De personeelsformatie Scholen in het buitengewoon basisonderwijs

  • referentie
    BaO/2005/10
  • publicatiedatum
    29/06/2005
  • datum laatste wijziging
    25/06/2015
  • wettelijke basis
    Het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997: de artikelen 126 tot en met 155
  • wettelijke basis
    Het besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs
  • wettelijke basis
    Het besluit van de Vlaamse regering van 1 september 2006 betreffende de toekenning van aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen
  • wettelijke basis
    De wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs: artikel 3
  • wettelijke basis
    De wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken: artikel 7
  • wettelijke basis
    K.B. van 21 augustus 1978 houdende organisatie van de semi-internaten in het buitengewoon onderwijs van de Staat en tot vaststelling van de personeelsnormen
  • wettelijke basis
    K.B. nr. 184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat
  • opheffing
    De geïntegreerde en opgeheven omzendbrieven
  • opheffing
    Het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2009 betreffende het ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon basisonderwijs
  • opheffing
    BaO/97/6 - De personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs (17/06/1997)
  • opheffing
    BAO/97/16 aanwendingspercentages in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs (28/07/1997)
  • opheffing
    BaO/2000/05 - overleg over de aanwending van het lestijdenpakket (22/06/2000)
  • opheffing
    BaO/2001/6 - Specifieke maatregelen vanaf 1-9-2001 voor het organiseren van bijzondere pedagogische taken in het basisonderwijs (15/06/2001) met uitzondering van de punten 3.1.1; 3.1.2 en 5
  • opheffing
    BaO/2002/08 (17/07/2002) Maatregelen in CAO VI vanaf het schooljaar 2002/2003 buitengewoon basisonderwijs
  • opheffing
    BaO/2002/10 - Overdracht en herverdeling van lestijden / uren paramedisch personeel (16/08/2002) met uitzondering van punt 6
  • opheffing
    BaO/2003/02 - mededeling: hertekening onderwijslandschap basisonderwijs (18/04/2003)
  • opheffing
    BaO/2007/03 - Vereenvoudiging telmomenten bij Programmatie Rationalisatie, Herstructureringen en fusie - Genadejaar i.p.v. afwijkingsaanvragen (12/06/2007)
  • opheffing
    BaO/2006/02 – Aanvullende lestijden voor integratie van anderstaligen in Nederlandstalige scholen voor buitengewoon basisonderwijs gelegen in de rand- en taalgrensgemeenten en in de scholen voor buitengewoon basisonderwijs gelegen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en / of grenzen aan de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  • contact
    Uw schoolbeheerteam (concrete dossiers)
  • In het schooljaar 2015/2016 leiden volgende situaties niet tot een hertelling op de eerste schooldag van oktober voor de berekening van de omkadering :
  • 1. Scholen die tijdens het schooljaar 2014/2015 type 1 en/of 8 organiseerden en op 1 september 2015 het type “ Basisaanbod ” aanbieden.
  • 2. Scholen die op 1 september 2015 alleen type 9 oprichten en geen andere structuuronderdelen van de school wijzigen.
  • In toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten van de Vlaamse Regeringen tot verdere uitvoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsnoden worden de omkaderingsnormen in deze omzendbrief aangepast aan de omvorming van type 1 en 8 naar type Basisaanbod en de introductie van type 9.
  • Momenteel zijn er geen door het VAPH gesubsidieerde semi-internaten of internaten er zijn enkel nog multifunctionele centra (MFC). Leerlingen die gebruik maken van de dienstverlening van een multfunctioneel centrum (MFC) zijn voor de berekening van de omkadering externe leerlingen ,ongeacht de verleende zorgvorm

1. Inleiding

De personeelsformatie scholen in het buitengewoon basisonderwijs bestaat uit:

· Lestijden (zie punten 2 en 3)

· Uren (zie punt 4)

· Punten (Zie punt 8)

Op basis waarvan kan aangesteld worden in respectievelijk:

- Bestuurs- en onderwijzend personeel;

- het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel;

- het beleids- en ondersteunend personeel.

· Vervangingseenheden ( zie punt 10).

2. De directie

2.1. De directeur

In elke school wordt een ambt van directeur gefinancierd of gesubsidieerd.

In kleine scholen wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht van:

14 lestijden in scholen met minder dan 20 leerlingen;

8 lestijden in scholen met 20 tot en met 39 leerlingen.

Zowel de leerlingen uit het kleuter- én lager onderwijs komen in aanmerking voor de berekening van de lestijden onderwijsopdracht.

Ook het aantal GON-leerlingen dat door de BO-school begeleid wordt, komt in aanmerking indien het er ten minste 10 zijn.

Het zijn de GON leerlingen die op 1 oktober van het voorgaande schooljaar als GON leerling ingeschreven waren die worden verrekend.

(…)

Al deze leerlingen worden aan coëfficiënt 1 geteld.

Voorbeeld:

Berekening van de lesopdracht voor het schooljaar 2008/2009

Algemeen:

In het buitengewoon basisonderwijs heeft een directeur een lesopdracht van 14 lestijden in scholen van minder dan 20 leerlingen.

Stel dat er in een BO-school 19 regelmatige leerlingen ingeschreven waren op 01/02/2008 en dat deze BO-school op 01/10/2007 12 GON-leerlingen begeleidde.

De kinderen die in aanmerking genomen worden voor de berekening van de lesopdracht van de directie zijn dan:

19 leerlingen telling 01/02/2008 en 12GON- leerlingen begeleid op 01/10/2007 =31 leerlingen.

Bijgevolg heeft de directeur voor het schooljaar 2008/2009 8 lestijden lesopdracht.

Opmerking

Een onderwijsopdracht kan via de puntenenveloppe voor ICT-coördinatie, de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid of via de punten die de school toebedeeld krijgt van de scholengemeenschap (punten die worden samengelegd op het niveau van de scholengemeenschap en/of de punten van de stimulus), geheel of gedeeltelijk omgezet worden in een zorg- of ICT-opdracht. De lesopdracht kan ook worden omgezet in de functie van stafmedewerker-scholengemeenschap (stafmedewerker-SG).Voor deze functie kunnen enkel de samengelegde punten en/of de punten van de stimulus gebruikt worden en/of de punten voor het voeren van een zorgbeleid die aangewend worden op het niveau van de scholengemeenschap. In dit laatste geval kan de functie stafmedewerker-scholengemeenschap enkel in het ambt van zorgcoördinator. De personeelsconsequenties zijn verschillend naargelang de omzetting gebeurt via ofwel de organieke punten ofwel via de samengelegde punten of de stimulus. (zie rondzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen: personeelsformatie en personeelsaspecten).

Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid een deel van het werkingsbudget aan te wenden voor het geheel of gedeeltelijk klasvrij maken van de directeur en/of adjunct-directeur. Meer informatie hierover is terug te vinden in de rondzendbrief: “Verhoging van het werkingsbudget - aanwending voor beleidsondersteuning en klasvrij maken van de directeur/adjunct-directeur”.

2.1.1. Adjunct-directeur.

De functie van adjunct-directeur wordt gefinancierd of gesubsidieerd als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

  • de scholen die bij de fusie betrokken zijn, hebben op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar een leerlingenaantal dat 15% boven de rationalisatienorm ligt. Indien meer dan twee scholen betrokken zijn bij de fusie, is het toegelaten dat één school de verhoogde rationalisatienorm (=115%) niet bereikte;
  • de directeur en de adjunct-directeur moeten op het ogenblik van de fusie vastbenoemd zijn in één van de bij de fusie betrokken scholen.

Indien de adjunct-directeur tijdens het schooljaar voorafgaand aan de fusie als directeur belast was met een onderwijsopdracht, dan behoudt hij deze onderwijsopdracht in de functie van adjunct-directeur gedurende de periode van 4 schooljaren (te rekenen vanaf het schooljaar van de fusie). Vanaf het vijfde schooljaar is de adjunct-directeur niet meer belast met een onderwijsopdracht, op voorwaarde dat de school op de teldag ten minste 60 leerlingen telt.

Voor de berekening van deze vrijstelling van onderwijsopdracht vanaf het vijfde schooljaar wordt rekening gehouden met de leerlingen uit het kleuteronderwijs en het lager onderwijs die in aanmerking komen voor de berekening van de lestijden volgens de schalen van het lopende schooljaar.

Voor de omzetting van de onderwijsopdracht van de adjunct-directeur zie ook punt 2.1 van deze rondzendbrief.

De functie van adjunct-directeur wordt tijdelijk niet georganiseerd gedurende de tijdelijke uitdiensttreding, om welke reden ook, van:

  • de directeur;
  • diegene die de functie van adjunct-directeur waarneemt.

Voorbeelden:

Als de adjunct-directeur drie maand TBS/PA neemt dan wordt deze niet vervangen.Als de adjunct-directeur in ziekteverlof is dan wordt deze niet vervangen.

Als de directeur drie maand TBS/PA neemt dan wordt deze vervangen door de adjunct-directeur. De adjunct-directeur wordt niet vervangen.Als de directeur in ziekteverlof is dan wordt deze vervangen door de adjunct-directeur. De adjunct-directeur wordt niet vervangen.

De functie van adjunct-directeur wordt niet meer georganiseerd van zodra:

  • de directeur definitief uit dienst treedt;
  • de functie van adjunct-directeur niet meer waargenomen wordt tenzij er nog een directeur is die ter beschikking gesteld is ingevolge de vrijwillige fusie;
  • het schoolbestuur een nieuwe basisschool opricht in dezelfde of aangrenzende gemeente.

Meer informatie hieromtrent is terug te vinden in de rondzendbrief: “Wijzigingen aan de reaffectatie- en weder- tewerkstellingsregeling voor de inrichtende machten en de personeelsleden tewerkgesteld in het niet-tertiair onderwijs”.

Opmerking:

Bij de vrijwillige fusie van Type 5 scholen wordt géén adjunct- directeur aangesteld.

3. Onderwijzend personeel

Het aantal gefinancierde of gesubsidieerde ambten voor onderwijzend personeel is afhankelijk van het aantal lestijden in een school.

Er zijn vier soorten lestijden:

1. Lestijden volgens de schalen.

2. Aanvullende lestijden:

- voor de minder gevolgde cursussen in de erkende godsdiensten of niet-confessionele zedenleer

- voor permanent onderwijs aan huis

- voor geïntegreerd onderwijs (GON).

- voor de begeleiding van de inclusie van leerlingen met een verstandelijke beperking in het gewoon lager en secundair onderwijs (ION).

- voor de integratie van anderstaligen in de Nederlandstalige scholen voor basisonderwijs gelegen in de rand- en taalgrensgemeenten en in de scholen voor basisonderwijs die grenzen aan de randgemeenten en/ of grenzen aan de gemeenten van het Brussels hoofdstedelijk gewest.

- voor het voeren van een gelijke onderwijskansenbeleid (type Basisaanbod en type 3)

Lestijden volgens de schalen en aanvullende lestijden vormen samen het lestijdenpakket

3. Extra lestijden

- ….

4. Bijkomende lestijden:

- vrijwillige fusie

- tijdelijk onderwijs aan huis

- in het kader van afwijkingen.

3.1. Lestijden volgens de schalen

3.1.1. De berekening van de lestijden volgens de schalen

3.1.1.1. De teldag:

In principe worden de lestijden volgens de schalen ieder schooljaar en per school berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar en aan de hand van de lestijdenschalen die als bijlage bij deze rondzendbrief zijn gevoegd. De lestijdenschalen zijn per type vastgelegd.

De teldag geldt steeds voor de hele school. Een school die op de teldag een facultatieve verlofdag of een pedagogische studiedag inricht, telt toch op de voorziene teldag.

Opmerking hierbij in verband met:

1) Teldag

2) Hanteren van de lestijdenschalen

Teldag

  • bij de programmatie van een school voor buitengewoon onderwijs is de teldag de eerste schooldag van oktober voor de eerste 3 schooljaren;
  • bij de oprichting of afschaffing van een type, vestigingsplaats en/of onderwijsniveau, is de teldag de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar;
    Opgelet :
    In volgende situaties wordt in het schooljaar 2015/2016 niet herteld op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar:

    1.
    Scholen die tijdens het schooljaar 2014/2015 type 1 en/of 8 organiseerden en op 1 september 2015 het type “Basisaanbod” aanbieden.
    2.
    Scholen die op 1 september 2015 alleen type 9 oprichten en geen andere structuuronderdelen van de school wijzigen.
  • bij omvorming van een type naar een ander type wordt voor de berekening van het lestijdenpakket één maal geteld. Op de eerste schooldag van oktober van het schooljaar waarin de omvorming start;

Hanteren van de lestijdenschalen

Wanneer de school meer leerlingen telt dan het hoogste aantal leerlingen voorzien in een bepaalde lestijdenschaal, worden

voor de berekening van het aantal lestijden, de laatste drie verhogingen in de lestijdenschaal telkens herhaald.

Voorbeeld:Lestijdenschalen T 6 en 7

De rekenkundige reeks bij de laatste drie verhogingen =

5 - 5 - 4.

216 leerlingen impliceert 1040 lestijden.

Berekening:

Aantal leerlingen 

Aantal lestijden 

210 

1012 

211 

1017 

212 

1022 

213 

1026 

214 

1031 

215 

1036 

216 

1040 

3.1.1.2. De telperiode (Type 5):

Voor scholen voor buitengewoon onderwijs van type 5 worden de lestijden volgens de schalen berekend op grond van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen ingeschreven tijdens een telperiode:

  • voor een bestaande school: de periode van 12 maanden voorafgaand aan de eerste schooldag van februari van het jaar waarin het betrokken schooljaar een aanvang neemt;
  • voor bestaande scholen in herstructurering: de maand september van het lopende schooljaar.
  • Voor nieuwe scholen: vanaf de eerste dertig dagen te rekenen vanaf de openstelling van het type.
  • Bij T5-scholen ontstaan door of betrokken bij een fusie is het aantal lestijden volgens de schalen gelijk aan de som van de lestijdenpakketten van de betrokken scholen.

Het gemiddelde aantal regelmatige leerlingen wordt als volgt berekend:

  • Iedere dag wordt het aantal regelmatige leerlingen genoteerd.
  • De som van het dagelijkse aantal regelmatige leerlingen per maand, wordt gedeeld door het aantal onderwijsdagen van deze maand. Dit geeft het maandgemiddelde. De deling gebeurt tot op één honderdste.
  • Om het jaargemiddelde te bekomen wordt de som van de maandgemiddelden gedeeld door 10.

Voor het aflezen van de lestijden volgens de schalen wordt de gemiddelde aanwezigheid afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer achter de komma groter is dan 4.

3.1.1.3. Welke leerlingen mogen geteld worden en op welke wijze ?

Enkel regelmatige leerlingen kunnen geteld worden.

Een regelmatige leerling in het buitengewoon basisonderwijs is een leerling die:

- voldoet aan detoelatingsvoorwaarden zie rondzendbrief “Toelatingsvoorwaarden en verslag voor leerlingen in het buitengewoon onderwijs“);BaO/2007/02

- slechts ingeschreven is in één school (behalve voor een leerling in een school van type 5);

- in het lager onderwijs, of als leerplichtige in het kleuteronderwijs, behoudens gewettigde afwezigheid, aanwezig is en, behoudens vrijstelling, deelneemt aan alle onderwijsactiviteiten die voor hem of voor zijn leerlingengroep worden georganiseerd; In het kleuteronderwijs worden de leerlingen vanaf de leeftijd van twee jaar en zes maanden beschouwd als regelmatige leerling.

In een ziekenhuisschool is de leerling regelmatige leerling voor de dagen dat hij ten minste één lestijd onderwijs heeft gekregen.

Bij het tellen van regelmatige leerlingen gelden volgende regels:

  • er wordt afzonderlijk geteld per taalstelsel;
  • de leerlingen worden per type geteld, kleuteronderwijs en lager onderwijs samen;
  • de leerlingen van alle vestigingsplaatsen worden samengeteld.

Let op: in scholen met type 1-, type 8- en type Basisaanbod -geattesteerde leerlingen wordt de omkadering per type apart berekend (dit is anders dan bij de toetsing aan de programmatie- of rationalisatienorm waar de betrokken leerlingen worden samengeteld).

Na controle en goedkeuring door de verificateur kan u op grond van het aantal leerlingen uit de lestijdenschalen, die per type werden ontwikkeld, het aantal lestijden aflezen.

Indien in uw school twee of meer types worden aangeboden is het totaal aantal lestijden volgens de schalen gelijk aan de som van de lestijden volgens de schalen voor elk type afzonderlijk.

Let op: op het totaal van de lestijden wordt het aanwendingspercentage van 94,5% toegepast, het resultaat wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter is dan 4.

Voorbeeld lestijden volgens de schalen

Situatie van de school

 

 

KLO 

LO 

TOT 

VP 1 

T BA 

120 

120 

 

T 2 

13 

40 

53 

 

 

 

 

 

VP 2 

T 2 

31 

38 

 

 

 

 

 

TOT 

 

20 

191 

211 

Berekening lestijden volgens de schalen

Type Basisaanbod

Totaal T BA = 120

Lestijden volgens de schalen: 352

Type 2

Totaal T 2 = 91

Lestijden volgens de schalen: 387

Totaal school: 352 + 387 = 739 X 0,945 (= 94,5 %) = 698,35

=> 698 lestijden

De lestijden volgens de schalen in scholen voor buitengewoon onderwijs van type 5 kunnen slechts volledig worden aangewend indien gemiddeld 10 onderwijsdagen per kind gedurende de telperiode worden bereikt. Wordt het gemiddelde van 10 niet bereikt, dan worden de lestijden volgens de schalen evenredig verminderd. Dit betekent dat wanneer slechts een gemiddelde van 6 wordt bereikt, slechts 60% van de lestijden volgens de schalen mag worden aangewend.

Voorbeeld

Een school voor Type 5 telde in de telperiode gemiddeld 75 regelmatige leerlingen.

Deze leerlingen kregen gemiddeld 7 onderwijsdagen.

Berekening lestijden volgens de schalen:

Lestijden volgens de schalen: 323

323 X 0,945 (= 94,5 %) = 305,23

305,23 => 305

305 X 0.7 (= 70 %) = 213,5

213,5 => 214

3.1.2. De aanwending van de lestijden volgens de schalen

3.1.2.1. Algemeen

De omrekening van de lestijden volgens de schalen naar het aantal financierbare of subsidieerbare voltijdse of deeltijdse betrekkingen gebeurt als volgt:

  • na de toepassing van het aanwendingspercentage worden de lestijden volgens de schalen verminderd met de eventuele lestijden onderwijsopdracht van de directeur en van de adjunct-directeur;
  • de overblijvende lestijden worden toegekend aan het onderwijzend personeel, met dien verstande dat elke lestijd besteed aan de lesopdracht uit de lestijden volgens de schalen wordt geput.

Voorbeeld:

In een BO-school T2 zijn er 32 regelmatige leerlingen ingeschreven.

De lesopdracht van de directeur bedraagt in dit geval 8 lestijden.

Berekening lestijden volgens de schalen:

32lln geven recht op:

150lt X 0,9450 = 141,75 lt afgerond = 142lt.

142 lt - 8 lt = 134 lt.

De integrale lesopdracht die aan de verschillende leerkrachten binnen de BO-school gegeven wordt moet geput worden uit deze 134 lt.

134 lt : 22 = 6 ft betrekkingen ASV en 2 restlestijden.

134 lt : 23 = 5 ft betrekkingen ASV en 19 restlestijden.

Het gaat om de voltijdse of deeltijdse betrekkingen voor:

Opmerkingen:

1. De lestijden voor de cursussen van de meest gekozen godsdienst, niet-confessionele zedenleer, al of niet toegekend aan een leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer, of voor cultuurbeschouwing worden uit de lestijden volgens de schalen geput.

2. Voor een voltijdse leermeester godsdienst en NCZ moeten 22 eenheden uit het lestijdenpakket worden geput. Raadpleeg in dit verband ook de rondzendbrief PERS/2002/9 van 15/08/2002 " Maatregelen en wijzigingen in het buitengewoon basisonderwijs".

SCHOOLJAAR

Het lestijdenpakket wordt toegekend voor een volledig schooljaar d.w.z. van 1 september tot en met 31 augustus. Scholen die tellen op 1 oktober moeten dus in de maand september de nodige omzichtigheid aan de dag leggen.

3.1.2.2. CURSUSSEN GODSDIENST, ZEDENLEER en CULTUURBESCHOUWING

Het aantal lestijden voor de meest gekozen godsdienst, niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing moet uit de lestijden volgens de schalen worden geput.

Het aantal lestijden is afhankelijk van het aantal cursussen.

Berekening van het aantal cursussen:

Het aantal cursussen wordt berekend door per type het aantal leerlingen van de meest gekozen godsdienst, niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing op de teldag of in de telperiode te delen door:

  • 9 voor de eerste 49 leerlingen en door 10 vanaf de vijftigste leerling voor de types Basisaanbod, 1 en 8;
  • 6 voor de eerste 34 leerlingen en door 7 vanaf de vijfendertigste leerling voor de types 2, 3, 4, 5 en 9;
  • 5 voor de eerste 34 leerlingen en door 6 vanaf de vijfendertigste leerling voor de types 6 en 7.

Het kan voorkomen dat de meest gekozen godsdienst of niet-confessionele zedenleer verschillend is voor de types die in een school worden georganiseerd. Er wordt dan steeds per type gerekend (vb. voor type 6 de leerlingen voor de meest gekozen godsdienst, voor type 7 de leerlingen voor de meerderheidscursus niet-confessionele zedenleer).

De quotiënten per type worden opgeteld en het resultaat wordt steeds naar beneden afgerond. Het resultaat van deze berekening is het aantal te organiseren cursussen.

Elke cursus omvat ten minste 2 en ten hoogste 3 lestijden.

Voorbeeld:

Een T2 school heeft 50 regelmatig ingeschreven lln waarvan er 32 lln katholieke godsdienst volgen.

Voor de berekening van de meerderheidscursus geeft dit:

32 lln : 6 = 5,33 afgerond 5 cursussen ( ook naar beneden afronden indien > 0,5 !)

De school kán in dit geval min 10lt of max 15lt meerderheidscursus inrichten.

Voor de minder gevolgde cursussen: zie punt 3.2.1.

3.1.2.3. BLIO en BLOA

In elke school voor buitengewoon basisonderwijs moet een lid van het onderwijzend personeel worden belast met het onthaal, de observatie en de tijdelijke begeleiding van de nieuwe leerlingen die tijdens het schooljaar worden ingeschreven, en/of de leerlingen die bijzondere individuele hulp nodig hebben (BLIO). Het schoolbestuur bepaalt zelf hoeveel lestijden hieraan worden besteed.

In een school voor buitengewoon basisonderwijs kan een lid van het onderwijzend personeel worden belast met opvoedende activiteiten (BLOA).

Opmerking:

De BLOA-opdracht kan maximaal een voltijdse betrekking zijn en mag nooit meer bedragen dan het aantal lestijden besteed aan BLIO.

3.2. Aanvullende lestijden

Naast de lestijden volgens de schalen worden aanvullende lestijden gefinancierd of gesubsidieerd.

3.2.1. Aanvullende lestijden voor de minder gevolgde cursussen in de erkende godsdiensten of niet-confessionele zedenleer

De lestijden voor de minder gevolgde cursussen in de erkende godsdiensten of niet-confessionele zedenleer worden als volgt bepaald:

  • het aantal cursussen van de minder gekozen godsdienst of niet-confessionele zedenleer kan ten hoogste gelijk zijn aan het aantal cursussen van de meest gevolgde godsdienst of niet-confessionele zedenleer;
  • wanneer een leerling wordt ingeschreven voor een minder gevolgde cursus die niet gefinancierd of gesubsidieerd kon worden op grond van de schoolbevolking op de teldag of in de telperiode, wordt deze cursus toch onmiddellijk gefinancierd of gesubsidieerd op dezelfde wijze als voor de andere minder gekozen godsdienst(en) of niet-confessionele zedenleer, ook deze cursus wordt gelijktijdig georganiseerd als de meest gevolgde cursus;
  • een minder gevolgde cursus die gefinancierd of gesubsidieerd kan worden op grond van de schoolbevolking op de teldag of in de telperiode, maar waarvoor tijdens het lopend schooljaar geen leerlingen meer zijn ingeschreven, wordt niet langer gefinancierd of gesubsidieerd.
  • een cursus van een minder gekozen godsdienst of niet-confessionele zedenleer bedraagt evenveel lestijden als de cursus van de meest gevolgde godsdienst of niet-confessionele zedenleer (2 of 3 lestijden per cursus). De cursussen moeten gelijktijdig worden georganiseerd;

3.2.2. Aanvullende lestijden voor permanent onderwijs aan huis

Zie rondzendbrief BaO /97/5 van 17/06/1997 Tijdelijk Onderwijs aan huis (TOAH), Permanent Onderwijs aan Huis (POAH) en vrijstelling van leerplicht in het basisonderwijs .

3.2.3. Aanvullende lestijden voor geïntegreerd onderwijs

Zie rondzendbrief GD/2003/05 van 11/09/2003 “Geïntegreerd onderwijs”.

3.2.4. Aanvullende lestijden voor het ION-project

Zie rondzendbrief NO/2008/05 “Inclusie van leerlingen met een verstandelijke beperking in het gewoon lager en secundair onderwijs” .

3.2.5. Aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen in de Nederlandstalige scholen voor basisonderwijs gelegen in de rand- en taalgrensgemeenten en in de scholen voor basisonderwijs die grenzen aan de randgemeenten en/ of grenzen aan de gemeenten van het Brussels hoofdstedelijk gewest.

Het recht op aanvullende lestijden voor integratie van anderstaligen in de Nederlandstalige scholen voor het gewoon en buitengewoon onderwijs in de rand- en taalgrensgemeenten werd vanaf 1 september 2005 gefaseerd ingevoerd. De structurele verankering van deze aanvullende lestijden dateert van het schooljaar 2006/2007.

Vanaf het schooljaar 2008-2009 werden de lestijden voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren toegekend. In het gewoon basisonderwijs zijn deze lestijden vanaf 01/09/2012 geïntegreerd in het nieuwe omkaderingssyteem.

Het buitengewoon basisonderwijs wordt niet gevat door het nieuwe omkaderingssyteem, de lestijden rand en taal blijven verder toegekend per cyclus. Voor de in aanmerking komende BO-scholen start op 1/9/2014 een derde nieuwe driejaarlijkse cyclus.

3.2.5.1. Doelgroep

3.2.5.1.1. De Nederlandstalige basisscholen voor buitengewoon onderwijs gelegen in de randgemeenten

De Nederlandstalige basisscholen voor buitengewoon onderwijs gelegen in de gemeenten van het Vlaamse Gewest, genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.

Tot de randgemeenten behoren: Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem.

3.2.5.1.2. De Nederlandstalige basisscholen voor buitengewoon onderwijs gelegen in de taalgrensgemeenten

De Nederlandstalige basisscholen voor buitengewoon onderwijs gelegen in de gemeenten van het Vlaamse Gewest, genoemd in artikel 3, 1° van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs.

Tot de taalgrensgemeenten behoren: Bever, Herstappe, Mesen, Moelingen, Ronse, Sint-Martens-Voeren, Sint-Pieters-Voeren, 's-Gravenvoeren, Spiere-Helkijn.

3.2.5.1.3. De basisscholen voor buitengewoon onderwijs die grenzen aan de randgemeenten en aan het Brussels Hoofdstedelijke Gewest

De basisscholen voor buitengewoon onderwijs gelegen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken en in de gemeenten die grenzen aan het Brussels Hoofdstedelijke Gewest.

Tot deze gemeenten behoren: Asse, Beersel, Dilbeek, Grimbergen, Hoeilaart, Machelen, Meise, Merchtem, Overijse, Sint-Pieters-Leeuw, Tervuren, Vilvoorde en Zaventem.

3.2.5.2. Doelstelling

Het is de bedoeling dat leerlingen zo snel mogelijk voldoende Nederlands leren zodat ze kunnen functioneren op school, niet alleen in de klas maar ook op de speelplaats, in de eetzaal, enz. Daarvoor hebben ze een aantal basisvaardigheden nodig zoals eenvoudige instructies begrijpen of eenvoudige boodschappen zelf kunnen verwoorden.

De aanvullende lestijden kunnen uitsluitend aangewend worden voor de integratie van de anderstalige leerlingen. Deze regel blijft ook geldig bij overdracht. Dit betekent ook dat overdracht van deze aanvullende lestijden enkel mogelijk is naar andere buitengewone basisscholen uit de doelgroep.

3.2.5.3. Voorwaarden

Om in aanmerking te komen voor de aanvullende lestijden moet de school op 1 februari 2014 ten minste 10% leerlingen tellen van wie de thuistaal niet het Nederlands is (leerlingen TNN).

Leerlingen TNN zijn leerlingen die in het gezin bestaande uit vader en/of moeder en/of broers en zussen ofwel met niemand ofwel in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximaal één gezinslid Nederlands spreken; broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

Dit wordt vastgesteld door middel van een verklaring op eer van de ouders gedateerd en ondertekend door een persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of die de leerling in rechte of in feite onder zijn bewaring heeft.

Wanneer de school voor één of meerdere leerlingen niet beschikt over een verklaring op eer komen deze leerlingen niet in aanmerking voor de berekening van het percentage leerlingen TNN en worden deze leerlingen beschouwd als Nederlandstalig.

De scholen binnen de doelgroep laten zich ondersteunen door de pedagogische begeleidingsdiensten.

3.2.5.4. Berekening van de aanvullende lestijden

3.2.5.4.1. Teldag

De teldag is voor alle scholen de eerste schooldag van februari voorafgaand aan de driejaarlijkse periode.

Dit betekent dat het aantal aanvullende lestijden voor de cyclus die start op 1 september 2014 per school wordt berekend op basis van het totaal aantal leerlingen TNN (kleuter- en lager onderwijs) op 1 februari 2014.

3.2.5.4.2. Gezamenlijke telling

In een basisschool worden de leerlingen kleuter- en lager onderwijs samengeteld.

In een school met verschillende vestigingsplaatsen worden de leerlingen van alle vestigingsplaatsen samengeteld.

3.2.5.4.3. Bepaling van het aantal aanvullende lestijden

3.2.5.4.3.1. Scholen met minder dan 10% leerlingen TNN.

Een school met minder dan 10% leerlingen TNN heeft geen recht op aanvullende lestijden.

3.2.5.4.3.2. Scholen met 10% of meer leerlingen TNN, maar met niet meer dan 25% leerlingen TNN.

Een school, met 10% of meer leerlingen TNN maar met niet meer dan 25% leerlingen TNN, krijgt 6 aanvullende lestijden.

3.2.5.4.3.3. Scholen met meer dan 25% leerlingen TNN, maar met minder dan 40% leerlingen TNN.

Een school die meer dan 25% leerlingen TNN telt maar minder dan 40% leerlingen TNN, heeft recht op:

- Een sokkel van 6 aanvullende lestijden+

- X aanvullende lestijd(en) door het aantal leerlingen TNN dat niet vervat zit in 25% van het totale leerlingenaantal te vermenigvuldigen met de coëfficiënt 0,315.

- Het resultaat van de berekening wordt afgerond naar de hogere eenheid indien het eerste cijfer na de komma groter is dan 4.

3.2.5.4.3.4. Scholen met 40% of meer leerlingen TNN.

Een school die 40% of meer leerlingen TNN telt, heeft recht op:

- Een sokkel van 6 aanvullende lestijden +

- X aanvullende lestijd(en) door het aantal leerlingen TNN dat niet vervat zit in 25% van het totale leerlingenaantal te vermenigvuldigen met de coëfficiënt 0,4.

- Het resultaat van de berekening wordt afgerond naar de hogere eenheid indien het eerste cijfer na de komma groter is dan 4.

Een aantal voorbeelden ter verduidelijking:

Voorbeeld 1 Een school met 270 leerlingen (kleuteronderwijs en lager onderwijs samen) heeft 26 leerlingen TNN. De school heeft dus 9,6% doelgroepleerlingen. De school heeft dus geen recht op aanvullende lestijden.

Voorbeeld 2 Een school met 270 leerlingen (kleuteronderwijs en lager onderwijs samen) heeft 27 leerlingen TNN. De school heeft dus 10% doelgroepleerlingen. De school heeft dus recht op een sokkel van 6 aanvullende lestijden.

Voorbeeld 3 Een school met 270 leerlingen (kleuteronderwijs en lager onderwijs samen) heeft 67 leerlingen TNN. De school heeft dus 24,8% doelgroepleerlingen. De school heeft dus recht op een sokkel van 6 aanvullende lestijden.

Voorbeeld 4 Een school met 270 leerlingen (kleuteronderwijs en lager onderwijs samen) heeft 68 leerlingen TNN. De school heeft dus 25,2% doelgroepleerlingen. 25% doelgroepleerlingen komt overeen met 67,5 leerlingen. De school heeft dus recht op een sokkel van 6 aanvullende lestijden + ((68-67,5) X 0,315) aanvullende lestijden . Dit is gelijk aan 6,157 aanvullende lestijden. Na afronding heeft de school dus recht op 6 aanvullende lestijden.

Voorbeeld 5 Een school met 270 leerlingen (kleuteronderwijs en lager onderwijs samen) heeft 70 leerlingen TNN. De school heeft dus 25,9% doelgroepleerlingen. 25% doelgroepleerlingen komt overeen met 67,5 leerlingen. De school heeft dus recht op een sokkel van 6 aanvullende lestijden + ((70-67,5)X 0,315) aanvullende lestijden . Dit is gelijk aan 6,788 aanvullende lestijden. Na afronding heeft de school dus recht op 7 aanvullende lestijden.

Voorbeeld 6 Een school met 270 leerlingen (kleuteronderwijs en lager onderwijs samen) heeft 167 leerlingen TNN. De school heeft dus 61,85% doelgroepleerlingen. 25% doelgroepleerlingen komt overeen met 67,5 leerlingen. De school heeft dus recht op een sokkel van 6 aanvullende lestijden + ((167-67,5)X 0,4) aanvullende lestijden . Dit is gelijk aan 45,8 aanvullende lestijden. Na afronding heeft de school dus recht op 46 aanvullende lestijden.

3.2.5.5. Toekenningsperiode van de aanvullende lestijden

De lestijden worden toegekend voor een periode van drie schooljaren:

schooljaar 2014-2015, 2015-2016 en 2016-2017.

De lestijden voor de integratie van de anderstalige leerlingen worden toegekend aan de school. Ze kunnen ingezet worden in alle vestigingsplaatsen en/of niveaus van de school. Uiteraard is de doelstelling hierbij de integratie van de anderstalige leerlingen te verbeteren door het Nederlands taalvaardigheidsonderwijs te versterken en eventuele leerbedreiging en leerachterstand tegen te gaan.

3.2.5.6. Aanwending van de aanvullende lestijden

De toegekende aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen worden in het buitengewoon basisonderwijs steeds aangewend in het ambt van kleuteronderwijzer ASV of van onderwijzer ASV. Het schoolbestuur beslist jaarlijks of deze lestijden worden georganiseerd in het ambt van kleuteronderwijzer ASV en/of in het ambt van onderwijzer ASV. Deze aanvullende lestijden kunnen ook worden aangewend voor de lesopdracht van directeur of adjunct-directeur.

Deze keuze heeft bepaalde consequenties voor de personeelsleden:

1. De keuze van het schoolbestuur blijft gelden voor één schooljaar.

2. Zolang er tijdelijke leerkrachten in deze lestijden aangesteld worden, is een wijziging van keuze ieder schooljaar mogelijk. Bij vaste benoeming in deze aanvullende lestijden, ligt de keuze vast voor het aantal lestijden en de ambten waarin benoemd is geworden.

3. Voor de betrekkingen waarin deze aanvullende lestijden worden aangewend, moet het schoolbestuur de regels toepassen inzake de verdeling van de betrekkingen onder de vastbenoemde titularissen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en de voorrang (TADD). Concreet wil dit zeggen dat het schoolbestuur:

- de aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen gebruikt om de betrekkingen in het gekozen ambt te verdelen onder de vastbenoemde titularissen. Op deze wijze is het mogelijk dat door de aanwending van de lestijden een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking wordt vermeden of verminderd.

- de statutaire regels in verband met werving volgt, als het tijdelijke personeelsleden aanstelt in deze aanvullende lestijden. Dit wil zeggen dat het schoolbestuur de verplichtingen inzake reaffectatie en voorrang (TADD) moet naleven.

Indien het schoolbestuur ervoor opteert om de aanvullende lestijden voor de integratie van de anderstaligen toe te kennen aan een vast benoemd personeelslid dat echter niet vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer ASV of onderwijzer ASV(bijvoorbeeld: leermeester lichamelijke opvoeding, leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer, ...) kan dit slechts via het stelsel en onder de voorwaarden van het “verlof tijdelijk andere opdracht (TAO)”.

3.2.5.7. Vaste benoeming, affectatie of mutatie

De betrekkingen die worden opgericht op basis van de aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen komen in aanmerking voor vacantverklaring en vaste benoeming, affectatie of mutatie. Dit betekent ook dat een vastbenoemd onderwijzer ASV of kleuteronderwijzer ASV met deze lestijden kan belast worden zonder een verlof TAO te moeten nemen.

3.2.5.8. Mededeling aan uw werkstation van AgODi

Voor de melding van de lestijden rand- en taalgrensgemeenten wordt in het opdrachtenpakket de bestaande code voor de lestijden rand- en taalgrensgemeenten gebruikt (code 614). In geen geval mag de melding gebeuren via de code voor anderstalige nieuwkomers (vakcode 436).

Voorbeeld:RL-1: 18 lt kleuteronderwijzer ato 2 met vakcode 614 (lestijden rand- en taalgrensgemeenten) tot 30 juni

Voor een vastbenoemde onderwijzer ASV of kleuteronderwijzer ASV, belast met de lestijden rand- en taalgrensgemeenten, wordt een gewoon vast opdrachtenpakket doorgestuurd zonder de formule van TAO. Indien de lestijden uitgeoefend worden in een gedeelte van een opdracht volstaat het om de opdracht op te splitsen.

Voorbeeld:

RL-1: 18 lt onderwijzer ato 4 met einddatum oneindig

RL-1: 6 lt onderwijzer ato 4 met vakcode 614 (lestijden rand- en taalgrensgemeenten) met einddatum oneindig

Beide RL's worden in één en hetzelfde bericht opgestuurd.

Voor de directeur of adjunct-directeur met lesopdracht wordt de lesopdracht nooit meegedeeld. Bij bepaalde lestijden, waaronder de lestijden rand- en taalgrensgemeenten, moet dit wel gebeuren. Hiervoor wordt hetzelfde principe toegepast: een aantal uren directeur en een aantal uren directeur met lestijden rand- en taalgrensgemeenten.

Voorbeeld:

Een directeur met 8 lestijden lesopdracht vult 4 lestijden in via lestijden rand- en taalgrensgemeenten:

RL-1: 20 lt directeur ato 4 met einddatum oneindig

RL-1: 4 lt directeur ato 4 met vakcode 614 (lestijden rand- en taalgrensgemeenten) met einddatum oneindig

Beide RL's worden in hetzelfde bericht gezonden.

3.2.6. Aanvullende lestijden gelijke onderwijskansen type 1 en type 3

Let op: deze aanvullende lestijden worden in cycli van drie schooljaren toegekend. De huidige cyclus is gestart in het schooljaar 2014/2015. Vandaar dat hier nog gesproken wordt over type 1 en niet over type Basisaanbod .

Aan scholen die type 1 en/of 3 aanbieden en die een relatief hoog aantal doelgroepleerlingen tellen worden, onder onderstaande voorwaarden, in driejaarlijkse cycli aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke onderwijskansenbeleid toegekend.

3.2.6.1. Duur van de ondersteuning

Deze aanvullende lestijden in het kader van het gelijke onderwijskansenbeleid worden toegekend voor 3 opeenvolgende schooljaren.

Vanaf 01/09/2014 start de derde cyclus; deze omvat de schooljaren 2014/2015, 2015/2016 en 2016/2017.

Door de periode van drie schooljaren krijgt de school de kans om continuïteit in te bouwen in haar werking. Binnen de verschillende schooljaren (1°, 2° en 3°) van een cyclus leven er verschillende verwachtingen t.a.v. de school (zie 3.2.6.2.4 en 3.2.6.2.5).

3.2.6.2. Voorwaarden

3.2.6.2.1. Algemeen

Om in aanmerking te komen moet een school:

1.op de teldag(eerste schooldag van februari) minstens 40% externe en semi-interne regelmatige leerlingen van type 1 en/of type 3 tellen die voldoen aan de eerste gelijke kansenindicator (= instapdrempel zie 3.2.6.2.2)

2.minstens 6 lestijden genereren (zie 3.2.6.2.3 en 3.2.6.3);

3.een schooleigen visie uitschrijven rond gelijke onderwijskansen (zie 3.2.6.2.4);

4.vanaf de 2de cyclus een positief inspectieverslag hebben van de werking van de voorbije periode van drie schooljaren (zie 3.2.6.2.5).

3.2.6.2.2. Instapdrempel

3.2.6.2.2.1. De teldag

De teldag is voor ALLE scholen de eerste schooldag van februari voorafgaand aan de driejaarlijkse periode, ook voor scholen die voor hun lestijdenpakket tellen op de eerste schooldag van oktober.

3.2.6.2.2.2. De gelijke kansenindicatoren

De gelijke kansenindicatoren zijn

1.opleidingsniveau van de moeder: d.w.z. de moeder is niet in het bezit van een diploma hoger secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;

2.de taal die de leerling in het gezin spreekt, is niet het Nederlands: de taal die de leerling spreekt met vader, moeder, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Verschillende broers en zussen worden steeds als één gezinslid beschouwd.

De tweede indicator kan enkel een rol spelen als de betrokken leerling aan de eerste indicator voldoet (zie ook 3.2.6.2.2.3).

Bewijs

De vaststellingen omtrent het beantwoorden aan de indicatoren “opleidingsgraad moeder” en “taal” gebeuren op grond van een schriftelijke verklaring op eer, gedateerd en ondertekend door een persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of die de minderjarige leerplichtige leerling in rechte of in feite onder zijn bewaring heeft. Daartoe gebruikt de school het vragenformulier over de achtergrondkenmerken van de leerling.

Dit is bijlage 6 bij omzendbrief BaO/2006/04 van 09/10/2006 “Controle van de leerlingen in het gewoon basisonderwijs”.

Wanneer de school voor één of meerdere leerlingen niet beschikt over dit ingevuld formulier kunnen deze leerlingen niet worden meegeteld voor de berekening van de aanvullende lestijden.

Wetenschappelijk onderzoek

Binnen het gelijke onderwijskansenbeleid wordt uitgegaan van socio-economische en culturele indicatoren om de scholen met de meeste risicoleerlingen te detecteren. Bij de keuze van deze gelijke kansenindicatoren voor het buitengewoon onderwijs werd rekening gehouden met het onderzoek dat werd uitgevoerd onder leiding van professor P. Ghesquire van de KULeuven (http://www.ond.vlaanderen.be/leerzorg/onderzoek/). De indicatoren “taal” en “opleidingsniveau moeder” werden hier als het meest relevant bestempeld.

De voornaamste conclusie van dit onderzoek was dat scholen voor de types 1 en/of 3 die een relatief hoog aantal leerlingen tellen die scoren op de indicatoren “taal” en “opleidingsniveau moeder” het meeste effect op het school- en het klasgebeuren ondervinden door de aanwezigheid van deze leerlingen.

3.2.6.2.2.3. 40 %

De school telt op 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de periode minstens 40% externe en semi-interne regelmatige leerlingen in type 1 en/of 3 die voldoen aan de eerste gelijke kansenindicator.

Om die 40% te berekenen worden de doelgroepleerlingen van de verschillende niveaus (kleuter en lager), van de beide types en uit de verschillende vestigingsplaatsen samengeteld.

Een leerling die enkel en alleen voldoet aan de indicator “taal die de leerling in het gezin spreekt, is niet het Nederlands", komt niet in aanmerking voor het bereiken van de 40%-grens noch voor aanvullende ondersteuning.

3.2.6.2.3. Minstens 6 lestijden

Het aantal doelgroepleerlingen en de weging (3.2.6.3.1) die er aan gegeven wordt moet minstens 6 lestijden opleveren (zie 3.2.6.3). Aan scholen die deze zes lestijden niet halen worden er geen lestijden toegekend.

3.2.6.2.4. Schooleigen visie

De school werkt een schooleigen visie uit.

De school schrijft een schoolspecifieke visie met een aantal concreet geformuleerde en realiseerbare doelstellingen rond gelijke onderwijskansen uit.

Een school die aanvullende lestijden krijgt, werkt in het eerste trimester van het eerste schooljaar een gelijke kansenbeleid uit op maat van de school. Het decreet bepaalt dat de uitbouw van een gelijk onderwijskansenbeleid betrekking heeft op drie thema's:

1° een gericht aanbod rond taalvaardigheidsonderwijs uitwerken, waarbij de taalvaardigheid, zoals luisteren, spreken, schrijven en begrijpend lezen in functionele contexten, bij leerlingen wordt bevorderd;

2° onderwijsgerichte opvoedingsondersteuning aanbieden aan ouders;

3° de (laagdrempelige) sociale functies opnemen in een netwerk met partners uit andere sectoren.

De school kiest op basis van de beginanalyse haar doelstellingen

Van scholen wordt verwacht dat zij een gelijk onderwijskansenbeleid uitwerken op basis van een kwaliteitsvolle beginanalyse van de eigen situatie voor de drie hoger genoemde thema's.

Elke school legt op basis van deze beginanalyse voor zichzelf vast:

1° welke concrete doelstellingen zij op het vlak van leerlingen, van personeelsleden en van de school wil bereiken;

2° op welke manier zij deze doelstellingen wil bereiken;

3° op welke manier zij zich in de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar evalueert.

De school formuleert en werkt zelf concrete en samenhangende doelstellingen uit voor één van de bovenstaande thema's.

De aanvullende lestijden kunnen enkel worden aangewend om de gekozen doelstellingen op het vlak van de leerlingen, van de personeelsleden en van de school te realiseren.

De school betrekt in het ontwikkelen en realiseren van haar doelstellingen het centrum voor leerlingenbegeleiding waardoor zij wordt begeleid.

Zelfevaluatie

In de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar moet elke school zichzelf evalueren.

3.2.6.2.5. (Positief) inspectieverslag

3.2.6.2.5.1. Inhoud van de controle

De onderwijsinspectie controleert in de loop van het laatste jaar van iedere periode in de GOK-scholen de uitvoering van de doelstellingen en gaat bij de controle op de aanwending van de aanvullende lestijden na of, en in welke mate de doelstellingen m.b.t. gelijke kansen werden uitgebouwd en bereikt, rekening houdend met de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie. Daarnaast controleert de inspectie de uitvoering van de gekozen doelstellingen.

Deze controle impliceert tegelijk dat wordt nagegaan of en in welke mate:

-de analyse van de beginsituatie voldoende kwaliteitsvol en volledig werd uitgevoerd;

-de keuze van de doelstellingen voldoende verantwoord is in functie van deze analyse;

-de doelstellingen effectief bereikt werden rekening houdend met de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

3.2.6.2.5.2. Positieve evaluatie

Bij positieve evaluatie kan de school voor een nieuwe periode van drie schooljaren aanvullende lestijden krijgen indien aan alle voorwaarden inzake de toekenning van de middelen voldaan is.

3.2.6.2.5.3. Negatieve evaluatie

Bij negatieve evaluatie van de onderwijsinspectie verliest de school haar recht op aanvullende lestijden in het kader van het gelijke onderwijskansenbeleid voor de volgende periode van drie schooljaren tenzij de school zich verplicht laat begeleiden door de pedagogische begeleidingsdienst en een begeleidingstraject opstelt.

Een begeleidingstraject moet aan volgende voorwaarden voldoen:

1° de scholen verbinden er zich toe een stappenplan op te stellen dat voldoet aan de volgende criteria:

a) De geformuleerde knelpunten in het evaluatieverslag van de onderwijsinspectie van de betrokken school vormen het uitgangspunt van het stappenplan.

b) De geformuleerde doelstellingen tot remediëring in het stappenplan passen binnen de gekozen GOK-doelstellingen.

c) De doelstellingen zijn outputgericht, concreet en operationeel geformuleerd. Ze moeten voldoende controleerbaar zijn.

d) Het stappenplan wordt vóór 1 mei van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie aan de onderwijsinspectie bezorgd.

e) De doelstellingen dienen gerealiseerd te zijn vóór 1 juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie.

2° de scholen verbinden er zich toe om een beroep te doen op externe begeleiding en ondersteuning bij het opstellen en de uitvoering van het stappenplan.

De onderwijsinspectie gaat in de maand juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie opnieuw na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Scholen die een negatieve evaluatie krijgen, kunnen in het eerste schooljaar van de volgende cyclus slechts beroep doen op de helft van hun GOK-lestijden. Na het eerste jaar krijgen ze opnieuw controle van de inspectie. Is dat positief dan krijgen ze de volgende twee schooljaren opnieuw 100% van hun GOK-lestijden. Is dat negatief dan verliezen ze hun GOK-lestijden voor de twee komende schooljaren.

Een negatieve evaluatie kan ook nog aanleiding geven tot terugvorderingen en sancties (zie punt 3.7).

Beroepsprocedure

Het schoolbestuur kan beroep aantekenen bij de Vlaamse Regering. Het beroep wordt behandeld door een college van inspecteurs, bijeengeroepen door de minister. Het college is paritair samengesteld voor de helft uit inspectieleden afkomstig uit het vrij onderwijs, voor de helft uit inspectieleden afkomstig uit het officieel onderwijs. Deze leden mogen geen deel hebben uitgemaakt van het team dat de negatieve beoordeling heeft uitgebracht. De voorziene beroepsprocedure wordt volledig beschreven in artikel 13 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 30oktober 2009 betreffende het ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon basisonderwijs.

3.2.6.3. Berekening en toekenning van de aanvullende lestijden

3.2.6.3.1. Gewichten

De gelijke kansenindicatoren krijgen volgende weging:

- Opleidingsgraad van de moeder: 0,8.

- Thuistaal niet het Nederlands: 0,4. (Enkel in combinatie met de eerste indicator.)

Bij leerlingen die aan twee indicatoren voldoen, worden de gewichten gecumuleerd (= 1,2).

3.2.6.3.2. Berekening van het aantal aanvullende lestijden per individuele school in het organieke systeem

  • De berekening stap voor stap

In een eerste fase worden de lestijden per punt berekend door het totale aantal beschikbare lestijden te delen door het totale aantal punten van alle scholen die een concentratiegraad hebben van meer dan 40%.

-Het totale aantal beschikbare lestijden wordt vastgesteld door het beschikbare budget te delen door de kostprijs per lestijd.

-Het aantal punten voor één doelgroepleerling is 0,8 (indien de leerling enkel scoort op de indicator “opleiding van de moeder”) of 1,2 (indien de leerling scoort op de indicator “opleiding van de moeder” en “taal”).

-Het aantal punten van één school is de som van de punten van alle doelgroepleerlingen in de school.

-Het totaal aantal punten is gelijk aan de som van alle punten van de scholen met een concentratiegraad van meer dan 40%.

-Op basis van de huidige gegevens geeft dit het volgende resultaat: 0,203 LT per punt. Deze coëfficiënt wordt, voor de scholen met een concentratiegraad van minstens 40%, vermenigvuldigd met het aantal berekende punten van iedere school. Dit resulteert in een aantal GOK-lestijden per school.

In een tweede fase wordt er een onderscheid gemaakt tussen de scholen die minstens 6 lestijden genereren of deze die minder dan 6 lestijden genereren op basis van de hoger vermelde berekening (waarbij de gewone afrondingsregels worden toegepast). Scholen die minder dan 6 LT genereren hebben geen recht op GOK-lestijden.

De lestijden van deze scholen worden evenwel verdeeld over de scholen die op basis van hoger vermelde berekening 6 of meer lestijden genereren. Hierdoor zal het aantal lestijden per punt voor deze scholen worden verhoogd.

Dit gebeurt als volgt:

Het totaal aantal lestijden van de scholen die geen 6 lestijden genereren, wordt gedeeld door het totaal aantal punten van de scholen die 6 of meer lestijden genereren.

Het resultaat van deze deling bedraagt voor de eerste GOK-cyclus 0,032 punten.

Dit resultaat wordt geteld bij de 0,203 “basis” lestijden per punt.

Het uiteindelijke resultaat is dus: 0,203 + 0,032 = 0,235 lestijden per punt.

Dit aantal van 0,235 lestijden per punt wordt vermenigvuldigd met het aantal punten voor scholen die 6 of meer lestijden genereren in de eerste fase.

Concreet voorbeeld ter verduidelijking

Een school met 157 leerlingen heeft volgende verdeling:

- 54 leerlingen voldoen aan geen van beide indicatoren.

- 6 leerlingen scoren enkel op de indicator “taal”.

- 79 leerlingen scoren enkel op de indicator “opleiding moeder”.

- 18 leerlingen scoren op beide indicatoren.

Het aantal GOK-leerlingen bedraagt 97 en het percentage GOK-leerlingen is 61,78%.

Het totaal aantal punten van deze school bedraagt: (79 x 0,8) + (18 x 1,2) = 84,8

De basis lestijden per punt bedragen 0,203.

Deze school krijgt dus 0,203 x 84,8 = 17,21 of afgerond 17 LT GOK.

Deze school komt dus in aanmerking om LT bij te krijgen van de scholen die in een eerste fase geen 6 LT GOK genereren.

Het aantal LT dat kan herverdeeld worden bedraagt in totaal 156 LT.

Het aantal punten van de scholen die in een eerste fase 6 of meer LT genereren bedraagt: 4744

Het aantal LT per punt dat hieruit berekend kan worden bedraagt dus 156/4744 = 0,032

Het aantal LT voor de school in het voorbeeld bedraagt dus (0,032 + 0,203 = 0,235) x 84,8 = 20,01 of afgerond 20 LT.

3.2.6.4. Aanwending van de aanvullende lestijden

3.2.6.4.1. Lestijden

De lestijden in het kader van het gelijke onderwijskansenbeleid zijn aanvullende lestijden en worden toegekend aan de school. Ze kunnen vrij aangewend worden in beide types en in alle vestigingsplaatsen en/of niveaus van de school. Vrije aanwending houdt eventueel ook in dat ze gebruikt worden om klassen te splitsen of om via BPT in te vullen. Uiteraard moet de aanwending steeds kaderen in het voeren van een gelijke onderwijskansenbeleid en moet in de schooleigen visie duidelijk gemotiveerd worden waarom de lestijden precies in die vestigingsplaats en/of dat niveau worden aangewend en waarom voor een bepaalde manier van aanwenden gekozen wordt.

Zoals voorzien wordt in artikel 142 van het decreet basisonderwijs zijn de aanvullende lestijden overdraagbaar naar een andere school van het buitengewoon basisonderwijs. Uiteraard gebeurt dit volgens de voorwaarden voorzien in bovenvermeld artikel en volgens de voorwaarden van de aanwending van de aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke onderwijskansenbeleid. (Zie bovenvermelde alinea.)

3.2.6.5. Personeelsconsequenties

3.2.6.5.1. De ambten

De toegekende aanvullende lestijden voor gelijke onderwijskansen worden steeds aangewend voor het oprichten van betrekkingen in het ambt van:

- kleuteronderwijzer ASV,

- onderwijzer ASV

- leermeester ASV, specialiteit lichamelijke opvoeding. De aanvullende lestijden kunnen ook worden toegekend aan de directeur of de adjunct-directeur met onderwijsopdracht.

Het schoolbestuur beslist jaarlijks in welk ambt de aanvullende lestijden worden georganiseerd.

Zolang er tijdelijke leerkrachten in deze lestijden aangesteld worden, is een wijziging van keuze ieder schooljaar mogelijk.

Bij vaste benoeming in de aanvullende lestijden voor gelijke onderwijskansen ligt de keuze vast voor het aantal lestijden en de ambten waarin benoemd is geworden.

3.2.6.5.2. Administratieve toestand van het personeelslid

3.2.6.5.2.1. Organieke lestijden voor gelijke kansen

In deze lestijden kan benoemd worden, dit in tegenstelling tot de lestijden onderwijsvoorrangsbeleid.

De keuze voor een bepaald ambt heeft consequenties voor de personeelsleden. Eens gekozen voor de ambten waarin de aanvullende lestijden voor gelijke onderwijskansen worden aangewend, moet het schoolbestuur deze aanvullende lestijden gebruiken om de betrekkingen in het gekozen ambt te verdelen onder de vastbenoemde titularissen. Een personeelslid dat reeds vastbenoemd is als onderwijzer ASV, kleuteronderwijzer ASV of leermeester ASV, specialiteit lichamelijke opvoeding kan dus dadelijk aangesteld worden als titularis in de “organieke” aanvullende lestijden gelijke onderwijskansen (en moet hiervoor geen verlof TAO nemen). Op deze wijze is het mogelijk dat door de aanwending van de aanvullende lestijden een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking wordt vermeden of verminderd.

In tweede instantie volgt het schoolbestuur de statutaire regels in verband met werving als het tijdelijke personeelsleden aanstelt in de aanvullende lestijden voor gelijke onderwijskansen. Dit wil zeggen dat het schoolbestuur de verplichtingen inzake reaffectatie/wedertewerkstelling en voorrang (TADD) moet naleven.

De betrekkingen die worden ingericht op basis van de aanvullende lestijden voor gelijke onderwijskansen, komen in aanmerking voor vacantverklaring en voor vaste benoeming, voor affectatie of voor mutatie.

3.2.6.5.3. Administratieve verwerking

Elektronische scholen: via edison

Voor de vermelding van de lestijden gelijke onderwijskansen wordt de daartoe voorziene vakcode 770 gebruikt.

De lestijden GOK moeten steeds ingericht worden in het ambt van kleuteronderwijzer ASV, onderwijzer ASV of van leermeester ASV, specialiteit lichamelijke opvoeding.

Indien de lestijden GOK uitgeoefend worden in een gedeelte van een opdracht, wordt de opdracht opgesplitst.

Voorbeeld:

RL-1 - 18u onderwijzer ASV ato 2

RL-1 - 4u onderwijzer ASV ato 2 met vakcode 770 (GOK

Beide RL's worden in één en hetzelfde bericht opgestuurd.

Voor de directeur of adjunct-directeur met lesopdracht wordt de lesopdracht nooit meegedeeld. Dit moet wel gebeuren bij lestijden GOK. Hiervoor wordt hetzelfde principe toegepast: een aantal uren directeur en een aantal uren directeur met lestijden GOK.

Voorbeeld:

Een vastbenoemd directeur met 8 lestijden lesopdracht vult 6 lestijden in via lestijden GOK:

RL-1 - 16u directeur ato 4

RL-1 - 6u directeur ato 4 met vakcode 770 (GOK).

Beide RL's worden in hetzelfde bericht opgezonden.

Voor de melding van de aanvullende lestijden die als sociale maatregel gegarandeerd worden tot het einde van het schooljaar 2010/2011, wordt de vakcode 947 (GOK-sociale maatregel) gebruikt. Indien deze lestijden gepresteerd worden door een vastbenoemd personeelslid, gebeurt de melding via een verlof TAO.

Voorbeeld:

Een voltijds vastbenoemd onderwijzer ASV wordt belast met 6 lestijden GOK en 4 lestijden GOK-extra sociale maatregel:

RL-1 - 6u onderwijzer ASV ato 4 met vakcode 770 (GOK)

RL-1 - 16u onderwijzer ASV ato 4 met verlof TAO (DO 019) voor 4u tot 30/06

RL-1 - 4u onderwijzer ASV ato 2 met vakcode 947(GOK-sociale maatregel) bij wijze van TAO tot 30/06

Beide RL's worden in één bericht opgezonden.

Overdracht van lestijden uit het lestijdenpakket
Zie punt 6

3.3. Extra lestijden

Momenteel zijn er geen extra lestijden.

3.4. Bijkomende lestijden

Naast de lestijden volgens de schalen en aanvullende lestijden worden er ook bijkomende lestijden gesubsidieerd en gefinancierd.

3.4.1. Bijkomende lestijden in geval van een vrijwillige fusie

Als gevolg van een vrijwillige fusie kan een ambt van adjunct-directeur gefinancierd of gesubsidieerd worden (zie punt 2.1.1.).

Bovendien kunnen bijkomende lestijden worden toegekend om de eventuele negatieve gevolgen van een vrijwillige fusie te spreiden in de tijd.

Ook in dit geval geldt de voorwaarde dat de scholen die betrokken zijn bij de fusie-operatie op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar een leerlingenaantal moeten bereiken dat ten minste 15% boven de vereiste rationalisatienorm ligt.

Indien meer dan twee scholen betrokken zijn, is het toegelaten dat één van die scholen de verhoogde norm (=115%) niet bereikt.

Deze bijkomende lestijden worden,voor de scholen in de rationalisatieperiode, als volgt berekend:

X = de som van de voor beide scholen apart berekende lestijdenpakketten op de eerste schooldag van februari vóór de fusie(school A + school B)

Y = het lestijdenpakket op basis van het leerlingenaantal op de eerste schooldag van februari vertrekkende van de nieuwe structuur na de fusie (school AB)

Z = het verschil tussen X en Y (X - Y = Z).

Het pakket bijkomende lestijden wordt éénmaal berekend en gespreid in de tijd en afnemend van jaar tot jaar toegekend:

- het schooljaar van de fusie: 100% van Z

- het eerste schooljaar na de fusie: 75% van Z

- het tweede schooljaar na de fusie: 50% van Z

- het derde schooljaar na de fusie: 25% van Z

- vanaf het vierde schooljaar na de fusie: 0%van Z

Wanneer de school opnieuw opsplitst, worden de bijkomende lestijden niet langer gefinancierd of gesubsidieerd.

Opmerking:

Bij de vrijwillige fusie van Type 5 scholen worden er géén Z-lestijden toegekend.

Het aantal lestijden volgens de schalen is gelijk aan de som van de lestijden van de betrokken scholen.

3.4.2. Bijkomende lestijden voor tijdelijk onderwijs aan huis

Zie rondzendbrief BaO/97/5 van 17/06/1997 Tijdelijk Onderwijs aan huis (TOAH), Permanent Onderwijs aan Huis (POAH) en vrijstelling van leerplicht in het basisonderwijs ”.

3.4.3. Bijkomende lestijden in het kader van afwijkingen

Zie punt 5 van deze omzendbrief.

4. Paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel

Het aantal gefinancierde of gesubsidieerde ambten Paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel is afhankelijk van het aantaluren in een school.

Er zijn vier soorten uren:

1. Uren volgens de richtgetallen.

2. Aanvullende uren:

- voor geïntegreerd onderwijs (GON)

Uren volgens de richtgetallen en aanvullende uren vormen samen het urenpakket

3. Extra uren:

- ...

4. Bijkomende uren:

- in het kader van afwijkingen.

4.1. Uren volgens de richtgetallen

4.1.1. De berekening van de uren volgens de richtgetallen

4.1.1.1. Algemeen

De uren volgens de richtgetallen worden jaarlijks berekend door het aantal regelmatige leerlingen op de tel- dag/telperiode per type te vermenigvuldigen met een richtgetal.

De richtgetallen per type zijn de volgende:

Type Basisaanbod 

1 

type 1 

type 2 

3,9 

type 3 

2,1 

type 4 

type 6 

2,1 

type 7 

2,9 

type 8 

Type 9 

2,1 

De som van de producten (leerlingen per type x richtgetal) wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer achter de komma groter is dan vier.

De regelgeving in verband met de teldag en de regels die moeten worden gehanteerd bij het tellen van de leerlingen is dezelfde als deze voor de vaststelling van de lestijden volgens de schalen (zie punt 3.1.1.).

Voorbeeld

Situatie van de school

 

 

KLO 

LO 

TOT 

VP 1 

T Basisaanbod 

120 

120 

 

T 2 

13 

40 

53 

 

 

 

 

 

VP 2 

T 2 

31 

37 

 

 

 

 

 

TOT 

 

20 

191 

211 

Berekening uren volgens de richtgetallen

Type Basisaanbod

Totaal T Basisaanbod = 120

Richtgetal: 1 => 120 X 1 = 120

Type 2

Totaal T 2 = 91

Richtgetal: 3,9 => 91 X 3,9 = 354,9

Totaal school: 120 + 354,9 = 474,9 => 475 uren

OPMERKING

De volgende leerlingen komen niet in aanmerking voor de berekening van het urenpakket:

  • - leerlingen die in een internaat of semi-internaat, gesubsidieerd door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH), zijn ingeschreven als er in het internaat of semi-internaat voldoende paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel aanwezig is De wijze waarop het urenpakket voor deze leerlingen wordt berekend, rekening houdend met de personeelsformatie in het internaat en semi-internaat, staat beschreven onder punt 4.1.1.3. Een multifunctioneel centrum (MFC) is geen internaat of semi-internaat. Leerlingen die gebruik maken van de dienstverlening van een multi- functioneel centrum (MFC) zijn voor de berekening van de omkadering externe leerlingen ,ongeacht de verleende zorgvorm.

  • de leerlingen die permanent onderwijs aan huis volgen.
  • de leerlingen die onderwijs van type 5 volgen, behalve als ze voor hun opname in een school van type 5 verbonden aan een preventorium al ingeschreven waren in een school voor buitengewoon onderwijs van het type 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8 of 9. Deze leerlingen komen in aanmerking voor een urenpakket voor de paramedische discipline logopedie. Dit wordt bepaald door per type de gemiddelde aanwezigheid van deze leerlingen tijdens de telperiode te vermenigvuldigen met de richtgetallen zoals hoger bepaald. De som van de produkten wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer achter de komma groter is dan vier.
  • leerlingen die tijdens de schooluren revalidatie of therapeutische behandelingen krijgen in één van de disciplines die binnen de personeelsformatie in het onderwijs voorkomen en die worden uitgevoerd door personen van wie het ambt noch door onderwijs, noch door welzijn wordt gefinancierd of gesubsidieerd (bv. revalidatiecentra, zelfstandige therapeuten,....).

4.1.1.2. Berekening van het urenpakket voor externe leerlingen en leerlingen die ermee gelijkgesteld worden

De berekening zoals beschreven onder punt 4.1.1.1. wordt toegepast voor de externe leerlingen en de leerlingen die gelijkgesteld worden met een externe leerling.

Een externe leerling is een leerling die niet behoort tot een van de volgende categorieën: semi-interne, interne, “permanent onderwijs aan huis” en “revalidatie” leerling. 

Leerlingen op wie de reglementering in verband met de internaten van het gemeenschapsonderwijs van toepassing is, vallen niet onder deze definitie. Voor deze leerlingen is het K.B. nr. 184 van 30 december 1982 van toepassing.

Sommige leerlingen worden gelijkgesteld met een externe leerling. Dit geldt voor:

  • interne en semi-interne leerlingen die zijn ingeschreven in een internaat of semi-internaat, deze van het gemeenschapsonderwijs uitgezonderd, waaraan geen verplegers, kinesitherapeuten, logopedisten en ergotherapeuten verbonden zijn;
  • de leerlingen die tijdens de schooluren revalidatie of therapeutische behandelingen krijgen in een discipline die niet binnen de personeelsformatie in het onderwijs voorkomen en die worden verstrekt door personen van wie het ambt noch door onderwijs, noch door welzijn wordt gefinancierd of gesubsidieerd (bv. revalidatiecentra, zelfstandige therapeuten, ...).

Dezelfde berekening zoals vermeld onder punt 4.1.1.1. wordt dan toegepast.

4.1.1.3. Berekening van het urenpakket voor de interne en semi-interne leerlingen van scholen van het gesubsidieerd onderwijs die ingeschreven zijn in een internaat of semi-internaat erkend door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH)

Opgelet!
In dit punt is toelichting opgenomen over de wijze waarop het urenpakket wordt berekend voor leerlingen die resident zijn in een door het VAPH gesubsidieerd semi-internaat of internaat.
Momenteel zijn er geen door het VAPH gesubsidieerde semi-internaten of internaten. Een multifunctioneel centrum (MFC) is geen internaat of semi-internaat.

Leerlingen die gebruik maken van de dienstverlening van een multifunctioneel centrum (MFC) zijn voor de berekening van de omkadering externe leerlingen , ongeacht de verleende zorgvorm .

Bijgevolg is dit punt voorlopig zonder voorwerp en wordt het niet toegepast!

Een aantal scholen van het gesubsidieerd onderwijs hebben leerlingen die ingeschreven zijn in een internaat en/of semi-internaat dat ook beschikt over paramedisch personeel.

De personeelsformatie van het paramedisch personeel is in deze scholen afhankelijk van de omkadering in het internaat en/of semi-internaat (toepassing van het protocolakkoord Coens- Steyaert). Deze regeling werd overgenomen in het decreet basisonderwijs en verder uitgewerkt in het besluit van de Vlaamse regering betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs.

Onder interne en semi-interne leerling wordt verstaan: een leerling die ingeschreven is in een internaat of semi-internaat, deze van het gemeenschapsonderwijs uitgezonderd, waaraan verplegers, kinesitherapeuten, logopedisten en/of ergotherapeuten verbonden zijn.

Het urenpakket in deze scholen wordt afzonderlijk berekend voor:

  • de leerlingen met een inschrijvingsverslag voor buitengewoon onderwijs van type 4 en
  • de interne en semi-interne leerlingen met een inschrijvingsverslag voor de types 1, 2, 3, 6, 7 of 8.

Voor een simulatie van de berekening raadpleeg doc.BKL PAR

a) de berekening voor de leerlingen met een inschrijvingsverslag voor type 4

Het urenpakket voor de leerlingen met een inschrijvingsverslag type 4 wordt het urenpakket berekend door het aantal leerlingen op de teldag te vermenigvuldigen met richtgetal 5. Het resultaat wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer achter de komma groter is dan vier.

Voor de leerlingen met een inschrijvingsverslag voor type 4 gaat het over alle leerlingen van de school ongeacht of ze interne, semi-interne of externe leerling zijn.

Het urenpakket wordt bovendien begrensd tot het urenpakket dat het voorgaande schooljaar voor deze leerlingen werd gesubsidieerd.

b) de berekening voor de interne en semi-interne leerlingen met een inschrijvingsverslag voor type 1,2,3,6,7 en 8

stap 1 : berekening van een toetsnorm;

Er wordt voor deze interne en semi-interne leerlingen eerst een toetsnorm berekend door het aantal leerlingen per type op de teldag te vermenigvuldigen met de volgende factor:

  • voor type 1, 3 en 8: 1,60;
  • voor type 2: 3,20;
  • voor type 6 en 7 : 6,72.

Het resultaat van deze berekening wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer achter de komma groter is dan vier.

stap 2: berekening van het urenpakket voor de schoolgaande internen en semi-internen in het internaat en semi-internaat

De beschikbare personeelsformatie in het internaat en semi-internaat voor de schoolgaande internen en semi-internen wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

B x C

A

Waarbij:

B = aantal schoolgaande internen en semi-internen op de teldag;

C = de personeelsbezetting op de teldag van verplegers, kinesitherapeuten, logopedisten en ergotherapeuten verbonden aan het internaat of semi-internaat, uitgedrukt in uren per week;

A = het totaal aantal internen en semi-internen in het internaat en semi-internaat op de teldag, zowel schoolgaanden als niet-schoolgaanden.

Het resultaat wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer achter de komma groter is dan vier.

stap 3: berekening van het urenpakket voor interne en semi-interne leerlingen in de school gesubsidieerd tijdens het voorgaande schooljaar

Om het urenpakket te bepalen dat tijdens het voorgaande schooljaar in de school werd gesubsidieerd voor de interne en semi-interne leerlingen wordt het totale urenpakket voor het medisch, paramedisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel verminderd met het urenpakket voor de externe leerlingen en , indien van toepassing, het urenpakket voor de leerlingen met een inschrijvingsverslag type 4.

stap 4: berekening van de totale personeelsbezetting voor de interne en semi-interne leerlingen in de school, het internaat en het semi-internaat

Deze totale personeelsbezetting is gelijk aan de som van de urenpakketten zoals bepaald in stap 2 en 3.

De volgende situaties kunnen zich voordoen:

  • de totale personeelsbezetting (stap 4) is groter dan de toetsnorm: het urenpakket voor de interne en semi-interne leerlingen dat door Onderwijs wordt gesubsidieerd is gelijk aan de toetsnorm verminderd met het urenpakket zoals bepaald in stap 2;
  • de totale personeelsbezetting (stap 4 ) is kleiner of gelijk aan de toetsnorm: voor de interne en semi-interne leerlingen met een inschrijvingsverslag voor type 1,2,3,6,7 of 8, wordt een urenpakket berekend zoals bepaald onder punt 4.1.1.1. (= stap 5).

Er kunnen zich weer twee mogelijkheden voordoen:

  • de som van de urenpakketten berekend volgens stap 2 en stap 5 is groter dan de toetsnorm: het urenpakket voor de interne en semi-interne leerlingen dat door Onderwijs wordt gesubsidieerd is gelijk aan de toetsnorm verminderd met het urenpakket zoals bepaald in stap 2;
  • de som van de urenpakketten berekend volgens stap 2 en stap 5 is kleiner of gelijk aan de toetsnorm: het urenpakket voor de interne en semi-interne leerlingen dat door Onderwijs wordt gesubsidieerd is gelijk aan het urenpakket bepaald volgens stap 5.

4.1.1.4. Berekening urenpakket voor de scholen van het Gemeenschapsonderwijs waar een internaat aan verbonden is

Voor de interne leerlingen is de berekening van het urenpakket voor de school en het internaat gebaseerd op het K.B. nr. 184 van 30 december 1982. Ook wat de ambten betreft die uit het pakket kunnen worden geput, geldt het koninklijk besluit nr. 184.

Voor de berekening raadpleeg doc.BKL RI

4.1.1.5. Berekening urenpakket voor de scholen van het Gemeenschapsonderwijs met een semi-internaat

Het koninklijk besluit van 21 augustus 1978 houdende de organisatie van de semi-internaten in het buitengewoon onderwijs van de Staat en tot vaststelling van de personeelsnormen is hier van toepassing.

Op grond van dit koninklijk besluit worden voor het semi-internaat betrekkingen gefinancierd van:

  • administratief personeel;
  • orthopedagoog, pedagoog of psycholoog;
  • ergotherapeut;
  • opvoeder;
  • hoofdopvoeder.

Voor de betrekkingen van logopedist, kinesitherapeut en kinderverzorger worden de semi-interne leerlingen beschouwd als externe leerlingen in de school en worden ze op dezelfde wijze in aanmerking genomen voor de berekening van het urenpakket zoals vermeld onder punt 4.1.1.1.

4.1.1.6. internaten met permanente openstelling

Zie rondzendbrief Pers/2015/02 van 08/05/2015 “Internaten met permanente openstelling (Internaten van het Gemeenschapsonderwijs die voorzien in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen)”

4.2. Aanvullende uren

Naast de uren volgens de richtgetallen kunnen aanvullende uren voor geïntegreerd onderwijs worden toegekend.

4.2.1. Aanvullende uren geïntegreerd onderwijs

Zie rondzendbrief GD/2003/05 van 11/09/2003 “Geïntegreerd onderwijs”.

4.2.2. Aanwending van de uren

Uit de uren volgens de richtgetallen kunnen de betrekkingen voor de volgende ambten worden geput: psycholoog, arts, verpleger, logopedist, kinesitherapeut, maatschappelijke werker, ergotherapeut, orthopedagoog en kinderverzorger.

Het aantal eenheden dat voor een voltijdse betrekking in een bepaald ambt/discipline uit het urenpakket moeten worden geput is:

  • voor een dokter, psycholoog of orthopedagoog: 40 eenheden;
  • voor een kinesitherapeut, ergotherapeut, kinderverzorger, verpleger en maatschappelijke werker: 32 eenheden;
  • voor een logopedist: 30 eenheden.

Het aantal eenheden dat voor een voltijdse betrekking uit het pakket wordt geput, houdt verband met de loonkost en staat los van de prestatieregeling (zie rondzendbrief BaO/97/8 van 17/06/1997 ”Prestatieregeling”).

SCHOOLJAAR (zie ook lestijdenpakket)

Het urenpakket wordt toegekend voor een volledig schooljaar d.w.z. van 1 september tot en met 31 augustus. Scholen die tellen op 1 oktober moeten dus in de maand september de nodige omzichtigheid aan de dag leggen

Opmerking:

Voor specifieke maatregelen bij een vermindering van het urenpakket voor het paramedisch , medisch, orthopedagogisch, psychologisch en sociaal personeel raadpleeg de rondzendbrief:

PERS/2002/9 (13BC/DDC publicatiedatum 15/08/2002)

Overdracht van uren uit het urenpakket
Zie punt 6

4.3. Extra uren

Momenteel zijn er geen extra uren.

4.4. Bijkomende uren

4.4.1. Bijkomende uren in het kader van afwijkingen

Zie punt 5. van deze omzendbrief.

5. Afwijkingen

5.1. Algemeen

De regering kan, in beperkte mate, op vraag van een schoolbestuur van een school voor buitengewoon basisonderwijs bijkomende lestijden voor het onderwijzend personeel en/of bijkomende uren voor het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel toekennen ingevolge bijzondere omstandigheden.

In deze bijkomende lestijden of uren kan nooit vastbenoemd worden.

Voor de aanvraag en de procedure raadpleeg OZB “Afwijkingslestijden, -lesuren en -uren en bijkomende uren of extra lesuren en uren voor leerlingen met autismespectrumstoornis in het kader van het geïntegreerd onderwijs begeleid door het buitengewoon onderwijs ”. ref: NO/2006/02 publicatiedatum : 15/06/2006

6. Overdracht van lestijden en uren uit het lestijden- en urenpakket

Schoolbesturen kunnen, rekening houdend met de reglementering inzake medezeggenschap (zie punt 9), overleg en onderhandeling, lestijden en uren overdragen. De bepalingen rond overdracht gelden ook voor het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

6.1. Algemene bepalingen

Een overdracht kan gebeuren tussen scholen van een zelfde of een ander schoolbestuur.

De overdracht mag niet méér bedragen dan maximaal drie procent van het lestijdenpakket én drie procent van het urenpakket dat tijdens het lopende schooljaar wordt gefinancierd of gesubsidieerd voor de school die lestijden of uren overdraagt. Een afwijking op deze beperking tot 3% is voorzien voor scholen die behoren tot een scholengemeenschap (zie punt 6.3.).

Voorbeeld

Een school beschikt over 200 lestijden en 100 uren.

Deze school kan maximum 3% van het lestijdenpakket en maximum 3 % van het urenpakket overdragen,

d.w.z.: 3% van 200 lt = 6 lt en 3% van 100 uren = 3 uren.

De overdracht van lestijden en /of uren mag niet voor gevolg hebben dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. Lestijden en uren waarin personeelsleden vast benoemd zijn, kunnen dus nooit worden overgedragen, ook niet wanneer deze personeelsleden een dienstonderbreking genieten.

De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid.

Voorbeeld : 

Een schoolbestuur van een school voor buitengewoon onderwijs beslist om 3 uren van het urenpakket paramedisch personeel over te dragen van school A naar school B. De uren in school A zijn volledig ingevuld door vastbenoemde personeelsleden. De logopedist neemt echter een gedeeltelijke loopbaanonderbreking en wordt voor 3 uren niet vervangen in school A.

Hoewel dit voor school A geen problemen oplevert en er niet teveel uren aangewend worden, is de overdracht niet mogelijk. Indien alle uren, waarvoor hij vastbenoemd werd, niet langer beschikbaar zijn in de school, moet de logopedist immers voor deze 3 uren ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking.

Overgedragen lestijden en uren komen niet in aanmerking voor vaste benoeming, mutatie of nieuwe affectatie. In deze lestijden en uren wordt een personeelslid altijd tijdelijk aangesteld. Als een vastbenoemd personeelslid erin aangesteld wordt, gebeurt dit via een verlof TAO.

Het overdragen van lestijden of uren kan ook geen terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking vermijden. In deze lestijden of uren mag men het terbeschikking gestelde personeelslid wel reaffecteren of wedertewerkstellen.

Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op eer op het BKL formulier vermelden waarin het verklaart deze bepalingen in acht te nemen.

Overdrachten moeten steeds op de BKL-formulieren gemeld worden en kunnen niet met terugwerkende kracht geregeld worden.

Overdracht van lestijden is mogelijk tussen scholen voor gewoon en buitengewoon basisonderwijs en tussen scholen voor buitengewoon basisonderwijs onderling.

Het is niet mogelijk om “uren” (paramedische omkadering) van het buitengewoon onderwijs over te dragen naar het gewoon onderwijs.

Het afzonderlijke urenpakket voor kinderverzorgers in het gewoon kleuteronderwijs is specifiek bestemd voor het gewoon kleuteronderwijs. Er kunnen van dit pakket geen uren overgedragen worden naar het buitengewoon onderwijs.

Er kunnen geen lestijden en/of uren overgedragen worden van een school of afdeling van het Nederlands taalstelsel naar een school of afdeling van het Frans taalstelsel of omgekeerd.

Er kunnen geen lestijden en/of uren worden overgedragen naar het secundair onderwijs en omgekeerd.

De aanvullende lestijden en/ of uren kunnen uitsluitend voor hun specifiek doel worden aangewend. Deze regel blijft ook geldig bij overdrachten.

De overdracht moet vóór 15 oktober van het lopende schooljaar gebeuren.

Voor de internaten van het Gemeenschapsonderwijs is de specifieke regelgeving van kracht van het ( KB nr 184 van 30 december 1982 )

Opmerking : het onterecht overdragen van lestijden en uren impliceert dat er in een bepaalde school teveel lestijden/uren zijn aangewend; dit heeft dan ook een terugvordering aan het schoolbestuur dat lestijden/uren heeft overgedragen voor gevolg.

Melding aan het werkstation

Personeelsleden die aangesteld worden in overgedragen lestijden of uren meldt u in het opdrachtenpakket met de code oorsprong omkadering 05 (OOM 05).

Voorbeeld:

Een voltijds vastbenoemde kleuteronderwijzeres ASV is vanaf 1 september voor 2 lestijden TBSOB. Via overdracht ontvangt de school van een andere school 2 lestijden, waarin het personeelslid gereaffecteerd wordt.

Één bericht dat als volgt is samengesteld:

- RL1 /24 u kleuteronderwijzer ASV / 24 u ATO 4 / 2 u TBSOB / eigen omkadering (OOM 00) / einddatum oneindig

- RL 1 / kleuteronderwijzer ASV / 2 u ATO 2 / Reaffectatie / overdracht (OOM 05) / einddatum 30.06

Zie in verband met overdrachten ook punt 6.3 en 6.4

6.2. Opmerking in verband met de samenwerking gewoon / buitengewoon onderwijs

Samenwerking met het buitengewoon onderwijs kan de expertise en de draagkracht in de scholen voor gewoon onderwijs

verhogen en is zeker aan te bevelen. In het kader van zorgverbreding was dit een bestaande praktijk.

Overdracht van lestijden is hiervoor niet de geschikte methode.

Personeelsleden uit het buitengewoon onderwijs kunnen, in het kader van ruimere samenwerking, op twee manieren aangetrokken

worden:

1. Ofwel stelt men een tijdelijke leerkracht aan in de gewone school die de nodige expertise heeft opgebouwd omtrent het buitengewoon onderwijs om deze aanvullende uren te presteren.

2. Ofwel neemt een vastbenoemde leerkracht ASV op vrijwillige basis een dienstonderbreking om tijdelijk een andere opdracht te gaan doen in de gewone school.(= DO 19 in school voor BO en TAO in de gewone school).

In beide gevallen kán het betrokken personeelslid gelijktijdig in het gewoon en buitengewoon onderwijs tewerkgesteld zijn.

6.3. Overdracht van lestijden of uren binnen de scholengemeenschap

Tussen scholen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap kan er door de betrokken schoolbesturen méér dan 3% van het lestijdenpakket en/of urenpakket overgedragen worden, mits:

  • de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt,

  • akkoord van het bevoegd lokaal comité,

  • de overdracht gebeurt vóór 15 oktober van het lopende schooljaar,

  • de overdracht niet voor gevolg heeft dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking.

De overige bepalingen i.v.m. de overdracht van lestijden of uren dienen uiteraard ook nageleefd te worden (zie punt 6.1.).

Indien de school, conform de afspraken binnen de scholengemeenschap, lestijden of uren overdraagt naar scholen binnen de scholengemeenschap neemt het percentage van het aantal lestijden of uren dat naar een school buiten de scholengemeenschap kan worden overgedragen natuurlijk af. De overdracht van lestijden naar scholen buiten de scholengemeenschap is niet meer mogelijk als de school reeds 3% of meer van haar lestijdenpakket heeft overgedragen naar een school binnen de scholengemeenschap.

Personeelsleden die in een school van een scholengemeenschap worden aangesteld met overgedragen lestijden kunnen vanaf het schooljaar 2012-2013 ingezet worden voor de vervulling van opdrachten voor en in alle scholen van de scholengemeenschap. Scholen kunnen bijvoorbeeld kiezen om hun ‘restlestijden’ over te dragen naar één school zodat men een personeelslid een volwaardige betrekking kan aanbieden voor een volledig schooljaar. Het personeelslid wordt dan weliswaar aangesteld door één school, maar is toch inzetbaar voor en in alle scholen van de scholengemeenschap. Binnen de scholengemeenschap moet onderhandeld worden over deze ruimere inzetbaarheid. Het personeelslid kan o.a. ingezet worden om vervangingen uit te voeren in alle scholen van de scholengemeenschap (= ‘mini-pool’), maar kan uiteraard ook ingezet worden voor andere pedagogische opdrachten in één of meer scholen van de scholengemeenschap (splitsing van een klas, een duobaan met een andere leerkracht,…).

De inzetbaarheid van deze personeelsleden is echter niet onbeperkt. Het schoolbestuur moet rekening houden met een maximale afstand van 25 km tussen de school van aanstelling of affectatie en de school van tewerkstelling. Het personeelslid kan echter instemmen om over een verdere afstand ingezet te worden.

Wanneer een personeelslid ruimer wordt ingezet, moet dit opgenomen worden in het geschrift waarin de aanstelling wordt vastgesteld en in de functiebeschrijving van het betrokken personeelslid. Als de inzetbaarheid niet uitdrukkelijk schriftelijk is vastgelegd, betekent dit dat het personeelslid alleen kan worden ingezet in de school van aanstelling of affectatie.

Uiteraard sluit deze mogelijkheid niet uit dat in de toekomst ook binnen een scholengemeenschap school A nog steeds lestijden kan overdragen naar school B, waarmee school B een (kleuter)onderwijzer (ASV) kan aanstellen die enkel in school B inzetbaar is.

6.4. Overdracht punten zorg tussen de scholengemeenschappen

De scholengemeenschap kan het initiatiefnemen om aan de schoolbesturen de overdracht van de punten zorg naar andere scholengemeenschappen voor te leggen ten einde specifieke werkingen met betrekking tot zorg mogelijk te maken.

Deze overdrachten zijn enkel mogelijk naar scholengemeenschappen die binnen dezelfde zone(s) of aangrenzende zone(s)liggen.

De overdracht kán gebeuren om specifieke werking rond bijvoorbeeld autisme te kunnen opzetten.

7. Bijzondere pedagogische taken (BPT)

Scholen hebben de mogelijkheid om te werken met het systeem van bijzondere pedagogische taken. Deze kunnen toegewezen worden aan het onderwijzend personeel of het paramedisch medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. BPT mag ook toegekend worden aan de directeur die met een gedeeltelijke onderwijsopdracht belast is.

Met BPT wordt bedoeld de lestijden of uren die kunnen aangewend worden voor bijzondere pedagogische taken. Deze bijzondere pedagogische taken kunnen uitsluitend aangewend worden voor schoolgebonden opdrachten. Ze zijn gericht op het optimaliseren van de pedagogisch-didactische organisatie.

Dit kan ondermeer gebeuren door het toekennen van welbepaalde coördinatieopdrachten aan personeelsleden.

Maximum drie percent van het toegekende lestijden- en urenpakket op schoolniveau kan gereserveerd worden voor bijzondere pedagogische taken. Met het lestijdenpakket wordt bedoeld de lestijden volgens de schalen en de aanvullende lestijden. Het maximum van 3 % kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden.

Het resultaat van de berekening wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier.

BPT wordt vermeld op het BKL formulier.

Voorbeeld

Een school beschikt over 200 lestijden en 100 uren.

Deze school kan maximum 3% van het totale lestijden- en urenpakket (= 300 lestijden/uren) aanwenden in BPT, zijnde 9 lestijden/uren. Hierbij is het niet noodzakelijk dat de verdeling tussen lestijden (2/3) en uren (1/3) gerespecteerd blijft. De school kan ook 9 lestijden of 9 uren of in een BPT aanwenden.

8. Puntenenveloppen

Raadpleeg, voor personeelsconsequenties in dit verband ook de rondzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen basisonderwijs: personeelsformatie en personeelsaspecten

Sinds september 2003 ontvangen de basisscholen een extra vorm van omkadering in de vorm van puntenenveloppen. Op basis van deze punten kunnen personeelsleden worden aangesteld in de nieuwe personeelscategorie "beleids- en ondersteunend personeel".

Deze omkadering is bedoeld om de directeur en het lerarenteam pedagogisch, organisatorisch en administratief te ondersteunen.

In de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel worden vanaf 01/09/2005 drie ambten ingericht:

1. Zorgcoördinator

2. ICT-coördinator

3. Administratief medewerker

8.1. Puntenenveloppen

Het systeem van beleids- en ondersteunend personeel voorziet, in functie van het leerlingenaantal, een personeelsomkadering uitgedrukt in punten, komende uit volgende puntenenveloppen:

1. een extra puntenenveloppe ter ondersteuning van de scholengemeenschap; (= stimulus enkel voor BO-scholen in scholengemeenschap)(rondzendbriefscholengemeenschappen basisonderwijs.)

2. een puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid. Deze wordt toegekend aan de scholengemeenschap. (zie ook rondzendbriefscholengemeenschappen basisonderwijs).

3. een puntenenveloppe voor ICT-coördinatie (enkel voor scholen die deel uitmaken van een samenwerkingsplatform voor ICT-coördinatie of van een scholengemeenschap);

4. een puntenenveloppe voor administratieve ondersteuning.

8.2. Principes voor de berekening van de puntenenveloppen ICT-coördinatie en administratieve omkadering.

8.2.1. De puntenenveloppe voor ICT

wordt voor elke school berekend op basis van het totaal aantal leerlingen (kleuter- en lager onderwijs van alle vestigingsplaatsen samen) ingeschreven op de teldag die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen. Dit wil zeggen dat scholen die op de eerste schooldag van februari tellen voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, ook voor de puntenenveloppen op die teldag tellen.

Er worden geen bijkomende indicatoren opgevraagd.

Scholen in herstructurering of programmatie tellen op de eerste schooldag van oktober voor hun puntenenveloppen.

In Type 5 - scholen worden de leerlingen geteld op basis van het gemiddelde aantal regelmatige leerlingen tijdens de telperiode van toepassing voor de berekening van de lestijden volgens de schalen.

8.2.2. De puntenenveloppe voor Administratieve Omkadering

is zodanig opgebouwd dat elke school minimaal recht heeft op een sokkel van 9 punten. Daarnaast heeft elke school recht op een aantal bijkomende punten.

De bijkomende puntenenveloppe hangt af van het aantal regelmatige leerlingen op de teldag of van het gemiddelde aantal regelmatige leerlingen tijdens de telperiode die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen.

In het Gemeenschapsonderwijs wordt het contingent van rekenplichtige correspondenten van de basisscholen omgezet in een globale puntenveloppe.

Het Gemeenschapsonderwijs staat zelf in voor de herverdeling van deze puntenenveloppe over de verschillende scholengroepen.

Voor Type 5 - scholen geldt een aparte regeling. Zie punt 8.5.3.

Opmerking:

Het ambt van rekenplichtig correspondent in de BO-scholen van het Gemeenschapsonderwijs is een uitdovend ambt.

Dit geldt niet voor de internaten en de Internaten met permanente openstelling (IPO) waar het ambt van rekenplichtig correspondent wél blijft bestaan.

De puntenenveloppen kunnen in de loop van het schooljaar niet herberekend worden.

Het puntentotaal voor ICT en administratieve ondersteuning wordt afgerond naar de dichtstbijzijnde eenheid, hierbij zijn de gebruikelijke afrondingsregels van toepassing. Dit wil zeggen indien het eerste cijfer na de komma kleiner is dan 5 wordt afgerond naar beneden. Indien het eerste cijfer na de komma 5 of meer is wordt afgerond naar boven.

8.3. ICT-coördinatie

8.3.1. Inleiding

Elke BO-school heeft recht op middelen voor ICT, op voorwaarde dat deze school toetreedt tot een samenwerkingsplatform voor ICT of tot een scholengemeenschap.

Een samenwerkingsplatform kan gevormd worden met:

· een scholengemeenschap en/of

· een scholengroep en/of

· één of meer scholen voor gewoon en buitengewoon basisonderwijs voor zover deze niet tot een scholengemeenschap behoren en/of

· één of meer scholen voor voltijds secundair onderwijs en/of deeltijds beroepssecundair onderwijs voor zover deze niet tot een scholengemeenschap behoren, één of meer scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, een school voor deeltijds secundair zeevisserij onderwijs en/of

· één of meer centra voor volwassenenonderwijs en/of

· één of meer instellingen voor deeltijds kunstonderwijs.

(zie ook de rondzendbrief GD/2003/04 - Mededeling betreffende ict-coördinatie : maatregelen vanaf het schooljaar 2005-2006 van 02/10/2007).

8.3.2. Puntenenveloppe

Zoals tijdens het schooljaar 2002-2003 wordt vanaf 1 september 2003 de puntenenveloppe voor ICT volgens volgende formule:

leerlingenaantal x 1,25 x 0,03969

Het getal 0,03969 is de puntenwaarde per leerling die verkregen is door de totale puntenenveloppe voor ICT basisonderwijs te delen door het totaal aantal gewogen leerlingen basisonderwijs.

Vb. Een basisschool met 200 leerlingen heeft recht op 200 x 1,25 x 0,03969 = 9,9225 punten.

De school in het voorbeeld heeft dus recht op 10 punten.

8.4. Zorgbeleid

8.4.1. Zorgcoördinator in het BO

Voor het buitengewoon basisonderwijs kan er via punten stimulus , via de samengelegde punten of via de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid op vlak van de scholengemeenschap zorg ingericht worden in het buitengewoon basisonderwijs.

De opdracht vanuit de school voor het buitengewoon onderwijs is enkel mogelijk ter ondersteuning van het gewoon onderwijs en/of voor de stimulatie van de kleuterparticipatie in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs.

8.5. Administratieve ondersteuning

8.5.1. Inleiding

De directeur van een BO-school moet over voldoende tijd kunnen beschikken voor zijn leidinggevende, organisatorische en pedagogische opdracht. De administratieve taken die steeds omvangrijker worden, mogen daarvoor geen beletsel zijn. Voldoende, goed opgeleide en kwalitatief hoogstaande administratieve medewerkers waarborgen de kwaliteit van het onderwijs.

Vanaf 1 september 2003 heeft elke gefinancierde en gesubsidieerde basisschool recht op een aantal uren administratieve ondersteuning.

8.5.2. Puntenenveloppe

Aan iedere school van het buitengewoon basisonderwijs (met uitzondering van de scholen type 5 in het basisonderwijs )wordt een puntenenveloppe toegekend.

Deze puntenenveloppe bestaat uit een basisenveloppe voor iedere school van 9 punten.

Daarnaast krijgt elke school nog een bijkomende enveloppe die gelijk is aan het product van het aantal gewogen regelmatige leerlingen op de teldag die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen met de puntenwaarde per leerling.

De wegingcoëfficiënt voor een leerling lager onderwijs is gelijk aan 1.

De wegingcoëfficiënt voor een kleuter is gelijk aan 0,6636.

Voor het schooljaar 2003 -2004 is de puntenwaarde per leerling bepaald op:

0,2378 in het Gemeenschapsonderwijs;

0,2857 in het gesubsidieerd onderwijs.

Voorbeeld:

Een Gemeenschapsschool voor buitengewoon basisonderwijs met 228 leerlingen (160 leerlingen lager onderwijs en 68

kleuters) heeft recht op:

9 + {[(160 x 1) + (68 x 0,6636)] x 0,2378} = 57,7786 punten = 58 punten.(exclusief aandeel in rekenplichtige

correspondenten)

Voorbeeld:

Een gesubsidieerde vrije school voor buitengewoon basisonderwijs met 228 leerlingen (160 leerlingen lager onderwijs en 68 kleuters) heeft recht op:

9 + {[(160 x 1) + (68 x 0,6636)] x 0,2857} = 67,6041 punten = 68 punten.

8.5.3. Type 5

Aan iedere T5-school wordt een puntenenveloppe toegekend.

Deze puntenenveloppe bestaat uit een basisenveloppe van 53 punten.

Daarnaast wordt, per bijkomende vestigingsplaats basisonderwijs, een extra puntenenveloppe van 41 punten toegekend.

Voorbeeld.

Een T5-school met twee vestigingsplaatsen heeft recht op:

53 + 41 = 94 punten.

8.6. Aanwending en samen leggen van de puntenenveloppen voor administratieve omkadering en ICT-coördinatie

8.6.1. Schoolniveau

De puntenenveloppen voor administratieve omkadering en ICT worden, op het niveau van de school volledig gekleurd. Dit wil zeggen dat de middelen voor zorgbeleid(gewoon onderwijs), administratieve omkadering en ICT uitsluitend kunnen aangewend worden voor het doel waarvoor ze werden toegekend.

8.6.2. Niveau scholengemeenschap

Zie rondzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen: personeelsformatie en personeelsaspecten.

8.6.3. Niveau samenwerkingsplatform ICT

Zie rondzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen: personeelsformatie en personeelsaspecten.

Raadpleeg hieromtrent ook de rondzendbrief GD/2003/04: dd 02/10/2007

Mededeling betreffende ict-coördinatie: maatregelen vanaf het schooljaar 2005-2006

8.6.4. overdracht

Zie punt 6.4 van deze rondzendbrief.

8.7. Omzetting van de puntenenveloppen naar ambten.

Gedetailleerde informatie over het omzetten van de punten in ambten is terug te vinden in de rondzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen: personeelsformatie en personeelsaspecten en in de rondzendbrief m.b.t. ICT. (De afzonderlijke rondzendbrief rond ICT wordt momenteel aangepast.)

9. Overleg over de aanwending van lestijden, uren en punten.

Het schoolbestuur of zijn afgevaardigde beslist, met toepassing van de reglementering inzake medezeggenschap over de aanwending van de lestijden, de uren en de punten.

10. Vervangingseenheden voor vervanging van korte afwezigheden

Zie rondzendbrief Pers/2005/23 “Vervangingen van korte afwezigheden in het basisonderwijs”.

11. Sancties

Naast terugvorderingen van ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring kunnenmisbruiken bij het tellen van de regelmatige leerlingen bij het berekenen en het aanwenden van het lestijdenpakket aanleiding geven tot een sanctie.

De sanctie kan een terugbetaling zijn van of een inhouding op het werkingsbudget voor maximaal 10% van het werkingsbudget toegekend aan de school.

De vaststelling van misbruiken wordt bij aangetekend schrijven meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. De mededeling verwijst naar de mogelijke sanctie.

Binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de betekening van het aangetekend schrijven kan het schoolbestuur bij het departement een verweerschrift indienen. De betekening wordt geacht te gebeuren de derde werkdag na het versturen van het aangetekend schrijven. De herfstvakantie, kerstvakantie, krokusvakantie, paasvakantie en zomervakantie schorten de termijn van 30 kalenderdagen op.

Na ontvangst van het verweerschrift en uiterlijk na 60 kalenderdagen na de betekening van het aangetekend schrijven, legt het departement onderwijs eventueel een dossier met een voorstel tot sanctie voor aan de minister.

Binnen een termijn van drie maanden na de betekening van de aangetekende brief, neemt de minister een beslissing omtrent een sanctie. Die beslissing wordt bij aangetekend schrijven meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. Na het verstrijken van de termijn van drie maanden wordt er verondersteld dat er geen sanctie opgelegd wordt.

12. Procedures en formulieren

Het gebruik van de BKL formulieren wordt in rondzendbrief BaO/2003/05 toegelicht.

13. Bijlage