Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het secundair onderwijs

  • referentie
    SO/2012/01
  • publicatiedatum
    05/06/2012
  • datum laatste wijziging
    16/06/2016
  • wettelijke basis
    Artikel 110/1 tot en met artikel 110/27 van de codex secundair onderwijs
  • wettelijke basis
    Het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2012 tot bepaling van het model van inschrijvingsregister en mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving, de provinciale bemiddelingscel voor gemeenten gelegen buiten het werkingsgebied van het LOP en de procedure voor de goedkeuring van de aanmeldingsprocedure door de Vlaamse Regering na een negatief besluit van de Commissie inzake leerlingenrechten
  • wettelijke basis
    Het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen zoals gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juni 2006 en het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008
  • wettelijke basis
    Het besluit van de Vlaamse Regering van 27 september 2002 betreffende de Commissie inzake leerlingenrechten zoals gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juni 2006
  • opheffing
    Punt 1 van de omzendbrief "Het gelijke onderwijskansenbeleid voor het secundair onderwijs" (SO/2005/07)
  • contactpersoon
    Peter Bex, 02/553.88.75
  • contactpersoon
    Liesbeth Velghe, 02/553.97.83
  • Deze omzendbrief licht het inschrijvingsrecht en de aanmeldingsprocedures in het secundair onderwijs toe. De omzendbrief geldt voor het voltijds gewoon secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs, de leertijd en de Se-n-Se-opleidingen. Deze omzendbrief is niet van toepassing op het hoger beroepsonderwijs.
  • Een samenvatting van de onderdelen van het inschrijvingsrecht voor scholen, gelegen buiten LOP-gebied, vindt u in bijlage 1. Een samenvatting voor scholen, gelegen binnen LOP-gebied, vindt u in bijlage 2.
  • De modellen van mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving zijn als bijlagen opgenomen bij deze omzendbrief. De modellen van inschrijvingsregister zijn als bijlagen opgenomen bij de omzendbrief SO/2012/03.’Inschrijvingsregister secundair onderwijs’.
  • Het M-decreet maakt een belangrijk onderscheid tussen "een verslag voor toegang buitengewoon onderwijs" en een "gemotiveerd verslag" voor leerlingen die recht hebben op GON. Leerlingen met een gemotiveerd verslag kunnen niet ingeschreven worden onder ontbindende voorwaarden (zie 10.1.5.3).
  • Leerlingen met een verslag worden steeds ingeschreven onder ontbindende voorwaarde. Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag (opgemaakt volgens de regels vóór het M-decreet) gelden specifieke overgangsmaatregelen (zie 10.1.5.3).
  • Het verslag maakt deel uit van de informatie die ouders bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Vanaf 1 september 2016 geldt dat indien een verslag wordt opgemaakt tussen het moment van de inschrijving en de effectieve instap in de school, de ouders het verslag overmaken aan de school. De school verbindt zich ertoe steeds een overleg te organiseren met CLB, ouders en de klassenraad over de aanpassingen die nodig zijn om een leerling mee te nemen in hetzij het gemeenschappelijk curriculum, hetzij een individueel aangepast curriculum (zie 10.1.5.4).
  • Vanaf 1 september 2016 geldt dat: Indien het verslag beschikbaar was op het moment van de inschrijving, maar niet gemeld werd door de ouders wordt de ontbindende voorwaarde alsnog ingeroepen op het moment dat de school vaststelt dat er een verslag was op het moment van de inschrijving .
  • Vanaf 1 september 2016 geldt dat: Indien voor de leerling een verslag wordt opgemaakt na de inschrijving, maar voor de effectieve instap in de school, de inschrijving omgezet wordt in een ins chrijving onder ontbindende voorwaarde op het moment dat de school vaststelt dat er een verslag is (zie 10.1.5.4).
  • In geval van schoolverandering (tijdens het schooljaar of via een inschrijving met het oog op volgend schooljaar) maakt de oude school een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag over aan de nieuwe school, als onderdeel van de verplicht over te dragen leerlingengegevens. Het CLB geeft bij schoolverandering (tijdens het schooljaar of via een inschrijving met het oog op volgend schooljaar) een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag door aan het CLB, verbonden aan de nieuwe school.
  • Voor een leerling met een verslag die reeds een individueel aangepast curriculum volgt in het gewoon onderwijs en waarvan de nood aan aanpassingen tijdens de schoolloopbaan wijzigt, kan de school – in overleg met het CLB, de ouders en de klassenraad - opnieuw de redelijkheid van aanpassingen afwegen. De school kan dit enkel doen naar aanleiding van effectief gewijzigde noden en pas nadat de gewijzigde noden door het CLB in een gewijzigd verslag worden bevestigd. Het kan hierbij zowel gaan om een wijziging van type/opleidingsvorm als om gewijzigde ondersteuningsnoden zonder wijziging van type/opleidingsvorm.

Inleidende begrippen

In functie van de leesbaarheid van de omzendbrief worden een aantal termen (zoals ze verankerd zijn in de Codex Secundair Onderwijs) vervangen door de termen die in de praktijk gebruikt worden.

  • Brussel = tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad
  • LOP-gebied = het werkingsgebied van een Lokaal Overlegplatform
  • Nederlandstaligen = leerlingen die behoren tot de voorrangsgroep "leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is" voor scholen in Brussel.

Daarnaast zijn er een aantal termen die verwarring kunnen scheppen doordat ze mogelijk door elkaar gebruikt worden. Hieronder worden deze termen verduidelijkt.

  • Aanmeldingsperiode = de periode waarbinnen aangemeld kan worden. Deze periode omvat niet de periode waarbinnen de aangemelde leerlingen kunnen worden ingeschreven.
  • Aanmeldingsprocedure = de volledige organisatie van de inschrijvingen via voorafgaande aanmeldingen, inclusief de verschillende aanmeldings-en inschrijvingsperiodes.
  • Capaciteitsverhoging = het verhogen van eerder bepaalde capaciteit
  • Dubbele contingentering = de gelijktijdige voorrang voor indicator- en niet-indicatorleerlingen, en het instrument om sociale mix te realiseren.
  • Gegarandeerde schoolloopbaan = het begrip gegarandeerde schoolloopbaan omvat twee elementen:
    • een leerling die is ingeschreven blijft ingeschreven in de school voor de hele duur van de schoolloopbaan
    • de continuïteit van het onderwijsaanbod moet gegarandeerd worden, dit wil zeggen dat een binnen een bepaalde school gestarte opleiding op het niveau van een bepaalde graad binnen de normale studieduur moet kunnen voltooid worden binnen die graad.
  • Gemotiveerd verslag = document dat vanaf 1 januari 2015 wordt uitgereikt door het CLB en wordt opgemaakt in functie van ondersteuning in het kader van geïntegreerd onderwijs (GON).
  • Ingeschreven leerling = een leerling die ingeschreven is in de school voor het volgende schooljaar.
  • Inschrijvingsprocedure/inschrijvingscyclus = de totale periode waarbinnen ingeschreven wordt, vanaf de communicatie van de capaciteiten tot en met de vrije inschrijvingsperiode. Een inschrijvingsprocedure kan verschillende aanmeldings- en inschrijvingsperiodes tellen (zowel voorrangsperiodes als een vrije inschrijvingsperiode).
  • Inschrijvingsperiode = de periode waarbinnen ingeschreven kan worden. Een inschrijvingsprocedure kan verschillende inschrijvingsperiodes bevatten, en kan eventueel voorafgegaan worden door een aanmeldingsperiode
  • Inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs = document, uitgereikt voor 1 juli 2015, dat toegang geeft tot het buitengewoon onderwijs en het recht geeft op GON in het gewoon onderwijs. Ook leerlingen in het gewoon onderwijs, die geen GON-begeleiding (meer) ontvangen, kunnen beschikken over een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs.
  • Opvisperiode = de periode waarbinnen enkel leerlingen kunnen worden ingeschreven die geweigerd werden tijdens de voorafgaande aanmeldingsperiode of voorrangsperiode.
  • Overcapaciteit = een leerling inschrijven, bovenop de eerder bepaalde capaciteit, zonder deze capaciteit te verhogen. Dit kan enkel voor de decretaal bepaalde overcapaciteitsgroepen of wanneer het aantal zittende leerlingen (omwille van de gegarandeerde schoolloopbaan) de capaciteit overstijgt
  • Uitgestelde inschrijving = inschrijving tijdens de voorrangsperiode voor indicator- en niet-indicatorleerlingen, in een contingent waarvan de capaciteit reeds bereikt is
  • Verslag= document dat vanaf 1 januari 2015 wordt toegekend aan leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon onderwijs. Het verslag bestaat uit een attest en een protocol ter verantwoording.
  • Voorrangsperiode = de periode waarbinnen enkel een of meerdere voorrangsgroepen kunnen ingeschreven worden. Deze periode kan bestaan uit een aanmeldings- en inschrijvingsperiode.
  • Zittende leerling = een leerling die reeds ingeschreven was voor het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarvoor het inschrijvingsregister geldt.

Vooraf

Het inschrijvingsrecht biedt een kader voor inschrijvingen in zeer uiteenlopende contexten: voor scholen gelegen binnen of LOP-gebied, met of zonder druk op de capaciteit, met of zonder segregatieproblematiek. Dit maakt het inschrijvingsrecht tot een omvangrijk geheel.

Voor scholen gelegen buiten LOP-gebied is het inschrijvingsrecht beperkt tot:

  • vooraf capaciteit bepalen voor het eerste leerjaar van de eerste graad en het buitengewoon onderwijs (zie 3);
  • communiceren van de vrije plaatsen in het eerste leerjaar van de eerste graad en het buitengewoon onderwijs (zie 4);
  • bepalen en communiceren van de inschrijvingsperiodes (zie 6)
  • chronologisch registreren van de inschrijvingen in het inschrijvingsregister (zie 9).

Meer informatie over de LOP-gebieden en contactgegevens van de LOP-deskundigen en LOP-voorzitters is te vinden op: www.ond.vlaanderen.be/GOK/lop.

1. Inleiding

1.1. Wat is het inschrijvingsrecht?

Het inschrijvingsrecht is een "set regels" waardoor de maatschappij er zich van verzekert dat jongeren op een correcte wijze in scholen ingeschreven worden. Het geeft aan zowel schoolbesturen als leerlingen en ouders meer rechtszekerheid bij het inschrijvingsproces.

Deze "set regels" houdt ook rekening met de diversiteit aan scholen en regio’s en voorziet daarom verschillende (keuze)mogelijkheden zodat scholen/regio’s maximaal kunnen inspelen op de lokale context.

1.2. De uitgangspunten van het inschrijvingsrecht

Het inschrijvingsrecht kent enkele uitgangspunten:

1° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen;

2° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie;

3° het bevorderen van sociale mix en cohesie;

4° bijkomend voor het Brussel, ook de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalig karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs.

Het inschrijvingsrecht legt ook decretale regels vast voor aanmeldingsprocedures: voorwaarden voor het instellen van een aanmeldingsprocedure, ordeningscriteria, het waarborgen en afbakenen van lokale autonomie, goedkeuring van de aanmeldingsprocedure door de Commissie inzake Leerlingenrechten, enz. (…)

2. Recht op inschrijving 

2.1. Basisprincipe

Elke leerling heeft recht op inschrijving in de school of vestigingsplaats gekozen door zijn ouders. Is de leerling twaalf jaar of ouder, dan gebeurt de schoolkeuze in samenspraak met de leerling. Bij de keuze van de vestigingsplaats wordt rekening gehouden met het aanwezige onderwijsaanbod.

Leerlingen die voldoen aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden op de dag van instap of bij beslissing van de toelatingsklassenraad en wiens ouders het pedagogisch project en school- of centrumreglement voor akkoord hebben ondertekend, worden chronologisch ingeschreven. De "set regels" die het inschrijvingsrecht voorziet, concretiseert dit principe en voert hierop ook enkele correcties uit.

Voor ouders van leerlingen met een verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs, die zich willen inschrijven in het gewoon onderwijs, maakt het verslag deel uit van de informatie die de ouders overmaken aan de school bij inschrijving (zie 10.1.5). Ook indien een verslag wordt opgemaakt tussen het moment van de inschrijving en de effectieve instap in de school, melden de ouders dit aan de school.De school verbindt zich er dan toe een overleg te organiseren met de ouders, het CLB en de klassenraad.

In het buitengewoon onderwijs leidt een recht op inschrijving niet automatisch tot een recht op leerlingenvervoer. Voor meer informatie, raadpleeg: http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=13979

De ouder is de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of in rechte of in feite de leerling onder zijn bewaring heeft. In het geval de leerling meerderjarig is, wordt onder "ouder" de meerderjarige leerling verstaan. Voor meer informatie over ouderlijk gezag in onderwijsaangelegenheden, raadpleeg: http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=13584

2.1.1. Toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden

Een inschrijving vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende hetzij bij de effectieve start van de lesbijwoning hetzij bij beslissing van de toelatingsklassenraad, aan de desbetreffende toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden voldoet.

Voorbeeld. In school X start de inschrijvingsperiode voor het eerste leerjaar A van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs op de eerste schooldag van april van het voorafgaande schooljaar. Een leerling wil zich inschrijven maar kan bij de inschrijving nog geen getuigschrift basisonderwijs voorleggen als bewijs dat hij voldoet aan de toelatingsvoorwaarde. De leerling wordt toch ingeschreven want hij moet pas bij de effectieve start van de lesbijwoning het getuigschrift basisonderwijs kunnen voorleggen. De leerling wordt met andere woorden onder de opschortende voorwaarde ingeschreven dat hij aan de toelatingsvoorwaarde zal voldoen bij de effectieve start van de lesbijwoning.

Voor meer informatie over de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden, raadpleeg:

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=9418#7 (voltijds gewoon secundair onderwijs)

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=14006#8 (deeltijds beroepssecundair onderwijs)

http://onderwijs.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=14309#3 (buitengewoon secundair onderwijs)

2.1.2. Pedagogisch project en school- of centrumreglement

De inschrijving van een leerling wordt gerealiseerd na ondertekening voor akkoord van de ouders met het pedagogisch project en het school- of centrumreglement.

Voor meer informatie over het pedagogisch project en het school- of centrumreglement, raadpleeg:

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=9418#5 (voltijds gewoon secundair onderwijs)

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=14006#9 (deeltijds beroepssecundair onderwijs)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/edulex/document.aspx?docid=14309#4 (buitengewoon secundair onderwijs)

2.2. De verworven inschrijving

De inschrijving van een leerling in een school geldt voor de duur van de hele schoolloopbaan (= gegarandeerde schoolloopbaan) in die school tenzij er bij beslissing van het schoolbestuur of van de ouders, en uiteraard steeds in toepassing van de regelgeving, tot uitschrijving wordt overgegaan: een uitschrijving omwille van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel, een uitschrijving omwille van veelvuldige problematische afwezigheden van een (niet-leerplichtige) leerling (DBSO en leertijd), een uitschrijving omwille van een niet-akkoordverklaring met een gewijzigd school- of centrumreglement, een uitschrijving omwille van onredelijkheid van aanpassingen na wijzigende noden tijdens de schoolloopbaan (zie 10.1.5.5) en een uitschrijving omwille van schoolverandering.

Het schoolbestuur kan wel aan zijn leerlingen vragen om jaarlijks te bevestigen of zij een bepaald structuuronderdeel zullen volgen. Op basis hiervan kan het schoolbestuur de verdeling van de leerlingen over de verschillende klasgroepen organiseren en het volgende schooljaar optimaal voorbereiden en plannen. Het gaat hier om een informatieve vraag van het schoolbestuur. De leerling en/of zijn ouders zijn niet verplicht deze vraag te beantwoorden. Op basis hiervan kan een leerling nooit worden uitgeschreven.

Het behoud van een inschrijving houdt ook in dat de inschrijving over de vestigingsplaatsen en de structuuronderdelen van de school heen geldt, tenzij de capaciteit van de vestigingsplaats of het structuuronderdeel overschreden wordt of volzet verklaard werd. Dit betekent dat een schoolbestuur de vraag van een leerling om van vestigingsplaats of structuuronderdeel te veranderen niet kan weigeren tenzij de capaciteit van die vestigingsplaats of dat structuuronderdeel is of wordt overschreden of werd volzet verklaard.

Een leerling die van vestigingsplaats of structuuronderdeel moet veranderen in het kader van de voortgang van zijn leerproces en op basis van een beslissing van een delibererende klassenraad (= attestering) heeft echter het recht zijn leerproces voort te zetten in een van de structuuronderdelen waartoe hij op basis van zijn attestering toegang heeft en waarvoor hij zelf kiest. Hiermee wordt bedoeld:

  • A-attest: keuze uit alle structuuronderdelen;
  • B-attest: keuze uit alle structuuronderdelen gekoppeld aan het B-attest;
  • C-attest: keuze uit behoud van het structuuronderdeel of een ander structuuronderdeel van hetzelfde of onderliggende leerjaar.

Eenmaal de leerling zijn keuze voor een structuuronderdeel heeft gemaakt, maar tijdens het schooljaar van structuuronderdeel wil veranderen dan weigert het schoolbestuur deze verandering in het geval de capaciteit van het desbetreffende structuuronderdeel is of wordt overschreden of volzet verklaard werd.

Voorbeeld 1: een leerling in het tweede leerjaar van de tweede graad economie (ASO) krijgt op 30 juni een A-attest. De leerling kiest om zijn leerproces verder te zetten in het eerste leerjaar van de derde graad handel (TSO). Het schoolbestuur heeft het eerste leerjaar van de derde graad handel echter al volzet verklaard. Het schoolbestuur kan de leerling niet weigeren op basis van de volzetverklaring voor het eerste leerjaar van de derde graad handel want de leerling heeft op basis van zijn attestering toegang tot dit structuuronderdeel.

Voorbeeld 2: een leerling in het tweede leerjaar van de tweede graad economie (ASO) krijgt op 30 juni een A-attest. De leerling kiest om zijn leerproces verder te zetten in het eerste leerjaar van de derde graad economie-moderne talen (ASO). Op 15 oktober wil de leerling van structuuronderdeel veranderen, hij wil naar het eerste leerjaar van de derde graad handel. Het schoolbestuur heeft het eerste leerjaar van de derde graad handel echter al volzet verklaard. Het schoolbestuur weigert de leerling bijgevolg op basis van volzetverklaring.

Een schoolbestuur met scholen waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg (= campus), kan ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van de ene secundaire school naar de andere secundaire school de inschrijvingen te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruik maakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.
Opgelet!Dit geldt afzonderlijk voor scholen van het gewoon onderwijs en het buitengewoon onderwijs. Een inschrijving in een school voor buitengewoon onderwijs kan m.a.w. niet automatisch doorlopen in de school voor gewoon onderwijs op de campus en omgekeerd.
In het geval van een klacht zal het schoolbestuur ook aan de CLR het bewijs moeten leveren dat de betreffende vestigingsplaatsen gelegen zijn op een campus.

Een schoolbestuur met scholen waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg (= campus), kan ervoor opteren om voor de toepassing van het recht op inschrijven en aanmeldingsprocedures de desbetreffende vestigingsplaatsen als één school te beschouwen. Bijgevolg moet de school maar één inschrijvingsregister hanteren en geldt het principe van de gegarandeerde schoolloopbaan op het niveau van de campus. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.

3. Vóór de start van de inschrijvingen: capaciteit

3.1. Wat is capaciteit?

Capaciteit is het totaal aantal leerlingen dat een schoolbestuur per niveau (zie 3.2) ziet als maximaal aantal leerlingen.

Een schoolbestuur bepaalt autonoom de capaciteit(en) en kan hierbij rekening houden met bijvoorbeeld materiële omstandigheden of pedagogisch-didactische overwegingen.

Een schoolbestuur kan een leerling slechts weigeren op basis van capaciteit als de desbetreffende capaciteit vóór de start van de inschrijvingen is vastgelegd. Een schoolbestuur kan de capaciteit(en) tijdens de lopende inschrijvingsperiode niet verlagen. De capaciteit(en) verhogen kan wel (zie 3.4).

3.2. Wie bepaalt capaciteit?

3.2.1. Eerste leerjaar van de eerste graad

Vóór de start van de inschrijvingsperiode moet een schoolbestuur voor elk van zijn scholen of vestigingsplaatsen (of campus indien van toepassing: zie 2.2) de capaciteit bepalen voor het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs op één van volgende niveaus:

  • het structuuronderdeel (1A of 1B);
  • de combinatie van de beide structuuronderdelen (1A én 1B).

3.2.2. Tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad

Voor het tweede leerjaar van de eerste graad, de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs moet een schoolbestuur voor zijn scholen gelegen in Brussel de capaciteit bepalen op één of meerdere van volgende niveaus:

  • de school (of campus indien van toepassing: zie 2.2);
  • de vestigingsplaats;
  • het structuuronderdeel;
  • de combinatie van twee of meerdere structuuronderdelen.

Een structuuronderdeel is een onderverdeling in het onderwijsaanbod dat gefinancierd of gesubsidieerd kan worden. Aan een structuuronderdeel is steeds een administratieve groep gekoppeld.

Voor de lijst van administratieve groepen voor het voltijds gewoon secundair onderwijs, raadpleeg: http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=9428 en

Voor de lijst van administratieve groepen voor het experimenteel secundair onderwijs/modulair stelsel raadpleeg de bijlagen bij: http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=13995#4

Voor de lijst van administratieve groepen voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs raadpleeg de bijlagen bij: http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=14006#5

Voor de lijst van administratieve groepen voor het buitengewoon secundair onderwijs raadpleeg de bijlagen bij: http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=14253#6.2.1

Het niveau van de graad is geen afzonderlijk capaciteitsniveau, maar kan wel samenvallen met de combinatie van meerdere structuuronderdelen.

Ook een centrumbestuur moet voor al zijn centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen gelegen in Brussel capaciteit bepalen op een of meerdere van volgende niveaus:

  • het centrum (of campus indien van toepassing: zie 2.2);
  • de vestigingsplaats;
  • het structuuronderdeel (= opleiding);
  • de combinatie van twee of meerdere structuuronderdelen (= opleidingen).

3.2.3. Buitengewoon secundair onderwijs

In het buitengewoon secundair onderwijs moet (met uitzondering van type 5, waar dit niet verplicht is) een schoolbestuur voor elk van zijn scholen de capaciteit bepalen op één of meerdere van volgende niveaus:

  • de school (of campus indien van toepassing: zie 2.2);
  • de vestigingsplaats;
  • de opleidingsvorm;
  • het type;
  • het structuuronderdeel;
  • de combinatie van twee of meerdere structuuronderdelen;
  • de pedagogische eenheid, zoals bepaald in artikel 257 van de Codex secundair onderwijs.

3.3. Capaciteit meedelen

Een schoolbestuur maakt vóór de start van de inschrijvingsperiode voor al zijn scholen de capaciteit(en) bekend aan alle belanghebbenden (leerlingen, ouders, CLB, andere scholen, intermediairs, lokale besturen …). Het schoolbestuur maakt hiervoor best maximaal gebruik van de eigen communicatiekanalen (vb. eigen website, elektronische nieuwsbrief …).

Een schoolbestuur kan bij het bekendmaken van de capaciteit(en) ook gebruik maken van de netwerken en de communicatiekanalen van andere lokale partners (vb. website LOP …).

Een schoolbestuur met scholen gelegen in LOP-gebied deelt de capaciteit(en) ook mee aan het LOP.

3.4. Capaciteit verhogen

Een schoolbestuur mag de capaciteit(en) na de start van de inschrijvingen verhogen.

Het verhogen van de capaciteit(en) kan gevolgen hebben voor andere scholen (vb. ouders die door de verhoogde capaciteit hun keuze veranderen). Daarom moet in gemeenten gelegen in LOP-gebied de capaciteitsverhoging door het LOP worden goedgekeurd. Over de procedure om tot een dergelijke goedkeuring te komen, worden afspraken gemaakt binnen het LOP.

In gemeenten gelegen buiten LOP-gebied, deelt het schoolbestuur de capaciteitsverhoging ter kennisgeving mee aan de schoolbesturen van de andere scholen gelegen in die gemeente.

Bij inschrijvingen als gevolg van de capaciteitsverhoging moet het schoolbestuur, net zoals bij inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen, steeds de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen op het registerblad, desgevallend per contingent (zie7.3.5.3), respecteren. Het schoolbestuur doet dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijvingen betrekking hebben. Voor meer informatie over het inschrijvingsregister zie omzendbrief SO/2012/03.

3.5. Capaciteit verlagen

Capaciteit verlagen na de start van de inschrijvingsperiode mag niet. Voor de start van de inschrijvingen kan wel een lagere capaciteit bepaald worden dan het voorgaande schooljaar.

Bij het plannen van de inschrijvingen voor het volgende schooljaar kan een schoolbestuur opnieuw capaciteit bepalen. Deze kan eventueel wel lager zijn dan de capaciteit van het huidige schooljaar. Voor de zittende en reeds ingeschreven leerlingen moet de schoolloopbaan gegarandeerd worden, zij kunnen dus niet uitgeschreven worden op basis van capaciteit.

Voorbeeld: Voor schooljaar 2014-2015 is de capaciteit van het eerste leerjaar A van de eerste graad bepaald op 100 leerlingen. Eens de inschrijvingen van broers en zussen gestart zijn, mag het schoolbestuur de capaciteit niet meer verlagen. Voor schooljaar 2015-2016 kan de school – vóór de start van de inschrijvingen – de capaciteit wel bepalen op 90 leerlingen.

4. Vrije plaatsen

Ouders en leerlingen hebben nood aan een zicht op de kans dat ze hun kind effectief kunnen inschrijven in de school van hun keuze.

Louter de capaciteit communiceren geeft ouders immers mogelijk een vertekend beeld van hun kans op een inschrijving.

Voorbeeld: Een school heeft 100 plaatsen voor het eerste leerjaar A. Na inschrijving van broers en zussen zijn daarvan echter nog maar 60 plaatsen beschikbaar, waarvan 20 voor indicator- en 40 voor niet-indicatorleerlingen. Om een inschatting te kunnen maken van hun kans op een gerealiseerde inschrijving op de school is voor ouders en leerlingen het effectief aantal vrije plaatsen de meest relevante informatie.

4.1. Wat is een vrije plaats?

Een vrije plaats is een plaats die vrijgegeven wordt voor inschrijving. Een schoolbestuur bepaalt dit aantal door van de capaciteit het verwachte aantal zittende leerlingen op basis van de gegarandeerde schoolloopbaan (zie 2.2) en de in voorgaande voorrangsperiodes reeds ingeschreven leerlingen af te trekken. Dit impliceert ook dat enkel vrije plaatsen bepaald moeten worden op de niveaus waarop het schoolbestuur ook capaciteit heeft bepaald.

Aantal vrije plaatsen = capaciteit – verwacht aantal zittende leerlingen – aantal in voorgaande voorrangsperiodes ingeschreven leerlingen

Voorbeeld: het schoolbestuur bepaalde voor 1A en 1B samen een capaciteit van 100 leerlingen. Eén leerling zal 1B zeker opnieuw doen, voor een tweede leerling verwacht men mogelijk hetzelfde. Voor de start van de inschrijvingen is het aantal vrije plaatsen dus 99 of 98 – het is aan de school om een inschatting te maken van de situatie. Tijdens de voorrangsperiode voor kinderen van dezelfde leefentiteit en kinderen van personeel worden 30 leerlingen ingeschreven. Het aantal vrije plaatsen na deze voorrangsperiode bestaat dus uit 69 of 68 leerlingen (afhankelijk van de inschatting van de situatie door het schoolbestuur).

4.2. Wanneer vrije plaatsen communiceren?

Vrije plaatsen worden aan alle belanghebbenden gecommuniceerd, minstens op de volgende momenten:

1. Vóór de start van de inschrijvingsprocedure (dus voor de voorrangsperiode voor kinderen van dezelfde leefentiteit);

2. Indien van toepassing:

  • voor scholen in Brussel: vóór de start van de voorrangsperiode voor kinderen waarvan minstens een van de ouders het Nederlands in voldoende mate machtig is (en na verwerking van de inschrijvingen van de voorrangsgroepen "kinderen van dezelfde leefentiteit" en "kinderen van personeel");
  • voor scholen, gelegen in LOP-gebied, en aanmeldende scholen, vóór de start van de voorrangsperiode voor indicator- en niet-indicatorleerlingen (en na verwerking van de inschrijvingen van de voorrangsgroep "kinderen van dezelfde leerentiteit" en "kinderen van personeel");

3. Vóór de start van de vrije inschrijvingsperiode (na verwerking van de inschrijvingen in de voorrangsperiode voor niet-indicator en indicatorleerlingen).

In scholen die een voorrangsperiode voor indicator- en niet-indicatorleerlingen organiseren, moeten de vrije plaatsen op de twee eerste momenten per contingent bekend gemaakt worden.

In scholen die de inschrijvingen laten voorafgaan door aanmeldingen (zie 12) worden de vrije plaatsen bekendgemaakt voor de start van de betreffende aanmeldingsperiode.

Een schoolbestuur maakt ministens op twee (en in geval van een voorrangsperiode voor indicator- en niet-indicatorleerlingen drie of in Brussel vier) momenten (zie 7.3) voor al zijn scholen het aantal vrije plaatsen bekend aan alle belanghebbenden (ouders, CLB, andere scholen, intermediairs, eventueel het lokaal bestuur…). Het schoolbestuur maakt hiervoor best gebruik van de eigen communicatiekanalen (website, elektronische nieuwsbrief,…).

Scholen die ouders daarnaast op andere momenten – of mogelijk permanent – op de hoogte willen houden van het aantal vrije plaatsen, mogen dat.

En schoolbestuur met scholen gelegen in LOP-gebied deelt de vrije plaatsen ook mee aan dat LOP. Het mag ook gebruik maken van de netwerken en communicatiekanalen van andere lokale partners (bijvoorbeeld website, LOP,…).

4.3. Op welk niveau vrije plaatsen bepalen?

Op elk niveau waarop capaciteit bepaald is, worden ook vrije plaatsen bepaald.

5. Volzet verklaren

5.1. Wat is volzet verklaren?

Een school- of centrumbestuur kan een bepaald niveau volzet verklaren. Op dat moment legt het school-of centrumbestuur het aantal leerlingen vast voor dat niveau.

Een leerling kan pas geweigerd voor een bepaald niveau worden nadat een volzetverklaring voor het desbetreffende niveau gecommuniceerd is. Vanaf dan weigert het school- of centrumbestuur elke bijkomende inschrijving.

Vanaf 1 september 2014 kan een leerling enkel geweigerd worden voor een bepaald niveau indien dat niveau ook werd volzet verklaard (behoudens andere weigeringsgronden, zie 10.1).

5.2. Volzetverklaring melden

Het school- of centrumbestuur meldt de volzetverklaring:

  • aan het LOP, voor scholen en centra gelegen in LOP-gebied;
  • aan de school- of centrumbesturen van de scholen of centra gelegen in dezelfde gemeente, voor scholen of centra gelegen buiten LOP-gebied.

De volzetverklaring bestaat uit volgende gegevens:

  • het niveau dat volzet verklaard wordt;
  • de datum en het uur waarop de volzetverklaring plaatsvindt;
  • het aantal ingeschreven leerlingen in het betreffende niveau op moment van de volzetverklaring.

Het LOP kan verdere afspraken maken over de manier waarop de volzetverklaring dient gecommuniceerd te worden.

5.3. Wie kan volzet verklaren?

School-of centrumbesturen kunnen, uitgezonderd voor het eerste leerjaar A en B, uitgezonderd voor hun scholen gelegen in Brussel en uitgezonderd voor het buitengewoon secundair onderwijs, volzet verklaren.

Volzet verklaren kan op een of meerdere van volgende niveaus:

  • De school, met uitzondering van het eerste leerjaar A en B;
  • Per centrum voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
  • Per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar A en B;
  • Per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, al dan niet per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar A en B.

5.4. Volzetverklaring opheffen

Elk school- of centrumbestuur dat een volzetverklaring opheft, doet daarvan een melding. In geval de school of het centrum gelegen is in LOP-gebied, doet ze daarvan melding aan het LOP en respecteert daarbij de afspraken die hierover binnen het LOP zijn gemaakt. In geval de school of het centrum gelegen is buiten LOP-gebied, dan wordt melding gemaakt aan de school-of centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente.

5.5. Chronologie respecteren na volzetverklaring

Bij het toepassen van het systeem van volzet verklaring, hanteren school- of centrumbesturen per niveau van de volzetverklaring een registerblad waarin het alle gerealiseerde en, eventueel niet-gerealiseerde inschrijvingen, chronologisch noteert.

Wanneer een school-of centrumbestuur de volzetverklaring van een niveau (zoals vermeld in 5.2) opheft, dan moet het school-of centrumbestuur de chronologie van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, zoals genoteerd in het registerblad voor het betreffende niveau, respecteren tot en met de vijfde schooldag van oktober.

6. Start van de inschrijvingen

6.1. Algemeen

Voor het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en voor het buitengewoon secundair onderwijs kunnen de inschrijvingen voor een bepaald schooljaar ten vroegste starten op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar.

Voor het tweede leerjaar van de eerste graad, voor de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd kunnen de inschrijvingen ten vroegste starten op de eerste schooldag na de paasvakantie van het voorafgaande schooljaar.

Door het verleggen van en het differentiëren in de start van de inschrijvingen voor het secundair onderwijs krijgen schoolbesturen meer tijd om gezamenlijke afspraken te maken over de start en de organisatie van hun inschrijvingsperiode en kunnen ze alle belanghebbenden (ouders, leerlingen, intermediairs, andere scholen, CLB …) daarover informeren. Schoolbesturen en CLB’s kunnen nu ook meer inzetten op de begeleiding van het school- en studiekeuzeproces van hun leerlingen (en hun ouders) zodat er meer onderbouwde keuzes gemaakt kunnen worden. Schoolbesturen die deel uitmaken van een LOP maken hierover samen afspraken.

Een schoolbestuur kan er uiteraard voor kiezen om de inschrijvingen later dan respectievelijk de eerste schooldag van maart of de eerste schooldag na de paasvakantie van het voorafgaande schooljaar te laten starten. Als het schoolbestuur deel uitmaakt van een LOP, dan respecteert het schoolbestuur de afspraken die hierover binnen het LOP zijn gemaakt.

6.2.  Inschrijven vóór de eerste schooldag van maart

Een schoolbestuur kan ook beslissen om de inschrijvingen voor de verschillende voorrangsgroepen (zie 7.3), samen of apart (zie 7.2.2), voor een bepaald schooljaar al te laten starten vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar. Dit kan enkel op voorwaarde dat het schoolbestuur geen enkele leerling behorende tot die voorrangsgroepen weigert op basis van capaciteit.

De keuze om de inschrijvingen voor voorrangsgroepen, samen of apart, vervroegd te laten starten vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar, kan per capaciteitsniveau (zie 3.2) worden gemaakt.

Een schoolbestuur met één of meerdere scholen gelegen buiten LOP-gebied, kan (per capaciteitsniveau) ook beslissen om de inschrijvingen voor ALLE leerlingen te starten vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar op voorwaarde dat geen enkele leerling voor dat schooljaar wordt geweigerd op basis van capaciteit.

Een schoolbestuur met één of meerdere scholen gelegen buiten LOP-gebied overlegt hierover met de schoolbesturen van de andere scholen gelegen in dezelfde gemeente. Een schoolbestuur met één of meerdere scholen gelegen in LOP-gebied maakt hierover afspraken binnen het LOP.

Opgelet! In LOP-gebied starten de inschrijvingen voor de voorrangsgroep indicator- en niet-indicatorleerlingen (zie 7.3.5) ten vroegste vanaf de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar. Met andere woorden, de inschrijvingen voor deze voorrangsgroep kunnen niet vervroegd starten vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie. In geval van een aanmeldingsprocedure kunnen de inschrijvingen van de indicator- en niet-indicatorleerlingen die gunstig werden geordend, ten vroegste starten vanaf de eerste schooldag van maart.

6.3. Start inschrijvingen meedelen

Het schoolbestuur deelt de start van de inschrijvingen mee aan alle belanghebbenden (leerlingen, ouders, CLB, andere scholen, intermediairs, …). Een schoolbestuur dat deel uitmaakt van een LOP maakt de start van de inschrijvingen ten minste bekend aan het LOP.

(…)

Een schoolbestuur dat deel uitmaakt van een LOP, houdt rekening met de afspraken die hierover binnen het LOP zijn gemaakt.

7. De voorrangsregeling

7.1. Uitgangspunten

Het principe dat een leerling die zich eerst komt aandienen voor een inschrijving in een school of vestigingsplaats ook eerst wordt ingeschreven, is en blijft het uitgangspunt. De algemene regel is dat leerlingen chronologisch worden ingeschreven (zie 2.1).

Op deze chronologie is echter voor bepaalde leerlingengroepen, waarvoor de overheid het inschrijvingsrecht maximaal wil garanderen, een afwijking voorzien in de vorm van de voorrangsregeling. Er zijn verschillende voorrangsgroepen bepaald. De voorrang voor deze groepen wordt verleend op het niveau van de school. Ook de volgorde waarin aan deze groepen voorrang wordt verleend, ligt vast (zie 7.3). Schoolbesturen leggen wel de periodes vast waarbinnen de voorrang verleend wordt (zie 7.2).

De voorrangsregeling is van toepassing op het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs. Voor het buitengewoon secundair onderwijs is de voorrang voor indicator- en niet-indicatorleerlingen (zie 7.3.5.) echter niet verplicht.

Scholen voor type 5 (= ziekenhuisscholen en scholen verbonden aan een preventorium) zijn niet verplicht om de voorrangsregeling toe te passen.

In Brussel geldt een bijkomende voorrang voor Nederlandstaligen(zie 7.3.3). Deze bijkomende voorrang geldt ook voor het overige secundair onderwijs (tweede leerjaar van de eerste graad, de tweede en de derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd).

7.2. De voorrangsperiodes

7.2.1. Algemeen

Voor elke voorrangsgroep is een voorrangsperiode voorzien waarin de leerlingen die behoren tot die voorrangsgroep zich bij voorrang op alle andere leerlingen kunnen inschrijven in een school of vestigingsplaats van keuze. De voorrangsperiode voor elke voorrangsgroep duurt ten minste twee weken. Enkel de voorrangsperiode voor kinderen van personeel kan minder dan twee weken duren.

Binnen elke voorrangsperiode gebeuren de inschrijvingen chronologisch.

Na iedere voorrangsperiode wordt de voorrang afgesloten voor de betrokken voorrangsgroep. Als een leerling zich niet heeft ingeschreven in de voorrangsperiode die op hem van toepassing is, en dus geen gebruik gemaakt heeft van zijn voorrangsrecht, dan is hij zijn voorrang kwijt. De leerling kan zich dan nog wel inschrijven in een andere voorrangsperiode, als die op hem van toepassing is, of in de vrije inschrijvingsperiode.

De vrije inschrijvingsperiode start nadat alle voorrangsperiodes zijn afgesloten.

De effectieve duur van elke voorrangsperiode zal afhankelijk zijn van de wijze waarop het schoolbestuur de inschrijvingsprocedure organiseert. Het is belangrijk dat leerlingen en ouders tijdig zekerheid krijgen of hun inschrijving is gerealiseerd en – indien nodig – nog op zoek kunnen gaan naar een andere school.

7.2.2. Voorrangsperiodes samen nemen

Een schoolbestuur kan twee of meerdere voorrangsperiodes samen nemen op voorwaarde dat het schoolbestuur geen enkele leerling die kan ingeschreven worden in deze voorrangsperiodes weigert. De keuze om twee of meerdere voorrangsperiodes samen te nemen kan per capaciteitsniveau (zie 3.2) worden gemaakt.

In Brussel mogen enkel de voorrangsperiodes "kinderen van dezelfde leefentiteit" en "kinderen van personeel" samen genomen worden.

7.2.3. Voorrangsperiodes meedelen

Voor de scholen gelegen in LOP-gebied maakt het LOP afspraken over de voorrangsperiodes en worden deze minstens door het LOP bekendgemaakt aan alle belanghebbenden (leerlingen, ouders, CLB, andere scholen, intermediairs, …) in het werkingsgebied.

Voor scholen gelegen buiten LOP-gebied bepaalt een schoolbestuur de voorrangsperiodes in overleg met de schoolbesturen van alle scholen binnen dezelfde gemeente. Het schoolbestuur maakt de voorrangsperiodes bekend aan alle belanghebbenden.

7.3. De voorrangsgroepen

De inschrijvingen van voorrangsgroepen gebeuren in een bepaalde volgorde waarvan niet kan worden afgeweken. Voorrangsgroepen samennemen kan wel, op voorwaarde dat geen enkele leerling uit de betreffende voorrangsgroepen geweigerd kan worden op basis van capaciteit.

De volgende tabel geeft een overzicht van de voorrangsgroepen die gelden voor het gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, uitgezonderd scholen voor type 5, in Vlaanderen en Brussel.

Voorrangsgroep 

Vlaanderen  

Brussel 

 

Voltijds gewoon SO (1ste lj 1ste gr.) 

BUSO 

 

Overig SO 

Voltijds gewoon SO (1ste lj 1ste gr.) 

BUSO 

 

Overig SO 

Leerlingen van dezelfde leefentiteit 

MOET 

MOET 

NIET 

 

MOET 

MOET 

NIET 

Kinderen van personeelsleden 

MOET 

MOET 

NIET 

MOET 

MOET 

NIET 

Nederlandstaligen 

NIET van toepassing 

NIET van toepassing 

NIET van toepassing 

MOET 

MOET 

MOET 

Campusleerlingen* 

LOP MAG 

MAG 

NIET 

MAG 

MAG 

NIET 

Indicator- en niet-indicatorleerlingen 

  • Binnen LOP: MOET
  • Buiten LOP: MAG,
    MOET enkel in geval van aanmelden

MAG 

NIET 

MOET  

 

MAG 

NIET 

Tabel: overzicht voorrangsgroepen in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs

(* Mits aan de voorwaarden vermeld onder 7.3.4. is voldaan)

7.3.1. Leerlingen van dezelfde leefentiteit

Leerlingen van dezelfde leefentiteit moeten vanzelfsprekend ook naar dezelfde school kunnen gaan.

Met leerlingen van dezelfde leefentiteit wordt bedoeld:

  • broers en zussen (hebben twee gemeenschappelijke ouders) al dan niet wonend op hetzelfde adres;
  • halfbroers en halfzussen (hebben één gemeenschappelijke ouder) al dan niet wonend op hetzelfde adres;
  • kinderen die eenzelfde hoofdverblijfplaats ("domicilie") hebben maar geen gemeenschappelijke ouder(s) hebben (vb. stiefbroers en –zussen).

Voorbeeld. Broer is ingeschreven in school X en woont bij zijn vader. Zijn zus woont op een ander adres bij haar moeder. De kinderen hebben dus twee gemeenschappelijke ouders. De zus geniet bijgevolg van een voorrangsrecht in school X.

Elke leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een zittende leerling of reeds ingeschreven leerling, heeft tijdens deze voorrangsperiode vóór alle andere leerlingen een recht op inschrijving in die school. Deze voorrang geldt binnen de beschikbare capaciteit. Als de capaciteit bereikt is, moeten ook kinderen van dezelfde leefentiteit geweigerd worden.

Dit recht geldt ook in de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen (campus zie 2.2). Met "reeds ingeschreven leerling" wordt bedoeld dat de inschrijving van deze leerling gerealiseerd is (= opgenomen in het inschrijvingsregister). Het is van geen belang of de ingeschreven leerling al is ingestapt of nog niet. Ook kan de reeds ingeschreven leerling een jonger of een ouder kind zijn van dezelfde leefentiteit.

Voorbeeld. 11-jarige zus is ingeschreven in school X en woont bij haar vader. Ze staat in het inschrijvingsregister genoteerd als gerealiseerde inschrijving maar is nog niet ingestapt. Haar broer woont op een ander adres bij zijn moeder. De kinderen hebben dus twee gemeenschappelijke ouders. De broer geniet bijgevolg van een voorrangsrecht in school X.

7.3.2. Kinderen van personeelsleden

Na de leerlingen van dezelfde leefentiteit hebben de kinderen van personeelsleden bij voorrang op alle andere leerlingen een recht op inschrijving in de school waar het betrokken personeelslid werkt en ook in de scholen waar de inschrijvingen van de ene naar de andere school doorlopen (campus zie 2.2). Een personeelslid kan enkel een kind inschrijven waarvan hij zelf de ouder is (zie definitie bij 2.1).

Om van deze voorrangsregeling gebruik te kunnen maken, moet een personeelslid op het ogenblik van de inschrijving een contract hebben van een lopende tewerkstelling van meer dan 104 dagen. Deze periode toont een voldoende duurzame band aan van het personeelslid met de school. Het personeelslid hoeft nog geen 104 dagen effectief te hebben gewerkt voor de school van keuze op het moment dat de leerling zich inschrijft.

De voorrang kan dus worden opgenomen ongeacht de functie die het personeelslid uitoefent, dit kan een klusjesman, een leraar, een administratief medewerker, een pedagogische begeleider of logopedist zijn.
Het soort contract dat een school en een personeelslid hebben afgesloten, is evenmin van belang. Volgende personeelsleden komen in aanmerking:

1° personeelsleden als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in een school;

2° personeelsleden die via een arbeidsovereenkomst werden aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld worden in de school.

Een personeelslid dat geaffecteerd is aan een school maar tijdelijk aangesteld/tewerkgesteld is in een andere school, kan in beide scholen van de voorrangsregeling gebruik maken.

Naast de functie en het type contract is ook de tewerkstellingsbreuk van het personeelslid (bijvoorbeeld voltijds of deeltijds) van geen belang om voorrang te krijgen.

7.3.3. Nederlandstaligen in Brussel

Deze voorrangsgroep voor Nederlandstaligen (= leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is) geldt enkel in Brussel. Met deze voorrangsperiode wil de decreetgever de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen beschermen en het Nederlandstalig karakter behouden van het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs.

Een ouder die van deze voorrangsregeling gebruik wil maken, toont aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is door het voorleggen van:

  • minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs. Voor het bepalen van gelijkwaardigheid van diploma’s of getuigschriften kan contact worden opgenomen met NARIC;
  • het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het SO of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;
  • het bewijs dat de ouder het Nederlands beheerst op minstens niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Enkel voor inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016 en 2016-2017 is ook het bewijs dat de ouder het Nederlands beheerst op minstens niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen voldoende. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken:
    • een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont (vb. Centrum voor Volwassenenonderwijs, universitair talencentrum);
    • een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
    • minstens het bewijs van voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de Federale Overheid;
  • het bewijs dat hij 9 jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalig lager én secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.

Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in Brussel het aantal leerlingen dat hij vooropstelt voor de inschrijving bij voorrang van Nederlandstaligen. Dit aantal kan het schoolbestuur bepalen tot op de niveaus waarop hij de capaciteit vastlegt (zie 3.2) en moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van minstens 55% Nederlandstalige leerlingen in de school.

Het percentage voorrang Nederlandstaligen, wordt berekend op de totale capaciteit en niet alleen op het aantal nieuw in te schrijven leerlingen. Het percentage wordt ook toegepast op elk niveau waarop capaciteit bepaald is en waarvoor een registerblad wordt opgemaakt in het inschrijvingsregister.

De zittende en reeds ingeschreven leerlingen worden ingedeeld in de groep "Nederlandstaligen" of "kinderen wiens ouders het Nederlands niet machtig zijn".

Bij het indelen van de zittende en reeds ingeschreven leerlingen en de leerlingen van dezelfde leefentiteit, gelden volgende regels:

  • een zittende leerling, die op basis van de toen geldende regelgeving opgevat werd als een leerling met thuistaal Nederlands (op basis van een verklaring op eer), mag beschouwd worden als een Nederlandstalige leerling;
  • een zittende leerlingen die – op basis van de vóór 1 september 2014 geldende regelgeving – werd ingeschreven als een Nederlandstalige (op basis van diplomavereiste of bewijsstuk taalniveau) moet beschouwd worden als een Nederlandstalige.

Het LOP Brussel secundair onderwijs mag een hoger percentage Nederlandstalige leerlingen bepalen. Het LOP kan daarbij een onderscheid maken tussen de verschillende situaties van de deelgebieden van haar werkingsgebied maar het percentage moet op elk niveau waarop capaciteit bepaald werd minstens 55 zijn.

Het LOP moet het percentage en de daaraan gekoppelde leerlingenaantallen meedelen aan alle belanghebbenden (leerlingen, ouders, CLB, andere scholen, intermediairs, …).

Dit percentage is een streefcijfer. Een school kan niet worden gesanctioneerd als het streefcijfer niet wordt behaald. Ze heeft immers niet in de hand welke ouders zich effectief zullen aandienen voor een inschrijving.

Belangrijk! Een leerling die behoort tot deze voorrangsgroep én die ook een indicatorleerling (zie 7.3.5) is, wordt niet meegeteld voor het behalen van het percentage. Uiteraard kunnen deze leerlingen zich wél inschrijven tijdens deze voorrangsperiode tot het contingent voor indicatorleerlingen (zie 7.3.5.3) is bereikt.

7.3.4. Voorrang voor leerlingen van de "campusschool"

Een schoolbestuur met scholen gelegen binnen LOP-gebied en gelegen op een campus (zie 2.2) kan er voor kiezen om bij de overgang van het basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs voorrang te verlenen aan de leerlingen van de "campusschool".

Deze specifieke voorrangsgroep is voorzien omdat basisscholen en secundaire scholen van eenzelfde schoolbestuur én gelegen op dezelfde campus door zowel leerlingen en ouders als schoolbesturen als één school worden ervaren.

Het gaat hier niet om een bij decreet verplichte voorrangsgroep. Als een schoolbestuur deze voorrangsgroep wil gebruiken, dan moet het LOP secundair onderwijs er haar goedkeuring aan verlenen bij dubbele meerderheid na positief advies bij meerderheid van het betrokken LOP basisonderwijs of als er geen LOP basisonderwijs is, na positief advies bij meerderheid van de schoolbesturen van de lagere scholen en basisscholen gelegen in LOP-gebied secundair onderwijs.

De goedkeuring bij dubbele meerderheid binnen het betrokken LOP secundair onderwijs wordt bereikt wanneer enerzijds meer dan de helft van de aanwezige onderwijsparticipanten (directies en schoolbesturen gewoon secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en CLB’s gelegen in het LOP-gebied) en anderzijds meer dan de helft van de aanwezige niet-onderwijsparticipanten (vakorganisaties, ouderverenigingen, leerlingenraden, lokale socio-culturele en/of economische partners, organisaties van etnisch-culturele minderheden, verenigingen waar armen het woord nemen, integratiesector, onthaalbureau, schoolopbouwwerk) er hun goedkeuring aan verlenen.

Het positief advies bij meerderheid binnen het betrokken LOP basisonderwijs wordt bereikt wanneer het verleend wordt door enerzijds meer dan de helft van de aanwezige onderwijsparticipanten en anderzijds meer dan de helft van alle aanwezige participanten.

7.3.5. Voorrang voor indicator- en niet-indicatorleerlingen

7.3.5.1. Algemeen

Eén van de uitgangspunten van het inschrijvingsrecht is het streven naar sociale mix en sociale cohesie. De voorrangsregeling voor indicator- en niet-indicator-leerlingen biedt aan een schoolbestuur een instrument om – via de systematiek van dubbele contingentering (zie 7.3.5.3) – deze doelstelling te realiseren op schoolniveau.

Deze voorrangsgroep is verplicht voor het eerste leerjaar van de eerste graad binnen LOP-gebied, en voor aanmeldende scholen. Scholen voor buitengewoon secundair onderwijs en scholen buiten LOP-gebied mogen kiezen voor deze voorrangsgroep.

7.3.5.2. Indicatoren

Belangrijk! De indicatoren "thuislozen" en "trekkende bevolking" worden geschrapt. Voor meer dan 99% van de leerlingen in het secundair onderwijs hebben deze indicatoren geen impact op het behoren tot de groep indicator- of niet-indicatorleerlingen. Het schrappen van deze indicatoren vereenvoudigt het inschrijven en de communicatie over het dubbel contingenteren.
Beide indicatoren blijven wel behouden voor de berekening van de omkadering en de werkingsmiddelen.

Een indicatorleerling is een leerling die aan minstens één van de volgende indicatoren voldoet:

  • het gezin ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage van de Vlaamse Gemeenschap;
  • (…)
  • de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.

Een niet-indicatorleerling is een leerling die aan geen van beide indicatoren beantwoordt.

Bij elke nieuwe inschrijving moet een leerling aan de hand van bewijsstukken opnieuw aantonen of hij/zij aan één of meerdere indicatoren beantwoordt.

(…)

Een ouder toont de toekenning van een schooltoelage aan met:

  • ofwel een bewijs van de afdeling Studietoelagen dat het gezin recht heeft op een schooltoelage in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar van de inschrijving of in het daaraan voorafgaande schooljaar;
  • ofwel een rekeninguittreksel met bewijs van storting van de schooltoelage in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar van de inschrijving of in het daaraan voorafgaande schooljaar.

Het voldoen aan de indicator diploma moeder gebeurt aan de hand van een verklaring op eer.

Als een leerling en zijn ouders de school niet wenst te informeren of foutief informeert over het al dan niet voldoen aan de indicatoren, dan kan die leerling geen gebruik maken van zijn voorrangsrecht. Hij kan zich dan wél nog in de vrije inschrijvingsperiode (zie 8) inschrijven.

7.3.5.3. Procedure dubbele contingentering

Een schoolbestuur dat voor zijn school/scholen voorrang wil – of moet (zie 7.3.5.1)– verlenen aan indicator- of niet-indicatorleerlingen doet dat aan de hand van de systematiek van dubbele contingentering.

Dubbele contingentering betekent dat een schoolbestuur voor zijn school/scholen twee contingenten bepaalt voor de gelijktijdige inschrijving van indicator- en niet-indicatorleerlingen. Samen vormen de twee contingenten 100% van alle leerlingen (zowel de reeds ingeschreven leerlingen als de nieuw in te schrijven leerlingen) op elke capaciteit waarvoor het schoolbestuur een registerblad in het inschrijvingsregister gebruikt (zie 9).

Deze twee contingenten zijn gericht op het verkrijgen van een evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen over de scholen in (een deelgebied van)  LOP-gebied of voor de scholen in een gemeente buiten LOP-gebied.

Bij het bepalen van de contingenten kan het schoolbestuur rekening houden met de relatieve aanwezigheid (zie 7.3.5.4.1 of 7.3.5.4.2). Het schoolbestuur mag echter ook met andere elementen dan de relatieve aanwezigheid rekening houden (het aandeel indicatorleerlingen dat in de buurt woont, leerlingenstromen tussen deelgebieden, enz.). Doelstelling van de dubbele contingentering moet altijd zijn de sociale mix in de scholen te versterken en segregatie te vermijden of te doorbreken.

De contingenten worden meegedeeld aan alle belanghebbenden (leerlingen, ouders, CLB, andere scholen, intermediairs, …).

Om zicht te krijgen op het aantal nieuw in te schrijven leerlingen per contingent, neemt het schoolbestuur het aantal reeds ingeschreven leerlingen op in het contingent waartoe ze behoren.

Het schoolbestuur vult beide contingenten verder aan met nieuwe inschrijvingen, te beginnen met leerlingen die behoren tot een voorrangsgroep. Ook zij worden per voorrangsgroep opgenomen in het contingent waartoe ze behoren en dit zolang het contingent niet is bereikt.

De inschrijving van leerlingen, die zich aandienen nadat het contingent waartoe ze behoren bereikt is, wordt uitgesteld. Deze leerlingen worden chronologisch in het inschrijvingsregister als uitgesteld ingeschreven. Dit geldt niet voor de Nederlandstalige indicatorleerlingen in Brussel (zie 7.3.3).

Opgelet! Een uitgestelde inschrijving is niet hetzelfde als een niet-gerealiseerde inschrijving. Een uitgestelde inschrijving wordt na elke voorrangsperiode omgezet in een gerealiseerde inschrijving of een niet-gerealiseerde inschrijving.

Als beide contingenten bereikt zijn nog vóór het afsluiten van een voorrangsperiode, dan wordt voor alle leerlingen die in het inschrijvingsregister vermeld staan als uitgesteld, de inschrijving geweigerd. De uitgestelde inschrijving in het inschrijvingsregister wordt dan omgezet in een niet-gerealiseerde inschrijving. De ouders van de leerlingen die zo niet ingeschreven kunnen worden én ook de ouders van alle volgende leerlingen worden geweigerd en ontvangen een mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving (zie 10.3).

Als bij het afsluiten van een voorrangsperiode het andere contingent nog niet bereikt is, dan worden de openstaande plaatsen opgevuld met leerlingen die in het inschrijvingsregister vermeld staan als uitgesteld. Dit gebeurt in overleg met de ouders en met respect voor de in het inschrijvingsregister opgenomen chronologie. De leerlingen die zo niet kunnen worden ingeschreven, worden geweigerd en de ouders ontvangen een mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving.

Leerlingen die ingeschreven worden tijdens de vrije inschrijvingsperiode worden chronologisch genoteerd. Op dat moment geldt de dubbele contingentering niet meer. Indien één van deze leerlingen afziet van zijn inschrijving en vervangen moet worden, geldt het principe van contingentering niet meer. De leerling wordt vervangen door de eerst genoteerde leerling op de lijst van niet-gerealiseerde inschrijvingen.

7.3.5.4. Afspraken maken over relatieve aanwezigheid en dubbele contingentering

7.3.5.4.1. Binnen LOP-gebied

Het LOP maakt voor de start van de inschrijvingen afspraken over:

  • de berekening van de relatieve aanwezigheid in haar werkingsgebied of deelgebieden ervan. De relatieve aanwezigheid is de procentuele verhouding tussen het aantal indicatorleerlingen en het totaal aantal leerlingen van alle scholen gelegen binnen LOP-gebied of deelgebieden ervan en dit eventueel tot op de capaciteitsniveaus (zie 3.2);
  • de berekening van de relatieve aanwezigheid in vestigingsplaatsen en scholen. Dit is de procentuele verhouding tussen het aantal indicatorleerlingen en het totaal aantal leerlingen in de vestigingsplaatsen en scholen en dit eventueel tot op de capaciteitsniveaus (zie 3.2) 
  • de capaciteitsniveaus van de school waarop de contingenten bepaald zullen worden en de verschillen die er eventueel tussen de deelgebieden gemaakt worden; 
  • de wijze waarop de contingenten bepaald zullen worden: welke elementen – buiten de relatieve aanwezigheid – worden in rekening genomen bij het bepalen van de contingenten en op welke wijze zijn de contingenten gericht op het verkrijgen van een evenredige verdeling van de leerlingen in de scholen;
  • de wijze waarop andere actoren betrokken zullen worden bij enerzijds de werving, toeleiding en ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van scholen.

Er is geen enkele school binnen LOP-gebied, en/of die de inschrijvingen laat voorafgaan door aanmeldingen, die kan worden vrijgesteld van de verplichting om de sociale mix voorop te stellen met uitzondering van de scholen voor buitengewoon onderwijs.

7.3.5.4.2. Buiten LOP-gebied

Voor een school gelegen buiten LOP-gebied, is de relatieve aanwezigheid in de school of vestigingsplaats de procentuele verhouding tussen het aantal indicatorleerlingen en het totaal aantal leerlingen in een school of vestigingsplaats.

De relatieve aanwezigheid in de gemeente is de procentuele verhouding tussen het aantal indicatorleerlingen en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen de gemeente.

Tussen scholen gelegen binnen een gemeente mogen er ook afspraken gemaakt worden over het streven naar sociale mix en de capaciteitsniveaus waarop de contingenten bepaald zullen worden. Deze scholen zijn daar echter niet toe verplicht.

7.3.5.5. Beschikbaarheid gegevens van AgODi

Als een schoolbestuur er om vraagt, geeft AgODi informatie over welke van haar leerlingen indicatorleerling zijn en welke niet-indicatorleerling (zie 7.3.5.2). Een schoolbestuur hoeft dus zelf niet na te gaan of het statuut van een reeds ingeschreven leerling sinds zijn/haar inschrijving is gewijzigd. Als een school toch op de hoogte is dat het statuut van een reeds ingeschreven leerling is gewijzigd, dan kan ze deze informatie niet negeren en dan moet het schoolbestuur die leerling ook van contingent (zie 7.3.5.3) veranderen.

Daarnaast stelt AgODi aan het LOP gegevens ter beschikking over het aantal indicator- en niet-indicatorleerlingen van de scholen gelegen in LOP-gebied. Deze gegevens zijn steeds afkomstig van de meest recente jaarlijks centraal georganiseerde telling. Raadpleeg deze gegevens op: http://www.ond.vlaanderen.be/wegwijs/agodi/cijfermateriaal/relatieve_aanwezigheid_indicatorleerlingen/default.htm

8. De vrije inschrijvingsperiode

Na het afsluiten van de voorrangsperiodes start de vrije inschrijvingsperiode. Tijdens deze periode schrijven leerlingen zich in chronologische volgorde in en moet de school geen rekening meer houden met de dubbele contingentering.

Voor een school gelegen buiten LOP-gebied kan de vrije inschrijvingsperiode ook vóór de eerste schooldag van maart starten op voorwaarde dat de school geen enkele leerling weigert op basis van capaciteit.

Voor een school gelegen in LOP-gebied kan de vrije inschrijvingsperiode enkel starten na de inschrijving van indicator- en niet-indicatorleerlingen.

9. Het inschrijvingsregister

Een schoolbestuur hanteert voor elke capaciteit (zie 3.2) een registerblad waarin alle gerealiseerde, uitgestelde en niet-gerealiseerde inschrijvingen chronologisch, in voorkomend geval per contingent, worden genoteerd.

Bij het toepassen van het systeem van volzetverklaring (zie 5.1), hanteren school- of centrumbesturen per niveau van de volzetverklaring een registerblad waarin het alle gerealiseerde en, eventueel niet-gerealiseerde inschrijvingen, chronologisch noteert.

Voor meer informatie, raadpleeg de omzendbrief SO/2012/03: http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=14469

10. Weigeren

Elke leerling heeft een recht op inschrijving in een school of vestigingsplaats van keuze (zie 2.1). Dit recht kent  enkele grenzen. Een schoolbestuur kan/moet de inschrijving van een leerling weigeren als:

  • de leerling niet voldoet aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden op de dag van de effectieve instap (10.1.1);
  • de inschrijving van de leerling tot doel heeft in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen te gaan (10.1.2);
  • de capaciteit wordt overschreden (10.1.3);
  • het niveau waarin de leerling wil inschrijven volzet werd verklaard (10.1.3);
  • de leerling het lopende schooljaar, het vorige schooljaar of het daaraan voorafgaande schooljaar uit de school werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel (10.1.4);
  • de leerling elders werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel (10.1.4);
  • de leerling specifieke onderwijsbehoeften heeft (10.1.5).

Elk van deze weigeringsgronden is gekoppeld aan voorwaarden waaraan moet worden voldaan vooraleer de respectieve weigeringsgrond kan worden ingeroepen.

10.1. Weigeringsgronden

10.1.1. Toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden

Een leerling die niet voldoet aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden voor het onderwijsniveau, de studierichting en het leerjaar waarin hij/zij zich wil inschrijven, kan geweigerd worden. Dit wil echter niet zeggen dat de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden al moeten vervuld zijn op het moment van de inschrijving. Aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden moet pas voldaan zijn op de dag van de effectieve instap of op het ogenblik dat de toelatingsklassenraad een beslissing neemt. Bij verandering van studiekeuze in de loop van het schooljaar impliceert dit wel dat de leerling ook moet voldoen aan de overgangsvoorwaarden.

Voorbeeld: Een leerling die zich wil inschrijven in het eerste leerjaar van de tweede graad van het ASO, TSO of KSO in het voltijds gewoon secundair onderwijs, kan worden toegelaten als regelmatige leerling als deze leerling:

- ofwel het tweede leerjaar van de eerste graad met vrucht heeft beëindigd;

- ofwel het eerste leerjaar van de tweede graad van het BSO met vrucht heeft beëindigd en de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt;

- ofwel uit het buitengewoon secundair onderwijs komt en de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt.

Voor de studierichtingen wetenschappen-topsport ASO en topsport TSO moet de leerling bovendien een topsportstatuut A of B hebben verkregen.

Voor bepaalde studierichtingen kan toelating afhankelijk worden gesteld van medische geschiktheid of het slagen voor een toelatingsproef.

In het deeltijds beroepssecundair onderwijs moet de leerling enerzijds voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht en anderzijds de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Bovendien moet de leerling zich onderwerpen aan een screening en trajectbegeleiding. Voor de toelating tot een bepaalde module van een opleiding kunnen bijzondere instapvereisten gelden die betrekking hebben op vooropleiding of medische geschiktheid.

Voor het buitengewoon onderwijs betekent dit onder meer dat een leerling die zich met een attest aandient voor een opleidingsvorm en een type van buitengewoon secundair onderwijs dat in de school georganiseerd wordt, moet ingeschreven worden (ook rekening houdend met de aanwezige opleidingen in OV3 en OV4). Een leerling met een attest mag niet geweigerd worden omdat de school zich richt op een specifieke doelgroep binnen het type. Deze werkwijze kan niet gebruikt worden.

Voorbeeld: Een leerling met autisme en een ernstig verstandelijke handicap met een inschrijvingsverslag type 2 die zich wil inschrijven in een school waar type 2 georganiseerd wordt, kan daar niet geweigerd worden; de school kan zich niet beperken tot leerlingen die behoren tot de bovengrens van type 2.

Een leerling die niet voldoet aan de toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden kan wel ingeschreven worden als "vrije" leerling. Voor meer informatie over de inschrijving van een "vrije" leerling, raadpleeg:

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=9418#3.7 (voltijds gewoon secundair onderwijs)

http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=13259#1 (buitengewoon secundair onderwijs)

10.1.2. Alterneren

De inschrijving van een leerling wordt geweigerd wanneer deze leerling binnen eenzelfde schooljaar door de ouders afwisselend in verschillende scholen in- en uitgeschreven wordt. Dergelijke vormen van alternerend schoollopen zijn niet in het belang van het kind en schenden zijn rechten. Een kind kan niet volledig participeren aan het schoolgebeuren waar het maar voor de helft aanwezig is. Zodoende dragen dergelijke praktijken niet bij tot het bevorderen van een succesvolle schoolloopbaan van het kind.

De inschrijving zal geweigerd worden door de school die dit vaststelt. Dit kan op verschillende manieren gebeuren, bijvoorbeeld op basis van het feit dat hetzelfde kind meerdere keren werd ingeschreven in dezelfde school in hetzelfde schooljaar. De appreciatiebevoegdheid ligt bij de directie van de school. Het kind blijft dan ingeschreven in de voorgaande school.

10.1.3. Capaciteit of volzetverklaring

Vóór de start van de inschrijvingsperiode kan, desgevallend moet, een schoolbestuur voor elk van zijn scholen de capaciteit(en) bepalen (zie 3.2).

Een schoolbestuur moet elke bijkomende inschrijving weigeren wanneer deze tot gevolg heeft dat de vooropgestelde capaciteit wordt overschreden of wanneer dat bepaald niveau werd volzet verklaard.

Wanneer een schoolbestuur capaciteit of volzetverklaring inroept om een leerling niet in te schrijven, moet dit principe consequent toegepast worden bij elke nieuwe vraag tot inschrijving. Het schoolbestuur moet via het inschrijvingsregister waarin op de registerbladen alle gerealiseerde en niet-gerealiseerde inschrijvingen chronologisch worden genoteerd, kunnen aantonen dat na de niet-gerealiseerde inschrijving omwille van onvoldoende capaciteit of volzetverklaring geen nieuwe leerlingen werden ingeschreven. Voor welbepaalde categorieën van leerlingen is inschrijven ondanks het bereiken van de capaciteit of volzetverklaring wel mogelijk (zie 11). Het schoolbestuur kan er ook steeds voor kiezen om de capaciteit te verhogen (zie 3.4) of de volzetverklaring op te heffen.

10.1.4. Definitieve uitsluitingen

Een schoolbestuur mag de inschrijving weigeren in een school waar een leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Een dergelijke niet-gerealiseerde inschrijving kan eveneens in het geval de inschrijvingen doorlopen van de ene naar de andere school als dit opgenomen is in het schoolreglement van de betrokken scholen. Deze scholen worden dan wat het inschrijvingsrecht betreft als één geheel beschouwd.

Voorbeeld: Een leerling die definitief wordt uitgesloten in het tweede leerjaar van de eerste graad van een autonome middenschool kan het volgende schooljaar in het eerste leerjaar van de tweede graad worden geweigerd door de bovenbouwschool die op dezelfde campus (zie 2.2) gelegen is als de inschrijvingen van de ene naar de andere school doorlopen en beide scholen dit in hun schoolreglement hebben opgenomen.

Een schoolbestuur van een school voor gewoon secundair onderwijs waarvan de draagkracht onder druk staat, kan slechts na overleg en goedkeuring binnen het LOP de inschrijving in de loop van het schooljaar weigeren van een leerling die elders werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel.

In de praktijk komt deze specifieke groep leerlingen tijdens het schooljaar vaak in een beperkt aantal scholen terecht. Dit kan een ernstige impact vormen op de draagkracht van deze scholen. De niet-gerealiseerde inschrijving kan enkel volgens criteria die vooraf afgesproken zijn binnen het LOP.

Als beoordelingsgrond voor de belasting van de school moet er minstens rekening worden gehouden met:

  • het aantal indicatorleerlingen;
  • het aantal leerlingen met een begeleidingsdossier in het kader van problematische afwezigheden in de school;
  • het aantal eerder in de loop van het schooljaar ingeschreven leerlingen die in hetzelfde schooljaar elders werden uitgesloten.

Wanneer het LOP geen consensus bereikt over de principes en de procedures die gebruikt zullen worden en bijgevolg geen criteria kan afspreken en vastleggen, dan kan geen enkele school gelegen binnen het desbetreffende LOP-gebied een elders uitgesloten leerling weigeren.

Bij deze niet-gerealiseerde inschrijvingen zal het LOP automatisch een bemiddelingstaak opnemen en kan in sommige omstandigheden een beoordeling door de CLR van toepassing zijn.

Scholen die gelegen zijn buiten LOP-gebied kunnen deze weigeringsgrond niet inroepen.

10.1.5. Leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon secundair onderwijs

Vanaf 1 januari 2015 zijn nieuwe regels van kracht voor de inschrijving in het gewoon secundair onderwijs van leerlingen die beschikken over een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs. De draagkrachtafweging wordt vervangen door een nieuwe regeling waarbij het begrip "redelijkheid van aanpassingen" centraal staat (zie 10.1.5.1).

Vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016 is uitsluitend de afweging van redelijkheid van aanpassingen van toepassing bij de inschrijving in het gewoon secundair onderwijs van leerlingen die beschikken over een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs.

10.1.5.1. Situering: van draagkrachtafweging naar afweging van redelijkheid van aanpassingen

In 2009 ratificeerde het Vlaams Parlement het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap en het bijhorende facultatief protocol. Daardoor is de plicht ontstaan om de aangegane engagementen uit te voeren en concreet om te zetten in wetgeving en beleid.

Artikel 24 van het verdrag bevestigt het recht op onderwijs van personen met een handicap en stelt dat inclusief onderwijs gewaarborgd moet worden om dit recht zonder discriminatie en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken. Artikel 24 definieert ook een recht op redelijke aanpassingen naargelang de behoefte van de persoon in kwestie.

Het begrip (onvoldoende) "draagkracht" als weigeringsgrond staat op gespannen voet met het VN-verdrag. Met het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften ("M-decreet") werd de draagkrachtafweging dan ook vervangen door een nieuwe regeling waarbij de afweging van de redelijkheid van aanpassingen centraal staat.

Opgelet! Het M-decreet wijzigt de manier waarop de documenten die toegang geven tot het buitengewoon onderwijs worden toegekend.

Er worden vanaf 1/1/2015, voor inschrijvingen vanaf schooljaar 2015-2016, geen inschrijvingsverslagen buitengewoon onderwijs meer opgemaakt, maar enkel nog "verslagen" voor toegang tot buitengewoon onderwijs en "gemotiveerde verslagen".

Het M-decreet bevat wel een overgangsmaatregel waardoor GON-leerlingen en leerlingen in het buitengewoon onderwijs, het inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs waarover ze nog beschikken, kunnen behouden als niets aan hun situatie binnen GON of in het buitengewoon onderwijs verandert.

Vanaf 1/1/2015 is voor de inschrijving van een leerling met specifieke onderwijsbehoeften een verslag of (voor GON-leerlingen) gemotiveerd verslag vereist, in ieder geval in volgende situaties:

- Bij de overstap van basisonderwijs naar secundair onderwijs
- Bij verandering van type en/of opleidingsvorm
- Bij de overstap van het gewoon naar het buitengewoon onderwijs
- Bij de overstap van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs

Het CLB maakt bij deze overgangen, afhankelijk van de individuele situatie, en gebaseerd op de nieuwe criteria bepaald in het M-decreet, een verslag of (voor GON-leerlingen) gemotiveerd verslag op.

Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag, die van school veranderen binnen het gewoon secundair onderwijs of binnen het buitengewoon secundair onderwijs, en die niet over een verslag of gemotiveerd verslag beschikken gelden specifieke overgangsmaatregelen. Meer informatie is terug te vinden in de kaders onder punt 10.1.5.3 (voor een leerling met een inschrijvingsverslag in het kader van GON) en 10.1.5.4 (voor een leerling met een inschrijvingsverslag opgemaakt met het oog op toegang tot het buitengewoon onderwijs, of inclusief onderwijs (ION)).

Het M-decreet voorziet ook de mogelijkheid dat leerlingen met een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs studievoortgang kunnen maken in een school voor gewoon onderwijs op basis van het individueel aangepast curriculum waartoe met de opmaak van het verslag werd beslist. Deze leerlingen volgen dan niet meer het gemeenschappelijk curriculum.

De nieuwe regelgeving maakt een onderscheid tussen een inschrijvingsrecht dat onverkort geldt en een inschrijvingsrecht onder ontbindende voorwaarde. Of de leerling al dan niet beschikt over een "verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs" of over een "gemotiveerd verslag", is bepalend voor dit onderscheid.

Er zijn, wat het inschrijvingsrecht betreft, verschillende mogelijkheden:

  • de leerling heeft specifieke onderwijsbehoeften (bijvoorbeeld nood aan gepaste maatregelen en redelijke aanpassingen) maar heeft géén verslag (zie 10.1.5.2)
  • de leerling beschikt over een gemotiveerd verslag of is GON-leerling (zie 10.1.5.3)
  • de leerling beschikt over een verslag (zie 10.1.5.4)

10.1.5.2. Het inschrijvingsrecht geldt onverkort voor leerlingen zonder verslag

Het recht op inschrijving in een school of vestigingsplaats van keuze in het gewoon secundair onderwijs geldt onverkort voor leerlingen zonder verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs en die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen, al of niet met toepassing van redelijke aanpassingen.

Een nood aan remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen kan bijvoorbeeld geen reden zijn voor het weigeren van leerlingen die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven ook als regelmatige leerling in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad.

10.1.5.3. Inschrijvingsrecht dat onverkort geldt voor leerlingen met een gemotiveerd verslag of GON-leerlingen

GON-leerlingen zullen niet meer beschikken over een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs maar wel over een "gemotiveerd verslag". Het inschrijvingsrecht dat onverkort geldt is ook op hen van toepassing. Deze leerlingen kunnen m.a.w. niet geweigerd worden op basis van onredelijkheid van aanpassingen. Hetzelfde geldt voor GON-leerlingen met een inschrijvingsverslag. Ouders zijn niet verplicht het bestaan van een gemotiveerd verslag te melden bij inschrijving. Het gemotiveerd verslag behoort wel tot de leerlingengegevens die een school bij schoolverandering (hetzij tijdens het schooljaar, hetzij in geval van inschrijving met het oog op volgend schooljaar) doorgeeft aan de nieuwe school, en het CLB van de oude school aan het CLB van de nieuwe school.

Opgelet! Voor leerlingen met een inschrijvingsverslag in het kader van GON, die van school veranderen binnen het gewoon secundair onderwijs, en die niet over een gemotiveerd verslag beschikken geldt een onverkort recht op inschrijving. De leerling kan m.a.w. niet geweigerd worden op basis van onredelijkheid van aanpassingen.

10.1.5.4. Inschrijvingsrecht onder ontbindende voorwaarde voor leerlingen met een verslag

Het recht op inschrijving in een school of vestigingsplaats van keuze in het gewoon secundair onderwijs geldt evenzeer voor leerlingen met een verslag. Wanneer de ouders zich in een school voor gewoon secundair onderwijs aanbieden om hun kind in te schrijven en ze tekenen voor akkoord met het pedagogisch project en het schoolreglement dan moet het schoolbestuur de leerling inschrijven. De inschrijving onder ontbindende voorwaarde geeft het schoolbestuur immers de tijd om – in overleg met de ouders en het CLB - een grondige afweging te maken van de redelijkheid van de aanpassingen die nodig zijn. Wanneer ouders van een leerling met een verslag inschrijven, dan maakt het verslag deel uit van de informatie die ouders bij de inschrijving aan de school overmaken. De school verbindt zich er dan toe om een overleg te organiseren met CLB, ouders en de klassenraad over de aanpassingen die nodig zijn voor de leerling.

Indien het verslag niet gemeld werd door de ouders op het moment van de inschrijving, kan vanaf 1 september 2016 de ontbindende voorwaarde alsnog worden ingeroepen op het moment dat de school vaststelt dat er een verslag was op het moment van de inschrijving. Hetzelfde geldt voor een verslag dat wordt opgemaakt tussen het moment van de inschrijving en de effectieve instap in de school, en niet gemeld werd voor de instap. De school zet dan de inschrijving om in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde op het moment dat ze kennis neemt van het bestaan van een verslag.

Bij schoolverandering (hetzij tijdens het schooljaar, hetzij via inschrijving met het oog op volgend schooljaar) is de oude school verplicht een kopie van het verslag door te geven aan de nieuwe school. Ook het CLB van de vorige school is verplicht een kopie van het verslag door te geven aan het CLB van de nieuwe school. Ouders hebben er dus alle belang bij om bij de inschrijving het verslag over te maken, en meteen in overleg te gaan met de school en het CLB over redelijke aanpassingen.

De school organiseert overleg met de ouders, de klassenraad en het CLB over de aanpassingen die nodig zijn voor de leerling. De klassenraad bestaat uit de directeur of een afgevaardigde van de directeur, die de klassenraad voorzit en minstens drie leden van het onderwijzend personeel van het leerjaar, de onderwijsvorm en de onderverdeling waarvoor de leerling opteert. De klassenraad kan ambtshalve aangevuld worden met raadgevende leden, aangewezen door de voorzitter, bijvoorbeeld een personeelslid die bij de psycho-sociale of pedagogische begeleiding van de leerlingen betrokken is.

1. In eerste instantie wordt de redelijkheid afgewogen van de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum in het gewoon onderwijs. Er kan bij de afweging van de aanpassingen voor een gemeenschappelijk curriculum gebruik gemaakt worden van de analyse die eerder al gebeurde bij de opmaak van het verslag dat voor de leerling werd afgeleverd en dat toegang geeft tot buitengewoon onderwijs. Op dat moment werd immers onderzocht of de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te blijven nemen in een gemeenschappelijk curriculum onredelijk of onvoldoende waren. De school gaat samen met de ouders, de klassenraad en het CLB na of de aanpassingen die nodig zijn, ook in de context van de eigen school onredelijk zijn:

  • In het geval dat de school oordeelt dat de aanpassingen redelijk zijn om met de leerling toch binnen een gemeenschappelijk curriculum te kunnen werken, zijn de voorwaarden voor het verslag niet meer vervuld. Het verslag bepaalt immers dat er gewerkt moet worden op basis van een individueel aangepast curriculum. Het werken op basis van een gemeenschappelijk curriculum is daarmee onverenigbaar. In deze gevallen kan het CLB zelf het initiatief nemen of door de ouders of de school gevraagd worden om het verslag op te heffen.
  • Indien de school oordeelt dat de aanpassingen om de leerling te blijven meenemen in een gemeenschappelijk curriculum onredelijk zijn, dan moet de school een afweging van redelijke aanpassingen maken in kader van een individueel aangepast curriculum (zie 2).

2. In tweede instantie (en enkel indien de aanpassingen om een gemeenschappelijk curriculum te volgen onredelijk zijn) wordt bekeken of de school de leerling mits redelijke aanpassingen studievoortgang kan laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum.

  • Wanneer de school de aanpassingen redelijk (proportioneel) acht, wordt de inschrijving onder ontbindende voorwaarde omgezet in een gerealiseerde inschrijving. De leerling is dan definitief ingeschreven.

  • Indien de school na het overleg de aanpassingen onredelijk (disproportioneel) acht, motiveert het schoolbestuur waarom de aanpassingen die nodig zijn, als onredelijk worden beoordeeld en de ouders ontvangen een mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving (zie 10.3.). Ook het LOP wordt over de beslissing geïnformeerd. Belangrijk is dat het schoolbestuur de spil vormt in het gehele proces en verantwoordelijk is voor de motivering van de eventuele beslissing tot een niet-gerealiseerde inschrijving. Ze verzamelt hiertoe alle elementen, in overleg met de ouders, klassenraad en CLB.

De inschrijving wordt ontbonden op het moment dat deze leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk 1 maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit.

Ouders kunnen een beroep doen op het CLB en bemiddeling door het lokaal overlegplatform (LOP) vragen. Ouders of andere belanghebbenden kunnen tegen de beslissing van het schoolbestuur ook rechtstreeks een klacht indienen bij de Commissie inzake Leerlingenrechten. De motivering van het schoolbestuur zal door de CLR worden onderzocht. De leerling blijft in die periode ingeschreven.

Opgelet! Ook voor leerlingen met een inschrijvingsverslag (met het oog op toegang tot het buitengewoon onderwijs, of inclusief onderwijs (ION) die van school veranderen binnen het gewoon secundair onderwijs of van het buitengewoon secundair onderwijs naar het gewoon secundair onderwijs, geldt een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.

De school maakt in overleg met de ouders en het CLB - een grondige afweging van de redelijkheid van de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in:

- ofwel een gemeenschappelijk curriculum, waarna het inschrijvingsverslag wordt opgeheven en desgevallend een gemotiveerd verslag door het CLB wordt opgemaakt;

- ofwel een individueel aangepast curriculum, waarna het CLB een verslag opmaakt volgens de nieuwe criteria. Ook voor een ION-leerling geldt dat om aanspraak te kunnen blijven maken op ION-ondersteuning in de nieuwe school een verslag moet worden opgemaakt door het CLB.

10.1.5.5. Wijzigende nood aan aanpassingen tijdens de schoolloopbaan in het gewoon onderwijs

Ook tijdens de schoolloopbaan kan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigen en kunnen de onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag nodig is voor toegang tot buitengewoon onderwijs.

Opgelet: Het gaat hier over een verslag dat aan de nieuwe voorwaarden voldoet en dus niet over de oude inschrijvingsverslagen buitengewoon onderwijs, waarover bijvoorbeeld GON-leerlingen in het gewoon onderwijs beschikken.

Nadat zo’n verslag ook effectief werd afgeleverd door het CLB, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling, op vraag van de ouders, studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum. De klassenraad bestaat uit de directeur of een afgevaardigde van de directeur, die de klassenraad voorzit en minstens drie leden van het onderwijzend personeel die onderwijs verstrekken aan de leerling tijdens het schooljaar in kwestie in een bepaald leerjaar, een bepaalde onderwijsvorm en onderverdeling. De klassenraad kan ambtshalve aangevuld worden met raadgevende leden, aangewezen door de voorzitter, bijvoorbeeld een personeelslid van de school die bij de psycho-sociale of pedagogische begeleiding van de leerlingen betrokken is.

De school beslist vervolgens op basis van dit overleg om ofwel de leerling ingeschreven te laten en studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum ofwel om de inschrijving van de leerling te ontbinden. Een ontbinding van een inschrijving tijdens de schoolloopbaan op deze basis kan nooit uitwerking hebben in de loop van een schooljaar maar slechts met het oog op een daaropvolgende schooljaar. Het schoolbestuur motiveert haar beslissing en de ouders ontvangen ook in deze situatie een mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving (zie 10.3.).

Voor een leerling met een verslag die reeds een individueel aangepast curriculum volgt in het gewoon onderwijs en waarvan de nood aan aanpassingen tijdens de schoolloopbaan wijzigt, kan de school – in overleg met het CLB, de ouders en de klassenraad- opnieuw de redelijkheid van aanpassingen afwegen. De school kan dit enkel doen naar aanleiding van effectief gewijzigde noden en pas nadat de gewijzigde noden door het CLB in een gewijzigd verslag worden bevestigd. Het kan hierbij zowel gaan om een wijziging van type/opleidingsvorm als om gewijzigde ondersteuningsnoden zonder wijziging van type/opleidingsvorm. Indien uit het overleg blijkt dat de aanpassingen die nodig zijn om een leerling verder studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum redelijk zijn, kan de leerling de schoolloopbaan verderzetten. Indien echter blijkt dat de aanpassingen onredelijk zijn, kan de inschrijving ontbonden worden met het oog op een daaropvolgend schooljaar.

Ouders of andere belanghebbenden kunnen tegen de beslissing tot ontbinding van de inschrijving tijdens de schoolloopbaan door het schoolbestuur ook rechtstreeks een klacht indienen bij de Commissie inzake Leerlingenrechten. De motivering van de ontbinding van de inschrijving tijdens de schoolloopbaan zal door de Commissie inzake Leerlingenrechten worden onderzocht. De leerling blijft in die periode ingeschreven.

Met het verslag kunnen ouders echter ook de keuze maken om hun kind in te schrijven in een school voor buitengewoon secundair onderwijs, of in een andere school in het gewoon secundair onderwijs. Zij kunnen daar onmiddellijk toe beslissen of met het oog op een inschrijving van het daaropvolgend schooljaar.

Een stroomschema met een visuele voorstelling van de nieuwe regels over het recht op inschrijving van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften kan je vinden als bijlage 5.

10.1.5.6. Beoordeling van de redelijkheid van aanpassingen

Regelgevend kader

Niet alleen het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap maar ook het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid heeft het recht op redelijke aanpassingen verankerd. Het decreet stelt dat binnen de Vlaamse bevoegdheden elke vorm van discriminatie verboden is, zowel in de overheidssector als in de particuliere sector (onder andere het onderwijs).

Het weigeren van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap wordt als een vorm van discriminatie beschouwd (artikel 15, 6°). Er is sprake van het weigeren van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap, als aanpassingen die geen onevenredige belasting betekenen of waarvan de belasting in voldoende mate door bestaande maatregelen wordt gecompenseerd, worden geweigerd.

Wat beschouwen we als redelijke aanpassing?

Als aanpassing wordt beschouwd: elke concrete maatregel van materiële of immateriële aard die de beperkende invloed van een onaangepaste omgeving op de participatie van een persoon met een handicap neutraliseert. Scholen moeten binnen de grenzen van de redelijkheid in aanpassingen voorzien, zodat ook personen met een handicap van gelijke kansen kunnen genieten. De beoordeling of een concrete maatregel als een "redelijke aanpassing" kan worden beschouwd, wordt aan volgende overwegingen getoetst:

  • is de maatregel in kwestie doeltreffend, zodat de persoon met een handicap daadwerkelijk kan participeren? Dit betekent niet dat een maatregel enkel redelijk is als die er toe leidt dat de participatie volledig gerealiseerd kan worden. Dat een maatregel er niet in slaagt de belemmering volledig weg te werken of de evenwaardige of autonome participatie ten volle te realiseren, kan dan ook geen reden zijn om de maatregel die slechts een gedeeltelijke oplossing biedt, te weigeren. In die situatie wordt verwacht dat de redelijke aanpassing wordt doorgevoerd, als daardoor de participatie verbetert;
  • wordt de beperkende invloed van de onaangepaste omgeving op de participatie van de persoon door de maatregel geneutraliseerd?
  • maakt de maatregel een evenwaardige participatie van de persoon met een handicap mogelijk?
  • zorgt de maatregel ervoor dat de persoon met een handicap zelfstandig kan participeren?
  • waarborgt de maatregel de veiligheid van de persoon met een handicap?

Er wordt uitdrukkelijk geen lijst van aanpassingen opgenomen die redelijk of onredelijk zijn. De redelijkheid van aanpassingen moet steeds in de praktijk en per individuele situatie afgewogen worden. Redelijke aanpassingen kunnen verschillen naargelang het onderwijsniveau, naargelang binnen de context van een gemeenschappelijk curriculum dan wel een individueel aangepast curriculum gewerkt wordt. De verplichting om redelijke aanpassingen te realiseren vraagt per definitie een individuele benadering: zowel in het proces dat leidt tot de aanpassing als in de aanpassing zelf.

Wat het proces betreft betekent dit dat de partijen die deelnemen aan het overleg te goeder trouw tot een geschikte aanpassing trachten te komen. Ze doen dit in gezamenlijk overleg dat zich kenmerkt door openheid, interactiviteit en betrokkenheid. Het wordt niet over de hoofden heen beslist.

De aanpassing zelf vertrekt vanuit de individuele beleving van barrières, dus de persoonlijke situatie van de leerling. Een redelijke aanpassing wordt uitgewerkt op maat van elke leerling en hangt af van de onderwijsbehoefte van de leerling en de specifieke context. Essentieel is dat het proces gebeurt met actieve betrokkenheid van alle participanten: leerling, ouders, schoolteam en CLB.

Er zijn een aantal brochures uitgewerkt die inspiratie kunnen bieden rond redelijke aanpassingen. Het betreft de brochure ‘Met een handicap naar de school van je keuze’ van het Interfederaal Gelijkekansencentrum en de ‘Klaar voor redelijke aanpassingen’ van de Arteveldehogeschool.

10.1.5.7. Afweging van onredelijkheid of disproportionaliteit

Het decreet bepaalt geen termijn waarbinnen de afweging van redelijkheid van aanpassingen moet gebeuren. Het verdient aanbeveling om een passende termijn te respecteren en de termijn niet te laten aanslepen. In geval van een beslissing tot onredelijkheid moeten ouders nog de tijd hebben om andere oplossingen te zoeken.

Voor de afweging van disproportionaliteit moet gebruikgemaakt worden van de criteria die opgenomen zijn in het Protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België.

Of een aanpassing de grenzen van de redelijkheid overschrijdt, moet steeds in de praktijk én in individuele situaties afgewogen worden. Als criteria gelden:

  • de financiële impact van de aanpassing, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele ondersteunende financiële tegemoetkomingen en de financiële draagkracht van degene op wie de aanpassingsplicht rust. Hierbij dient opgemerkt te worden dat een aanpassing niet per definitie onredelijk wordt, wanneer ze meer kost dan een bepaalde tegemoetkoming, wel dat de financiële impact moet bekeken worden, rekening houdende met de eventuele tegemoetkoming die men kan krijgen;
  • de organisatorische impact van de aanpassing;
  • de te verwachten frequentie en duur van het gebruik van de aanpassing door een of meer personen met een handicap. Dit betekent dat naarmate een persoon frequenter en langduriger van een aanpassing gebruikmaakt, ze sneller als redelijk dient beschouwd te worden;
  • de mate waarin een persoon met een handicap door de aanpassing daadwerkelijk kan participeren;
  • de impact van de aanpassing op de veiligheid en gebruiksmogelijkheden voor andere gebruikers;
  • het ontbreken van een alternatief: een aanpassing zal sneller als redelijk beschouwd worden, als evenwaardige alternatieven ontbreken.

Een aanpassing die een onevenredig zware belasting meebrengt, moet niet worden aangeboden. Dit betekent echter niet dat in een dergelijke situatie in het geheel geen aanpassingen moeten worden geboden. Men zal op zoek moeten gaan naar een aanpassing die zo efficiënt mogelijk helpt bij het verwijderen van de hindernissen, maar die niet leidt tot een onevenredige belasting. Pas wanneer dat niet leidt tot het vinden van redelijke aanpassingen, kan tot disproportionaliteit besloten worden.

Het gebruik van een assistentiehond valt buiten de overwegingen die een school kan maken rond de redelijkheid van een aanpassing.

Het "decreet van 20 maart 2009 houdende de toegankelijkheid van publieke plaatsen voor personen met een assistentiehond" bepaalt immers dat het een recht is om publieke plaatsen te betreden, samen met de assistentiehond. De toegang mag enkel geweigerd worden indien wetgevende of reglementaire bepalingen dit toelaten. Met “andersluidende wetgevende of reglementaire bepaling” worden wetgevende en regelgevende teksten (vanuit een overheid) bedoeld en geen teksten als een school- of internaatsreglement.

Een school kan dus in algemene regel de aanwezigheid van een assistentiehond niet verbieden. Een assistentiehond kan wel geweigerd worden in lokalen of gedeelten van lokalen, bestemd voor intensieve zorgverlening en invasieve handelingen, operatie-kwartieren en verkoeverkamers, verloskamers, oncohematologie, hemodialyse- en brandwondeneenheden.

10.2. Lijst van niet-gerealiseerde inschrijvingen

Alle niet-gerealiseerde inschrijvingen, worden chronologisch genoteerd op de registerbladen van het inschrijvingsregister.

In geval van een voorrangsperiode voor indicator- en niet-indicatorleerlingen worden de leerlingen chronologisch genoteerd in het betreffende contingent.

Bij het opvullen van een vrijgekomen plaats wordt de volgorde van de lijst van de niet-gerealiseerde inschrijvingen (de "weigeringslijst") gerespecteerd tot en met de vijfde schooldag van oktober.

10.3. Mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving

Een schoolbestuur dat een leerling weigert, of een inschrijving van een leerling met specifieke onderwijsbehoeften ontbindt omwille van onredelijkheid van aanpassingen, moet dit binnen een termijn van 4 kalenderdagen motiveren. De motivering gebeurt volgens een opgelegd model "Mededeling van een niet-gerealiseerde inschrijving". Het model voor niet-gerealiseerde inschrijvingen binnen LOP-gebied is als bijlage 3 bij deze omzendbrief gevoegd, het model voor weigeren buiten het werkingsgebied van een LOP als bijlage 4.

De termijn van 4 kalenderdagen gaat in op het ogenblik dat het schoolbestuur de beslissing tot een niet-gerealiseerde inschrijving of ontbinding van de inschrijving omwille van onredelijkheid van aanpassingen heeft genomen. Het ogenblik waarop deze beslissing genomen wordt, kan verschillend zijn naargelang de weigeringsgrond die wordt gebruikt.

Voorbeeld. Bij een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van capaciteit gaat de termijn van 4 kalenderdagen in op het ogenblik dat het schoolbestuur de beslissing heeft genomen, namelijk op het moment van inschrijving. Bij een niet-gerealiseerde inschrijving omwille van onredelijkheid van de aanpassingen gaat de termijn van 4 kalenderdagen in op het ogenblik dat het schoolbestuur het afwegingsproces heeft beëindigd en effectief beslist heeft tot weigeren.

De motivering van een niet-gerealiseerde inschrijving bevat naast de juridische grond (d.w.z. de verwijzing naar de regelgeving) en de feitelijke grond (de situatie in de school) eveneens de datum en het uur van de inschrijving zoals in het inschrijvingsregister genoteerd werd (zie 9). In geval van een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van capaciteit of volzet verklaring vermeldt de motivering ook de plaats van de leerling onder de geweigerde leerlingen (desgevallend per contingent) op het registerblad in het inschrijvingsregister.

Als de ouders erom vragen, geeft het schoolbestuur een mondelinge toelichting bij de beslissing en bij de motivatie.

10.3.1. Binnen LOP-gebied

Een schoolbestuur dat een leerling weigert, moet dit binnen een termijn van 4 kalenderdagen motiveren en bij aangetekend schrijven of tegen afgiftebewijs meedelen aan de ouders van de leerling én volgens afspraak aan de voorzitter van het LOP.

De mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving geeft ook aan:

  • dat de ouders voor informatie of bemiddeling een beroep kunnen doen op het LOP. De contactgegevens van de LOP-deskundige worden vermeld op het document (zie 12.1);
  • dat ze een klacht kunnen indienen bij de CLR. Buiten het werkingsgebied van een LOP.

Een lijst van de LOP-deskundigen is ook te vinden op: http://www.ond.vlaanderen.be/gok/lop/;

10.3.2. Buiten LOP-gebied

Een schoolbestuur dat een leerling weigert, moet dit met een mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving binnen een termijn van 4 kalenderdagen motiveren en bij aangetekend schrijven of tegen afgiftebewijs meedelen aan de ouders van de leerling.

De mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving wordt ook gezonden naar AgODi, Scholen Secundair onderwijs:

  • per post: Koning Albert II-laan 15, lokaal 2 A 25, 1210 Brussel;
  • of per e-mail: scholen.secundaironderwijs.agodi@vlaanderen.be;
  • of per fax: 02 553 87 15.

De mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving geeft ook aan:

  • waar de ouders terecht kunnen voor informatie of bemiddeling
  • dat ze een klacht kunnen indienen bij de CLR.

11. Overcapaciteitsgroepen 

Voor een aantal categorieën van leerlingen mag een schoolbestuur toch nog overgaan tot een inschrijving ook al zijn er voordien reeds leerlingen geweigerd omwille van de overschreden capaciteit of volzetverklaring (zie 10.1.3). Het gaat om groepen waarvan de vraag tot inschrijving vaak nog niet gekend of mogelijk was op het moment van (de start van) de inschrijvingsprocedure.

Een school is niet verplicht leerlingen uit deze overcapaciteitsgroepen in te schrijven. Ieder schoolbestuur bepaalt bij elke vraag tot inschrijving in overcapaciteit of ze de leerling al dan niet inschrijft. Het inschrijven of het weigeren van een leerling in overcapaciteit houdt geen engagement in tot het inschrijven of weigeren van volgende leerlingen uit dezelfde of een andere overcapaciteitsgroep.

Een leerling uit een overcapaciteitsgroep mag op elk moment ingeschreven worden, zonder dat daarvoor de capaciteit verhoogd moet worden of de volzetverklaring opgeheven.

Leerlingen die in overcapaciteit ingeschreven mogen worden zijn:

1. leerlingen in het secundair onderwijs die

  • geplaatst zijn door de jeugdrechter of door een comité voor bijzondere jeugdzorg;
  • als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat;
  • opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;

2. kinderen van dezelfde leefentiteit, als de ouders deze kinderen wensen in te schrijven in hetzelfde capaciteitsniveau in de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs en slechts één van de kinderen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit.

3. leerlingen die terugkeren naar hun school voor buitengewoon onderwijs waar ze in het lopende of het voorafgaande schooljaar ingeschreven waren, maar zich daarna in het kader van geïntegreerd onderwijs in een school voor gewoon secundair onderwijs inschreven, of leerlingen die terugkeren naar hun school voor gewoon onderwijs nadat ze zich in het lopende of voorafgaande schooljaar hadden ingeschreven in het buitengewoon onderwijs.

Scholen kunnen deze leerlingen terug inschrijven, ook als intussen hun capaciteit bereikt is of volzet verklaard werd. De bedoeling van deze maatregel is om schoolbesturen die een engagement aangingen t.a.v. de ouders dat hun kind zou kunnen terugkeren naar hun school als de integratie niet zou lukken, in staat te stellen om dit engagement ook na te komen.

Het lopende en het voorafgaande schooljaar worden als volgt bepaald:

Voorbeeld 1. De inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016 starten in maart 2015. Een leerling die terugkeert vanuit het gewoon onderwijs naar zijn oude school voor buitengewoon onderwijs, biedt zich aan op 6 juni 2015 voor een pedagogische eenheid die reeds de capaciteit bereikte voor het schooljaar 2015-2016:

Lopende schooljaar = 2014-2015

Voorgaande schooljaar = 2013-2014

Voorbeeld 2. De inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016 starten in maart 2015. Een leerling die terugkeert vanuit het gewoon onderwijs naar zijn oude school voor buitengewoon onderwijs, biedt zich aan op 13 november 2015 voor een type dat reeds de capaciteit bereikte voor het schooljaar 2015-2016:

Lopende schooljaar =2015-2016

Voorgaande schooljaar = 2014-2015

12. De rechtsbescherming van de leerling

Voor de toepassing van de termijnen bepaald onder dit punt worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen, de schoolvakanties en facultatieve vakantiedagen niet meegerekend.

Ouders of belanghebbenden (CLB, andere scholen, intermediairs, …) kunnen beroep doen op bemiddeling en/of een klacht indienen bij de CLR, wanneer ze niet akkoord gaan met:

  • een niet-gerealiseerde inschrijving van de leerling;
  • de ontbinding van een inschrijving omwille van disproportionaliteit van de aanpassingen in geval van wijzigende noden (zie 10.1.5.5).

12.1. Bemiddeling

12.1.1. Binnen LOP-gebied

Het LOP bemiddelt binnen een termijn van 10 kalenderdagen tussen de leerling en zijn ouders en de scholen binnen het werkingsgebied, met het oog op de inschrijving van de leerling in een school. Zolang de bemiddeling loopt, wordt de termijn van 30 kalenderdagen bij de CLR (zie 12.2) opgeschort.

De bemiddeling gebeurt in bepaalde gevallen automatisch (tenzij de ouders uitdrukkelijk geen gebruik wensen te maken van de bemiddeling) of op uitdrukkelijke vraag van de ouders.

12.1.1.1. Automatische bemiddeling bij definitieve uitsluiting

Tenzij de ouders uitdrukkelijk geen gebruik wensen te maken van deze bemiddeling, start het LOP bij een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van een definitieve uitsluiting in een andere school automatisch een bemiddeling om zo snel mogelijk een oplossing te vinden voor de geweigerde leerling. Deze bemiddeling richt zich in de eerste plaats op de relatie tussen de ouders en de weigerende school om alsnog tot een consensus te komen. Wanneer de ouders geen inschrijving in deze school meer vragen, spitst de bemiddeling zich toe op het realiseren van een inschrijving in een andere school naar de keuze van de ouders.

12.1.1.2. Bemiddeling op verzoek van de ouders

Vanaf het schooljaar 2015-2016bemiddelt het LOP enkel nog op vraag van de ouders wanneer een inschrijving voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften niet-gerealiseerd wordt op basis van de onredelijkheid van de aanpassingen of wanneer de inschrijving met het oog op volgend schooljaar wordt ontbonden n.a.v. wijzigende noden.

Indien de bemiddeling – in geval van een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van de onredelijkheid van aanpassingen of een ontbinding van een inschrijving n.a.v. wijzigende noden – niet leidt tot een definitieve inschrijving in een school, dan maakt het LOP het dossier automatisch over aan de CLR.

Het LOP bemiddelt binnen een termijn van 10 kalenderdagen tussen de leerling en zijn ouders en de scholen binnen het werkingsgebied, met het oog op de inschrijving van de leerling in een school.

Zolang de bemiddeling loopt wordt de termijn van 30 kalenderdagen bij de CLR (zie 12.2) opgeschort.

Bij niet-gerealiseerde inschrijvingen op basis van andere redenen start het LOP alleen een bemiddeling wanneer de ouders er uitdrukkelijk om vragen.

12.1.2. Buiten LOP-gebied

Voor scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP, zal een provinciale bemiddelingscel, die bestaat uit een LOP-deskundige en een onderwijsinspecteur, de bemiddelingstaken op zich nemen.

Contactgegevens bemiddelingscel AgODi: 02/553 92 12

De provinciale bemiddelingscel bemiddelt binnen een termijn van 10 kalenderdagen tussen de leerling en zijn ouders en de scholen buiten het werkingsgebied, met het oog op een definitieve inschrijving van de leerling in een school. Zolang de bemiddeling loopt, wordt de termijn van 30 kalenderdagen bij de CLR (zie 12.2) opgeschort.

Indien de bemiddeling niet leidt tot een definitieve inschrijving in een school, dan maakt de bemiddelingscel het dossier automatisch over aan de CLR.

12.2. Klacht bij de Commissie inzake Leerlingenrechten (CLR)

Wanneer ouders of belanghebbenden (CLB, andere scholen, intermediairs, …) niet akkoord gaan met de niet-gerealiseerde inschrijving van het kind en ze geen gebruik willen maken van de bemiddeling of de bemiddeling niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, dan kunnen zij klacht indienen bij de CLR.

Ouders of belanghebbenden kunnen ook een klacht indienen wanneer ze niet akkoord zijn met de ontbinding van de inschrijving omwille van onredelijkheid van aanpassingen in geval van wijzigende noden.

De klacht indienen moet schriftelijk gebeuren binnen 30 kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten. Dit hoeft niet noodzakelijk samen te vallen met het moment waarop de feiten zich hebben voorgedaan. Klachten die na de termijn van 30 kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk. Zolang de procedure bij de CLR loopt, blijft de leerling ingeschreven.

Contactgegevens van de CLR:

http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenrechtencommissie/contact.htm

12.2.1. Procedure

Binnen een termijn van 21 kalenderdagen, die ingaat de dag na de betekening of de poststempel van die schriftelijke klacht, zal de CLR oordelen of de niet-gerealiseerde inschrijving al dan niet gegrond is.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen 7 werkdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen (ouders) en de voorzitter van het LOP. Als de school niet gelegen is in LOP-gebied, dan wordt het oordeel verstuurd naar de betrokkenen en AgODi.

Met betrekking tot de niet-gerealiseerde inschrijvingen gaat de CLR na of de motivatie die gegeven wordt al dan niet correct is.

Oordeelt de CLR dat de niet-gerealiseerde inschrijving of de ontbinding van de inschrijving tijdens de schoolloopbaan wegens wijzigende noden gegrond is, dan schrijven de ouders de leerling in een andere school in. Ouders die er om vragen worden daarin bijgestaan door het LOP, inzonderheid de CLB’s die deel uitmaken van dat LOP of de provinciale bemiddelingscel.

Indien de CLR dat de niet-gerealiseerde inschrijving omwille van onredelijkheid van aanpassingen gegrond acht, moet de leerling zich inschrijven in een andere school binnen de 15 dagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR.

12.2.2. Sanctie

De CLR kan – wanneer ze vaststelt dat een niet-gerealiseerde inschrijving niet rechtsgeldig is – de Vlaamse Regering adviseren het betrokken schoolbestuur te sanctioneren door een deel van de werkingsmiddelen van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had, in te houden of terug te vorderen.

De CLR kan een dossier over een niet-gerealiseerde inschrijving of ontbinding van een inschrijving omwille van onredelijkheid van aanpassingen aanhangig maken bij het InterfederaalGelijkekansencentrum.

13. De aanmeldingsprocedure

13.1. Wat is aanmelden?

Aanmelden is het kenbaar maken van een intentie tot inschrijven voor een bepaald schooljaar in één of meerdere scholen of vestigingsplaatsen waarbij een volgorde in keuze wordt aangegeven.

Aanmelden mag enkel voor het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en voor het buitengewoon secundair onderwijs. Dit mag zowel binnen als buiten LOP-gebied.

13.2. Waarom aanmelden?

Een schoolbestuur kan voor zijn school/scholen een aanmeldingsprocedure instellen:

  • in functie van het optimaliseren van het inschrijvingsproces, en/of
  • in functie van het streven naar een evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen.

Een school die aanmeldt is in ieder geval verplicht te werken met dubbele contingentering (behalve in het buitengewoon onderwijs).

  • Het inschrijvingsproces optimaliseren

Zowel in het geval van een (dreigend) capaciteitstekort als in het geval er geen capaciteitstekort is, kan het voor een schoolbestuur zinvol zijn om een aanmeldingsprocedure te installeren.

In het geval van een (dreigend) capaciteitstekort zal het instellen van een aanmeldingsprocedure geen oplossing bieden voor het tekort zelf maar wel aan de leerlingen en ouders meer rechtszekerheid en transparantie bieden bij de inschrijvingen. Een schoolbestuur kan er ook kampeertoestanden en fysieke wachtrijen mee vermijden.

Ook zonder capaciteitstekort kan het installeren van een aanmeldingsprocedure in het belang zijn van een schoolbestuur én de leerlingen en hun ouders. Door het installeren van een aanmeldingsprocedure wordt immers de druk op de inschrijvingsperiode weggenomen waardoor het schoolbestuur tijdens deze periode meer tijd en ruimte krijgt om leerlingen en ouders te informeren over de werking van de school, het pedagogisch project en het schoolreglement.

  • Het streven naar een evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen

De ervaringen met de aanmeldingsprocedures tonen aan dat het werken met een aanmeldingsprocedure er toe leidt dat een schoolbestuur meer zicht krijgt op de samenstelling van de leerlingenpopulatie en gerichter kan werken naar een evenredige verdeling tussen indicator- en niet-indicatorleerlingen in zijn school en vestigingsplaatsen.

13.3. Het tot stand komen van een aanmeldingsprocedure

Een aanmeldingsprocedure komt tot stand op basis van vrijwilligheid en lokale consensus. De overheid kan echter bij manifeste capaciteitsproblemen een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of een LOP er toe verplichten een aanmeldingsprocedure in te stellen.

Voor het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs is van deze mogelijkheid nog geen gebruik gemaakt. Voor het gewoon basisonderwijs geldt al een verplichting voor de steden Antwerpen, Brussel en Gent.

De totstandkoming van een aanmeldingsprocedure verschilt al naargelang de ligging van de school.

Voor scholen gelegen binnen LOP-gebied komt een aanmeldingsprocedure tot stand binnen het LOP op initiatief van een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP zelf. Het voorstel van aanmeldingsprocedure wordt steeds goedgekeurd door het LOP. Dit voorstel moet bij dubbele meerderheid worden goedgekeurd door het LOP. Deze dubbele meerderheid wordt bereikt wanneer de goedkeuring verleend wordt door enerzijds meer dan de helft van de aanwezige onderwijsparticipanten en anderzijds meer dan de helft van de aanwezige niet-onderwijsparticipanten. Om rechtsgeldig te kunnen vergaderen en beslissen, moet ook het aanwezigheidsquorum zoals bepaald in het huishoudelijk reglement van het LOP, zijn bereikt.

  • Voor scholen gelegen in gemeenten buiten LOP-gebied komt een aanmeldingsprocedure tot stand op initiatief van een schoolbestuur of meerdere schoolbesturen samen. Het installeren van een aanmeldingsprocedure wordt door het betrokken schoolbestuur of de betrokken schoolbesturen samen ter kennisgeving meegedeeld aan de schoolbesturen van de andere scholen gelegen binnen die gemeente.

  • Scholen gelegen in gemeenten buiten LOP-gebied maar grenzend aan LOP-gebied kunnen er voor kiezen om aan te sluiten bij de aanmeldingsprocedure van dat LOP.
  • Scholen die gelegen zijn in gemeenten die grenzen aan LOP-gebied Brussel kunnen aansluiten bij de aanmeldingsprocedure van dat LOP maar zullen gebruik moeten maken van de ordeningscriteria die gelden voor het Vlaams Gewest (zie 13.5.1)

13.3.1. Het voorstel van aanmeldingsprocedure

Een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of een LOP dat een aanmeldingsprocedure wil instellen (= initiatiefnemer), bereidt een voorstel van aanmeldingsprocedure voor dat minstens volgende elementen bevat:

  • de start en de duur van de aanmeldingsperiode, alle deelperiodes en periodes waarin kan worden ingeschreven, en de motivering ervan;
  • het middel of de middelen tot aanmelding. De initiatiefnemer kiest autonoom het aanmeldingsmiddel (vb. via PC, telefoon);
  • de wijze waarop de capaciteit(en), de vrije plaatsen (desgevallend per contingent), de aanmeldingsmiddelen, de aanmeldingsperiode of alle deelperiodes en de inschrijvingsperiodes door het betrokken schoolbestuur of de betrokken schoolbesturen worden bekendgemaakt;
  • de manier waarop een leerling in één aanmeldingsdossier voor verschillende scholen of vestigingsplaatsen tegelijk kan aanmelden, als de aanmeldingsprocedure geldt voor meerdere scholen en/of vestigingsplaatsen, en tegelijkertijd vermeden wordt dat voor eenzelfde leerling meerdere aanmeldingsdossiers aangelegd kunnen worden binnen het eigen aanmeldingssysteem;
  • een regeling waarbij de aanmeldingen van leerlingen van dezelfde leefentiteit aan elkaar gekoppeld kunnen worden, of een motivering om deze regeling niet te voorzien; als een gekoppelde aanmelding van leerlingen van dezelfde leefentiteit wordt voorzien, dan moet het voorstel ook informatie bevatten over de impact die deze gekoppelde aanmelding heeft op de ordening en de toewijzing van de betrokken leerlingen;
  • een regeling waarbij ouders of leerlingen bij verschillende scholen of vestigingsplaatsen een duidelijke voorkeurorde kunnen opgeven;
  • een regeling voor de communicatie naar de ouders of de leerlingen hetzij over de toewijzing hetzij over niet-gunstige rangschikking;
  • een regeling voor het bijhouden van een aanmeldingsregister per school of vestigingsplaats en de overdracht van de informatie over de aangemelde leerlingen aan het schoolbestuur;
  • de verdere concretisering van de ordeningscriteria voor de toewijzing van aangemelde leerlingen:
    • het gebruiken van de plaats van de school of de vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders of de leerling bij de ordening en de toewijzing;
    • het gebruiken van toeval;
    • het bepalen van de verhouding tussen en de volgorde van de verschillende gekozen ordeningscriteria;
    • de manier waarop de evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen van de scholen en vestigingsplaatsen bepaald wordt, met minstens:
      • een toelichting van de elementen die daarin (naast de relatieve aanwezigheid) een rol hebben gespeeld,
      • de geografische omschrijving waarbinnen dit zal worden bepaald;
    • de mate waarin scholen de vrijheid hebben om hun instroom met het oog op de evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen bij te sturen;
    • de motivatie voor de afwijking op school- of vestigingsplaatsniveau van de ordeningscriteria;
  • de keuze en concretisering van ordeningscriteria die gehanteerd worden voor de ordening van de niet-gunstig gerangschikte leerlingen;
  • beslissingen aangaande de volgende uitvoeringsmodaliteiten:
    • de wijze waarop ouders en schoolbesturen bij de aanmeldingsprocedure ondersteund zullen worden en wie daarbij betrokken zal zijn;
    • de wijze waarop zal omgegaan worden met de behandeling van disfuncties bij en eerstelijnsklachten over het verloop van de aanmeldingsprocedure;
    • de wijze waarop enerzijds de werving, de toeleiding en de ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van de schoolbesturen zal gebeuren met het oog op de evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen;
    • de wijze waarop de aanmeldingsprocedure gemonitord en geëvalueerd zal worden;
  • de wijze waarop over de aanmeldingsprocedure en alle daarin genomen beslissingen gecommuniceerd wordt naar alle belanghebbenden (leerlingen, ouders, CLB, andere scholen, intermediairs, …);
  • de mandatering van de ordening van de aangemelde leerlingen en/of het versturen van het toewijzingsbericht, en/of het uitreiken van mededelingen van niet-gerealiseerde inschrijvingen aan een daartoe aangeduid schoolbestuur of het LOP.

Het voorstel van aanmeldingsprocedure wordt ingediend volgens een model dat kan worden geraadpleegd op de website van de CLR:

http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenrechtencommissie/

13.3.2. Toetsing voorstel van aanmeldingsprocedure door de CLR

Voor de toepassing van de termijnen bepaald onder dit punt worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen, de schoolvakanties en facultatieve vakantiedagen niet meegerekend.

Voor contactgegevens CLR: http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenrechtencommissie/contact.htm

Vooraleer een initiatiefnemer met een aanmeldingsprocedure kan starten, legt hij het voorstel van aanmeldingsprocedure ter toetsing voor aan de CLR, dit uiterlijk op 15 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden.

Na ontvangst van het dossier stelt de CLR de initiatiefnemer via e-mail met ontvangstbevestiging in kennis van de ontvangst van het dossier.

De CLR toetst het voorstel van aanmeldingsprocedure aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en de aanmeldingsprocedures en aan de uitgangspunten van het inschrijvingsrecht (zie 1.2). Zij neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure en besluit uiterlijk twee maanden na indiening van het aanmeldingsdossier. Indien het einde van deze periode van twee maanden tussen 15 juli en 15 augustus valt, beslist de CLR ten laatste in de week volgend op 16 augustus.

De zitting van de CLR is openbaar en de besluitvorming volgt na het sluiten van de debatten en na onderzoek van het voorstel van aanmeldingsprocedure. De besluitvorming gebeurt achter gesloten deuren.

Bij een positief besluit van de CLR kan de initiatiefnemer de aanmeldingsprocedure instellen voor de duur van de goedkeuring door de CLR. De aanmeldingsprocedure blijft gelden tot de regelgeving wijzigt of de initiatiefnemer de aanmeldingsprocedure wil wijzigen of stopzetten. Bij elke wijziging aan de aanmeldingsprocedure legt de initiatiefnemer een nieuw voorstel van aanmeldingsprocedure ter toetsing voor aan de CLR.

13.3.3. Wat na een negatief besluit?

Bij een negatief besluit van de CLR kan een initiatiefnemer tegen uiterlijk 30 november van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden een van de volgende stappen ondernemen:

1° een herwerkt voorstel van aanmeldingsprocedure indienen bij de CLR;

2° het ongewijzigd voorstel van aanmeldingsprocedure indienen bij de Vlaamse Regering.

13.3.3.1. Indienen herwerkt voorstel van aanmeldingsprocedure bij CLR

De initiatiefnemer herwerkt het voorstel van aanmeldingsprocedure aan de hand van de opmerkingen van de CLR en legt het opnieuw ter toetsing voor aan de CLR.

De CLR toetst het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en de aanmeldingsprocedures en aan de uitgangspunten van het inschrijvingsrecht

De CLR neemt over het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk 30 kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

Als de CLR een positief besluit neemt over het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure, dan kan de initiatiefnemer de aanmeldingsprocedure instellen. De aanmeldingsprocedure blijft gelden tot de regelgeving wijzigt of de initiatiefnemer de aanmeldingsprocedure wil wijzigen of stopzetten.

Als de CLR een negatief besluit neemt over het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure, dan kan de initiatiefnemer uiterlijk 30 kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit het initieel ingediende of het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure aan de Vlaamse Regering voorleggen (zie 13.3.3.2).

13.3.3.2. Indienen voorstel van aanmeldingsprocedure bij Vlaamse Regering

De initiatiefnemer legt het voorstel van aanmeldingsprocedure ter toetsing voor aan de Vlaamse Regering. Het voorstel van aanmeldingsprocedure is ontvankelijk als:

  • de stukken met betrekking tot het voorstel van aanmeldingsprocedure aan AgODi (afdeling Scholen Secundair Onderwijs, Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel) is betekend met een aangetekende brief of tegen afgifte van ontvangstbewijs;
  • de stukken met betrekking tot het voorstel van aanmeldingsprocedure tijdig zijn ingediend;
  • de initiatiefnemer bij de stukken een uitzeenzetting voegt over de argumenten tegen het negatieve besluit van de CLR.

De initiatiefnemer moet ook aangeven of hij een hoorzitting wil en of hij die hoorzitting openbaar wil. Daarbij geeft hij aan welke personen, met uitzondering van de LOP-deskundige van het werkingsgebied waar de aanmeldingsprocedure betrekking op heeft, volgens hem gehoord moeten worden. Als de initiatiefnemer geen hoorzitting wil, verloopt de procedure verder schriftelijk.

De Vlaamse Regering toetst het voorstel van aanmeldingsprocedure aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en de aanmeldingsprocedures van het decreet van 25 november 2011 en aan de uitgangspunten van het inschrijvingsrecht.

De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk 30 kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

Als de Vlaamse Regering een positief besluit neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure, dan kan de initiatiefnemer de aanmeldingsprocedure instellen. De aanmeldingsprocedure blijft gelden tot de regelgeving wijzigt of de initiatiefnemer de aanmeldingsprocedure wil wijzigen of stopzetten.

Als de Vlaamse Regering een negatief besluit neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure, dan kan de initiatiefnemer uiterlijk 30 kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit een herwerkt voorstel van aanmeldingsprocedure voorleggen aan de CLR.

De CLR toetst het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en aan de uitgangspunten van het inschrijvingsrecht. De CLR neemt over het herwerkte voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk 30 kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

13.4. Start van de aanmeldingsprocedure

13.4.1. Algemeen

De aanmeldingsperiode voor de inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kan ten vroegste starten op de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaand schooljaar.

De aanmeldingsperiode kan bestaan uit meerdere deelperiodes voor de leerlingen die behoren tot de voorrangsgroepen (zie 7.3). Met respect voor de volgorde die geldt bij de voorrangsregeling kunnen twee of meerdere deelperiodes tegelijk plaatsvinden. Voor een deelperiode is – in tegenstelling tot een voorrangsperiode bij inschrijven – geen minimumduur bepaald. Belangrijk is dat de duur van de deelperiode de rechten van de betrokken voorrangsgroep garandeert.

Voorafgaand aan en tijdens de aanmeldingsperiode kunnen geen inschrijvingen gebeuren. De inschrijvingen van aangemelde leerlingen starten ten vroegste op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar volgens de procedure beschreven onder 13.6. Als de aanmeldingsperiode uit meerdere deelperiodes bestaat, dan mogen de betrokken leerlingen na elke deelperiode ingeschreven worden. De inschrijvingen na de laatste deelperiode starten ten vroegste op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar. 

Ook na een aanmeldingsprocedure gebeuren de inschrijvingen in de vrije inschrijvingsperiode chronologisch.

13.4.2. Voorrangsgroepen inschrijven

Een schoolbestuur kan voorafgaand aan een aanmeldingsperiode leerlingen van dezelfde leefentiteit, kinderen van personeelsleden of – met uitzondering van Brussel – leerlingen van de campusschool inschrijven vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar. Dit kan enkel op voorwaarde dat het schoolbestuur geen enkele leerling van dezelfde leefentiteit, kind van een personeelslid of desgevallend leerling van de campusschool weigert omwille van de overschrijding van de capaciteit(en) (zie 10.1.3).

De overige voorrangsgroepen "indicator en niet-indicatorleerlingen" en - voor Brussel - "kinderen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is" en "leerlingen van de campusschool" kunnen niet vooraf worden ingeschreven.

13.5. De ordening van aangemelde leerlingen

Op het einde van een aanmeldingsperiode of een deelperiode worden de aangemelde leerlingen geordend. Dit gebeurt door het schoolbestuur zelf, het daartoe gemandateerde LOP of (buiten LOP-gebied) het schoolbestuur dat daartoe aangeduid werd door de betrokken schoolbesturen. De ordening gebeurt volgens de in het aanmeldingsdossier opgenomen (en decretaal toegestane) ordeningscriteria.

13.5.1. In het Vlaams Gewest

Bij het ordenen van alle aangemelde leerlingen moet een schoolbestuur of – mits akkoord van de betrokken schoolbesturen – het LOP de leerlingen altijd ordenen met het oog op een evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen (zie 7.3.5). Het schoolbestuur of het LOP kan beslissen om dit niet toe te passen voor de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs.

In het Vlaams Gewest worden alle aangemelde leerlingen als volgt geordend:

  • eerst de leerlingen van dezelfde leefentiteit;
  • dan de kinderen van personeelsleden;
  • dan, bij overgang van basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon onderwijs en mits voldaan is aan de voorwaarden vermeld onder punt 5.3.4, de leerlingen van de campusschool;
  • dan de overige leerlingen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria:
    • a) de chronologie van aanmelding, met uitsluiting van fysieke aanmelding;
    • b) toeval. Dit ordeningscriterium mag enkel gekozen worden in combinatie met a of c.
    • c) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders of de leerling. Dit ordeningscriterium mag enkel gekozen worden in combinatie met a of b.

Een schoolbestuur dat leerlingen van dezelfde leefentiteit, kinderen van personeelsleden of leerlingen van een campusschool vooraf inschrijft (zie 13.4.2), kiest of het leerlingen uit deze voorrangsgroepen die alsnog aanmelden, opnieuw als voorrangsgroep behandelt en bovenaan ordent of hen enkel ordent op basis van de ordeningscriteria.

Voor alle scholen en vestigingsplaatsen die bij de aanmeldingsprocedure zijn betrokken, geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan kan op school- of vestigingsplaatsniveau gemotiveerd afgeweken worden.

Als de capaciteit(en) (zie 3) bereikt wordt in een te ordenen groep, dan worden de binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de volgende stappen binnen de ordeningsprocedure.

Als één van de vooraf bepaalde contingenten (zie 7.3.5.3) bereikt wordt in een te ordenen groep, dan worden de binnen die groep aangemelde leerlingen van dat volle contingent eveneens geordend volgens de volgende stappen binnen de ordeningsprocedure. Ze nemen in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in. Deze leerlingen blijven echter indicator- of niet-indicatorleerling al naar gelang ze wel of niet beantwoorden aan één of meerdere indicatoren (zie 7.3.5.2).

Zodra de capaciteit(en) is bereikt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend zoals vastgelegd in de aanmeldingsprocedure en zo opgenomen in het aanmeldingsregister (zie 13.6.1).

13.5.2. In het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad

Bij het ordenen van alle aangemelde leerlingen moet een schoolbestuur of – mits akkoord van de betrokken schoolbesturen – het LOP de leerlingen altijd ordenen met het oog op een evenredige verdeling van indicator- en niet-indicatorleerlingen (zie 7.3.5). Het schoolbestuur of het LOP kan beslissen dit niet toe te passen voor de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs.

In Brussel worden alle aangemelde leerlingen als volgt geordend:

  • eerst de leerlingen van dezelfde leefentiteit;
  • dan de kinderen van personeelsleden;
  • dan de kinderen van ouders die het Nederlands in voldoende mate machtig zijn;
  • dan, bij overgang van basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon onderwijs en mits voldaan is aan de voorwaarden vermeld onder 5.3.4, de leerlingen van de campusschool;
  • dan de overige leerlingen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria:
    • a) de chronologie van aanmelding, met uitsluiting van fysieke aanmelding;
    • b) toeval. Dit ordeningscriterium mag enkel gekozen worden in combinatie met a of c.
    • c) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders of de leerling. Dit ordeningscriterium mag enkel gekozen worden in combinatie met a of b.

Een schoolbestuur dat leerlingen van dezelfde leefentiteit of kinderen van personeelsleden vooraf inschrijft (zie 13.4.2.), kiest of het leerlingen uit deze voorrangsgroepen die alsnog aanmelden, opnieuw als voorrangsgroep behandelt en bovenaan ordent of hen enkel ordent op basis van de ordeningscriteria.

Voor alle scholen en vestigingsplaatsen die bij de aanmeldingsprocedure zijn betrokken geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan kan op school- of vestigingsplaatsniveau gemotiveerd afgeweken worden.

Als de capaciteit(en) (zie 3.2) bereikt wordt in een eerder te ordenen groep dan worden de binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de volgende stappen binnen de ordeningsprocedure.

Als één van de vooraf bepaalde contingenten (zie 7.3.5.3) bereikt wordt in een te ordenen groep, dan worden de binnen die groep aangemelde leerlingen van dat volle contingent eveneens geordend volgens de volgende stappen binnen de ordeningsprocedure. Ze nemen in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in. Deze leerlingen blijven echter indicator- of niet-indicatorleerling al naar gelang ze wel of niet beantwoorden aan één of meerdere indicatoren (zie 7.3.5.2).

Als in de te ordenen groep leerlingen van dezelfde leefentiteit of van kinderen van personeel hetzij de capaciteit(en) hetzij één van de vooraf bepaalde contingenten bereikt wordt, dan hoeft het schoolbestuur geen rekening te houden met het aantal leerlingen en het percentage dat hij bepaald heeft voor leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is (zie 5.3.3).

Zodra de capaciteit(en) is bereikt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend zoals vastgelegd in de aanmeldingsprocedure en in deze volgorde opgenomen in het aanmeldingsregister (zie 13.6.1).

Alle aangemelde leerlingen in de voorrangsperiode voor "kinderen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is", worden in het aanmeldingsregister opgenomen met vermelding van de voorrangsgroep waartoe ze behoren.

Bij die leerlingen die tijdens deze voorrangsperiode ook effectief een plaats werd toegewezen, wordt ook de toewijzing tijdens deze periode vermeld in het aanmeldingsregister.

Op die manier kan een leerling die werd ingeschreven op basis van het behoren tot deze voorrangsgroep - zowel tijdens de "opvisperiode" na de voorrangsperiode, als bij het opvissen na de vrije inschrijvingsperiode - vervangen worden door de hoogst gerangschikte leerling van dezelfde voorrangsgroep, die maximaal aan dezelfde andere kenmerken beantwoordt. Dit biedt maximale garanties dat het aandeel van deze voorrangsgroep behouden blijft wanneer ingeschreven leerlingen uit deze voorrangsgroep de school verlaten.

13.6. Het beëindigen van de aanmeldingsprocedure

13.6.1. De rangschikking van de aangemelde leerlingen

Een schoolbestuur hanteert voor elke capaciteit waarvoor kan worden aangemeld een aanmeldingsregister. Als de capaciteit op een bovenliggend niveau gelijk is aan de som van alle capaciteiten op een onderliggend niveau, dan moet het schoolbestuur voor die capaciteit op het bovenliggend niveau geen aanmeldingsregister gebruiken.

Voorbeeld. Een secundaire school met één vestigingsplaats bepaalt voor zijn eerste leerjaar zijn capaciteit op volgende niveaus: de school, 1A en 1B. Ze hanteert een capaciteit van 100 leerlingen voor het eerste leerjaar, 80 leerlingen voor 1A en 20 leerlingen voor 1B. Het volstaat dat de school enkel voor de structuuronderdelen 1A en 1B een inschrijvingsregister gebruikt.

Een schoolbestuur ordent per capaciteit alle aangemelde leerlingen (zie 13.5). Op basis van deze ordening krijgen de aangemelde leerlingen vervolgens een gunstige of niet-gunstige rangschikking. Het schoolbestuur neemt die rangschikking op in het aanmeldingsregister.

  • Indien de gehanteerde ordeningscriteria voor de toegewezen en niet-toegewezen leerlingen dezelfde zijn, wordt de volledige lijst zo overgenomen in het aanmeldingsregister;
  • Indien de gehanteerde ordeningscriteria voor de niet-toegewezen leerlingen verschilt van de ordeningscriteria voor de toegewezen leerlingen, worden de niet-toegewezen leerlingen opnieuw gerangschikt en in die volgorde opgenomen in het aanmeldingsregister.

Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen kan het daartoe gemandateerde schoolbestuur of het LOP de rangschikking van alle aangemelde leerlingen (zowel de gunstig als de niet-gunstig gerangschikte) in het aanmeldingsregister uitvoeren.

13.6.2. De toewijzing van gunstig gerangschikte leerlingen

Indien een aangemelde leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen in meerdere scholen en/of vestigingsplaatsen, wijst het schoolbestuur of het LOP de aangemelde leerling toe aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze van de ouders en/of de leerling.

Deze leerling wordt vervolgens verwijderd uit het aanmeldingsregister van elke school of vestigingsplaats die lager op de voorkeurlijst stond. De vrijgekomen plaatsen in de aanmeldingsregisters worden ingenomen door de eerstvolgend gerangschikte leerlingen die, voor zover mogelijk, beantwoorden aan dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Het innemen van vrijgekomen plaatsen in het aanmeldingsregister wordt herhaald tot dat er geen toewijzingen meer mogelijk zijn.

Indien een leerling die zich na een centrale aanmeldingsprocedure heeft ingeschreven alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de inschrijving beëindigen. De hogere plaats van de school in de voorkeurslijst van de ouders is een duidelijke indicatie van het feit dat de ouder de nieuwe inschrijving verkiest boven de eerder gerealiseerde inschrijving.
Indien een aanmeldend schoolbestuur gebruik maakt van deze mogelijkheid, moet dit worden vermeld in het toewijzingsbericht aan de ouders.

De aangemelde leerling en zijn ouders ontvangen binnen vier werkdagen na de definitieve toewijzing van het daartoe gemandateerde schoolbestuur of LOP schriftelijk of via elektronische drager (vb. e-mail, sms …) melding over de school of vestigingsplaats waaraan de aangemelde leerling is toegewezen en over de periode waarbinnen de ouders de aangemelde leerling kunnen inschrijven. Die inschrijvingsperiode duurt minimaal vijftien schooldagen.

Aan de aangemelde leerling en zijn ouders wordt ook meegedeeld welke plaats de aangemelde leerling inneemt bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van elke school of vestigingsplaats waarvoor de aangemelde leerling of zijn ouders een hogere keuze maakten.

Voorbeeld: De ouders hebben hun kind aangemeld voor vier scholen. Het kind is ongunstig geordend in een school van eerste en tweede keuze en gunstig geordend in een school van derde keuze. Dit betekent dat de ouders van het kind een melding van niet-gunstige rangschikking ontvangen voor de school van eerste en tweede keuze. Voor de school van vierde keuze zullen de ouders geen melding van niet-gunstige rangschikking ontvangen.

Als de aangemelde leerling en zijn ouders binnen de periode van minimaal vijftien schooldagen geen gebruik maken van de mogelijkheid tot inschrijving, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.

Blijkt bij de inschrijving dat de leerling niet voldoet aan de door de ouders opgegeven informatie die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.

Plaatsen van leerlingen wiens recht op inschrijving op basis van één van bovenvermelde redenen komt te vervallen, worden opnieuw ingenomen door de eerstvolgende gerangschikte leerlingen die, voor zover mogelijk, beantwoorden aan dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Deze leerlingen en hun ouders krijgen binnen vier werkdagen na de nodige vaststellingen door het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager (vb. e-mail, sms …) melding dat de aangemelde leerling alsnog is toegewezen. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de aangemelde leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijf schooldagen.

13.6.3. De niet-gunstig gerangschikte leerlingen

Een aangemelde leerling en zijn ouders die in geen enkele school of vestigingsplaats een gunstige rangschikking heeft gekregen, ontvangen binnen vier werkdagen, van het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager (vb. per e-mail, sms …) een melding van niet-gunstige rangschikking per gekozen school of vestigingsplaats. Aan de aangemelde leerling en zijn ouders wordt ook meegedeeld welke plaats de leerling inneemt in het aanmeldingsregister van elke gekozen school of vestigingsplaats.

Indien de schoolbesturen daartoe een schoolbestuur of het LOP hebben gemandateerd, kan het betreffende schoolbestuur of het LOP de mededelingen van niet-gerealiseerde inschrijving laten uitreiken en toevoegen aan het toewijzingsbericht. Ouders moeten dan de mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving niet meer ophalen bij de school, tenzij de schoolbesturen of het LOP hier uitdrukkelijk voor kiezen. In dat geval motiveren ze deze keuze in het aanmeldingsdossier dat wordt voorgelegd aan de CLR.

In Brussel vermeldt de mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving van kinderen ministens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, ook welke plaats de leerling inneemt op de lijst van niet-gerealiseerde inschrijvingen van de voorrangsgroep.

13.6.4. Opname aanmeldingen in inschrijvingsregister

Het schoolbestuur neemt de volgorde van de aanmeldingen in het aanmeldingsregister over op de registerbladen in het inschrijvingsregister (zie 9).

14. Bijlagen