, moet het gaan om directeurs van instellingen die tot andere scholengemeenschappen en andere inrichtende machten en, voor wat het gemeenschapsonderwijs betreft, tot andere scholengroepen behoren. Indien de instelling geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap, moet het gaan om directeurs van instellingen die tot andere inrichtende machten en, voor wat het gemeenschapsonderwijs betreft, tot andere scholengroepen behoren;

b) twee docenten, verbonden aan verschillende instellingen voor hoger onderwijs. Voor de vakken klassieke dans en hedendaagse dans mogen de twee docenten tot dezelfde hogeschoolinstelling voor hoger onderwijs behoren. Voor een kandidaat die verbonden is aan een instelling voor hoger onderwijs waar hoger kunstonderwijs georganiseerd wordt of aan een hoger instituut of instelling voor hoger kunstonderwijs die de Vlaamse Regering mee financiert of subsidieert en waarmee ze een beheersovereenkomst heeft gesloten, hoeven geen docenten van instellingen van hoger onderwijs deel uit te maken van de commissie.

Elk van de leden moet beschikken over de nodige deskundigheid om te adviseren, rekening houdend met, wat de directeurs betreft, het opleidingsaanbod van de instellingen en met, wat de docenten betreft, hun vakgebied.

Als datum van de samenroeping geldt de postdatum van de schriftelijke uitnodiging aan de commissieleden;

3° de commissie beoordeelt of de kandidaat op basis van artistieke ervaring beschikt over de nodige vakbekwaamheid voor het conform 1°, d), omschreven vak in het kunstsecundair onderwijs. Daarbij houdt de commissie er rekening mee dat de kandidaat minstens zes jaar artistieke ervaring moet kunnen voorleggen. De commissie verstrekt binnen negentig dagen een advies waarin ze zich duidelijk uitspreekt over de erkenning van de artistieke ervaring. Het advies is bindend;

4° het schoolbestuur beslist op een gemotiveerde wijze. Daarbij geeft ze de uitzonderlijke toestand weer die ertoe geleid heeft om tot een aanstelling op basis van artistieke ervaring over te gaan en toont ze aan dat de kandidaat een autoriteit is in het kunstvak in kwestie;

5° de beslissing van het schoolbestuur houdt de erkenning in van de artistieke ervaring van de kandidaat als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor een conform 1°,d), omschreven vak in het kunstsecundair onderwijs;

6° het schoolbestuur of haar gemandateerde deelt de beslissing mee aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten met het daartoe ontworpen formulier (bijlage 1) en voegt een kopie van het advies toe dat tot de beslissing aanleiding gegeven heeft.

Voor een personeelslid dat via deze procedure een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs verworven heeft, kan een salaris(toelage) uitbetaald worden:

-aan salarisschaal 301 voor opdrachten in de eerste graad en in de tweede graad KSO;

-aan salarisschaal 302 voor opdrachten in de derde graad KSO.

4.7.6. Verzamelbenamingen van bekwaamheidsbewijzen

Hieronder vindt u informatie over de belangrijkste verzamelbenamingen die gebruikt worden in de bekwaamheidsbewijzen. Het volledige overzicht vindt u in artikel 7. Voor bepaalde oudere diplomabenamingen kunnen ook nog de bepalingen van artikel 8 gelden.

4.7.6.1. Ten minste master

De term ‘diploma van master’ omvat het diploma van een initiële master aansluitend bij een bachelor, eventueel na een schakelprogramma.

Met ingang van 1 september 2013 vallen hier ook onder:

-de master, aansluitend op een master (manama);

-de graden van gediplomeerde in de aanvullende studiën (GAS) en van gediplomeerde in de gespecialiseerde studieën (GGS)

- de educatieve master (vanaf 1 september 2019)

Onder de definitie 'ten minste master' worden niet alleen de bovenvermelde diploma's van master gerekend maar ook de diploma's van licentiaat, arts, burgerlijk en industrieel ingenieur, hoger technisch of hoger kunstonderwijs van de 3e graad met volledig leerplan, enz.

Voorbeelden van diploma’s die voldoen aan de definitie “ten minste master”:

- licentiaat biologie

- master in de bio-ingenieurswetenschappen: cel- en genbiotechnologie

- educatieve master vakdidactiek wiskunde

- educatieve master domeinoverschrijdende vakdidactiek kunsten

- meester in muziek instrument-zang: piano

- master of Architecture

- industrieel ingenieur textiel

4.7.6.2. Bekwaamheidsbewijs van het niveau master

De verzamelbenaming “bekwaamheidsbewijs van het niveau master” heeft dezelfde inhoud als 4.7.6.1 Ten minste master.

4.7.6.3. “HOKT”, “bachelor” en “ten minste bachelor”

a)Met de verzamelbenaming “HOKT”(bekwaamheidsbewijs van het hoger onderwijs van het korte type) worden onder meer bedoeld: een diploma van het hoger onderwijs van het korte type, een diploma van een hogere technische school of leergang van de 1e graad, een diploma van technisch ingenieur, een diploma van een basisopleiding van één cyclus, een diploma van gegradueerde in de godsdienstwetenschappen, het diploma van hoger onderwijs voor sociale promotie, het diploma van hoger onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs, het diploma van gegradueerde, uitgereikt in het hoger beroepsonderwijs (met inbegrip van het diploma van educatief graduaat in het secundair onderwijs),

Voor een volledig overzicht, zie artikel 7, 5.1°.

Voorbeelden van diploma’s die voldoen aan de definitie “HOKT”:

- gegradueerde secretariaatsbeheer

- gegradueerde verple(e)g(st)er

De diploma’s van onderwijzer, kleuteronderwijzer, GLSO en GVSO-groep 1 vallen eveneens onder de definitie ‘HOKT’ , zij voldoen terzelfdertijd ook aan de definitie van ‘bewijs van pedagogische bekwaamheid’(BPB).

b)Met de verzamelbenaming “bachelor” wordt vanaf 1 september 2013 de initiële professioneel gerichte bachelor (bachelor (PBA)) bedoeld, alsook het diploma van bachelor, aansluitend op een bachelor, en het diploma van academisch gerichte bachelor.

De diploma’s van onderwijzer, kleuteronderwijzer, GLSO en GVSO-groep 1, evenals de bachelors in het onderwijs en de educatieve bachelors vallen eveneens onder de definitie ‘bachelor’., zij voldoen terzelfdertijd ook aan de definitie van ‘bewijs van pedagogische bekwaamheid’(BPB),.

c)De term “ten minste bachelor” is de ruimste. Hieronder worden niet alleen de diploma’s begrepen die onder de bovenstaande verzamelbenaming “bachelor” vallen, maar ook de diploma’s van het hoger onderwijs van het korte type, diploma’s van een hogere technische school of leergang van de 1e of 2e graad, de diploma’s van technisch ingenieur, de diploma’s van basisopleiding van 1 cyclus, de diploma’s van gegradueerde in de godsdienstwetenschappen, diploma’s van hoger onderwijs voor sociale promotie, het diploma van hoger onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs, de diploma’s van gegradueerde, uitgereikt in het hoger beroepsonderwijs (met inbegrip van het diploma van educatief graduaat in het secundair onderwijs), de diploma’s van hoger kunstonderwijs van de 1e of 2e graad met volledig leerplan, …. Ook alle diploma’s die onder de definitie ‘ten minste master’(zie 4.7.6.1.)vallen, worden hieronder gerekend.

Voor het volledige overzicht: zie punt 1° tot en met 42° van artikel 6.

Voorbeelden van diploma’s die onder de definitie “ten minste bachelor” vallen:

- gegradueerde in de plastische kunsten

- technisch ingenieur bouw

- meester in dramatische kunst

De diploma’s van onderwijzer, kleuteronderwijzer, GLSO en GVSO-groep 1, evenals de bachelors in het onderwijs,en de educatieve bachelors vallen eveneens onder de definitie ‘ten minste bachelor’., zij voldoen terzelfdertijd ook aan de definitie van ‘bewijs van pedagogische bekwaamheid’ zoals verder bepaald in 4.7.3.

Opmerking:

Onder de definitie van “HOKT”, “bachelor” of ‘ten minste bachelor’ vallen niet: het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, noch het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, noch het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, noch het pedagogisch getuigschrift uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs.

4.7.6.4. Bekwaamheidsbewijs van het niveau bachelor

Onder deze verzamelbenaming vallen ondermeer de professioneel gerichte en academisch gerichte bachelors en de bachelors, aansluitend op een bachelor, evenals de diploma’s HOKT, de gegradueerden (zowel de vroegere uitgereikte als de nu uitgereikte in het hoger beroepsonderwijs (met inbegrip van het diploma van educatief graduaat in het secundair onderwijs)), diploma’s van technisch ingenieur, diploma’s hoger kunstonderwijs van de 1e of 2e graad met volledig leerplan, diploma’s van een hogere technische leergang van de 2e graad, ….

Voor het volledige overzicht zie punt 12° tot en met 42° van artikel 6 van het besluit.

4.7.6.5. Ten minste HSO

Onder deze definitie vallen onder meer het diploma van secundair onderwijs, het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, het certificaat gerangschikt als TSO3 of BSO3, het diploma van de 4e graad beroepssecundair onderwijs maar ook het diploma van kandidaat en alle diploma’s die onder “ten minste bachelor” vallen.

Voorbeelden van diploma’s die onder de definitie “ten minste HSO” vallen:

- gehomologeerd getuigschrift van het hoger secundair onderwijs…

- het certificaat van een opleiding secundair-na-secundair (Se-n-Se, uitgereikt in het technisch secundair onderwijs;

Voor het volledige overzicht: zie zowel punt 1° tot en met 56° van artikel 6 als de definities ASBO, HSBO, HSTO en HSKO, die opgenomen zijn in artikel 7 van het besluit.

4.7.6.6. Bekwaamheidsbewijs van het niveau secundair onderwijs

Onder deze verzamelbenaming vallen ondermeer het diploma van de 4e graad beroepssecundair onderwijs, het diploma secundair onderwijs, het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, het certificaat gerangschikt als TSO3 of BSO3, …

Voor het volledige overzicht zie zowel punt 47° tot en met 56°bis van artikel 6 als de definities ASBO, HSBO, HSTO en HSKO, die opgenomen zijn in artikel 7 van het besluit.

4.7.6.7. Andere verzamelbenamingen

Andere definities, zoals bv. hoger kunstonderwijs van de eerste graad, hoger kunstonderwijs van de tweede graad, hoger kunstonderwijs van de derde graad, HSTO, LSTO, LSBO, … vindt u eveneens terug in artikel 7 van het besluit. In artikel 8 vindt u voornamelijk gelijkstellingen van oudere diploma’s.

4.7.7. Studiebewijzen van het volwassenenonderwijs

4.7.7.1. Algemene regel

Om als basisdiploma in aanmerking te komen moet voor een studiebewijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs (of het vroegere onderwijs voor sociale promotie) de onderwijscyclus ten minste 900 lestijden hebben omvat. Voor bewijzen van pedagogische bekwaamheid uitgereikt in het volwassenenonderwijs (of het vroegere onderwijs voor sociale promotie) geldt een minimum van 450 lestijden.

4.7.7.2. Studiebewijzen van het secundair volwassenenonderwijs

Het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs voorziet voor alle opleidingen secundair volwassenenonderwijs een nieuwe modulaire structuur op basis van een opleidingsprofiel. In overeenstemming hiermee zijn er al vanaf 1 september 2007 studiebewijzen van opleidingen secundair onderwijs in het volwassenenonderwijs afgeleverd zonder vermelding van onderwijsvorm en graad.

De bekwaamheidsbewijzen hanteren momenteel wel nog onderwijsvorm en graad bij studiebewijzen van secundair volwassenenonderwijs, bv. bso3, tso2 enz. Om van de nieuwe studiebewijzen de correcte rangschikking te kennen, wordt een tabel als bijlage bij deze omzendbrief gevoegd waarin de rangschikking van de opleiding staat voor modulaire opleidingen die voor 2011 ingevoerd werden (bijlage 2).

Voor de opleidingen die ingevoerd werden na 1 september 2011 is geen rangschikking naar onderwijsvorm en –graad van secundair onderwijs meer voorzien. De studiebewijzen (certificaten en diploma’s) die uitgereikt worden in het modulaire volwassenenonderwijs na het volgen van zo’n nieuwe opleiding die niet meer gerangschikt zijn als bso2, bso3, bso4, tso2 of tso3, kunnen wel in aanmerking genomen worden als een bekwaamheidsbewijs. Zij worden gegroepeerd onder de verzamelbenamingen ‘ten minste HSO’ en ‘bekwaamheidsbewijs van het niveau secundair onderwijs’. Sommige van deze studiebewijzen hebben daarenboven vanaf het schooljaar 2019-2020 voor een aantal vakken binnen het ambt van leraar een vereist bekwaamheidsbewijs (zie hiervoor ook punt 5.4.2.).

4.7.8. Gelijkgestelde uren

4.7.8.1. Algemene vakken (AV) exploratie, expressie en sociale activiteiten

AV Exploratie, AV Expressie en AV Sociale activiteiten zijn administratieve vakbenamingen, die als dusdanig zijn opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 1989 en waaronder lesuren gesubsidieerd kunnen worden. Het besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 1989 vermeldt echter geen bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen voor deze vakken.

a) Om de salarisschaal te kunnen vast te stellen, wordt het vak AV Exploratie, AV Expressie of AV Sociale activiteiten administratief gelijkgesteld met een ander vak dat in diezelfde graad kan worden onderwezen, en dit in overeenstemming met het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid.

Voorbeeld:

Het schoolbestuur stelt het algemeen vak "exploratie" in de 2de graad ASO-TSO-KSO gelijk met het algemeen vak Nederlands. Het personeelslid dat met deze opdracht wordt belast, is houder van het diploma van bachelor in het onderwijs secundair onderwijs Nederlands.

De school zendt dit door als 2de graad - AV Exploratie (AV Nederlands), waarvoor betrokkene een vereist bekwaamheidsbewijs heeft (ssc 301).

Op één uitzonderingsgroep na hangt de salarisschaal af van die gelijkstelling. Die uitzondering betreft de gelijkstelling van AV Expressie, AV Exploratie of AV Sociale activiteiten met AV Latijn, AV Grieks, AV Klassieke studiën of AV Antieke cultuur op het niveau van de eerste graad.

In dat geval geldt dat een leraar die voor AV Latijn, AV Grieks, AV Klassieke studiën of AV Antieke cultuur een vereist bekwaamheidsbewijs heeft en bezoldigd wordt aan barema 501 (zoals de licentiaat klassieke filologie + BPB en de master in de taal- en letterkunde hoofdtaal Grieks resp. Latijn + BPB) bij deze gelijkstelling voor AV Expressie, AV Exploratie of AV Sociale activiteiten in de eerste graad slechts bezoldigd worden aan salarisschaal 301. Voor “uren die geen lesuren zijn” (zie 4.7.8.2) daarentegen genieten houders van bovenvermelde diploma’s ook de salarisschaal 501 bij gelijkstelling met AV Latijn, AV Grieks, AV Klassieke studiën of AV Antieke cultuur in de eerste graad.

b) Om de statutaire rechten van de leraar te bepalen (TADD, vacantverklaring, vaste benoeming, reaffectatie …) hanteert men uitsluitend de vakbenamingen AV Exploratie, AV Expressie en AV Sociale activiteiten.

Indien deze worden gelijkgesteld met een ander vak waarvoor de leraar een vereist bekwaamheidsbewijs heeft, is ook AV Exploratie, AV Expressie of AV Sociale activiteiten voor hem een vak waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs heeft. Indien ze worden gelijkgesteld met een vak waarvoor hij een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs heeft, is AV Exploratie, AV Expressie, of AV Sociale activiteiten voor hem een vak waarvoor hij beschikt over een “voldoende geacht” bekwaamheidsbewijs.

c) Ook bij gelijkstelling met een technisch vak (TV), kunstvak (KV) of praktisch vak (PV) blijven AV Expressie, AV Exploratie en AV Sociale activiteiten beschouwd als algemene vakken. Dit heeft o.a. belang voor de prestatieregeling (nl. onder noemer 22, 21 of 20). Evenmin als bij andere algemene vakken worden deze drie vakken niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal voltijdse betrekkingen PV in functie van de globale puntenenveloppe. Eventuele nuttige ervaring wordt nooit in aanmerking genomen bij de berekening van het salaris in algemene vakken, ook niet bij gelijkstelling met TV of PV.

Voorbeeld 1:

Het schoolbestuur stelt het algemeen vak "exploratie" in de 1ste graad gelijk met het algemeen vak Nederlands. Het personeelslid dat met deze opdracht wordt belast, is houder van het diploma van bachelor in het onderwijs secundair onderwijs Nederlands-Engels.

De school zendt dit door als 1ste graad - AV Exploratie (AV Nederlands)

De uren zullen bezoldigd worden op basis van de opdrachtbreuk 22 (AV) en van de salarisschaal, vastgesteld voor het AV Nederlands in de 1ste graad – (salarisschaalcode 301).

Voorbeeld 2:

5u. AV Expressie 2de graad wordt gelijkgesteld met PV Hout. De opdrachtbreuk zal dus zijn: 5/21.

Voorbeeld 3:

5u. AV Expressie 2de graad wordt gelijkgesteld met PV Hout.

De opdrachtbreuk zal dus zijn: 5/21. Wat betreft de toepassing van de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling worden deze personeelsleden beschouwd als zijnde belast met PV Hout.

4.7.8.2. Uren die geen lesuren zijn

Onder “uren die geen lesuren zijn” begrijpt men de opdrachten waarvoor leerkrachten bezoldigd worden, maar die geen betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessentabellen. Meer bepaald kan het gaan om:

  • bijzondere pedagogische taken (BPT);
  • nascholing;
  • inhaallessen;
  • klassenraad (KR);
  • klassendirectie (KD);
  • seminaries;
  • interne pedagogische begeleiding (IPB), maar enkel nog in scholen met een BSO-aanbod;
  • uren "leren en werken" (die uitsluitend kunnen voorkomen in het DBSO). In de modulair georganiseerde opleidingen van het DBSO moeten alle uren-leraar, zowel klassikaal als niet-klassikaal georganiseerd, worden doorgegeven als "uren leren en werken".;
  • trajectbegeleiding duaal
  • aanvangsbegeleiding

Om de salarisschaal vast te stellen, moeten deze taken worden gelijkgesteld met een van de administratieve vakbenamingen. Hierbij hoeft enkel rekening te worden gehouden met het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid; het schoolbestuur hoeft zich m.a.w. niet te beperken tot de vakken die op de school onderwezen worden. Alle vakken die subsidieerbaar zijn in de organisatiestructuur van de school, komen hierbij in aanmerking.

Deze werkwijze wordt overigens niet enkel gevolgd voor de opdrachten die geput zijn uit het urenpakket (de “uren die geen lesuren zijn”), maar ook voor de opdrachten in het ambt van leraar die gebaseerd zijn op andere omkaderingsmiddelen, zoals uren taak- en functiedifferentiatie, GOK-uren, uren opgericht met punten voor ICT-coördinatie e.d.

De "uren leren en werken" in het (modulair of niet-modulair) DBSO mogen worden gelijkgesteld met een vak op het niveau van de tweede of derde graad BSO naar keuze, in functie van het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid.

“Uren die geen lesuren zijn” kunnen ook worden gelijkgesteld met AV godsdienst/AV niet-confessionele zedenleer/AV eigen cultuur en religie en AV cultuurbeschouwing.

De rechtspositie van de leraar hangt af van het vak waarmee men de “uren die geen lesuren zijn” gelijkstelt. Het gaat meer bepaald om zijn recht op TADD, de vacantverklaring en kandidaatstelling voor vaste benoeming, de draagwijdte van benoeming en het begrip “hetzelfde ambt". Indien de titularis tijdelijk moet worden vervangen, mag BPT voor de interimaris met een ander vak en/of op niveau van een andere graad worden gelijkgesteld.

Stage

Er gelden hierbij verder nog volgende concrete afspraken voor wat de opdracht van de leraar die de (leerlingen)stage (zie omzendbrief Leerlingenstages, observatieactiviteiten en praktijklessen op verplaatsing in het voltijds gewoon secundair onderwijs en BuSO OV4 (SO/2015/01)) begeleidt.

a)Stage als onderdeel van een vak:

Ieder vak kan ingericht worden onder de vorm van 'stage', waarbij de leraar de leerlingen die stage lopen begeleidt. Stage maakt eigenlijk deel uit van het vak en van het leerplan van het vak.

Voorbeeld: AV stage Nederlands, PV stage hout, KV stage fotografie.

b)Mededeling aan AgODi:

Opdat AgODi het onderscheid zou kunnen maken tussen de uren die besteed worden aan lesgeven en de uren die besteed worden aan de stagebegeleiding vragen wij u om de stage apart mee te delen volgens de volgende procedure: in de vakcode staat 792 (stage). Het eigenlijke vak wordt meegedeeld in het veld 'gelijkgesteld vak'.

Voorbeeld

Lessentabel

Classificatie 

Vak 

AV 

Nederlands 2 u 

AV 

Stage Nederlands 2 u 

PV 

Praktijk hout 6 u 

PV 

Stage hout 4 u 

KV 

Stage kunstinitiatie 2 u 

Opdracht van het personeelslid

Deze uren worden als volgt vertaald naar de opdracht van de personeelsleden:

2 u AV Nederlands

2 u stage - AV Nederlands

6 u PV hout

4 u stage - PV hout

2 u stage - KV kunstinitiatie

Deze procedure wordt enkel om informatica-technische redenen gevolgd. Op die manier beschikt het ministerie van onderwijs onmiddellijk over de nodige beleidsinformatie zonder dat u de gegevens over de stagebegeleiding nog eens extra zou moeten meedelen via het dossier jaarlijkse inlichtingen.

c)Gevolgen voor het personeelslid:

Stage maakt integraal deel uit van het vak waarin/waarvoor de stagebegeleiding gebeurt. Voor de vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen en van de prestatieregeling, voor de toepassing van de decreten rechtspositie (opbouw dienstanciënniteit, tijdelijke aanstelling van doorlopende duur) en voor de reglementering vaste benoeming, TBSOB, reaffectatie en wedertewerkstelling, wordt stage bijgevolg niet als een apart vak beschouwd.

Een leraar met HOKT elektriciteit + BPB is vast benoemd voor 15/20 TV mechanica, waarvoor hij een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs heeft.

Hij wordt belast met 10 uur TV mechanica en 5 uur TV stage mechanica: deze 5 uur TV stage mechanica vallen binnen de draagwijdte van zijn vaste benoeming.

Seminaries

Voor deze opdrachten gebeurt een gelijkstelling met een vak in functie van het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid, op dezelfde manier als voor de andere uren die geen lesuren zijn. Specifiek voor ’seminaries’ is dat het akkoord van het personeelslid hiervoor vereist is.

De rechtspositie van de leraar hangt ook hier af van het vak waarmee men de ’seminaries’ gelijkstelt. Het gaat meer bepaald om zijn recht op TADD, de vacantverklaring en kandidaatstelling voor vaste benoeming, de draagwijdte van benoeming en het begrip “hetzelfde ambt”.

4.7.8.3. Gelijkstelling met AV Latijn, AV klassieke studiën, AV antieke cultuur of AV Grieks in de eerste graad

Tot de vakken waarmee gelijkgesteld kan worden behoren ook AV Latijn, AV klassieke studiën, AV antieke cultuur en AV Grieks. Zij krijgen dezelfde salarisschaal als voor het vak waarmee gelijkgesteld is.

Hierbij geldt dat wie in de eerste graad voor AV Latijn, AV klassieke studiën, AV antieke cultuur of AV Grieks een vereist bekwaamheidsbewijs heeft op basis van een masterdiploma, de salarisschaal 501 geniet, behoudens de uitzondering vermeld in 4.7.8.1.

5. Aandachtspunten voor het schooljaar 2019-2020

Vanaf 1 september 2019 worden de lerarenopleidingen versterkt. Ook de benaming wijzigt. Het gaat om de volgende opleidingen:

  • educatieve master (V laamse kwalificatiestructuur niveau 7 )
  • educatieve bachelor in het secundair onderwijs (V laamse kwalificatiestructuur niveau 6 ):
    -met
    onderwijsvak (ken)
    -zonder
    onderwijsvak (ken)
  • educatieve bachelor in het kleuteronderwijs (V laamse kwalificatiestructuur niveau 6)
  • educatieve bachelor in het lager onderwijs (V laamse kwalificatiestructuur niveau 6)
  • educatief graduaat in het secundair onderwijs (V laamse kwalificatiestructuur niveau 5)

Meer informatie over deze lerarenopleidingen vindt u op de website . Hieronder vindt u meer informatie over de onderwijsbevoegdheid .

5.1. Educatieve master (Vlaamse kwalificatiestructuur - niveau 7)

5.1.1. Algemeen

Wie een opleiding tot educatieve master volgt, kiest minstens één vakdidactiek uit het aanbod van de hogeschool of de universiteit, die erover wa akt dat de student de nodige vakinhoudelijke voorkennis heeft . De Vlaamse Regering heeft de lijst van benamingen van vakdidactieken vastgelegd . Bv. vakdidactiek wiskunde, vakdidactiek Nederlands, .. . De School of Arts kunnen de ‘ domeinoverschrijdende ’ vakdidactiek kunsten inrichten, alsook de ‘algemene’ vakdidactiek muziek, drama, dans, audiovisuele kunst, beeldende kunst en productdesign. Verder kunnen ze ook “specifieke” vakdidactieken inrichten , waarbinnen ze nog verdere “specialisaties” kunnen organiseren : bv. specifieke vakdidactiek muziek: creatie, specialisatie muziekproductie.

D e vakdidactieken en aanverwante opleidingsonderdelen vormen een voorwaarde voor het toekennen van vereiste bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs.

5.1.2. onderwijsbevoegdheid

In de online databank bekwaamheidsbewijzen vindt u per gevolgde vakdidactiek gedetailleerd terug voor welke vakken men een vereist bekwaamheidsbewijs heeft, alsook de bijhorende salarisscha(a)l(en).

Bv. educatieve master vakdidactiek wiskunde heeft een vereist bekwaamheidsbewijs o.m. voor het algemeen vak wiskunde in de 2 de graad A-T-KSO en de 3 de graad A-T-K-BSO.

H et diploma van educatieve master valt eveneens onder de verzamelbenamingen ten minste bachelor + BPB , ten minste master + BPB , ’bekwaamheidsbewijs van het niveau master’, ten minste bachelor , ten minste HSO , ten minste LSTO .

5.2. Educatieve bachelor (Vlaamse kwalificatiestructuur - niveau 6)

Er zijn drie soorten opleidingen : educ a tieve bachelor in het secundair onderwijs , educatieve bachelor in kleuteronderwijs en educatieve bachelor in lager onderwijs .

5.2.1. Educatieve bachelor in het secundair onderwijs

5.2.1.1. Algemeen

Er zijn twee soorten opleidingen die leiden tot het diploma van educatieve bachelor in het secundair onderwijs :
-
de educatieve bachelor in het secundair onderwijs van 180 studiepunten waarbij men in principe 2 onderwijsvakken opneemt
-
de educatieve bachelor in het secundair onderwijs zonder onderwijsvak (ken) (voor studenten die reeds in het bezit zijn van een bachelordiploma )(in principe 60 studiepunten).

5.2.1.2. Onderwijsbevoegdheid

Aangezien de benamingen van de onderwijsvakken die de st udent van de opleiding van 180 studiepunten kan kiezen grotendeels ongewijzigd blijven t.o.v. de vroegere opleiding bachelor in het onderwijs secundair onderwijs , is er in principe geen verschil in lesbevoegdheid. Bijvoorbeeld: wie een educatieve bachelor in het secundair onderwijs onderwijsvak wiskunde zal volgen, zal voor dezelfde vakken en in dezelfde graden en onderwijsvormen over een vereist bekwaamheidsbewijs beschikken als de huidige bachelor in onderwijs secundair onderwijs onderwijsvak wiskunde (nl. AV wiskunde in de 1e graad, 2de graad ASO-TSO-KSO-BSO, 3de graad BSO), aan dezelfde salarisschaal.

In enkele gevallen zijn er wel verschillen :

  • wie in de educatieve bachelor in het secundair onderwijs het nieuwe onderwijsvak bedrijfsorganisatie volgt (voorheen: handel- burotica ), zal beschikken over een vereist bekwaamheidsbewijs voor TV/PV boekhouding, TV/PV toegepaste economie, TV/PV verkoop, TV/PV kantoortechnieken en TV/PV handel. Wie het onderwijsvak economie volgt, zal beschikken over een vereist bekwaamheidsbewijs voor TV/PV boekhouding, AV economie, TV/PV toegepaste economie, AV socio-economische initiatie en TV/PV handel.

  • aan het nieuwe onderwijsvak gezondheidsopvoeding wordt dezelfde lesbevoegdheid toegekend als aan de voorganger voeding-verzorging. Het nieuwe onderwijsvak wordt ook toegevoegd als vereist bekwaamheidsbewijs in de 2de graad BSO.

  • het nieuwe onderwijsvak Nederlands niet-thuistaal is een vereist bekwaamheidsbewijs voor AV Nederlands voor nieuwkomers.

In de online databank bekwaamheidsbewijzen is de precieze les bevoegdheid gedetailleerd opgenomen ( met een vermelding van de graden , onderwijsvormen en de salarisscha (a) l ( en ) ). Er zijn daarbij geen wijzigingen t.o.v de bestaande principes die van kracht zijn voor de bachelor in onderwijs secundair onderwijs.

Voor wie beschikt over een diploma van de educatieve bachelor zonder onderwijsvak ( ken) geldt dat het andere basisdiploma waarover men beschikt bepalend is voor de lesbevoegdheid (VE-vakken) .

Voorbeeld: PBA bedrijfsmanagement + educatieve bachelor in het secundair onderwijs (BPB) is een vereist bekwaamheidsbewijs voor o.m. TV/PV boekhouding vanaf de 2 de graad.

Voorts geldt dat het diploma van educatieve bachelor in het secundair onderwijs eveneens onder een aantal verzamelbenamingen valt: ten minste bachelor + BPB , bachelor + BPB , bekwaamheidsbewijs van het niveau bachelor , ten minste bachelor , ten minste HSO , ten minste LSTO . Dit geldt voor alle educatieve bachelors in secundair onderwijs, dus ook voor de ed u catieve bachelor in secundair onderwijs (zonder onderwijsvakken).

5.2.2. educatieve bachelor in het kleuteronderwijs en educatieve bachelor in het lager onderwijs

De educatieve bachelor in het kleuteronderwijs en de educatieve bachelor in het lager onderwijs zijn toegevoegd zoals de hun voorgangers (bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs, bachelor in het onderwijs: lager onderwijs) .

U kunt de lesbevoegdheid opzoeken via de online databank bekwaamheidsbewijzen (“bij van diploma naar vak of ambt”). Het diploma valt (zoals de voorgangers) eveneens onder verzamelbenamingen (ten minste bachelor + BPB, bekwaamheidsbewijs van het niveau bachelor, bachelor + BPB, ten minste bachelor, ten minste HSO , ten minste LSTO ).

5.3. Educatief graduaat in het secundair onderwijs (Vlaamse kwalificatiestructuur - niveau 5)

5.3.1.

5.3.1.1. Algemeen

De educatieve graduaatsopleiding in het secundair onderwijs richt zich in principe op toekomstige leraars technische/praktische vakken (en op het kunstvak/praktisch vak klassieke/hedendaagse dans) . De student neemt éé n of meerdere onderwijsvak ken op. De Vlaamse Regering heeft een lijst van benamingen van deze onderwijsvakken vastgelegd.

5.3.1.2. Onderwijsbevoegdheid

In de online databank bekwaamheidsbewijzen vindt u welk onderwijsvak tot een vereist bekwaamheidsbewijs leidt . Het principe daarbij is dat men beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dit vak in heel het secundair onderwijs aan de vermelde salarisscha(a)l(en).

Bv. educatief graduaat onderwijsvak bouw is een vereist bekwaamheidsbewijs voor TV/PV bouw in heel SO ( ssc 301 en ssc 302 in 3ASO-TSO-KSO)

Voorts geldt een educatief graduaat als HOKT+BPB, ten minste bachelor + BPB, een bekwaamheidsbewijs van het niveau bachelor, ten minste bachelor, ten minste HSO , ten minste LSTO .

Ter info: Het educatief graduaat geldt als bekwaamheidsbewijs op zich, er wordt geen bewijs van erkende “nuttige ervaring” gevraagd als extra onderdeel van het bekwaamheid s bewijs. De erkenning van nuttige ervaring kan wel nuttig zijn in functie van de geldelijke anciënniteit (zie omzendbrief 13/CB/SG/WVB/4 ).

5.4. Overige wijzigingen

5.4.1. Aanpassingen als gevolg van wijzigingen in het opleidingsaanbod hoger onderwijs (vanaf academiejaar 2015-2016)

Waar ….staat: 

Wordt ….toegevoegd: 

  • Nieuwe opleidingen:

Master of Philosophy 

(Research) Master of Philosophy 

Master in de nautische wetenschappen 

Master in de maritieme wetenschappen  

  • Opleidingen die van naam gewijzigd zijn:

Bachelor (PBA) in de audiovisuele kunsten: assistentie 

Bachelor (PBA) in de audiovisuele kunsten: production management 

Bachelor (PBA) facilitair management 

Bachelor (PBA) facility management 

Master of Agro - and Ecosystems Engineering  

Master of Bioscience Engineering: Agro - and Ecosystems 

Master of Applied Economic Sciences: Business Administration 

Master of Applied Economic Sciences: Business Economics 

Master of Electronics and Information Technology Engineering 

Master of Electrical Engineering 

Master of Industrial Sciences: Electromechanical Engineering 

Master of Electromechanical Engineering Technology 

Master of Industrial Sciences: Electronic Engineering 

Master of Electronics and ICT Engineering Technology 

Master of Industrial Sciences: Biochemical Engineering 

Master of Biochemical Engineering Technology 

Master of Industrial Sciences: Chemical Engineering 

Master of Chemical Engineering Technology 

Master in de nanowetenschappen en de nanotechnologie 

Master in de nanowetenschappen , nano-technologie en nano -engineering 

Master of Nanoscience and Nanotechnology 

Master of Nanoscience, Nanotechnology and Nanoengineering 

Master of Management Science 

Master of International Business 

  • Anderstalige equivalenten:

Bachelor (PBA) in de digital arts en entertainment 

Bachelor (PBA) of Digital Arts and Entertainment 

Bachelor (PBA) toerisme en recreatiemanagement 

Bachelor (PBA) of International Tourism and Leisure 

Bachelor (PBA) communicatiemanagement 

Bachelor (PBA) of International Communication and Media 

Bachelor (PBA) journalistiek 

Bachelor (PBA) of International Journalism 

Bachelor (PBA) office management 

Bachelor (PBA) of International Office Management 

Bachelor (PBA) interieurvormgeving 

Bachelor (PBA) of Interior and Service Design 

Bachelor (PBA) in het informatiemanagement en de multimedia 

Bachelor (PBA) of Information Management and Multimedia 

Master in de biochemie en de biotechnologie 

Master of Biochemistry and Biotechnology 

Master in de toegepaste economische wetenschappen: handelsingenieur in de beleidsinformatica 

Master of Business and Information Systems Engineering 

Master in de toegepaste economische wetenschappen: handelsingenieur 

Master of Business Engineering 

Master in het drama 

Master of Drama 

Master in de geschiedenis 

Master of History 

Master in de interieurarchitectuur 

Master of Interior Architecture 

Master in de vergelijkende en internationale politiek 

Master of International Politics 

 

Master in de muziek: 

-compositie 

-muziekpedagogie
-directie:

-orkestdirectie
-
hafabradirectie
-koordirectie

-instrument/zang:
-in het desbetreffende instrument
-kamermuziek

-klavecimbel
-orgel

-piano

-pianoforte

-zang
 

-Jazz/lichte muziek:
- in het desbetreffende instrument
-/
 

Master of Music:: 

- Composition 

- Theory of Music
-
Co nducting :
-orkestdirectie
-
hafabradirectie
-koordirectie

- Instrumental / Vocal Studies:
- in het desbetreffende instrument
-kamermuziek
 

-klavecimbel
-orgel

-piano

-pianoforte

-zang

-Jazz/ Popular Music:
- in het desbetreffende instrument
-/

 

Master in de fysica en de sterrenkunde 

Master of Physics and Astronomy 

Master in de politieke wetenschappen 

Master of Political Science 

Master of Agro - and Ecosystems Engineering 

Master of Bioscience Engineering: Agro - and Ecosystems 

Master in de politieke wetenschappen 

Master of Political Science: European and International Governance 

Master in de sociologie 

 

Master of Sociology 

5.4.2. Opname van studiebewijzen uitgereikt in het volwassenen-onderwijs als vereist bekwaamheidsbewijs

Tot voor enkele jaren kreeg elke diplomagerichte opleiding uit het secundair volwassenenonderwijs de vermelding bso3 of tso3. Die vermelding stond ook op het diploma van de cursist die het certificaat combineerde met (de toenmalige) algemene vorming. Sedert 2011 krijgt elke cursist die in een diplomagerichte opleiding zijn certificaat combineert met aanvullende algemene vorming (AAV) een diploma zonder vermelding, waardoor die certificaten niet meer ingeschaald konden worden onder HSTO of HSBS en er dus geen correcte vereiste bekwaamheidsbewijzen aan gekoppeld konden worden. Een aantal van deze opleidingen zijn ondertussen aan een onderzoek onderworpen, waardoor er vanaf 1 september 2019 toch vereiste bekwaamheidsbewijzen aan gekoppeld kunnen worden.

De betrokken certificaten zijn opgenomen als hetzij ”certificaat of diploma van de opleiding X + BPB + 3 jaar NE”(indien de opleiding meer dan 900 lestijden heeft en als gelijkwaardig kan beschouwd worden aan een TSO-opleiding), hetzij “diploma van de opleiding X + BPB + 3 jaar NE” (indien de opleiding als gelijkwaardig aan een BSO-opleiding beschouwd kan worden of de 900-uren grens enkel behaald wordt mits de beroepsgerichte opleiding gecombineerd wordt met AAV).

Concreet gaat het om volgende certificaten en diploma’s die toegevoegd worden als vereist bekwaamheidsbewijs bij:

Waar staat : 

Wordt toegevoegd : 

HSTO animatie in de ouderenzorg + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs begeleider-animator voor bejaarden + BPB + 3 jaar NE 

certificaat begeleider-animator voor bejaarden (art. 6, 56bis) +BPB+3 jaar NE 

HSTO boekhouden - informatica + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs boekhoudkundig bediende + BPB + 3 jaar NE 

certificaat boekhoudkundig bediende (art. 6, 56bis)+ BPB + 3 jaar NE 

HSTO farmaceutisch-technisch assistent + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs farmaceutisch- technisch assistent + BPB + 3 jaar NE  

certificaat farmaceutisch - technisch assistent (art. 6, 56bis)+ BPB + 3 jaar NE 

HSTO fotografie + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs fotograaf + BPB + 3 jaar NE 

HSTO toerisme en recreatie + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs host/hostess op een toeristische bestemming + BPB + 3 jaar NE 

HSTO jeugd- en gehandicaptenzorg + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs jeugd- en gehandicaptenzorg + BPB + 3 jaar NE 

certificaat jeugd- en gehandicaptenzorg (art. 6, 56bis)+ BPB + 3 jaar NE 

HSTO maritieme technieken dek + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs maritieme opleiding dek + BPB + 3 jaar NE 

certificaat maritieme opleiding dek (art. 6, 56bis) + BPB + 3 jaar NE 

HSTO maritieme technieken motoren + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs maritieme opleiding motoren + BPB + 3 jaar NE 

certificaat maritieme opleiding motoren (art. 6, 56bis)+ BPB + 3 jaar NE 

HSTO toerisme en organisatie + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs medewerker reisbureau/touroperator + BPB + 3 jaar NE 

certificaat medewerker reisbureau/touroperator (art. 6, 56bis) + BPB + 3 jaar NE 

HSTO medico- sociale administratie + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs medisch administratief bediende + BPB + 3 jaar NE 

HSTO secretariaat - talen + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs meertalig polyvalent bediende + BPB + 3 jaar NE 

certificaat medewerker reisbureau/touroperator (art. 6, 56bis)+ BPB + 3 jaar NE 

HSTO podiumtechnicus + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs podiumtechnicus + BPB + 3 jaar NE 

Gehomologeerd getuigschrift HSO (BSO) kantooradministratie en gegevensbeheer + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs secretariaatsmedewerker + BPB + 3 jaar NE 

HSTO toerisme en organisatie + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs toeristisch receptionist + BPB + 3 jaar NE 

HSTO internationaal transport en goederenverzending + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs transport- en logistiek medewerker + BPB + 3 jaar NE 

certificaat transport- en logistiek medewerker (art. 6, 56bis)+ BPB + 3 jaar NE 

Gehomologeerd getuigschrift HSO (BSO) thuis- en bejaardenzorg + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs zorgkundige + BPB + 3 jaar NE 

HSBS geautomatiseerde diamantbewerking en kwaliteitsanalyse + gehomologeerd getuigschrift HSO (BSO) + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs diamantbewerker + BPB + 3 jaar NE 

Gehomologeerd getuigschrift HSO (BSO) tuinaanleg + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs hovenier aanleg parken en tuinen + BPB + 3 jaar NE 

Gehomologeerd getuigschrift HSO (BSO) winkelbeheer en etalage + BPB + 3 jaar NE 

diploma secundair onderwijs polyvalent verkoper + BPB + 3 jaar NE 

Voormelde certificaten en diploma’s vallen tevens onder de verzamelbenamingen
-“bekwaamheidsbewijs van het niveau secundair onderwijs”. Mits een bewijs van pedagogische bekwaamheid + 3 jaar nuttige ervaring beschikt betrokkene over een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs in heel het SO.

-“ten minste HSO”. Betrokkene beschikt over een “ander” bekwaamheidsbewijs in heel het SO.

5.4.3. Overige toevoegingen en verfijningen

  • Het diploma van master in de biowetenschappen + BPB is een vereist bekwaamheidsbewijs voor AV technisch-wetenschappelijke vorming en AV wetenschappelijke literatuur in de 2de en 3de graad ASO-TSO-KSO ( ssc 501).
  • Het diploma van licentiaat nautische en zeevaartwetenschappen + BPB is een vereist bekwaamheidsbewijs voor:

-TV Nautische technieken in de 2de en 3de graad ASO/TSO/KSO ( ssc 501), 2de graad BSO ( ssc 301) en 3de graad BSO ( ssc 501);

-PV Nautische technieken in de 2de en 3de graad ASO/TSO/KSO ( ssc 302), 2de graad BSO ( ssc 301) en 3de graad BSO ( ssc 302);

-TV Scheepvaart in de 2de en 3de graad ASO/TSO/KSO ( ssc 501), 2de graad BSO ( ssc 301) en 3de graad BSO ( ssc 501);

-PV Scheepvaart in de 2de en 3de graad ASO/TSO/KSO ( ssc 302), 2de graad BSO ( ssc 301) en 3de graad BSO ( ssc 302);

-TV Zeemanschap in de 2de en 3de graad ASO/TSO/KSO ( ssc 501), 2de graad BSO ( ssc 301) en 3de graad BSO ( ssc 501.)

  • Het STCW-vaarbevoegdheidsbewijs van master voor zeeschepen met een bruto tonnage van 3000 of meer + BPB is een vereist bekwaamheidsbewijs voor:

-TV Nautische technieken in de 2de en 3de graad ASO/TSO/KSO ( ssc 501), 2de graad BSO ( ssc 301) en 3de graad BSO ( ssc 501);

-PV Nautische technieken in de 2de en 3de graad ASO/TSO/KSO ( ssc 302), 2de graad BSO ( ssc 301) en 3de graad BSO ( ssc 302);

-TV Zeemanschap in de 2de en 3de graad ASO/TSO/KSO ( ssc 501), 2de graad BSO ( ssc 301) en 3de graad BSO ( ssc 501);

  • Het diploma van meester in de beeldende kunst mode-, textiel- en toneelkostuumontwerpen + BPB is een vereist bekwaamheidsbewijs voor:

-TV mode in de 2de en 3de graad ASO/TSO/KSO ( ssc 501);

-PV mode in de 2de en 3de graad ASO/TSO/KSO ( ssc 302), 2de graad BSO ( ssc 301) en 3de graad BSO ( ssc 302)

  • -Gehomologeerd getuigschrift HSO (BSO) dakwerken + BPB + 3 jaar NE en
    -HSBS polyvalent dakdekker + gehomologeerd getuigschrift HSO (BSO) + BPB + 3 jaar NE

    is een vereist bekwaamheidsbewijs voor TV/PV nijverheidstechniek in de 1e graad (
    ssc 301).
  • Uniformisatie meester/master in muziek:
    -het diploma van “meester in muziek + BPB” is een vereist bekwaamheidsbewijs voor AV muzikale opvoeding in de 2de en 3de graad ASO-TSO-KSO (
    ssc 501) en de 3de graad BSO ( ssc 501) en een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor AV artistieke opvoeding, AV plastische opvoeding en AV project algemene vakken in de 1ste graad ( ssc 301)
    -het diploma van “master in de muziek + diploma van laureaat muziekopvoeding (laureaat Lemmensinstituut)” wordt opgenomen als vereist bekwaamheidsbewijs voor AV esthetica in de 2de + 3de graad ASO-TSO-KSO en de 3de graad BSO (
    ssc 501) en als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor AV artistieke opvoeding en AV muzikale opvoeding in de 2de + 3de graad ASO-TSO-KSO en de 3de graad BSO( ssc 501) (ingangsdatum: 1.9.2017 zonder gevolg tot 31.8.2019)
  • Het diploma van meester in de conservatie/restauratie + BPB heeft dezelfde lesbevoegdheid als het diploma van master in de conservatie en de restauratie + BPB.  

  • ASBS verpleegkunde + gehomologeerd getuigschrift HSO + BPB + 3 jaar NE heeft dezelfde lesbevoegdheid als ASBS verpleging + gehomologeerd getuigschrift HSO + BPB + 3 jaar NE.

  • Het diploma van master in de muziek muziekpedagogie + BPB is een vereist bekwaamheidsbewijs voor KV/PV muziektheorie, KV/PV praktische harmonie, KV/PV koorzang, KV/PV samenspel (in de eerste graad en de 2de graad BSO ( ssc 301), 2de en 3de graad A-T-KSO en 3de graad BSO ( ssc 501 voor TV, ssc 302 voor PV).

6. Aandachtspunten meegedeeld in de vorige schooljaren

7. Website bekwaamheidsbewijzen gewoon secundair onderwijs

8. Bijlagen