Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding

  • referentie
    PERS/2007/07
  • publicatiedatum
    21/09/2007
  • datum laatste wijziging
    23/08/2016
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 betreffende het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding
  • opheffing
    BP 24/87 Omzendbrief nr.4 van 31/07/1987
  • opheffing
    BP 7/87 van 9/02/1987
  • opheffing
    NO/201/SH/AS/LG van 23/04/1981
  • opheffing
    P.V.H. van 11/10/1978
  • contact
  • In punt 4 worden de nieuwe bepalingen met betrekking tot het ambtshalve pensioen toegelicht.

1. Inleiding

Deze omzendbrief behandelt het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte.

Het vaststellen van het recht op bezoldigd ziekteverlof steunt voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding op een specifieke regeling. Indien het recht op bezoldigd ziekteverlof is uitgeput, worden de vastbenoemde personeelsleden ter beschikking gesteld wegens ziekte (met wachtgeld of wachtgeldtoelage) en worden de tijdelijke personeelsleden niet meer door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming bezoldigd. De tijdelijke personeelsleden ontvangen dan een uitkering van het ziekenfonds.

Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte biedt aan een personeelslid de mogelijkheid om zich na een periode van ziekteverlof omwille van een ernstige of langdurige ziekte opnieuw aan te passen aan het normale arbeidsritme. De doelstelling van dit verlofstelsel is het volledig hernemen van de opdracht die het personeelslid uitoefende voor de aanvang van het ziekteverlof.

Daarnaast is het mogelijk dat een personeelslid wegens langdurige medische ongeschiktheid de totale opdracht van zijn aanstelling en/of vaste benoeming niet meer kan uitoefenen. Als de geneesheer-specialist geen volledige hervatting van zijn oorspronkelijke opdracht in het vooruitzicht kan stellen, kan het personeelslid met verminderde prestaties gaan werken via een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.

Terminologie

In vroegere regelgeving die hierna wordt geciteerd is er nog steeds sprake van het onderwijs met volledig leerplan, het onderwijs met beperkt leerplan of het onderwijs voor sociale promotie. In deze omzendbrief wordt bedoeld met:

· het onderwijs met volledig leerplan = het basisonderwijs, het secundair onderwijs, de centra voor leerlingenbegeleiding, inspectie, e.d.

· het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan = het deeltijds kunstonderwijs(DKO)+ secundair volwassenenonderwijs en hoger beroepsonderwijs van het volwassenenonderwijs(VWO).

· Volwassenenonderwijs is echter een verzamelnaam. De volgende vormen van volwassenenonderwijs worden dus door deze omzendbrief niet gevat: het afstandsonderwijs(BIS), het contractonderwijs in een centrum voor volwassenenonderwijs(CVO), de basiseducatie, VDAB, Syntra......ed.

2. De afwezigheid wegens ziekte

Sinds 1 september 2007 geldt er één ziekteverlofregeling voor alle vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten personeelsleden en één ziekteverlofregeling voor alle tijdelijke personeelsleden.

2.1. Vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten personeelsleden

2.1.1. Toepassingsgebied

Punt 2.1. is van toepassing op de volgende personeelsleden die vastbenoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn:

1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, §1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, §1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;

4° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.

Deze omzendbrief is niet van toepassing op de personeelsleden van:

- de universiteiten

- de hogescholen

- de Hogere Zeevaartschool.

Verdere informatie hierover vindt u op de website van het hoger onderwijs:

http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs

Let op

Wanneer er echter diensten, gepresteerd in de hogescholen, meetellen in de sociale anciënniteitsberekening voor vastbenoemde personeelsleden of meetellen om het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof voor de tijdelijke personeelsleden van de onderwijsniveaus buiten het hoger onderwijs te berekenen, dan moet ook het genoten bezoldigd ziekteverlof in de hogescholen gedurende deze perioden in aanmerking worden genomen voor de telling van het aantal genoten dagen bezoldigd ziekteverlof in de andere onderwijsniveaus. De basisregel is dat, indien men diensten van een bepaald onderwijsniveau meetelt, dat men dan ook de genoten bezoldigde ziekteverlofdagen gedurende die diensten moet meetellen.

2.1.2. Bepaling van het recht op een aantal dagen bezoldigd ziekteverlof

De personeelsleden vermeld in punt 2.1.1 die vast benoemd zijn of, de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, die tot de proeftijd zijn toegelaten, hebben recht op een aantal dagen bezoldigd ziekteverlof.

Algemeen principe

De vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten personeelsleden krijgen voor de hele duur van hun loopbaan, dertig kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof per twaalf maanden sociale anciënniteit.

Afwijking op het algemeen principe - 90 dagen-regel

Het personeelslid dat op het ogenblik van zijn afwezigheid wegens ziekte geen zesendertig maanden sociale anciënniteit heeft verworven, heeft het recht op negentig kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof.

Op de bovenvermelde regels zijn er twee uitzonderingen

Personeelsleden van de equipes van het voormalig Medisch Schooltoezicht

Voor de personeelsleden van de equipes van het voormalig Medisch Schooltoezicht (MST-equipes) die op 1 september 2000 naar de toen nieuw opgerichte centra voor leerlingenbegeleiding zijn overgedragen, wordt, voor de periode vóór 1 september 2000, het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof per twaalf maanden sociale anciënniteit vastgesteld op vijftien dagen (zie ook 2.1.4 en 2.1.5 hierna)

De administratief medewerker in het basisonderwijs

Voor de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs wordt, voor de periode vóór 1 september 2003, het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof per twaalf maanden sociale anciënniteit vastgesteld op vijftien dagen (zie ook 2.1.4 en 2.1.5 hierna.

2.1.3. Het begrip sociale anciënniteit

Op het ogenblik dat een personeelslid afwezig is wegens ziekte moet worden vastgesteld op hoeveel dagen bezoldigd ziekteverlof dat personeelslid aanspraak kan maken.

Dit aantal wordt voor vastbenoemde of tot de proeftijd toegelaten personeelsleden berekend op basis van de verworven “sociale anciënniteit” en het aantal dagen reeds genoten bezoldigd ziekteverlof gedurende diensten die in aanmerking komen voor de berekening van deze sociale anciënniteit.

De sociale anciënniteit kan men definiëren als het “contingent” aantal jaren (maanden/dagen) dat het recht opent op bezoldigd ziekteverlof. Deze anciënniteit wordt in jaren (maanden/dagen) uitgedrukt. Per 12 maanden sociale anciënniteit krijgen vastbenoemde of tot de proeftijd toegelaten personeelsleden 30 dagen bezoldigd ziekteverlof.

Voorbeeld

Een vastbenoemd personeelslid wordt op 15 oktober 2007 ziek.

Zijn sociale anciënniteit, die op de vooravond van het ziekteverlof wordt vastgesteld, is gelijk aan 7 jaar (8 maand en 20 dagen). Het recht op bezoldigd ziekteverlof op 15 oktober 2007 is dan gelijk aan 30 dagen x 7 = 210 dagen.

2.1.4. Berekening van de sociale anciënniteit

Sinds 1 september 2007 is er een volledig nieuwe manier van berekenen van de sociale anciënniteit.

Geen onderscheid meer tussen hoofdambt en bijbetrekking

In het verleden gold voor de vastbenoemde personeelsleden die fungeerden in hoofdambt in het onderwijs met volledig leerplan, het voltijds onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs al de regeling dat de sociale anciënniteit gelijk is aan de geldelijke anciënniteit, vermeerderd met de diensten vóór de minimumleeftijd en verminderd met de erkende nuttige ervaring.

Vanaf 1 september 2007 wordt er bij het vaststellen van de sociale anciënniteit geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen de prestaties die als hoofdambt of als bijbetrekking worden beschouwd en dit ongeacht of deze prestaties in het onderwijs met volledig leerplan of in het onderwijs voor sociale promotie/beperkt leerplan worden gepresteerd.

Meer uitleg over de begrippen hoofdambt en bijbetrekking vindt u in de omzendbrief van 25 oktober 2005 - cumulatieregeling.

Berekenen = de som maken van alle diensten die in aanmerking komen voor de geldelijke anciënniteit

Voor het berekenen van het salaris van het personeelslid van het onderwijs wordt o.a. rekening gehouden met sommige van de door het personeelslid in of buiten het onderwijs gepresteerde diensten. Het geheel van deze diensten vormt mede de geldelijke anciënniteit (= salarisanciënniteit). De voorwaarden om welbepaalde diensten voor deze berekening al dan niet in aanmerking te nemen, steunen o.a. op de bepalingen van:

- de artikelen 16 tot 21 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;

- de artikelen 13 tot 23 van het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur;

- de artikelen 14 tot 17 van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs.

Over het in aanmerking nemen van sommige diensten in het kader van de geldelijke anciënniteit vindt u informatie in o.m. de omzendbrief van 7 maart 2005 - Geldelijke anciënniteit - diensten die in aanmerking komen.

BELANGRIJK

De berekening van de sociale anciënniteit gebeurt op basis van de geldelijke anciënniteit, MAAR is niet gelijk aan de geldelijke anciënniteit. Voor het bepalen van de sociale anciënniteit tellen immers meer diensten mee dan voor de geldelijke anciënniteit.

Een optelling

De sociale anciënniteit van een personeelslid is gelijk aan DE SOM van:

1° zijn geldelijke anciënniteit zoals die vastgesteld wordt op basis van de bepalingen van de bezoldigingsregeling of van de bezoldigingsregelingen die, op het ogenblik van de afwezigheid wegens ziekte, op hem van toepassing is;

2° de duur van de diensten die hij gepresteerd heeft vóór de leeftijd, vermeld in de klasse van zijn salarisschaal, voor zover die diensten voldoen aan de andere vereisten, gesteld in de toe te passen bezoldigingsregeling;

3° in voorkomend geval, de geldelijke anciënniteit, verworven in opdrachten die in het onderwijs met volledig leerplan als bijbetrekking werden beschouwd, op voorwaarde dat de diensten nog niet volgens punt 1° en 2° zijn meegerekend. Voor de berekening van die anciënniteit geldt de berekeningswijze van diensten die als hoofdambt worden beschouwd;

4° in voorkomend geval, de geldelijke anciënniteit, verworven in bijbetrekking in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, op voorwaarde dat de diensten nog niet volgens punt 1°, 2° of 3° zijn meegerekend;

5° in voorkomend geval, de duur van de diensten die voor de berekening van de geldelijke anciënniteit op grond van een van de volgende bepalingen wel in aanmerking werden genomen, op voorwaarde dat ze volgens punt 1°, 2°, 3° of 4° nog niet werden meegeteld:

a)het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;

b)het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs;

c)het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur.

Bij de berekening van de sociale anciënniteit worden ook de diensten in aanmerking genomen die gepresteerd werden nadat het betrokken personeelslid het maximum van zijn salarisschaal heeft bereikt.

In het bovenvermelde punt 5° wordt een specifieke situatie geregeld. Het is immers mogelijk dat men in het verleden gefungeerd heeft in een ambt waarvoor bv. het koninklijk besluit van 15 april 1958 diende te worden toegepast. Op grond van de bepalingen van dat besluit konden voor de berekening van het toen toe te kennen salaris de voordien gepresteerde diensten X in aanmerking worden genomen. Het is echter mogelijk dat men op het ogenblik dat men ziek wordt, fungeert in een ander ambt waarvoor een andere bezoldigingsregeling geldt en dat men voor de berekening van de geldelijke anciënniteit op grond van deze andere bezoldigingsregeling de diensten X niet mag meetellen. Op grond van de bepalingen van punt 5° wordt dit vermeden en komen deze diensten bij de berekening van de sociale anciënniteit dus toch in aanmerking.

Voorbeeld

Een leraar die vroeger in dienst was in het voltijds secundair onderwijs, had, vóór zijn indiensttreding in het onderwijs diensten gepresteerd in een instelling voor wetenschappelijk onderzoek. Op grond van artikel 16 van het voormelde koninklijk besluit van 15 april 1958 konden deze diensten voor de berekening van de geldelijke anciënniteit in aanmerking worden genomen en telden ze dus ook mee voor de berekening van de sociale anciënniteit. Indien dit personeelslid bv. zou overstappen naar een administratieve functie ( bv. administratief medewerker SO), zal zijn salaris worden berekend op grond van het voormelde koninklijk besluit van 1 december 1970 en is het mogelijk dat de diensten gepresteerd in de wetenschappelijke instelling overeenkomstig de bepalingen van artikel 14 en volgende van dit besluit, voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit niet kunnen meetellen. Desondanks tellen deze diensten, op grond van het voormelde punt 5°, dan toch mee om de sociale anciënniteit te berekenen.

De som van deze diensten wordt verminderd

Het contingent van maanden sociale anciënniteit wordt verminderd met de tijd, die als in aanmerking komende dienst geldt op grond van artikel 17 (= nuttige ervaring) van het voormelde koninklijk besluit van 15 april 1958.

Voorbeeld

Een personeelslid geboren op 13/12/1972 en waarvan de minimumleeftijd van zijn salarisschaal begint op 22 jaar, wordt ziek vanaf 13/10/2007 en presteerde volgende diensten:

Anciënniteit: 

Geldelijk 

Sociaal 

01/05/2001 t/m 31/08/2003 nuttige ervaring 

 

 

“Sofina Brussel” 

02j 

04m 

03d 

00j 

00m 

00d 

01/11/2003 t/m 30/06/2004 tijdelijk leraar (243x1,2=291,6) 

 

09m 

21d 

 

09m 

21d 

01/09/2004 t/m 31/12/2006 tijdelijk leraar 

02j 

04m 

 

02j 

04m 

 

01/01/2007 t/m 12/10/2007 vast leraar 

00j 

09m 

00d 

00j 

09m 

00d 

Totaal: 

06j 

02m 

24d 

03j 

10m 

21d 

Totaal recht op ziekteverlof op 13/10/07 = 3 jaar x 30 dagen = 90 dagen

Opmerking : de geldelijke anciënniteit bij een vastbenoemd personeelslid wordt steeds op de 1ste van de maand bepaald.

Twee uitzonderingen op de algemene berekeningswijze

· Personeelsleden van de equipes van het voormalig Medisch Schooltoezicht

Voor de berekening van de sociale anciënniteit van de personeelsleden van de voormalige MST-equipes, voor de periode vóór 1 september 2000, wordt alleen rekening gehouden met de geldelijke anciënniteit, verworven in een

gesubsidieerde MST-equipe (zie ook 2.1.5.hierna).

· De administratief medewerker in het basisonderwijs

De sociale anciënniteit voor de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs, wordt, voor de periode vóór 1 september 2003, berekend op basis van de prestaties, vermeld in artikel 14bis, 14ter en 14quater van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, en op basis van de prestaties, geleverd als werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" en in het "Derde arbeidscircuit" (zie ook 2.1.5. hierna).

2.1.5. De berekening van het al genoten bezoldigd ziekteverlof

Algemeen

Het totale aantal dagen afwezigheid wegens ziekte vanaf 1 januari 1958 moet in mindering worden gebracht van het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het personeelslid als gevolg van de berekening van zijn sociale anciënniteit aanspraak kan maken.

Voor de telling van het aantal genoten dagen ziekteverlof

worden alleen de dagen bezoldigd ziekteverlof meegeteld

die vallen binnen de periode die meetelt voor de

berekening van de sociale anciënniteit.

Opmerking : voor een goed begrip van de hiernavermelde voorbeelden is het belangrijk te weten dat de sociale anciënniteit op de vooravond van het ziekteverlof/de terbeschikkingstelling wordt berekend.

Voorbeeld 1

Een personeelslid is met ziekteverlof vanaf 13/10/2007.

Het personeelslid genoot tijdens de perioden die in aanmerking werden genomen voor de sociale anciënniteit volgend bezoldigd ziekteverlof:

- van 12/10/2003 t.e.m. 19/10/2003 = 8 dagen

- van 08/11/2006 t.e.m. 30/11/2006 = 23 dagen = totaal van 31 dagen

Berekening van de sociale anciënniteit op 12/10/2007, de vooravond van de aanvang van het ziekteverlof op 13/10/2007. Het personeelslid werd geboren op 13/12/1972 en de minimumleeftijd van zijn salarisschaal begint op 22 jaar. Hij presteerde volgende diensten:

Anciënniteit: 

Geldelijk 

Sociaal 

01/05/2001 t/m 31/08/2003 nuttige ervaring 

 

 

“Sofina Brussel” 

02j 

04m 

03d 

00j 

00m 

00d 

01/11/2003 t/m 30/06/2004 tijdelijk leraar (243x1,2=291,6) 

 

09m 

21d 

 

09m 

21d 

01/09/2004 t/m 31/12/2006 tijdelijk leraar 

02j 

04m 

 

02j 

04m 

 

01/01/2007 t/m 12/10/2007 vast leraar 

00j 

09m 

00d 

00j 

09m 

00d 

Totaal: 

06j 

02m 

24d 

03j 

10m 

21d 

Opmerking : de geldelijke anciënniteit bij een vastbenoemd personeelslid wordt steeds op de 1ste van de maand bepaald.

Met een sociale anciënniteit van 3 jaar heeft betrokkene recht op 90 dagen bezoldigd ziekteverlof. Hiervan genoot betrokkene al 31 dagen, waardoor hij nog effectief recht heeft op (90 - 31 =) 59 dagen bezoldigd ziekteverlof vanaf 13/10/2007. Betrokkene overschrijdt vanaf 11/12/2007 zijn recht op bezoldigd ziekteverlof. Alvorens het betrokken personeelslid terbeschikking te stellen wegens ziekte, wordt de sociale anciënniteit opnieuw berekend op de vooravond - 11/12/2002 - van de terbeschikkingstelling.

Anciënniteit: 

Geldelijk 

Sociaal 

01/05/2001 t/m 31/08/2003 nuttige ervaring 

 

 

“Sofina Brussel” 

02j 

04m 

03d 

00j 

00m 

00d 

01/11/2003 t/m 30/06/2004 tijdelijk leraar (243x1,2=291,6) 

 

09m 

21d 

 

09m 

21d 

01/09/2004 t/m 31/12/2006 tijdelijk leraar 

02j 

04m 

 

02j 

04m 

 

01/01/2007 t/m 10/12/2007 vast leraar 

00j 

11m 

00d 

00j 

11m 

00d 

Totaal: 

06j 

04m 

24d 

04j 

00m 

21d 

Opmerking : de geldelijke anciënniteit bij een vastbenoemd personeelslid wordt steeds op de 1ste van de maand bepaald.

Totaal recht op bezoldigd ziekteverlof op 11/12/2007 = 4 jaar x 30 dagen = 120 dagen. Met een sociale anciënniteit van 4 jaar heeft betrokkene recht op 120 dagen bezoldigd ziekteverlof. Hiervan genoot betrokkene t.e.m. 10/12/2007 al 31 + 59 = 90 dagen, waardoor hij nog effectief recht heeft op 30 dagen bezoldigd ziekteverlof vanaf 11/12/2007. Vanaf 10/01/2008 wordt betrokkene, ter beschikking gesteld wegens ziekte.

Voorbeeld 2

Een personeelslid is met ziekteverlof vanaf 01/10/2007 t.e.m. 15/12/2007 en genoot tijdens de perioden die in aanmerking werden genomen voor de sociale anciënniteit, volgend bezoldigd ziekteverlof:

van 01/03/2003 t.e.m. 20/03/2003 = 20 dagen

van 12/10/2003 t.e.m. 19/10/2003 = 08 dagen

van 08/11/2006 t.e.m. 30/11/2006 = 23 dagen = totaal van 51 dagen.

Sociale anciënniteit vastgesteld op de vooravond van aanvang ziekteverlof op 01/10/2007:

Anciënniteit: 

Geldelijk 

Sociaal 

01/09/2002 t/m 30/06/2003 tijdelijk leraar 

 

 

(bijambt) 

00j 

00m 

00d 

01j 

00m 

00d 

01/11/2003 t/m 30/06/2004 tijdelijk leraar (243x1,2=291,6) 

 

09m 

21d 

 

09m 

21d 

01/09/2004 t/m 31/12/2006 tijdelijk leraar 

02j 

04m 

 

02j 

04m 

 

01/01/2007 t/m 30/09/2007 vast leraar 

Totaal: 

00j 

09m 

00d 

00j 

09m 

00d 

03j 

10m 

21d 

04j 

10m 

21d 

Opmerking : de geldelijke anciënniteit bij een vastbenoemd personeelslid wordt steeds op de 1ste van de maand bepaald.

Met een sociale anciënniteit van 4 jaar heeft betrokkene recht op 120 dagen bezoldigd ziekteverlof. Hiervan genoot betrokkene t.e.m. 30/09/2007 al 51 dagen, waardoor hij nog effectief recht heeft op (120 - 51 =) 69 dagen bezoldigd ziekteverlof vanaf 01/10/2007. Vanaf 09/12/2007 wordt betrokkene ter beschikking gesteld wegens ziekte, maar alvorens het betrokken personeelslid ter beschikking te stellen wegens ziekte, wordt de sociale anciënniteit opnieuw berekend op de vooravond van 09/12/2007.

Anciënniteit: 

Geldelijk 

Sociaal 

01/09/2002 t/m 30/06/2003 tijdelijk leraar 

 

 

 

 

 

 

(bijambt) 

00j 

00m 

00d 

01j 

00m 

00d 

01/11/2003 t/m 30/06/2004 tijdelijk leraar (243x1,2=291,6)) 

 

09m 

21d 

 

09m 

21d 

 

 

 

 

 

 

01/09/2004 t/m 31/12/2006 tijdelijk leraar 

02j 

04m 

 

02j 

04m 

 

01/01/2007 t/m 08/12/2007 vast leraar 

00j 

11m 

00d 

00j 

11m 

00d 

Totaal: 

04j 

00m 

21d 

05j 

00m 

21d 

Opmerking : de geldelijke anciënniteit bij een vastbenoemd personeelslid wordt steeds op de 1ste van de maand bepaald.

Met een sociale anciënniteit van 5 jaar heeft betrokkene recht op 150 dagen bezoldigd ziekteverlof.

Hiervan genoot betrokkene t.e.m. 08/12/2007 al 120 dagen, waardoor hij nog effectief recht heeft op (150 - 120 =) 30 dagen bezoldigd ziekteverlof vanaf 09/12/2007.

Betrokkene heeft vanaf 09/12/2007 tot 15/12/2007 bezoldigd ziekteverlof.

In sommige uitzonderlijke gevallen, nl. bij langdurige ziekte, kan een derde herberekening noodzakelijk zijn.

Sommige dagen afwezigheid tellen niet als ziekteverlof

De volgende periodes van afwezigheden worden niet als ziekte-verlof geteld en worden dus niet in mindering gebracht op het aantal genoten bezoldigde ziektedagen:

1° Het langdurig verlof, toegestaan tussen 1 januari 1958 en 1 juli 1968 krachtens artikel 3, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit van 30 december 1959 betreffende de ziekte- en bevallingsverloven der leden van het personeel van het Rijksonderwijs(o.a. afwezigheden als gevolg van tuberculose, poliomyelitis, geestesziekte, ed.)

2° Afwezigheden wegens ongeval veroorzaakt door een derde, maar gedekt door een vergoeding van de verantwoordelijke derde aan de Vlaamse Gemeenschap (zie 2.1.11.)

3° Afwezigheden als gevolg van een arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk en als zodanig erkend door het Bestuur van de Medische Expertise (MEDEX - zie 2.1.10.)

4° Afwezigheden als gevolg van een beroepsziekte en als zodanig erkend door het Bestuur van de Medische Expertise (MEDEX - zie 2.1.10.)

5° De periodes van terbeschikkingstelling wegens ziekte (zie 3.)

6° Onbezoldigd ziekteverlof genoten als tijdelijk personeelslid

7° Afwezigheden als gevolg van bedreiging door een beroepsziekte tijdens de zwangerschap en moederschaps-bescherming (zie 2.1.10.)

8° Afwezigheid ingevolge profylactisch verlof

9° De periode van wederaanpassing met halve dagtaak(MEDEX) (zie 3.5.)

Ook voor de telling van het aantal dagen afwezigheid zijn er dezelfde twee uitzonderingen

· Personeelsleden van de equipes van het voormalig Medisch Schooltoezicht

Voor deze personeelsleden wordt er geen rekening gehouden met het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof genoten vóór 1 september 2000.

· De administratief medewerker in het basisonderwijs

Voor de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs wordt geen rekening gehouden met het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof genoten vóór 1 september 2003.

Voorbeeld

Een personeelslid werkte van 01/09/1985 - 31/08/1990 als contractueel personeelslid en werd met werkingsmiddelen betaald = 5 jaar. Van 01/09/1990 tot 31/08/1991 was hij in het stelsel van DAC aangesteld = 1 jaar; van 01/09/1991 tot 31/08/1992 in het stelsel BTK = 1 jaar en van 01/09/1992 tot 31/08/2003 opnieuw contractueel betaald met werkingsmiddelen = 11 jaar. Op 31/08/2003 heeft betrokkene dus 18 jaar in deze bijzondere situaties waarvoor 15 dagen per jaar = 18 x 15 dagen = 270 dagen sociale anciënniteit worden gerekend. De genoten ziektedagen gedurende de periode van 01/09/1985 tot 31/08/2003 worden niet aangerekend. Vanaf 01/09/2003 is betrokkene als administratief medewerker statutair aangesteld en is op 01/01/2004 vast benoemd. De sociale anciënniteit op 01/09/2007 is dan: 270 dagen + (4 jaar x 30 dagen) = 390 dagen. Vermits betrokkene van 01/09/2003 - 31/08/2007 15 dagen bezoldigd ziekteverlof heeft genoten, heeft hij nog recht op 375 dagen bezoldigd ziekteverlof.

2.1.6. Enkele voorbeelden van de wijze van berekenen - aspect hoofdambt versus bijbetrekking

In de hierna vermelde voorbeelden wordt het onderscheid tussen de berekening van het recht op bezoldigd ziekteverlof vóór 1 september 2007 vergeleken met de berekening vanaf 1 september 2007. Deze vergelijking maakt duidelijk dat in tegenstelling tot vroeger, alle geleverde diensten meetellen voor de berekening van de sociale anciënniteit, maar dat tevens alle genoten ziekteverlofdagen bepalend zijn voor de vaststelling van de restdagen bezoldigd ziekteverlof op 1 september 2007.

Voorbeeld 1

Een vastbenoemd leraar van het secundair onderwijs (volledig leerplan) oefent sedert 1 september 1990 onderwijsprestaties uit. Hij genoot ook bezoldigd ziekteverlof.

diensten 

  

sociale anciënniteit 

onderwijsniveau 

van  

tot 

HA/BB 

statuut 

oude berekening 

nieuwe regelgeving 

  

  

  

  

  

CVO 

1/09/1990 

30/06/1991 

BB 

Tijd 

DAG - SO 

1/09/1991 

30/06/1992 

BB 

Tijd 

DAG - SO 

1/09/1992 

31/12/1995 

HA 

Tijd 

DAG - SO 

1/01/1996 

31/08/2007 

HA 

Vast 

11 

11 

totale sociale anciënniteit 

15 

17 

basisrecht bezoldigd ziekteverlof 

450 

510 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

genoten bezoldigd ziekteverlof 

onderwijsniveau 

van  

tot 

HA/BB 

statuut 

oude berekening 

nieuwe regelgeving 

  

  

  

  

  

CVO 

15/11/1990 

4/12/1990 

BB 

Tijd 

  

  

  

  

20 

DAG - SO 

2/02/1992 

25/02/1992 

BB 

Tijd 

  

  

  

  

24 

DAG - SO 

12/05/1995 

21/05/1995 

HA 

Tijd 

  

  

10 

  

  

10 

DAG - SO 

17/03/2005 

15/06/2005 

HA 

Vast 

  

  

91 

  

  

91 

totaal aantal genoten bezoldigde ziekteverlofdagen 

101 

145 

saldo recht op bezoldigd ziekteverlof op 1/9/2007 

450 - 101 = 349 

510 - 145 = 365 

Voorbeeld 2

Een vastbenoemd leraar van het deeltijds kunstonderwijs (beperkt leerplan) oefent sedert 1 september 1990 onderwijsprestaties uit. Hij genoot ook bezoldigd ziekteverlof.

diensten 

  

sociale anciënniteit 

onderwijsniveau 

van  

tot 

HA/BB 

statuut 

oude berekening 

nieuwe regelgeving 

  

  

  

  

  

CVO 

1/09/1990 

30/06/1991 

BB 

Tijd 

DAG - SO 

1/09/1991 

30/06/1992 

BB 

Tijd 

DKO 

1/09/1992 

31/12/1995 

HA 

Tijd 

DKO 

1/01/1996 

31/08/2007 

HA 

Vast 

11 

11 

totale sociale anciënniteit 

16 

17 

basisrecht bezoldigd ziekteverlof 

480 

510 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

genoten bezoldigd ziekteverlof 

onderwijsniveau 

van  

tot 

HA/BB 

statuut 

oude berekening 

nieuwe regelgeving 

  

  

  

  

  

CVO 

15/11/1990 

4/12/1990 

BB 

Tijd 

  

  

20 

  

  

20 

DAG - SO 

2/02/1992 

25/02/1992 

BB 

Tijd 

  

  

  

  

24 

DKO 

12/05/1995 

21/05/1995 

HA 

Tijd 

  

  

10 

  

  

10 

DKO 

17/03/2005 

15/06/2005 

HA 

Vast 

  

  

91 

  

  

91 

totaal aantal genoten bezoldigde ziekteverlofdagen 

121 

145 

saldo recht op bezoldigd ziekteverlof op 1/9/2007 

480 - 121 = 359 

510 - 145 = 365 

Voorbeeld 3

Een vastbenoemd leraar in een gecombineerde opdracht in een centrum voor volwassenenonderwijs (beperkt leerplan) en het secundair onderwijs (volledig leerplan) oefent sedert 1 september 1990 onderwijsprestaties uit. Hij genoot ook bezoldigd ziekteverlof.

diensten 

  

sociale anciënniteit 

onderwijsniveau 

van  

tot 

HA/BB 

statuut 

oude berekening VL 

oude berekening BL 

nieuwe regelgeving  

  

  

  

  

  

DKO 

1/09/1990 

30/06/1991 

BB 

Tijd 

DAG - SO 

1/09/1991 

30/06/1992 

BB 

Tijd 

CVO+ SO 

1/09/1992 

31/12/1995 

HA 

Tijd 

CVO+ SO 

1/01/1996 

31/08/2007 

HA 

Vast 

11 

11 

11 

totale sociale anciënniteit 

15 

16 

17 

basisrecht bezoldigd ziekteverlof 

450 

  

  

480 

510 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

genoten bezoldigd ziekteverlof 

onderwijsniveau 

van  

tot 

HA/BB 

statuut 

oude berekening VL 

oude berekening BL 

nieuwe regelgeving 

  

  

  

  

  

DKO 

15/11/1990 

4/12/1990 

BB 

Tijd 

  

  

  

  

20 

  

  

20 

DAG - SO 

2/02/1992 

25/02/1992 

BB 

Tijd 

  

  

  

  

  

  

24 

CVO+ SO 

12/05/1995 

5/06/1995 

HA 

Tijd 

  

  

25 

  

  

25 

  

  

25 

CVO+ SO 

17/03/2005 

15/06/2005 

HA 

Vast 

  

  

91 

  

  

91 

  

  

91 

totaal aantal genoten bezoldigde ziekteverlofdagen 

116 

136 

160 

saldo recht op bezoldigd ziekteverlof op 1/9/2007 

450 - 116 = 334 

480 - 136 = 344 

510 - 160 = 350 

2.1.7. Administratieve toestand van het personeelslid tijdens de periode ziekteverlof

Het ziekteverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Tijdens dat verlof heeft het personeelslid recht op salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage.

2.1.8. Afwezigheid wegens ziekte voor en na een weekend, een wettelijke feestdag en sommige vakanties(maar niet de zomervakantie)

Sinds 1 september 2007 is er voor deze afwezigheden een specifieke regeling.

Algemeen principe

Als een personeelslid afwezig is wegens ziekte de kalenderdag vóór een wettelijke feestdag, een weekend, een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie en eveneens afwezig is wegens ziekte de kalenderdag na dezelfde wettelijke feestdag, hetzelfde weekend, dezelfde herfst-,kerst-,krokus- of paasvakantie, dan word(t)(en) de tussenliggende kalenderdag(en) eveneens als afwezigheid wegens ziekte aangerekend.

Dit geldt eveneens, indien een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie of een wettelijke feestdag aansluit of voorafgaat aan een weekend.

Afwijking op het algemeen principe

Het is uiteraard mogelijk dat de tweede ziekteperiode geen verband houdt met de eerste ziekteperiode. Om dit te bewijzen moet het personeelslid zelf het initiatief nemen.

Het bewijs wordt geleverd met een medisch attest/een medisch getuigschrift dat aan het controleorgaan (omzendbrief van 20 januari 1999 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte) wordt voorgelegd. Hieruit moet blijken dat de tweede ziekteperiode inderdaad geen enkel verband houdt met de eerste ziekteperiode. Indien mogelijk, kan het controleorgaan oordelen op grond van de attesten die reeds in zijn bezit zijn, zoniet is het mogelijk dat het controleorgaan aanvullende bewijsmiddelen vraagt.

Het controleorgaan zal dan op basis van deze elementen aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming meedelen dat op grond van de in zijn bezit zijnde elementen de tussenliggende kalenderdag(en) niet als bezoldigd ziekteverlof mag/mogen worden aangerekend.

Evaluatie - misbruiken vermijden

Deze maatregelen hebben tot doel het misbruik van het recht op bezoldigd ziekteverlof af te remmen. Om na te gaan of deze werkwijze in de praktijk moeilijkheden uitlokt of aanleiding geeft tot misbruiken, zal de overheid m.i.v. 1 september 2007 statistische gegevens verzamelen over de uitvoering van deze maatregelen. Zij zal ook nagaan of de betrokkenen de maatregelen trachten te ontwijken.

Voorbeeld 1

Een personeelslid wordt ziek gemeld van dinsdag 20/11/2007 t.e.m. vrijdag 23/11/2007 (= 4 dagen) en opnieuw op maandag 26/11/2007 (= 1 dag). Het weekend wordt aangerekend als ziekteverlof, in totaal zijn dit dus 7 dagen ziekteverlof.

Voorbeeld 2

Een personeelslid wordt ziek gemeld van woensdag 24/10/2007 t.e.m. vrijdag 26/10/2007 (= 3 dagen). Na de herfstvakantie (9 dagen) wordt een tweede ziekteperiode gemeld van maandag 05/11/2007 t.e.m. woensdag 05/12/2007 (= 31 dagen). Het weekend en de herfstvakantie worden aangerekend als ziekteverlof, in totaal zijn dit dus 43 dagen ziekteverlof.

Het betrokken personeelslid neemt echter het initiatief om via het controleorgaan te bewijzen dat de tweede ziekteperiode (gebroken voet) geen enkel verband houdt met de eerste ziekteperiode (griep). Indien het controleorgaan bevestigt dat het om een andere ziekte gaat, wordt de periode van zaterdag 27/10/2007 t.e.m. zondag 04/11/2007 niet meer aangerekend als ziekteverlof. In totaal worden dus 3 + 31 dagen of 34 dagen ziekteverlof aangerekend.

2.1.9. Afwezigheid wegens ziekte vóór en na de zomervakantie

Sinds de zomervakantie 2008 is er voor de zomervakantie een nieuwe regeling die de oude vervangt.

Algemeen principe

Voor de zomervakantie bestond er op grond van artikel 83, §7, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, een regeling die in de praktijk vrij ingewikkeld was. Daarom wordt ze - vanaf de zomervakantie 2008 - opgeheven en vervangen door een nieuwe regeling.

Als een personeelslid gedurende minimum 10 kalenderdagen afwezig is wegens ziekte in een periode van 15 kalenderdagen vóór de zomervakantie en eveneens gedurende minimum 10 kalenderdagen afwezig is wegens ziekte in een periode van 15 kalenderdagen na dezelfde zomervakantie, dan wordt de zomervakantie eveneens als afwezigheid wegens ziekte aangerekend.

Afwijking op het algemeen principe

Het is uiteraard mogelijk dat de tweede ziekteperiode geen verband houdt met de eerste ziekteperiode. Om dit te bewijzen moet het personeelslid zelf het initiatief nemen.

Het bewijs wordt geleverd met een medisch attest/een medisch getuigschrift dat aan het controleorgaan (omzendbrief van 20 januari 1999 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte) wordt voorgelegd. Hieruit moet blijken dat de tweede ziekteperiode inderdaad geen enkel verband houdt met de eerste ziekteperiode. Indien mogelijk, kan het controleorgaan oordelen op grond van de attesten die reeds in zijn bezit zijn, zoniet is het mogelijk dat het controleorgaan aanvullende bewijsmiddelen vraagt.

Het controleorgaan zal op basis van deze elementen aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming meedelen dat op grond van de in zijn bezit zijnde elementen de zomervakantie niet als bezoldigd ziekteverlof mag worden aangerekend.

Evaluatie - misbruiken vermijden

Zoals de maatregelen vermeld in punt 2.1.8. zal ook deze werkwijze worden geëvalueerd.

Voorbeeld

Een personeelslid wordt ziek gemeld van maandag 07/01/2008 t.e.m. woensdag 25/06/2008 en opnieuw vanaf woensdag 03/09/2008 t.e.m. vrijdag 28/11/2008. Het personeelslid is 10 kalenderdagen afwezig wegens ziekte tijdens de laatste 15 kalenderdagen vóór de zomervakantie en is 13 kalenderdagen afwezig wegens ziekte tijdens de eerste 15 kalenderdagen na deze vakantie. Bijgevolg wordt de periode van dinsdag 01/07/2008 t.e.m. zondag 31/08/2008 ook aangerekend als afwezigheid wegens ziekte.

2.1.10. Afwezigheden beschouwd als bezoldigd ziekteverlof

Een aantal afwezigheden wordt als bezoldigd ziekteverlof beschouwd. Het recht om afwezig te zijn is in deze gevallen niet gekoppeld aan het aantal dagen ziekteverlof waarop het personeelslid op grond van zijn sociale anciënniteit nog recht zou hebben. Deze afwezigheden worden dus zonder tijdsbeperking toegestaan. Het gaat om de afwezigheid naar aanleiding van:

1° een arbeidsongeval;

2° een ongeval op de weg naar en van het werk;

3° een beroepsziekte;

4° een bedreiging door een beroepsziekte tijdens de zwangerschap en moederschapsbescherming.

Zoals in punt 2.1.5. wordt vermeld, worden deze dagen afwezigheid niet in mindering gebracht van het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het personeelslid nog recht heeft.

2.1.11. Afwezigheid te wijten aan een ongeval veroorzaakt door de fout van een derde

Vanaf 1 september 2007 bestaat er voor deze specifieke situaties meer duidelijkheid m.b.t. de herberekening van het aantal dagen ziekteverlof waarop men opnieuw recht heeft.

Is de afwezigheid te wijten aan een ongeval, veroorzaakt door de fout van een derde, waarbij het niet gaat om een ongeval zoals vermeld in punt 2.1.10. ( = een zgn. buitendienstongeval waarvoor een derde verantwoordelijk is en dus geen arbeidsongeval), dan ontvangt het personeelslid zijn salaris of salaristoelage alleen als voorschot op de door de derde verschuldigde vergoeding. Het salaris of de salaristoelage wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in haar rechten doet treden tegen de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt( = begrip subrogatie). Het salaris of de salaristoelage wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval.

Opnieuw bepalen van het recht op ziekteverlof

Om het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof te bepalen waarop het personeelslid recht heeft, wordt de afwezigheid als gevolg van een dergelijk ongeval niet in aanmerking genomen ten belope van het percentage waarvoor de derde aansprakelijk is gesteld en:

1° wanneer de aansprakelijke derde heeft betaald;

2° wanneer de derde niet heeft betaald, maar de reden van de niet-betaling het gevolg is van de onvermogendheid van de derde, op voorwaarde dat de aansprakelijkheid en de periode van afwezigheid ten gevolge van het ongeval door een rechtbank is vastgesteld of door de derde werd erkend;

3° wanneer de derde niet heeft betaald wegens een beslissing van de Vlaamse Gemeenschap om het salaris of de salaristoelage niet terug te vorderen van de derde.

Meer informatie over buitendienstongevallen vindt u in de omzendbrief van 1 september 2008.

2.1.12. Geneeskundige controle

Het personeelslid dat afwezig is wegens ziekte, staat onder het geneeskundig toezicht van het controleorgaan bedoeld in de omzendbrief van 20 januari 1999.

2.1.13. Geen recht meer op bezoldigd ziekteverlof

Op het ogenblik dat het vastbenoemd personeelslid het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het voor het geheel van zijn loopbaan recht heeft, heeft opgebruikt, wordt het door de inrichtende macht of schoolbestuur ter beschikking gesteld wegens ziekte (zie hierna punt 3).

Het vastbenoemd personeelslid ontvangt dan niet langer een salaris of een salaristoelage maar wel een wachtgeld(toelage). De berekening ervan wordt hierna in punt 3.3. toegelicht.

2.1.14. Aandachtspunten rond de huidige regelgeving

2.1.14.1. De aanrekening als ziekteverlof geldt voor alle opdrachten

Sinds 1 september 2007 wordt de afwezigheid wegens ziekte van een personeelslid voor alle opdrachten in het niet-tertiair onderwijs als ziekteverlof aangerekend. Dit geldt niet voor de opdrachten in het hoger onderwijs.

In het verleden was het mogelijk dat men in de hoofdopdracht tijdens de dag (hoofdambt) wegens ziekte niet kon fungeren, maar dat er geen ziekteverlof werd aangerekend in de bijkomende opdracht (bijbetrekking) in bv. het Volwassenenonderwijs. Vermits er niet langer een onderscheid wordt gemaakt tussen de berekening van het ziekteverlof voor de prestaties die als hoofdambt of als bijbetrekking worden beschouwd, is deze situatie met ingang van 1 september 2007 grondig gewijzigd. Vanaf die datum wordt de afwezigheid wegens ziekte als ziekteverlof aangerekend voor alle opdrachten (opdrachten in het hoger onderwijs blijven buiten beschouwing) die op dat ogenblik worden uitgeoefend.

2.1.14.2. Gevolgen van de berekening

De nieuwe berekeningswijze van het recht op bezoldigd ziekteverlof is ingegaan op 1 september 2007.

Er is echter een waarborgregeling - zie hierna. Dit betekent dat vanaf 1 september 2007 voor alle betrokkene personeelsleden het recht op het aantal bezoldigde dagen ziekteverlof opnieuw wordt vastgesteld.

Waarborgregeling - geen weerslag op de situatie vóór 1 september 2007

De berekeningswijze van het bezoldigd ziekteverlof heeft voor de periode tot en met 31 augustus 2007 geen gevolgen, noch voor de personeelsleden, noch voor de inrichtende machten of schoolbesturen.

Dit betekent dat de nieuwe berekeningswijze geen aanleiding mag geven tot een herziening van de toestand van het personeelslid in de periode vóór 1 september 2007. Deze toestand kan door de nieuwe berekeningswijze dus niet worden gewijzigd en is definitief verworven.

Wel een wijziging mogelijk vanaf 1 september 2007

Als gevolg van de gewijzigde reglementering kan een personeelslid op 1 september 2007 recht hebben op meer of op minder dagen bezoldigd ziekteverlof.

Het resultaat van deze nieuwe berekening is voor elk personeelslid afhankelijk van de twee volgende factoren:

1° het aantal jaren/maanden sociale anciënniteit verhoogt, omdat er meer diensten( zie punt 2.1.4.) - bv. sommige diensten die als bijbetrekking werden beschouwd - mogen worden meegerekend;

2° tijdens de periodes die volgens 1° op 1 september 2007 bijkomend mogen meetellen voor de berekening van de sociale anciënniteit heeft het personeelslid veel of weinig dagen bezoldigd ziekteverlof genoten.

De nieuwe regeling kan dus tot gevolg hebben dat een personeelslid dat op 31 augustus 2007 ter beschikking gesteld is wegens ziekte, door de nieuwe berekening op 1 september 2007, opnieuw recht krijgt op bezoldigd ziekteverlof en dus wegens ziekte niet meer ter beschikking gesteld zal zijn. Op 1 september 2007 ontvangt het personeelslid dan opnieuw zijn activiteitssalaris(toelage).

In eerder uitzonderlijke gevallen heeft het personeelslid in het verleden al veel dagen ziekteverlof genoten die vóór 1 september 2007 niet in mindering dienden te worden gebracht, omdat deze in periodes vielen die tot op heden voor de berekening niet mochten meetellen (bv. sommige diensten die als bijbetrekking werden beschouwd). Indien dit het geval is, kan het voorkomen dat een personeelslid dat op 31 augustus 2007 met ziekteverlof is vanaf 1 september 2007 ter beschikking moet worden gesteld wegens ziekte. Het zal dan een wachtgeld(toelage) ontvangen.

2.2. Tijdelijk aangestelde personeelsleden

2.2.1. Toepassingsgebied

Punt 2.2. is van toepassing op de volgende personeelsleden:

1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, §1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, §1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;

4° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.

Het is niet van toepassing op de personeelsleden van:

- de universiteiten

- de hogescholen

- de Hogere Zeevaartschool

Punt 2.2. geldt voor alle personeelsleden die diensten presteren die hetzij als hoofdambt hetzij als bijbetrekking worden beschouwd.

De maatregelen die vervat zijn in deze regeling, voeren de bepalingen van cao VIII punt 3.4.3. uit in die zin dat voor het tijdelijk administratief personeel van alle onderwijsniveaus en het tijdelijk technisch personeel van de Centra voor Leerlingenbegeleiding de berekening van het ziekteverlof op dezelfde wijze zal gebeuren als voor alle tijdelijke personeelsleden van de andere personeelscategorieën.

Opme rking - tijdelijk administratief personeel en het tijdelijk technisch personeel van de Centra voor Leerlingenbegeleiding

Het ziekteverlof van het tijdelijk administratief personeel en het tijdelijk technisch personeel van de Centra voor Leerlingenbegeleiding werd vóór 1 september 2007 behandeld volgens de wet van 3 juli 1978 (wet op de arbeids-overeenkomsten). Sinds 1 september 2007 wordt dit ziekteverlof behandeld zoals voor het onderwijzend personeel. Dit betekent dat deze tijdelijke personeelsleden een aantal kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof krijgen, berekend naar rato van één dag per reeks van tien dagen waarvoor een salaris of een salaristoelage wordt verstrekt als tijdelijk personeelslid sinds 1 april 1969.

2.2.2. Voorwaarde om bezoldigd ziekteverlof te krijgen

De personeelsleden vermeld in punt 2.2.1., die afwezig zijn wegens ziekte hebben recht op een aantal dagen bezoldigd ziekteverlof.

De hierna volgende bepalingen gelden enkel voor de afwezigheid wegens ziekte die ligt binnen de periode van aanstelling van een tijdelijk personeelslid.

Het tijdelijk personeelslid moet zijn opdracht effectief hebben opgenomen. Het volstaat niet dat een personeelslid door een inrichtende macht of schoolbestuur tijdelijk werd aangesteld. Hij moet ook daadwerkelijk in dienst getreden zijn en fungeren vooraleer hij aanspraak kan maken op bezoldigd ziekteverlof.

Deze regel geldt niet alleen voor nieuwe aanstellingen op 1 september van een schooljaar, maar ook voor nieuwe aanstellingen in de loop van een schooljaar.

Voorbeeld 1

Een personeelslid wordt tijdelijk aangesteld op 1 september 2007, maar kan als gevolg van een afwezigheid wegens ziekte (medisch attest) die start op 1 september, niet in dienst treden. Betrokkene neemt op 10 september 2007 effectief zijn opdracht op. Gedurende de periode van 1 tot en met 9 september 2007 kan het personeelslid geen aanspraak maken op bezoldigd ziekteverlof. Betrokkene heeft bijgevolg slechts recht op bezoldiging vanaf de datum van zijn effectieve indiensttreding, m.a.w. vanaf 10 september 2007.

Voorbeeld 2

Een personeelslid wordt tijdelijk aangesteld op 1 november 2007 tot het einde van het schooljaar, maar kan als gevolg van ziekte op deze datum niet in dienst treden. Betrokkene neemt op 21 november 2007 effectief zijn opdracht op. Gedurende de periode van 1 tot en met 20 november 2007 kan het personeelslid geen aanspraak maken op bezoldigd ziekteverlof en heeft dus slechts recht op bezoldiging vanaf de datum van zijn effectieve indiensttreding, m.a.w. vanaf 21 november 2007.

Deze regel geldt eveneens voor het tijdelijk personeelslid met bevallingsverlof, moederschapsbescherming, bedreigd door een beroepsziekte, borstvoedingsverlof, volledige loopbaanonderbreking of ouderschapsverlof in het kader van een volledige loopbaanonderbreking op 1 september en dat aansluitend afwezig is wegens ziekte.

Voorbeeld 3

Een persoon wordt tijdelijk aangesteld op 1 september 2007, maar kan als gevolg van bevallingsverlof op deze datum niet in dienst treden. Het bevallingsverlof eindigt op 14 november 2007. Het personeelslid wordt aansluitend met het bevallingsverlof ziek van 15 november 2007 tot 25 november 2007 en neemt op 26 november 2007 effectief haar opdracht op. Gedurende de periode van 15 november 2007 tot 25 november 2007 kan betrokkene geen aanspraak maken op bezoldigd ziekteverlof en heeft bijgevolg slechts recht op bezoldiging vanaf de datum van de effectieve indiensttreding, m.a.w. vanaf 26 november 2007.

Een personeelslid tijdelijk aangesteld van doorlopende duur(TADD) op 1 september en onmiddellijk ziek op 1 september of aansluitend ziek na bevallingsverlof, moederschapsbescherming, bedreigd door een beroepsziekte, borstvoedingsverlof, volledige loopbaanonderbreking of ouderschapsverlof in het kader van een volledige loopbaanonderbreking bij het begin van het schooljaar, heeft recht op bezoldigd ziekteverlof voor zover er op de vooravond (31 augustus) een TADD-opdracht is en voor zover het personeelslid uiteraard nog recht heeft op bezoldigd ziekteverlof.

Een personeelslid met bevallingsverlof, moederschaps-bescherming, bedreigd door een beroepsziekte, volledige loopbaanonderbreking of ouderschapsverlof in het kader van een volledige loopbaanonderbreking in de loop van het schooljaar en dat aansluitend afwezig is wegens ziekte geniet wel bezoldigd ziekteverlof voor zover betrokkene in het betrokken schooljaar, vóór de aanvang van het bevallingsverlof, moederschapsbescherming, bedreigd door een beroepsziekte, volledige loopbaanonderbreking of ouderschapsverlof in het kader van een volledige loopbaanonderbreking in de loop van het schooljaar, effectief in dienst was en voor zover het personeelslid uiteraard nog op bezoldigd ziekteverlof recht heeft.

Tijdens het ziekteverlof - nieuwe aanstelling of uitbreiding opdracht

Tijdens een periode van ziekteverlof kan het tijdelijk personeelslid met of zonder TADD een bijkomende aanstelling krijgen, maar ontvangt het geen bezoldiging voor deze nieuwe aanstelling. Het kan gaan om volledig nieuwe aanstellingen of om uitbreidingen van bestaande opdrachten. Het personeelslid kan immers omwille van de ziekte deze nieuwe aanstelling of bijkomende opdracht niet effectief opnemen.

Voorbeeld

Een personeelslid is tijdelijk aangesteld voor 10 uur voor het volledig schooljaar 2007-2008. Het personeelslid wordt ziek van 1 december 2007 tot 31 januari 2008. Het personeelslid krijgt op 1 december 2007 een uitbreiding van zijn opdracht met 5 uur. Het personeelslid wordt dan vanaf 1 december 2007 beschouwd als tijdelijk aangesteld voor 15 uur maar het personeelslid wordt maar bezoldigd voor 10 uur. Vanaf 1 februari 2008, wanneer het personeelslid de opdracht in zijn totaliteit ook effectief opneemt, wordt het personeelslid bezoldigd voor 15 uur.

2.2.3. Bepaling van het recht op een aantal dagen bezoldigd ziekteverlof

2.2.3.1. Het personeelslid is voor de eerste maal ziek

Algemeen principe

Het personeelslid dat aan de voormelde voorwaarde (punt 2.2.2.) voldoet en dat een eerste keer afwezig is wegens ziekte, krijgt een aantal kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof, berekend naar rato van één dag per reeks van tien dagen waarvoor een salaris of een salaristoelage wordt verstrekt als tijdelijk personeelslid sinds 1 april 1969.

Welke periodes tellen mee om het aantal bezoldigde dagen genoten als tijdelijk personeelslid te bepalen?

Alleen de perioden waarvoor het personeelslid als tijdelijk personeelslid in hoofdambt of in bijbetrekking, van 1 april 1969 af, een salaris of salaristoelage van de onderwijs-administratie heeft verkregen, ongeacht de aard van de instelling of het centrum waar die diensten werden gepresteerd. De termen “instelling” en “centra” verwijzen naar de definities in de decreten rechtspositieregeling.

Per schooljaar mogen maximaal 300 kalenderdagen worden aangerekend.

Voor de tijdelijke personeelsleden die tijdens de zomervakantie een uitgestelde bezoldiging ontvangen , geldt voor de telling van het aantal bezoldigde dagen genoten als tijdelijk personeelslid, de periode van 1 september tot 30 juni.

Er kunnen meer dan 300 dagen worden bezoldigd, maar voor de telling van het aantal bezoldigde dagen genoten als tijdelijk personeelslid, kunnen maximum 300 dagen worden aangerekend.

Voorbeeld

Een onderwijzer wordt tijdelijk aangesteld van 1 september 2007 tot 30 juni 2008. Dit zijn 303 dagen. Het personeelslid ontvangt uitgestelde bezoldiging tijdens de maanden juli en augustus 2008. Als tellingsperiode wordt de periode van 1 september 2007 tot 30 juni 2008 genomen. Voor de telling van het aantal bezoldigde dagen worden er voor het schooljaar 2007-2008 toch maar 300 dagen aangerekend.

Voor alle tijdelijke personeelsleden die geen recht hebben op uitgestelde bezoldiging (en doorbetaald worden in de maanden juli en augustus) wordt er geteld van 1 september tot 31 augustus met daarna een beperking tot 300 dagen.

Voorbeeld

Een tijdelijk administratief medewerker in het voltijds secundair onderwijs wordt aangesteld van 1 november 2007 tot 31 augustus 2008. Het personeelslid ontvangt tijdens de zomervakantie geen uitgestelde bezoldiging, maar wordt doorbetaald. Voor de telling van het aantal dagen recht op bezoldigd ziekteverlof als tijdelijk personeelslid wordt er geteld van 1 november 2007 tot 31 augustus 2008, omdat het personeelslid geen uitgestelde bezoldiging ontvangt. Dit zijn 304 dagen. Vervolgens wordt er beperkt tot 300 dagen. Voor het schooljaar 2007-2008 heeft dit personeelslid dus voor de telling van het aantal genoten bezoldigde dagen recht op 300 dagen.

Afwijking op het algemeen principe - aangesteld voor een volledig schooljaar

In afwijking van het voormelde algemeen principe kan het personeelslid dat aangesteld werd voor de volledige duur van het schooljaar en dat eenmaal zijn opdracht effectief heeft opgenomen en dat afwezig is wegens ziekte, voor dat schooljaar aanspraak maken op dertig kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof, als de toepassing van het voormelde algemeen principe in zijn geval minder gunstig is.

Voorbeeld

Een personeelslid wordt tijdelijk aangesteld voor het volledige schooljaar 2007/2008 en wordt ziek van 15/11/2007 t.e.m. 12/12/2007.

Berekening van het ziekteverlof volgens het algemeen principe.

Het personeelslid heeft als tijdelijk personeelslid bezoldigde diensten van:

- 02/10/2006 t.e.m. 03/12/2006 = 63 dagen;

- 06/12/2006 t.e.m. 31/01/2007 = 57 dagen;

- 01/09/2007 t.e.m. 14/11/2007 = 75 dagen = een totaal van 195 dagen.

Het personeelslid had voor 15 november 2007 al 5 bezoldigde ziektedagen genoten. Het recht op bezoldigd ziekteverlof bedraagt 195/10 = 19 dagen - 5 dagen(reeds genoten bezoldigde ziektedagen) = 14 dagen. Bij toepassing van het algemeen principe is het ziekteverlof van 15/11/2007 t.e.m. 28/11/2007 bezoldigd (14 dagen) en de periode van 29/11/2007 t.e.m. 12/12/2007 onbezoldigd. Aangezien het algemeen principe minder gunstig is dan de afwijkende regeling, wordt hem forfaitair voor het desbetreffend schooljaar 30 dagen bezoldigd ziekteverlof toegekend. Het ziekteverlof van 15/11/2007 t.e.m. 12/12/2007 (= 28 dagen) is aldus bezoldigd. Eenmaal deze werkwijze wordt toegepast (algemene principe versus de afwijkende regeling), is dit onomkeerbaar en bepalend voor de duur van het betrokken schooljaar. Bij ziekteverlof wordt deze “keuze” ieder schooljaar opnieuw bepaald.

Voorbeeld

Het voormelde personeelslid wordt in hetzelfde schooljaar opnieuw ziek van 05/03/2008 t.e.m. 23/03/2008. Als gevolg van de initiële “keuze” heeft het personeelslid nog recht op 30 - 28 (bezoldigde ziekteperiode van 15/11/2007 t.e.m. 12/12/2007) = 2 bezoldigde ziektedagen. Het ziekteverlof van 05/03/2008 t.e.m. 06/03/2008 is bezoldigd.

De periode van 07/03/2008 t.e.m. 23/03/2008 is onbezoldigd.

LET OP

Als het betrokken personeelslid echter vrijwillig of gedwongen zijn ambt neerlegt of onderbreekt voor het einde van het schooljaar, wordt, in voorkomend geval, het verschil berekend tussen:

- de bezoldiging die de betrokkene heeft gekregen op grond van de afwijkende regeling en

- de bezoldiging waarop hij aanspraak kon maken bij toepassing van het algemene principe.

Het bekomen bedrag wordt van het betrokken personeelslid teruggevorderd.

Voorbeeld

Een personeelslid is met ingang van 1 september 2007 voor het volledige schooljaar 2007 - 2008 aangesteld. Hij treedt effectief in dienst op 1 september 2007 (= eerste indiensttreding in het onderwijs). De betrokkene wordt ziek op 1 oktober 2007 en blijft ziek tot 5 november 2007. Hij bekomt gedurende de eerste dertig dagen van zijn ziekteverlof een bezoldiging (de toepassing van de afwijkende regeling is voor betrokkene immers gunstiger). De periode 01/10/2007 - 30/10/2007 = 30 dagen bezoldigd ziekteverlof; de periode 31/10/2007 - 05/11/2007 = 6 dagen onbezoldigd ziekteverlof. De betrokkene wenst echter het onderwijs te verlaten en dient daartoe ontslag in dat ingaat op 1 april 2008. Bijgevolg dient de situatie van het personeelslid te worden herzien. De bezoldiging waarop het aanspraak zou kunnen maken, bij toepassing van het algemene principe wordt als volgt berekend:

- bezoldigde diensten als tijdelijk personeelslid tot de vooravond van het ziekteverlof = periode 01/9/2007 - 30/9/2007 (30 dagen).

- recht op bezoldigd ziekteverlof: 30/10 dagen = 3 dagen

- periode 01/10/2007 - 03/10/2007 = 3 dagen bezoldigd ziekteverlof

- periode 04/10/2007 - 05/11/2007 = 33 dagen onbezoldigd ziekteverlof

Ingevolge zijn ontslag heeft de betrokkene slechts recht op 3 dagen bezoldigd ziekteverlof. De bezoldiging die het personeelslid voor zijn 30 dagen ziekteverlof heeft gekregen, wordt vergeleken met de bezoldiging waarop hij voor de 3 dagen ziekteverlof werkelijk recht heeft. Het verschil, nl. de bezoldiging die hij te veel heeft ontvangen (27 dagen = periode 04/10/2007 - 30/10/2007), wordt teruggevorderd.

Wanneer de betrokkene echter in de loop van dat schooljaar (na 1 september) een dienstonderbreking neemt, brengt dit geen herberekening van het recht op bezoldigd ziekteverlof met zich mee.

2.2.3.2. Opnieuw afwezig wegens ziekte

Als het personeelslid opnieuw afwezig is wegens ziekte, is het aantal kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof waarop het aanspraak kan maken, gelijk aan het aantal kalenderdagen, berekend volgens de voormelde principes verminderd met het aantal kalenderdagen bezoldigd ziekteverlof dat het sinds 1 april 1969 heeft genoten.

Telling genoten bezoldigde ziektedagen

Voor de telling van het aantal genoten dagen ziekteverlof worden alleen de dagen bezoldigd ziekteverlof meegeteld die vallen binnen de periode die meetelt voor de berekening van het recht op het bezoldigd ziekteverlof.

2.2.4. Administratieve toestand van het personeelslid

De bezoldigde afwezigheden wegens ziekte zijn periodes van bezoldigd verlof en worden gelijkgesteld met dienstactiviteit.

Als die periode zich binnen de aanstelling bevindt, heeft het personeelslid tijdens dat verlof recht op een salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage.

Als de afwezigheid wegens ziekte van een personeelslid langer duurt dan de periode waarvoor het werd aangesteld, mag de toepassing van de bepalingen m.b.t. het recht op bezoldigd ziekteverlof niet tot gevolg hebben dat de betrokkene bezoldigd wordt gedurende een periode na de datum waarop zijn tijdelijke aanstelling is beëindigd.

De onbezoldigde afwezigheden wegens ziekte zijn geen periodes van bezoldigd verlof en worden niet gelijkgesteld met dienstactiviteit. Het personeelslid heeft tijdens het onbezoldigd ziekteverlof geen recht op een salaris of salaristoelage, noch op een verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage.

2.2.5. Afwezigheid wegens ziekte voor en na een weekend, een wettelijke feestdag en sommige vakanties (maar niet de zomervakantie)

Algemeen principe

Als een personeelslid afwezig is wegens ziekte de kalenderdag vóór een wettelijke feestdag, een weekend, een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie en eveneens afwezig is wegens ziekte de kalenderdag na dezelfde wettelijke feestdag, hetzelfde weekend, dezelfde herfst-,kerst-,krokus- of paasvakantie, dan word(t)(en) de tussenliggende kalenderdag(en) eveneens als afwezigheid wegens ziekte aangerekend.

Dit geldt eveneens indien een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie of een wettelijke feestdag aansluit of voorafgaat aan een weekend.

Afwijking op het algemeen principe

Het is uiteraard mogelijk dat de tweede ziekteperiode geen verband houdt met de eerste ziekteperiode. Om dit te bewijzen moet het personeelslid zelf het initiatief nemen.

Het bewijs wordt geleverd met een medisch attest/een medisch getuigschrift dat aan het controleorgaan (omzendbrief van 20 januari 1999, betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte) wordt voorgelegd. Hieruit moet blijken dat de tweede ziekteperiode inderdaad geen enkel verband houdt met de eerste ziekteperiode. Indien mogelijk kan het controleorgaan oordelen op grond van de attesten die reeds in zijn bezit zijn, zoniet is het mogelijk dat het controleorgaan aanvullende bewijsmiddelen vraagt.

Het controleorgaan zal dan op basis van deze elementen aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming meedelen dat op grond van de in zijn bezit zijnde elementen de tussenliggende kalenderdag(en) niet als bezoldigd ziekteverlof mag/mogen worden aangerekend.

Evaluatie - misbruiken vermijden

Deze maatregelen hebben tot doel het misbruik van het recht op bezoldigd ziekteverlof af te remmen. Om na te gaan of deze werkwijze in de praktijk moeilijkheden uitlokt of aanleiding geeft tot misbruiken, zal de overheid m.i.v. 1 september 2007 statistische gegevens verzamelen over de uitvoering van deze maatregelen. Zij zal ook nagaan of de betrokkenen de maatregel trachten te ontwijken.

Voorbeeld

Zie punt 2.1.8.

2.2.6. Afwezigheden beschouwd als bezoldigd ziekteverlof

Een aantal afwezigheden wordt als bezoldigd ziekteverlof beschouwd. Het gaat om de afwezigheid naar aanleiding van:

1° een arbeidsongeval;

2° een ongeval op de weg naar en van het werk;

3° een beroepsziekte;

4° een bedreiging door een beroepsziekte.

Het recht om afwezig te zijn is in deze gevallen niet gekoppeld aan het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het personeelslid nog recht zou hebben. Als de hogervermelde afwezigheid zich bevindt binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid dan worden deze afwezigheden dus zonder tijdsbeperking toegestaan.

Deze dagen afwezigheid worden niet in mindering gebracht van het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het personeelslid nog recht heeft.

Voor de afwezigheid ten gevolge van een arbeidsongeval buiten de aanstellingsperiode heeft het personeelslid recht op een vervangingsinkomen - zie punt 5.3.2. van de omzendbrief van 15 december 1999.

2.2.7. Afwezigheid te wijten aan een ongeval, veroorzaakt door de fout van een derde

Is de afwezigheid van een personeelslid te wijten aan een ongeval, veroorzaakt door de fout van een derde en waarbij het niet gaat om een ongeval zoals vermeld in punt 2.2.6.(= een zgn. buitendienstongeval waarvoor een derde verantwoordelijk is en dus geen arbeidsongeval), dan ontvangt het personeelslid zijn salaris of salaristoelage alleen als voorschot op de door de derde verschuldigde vergoeding. Het salaris of de salaristoelage wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in haar rechten doet treden tegen de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt(= begrip subrogatie). Het salaris of de salaristoelage wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval.

Hervatten na deze afwezigheid

Als het personeelslid het werk hervat, wordt het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vermeerderd met het aantal dagen ten belope van het percentage waarvoor de derde aansprakelijk is gesteld.

De aanvulling gebeurt pas:

1° wanneer de derde heeft betaald;

2° wanneer de derde niet heeft betaald, maar de reden van de niet-betaling het gevolg is van de onvermogendheid van de derde, op voorwaarde dat de aansprakelijkheid en de periode van afwezigheid ten gevolge van het ongeval door een rechtbank is vastgesteld of door de derde werd erkend;

3° wanneer de derde niet heeft betaald wegens een beslissing van de Vlaamse Gemeenschap om het salaris of de salaris-toelage niet terug te vorderen van de derde,

en nadat het personeelslid heeft verklaard dat de periode van afwezigheid ten gevolge van het ongeval werd beëindigd.

Meer informatie over buitendienstongevallen vindt u in de omzendbrief van 1 september 2008.

Enkel voor latere ziekteperiodes

De aanvulling van het recht op een aantal dagen bezoldigd ziekteverlof heeft alleen gevolgen voor latere afwezigheden wegens ziekte.

2.2.8. Geneeskundige controle

Het personeelslid dat afwezig is wegens ziekte, staat onder het geneeskundig toezicht van het controleorgaan bedoeld in de omzendbrief van 20 januari 1999 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte.

2.2.9. Geen recht meer op bezoldigd ziekteverlof

Op het ogenblik dat het personeelslid het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het voor het geheel van zijn loopbaan recht heeft, heeft opgebruikt, ontvangt het niet langer een salaris of een salaristoelage. Het personeelslid ontvangt dan een uitkering van het ziekenfonds.

2.2.10. 2.2.10. Aandachtspunten rond de huidige regelgeving

2.2.10.1. De aanrekening als ziekteverlof geldt voor alle opdrachten

Sinds 1 september 2007 wordt de afwezigheid wegens ziekte van een personeelslid voor alle opdrachten in het niet-tertiair onderwijs als ziekteverlof aangerekend. Dit geldt niet voor de opdrachten in het hoger onderwijs.

In het verleden was het mogelijk dat men in de hoofdopdracht tijdens de dag (hoofdambt) wegens ziekte niet kon fungeren, maar dat er geen ziekteverlof werd aangerekend in de bijkomende opdracht (bijbetrekking) in bv. het Volwassenenonderwijs. Vermits er niet langer een onderscheid wordt gemaakt tussen de berekening van het ziekteverlof voor de prestaties die als hoofdambt of als bijbetrekking worden beschouwd, zal deze situatie vanaf 1 september 2007 grondig wijzigen.

Vanaf die datum wordt de afwezigheid wegens ziekte als ziekteverlof aangerekend voor alle opdrachten (opdrachten in het hoger onderwijs blijven buiten beschouwing) die op dat ogenblik worden uitgeoefend.

2.2.10.2. Gevolgen van de berekening

De huidige regeling mag geen weerslag hebben op de periode die 1 september 2007 voorafgaat.

De berekeningswijze van het recht op bezoldigd ziekteverlof werd vanaf 1 september 2007 toegepast.

Er is echter een waarborgregeling - zie hierna. Dit betekent dat vanaf 1 september 2007 voor elk personeelslid het recht op het aantal bezoldigde dagen ziekteverlof opnieuw wordt vastgesteld.

Waarborgregeling - geen weerslag op de situatie vóór

1 septemb er 2007

De berekeningswijze van het bezoldigd ziekteverlof heeft voor de periode tot en met 31 augustus 2007 geen gevolgen, noch voor de personeelsleden, noch voor de inrichtende machten of schoolbesturen.

Dit betekent dat de huidige berekeningswijze geen aanleiding mag geven tot een herziening van de toestand van het personeelslid in de periode vóór 1 september 2007. Deze toestand kan door de huidige berekeningswijze dus niet worden gewijzigd en is definitief verworven.

Mogelijk wel een wijziging op 1 s eptember 2007

Als gevolg van de gewijzigde reglementering kan een personeelslid op 1 september 2007 recht hebben op meer of op minder dagen bezoldigd ziekteverlof.

Het resultaat van deze nieuwe berekening is voor elk personeelslid afhankelijk van de twee volgende doorslaggevende factoren:

1° sommige periodes - bv. sommige diensten die als bijbetrekking werden beschouwd - mogen nu wel worden meegerekend;

2° tijdens de periodes die volgens 1° op 1 september 2007 bijkomend mogen meetellen voor de berekening, heeft het personeelslid veel of weinig dagen ziekteverlof genoten.

In eerder uitzonderlijke gevallen heeft het personeelslid in het verleden al veel dagen bezoldigd ziekteverlof genoten die vóór 1 september 2007 niet in mindering werden gebracht, omdat deze in periodes vielen die tot op heden voor de berekening niet werden meegeteld (bv. sommige diensten die als bijbetrekking werden beschouwd). Indien dit het geval is, kan het voorkomen dat het saldo van het aantal dagen waarop een tijdelijk personeelslid nog recht heeft op 1 september 2007 wijzigt.

2.3. Contractuele personeelsleden

Voorafgaand

Op grond van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV, artikel X.58, kan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming voor bepaalde categorieën van personeelsleden van het onderwijs die zijn aangesteld via een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet 3 juli 1978 betreffende arbeidsovereenkomsten, een jaarsalaris of jaarsalaristoelage uitbetalen.

Deze groep van contractuele personeelsleden is zeer divers. De belangrijkste categorieën zijn:

· het tijdelijk meesters- vak en dienstpersoneel

· de contractuelen departement onderwijs (CODO's)

· de gesubsidieerde contractuelen Brussels Gewest (GECO's)

· de gesubsidieerde contractuelen bij de Stichting Vlaams Schoolsport (GESCO's)

· contractuele kinderverzorgsters en verpleegsters van de Kinderdagverblijven verbonden aan de basisscholen van het gemeenschapsonderwijs te Brussel

· de deskundige van de lokale overlegplatforms (LOP-ers)

· de opvoeders voor- en nabewaking in de basisscholen verbonden aan het Koninklijk Atheneum van Brussel

· de startbaners

· de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie

De hierna vermelde bepalingen gelden alleen voor de afwezigheid die ligt binnen de periode van de arbeidsovereenkomst.

2.3.1. Regeling op het gebied van ziekteverlof

Voor de contractuele personeelsleden die betaald worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, blijft de voormelde wet van 3 juli 1978 van toepassing.

2.3.2. Voorwaarde om bezoldigd ziekteverlof te krijgen

Het contractueel personeelslid moet zijn opdracht effectief hebben opgenomen.

2.3.3. De belangrijkste bepaling om het recht op een aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vast te stellen - uitputting van dit recht

De eerste 30 dagen van afwezigheid wegens ziekte wordt het salaris doorbetaald. Vanaf de 31ste dag valt het personeelslid ten laste van het ziekenfonds.

Diensthervatting

Na een diensthervatting van meer dan 14 dagen geldt de 30-dagen regel in principe - zie echter hierna - opnieuw voor elke volgende periode van afwezigheid.

Hervatting is minder dan 14 dagen

Indien er geen 14 dagen diensthervatting is tussen twee ziekteverlofperioden in, dan worden de beide perioden van afwezigheid wegens ziekte samengeteld om het maximum van 30 dagen bezoldigd ziekteverlof te bekomen.

Toch opnieuw recht op 30 dagen

Het contractueel personeelslid heeft na een werkhervatting van minder dan 14 dagen toch opnieuw recht op 30 dagen bezoldigd ziekteverlof, indien de tweede ziekteperiode een andere ziekte is dan in de vorige ziekteperiode.

Voorbeeld

Een personeelslid is sinds 01/01/2002 halftijds vast benoemd als kinderverzorger in een kinderdagverblijf verbonden aan een basisschool van het gemeenschapsonderwijs te Brussel. Een andere halftijdse opdracht wordt als contractueel personeelslid uitgeoefend. Het personeelslid heeft van een initiële sociale anciënniteit van 200 dagen op 01/09/2007 nog 24 dagen over. Op 01/09/2007 wordt betrokkene ziek tot en met 05/10/2007. Als vastbenoemd kinderverzorger wordt betrokkene vanaf 25/09/2007 voor 18/36 ter beschikkinggesteld wegens ziekte en als contractueel kinderverzorger(18/36) ontvangt betrokkene vanaf 01/10/2007 een uitkering van de mutualiteit.

2.3.4. Administratieve toestand van het personeelslid

De bezoldigde afwezigheden wegens ziekte zijn periodes van bezoldigd ziekteverlof. Als die periode binnen de periode van de arbeidsovereenkomst van het personeelslid valt dan behoudt het personeelslid tijdens dat verlof het recht op een salaris en op verhoging tot een hoger salaris.

2.3.5. Afwezigheden beschouwd als bezoldigd ziekteverlof

Een aantal afwezigheden wordt als bezoldigd ziekteverlof beschouwd. Het gaat om de afwezigheid naar aanleiding van:

1° een arbeidsongeval;

2° een ongeval op de weg naar en van het werk;

3° een beroepsziekte;

4° een bedreiging door een beroepsziekte.

Het recht om afwezig te zijn is in deze gevallen niet gekoppeld aan het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het personeelslid nog recht zou hebben. Als de hogervermelde afwezigheid zich binnen de periode van de arbeidsovereenkomst van het personeelslid bevindt, dan worden deze afwezigheden dus zonder tijdsbeperking toegestaan.

Gedurende die periode van afwezigheid en op voorwaarde dat die periode zich binnen de periode van de arbeidsovereenkomst bevindt, behoudt het personeelslid het recht op een salaris en op verhoging tot een hoger salaris.

Voor de afwezigheid ten gevolg van een arbeidsongeval buiten de periode van de arbeidsovereenkomst heeft het personeelslid recht op een vervangingsinkomen - zie punt 5.3.3. van de omzendbrief van 15 december 1999.

2.3.6. Afwezigheid te wijten aan een ongeval, veroorzaakt door de fout van een derde

Is de afwezigheid van een personeelslid te wijten aan een ongeval, veroorzaakt door de fout van een derde en dat geen ongeval is als vermeld in punt 2.3.5. ( = een zgn. buitendienstongeval waarvoor een derde verantwoordelijk is en dus geen arbeidsongeval) dan ontvangt het personeelslid zijn salaris alleen als voorschot op de door de derde verschuldigde vergoeding. Het salaris - zie punt 2.3.3. - wordt alleen uitbetaald op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de Vlaamse Gemeenschap ten bedrage van de door de Vlaamse Gemeenschap betaalde som in haar rechten doet treden tegen de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt(= begrip subrogatie). Het salaris wordt door de Vlaamse Gemeenschap teruggevorderd van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval.

Meer informatie over buitendienstongevallen vindt u in de omzendbrief van 1 september 2008.

2.3.7. Geneeskundige controle

Het contractueel personeelslid dat afwezig is wegens ziekte, staat onder het geneeskundig toezicht van het controleorgaan bedoeld in de omzendbrief van 20 januari 1999 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte.

3. De terbeschikkingstelling wegens ziekte voor vastbenoemde personeelsleden.

Voorafgaand

Het personeelslid dat wegens ziekte ter beschikking is gesteld, ontvangt een wachtgeld of wachtgeldtoelage waarvan het bedrag bepaald wordt op basis van het laatste activiteitssalaris, naar rata van percentages. In de vroegere regelgeving waren er drie soorten berekening die afhankelijk waren van de personeelscategorie(bv. administratief personeel) of van de sector waarin men was tewerkgesteld(bv. in de CLB's). Voor sommige personeelsleden met een “gemengde” loopbaan gaf dit aanleiding tot moeilijkheden bij de berekening. Vanaf 1 september 2007 wordt het recht op bezoldigd ziekteverlof voor alle vastbenoemde personeelsleden op een gelijkaardige wijze berekend. Dit geeft recht op een aantal dagen bezoldigd ziekteverlof. Het is onlogisch om na deze periode m.a.w. op het ogenblik dat het vastbenoemde personeelslid het recht op bezoldigd ziekteverlof heeft uitgeput en dus ter beschikking wordt gesteld wegens ziekte, een wachtgeld toe te kennen dat op een andere wijze zou worden berekend dan voor alle andere vastbenoemde personeelsleden. Het is dan ook billijk en rechtvaardig om ook bij de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor één berekeningswijze te kiezen.

3.1. Wie wordt ter beschikking gesteld

Het personeelslid vermeld, in punt 2.1.1, dat vastbenoemd of, in het gemeenschapsonderwijs, tot de proeftijd toegelaten is, wordt door de inrichtende macht of het schoolbestuur ter beschikking gesteld, nadat het personeelslid het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het recht had, heeft opgebruikt.

3.2. Recht op wachtgeld of wachtgeldtoelage

Het personeelslid dat wegens ziekte ter beschikking gesteld is, ontvangt een wachtgeld of wachtgeldtoelage.

3.3. Berekening

3.3.1. Algemeen

Het bedrag van het wachtgeld of de wachtgeldtoelage wordt per jaar geldelijke anciënniteit, berekend op basis van het laatste activiteitssalaris naar rata van:

5 % per jaar voor de eerste vijf jaren = 5 x 5 = 25 %

4 % per jaar voor de vijf volgende jaren = 4 x 5 = 20 %

2 % per jaar voor de resterende jaren = 2 x X = 2X %

Het bedrag van het wachtgeld of de wachtgeldtoelage mag niet lager zijn dan 50% en niet hoger zijn dan 75% van het laatste activiteitssalaris (brutosalaris).

Het bedrag van het wachtgeld of de wachtgeldtoelage blijft ongewijzigd tijdens de periode van terbeschikkingstelling wegens ziekte, uitgezonderd bij:

- wijziging in de regelgeving;

- vermindering van de opdracht (bv. door ontslag);

- uitbreiding van de vaste benoeming;

- indexverhoging.

Voorbeeld 1

Een personeelslid, vast benoemd voor 8 uren en tijdelijk voor 10 uren, heeft zijn recht op bezoldigd ziekteverlof in de loop van november 2007 uitgeput, zowel voor zijn tijdelijke opdracht als voor zijn vastbenoemde opdracht.

Voor de vastbenoemde opdracht komt hij in de stand terbeschikkingstelling wegens ziekte. Hij ontvangt een wachtgeld berekend op het laatste activiteitssalaris voor de 8 uren vaste benoeming. Voor de tijdelijke opdracht van 10 uren krijgt hij van het ziekenfonds een uitkering. Op 1 januari 2008, tijdens de periode van terbeschikkingstelling, wordt zijn vaste benoeming uitgebreid van 8 naar 15 uren. Vanaf dezelfde datum wordt nu ook het wachtgeld herberekend op basis van het laatste activiteitssalaris voor 15 uren benoeming. Deze uitbreiding kan wel geen aanleiding geven tot een wijziging van het toe te kennen percentage (= geen verhoging van de geldelijke anciënniteit).

Voor het nog resterende aantal uren als tijdelijke - 3 - krijgt hij verder van het ziekenfonds een uitkering.

Voorbeeld 2

Indien voormeld personeelslid op 1 februari 2008, tijdens de periode van terbeschikkingstelling, ontslag neemt voor bv. 5 uren en de vaste benoeming wordt dus van 15 naar 10 uren teruggebracht, dan wordt het wachtgeld herberekend op basis van het laatste activiteitssalaris voor 10 uren vaste benoeming.

Voor de 3 tijdelijke uren krijgt hij verder van het ziekenfonds een uitkering.

3.3.1.1. Waarborgregeling

Voor één welbepaalde categorie personeelsleden was het noodzakelijk om een overgangsregeling te treffen.

Inzake de berekening van het wachtgeld/wachtgeldtoelage wordt er vanaf 1 september 2007 voor alle personeelsleden dus nog maar één regeling toegepast. Er werd onderzocht wat de weerslag is van deze nieuwe regeling voor de leden van het administratief personeel, het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en de administratief medewerker van het beleids - en ondersteunend personeel van het basisonderwijs dat wegens ziekte ter beschikking is gesteld. Zij hadden immers in het verleden een andere berekeningswijze. Uit dit onderzoek is gebleken dat voor een aantal personeelsleden de toepassing van de nieuwe regeling nadeliger zou kunnen zijn. Voor deze situatie is er dus een overgangsmaatregel, nl. indien het bedrag hoger is dan het bedrag vastgesteld op grond van de berekening bedoeld in punt 3.3.1. hiervoor, ontvangt het lid van het administratief personeel, het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en de administratief medewerker van het beleids - en ondersteunend personeel van het basisonderwijs dat vóór 1 september 2007 wegens ziekte ter beschikking was gesteld en na die datum ononderbroken in die administratieve stand blijft, verder het wachtgeld of de wachtgeldtoelage waarop het op grond van de op 31 augustus 2007 geldende reglementering recht had.

3.4. Ernstige en langdurige ziekte

Het personeelslid dat wegens ziekte ter beschikking gesteld is, heeft recht op een wachtgeld of wachtgeldtoelage waarvan het bedrag gelijk is aan zijn laatste activiteitssalaris, als de aandoening waaraan hij lijdt als ernstige en langdurige ziekte wordt erkend.

Het Bestuur van de Medische Expertise (MEDEX) beslist of de aandoening waaraan het personeelslid lijdt, een dergelijke ziekte is.

Belangrijk - Slechts na 6 maand

De beslissing mag in geen geval genomen worden, vooraleer het personeelslid voor een periode van ten minste zes maanden voor de aandoening waaraan hij lijdt met ziekteverlof was en/of wegens ziekte ter beschikking gesteld is geweest.

Uitwerking van elke eerste beslissing

Elke eerste beslissing waarin MEDEX de aandoening al dan niet als een ernstige en langdurige ziekte erkent, brengt een herziening mee van de toestand van het personeelslid, met geldelijke terugwerking tot de begindatum van zijn terbeschikkingstelling.

Voorbeeld

Een personeelslid is ononderbroken afwezig wegens ziekte vanaf 01/09/2006 en heeft zijn recht op bezoldigd ziekteverlof uitgeput op 26/03/2008. Hij heeft een geldelijke anciënniteit van 28 jaar en wordt ter beschikking gesteld met een wachtgeld van 75 % van zijn laatste activiteitssalaris. De pensioencommissie van MEDEX deelt met een aangetekende brief van 21/05/2008 mee dat betrokkene aangetast is door een ernstige en/of langdurige ziekte. Zijn salaris wordt met terugwerkende kracht herzien vanaf de begindatum van zijn terbeschikkingstelling; hij heeft vanaf 26/03/2008 recht op 100 % salaris i.p.v. op een wachtgeld van 75 %.

Uitwerking van elke latere beslissing

In afwijking van de voormelde herziening tot de begindatum van de terbeschikkingstelling wegens ziekte hebben de beslissingen van het Bestuur van de Medische Expertise (MEDEX) getroffen na de eerste beslissing uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van de beslissing.Als de beslissing op de eerste dag van een maand wordt betekend, heeft de beslissing toch uitwerking vanaf de eerste dag van die maand.

Voorbeeld (nieuwe beslissing)

Een personeelslid is ononderbroken afwezig wegens ziekte gedurende meer dan 6 maand en heeft zijn recht op bezoldigd ziekteverlof uitgeput op 17/11/2007. Hij heeft een geldelijke anciënniteit van 7 jaar en wordt ter beschikking gesteld met een wachtgeld van 50 % van zijn laatste activiteitssalaris. De pensioencommissie van MEDEX deelt met een aangetekende brief van 29/01/2008 mee dat hij na 9 maanden opnieuw moet worden onderzocht en dat hij niet aangetast is door een ernstige en/of langdurige ziekte. Betrokkene ontvangt verder het wachtgeld van 50 % van zijn laatste activiteitssalaris. Hij wordt na 9 maanden opnieuw onderzocht en de pensioencommissie van MEDEX betekent bij brief van 20/11/2008 een nieuwe beslissing: betrokkene is nog ongeschikt, maar hij is nu wel aangetast door een ernstige en/of langdurige ziekte. Deze tweede nieuwe beslissing van MEDEX heeft uitwerking op de eerste dag van de maand na de betekening; d.w.z. dat hij pas recht heeft op 100 % salaris m.i.v. 01/12/2008.

3.5. Een wederaanpassingsperiode met halve dagtaak

Stopzetten van de ter beschikkingstelling wegens ziekte

Als het Bestuur van de Medische Expertise (MEDEX) voorstelt dat een personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ziekte, geschikt is om onmiddellijk bij wijze van wederaanpassing gedurende een bepaalde periode met een halve dagtaak te werken en zodra het personeelslid aan dit voorstel gevolg geeft, wordt de terbeschikkingstelling wegens ziekte ambtshalve beëindigd.

Indien het personeelslid aan dit voorstel geen gevolg geeft, blijft het verder onderworpen aan de regeling van de terbeschikkingstelling wegens ziekte en wordt aan MEDEX gevraagd een nieuw voorstel/nieuwe beslissing te formuleren.

Volume van de uit te oefenen opdracht

Het personeelslid heeft het recht elke week één of meer ambten uit te oefenen die samen de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties.

Voor het berekenen van de halve opdracht die het personeelslid moet blijven uitoefenen, komen eveneens in aanmerking:

- de uren waarvoor het personeelslid tijdelijk is aangesteld;

- de prestaties in een opdracht aan een hogeschool zoals vermeld in artikel 2, 39° van het hetzelfde decreet van 13 juli 1994.

Afronding

De nog te verrichten prestaties moeten steeds worden afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.

Periode

MEDEX bepaalt de duur. Het personeelslid mag de halftijdse prestaties alleen uitoefenen gedurende de periode die in de beslissing van het voormelde bestuur wordt vermeld.

Die periode is echter ambtshalve tot een maximum van negentig kalenderdagen beperkt.

Wat met een nieuwe ziekteperiode tijdens een toegekende periode van wederaanpassing met halve dagtaak?

Opgelet: een nieuwe periode van ziekte schort een toegestane periode op, behalve indien deze ziekte langer dan 14 kalenderdagen duurt; dan wordt de periode van wederaanpassing beëindigd.

Het personeelslid dat, tijdens de toegestane lopende wederaanpassingsperiode, afwezig is wegens ziekte, behoudt na deze afwezigheid het recht om de halftijdse prestaties voor het nog resterende aantal dagen van de toegestane periode verder te zetten. Het voorstel van MEDEX om met halftijdse prestaties te werken wordt immers toegekend voor een bepaalde periode van maximaal 90 kalenderdagen. Het personeelslid kan echter gedurende x kalenderdagen opnieuw volledig afwezig zijn wegens ziekte. Een afwezigheid wegens ziekte schort echter de toegestane lopende periode waarin met halve dagtaak wordt gewerkt, op.

Voorbeeld

Een personeelslid krijgt van MEDEX cel pensioenen een wederaanpassingsperiode met halve dagtaak voor 30 kalenderdagen vanaf 05/01/2012 t.e.m. 03/02/2012. Betrokkene is echter afwezig wegens ziekte van 12/01/2012 t.e.m. 20/01/2012 (= 9 kalenderdagen).

De wederaanpassingsperiode met halve dagtaak wordt opgeschort vanaf 12/01/2012 t.e.m. 20/01/2012. Van de toegekende 30 kalenderdagen wederaanpassingsperiode met halve dagtaak genoot hij slechts 21 kalenderdagen. Na het beëindigen van zijn ziekteverlof op 21/01/2012 blijft betrokkene het recht behouden om aansluitend aan het einde van de oorspronkelijke wederaanpassingsperiode met halve dagtaak nog 9 kalenderdagen - 04/02/2012 t.e.m. 12/02/2012 - wederaanpassingsperiode met halve dagtaak op te nemen zonder dat hiervoor een nieuwe toekenning van wederaanpassingsperiode met halve dagtaak moet gebeuren.

Afwijking: de wederaanpassingsperiode wordt toch stopgezet

Het personeelslid is wel opnieuw ter beschikking gesteld wegens ziekte, indien:

1° zij/hij door een periode van ziekte de toegekende periode overschrijdt;

2° zij/hij tijdens de toegekende periode langer dan veertien opeenvolgende kalenderdagen wegens ziekte afwezig is.

Voorbeeld

Het personeelslid krijgt van MEDEX cel pensioenen een wederaanpassingsperiode met halve dagtaak voor 30 kalenderdagen vanaf 05/01/2012 t.e.m. 03/02/2012. Betrokkene is echter afwezig wegens ziekte van 12/01/2012 t.e.m. 31/01/2012 (= 20 kalenderdagen).

De wederaanpassingsperiode met halve dagtaak wordt NIET opgeschort, maar wordt beëindigd vanaf 12/01/2012. Indien betrokkene opnieuw ter beschikking wordt gesteld wegens ziekte moet het personeelslid opnieuw opgeroepen worden voor de pensioencommissie. Van de toegekende 30 kalenderdagen wederaanpassingsperiode met halve dagtaak genoot hij slechts 7 - 05/1/2012 t.e.m. 11/01/2012 - kalenderdagen wederaanpassingsperiode met halve dagtaak. De wegens ziekte niet opgebruikte 23 kalenderdagen wederaanpassingsperiode met halve dagtaak worden niet meegeteld om de maximum toekenning van 90 dagen wederaanpassingsperiode met halve dagtaak te berekenen.

90 dagen in een periode van 10 jaar

In een periode van tien jaar mag het personeelslid zijn ambt in totaal niet meer dan negentig kalenderdagen in deze vorm van halftijdse prestaties uitoefenen.

Te llen van de 90 dagen

In de praktijk komt het voor dat een personeelslid dat de toelating heeft gekregen om met halve dagtaak te werken, opnieuw ziek wordt en dus “volledig” afwezig is. In dat geval worden de wegens ziekte niet-opgebruikte dagen van de door MEDEX toegestane periode niet meegeteld om de 90 kalenderdagen te berekenen. Voor het bepalen van de 90 kalenderdagen worden dus alleen periodes van halftijdse prestaties geteld.

Tellen van de 10 jaar

De woorden “in een periode van 10 jaar..." betekent niet per 10jaar. Het personeelslid heeft slechts recht op een periode van maximaal negentig kalenderdagen met halve dagtaak op voorwaarde dat het in de periode van maximaal tien jaar die aan een nieuwe periode voorafgaat, nog geen negentig kalenderdagen wederaanpassing met halve dagtaak heeft genoten.

Voor een aanvraag vanaf bv. 1 mei 2012 wordt dus nagegaan of er in de periode van 1 mei 2012 tot 30 april 2012 reeds 90 dagen wederaanpassing met halve dagtaak werden genoten.

  

  

Vast  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

01 j *  

02 j *  

03 j *  

04 j *  

05 j *  

06 j *  

07 j *  

08 j *  

09 j *  

10 j *  

11 j *  

12 j *  

13 j *  

14 j *  

15 j *  

16 j *  

  

  

  

  

30  

  

  

  

30  

  

  

  

  

  

  

30  

  

  

  

  

  

  

  

Ok  

Ok  

Ok  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

0  

  

  

  

  

Geweigerd  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

  

30  

ok  

* = jaren  

* = jaren

In bovenstaand voorbeeld krijgt een vastbenoemd personeelslid van Medex cel pensioenen een eerste keer na 4 jaar (30 dagen); een tweede keer op 5 jaar (30 dagen) en een derde keer na 9 jaar (30 dagen wederaanpassing met halve dagtaak). Aan het personeelslid wordt 30 dagen wederaanpassing met halve dagtaak op 4 jaar, op 5 jaar en op 9 jaar toegekend.

Principe

Per 10 jaar kan maximum 3 x 30 dagen wederaanpassing met halve dagtaak toegekend worden. Het is niet noodzakelijk dat eerst 10 jaar moet bereikt zijn om 3 x 30 dagen wederaanpassing met halve dagtaak toegekend te krijgen. De periode van 10 jaar moet op zichzelf worden berekend, zonder rekening te houden met de totale duur van de loopbaan.

...

Voor de telling van het aantal jaren tellen nu de jaren die geen dienstactiviteit zijn - bv. de jaren/maanden terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden - ook mee.

3.6. Administratieve toestand

Tijdens de periode dat het personeelslid halftijdse prestaties uitoefent, wordt de halftijdse afwezigheid wegens ziekte beschouwd als verlof, gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

3.7. Geldelijke toestand

Tijdens dit verlof heeft het personeelslid recht op het salaris dat of de salaristoelage die het personeelslid zou hebben ontvangen, mocht het zijn volledige dagtaak hebben uitgeoefend.

3.8. Behoud van het recht op het “gewoon” verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte

Naast het recht op een periode van wederaanpassing met halve dagtaak behoudt het personeelslid het recht op het “gewoon” verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte bedoeld in punt 5.1.

De personeelsleden die de voormelde wederaanpassingsperiode hebben “opgebruikt”, hebben nadien nog steeds het recht om een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte aan te vragen(zie punt 5.1.3. - uitzondering punt 1°). Indien het personeelslid dit wenst, kan dit verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte dan onmiddellijk op de wederaanpassingsperiode aansluiten. Het personeelslid kan echter ook later, na een nieuwe periode van ziekteverlof, nog van deze mogelijkheid gebruik maken.

3.9. Mogelijk andere beslissing van MEDEX

Het personeelslid dat ter beschikking is gesteld wegens ziekte wordt opgeroepen om te verschijnen voor de Pensioencommissie van MEDEX die een beslissing kan nemen over de verdere toekomst van het personeelslid in het onderwijs of in de centra voor leerlingenbegeleiding.

Eén van de mogelijke beslissingen is dat het personeelslid definitief ongeschikt wordt verklaard voor de uitoefening van zijn gewone werkzaamheden, maar wel geschikt voor specifieke functies die door MEDEX worden bepaald. De mogelijkheden die zich voordoen bij een definitieve (eind)beslissing en de gevolgen ervan worden behandeld in de omzendbrief van 8 mei 2014 - Werkwijze vanaf 1 september 2014 voor de herinschakeling van een definitief arbeidsongeschikt personeelslid na een beslissing van MEDEX.

4. Ambtshalve pensioen voor de vastbenoemde personeelsleden

Er is een wettelijke en een decretale regeling m.b.t. het ambtshalve op pensioen stellen van personeelsleden

4.1. 62 jaar – 62 jaar en 6 maanden – 63 jaar en 365 dagen afwezig wegens ziekte

Het artikel 83 van de wet van 5 augustus 1978 bepaalt dat een personeelslid am btshalve met pensioen wordt gesteld de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij, sedert zijn zestigste verjaardag, 365 kalenderdagen afwezig is wegens ziekte.

Door een aanpassing van deze wet wordt de leeftijd van 60 jaar als volgt aangepast:

• V anaf 1 juli 2016: 62 jaar

• Vanaf 1 januari 2017: 62,5 jaar

• Vanaf 1 januari 2018: 63 jaar

Ingeval het personeelslid een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte

opneemt, gebeurt de aanrekening van het aantal dagen ziekteverlof overeenkomstig pu nt 5.1.7. van deze omzendbrief (aanrekening met een halve dag of een vierde van een dag).

Indien betrokkene niet valt onder de bepalingen van de terbeschikkingstelling wegens ziekte van punt 4.2, kunnen deze 365 dagen zowel door ziekteverlof, door terbeschikkingstelling wegens ziekte, als door beiden worden gevormd. De volgende dagen komen niet in aanmerking: de afwezigheden te wijten aan een arbeidsongeval, een ongeval op weg naar en van het werk of een beroepsziekte en de wederaanpassingsperiode met halve dagtaak. Deze 365 dagen hoeven geen aaneensluitende periode te zijn. De pensionering gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de 365 dagen afwezigheid worden bereikt. Deze maatregel is eveneens van toepassing op de personeelsleden die tot het tijdelijk vroegtijdig pensioen zijn toegelaten. Voor de berekening van de termijn van 365 dagen wordt het tijdelijk vroegtijdig pensioen gelijkgesteld met een afwezigheid wegens ziekteverlof.

4.2. Ter beschikkinggesteld wegens ziekte vanaf de datum waarop het personeelslid aanspraak kan maken op een rustpensioen met 30 aanneembare dienstjaren

Artikel 57 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs en artikel 83 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs bepalen dat niemand ter beschikking wegens ziekte kan worden gesteld of gehouden vanaf de datum waarop hij aanspraak kan maken op een rustpensioen en 30 dienstjaren telt die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen. Met dienstjaren worden bedoeld de “aanneembare diensten” zoals bepaald in de wetgeving betreffende pensioenen (FPD).

4.3. De combinatie van deze artikelen toepassen

De wijze waarop de voormelde artikelen moeten worden toegepast, wordt het best toegelicht aan de hand van concrete voorbeelden.

Voorbeelden

Een personeelslid wordt 63 jaarop 15/01/2018en:

1. - heeft recht op 400 dagen bezoldigd ziekteverlof

- is doorlopend ziek vanaf 10/01/2018

Berekening

- recht op 365 dagen bezoldigd ziekteverlof vanaf 15/01/2018

- ambtshalve met pensioen vanaf 01/02/2019

2. kan nog geen aanspraak maken op een rustpensioen en telt geen 30 dienstjaren die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen

- heeft recht op 200 dagen bezoldigd ziekteverlof

- is doorlopend ziek vanaf 10/01/2018

Berekening

- recht op 365 dagen “ziekte” vanaf 15/01/2018 (dit is de som van de dagen ziekteverlof en terbeschikkingstelling wegens ziekte)

- ambtshalve met pensioen vanaf 01/02/2019(behalve uiteraard indien betrokkene als gevolg van een beslissing van MEDEX - pensioencommissi e vroeger moet worden gepensioneerd

3. kan wel aanspraak maken op een rustpensioen en telt 30 dienstjaren die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen

- heeft recht op 200 dagen bezoldigd ziekteverlof

- is doorlopend ziek vanaf 10/01/2 018

Berekening

- recht op 195 dagen bezoldigd ziekteverlof vanaf 15/01/2018

- het bezoldigd ziekteverlof is uitgeput op 28/07/2018. Het personeelslid komt in de stand terbeschikkingstelling wegens ziekte.

- ambtshalve met pensioen vanaf 01/08/2018 . Dit is de eerste van de maand volgend op de inwerkingtreding van de terbeschikkingstelling wegens ziekte.

5. Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte voor vastbenoemde, tot de proeftijd toegelaten en tijdelijke personeelsleden

5.1. Inleiding

NIEUW: vanaf 1 september 2011 geldt een nieuwe regeling rond het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte.

Het personeelslid dat afwezig is wegens ziekte, kan bij het controleorgaan vragen om zijn ambt(en) opnieuw met verminderde prestaties op te nemen. Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte heeft als einddoel het personeelslid de kans te geven na zijn ziekteverlof omwille van een ernstige of langdurige ziekte de opdracht(en) die het uitoefende voor de aanvang van zijn ziekteverlof opnieuw volledig op te nemen. Het controleorgaan zal oordelen of de gezondheidstoestand van de betrokkene dat toelaat. Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte moet onmiddellijk aansluiten op de afwezigheid wegens ziekte. Hierop - zie punt 5.1.3. - zijn er echter uitzonderingen.

5.1.1. Wie kan dit verlof aanvragen?

Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte (VVP wegens ziekte) kan worden aangevraagd door de hierna volgende personeelsleden in het niet-tertiair onderwijs die voor ten minste een halve opdracht ofwel vastbenoemd, tot de proeftijd toegelaten of tijdelijk aangesteld zijn:

1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, §1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, §1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;

4° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.

Deze regeling is eveneens van toepassing voor de mandaathouders, zelfs als zij niet over een onderliggende vaste benoeming beschikken.

Deze regeling geldt ook voor prestaties die als bijbetrekking of overwerk worden beschouwd. De voorwaarde dat de opdracht als hoofdambt moet worden beschouwd, is geschrapt. De voormelde regel geldt zowel voor prestaties waarvoor het verlof wordt toegekend als voor prestaties die het personeelslid nog moet blijven uitoefenen.

Punt 5.1.1 is niet van toepassing op de personeelsleden van:

- de universiteiten

- de hogescholen

- de Hogere Zeevaartschool

Een voorwaarde om dit verlof te krijgen en te behouden is dat het personeelslid nog recht heeft op bezoldigde ziektedagen. Voor tijdelijke personeelsleden betekent dit dat ze nog moeten beschikken over bezoldigd ziekteverlof. De vastbenoemde of tot de proeftijd toegelaten personeelsleden mogen zich niet bevinden in de stand terbeschikking wegens ziekte.

Voor de contractuele personeelsleden vermeld in punt 2.3., geldt een aparte regeling. Contractuele personeelsleden vallen onder de ziekteverzekering. De toestemming voor deeltijdse prestaties wordt toegestaan door de adviserend geneesheer van de mutualiteit. Er geldt een specifieke ziekteuitkering bovenop het loon voor deeltijdse prestaties. De werkgever is niet verplicht deeltijdse prestaties aan contractuele personeelsleden toe te staan.

5.1.2. De aanvraag

Personeelsleden hebben de mogelijkheid om onmiddellijk aansluitend op een periode van bezoldigd ziekteverlof het werk te hervatten met verminderde prestaties wegens ziekte.

Het verlof voor verminderde prestaties kan door het controleorgaan worden toegestaan:

- op vraag van het personeelslid;

- op voorstel van het controleorgaan zelf.

De behandelende arts start een plan op met als finaliteit het opnieuw opnemen van de opdracht(en) die het personeelslid uitoefende vóór het ziekteverlof een aanvang nam. In dat plan wordt bepaald aan welk percentage het personeelslid nog zal werken en wordt de vermoedelijke datum van de volledige hervatting vastgelegd.

Het personeelslid stuurt de aanvraag door naar het controleorgaan (zie punt 5. in omzendbrief van 20 januari 1999 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte)

Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte kan door het controleorgaan worden toegestaan of geweigerd.

Als het controleorgaan oordeelt dat de gezondheidstoestand van de betrokkene dat toelaat, brengt het de minister, bevoegd voor het onderwijs, het betrokken werkstation, de directeur en het betrokken personeelslid op de hoogte van die beslissing.

Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte kan pas aanvangen na de voorafgaande goedkeuring van het plan door het controleorgaan.

Opmerking

Een personeelslid dat ter beschikking is gesteld wegens ziekte kan het verlof voor verminderde prestatie wegens ziekte tijdens deze terbeschikkingstelling wegens ziekte niet langer aanvragen.

5.1.3. Geen onderbreking

Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte moet onmiddellijk aansluiten op de periode van bezoldigd ziekteverlof.

Op dit principe zijn er drie uitzon deringen:

1° De personeelsleden die de periode vermeld in punt 3.5. (wederaanpassingsperiode met halve dagtaak) hebben opgebruikt, hebben nadien nog steeds het recht om een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte aan te vragen (procedure zie punt 5.1.2 hiervoor).

Indien het personeelslid dit wenst, kan dit verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte dan onmiddellijk aan de periode bedoeld in punt 3.5 (wederaanpassingsperiode met halve dagtaak) aansluiten. Een nieuwe periode van volledige afwezigheid wegens ziekte is dus niet vereist.

Het personeelslid kan echter ook later, na een nieuwe periode van ziekteverlof, van deze mogelijkheid gebruik maken.

2° In het kader van de regelgeving m.b.t. arbeidsongevallen en ongevallen op de weg naar en van het werk worden sommige personeelsleden tewerkgesteld met verminderde prestaties (toepassing artikel 32bis van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector e.d. - zie punt 5.8.1 van de omzendbrief arbeidsongevallen van 15/12/1999)

3° Ook in het kader van de regelgeving m.b.t. beroepsziekte kunnen personeelsleden met verminderde prestaties worden tewerkgesteld (toepassing artikel 19bis van het koninklijk besluit van 5 januari 1971 betreffende de schadevergoeding voor beroepsziekten in de overheidssector - zie punt 5.8.1 van de omzendbrief beroepsziekten van 15/12/1999)

Bij het einde van een dergelijke (2° en 3°)tewerkstelling, hebben deze personeelsleden nadien nog steeds het recht om een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte aan te vragen (procedure zie punt 5.1.2 hiervoor).

Indien het personeelslid dit wenst, kan dit verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte dan onmiddellijk aan deze tewerkstellingsperiode bedoeld onder 2° en 3° hiervoor aansluiten. Een nieuwe periode van volledige afwezigheid wegens ziekte is dus niet vereist.

Het personeelslid kan echter ook later, na een nieuwe periode van ziekteverlof, van deze mogelijkheid gebruik maken.

5.1.4. Volume van de nog uit te oefenen opdrachten

Als het personeelslid door het controleorgaan geschikt wordt verklaard om zijn ambt met verminderde prestaties uit te oefenen, dan heeft dat personeelslid het recht elke week zoals vastgelegd in het plan, een of meer ambten uit te oefenen die samen exact een percentage van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. De nog uit te oefenen prestaties moeten evenwel ten minste 50 % van een fulltime opdracht bedragen. Dit volume blijft ongewijzigd tijdens de periode van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte.

Voor het vaststellen van de deeltijdse opdracht die het personeelslid nog moet blijven uitoefenen, komen de prestaties in een opdracht aan een hogeschool zoals vermeld in artikel 2, 39° van het hetzelfde decreet van 13 juli 1994 eveneens in aanmerking.

Afronding

De nog te verrichten prestaties moeten steeds worden afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval, op een volledige lestijd, een volledig lesuur, een volledig uur of op een schijf van 10% voor een ambt met volledige prestaties voor wat de personeelsleden van de CLB betreft.

Voorbeelden

Voorbeeld 1

Een personeelslid is vastbenoemd voor 20/20.

Dit personeelslid krijgt een VVP ziekte en moet nog 60% van een voltijdse opdracht blijven uitoefenen of 6000/10000sten)

Het personeelslid moet nog 12/20 (=6000/10000sten) blijven presteren

Voorbeeld 2

Personeelslid is 12/21 (V) + 7/20 (T)

Dit personeelslid krijgt een VVP ziekte en moet nog 70% van een voltijdse opdracht blijven uitoefenen

Het personeelslid moet nog 7000/10000 blijven presteren

Mogelijke combinaties:

-12/21 (V) en 3/20 (T) (= 7214/10000sten)- 8/21 (V) en 7/20 (T) = (7309/10000sten)- ........

De keuze wordt gemaakt in overleg met de inrichtende macht

Voorbeeld 3

Een personeelslid van een centrum voor volwassenenonderwijs oefent als vastbenoemde 32/32 uit en als tijdelijke 5/20 in bijbetrekking en moet nog 50% werken als gevolg van VVP ziekte

Voor het uitoefenen van de halftijdse prestaties, heeft hij volgende mogelijkheden: 

- of 5/20 (bijbetrekking) (=2500/10000sten) + 8/32 (=2500/10000sten)(hoofdambt)

- of 16/32 (=5000/10000sten)

De keuze wordt gemaakt in overleg met de inrichtende macht

Voorbeeld 4

Een personeelslid is 24/24 vastbenoemd waarvan 6/24 VVP sociale & familiale redenen en mag als gevolg van VVP ziekte nog 50% werken

Uit te oefenen prestaties 12/24 (=5000/10000sten)

VVP ziekte voor 6/24

Voorbeeld 5

Een personeelslid is 60% aangesteld in een hogeschool en 40% in een secundaire school.

Het personeelslid wil nog 50% blijven werken en vraagt een VVP ziekte aan.

VVP wegens ziekte is echter uitgesloten omdat het personeelslid geen 50% is aangesteld in het niet-tertiair onderwijs.

In tegenstelling tot de regeling die tot 31 augustus 2007 van kracht was, worden de prestaties die als overwerk of als bijbetrekking worden beschouwd, vanaf 1 september 2007 wel in de regeling betrokken en dit zowel om het aantal uren verlof te bepalen, als voor het bepalen van de nog effectief te presteren uren.

5.1.5. Periodes van maximaal twee maanden

In het plan is de totale duur opgenomen van de periode van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte met het oog op een volledige werkhervatting. Als het plan goedgekeurd wordt voor een periode van meer dan twee maanden, gaat het controleorgaan op het einde van iedere periode van 2 maanden na of de gezondheidstoestand van het personeelslid de verdere uitvoering van het plan nog wettigt. Daarover maakt het bij de ingang van het plan, onmiddellijk afspraken met het personeelslid

Wanneer het personeelslid verhinderd is om zich opnieuw ter controle aan te bieden op de afgesproken datum verwittigt hij/zij het controleorgaan. Het controleorgaan legt in samenspraak met het personeelslid een nieuwe afspraak vast, zonder de termijn van twee maanden te overschrijden.

Wat met een nieuwe ziekteperiode tijdens een toegekende periode verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte?

Het ziekteverlof schorst de periode van verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte

Het personeelslid dat, tijdens de toegestane lopende periode van verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, afwezig is wegens ziekte, behoudt na deze afwezigheid en zonder nieuwe aanvraag, het recht om de goedgekeurde periode van verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte verder te zetten.

Voorbeeld

Een personeelslid kreeg toestemming om een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte te genieten van 1 oktober 2011 tot en met 30 november 2011. Het personeelslid kan als gevolg van ziekte evenwel niet meer presteren van 7 n ovember 2011 tot en met 15 november 2011 en is dus volledig afwezig wegens ziekte voor die dagen. Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte is geschorst tijdens die periode en loopt terug van 16 tot 30 november 2011.

Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte wordt eveneens geschorst zodra het personeelslid, binnen de statutaire bepalingen die op hem van toepassing zijn, een dienstonderbreking opneemt.

5.1.6. Duur van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte

In tegenstelling met de regeling die van kracht is tot 31 augustus 2011, is de duur van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte niet vooraf beperkt. De duur van de periode van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte is opgenomen in het plan dat ter goedkeuring aan het controleorgaan werd voorgelegd. Om de twee maanden is er echter een nieuwe instemming vereist van het controleorgaan om het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte verder te zetten.

5.1.7. Aanrekening van het aantal dagen ziekteverlof

De aanrekening van het aantal dagen ziekteverlof ingevolge het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte is als volgt:

- per dag wordt een halve dag ziekteverlof aangerekend als het personeelslid een opdracht blijft uitoefenen die kleiner is dan 75% van het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties;

- per dag wordt een vierde dag ziekteverlof aangerekend als het personeelslid een opdracht blijft uitoefenen die minstens 75% bedraagt van het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties.

AANDACHT: De aanrekening gebeurt bij een combinatie met een ander verlofstelsel steeds op basis van de initiële opdracht alsof het personeelslid geen ander verlofstelsel geniet.

5.1.8. Einde van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte

Het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte eindigt in de volgende gevallen:

1° op het ogenblik dat het personeelslid de opdracht herneemt die het uitoefende aan de vooravond van het verlof. Het personeelslid dat deeltijds werkt wegens ziekte en dat zijn volledige opdracht weer opneemt, beëindigt automatisch het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte. Als het personeelslid opnieuw wil genieten van een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte moet het een nieuwe aanvraag indienen overeenkomstig de procedure vermeld in punt 5.1.2.;

2° als het controleorgaan niet instemt met de verdere uitvoering van het plan;

3° op het ogenblik dat het personeelslid geen recht meer heeft op bezoldigd ziekteverlof of in de stand terbeschikkingstelling wegens ziekte geplaatst wordt;

4° als het volume van de nog uitgeoefende prestaties kleiner wordt dan het volume vermeld in het plan. Zo kan het voorkomen dat een tijdelijke aanstelling volledig of gedeeltelijk wegvalt waardoor het volume van de aanstelling van het personeelslid kleiner wordt dan het volume dat dit personeelslid nog moet uitoefenen;

5° als de duur van de periode van het verlof voor verminderde prestaties die opgenomen is in het plan, verstrijkt;

6° als het personeelslid zich zonder wettige redenen onttrekt aan de controle van het controleorgaan.

5.1.9. Combinatie met andere dienstonderbrekingen

5.1.9.1. Dienstonderbrekingen die al ingegaan zijn voor de ingangsdatum van de VVP ziekte

Dienstonderbrekingen die al ingegaan waren voor de ingangsdatum van de VVP wegens ziekte kunnen hiermee gecombineerd worden. Dat is mogelijk als het volume van de nog te verrichten prestaties wordt gerespecteerd.

Voorbeeld

Een personeelslid heeft een voltijdse opdracht van 1/9/2011 tot 31/8/2012. Het personeelslid geniet van een verlof voor verminderde prestaties wegens sociale en familiale redenen voor 20% van 1/2/2012 tot 31/5/2012 .

Het personeelslid mag nog halftijds werken als gevolg van een VVP ziekte vanaf 1/4/2012 tot 31/8/2012.

Toestand van 1/4/2012 tot 31/5/2012

50% werken

30% VVP wegens ziekte van 1/4/2011 tot 31/5/2011

20% VVP wegens sociale en familiale redenen.

Salaris bedraagt 80% van een voltijds salaris.

Per dag wordt een halve dag ziekteverlof aangerekend

Toestand vanaf 1/6/2012 tot 31/8/2012

50% werken

50% VVP ziekte

Salaris bedraagt 100% tijdens de periode van VVP wegens ziekte.

Per dag wordt een halve dag ziekteverlof aangerekend

5.1.9.2. Dienstonderbrekingen die ingaan na de ingangsdatum van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte

Alle dienstonderbrekingen schorsen de uitwerking van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte. Tijdens deze periode worden geen dagen ziekteverlof aangerekend. Na de beëindiging van die dienstonderbreking kan het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte verder lopen.

Voorbeeld

Een personeelslid is aangesteld voor 100% in het secundair onderwijs. Het personeelslid krijgt vanaf 1/10/2011 een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte voor 50%. Op 1/11/2010 wil het personeelslid een verlof voor verminderde prestaties wegens sociale en familiale reden.

Dit is niet mogelijk en de VVP ziekte wordt stopgezet op 1/11/2011.

5.1.10. Administratieve toestand

De deeltijdse afwezigheid wegens ziekte wordt beschouwd als verlof, gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

5.1.11. Geldelijke toestand

Tijdens dit verlof heeft het personeelslid recht op het salaris dat of de salaristoelage die het personeelslid zou hebben ontvangen, mocht het geen verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte hebben genoten.

Vermeerdering van het volume van de opdracht tijdens de periode van VVP ziekte

Als een personeelslid tijdens de periode van het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte een bijkomende aanstelling als tijdelijk personeelslid krijgt, dan zal het hiervoor geen salaris ontvangen. Als het tijdelijk personeelslid zijn bijkomende opdracht effectief opneemt (= na de beëindiging van de VVP ziekte) zal het hiervoor een salaris ontvangen.

Vermindering van het volume van de opdracht tijdens de VVP ziekte

Als het volume van de aanstelling daalt tijdens de periode van VVP ziekte, zal het salaris vastgesteld worden op basis van de resterende opdrachten. Het personeelslid moet echter nog steeds het minimum percentage blijven presteren zoals vastgelegd in het plan.

Bijkomende vaste benoeming tijdens de periode van VVP ziekte

Voor de bijkomende uren of lestijden waarin het personeelslid vast benoemd wordt tijdens de periode van VVP ziekte, wordt een salaris toegekend vanaf de datum waarop de vaste benoeming ingaat.

5.1.12. Overgangsregeling

Personeelsleden die op 31 augustus 2011 genieten van een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte op basis van de vroegere regeling moeten een nieuwe aanvraag indienen om vanaf 1 september 2011 verder van een verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte te genieten, overeenkomstig de voorwaarden en de modaliteiten vermeld onder punt 5.1.

6. Het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen

6.1. Inleiding

NIEUW: vanaf 1 januari 2015 geldt een nieuwe regeling: het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.

Als een personeelslid wegens langdurige medische ongeschiktheid de totale opdracht van zijn aanstelling en/of vaste benoeming niet meer kan uitoefenen, en de geneesheer-specialist geen volledige hervatting van zijn oorspronkelijke opdracht in het vooruitzicht kan stellen, heeft het personeelslid mogelijkheid om met verminderde prestaties te werken via een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen, hierna afgekort als langdurig VVP medische redenen. Omdat het hier gaat om een dienstonderbreking die repercussies heeft voor de verdere onderwijsloopbaan van het personeelslid, wordt expliciet voorzien dat een geneesheer-specialist zich uitspreekt over de medische ongeschiktheid en de maximumprestaties die nog mogelijk zijn voor het personeelslid.

Belangrijk: het langdurig VVP medische redenen moet steeds worden genomen op opdrachten waarvoor het personeelslid vast benoemd is.

6.2. Wie kan dit verlof aanvragen?

Het langdurig VVP medische redenen kan worden aangevraagd door de hierna volgende personeelsleden die voor ten minste een halve opdracht vastbenoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn:

1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, §1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, §1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;

4° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.

Deze regeling is eveneens van toepassing op mandaathouders, op voorwaarde dat zij over een onderliggende vaste benoeming beschikken.

Het langdurig VVP medische redenen is niet van toepassing op de personeelsleden van:

- de universiteiten

- de hogescholen

- de Hogere Zeevaartschool.

Voor de contractuele personeelsleden vermeld in punt 2.3. en voor de personeelsleden van de centra voor basiseducatie geldt een aparte regeling. Deze personeelsleden vallen onder de ziekteverzekering. De toestemming voor deeltijdse prestaties wordt toegestaan door de adviserend geneesheer van het ziekenfonds. Er geldt een specifieke ziekte-uitkering bovenop het loon voor deeltijdse prestaties. De werkgever is niet verplicht deeltijdse prestaties aan contractuele personeelsleden toe te staan.

6.3. Aanvraag en goedkeuring

Personeelsleden die om medische redenen hun ambt niet meer kunnen uitoefenen voor de omvang van hun aanstelling of vaste benoeming hebben de mogelijkheid om het werk uit te oefenen met verminderde prestaties.

Het verlof kan alleen worden toegestaan aan een personeelslid voor wie een volledige herneming van zijn opdracht niet meer mogelijk is. In dat geval moet het personeelslid via een medisch attest een aanvraag indienen bij het controleorgaan. Daarbij voegt het personeelslid het aanvraagformulier “Aanvraag langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen”, opgemaakt door een geneesheer-specialist. De verdere procedure voor de aanvraag is vermeld in omzendbrief 13AC/B.Ph./SH/js, punt 6.1.

Het langdurig VVP medische redenen kan alleen genomen worden voor de opdrachten waarvoor het personeelslid vast benoemd is.

De aanvraag voor het langdurig VVP medische redenen wordt door de controlearts

- toegestaan:

- toegestaan, maar met aanpassing van het percentage van de nog te verrichten prestaties;

- geweigerd.

Als de controlearts de aanvraag voor het langdurig VVP medische redenen goedkeurt of toestaat maar met een aanpassing van het percentage van de nog te verrichten prestaties, brengt hij het betrokken personeelslid en de school op de hoogte van die beslissing.

6.4. Volume van de nog uit te oefenen opdrachten

Als het personeelslid van het controleorgaan de goedkeuring krijgt om zijn ambt met verminderde prestaties uit te oefenen, dan heeft dat personeelslid het recht om een of meer ambten uit te oefenen die samen exact een percentage van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. De nog uit te oefenen prestaties moeten altijd ten minste 50% en maximaal 75% van een fulltime opdracht bedragen.

Uitzondering: een personeelslid dat vast benoemd is in een ambt dat slechts kan toegewezen worden aan één personeelslid (ondeelbaar ambt) of aan twee personeelsleden die elk met een halve opdracht worden belast (beperkt deelbaar ambt), moet zijn ambt steeds opnemen met 50%.

Voorbeelden van dergelijke ambten in bepaalde onderwijsniveaus zijn: directeur, adjunct-directeur, technisch adviseur, technisch adviseur-coördinator, opvoeder, administratief medewerker.

Het volume van de nog te verrichten prestaties blijft ongewijzigd tijdens de periode van het langdurig VVP medische redenen.

Hierop geldt één uitzondering: als de gezondheidstoestand van het personeelslid achteruit gaat en hij het vastgelegde percentage niet meer aankan, dan kan hij tijdens een lopende periode van langdurig VVP medische redenen een nieuw onderzoek aanvragen bij het controleorgaan om het percentage van de werkhervatting te laten aanpassen. In dat geval moet hij ook opnieuw een verslag toevoegen van de geneesheer-specialist, die een voorstel doet voor een aangepast percentage.

Voor het vaststellen van de deeltijdse opdracht die het personeelslid nog moet blijven uitoefenen, komen de prestaties in een opdracht aan een hogeschool zoals vermeld in artikel V.80, 21° van de Codex Hoger Onderwijs eveneens in aanmerking. Ook de prestaties, verricht door de personeelsleden van centra voor de basiseducatie, vermeld in artikel 127, §1, 1° van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, komen hiervoor in aanmerking.

Afronding

De nog te verrichten prestaties moeten steeds worden afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval, op een volledige lestijd, een volledig lesuur, een volledig uur of op een schijf van 10% voor een ambt met volledige prestaties voor wat de personeelsleden van de CLB betreft.

Voorbeeld 1

Een personeelslid is vast benoemd voor 20/20.

Dit personeelslid krijgt de goedkeuring voor een langdurig VVP medische redenen en moet nog 60% van een voltijdse opdracht blijven uitoefenen of 6000/10000sten)

Het personeelslid moet nog 12/20 (=6000/10000sten) blijven presteren en neemt voor 8/20 langdurig VVP medische redenen.

Voorbeeld 2

Personeelslid is 12/21 (V) + 7/20 (T)

Dit personeelslid krijgt de goedkeuring voor een langdurig VVP medische redenen en moet nog 70% van een voltijdse opdracht blijven uitoefenen

Het personeelslid moet nog 7000/10000 blijven presteren.

Het presteert 8/21 (V) en 7/20 (T) = (7309/10000sten). Daarnaast neemt het 4/21 langdurig VVP medische redenen op vastbenoemde uren.

Voorbeeld 3

Een personeelslid in een Centrum voor volwassenenonderwijs is vast benoemd voor 21/21 (14 modules van 60 lestijden).

Dit personeelslid krijgt de goedkeuring voor een langdurig VVP medische redenen en moet nog 50% van een voltijdse opdracht uitoefenen of 5000/10000sten.

Gezien de modulaire organisatiestructuur van het volwassenenonderwijs kan betrokkene in dit geval nog 7 modules van 60 lestijden blijven presteren, wat overeenstemt met een totale opdracht op jaarbasis van 10,5/21.

Voorbeeld 4

Een personeelslid is 60% aangesteld in een hogeschool en 40% in een secundaire school.

Het personeelslid wil nog 50% blijven werken en vraagt een langdurig VVP medische redenen aan.

Langdurig VVP medische redenen is echter uitgesloten omdat het personeelslid geen 50% is aangesteld in het secundair onderwijs.

6.5. Aanvang van het verlof

Het langdurig VVP medische redenen kan pas ingaan na een voorafgaande goedkeuring door de controlearts of de arts-scheidsrechter ingeval van een beroepsprocedure. Zonder een dergelijke goedkeuring kan het langdurig VVP medische redenen nooit starten.

Het langdurig VVP wegens medische redenen kan op om het even welk moment van het schooljaar ingaan.

Het moet wel beginnen na een periode van ten minste dertig dagen ononderbroken afwezigheid wegens

  • ziekteverlof;
  • terbeschikkingstelling wegens ziekte;
  • verlof voor verminderde prestaties na een arbeidsongeval;
  • wederaanpassing met een halve dagtaak.

Daarnaast kan het langdurig VVP medische redenen ook beginnen aansluitend op een periode waarin een personeelslid minstens halftijds heeft gewerkt en daarnaast een dienstonderbreking heeft opgenomen. Als het personeelslid de goedkeuring ontvangt voor een langdurig VVP medische redenen, eindigt in dat geval de dienstonderbreking vanaf de aanvang van het langdurig VVP medische redenen.

Opgelet: het langdurig VVP medische redenen kan niet starten aansluitend o p een periode van verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte.

Voorbeeld 1

Een kleuteronderwijzeres werkt van 1 september 2013 tot en met 31 augustus 2015 12/24sten en neemt daarnaast een halftijdse loopbaanonderbreking voor 12/24. Ze doet een aanvraag voor een langdurig VVP medische redenen. Na goedkeuring van de controlearts start het langdurig VVP medische redenen op 1 januari 2015. De halftijdse loopbaanonderbreking eindigt op 31 december 2014.

Voorbeeld 2

Een leerkracht is afwezig wegens ziekte van 1 september 2014 tot en met 18 februari 2015. Op 19 februari 2015 krijgt ze de goedkeuring om te starten met een langdurig VVP medische redenen. Dit kan, aangezien ze minstens dertig opeenvolgende dagen afwezig is wegens ziekte.

6.6. De duur van het verlof

Hoewel het langdurig VVP medische redenen een stelsel is dat onomkeerbaar is aa ngezien het gaat om een situatie waarin de geneesheer-specialist geen volledige hervatting van de oorspronkelijke opdracht in het vooruitzicht kan stellen (zie punt 6.1), gebeurt de aanvraag niet eenmalig.

Het langdurig VVP medische redenen wordt in principe aangevraagd voor een volledig schooljaar. Enkel de eerste aanvraag vormt hierop een uitzondering en loopt tot het einde van het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin het langdurig VVP medische redenen is gestart. Voor elke volgende verlenging is een aanvraag voor een periode van twaalf maanden nodig. Het langdurig VVP medische redenen kan meermaals worden verlengd, telkens voor een periode van twaalf maanden. Voor elke verlenging moet telkens een nieuwe aanvraag worden ingediend bij het controleorgaan.

Voorbeeld 1

Het langdurig VVP medische redenen start op 1 januari 2015. Deze eerste aanvraag loopt tot en met 31 augustus 2016. De daaropvolgende verlenging loopt van 1 september 2016 tot en met 31 augustus 2017.

Voorbeeld 2

Het langdurig VVP medische redenen start op 19 februari 2015. Deze eerste aanvraag loopt tot en met 31 augustus 2016. De daaropvolgende verlenging loopt van 1 september 2016 tot en met 31 augustus 2017.

Voorbeeld 3

Het langdurig VVP medische redenen start op 1 september 2016. Deze eerste aanvraag loopt tot en met 31 augustus 2018. De daaropvolgende verlenging loopt van 1 september 2018 tot en met 31 augustus 2019.

6.7. Einde van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen

Het langdurig VVP medische redenen eindigt in de volgende gevallen:

1° als de duur van de goedgekeurde periode van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen verstrijkt;

2° als niet meer voldaan is aan het volume van de werkhervatting; 

3° als de controlearts, of in geval van beroep de arts-scheidsrechter, over een aanvraag tot wijziging van het volume van de nog te verrichten prestaties omwille van een achteruitgang van de gezondheidstoestand van het personeelslid, oordeelt dat het personeelslid niet meer in aanmerking komt voor een langdurig VVP medische redenen.

Voorbeeld

Een leerkracht is vastbenoemd voor 10/20 in school A en oefent daarnaast in school B een opdracht uit van 10/20 van 1 september tot en met 30 juni. Ze krijgt een langdurig VVP medische redenen vanaf 1 januari februari en mag maar 75% meer presteren. In dat geval heeft ze een langdurig VVP medische redenen van 1 februari tot 30 juni voor 5/20 van haar vastbenoemde uren en oefent ze daarnaast 5/20 van haar vastbenoemde uren in school A + 10/20sten tijdelijke uren uit in school B. Vanaf 1 juli vallen haar tijdelijke uren weg. Op dat ogenblik vervalt haar langdurig VVP medische redenen vermits niet meer voldaan is aan het volume van de werkhervatting.

6.8. Aanrekening van het aantal dagen ziekteverlof

Het langdurig VVP medische redenen wordt niet aangerekend op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het personeelslid nog recht heeft.

6.9. Langdurig VVP medische redenen en TBSOB

Een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking maakt geen einde aan het langdurig VVP medische redenen.

Het langdurig VVP medische redenen wordt eerst genomen op de opdracht waarvoor een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking wordt uitgesproken en waarvoor het personeelslid niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is. Indien het personeel wedertewerkgesteld is als “administratieve ondersteuning” wordt het langdurig VVP medische redenen hierop eerst genomen.

Voorbeeld 1

Een personeelslid is vastbenoemd voor 22/22, waarvan 4/22 TBSOB. Het neemt langdurig VVP medische redenen op en mag nog 50% blijven presteren. Het langdurig VVP medische redenen moet allereerst genomen worden op de 4 TBSOB-uren. Het personeelslid presteert in dat geval 11/22sten en is voor 11/22sten in langdurig VVP medische redenen.

Voorbeeld 2

Een onderwijzer heeft een aanstelling van 24/24sten, maar is TBSOB gesteld voor 6/24sten. Hij neemt langdurig VVP medische redenen op en mag nog 50% blijven presteren. Het langdurig VVP medische redenen moet allereerst genomen worden op de 6 TBSOB-uren. Het personeelslid presteert in dat geval 12/24sten en is voor 12/24sten in langdurig VVP medische redenen. 

6.10. Administratieve toestand

Het langdurig VVP medische redenen wordt beschouwd als verlof, gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

6.11. Geldelijke toestand

Tijdens dit verlof heeft het personeelslid recht op het salaris of de salaristoelage voor de uitgeoefende prestaties. Voor de niet-verrichte prestaties waarvoor het personeelslid het langdurig VVP medische redenen opneemt, ontvangt het 60% van zijn salaris of salaristoelage.

Het personeelslid heeft geen recht op salaris of salaristoelage voor opdrachten of delen van opdrachten die het ambt met volledige prestaties overschrijden.

Voorbeeld 1

Een onderwijzer is volledig vastbenoemd. Hij neemt halftijds langdurig VVP medische redenen op. Hij krijgt 50% van zijn salaris voor de opdracht die hij blijft uitoefenen en daarbovenop 60% van zijn salaris voor de 50% van zijn opdracht die hij niet meer uitoefent. Samen ontvangt hij dus 80% van zijn salaris.

Voorbeeld 2

Een leraar secundair onderwijs is volledig vastbenoemd. Hij is halftijds leraar secundair onderwijs (salarisschaal 501) en halftijds zorgcoördinator (salarisschaal 148). Hij neemt verlof langdurig VVP medische redenen op in het gedeelte dat hij uitoefent als leraar SO. Bijgevolg ontvangt hij nog 50% van zijn salaris aan salarisschaal 148 en daarbovenop 30% aan salarisschaal 501 voor de niet-uitgeoefende prestaties.

Voorbeeld 3

Een leraar secundair onderwijs heeft een aanstelling van 16/20sten. Hij krijgt een langdurig VVP medische redenen en moet nog 65% blijven presteren. Hij moet m.a.w. nog 13/20sten presteren en heeft voor 3/20sten langdurig VVP medische redenen. Hij ontvangt van zijn oorspronkelijk salaris 65% voor zijn uitgeoefende prestaties en daarbovenop 60% voor het gedeelte langdurig VVP medische redenen. Samen ontvangt hij dus 92,5% van zijn oorspronkelijk salaris oftewel 74 % van een voltijds salaris.

Voorbeeld 4

Een onderwijzer heeft een aanstelling van 24/24sten, maar is TBSOB gesteld voor 6/24sten. Hij neemt langdurig VVP medische redenen op en mag nog 50% blijven presteren. Het langdurig VVP medische redenen moet allereerst genomen worden op de 6 TBSOB-uren. Het personeelslid presteert in dat geval 12/24sten en is voor 12/24sten in langdurig VVP medische redenen. Hij krijgt zijn salaris voor de halftijds verrichte prestaties en 60% van zijn salaris voor de niet-verrichte prestaties waarvoor hij halftijdse langdurig VVP medische redenen opneem., dus samen 80% van zijn oorspronkelijke salaris voor een volledige opdracht. 

6.12. Gevolgen inzake tijdelijke aanstelling en vaste benoeming

6.12.1. Tijdelijke aanstelling

Personeelsleden die de goedkeuring hebben gekregen om een langdu rig VVP medische redenen op te nemen, kunnen gedurende dit langdurig VVP medische redenen hun tijdelijke aanstelling niet uitbreiden ten opzichte van het volume van de tijdelijke aanstelling op de vooravond van dit verlof. Datzelfde principe is ook van toe passing op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. In de omzendbrief PERS/2003/05 -Tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vindt u meer info hierover.

Voorbeeld

Een personeelslid is halftijds vast benoemd en heeft daarnaast  op 1/9/2015 een t ijdelijke aanstelling van 3/20sten. Het personeelslid krijgt de goedkeuring om vanaf 1/10/2015 een langdurig VVP medische redenen voor 15% (= 3/20) op te nemen en blijft 10/20 verder presteren. Op 1/12/2015 zijn er 5 bijkomende tijdelijke uren beschikbaar. Het personeelslid kan deze 5 uren echter niet opnemen, aangezien het volume tijdelijke uren (8/20) dan groter wordt dan de 3/20, het volume aan tijdelijke uren dat hij uitoefende aan de vooravond van het langdurig VVP medische redenen.

6.12.2. Vaste benoeming

Personeelsleden die op de vooravond van het langdurig VVP medische redenen deeltijds vast benoemd zijn, kunnen hun vaste benoeming slechts uitbreiden tot een volume dat maximaal gelijk is aan het volume van werkhervatting dat in de beslissing over het lang durig VVP medische redenen goedgekeurd werd.

Voorbeeld

Een personeelslid is 50% vastbenoemd en oefent daarbovenop 50% tijdelijke uren uit. Het krijgt de goedkeuring om een langdurig VVP medische redenen op te nemen voor 25% en kan nog 75% blijven prester en. Het personeelslid heeft dus 25% langdurig VVP medische reden. Het kan in dat geval voor maximum 75% vastbenoemd worden, m.a.w. het kan nog maximaal voor 25% een uitbreiding van zijn vaste benoeming krijgen.

Daarnaast wordt het deel van de vast benoem de opdracht waarvoor het personeelslid de goedkeuring heeft gekregen om het langdurig VVP medische redenen op te nemen, na een periode van 24 maanden een vacante betrekking. Het personeelslid blijft echter na de vacantwording van die betrekking in de admin istratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof.

Voorbeeld

Een vast benoemd onderwijzer krijgt de goedkeuring om vanaf 1 februari 2015 een langdurig VVP medische redenen op te nemen voor 25%. Hij blijft 75% werken en presteert bijgevolg 18/24sten. Na 24 maanden, dus op 1 februari 2017, wordt 6/24 van zijn opdracht een vacante betrekking.

De gevolgen inzake vaste benoeming zijn eveneens verduidelijkt in de omzendbrief met referentie 13CC/VB/ML Vaste benoeming - Procedure, voorwaarden en mededeling aan het Ministerie van Onderwijs en Vorming.

6.13. Combinatie met andere dienstonderbrekingen gedurende het langdurig VVP medische redenen

6.13.1. Dienstonderbrekingen waarvoor het personeelslid een wachtgeld of salaris ontvangt

Dienstonderbrekingen waarvoor het personeelslid een wachtgeld(toelage) of salaris ontvangt, maken geen einde aan het langdurig VVP medische redenen.

Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het personeelslid een omstandigheids-, bevallings- , ziekte- of opvangverlof opneemt gedurende zijn langdurig VVP medische redenen.

Voorbeeld

Een vastbenoemde leerkracht SO mag nog halftijds werken als gevolg van een langdurig VVP medische redenen vanaf 1/4/2015 tot 31/8/2016. Van 3 juni tot 5 juni is het personeelslid ziek.

Toestand van 1/4/2015 tot 2/6/2015: het personeelslid neemt 10/20 langdurig VVP medische redenen en blijft 10/20 presteren. Het ontvangt een salaris voor de prestaties van 10/20 en daarbovenop 60% van zijn salaris voor de 10/20sten langdurig VVP medische redenen.

Toestand van 3/6/2015 tot 5/6/2015: het personeelslid neemt 10/20 langdurig VVP medische redenen en neemt daarnaast voor 10/20 ziekteverlof. Het ontvangt 100% van zijn salaris voor de 10/20 ziekteverlof en daarbovenop 60% van zijn salaris voor de 10/20sten langdurig VVP medische redenen.

6.13.2. Dienstonderbrekingen waarvoor het personeelslid geen wachtgeld of salaris ontvangt

Dienstonderbrekingen waarvoor het personeelslid geen wachtgeld(toelage) of salaris ontvangt, schorsen het langdurig VVP medische redenen. Dit betekent dat het personeelslid gedurende de periode van de dienstonderbreking tijdelijk geen langdurig VVP medische redenen opneemt. Na afloop van de dienstonderbreking wordt het langdurig VVP medische redenen weer automatisch voorgezet tot het einde van de goedgekeurde periode

Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het personeelslid een volledige loopbaanonderbreking of een volledige TBSPA opneemt gedurende zijn langdurig VVP medische redenen.

Voorbeeld

Een vastbenoemde leerkracht SO mag nog halftijds werken als gevolg van een langdurig VVP medische redenen vanaf 1/4/2015 tot 31/8/2016. Van 3 juni tot 5 juni 2015 neemt zij een TBSPA.

Toestand van 1/4/2015 tot 2/6/2015: het personeelslid neemt 10/20 langdurig VVP medische redenen en blijft 10/20 presteren. Het ontvangt een salaris voor de prestaties van 10/20 en daarbovenop 60% van zijn salaris voor de 10/20sten langdurig VVP medische redenen.

Toestand van 3/6/2015 tot 5/6/2015: het personeelslid neemt 20/20 TBSPA en ontvangt voor deze periode geen salaris.

Toestand van 6/6/2015 tot 31/8/2016: het personeelslid zet neemt opnieuw haar 10/20 langdurig VVP medische redenen verder en blijft daarnaast verder10/20 presteren. Het ontvangt een salaris voor de prestaties van 10/20 en daarbovenop 60% van zijn salaris voor de 10/20sten langdurig VVP medische redenen.

7. Formaliteiten t.a.v. het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming - Elektronische communicatie

7.1. Melding ziekteverlof

Opsturen van RL-2 / gebeurteniscode 23001.

Ziekteverlof (Code 001) is een persoonsgebonden dienstonderbreking die geldt voor alle opdrachten van het personeelslid.

Inde agentschappen wordt het ziekteverlof verwerkt en bepaald of het ziekteverlof bezoldigd, onbezoldigd of TBS-ziekte is. Onbezoldigd ziekteverlof voor tijdelijken (code 057) of terbeschikkingstelling wegens ziekte (code 060) voor vastbenoemde personeelsleden kunnen niet door de scholen worden opgezonden. Dit zijn interne verwerkingscodes voor het Vlaams Ministerie.

Voorbeelden:

Voor beeld 1:

Een personeelslid heeft ziekteverlof van 15-10-2011 tot 31-10-2011.

RL-2 met melding ziekteverlof (gebeurteniscode 23001) met begindatum 15-10-2011 en einddatum 31-10-2011.

Het personeelslid verlengt zijn ziekteverlof van 1-11-2011 tot 22-11-2011.

RL-2 met melding ziekteverlof (gebeurteniscode 23001) met begindatum 1-11-2011 en einddatum 22-11-2011.

Voorbeeld 2:

Een personeelslid heeft ziekteverlof van 15-10-2011 tot 31-10-2011.

Het personeelslid keert echter vervroegd terug op 25-10-2011.

Het eerst opgezonden ziekteverlof moet eerst worden geannuleerd.

RL-2 Annulatie ziekteverlof (gebeurteniscode 25001) van 15-10-2011 tot 31-10-2011.

Vervolgens moet de nieuwe periode ziekteverlof worden doorgegeven :

RL-2 met melding ziekteverlof (gebeurteniscode 23001) met begindatum 15-10-2011 en einddatum 24-10-2011.

In de RL-3 (opmerkingen) vermeldt de school de vervroegde werkhervatting.

7.2. Melding verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte

Er zijn 2 dienstonderbrekingscodes voor verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte :

Dienstonderbreking 158 : VVP wegens ziekte 50 - 74 %

Dienstonderbreking 159 : VVP wegens ziekte >= 75 %

De code 158 VVP wegens ziekte 50-74 % wordt gebruikt voor een hervattingspercentage tussen 50 en 74 % en wordt aangerekend voor een halve dag ziekteverlof.

 

De code 159 VVP wegens ziekte >=75 % wordt gebruikt voor een hervattingspercentage van >= 75 % en wordt aangerekend voor 1/4de dag ziekteverlof.

Beide dienstonderbrekingen zijn opdrachtgebonden dienstonderbrekingen die worden opgezonden samen met de opdrachten met een RL-1.

De oude dienstonderbrekingcode VVP wegens ziekte DO 002 kan vanaf 1-9-2011 enkel nog gebruikt worden in de hogescholen (HS 411) maar niet meer in de andere onderwijsniveaus buiten het hoger onderwijs.

Voorbeelden:

Voorbeeld 1:

Een personeelslid is vastbenoemd leraar voor 20/20 u.

Dit personeelslid krijgt een VVP wegens ziekte van 1-11-2011 tot 30-11-2011 en moet nog 70 % (hervattingspercentage) van een ambt met volledige prestaties uitoefenen.

Op geldigheidsdatum 1-11-2011 :

RL-1 leraar ato 4 voor 20/20 u met als einddatum van de opdracht 31-12-4444 (onbepaald) en met de opdrachtgebonden dienstonderbreking 158 wegens ziekte 50-74 % (gebeurteniscode 23158) voor 6/20 u met als einddatum 30-11-2011.

Het personeelslid oefent dus nog 14/20 u (= 7.000/10.000 sten) effectief uit.

Het verlof voor verminderde prestaties wordt hier aangerekend voor 15 dagen ziekteverlof.

Dit zijn 30 dagen VVP wegens ziekte 50-74 % gedeeld door 2.

Voorbeeld 2:

Een personeelslid is vastbenoemd leraar voor 20/20 u.

Dit personeelslid krijgt een VVP wegens ziekte van 1-11-2011 tot 30-11-2011 en moet nog 75 % (hervattingspercentage) van een ambt met volledige prestaties uitoefenen.

Op geldigheidsdatum 1-11-2011 :

RL-1 leraar ato 4 voor 20/20 u met als einddatum van de opdracht 31-12-4444 (onbepaald) en met de opdrachtgebonden dienstonderbreking 159 wegens ziekte >= 75% (gebeurteniscode 23159) voor 5/20 u met als einddatum 30-11-2011.

Het personeelslid oefent dus nog 15/20 u (= 7.500/10.000 sten) effectief uit.

Het verlof voor verminderde prestaties wordt hier aangerekend voor 7,5 dagen ziekteverlof.

Dit zijn 30 dagen VVP wegens ziekte >= 75 % gedeeld door 4.

7.3. Melding langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen

Opsturen van RL-1 / Gebeurteniscode 23189

Langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen (code 189) is een opdrachtgebonden dienstonderbreking die kan worden genomen voor een deel van de opdracht(en) van het personeelslid. De dienstonderbreking kan worden genomen vanaf 1 januari 2015.

7.4. Melding afwezigheid te wijten aan een ongeval veroorzaakt door de fout van een derde

Opsturen van RL-2 / gebeurteniscode 23056.

Ongeval buiten dienstverband (schuld derde) (Code 056) is een persoonsgebonden dienstonderbreking die geldt voor alle opdrachten van het personeelslid.

7.5. Melding wederaanpassingsperiode met halve dagtaak

Opsturen van RL-1 / gebeurteniscode 23116.

Verlof voor verminderde prestaties ziekte - Pensioencommissie (Code 116) is een opdrachtgebonden dienstonderbreking die kan worden genomen voor een deel van de opdracht(en) van het personeelslid.

7.6. Melding arbeidsongeval – Ongeval op de weg naar en van het werk

Opsturen van RL-2 / gebeurteniscode 23008.

Arbeidsongeval (Code 008) is een persoonsgebonden dienstonderbreking die geldt voor alle opdrachten van het personeelslid.

7.7. Melding tewerkstelling met verminderde prestaties n.a.v. een arbeidsongeval / ongeval op de weg naar en van het werk

Opsturen van RL-1 / gebeurteniscode 23009.

Verlof voor verminderde prestaties n.a.v. een arbeidsongeval (Code 009) is een opdrachtgebonden dienstonderbreking die kan worden genomen voor een deel van de opdracht(en) van het personeelslid.

7.8. Melding beroepsziekte

Opsturen van RL-2 / gebeurteniscode 23048.

Beroepsziekte (Code 048) is een persoonsgebonden dienstonderbreking die geldt voor alle opdrachten van het personeelslid.

7.9. Melding tewerkstelling met verminderde prestaties n.a.v. een beroepsziekte

Opsturen van RL-1 / gebeurteniscode 23121.

Verlof voor verminderde prestaties wegens beroepsziekte (Code 121) is een opdrachtgebonden dienstonderbreking die kan worden genomen voor een deel van de opdracht(en) van het personeelslid.