Algemene omzendbrief zonaal leerlingenvervoer

  • referentie
    NO/2008/02
  • publicatiedatum
    23/05/2008
  • datum laatste wijziging
    02/02/2017
  • wettelijke basis
    Diverse besluiten, wetten en decreten (verwijzing in omzendbrief zelf)
  • opheffing
    NO/2007/05
  • contactpersoon

Inleiding

Deze omzendbrief bundelt alle informatie over het zonaal leerlingenvervoer (in hoofdzakelijk het buitengewoon onderwijs), met telkens een verwijzing naar de rechtsgrond waarop het betreffende onderdeel steunt.

De opbouw van de omzendbrief is als volgt:

  • Algemene informatie over zonaal leerlingenvervoer;
  • Zonaal collectief leerlingenvervoer;
  • Individueel leerlingenvervoer;
  • Contactgegevens;
  • Bijlagen.

Voor meer informatie m.b.t. de inhoud van deze omzendbrief kan u terecht bij het team leerlingenvervoer van het departement Onderwijs en Vorming (leerlingenvervoer@vlaanderen.be).

1. Algemene informatie over zonaal leerlingenvervoer

1.1. Wat is zonaal leerlingenvervoer?

Zonaal leerlingenvervoer is apart geregeld in het gewoon en het buitengewoon onderwijs:

  • In het gewoon onderwijs (binnen de zones) bestaat het leerlingenvervoer uit het vervoer van een leerling van de verblijfplaats naar de school/vestigingsplaats en/of omgekeerd;
  • In het buitengewoon onderwijs bestaat het leerlingenvervoer uit het vervoer van een leerling van een verblijfplaats, tehuis, pleeggezin of vaste opstapplaats naar de school/vestigingsplaats en/of omgekeerd.

Het zonaal leerlingenvervoer in het gewoon en het buitengewoon onderwijs kan op drie verschillende manieren ingevuld worden:

  • Collectief leerlingenvervoer: busvervoer ingericht door de Vlaamse Overheid, voornamelijk in het buitengewoon onderwijs;

  • Individueel leerlingenvervoer:
    • Eigen vervoer: de ouder brengt zijn kind zelf met de wagen naar school;
    • Openbaar vervoer: de leerling maakt gebruik van het openbaar vervoer.

1.2. Wie is bevoegd voor zonaal leerlingenvervoer?

Voor het zonaal collectief leerlingenvervoer zijn twee ministers verantwoordelijk:

  • De minister van Onderwijs en Vorming is verantwoordelijk voor de regelgeving, voor het bepalen van het recht op vervoer en voor het uitbetalen van de subsidies voor individueel vervoer en busbegeleiding. Deze opdrachten worden concreet opgenomen door het Departement Onderwijs en Vorming.

  • De minister van Mobiliteit staat in voor de organisatie van het zonaal collectief leerlingenvervoer. De concrete organisatie is in handen van de dienst leerlingenvervoer van de provinciale entiteiten van De Lijn.

Collectief leerlingenvervoer dat wordt georganiseerd door de scholen zelf of in samenwerking met externen behoort niet tot de bevoegdheid van het Departement Onderwijs en Vorming. Dit vervoer valt niet onder de noemer ‘zonaal collectief leerlingenvervoer’.

1.3. Definities

Rechthebbende leerling: Een leerling die recht heeft op een gedeeltelijke of volledige tussenkomst van de overheid in zijn vervoerskosten.

Afstand: De kortst mogelijke afstand over de berijdbare weg tussen de vaste opstapplaats (woonplaats/verblijfplaats/…) van de leerling en de school.

School: Pedagogisch geheel waar onderwijs georganiseerd wordt onder leiding van één directeur.

Vestigingsplaats: Gebouw of gebouwencomplex waarin een school of een gedeelte van een school gehuisvest is.

Campus: Een schoolbestuur met scholen waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen, hetzij door een weg.

Collectief leerlingenvervoer: Leerlingenvervoer met een voertuig met meer dan zes plaatsen, die van de bestuurder niet inbegrepen.

Zone: Rekruteringsgebied voor één of meerdere ophaaldiensten leerlingenvervoer.

Zonaal leerlingenvervoer: In het gewoon onderwijs is de lijst met zones terug te vinden in bijlage 2. In het buitengewoon onderwijs zijn alle Vlaamse gemeenten opgenomen in het zonaal leerlingenvervoer.

Beherende school: School belast met het administratief beheer en de praktische opvolging van één of meerdere ophaaldiensten leerlingenvervoer.

Individueel vervoer: De wijze van verplaatsingen van leerlingen uit het buitengewoon onderwijs in voertuigen met minder dan zeven plaatsen, de zitplaats van de chauffeur niet inbegrepen; of de wijze van individuele verplaatsingen van leerlingen uit het buitengewoon onderwijs met een openbaar vervoermiddel (NMBS - De Lijn - MIVB - ...).

2. Zonaal collectief leerlingenvervoer

Wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer.

2.1. Zonaal collectief leerlingenvervoer in het gewoon onderwijs: algemene bepalingen

Een beperkt aantal ritten voor leerlingen in het gewoon onderwijs vallen onder de toepassing van de wet van 15 juli 1983 (vnl. van toepassing op het buitengewoon onderwijs). Dit betekent dat in enkele gemeenten in Vlaanderen leerlingen uit het gewoon onderwijs gebruik kunnen maken van het zonaal collectief leerlingenvervoer, al dan niet geïntegreerd in het vervoer van de leerlingen uit het buitengewoon onderwijs.

Een overzicht van de gemeenten opgenomen in het zonaal leerlingenvervoer voor wat betreft het gewoon onderwijs vindt u in bijlage 2.

Opgelet! De Lijn organiseert geen busvervoer:

  • Voor ritten met minder dan vijf rechthebbende leerlingen in het gewoon basisonderwijs;
  • In het gewoon secundair onderwijs.

Rechthebbende leerlingen in het basisonderwijs bezoeken de dichtstbijzijnde school van het net van de vrije keuze en deze school ligt op meer dan 4 km van hun woonplaats.

Niet-rechthebbende leerlingen in het gewoon basisonderwijs zijn leerlingen die niet de dichtstbijzijnde school van het net van de vrije keuze bezoeken. Zij kunnen enkel gebruik maken van het zonaal leerlingenvervoer indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • Het schriftelijk akkoord van de directie van de dichtst bijgelegen school;
  • Het betalen van een bijdrage in de kostprijs (tarief De Lijn);
  • Als er voldoende plaats is op de bus en er geen omwegen moeten worden gereden.

Faciliteitsleerlingen in het basisonderwijs bezoeken de dichtstbijzijnde school van het net van de vrije keuze en deze school ligt op minder dan 4 km van hun woonplaats. Zij betalen eveneens een bijdrage in de kostprijs van het vervoer (tarief De Lijn).

2.2. Zonaal collectief leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs: algemene bepalingen

Een leerling in het buitengewoon onderwijs kan enkel gebruik maken van het zonaal collectief leerlingenvervoer wanneer het recht op vervoer voor deze leerling werd toegekend door het Departement Onderwijs en Vorming.

Het recht op leerlingenvervoer wordt dus bepaald vooraleer de leerling op de bus stapt.

Dit recht op vervoer geldt enkel voor het woon-schoolvervoer. Het vervoer naar stage- of andere plaatsen dan de school of het (semi-)internaat/MFC valt buiten het zonaal leerlingenvervoer.

Een inschrijving in een bepaalde school garandeert niet automatisch het recht op leerlingenvervoer, net zoals het recht op leerlingenvervoer niet automatisch een inschrijving in een school garandeert. Voor meer informatie m.b.t. het inschrijvingsrecht, raadpleeg de omzendbrief Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het basisonderwijs en Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het secundair onderwijs.

2.2.1. Recht op collectief leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs: voorwaarden

Een leerling in het buitengewoon onderwijs heeft onder bepaalde voorwaarden recht op zonaal collectief leerlingenvervoer:

  • De leerling volgt de lessen in de dichtstbijzijnde school van het net van keuze, tot op het niveau van de vestigingsplaats. Dit is een school van ofwel het vrij onderwijs naargelang de onderscheiden godsdiensten, het gemeenschapsonderwijs, het provinciaal en gemeentelijk onderwijs of het niet-confessioneel onderwijs.

  • Dit moet eveneens een school zijn die aanbiedt waarnaar het attest van de leerling verwijst:
    • Het type in het buitengewoon basisonderwijs;
    • De opleidingsvorm, het type en de opleiding in het buitengewoon secundair onderwijs.

Voor het zonaal collectief vervoer wordt de vaste opstapplaats (verblijfplaats, tehuis, pleeggezin, …) in aanmerking genomen voor het bepalen van de afstand tot de school/vestigingsplaats en omgekeerd.

Bij de meting van de afstand naar de dichtstbijzijnde school wordt rekening gehouden met een marge van maximaal 10% bij het toekennen van het recht op kosteloos vervoer. Leerlingen die twee of meer scholen vinden binnen deze marge van 10% kunnen het recht op vervoer krijgen naar elk van deze scholen.

Een deelname aan collectief vervoer sluit in principe een deelname aan individueel vervoer uit.

2.2.1.1. Afwijkingen

Naar aanleiding van de installatie van type 9, worden er vanaf 1 september 2015 geen afwijkingen ‘autiwerking’ meer verleend.

Een afwijking kan wel verleend worden bij:

1. Broer/zus

Leerlingen zonder recht op vervoer, die een broer/zus hebben die gebruik maakt van het collectief leerlingenvervoer, kunnen mee onder de volgende drie voorwaarden:

  • Tegen betaling (overeenkomstig de tarieven van De Lijn);
  • Mits de leerling gebruik maakt van eenzelfde opstapplaats als de broer/zus om zich naar school te begeven;
  • Mits de leerling naar dezelfde campus gaat (eenzelfde afstapplaats) als de broer/zus.

Dit gebruik is beperkt tot het einde van het onderwijsniveau van deze leerlingen. De volgende leerlingen worden als broer of zus beschouwd (cfr. GOK-Decreet):

  • Effectieve broers en zussen (twee gemeenschappelijke ouders), al dan niet wonend op hetzelfde adres;
  • Halfbroers en halfzussen (één gemeenschappelijke ouder), al dan niet wonend op hetzelfde adres;
  • Kinderen die onder hetzelfde dak wonen, maar geen gemeenschappelijke ouder(s) hebben.

2. Co-ouderschap

Leerlingen die omwille van co-ouderschap recht hebben op leerlingenvervoer naar de ene ouder, krijgen ook recht op leerlingenvervoer naar de andere ouder.

Bij collectief vervoer gelden als voorwaarden:

  • Er passeert een bus op het niet-rechthebbend adres naar de school;
  • Er is plaats op de bus.

Bij de afwijking co-ouderschap is de combinatie van een recht op individueel vervoer en een recht op collectief vervoer toegestaan: een leerling kan bij de ene ouder gebruik maken van het recht op collectief vervoer en bij de andere ouder gebruik maken van het recht op individueel vervoer.

3. Twee opeenvolgende trajecten

Binnen één traject is de combinatie van een recht op individueel vervoer en een recht op collectief vervoer toegestaan: een leerling kan het eerste stuk van het traject gebruik maken van zijn recht op individueel vervoer en vervolgens het traject voortzetten door gebruik te maken van het recht op collectief vervoer.

4. School volzet

Wanneer de dichtste school volzet is, krijgt de leerling recht op vervoer naar de eerstvolgende school die niet volzet is van het net van zijn keuze waarnaar zijn attest verwijst.

In dat geval is een van de volgende attesten ‘mededeling van een niet-gerealiseerde inschrijving’ vereist:

5. Internaat (MPI)/Verblijf (MFC)/IPO

Indien ouders kiezen voor een internaat/verblijf/IPO, wordt de leerling rechthebbend wanneer hij de dichtstbijzijnde school met internaat/verblijf/IPO bezoekt. De leerling maakt gebruik van weekendvervoer.

Wanneer het internaat/verblijf/IPO volzet is, krijgt de leerling recht op vervoer naar de eerstvolgende school met internaat/verblijf/IPO. In dat geval dient een volzetverklaring bezorgd te worden aan het coördinatiepunt.

6. Semi-internaat (MPI)/Dagopvang (MFC)

Indien ouders kiezen voor een semi-internaat/dagopvang, wordt de leerling rechthebbend wanneer hij de dichtstbijzijnde school met semi-internaat/dagopvang bezoekt. De leerling maakt gebruik van dagelijks vervoer, georganiseerd volgens de begin- en einduren van de school.

Wanneer het semi-internaat/dagopvang volzet is, krijgt de leerling recht op vervoer naar de eerstvolgende school met semi-internaat/dagopvang. In dat geval dient een volzetverklaring bezorgd te worden aan het coördinatiepunt.

7. Verhuis

Rechthebbende leerlingen die door een verhuis niet meer de dichtstbijzijnde school bezoeken, behouden hun recht op vervoer tot het einde van het lopende schooljaar.

Bij collectief vervoer gelden als voorwaarden:

  • Er passeert een bus op het niet-rechthebbend adres naar de school;
  • Er is plaats op de bus.

8. Jeugdrechtbank/gemandateerde voorziening/crisismeldpunt

Leerlingen die door de jeugdrechter, een gemandateerde voorziening of een crisismeldpunt geplaatst worden, hebben recht op leerlingenvervoer:

  • Vanuit de voorziening waar ze geplaatst zijn naar de dichtstbijzijnde school;
  • Vanuit de voorziening waar ze geplaatst zijn naar de school waar ze reeds school liepen;
  • Naar de school waar ze geplaatst zijn.

9. OV3: observatiejaar
Leerlingen binnen het observatiejaar van opleidingsvorm 3 zijn altijd rechthebbend, op voorwaarde dat er geen dichter gelegen school of vestigingsplaats is met minstens een identiek of een identiek en uitgebreider aanbod aan opleidingen.

10. OV4: eerste leerjaar A of B

Leerlingen binnen het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B van opleidingsvorm 4 zijn altijd rechthebbend, op voorwaarde dat er geen dichter gelegen school of vestigingsplaats is met minstens een identiek of een identiek en uitgebreider aanbod aan studierichtingen.

11. Tweede op-/afstapplaats

Leerlingen die gebruik maken van een rechthebbend op-/afstapadres kunnen eveneens beroep doen op een niet-rechthebbend tweede op-/afstapadres, onder de volgende voorwaarden:

  • Er passeert een bus aan het niet-rechthebbend adres naar de school;
  • Er is plaats op de bus;
  • De gebruiksfrequentie van het niet-rechthebbende adres ligt lager dan de gebruiksfrequentie van het rechthebbende adres.

12. Tijdelijk Gewijzigde Opstapplaats (TGO)

Niet-rechthebbende leerlingen die achter een schoolbus moeten aanrijden naar een rechthebbende opstapplaats terwijl de bus in de buurt van hun huis reeds een andere rechthebbende leerling ophaalt, kunnen onder de volgende strikte voorwaarden gebruik maken van een Tijdelijk Gewijzigde Opstapplaats:

  • De leerling beschikt over een rechthebbende opstapplaats, waarvoor het coördinatiepunt het recht op vervoer heeft vastgesteld;
  • De TGO is een bestaande opstapplaats, die ook gebruikt wordt door een of meer andere leerlingen die van daaruit permanent recht op vervoer hebben;
  • De leerling maakt gebruik van dezelfde busrit als de andere leerlingen met permanent recht op vervoer vanuit de TGO;
  • De school heeft een positief advies voor het gebruik van de TGO verkregen van de provinciale entiteit van De Lijn.

Het gebruik van een Tijdelijk Gewijzigde Opstapplaats geldt maximaal voor de periode die ingaat na de herfstvakantie tot 30 juni van het lopende schooljaar. Een TGO dient bijgevolg jaarlijks te worden aangevraagd, via het formulier ‘Aanvraag van een Tijdelijk Gewijzigde Opstapplaats’ (bijlage 15). Dit formulier wordt samen met het positieve advies van de provinciale entiteit van De Lijn bezorgd via leerlingenvervoer@vlaanderen.be.

Aangezien een leerling die gebruik maakt van een TGO niet de dichtstbijzijnde school bezoekt (gerekend vanuit het thuisadres), moeten ouders bovendien gedurende het hele schooljaar principieel bereid en steeds in de mogelijkheid zijn om zelf te voorzien in het vervoer van en naar de opstapplaats vanwaar de leerling wel effectief recht heeft op vervoer.

2.2.1.2. Behoud van de status van rechthebbendheid

Leerlingen behouden de status van rechthebbendheid:

  • Voor de studies die zij hebben aangevat op het niveau van het basisonderwijs, op voorwaarde dat de opstapplaats van de leerling niet wijzigt, waarvoor het recht op vervoer werd verleend;
  • Voor de studies die zij hebben aangevat op het niveau van het secundair onderwijs, op voorwaarde dat de opstapplaats van de leerling niet wijzigt, waarvoor het recht op vervoer werd verleend;
  • Indien door het financieren of subsidiëren van een nieuwe school, opleiding of type de criteria van meest dichtbij gelegen school niet meer zouden beantwoorden aan de realiteit;
  • Indien in een school een type of opleidingsvorm volledig verhuist naar een andere vestigingsplaats;
  • Indien in een school binnen een opleidingsvorm een bepaalde opleiding volledig verhuist naar een andere vestigingsplaats;
  • Indien een leerling tijdens de loopbaan van type of opleiding verandert, op voorwaarde dat de leerling ondertussen niet verhuist of van school/vestigingsplaats verandert;
  • Indien een leerling na minstens één jaar overstapt van internaat naar externaat;
  • Indien een leerling gedurende minstens één jaar aan het collectief vervoer deelneemt en overstapt naar het openbaar vervoer.

2.2.1.3. Leerlingen in opleidingsvorm 3 en opleidingsvorm 4

Vanaf het eerste jaar van de kwalificatiefase van opleidingsvorm 3 of het vierde leerjaar van opleidingsvorm 4 moeten de leerlingen zich zelfstandig naar de school of het (semi-)internaat/MFC begeven. De verplaatsing gebeurt met een eigen vervoermiddel of met het openbaar vervoer. Deze leerlingen hebben in principe geen recht meer op zonaal collectief leerlingenvervoer.

Van deze regel kan worden afgeweken indien:

  • Het leerlingen betreft met een ernstige motorische handicap;
  • Het leerlingen betreft met een attest type 6 of 7;
  • De afstand woonplaats-opstapplaats openbaar vervoer meer dan 500 meter bedraagt;
  • De afstand school-opstapplaats openbaar vervoer meer dan 500 meter bedraagt;
  • De verplaatsingstijd van de woonplaats naar de school en omgekeerd meer bedraagt dan een uur;
  • Er twee overstapplaatsen zijn van het openbaar vervoer;
  • Er onvoldoende garanties zijn van de capaciteit van het voertuig van het openbaar vervoer om alle leerlingen die zich aan de opstapplaats bevinden mee te vervoeren;
  • Er elementen van psychosociale aard aanwezig zijn, waardoor het gebruik van het openbaar vervoer een negatieve invloed zou hebben op de leerling. Dit wordt bepaald door de klassenraad, bijgestaan door het begeleidend CLB;
  • Het gebruik van het openbaar vervoer wordt verboden op basis van een medisch attest.

2.2.1.4. Uitdoofbeleid van niet-rechthebbende leerlingen in het buitengewoon onderwijs

Niet-rechthebbende leerlingen die tot en met 26/05/08 gebruik hebben gemaakt van het zonaal collectief leerlingenvervoer komen in het uitdoofbeleid terecht. Deze leerlingen kunnen gebruik maken van het collectief leerlingenvervoer tot het einde van hun onderwijsniveau (basisonderwijs of secundair onderwijs), op voorwaarde dat zij niet verhuizen van school of van opstapplaats.

Deze leerlingen staan op een afstreeplijst, opgemaakt door De Lijn in samenwerking met de scholen buitengewoon onderwijs. Deze leerlingen betalen een bijdrage in de vervoerkosten (tarief De Lijn).

2.2.1.5. Leerlingen met woon- of verblijfplaats buiten Vlaanderen

Artikel 127 van de Belgische grondwet bepaalt dat de Vlaamse en de Franse gemeenschap, ieder wat hem betreft, bij decreet, het onderwijs regelt (evenwel met uitsluiting van de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht; de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's; de pensioenregeling; §1).

Leerlingen die verblijven buiten Vlaanderen kunnen aanspraak maken op zonaal collectief leerlingenvervoer wanneer de vaste opstapplaats voldoet aan de onderstaande voorwaarden:

  • Gelegen op Vlaams grondgebied;
  • Gelegen op een bestaand bustraject van het collectief vervoer;
  • Bedient de dichtstbijzijnde school van het net van de vrije keuze.

Rechtsgrond :

Wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs.

Wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken.

Belgische grondwet van 17 februari 1994

2.2.2. De dichtstbijzijnde school vinden

Om hulp te bieden aan ouders, CLB’s en anderen bij het kiezen van een school voor leerlingen die zullen inschrijven in het buitengewoon onderwijs en daarbij gebruik willen maken van het leerlingenvervoer is de tool ‘Vind de meest nabije school voor buitengewoon onderwijs’ voorzien.

Deze tool geeft informatie over de afstand tussen de woon- of opstapplaats en de dichtstbijzijnde scholen per gekozen net.

Via deze tool kunnen enkel informatieve aanvragen gedaan worden en kan dus geen recht op vervoer aangevraagd worden.

2.2.3. Het recht op collectief vervoer in het buitengewoon onderwijs aanvragen

Aanvragen voor recht op collectief leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs kunnen enkel door scholen ingediend worden via de webapplicatie ‘Recht op leerlingenvervoer’.

De gegevens in deze applicatie zijn beveiligd. Via e-ID of via een gebruikersnaam met wachtwoord kunnen scholen inloggen in de beveiligde omgeving.

Aanvragen tot recht op collectief leerlingenvervoer worden automatisch verwerkt door de applicatie indien er geen afwijking wordt aangevraagd. Indien er een afwijking nodig is, wordt de aanvraag manueel verwerkt door het team leerlingenvervoer.

Eens een aanvraag verwerkt is, krijgt de aanvrager hiervan een bevestigingsmail toegestuurd met een goedkeuring of een weigering. Deze mail bevat een pdf-bestand met de gegevens van de leerling en de feedback van het team leerlingenvervoer.

Meer informatie over de webapplicatie vindt u in de handleiding.

2.2.4. Effectieve deelname aan het zonaal collectief leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs

Opdat een leerling ook effectief gebruik kan maken van zijn toegekend recht op collectief leerlingenvervoer, dient de school de goedgekeurde aanvraag per mail aan de provinciale entiteit van De Lijn te bezorgen.

De Lijn contacteert de beherende school binnen de twee schooldagen met vermelding van de instapdatum:

  • De toegang is onmiddellijk bij voldoende capaciteit en aanwezigheid van vervoer.
  • Bij onvoldoende capaciteit of afwezigheid van vervoer is de toegang afhankelijk van een aantal factoren: de beschikbare budgetten, de duurtijd voor het inleggen van een nieuwe rit, de duurtijd voor het inzetten van een liftvoertuig, ...

Een leerling waarvoor het recht op vervoer werd toegekend, moet binnen de eerste twee trimesters volgend op de datum van goedkeuring effectief hebben deelgenomen aan dit vervoer.

Indien de leerling gedurende twee opeenvolgende trimesters geen enkele keer heeft deelgenomen aan het vervoer, vervalt het recht op collectief vervoer vanaf de eerste dag volgend op de twee voorgaande trimesters. Het zitje op de bus wordt dan niet meer voorbehouden voor de leerling. Indien de leerling alsnog gebruik wil maken van het zonaal collectief vervoer moet een nieuwe aanvraag ingediend worden in de webapplicatie ‘Recht op leerlingenvervoer’.

2.3. Zonaal collectief leerlingenvervoer: praktische uitvoering

De Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn is sinds 1 september 2001 verantwoordelijk voor de organisatie van het zonaal collectief leerlingenvervoer. De Lijn staat onder meer in voor het vastleggen van de reisroutes, het vaststellen van de behoeften en het in eigen beheer of via uitbesteding uitvoeren van de busdiensten.

De Lijn heeft als engagement de leerlingen met recht op zonaal collectief vervoer op te halen en af te zetten.

Kwaliteitseisen ten aanzien van het vervoer worden bepaald bij bestek, opgesteld door de V.V.M. De Lijn.

2.3.1. Uitzondering

In het zonaal leerlingenvervoer kan in de regel niemand anders dan De Lijn leerlingenvervoer organiseren, tenzij in het:

  • Gewoon basisonderwijs bij ritten met minder dan 5 rechthebbende leerlingen;
  • Gewoon secundair onderwijs.

De Lijn organiseert met andere woorden geen busvervoer voor ritten in het gewoon basisonderwijs met minder dan 5 rechthebbende leerlingen of voor ritten in het gewoon secundair onderwijs. Deze toestand onomkeerbaar.

2.3.2. Bijzondere vormen van geregeld vervoer van leerlingen of mindervaliden

Het zonaal collectief leerlingenvervoer is een bijzondere vorm van geregeld vervoer. Het decreet Personenvervoer (Art. 2) beschrijft bijzondere vormen van geregeld vervoer als volgt:

“Geregeld vervoer van bepaalde categorieën reizigers (dit wil zeggen met uitsluiting van andere reizigers), met een bepaalde regelmaat en op een bepaald traject, waarbij op vooraf bepaalde haltes reizigers mogen worden opgenomen of afgezet (bv. werknemersvervoer, leerlingenvervoer, …).”

Afhankelijk van de organisatiewijze van dit geregeld vervoer gelden er andere verplichtingen met betrekking tot de noodzakelijke overeenkomsten, vergunningen en attesten.

2.3.2.1. Uw school/instelling doet beroep op een externe vervoerder

De overeenkomst voor het exploiteren van bijzondere vormen van geregeld vervoer dient zich aan boord van het voertuig te bevinden. Deze overeenkomst moet voorafgaandelijk gewaarmerkt worden door het Departement Mobiliteit, afdeling Beleid Mobiliteit en Verkeersveiligheid.

Kan de vervoerder geen overeenkomst afsluiten, dan moet er zich een vergunning voor een bijzondere vorm van geregeld vervoer aan boord bevinden, getekend door de Vlaamse minister bevoegd voor Mobiliteit.

De beroepsvervoerder moet tevens beschikken over een vergunning toegang tot het beroep.

Als de beroepsvervoerder grensoverschrijdend vervoer wil uitvoeren, moet hij bovendien beschikken over een communautaire vergunning.

2.3.2.2. Uw school/instelling maakt gebruik van eigen voertuigen en eigen personeel

In dit geval moet zich het attest ‘vervoer over de weg voor eigen rekening’ aan boord van het voertuig bevinden. Dit attest wordt afgegeven door het Departement Mobiliteit, afdeling Beleid Mobiliteit en Verkeersveiligheid.

Opgelet: de politiediensten controleren regelmatig deze documenten. Vergeet niet dat de gewaarmerkte reisweg en frequentie in de bus aanwezig moeten zijn.

Rechtsgrond :

Decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg, zoals tot op heden gewijzigd.

Besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2010 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toegang tot het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg voor (de bijzondere vormen van) het geregeld vervoer.

Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende het geregeld vervoer, de bijzondere vormen van geregeld vervoer, het vervoer voor eigen rekening en het ongeregeld vervoer.

Koninklijk Besluit van 28 juni 1962 betreffende de machtigingen tot gemeenschappelijk vervoer van leerlingen van onderwijsinrichtingen, gewijzigd door het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 1994 (B.S. 26 januari 1995).

2.3.2.3. Bijkomende informatie

Voor alle informatie omtrent de administratieve bepalingen bij de organisatie van geregeld vervoer, bijzondere vormen van geregeld vervoer, vervoer voor eigen rekening en ongeregeld vervoer wendt u zich tot:

  • Voor het Vlaams Gewest

Departement Mobiliteit en Openbare Werken - www.mobielvlaanderen.be
Afdeling Beleid Mobiliteit en Verkeersveiligheid
Mevrouw Michèle Van den Neste
Graaf de Ferrarisgebouw
Koning Albert II-laan 20, bus 2
1000 Brussel
Tel: 02 553 78 33 – E-mail: michele.vandenneste@mow.vlaanderen.be

  • Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Brussel Mobiliteit - www.mobielbrussel.irisnet.be
Cel Bijzondere Vormen van Geregeld Vervoer
Mevrouw Françoise Lodens
CNN – Vooruitgangsstraat 80, bus 1
1035 Brussel
Tel: 02 204 18 01 – E-mail: flodens@mrbc.irisnet.be

2.3.3. Betalingsdossier

2.3.3.1. Factuur

De vervoerder stuurt ten laatste tegen de 5de van de maand volgend op de vervoersmaand de factuur naar de dienst leerlingenvervoer van de provinciale entiteiten van De Lijn.

2.3.3.2. Rittenblad

Per maand en per rit wordt door De Lijn een genummerd en gepersonaliseerd rittenblad bezorgd aan de vervoerders en aan GO-scholen die ritten van het zonaal leerlingenvervoer met eigen voertuigen uitvoeren.

Dit rittenblad moet ingevuld worden door de chauffeur. De kilometerafstand en het tijdstip worden steeds genoteerd bij de werkelijk eerst opstappende leerling en de laatst afstappende leerling van elke rit (= beladen traject).

Wanneer de vervoerder niet werd verwittigd over de afwezigheid van de normaal eerst opstappende leerling, wordt de kilometerstand toch bij deze opstapplaats genoteerd. De beherende school moet er dan ook over waken dat de afwezigheden, die het beladen traject wijzigen, onmiddellijk aan de vervoerder worden gemeld.

De vervoerfirma’s en GO-scholen (die ritten van het zonaal collectief leerlingenvervoer met eigen voertuigen uitvoeren) bezorgen de originele en ingevulde rittenbladen terug aan de provinciale entiteiten van De Lijn voor de 5de van de maand volgend op de vervoersmaand.

Het achteraf invullen van kilometerafstanden is niet toegelaten en kan nooit leiden tot inbetalingstelling.

2.3.3.3. Aanwezigheidslijst

De aanwezigheidslijst (bijlage 3) moet vooraf worden opgemaakt door de school, dit in volgorde van het opstappen van de leerlingen.

De aanwezigheidslijst wordt dagelijks aangevuld:

  • De busbegeleiding noteert 's morgens bij iedere halte de opstappende en eventueel afwezige leerlingen;
  • De busbegeleiding noteert ’s avonds en woensdagmiddag bij het vertrek aan de school de opstappende en eventueel afwezige leerlingen.

De leerlingen die gedurende de hele maand niet werden vervoerd, worden geschrapt op de betreffende aanwezigheidslijst.

De beherende school stuurt voor de 5de van de maand volgend op de vervoersmaand de originele en ingevulde aanwezigheidslijst op naar de dienst leerlingenvervoer van de provinciale entiteiten van De Lijn.

2.3.3.4. Trimestriële leerlingenlijst per rit

Alle directies van de scholen die leerlingen op een bepaalde rit hebben, vullen op een correcte wijze (o.a. op- en afstapadressen, duidelijke vermelding van de types, …) de trimestriële leerlingenlijsten in. De scholen gebruiken hiervoor uitsluitend het sjabloon in bijlage 4. Deze bijlage dient op digitale wijze ingevuld te worden.

De volgende zaken zijn belangrijk:

  • Alle leerlingen die minstens eenmaal gedurende het trimester meegereden hebben, moeten per rit op deze lijst worden vermeld;
  • Leerlingen die ’s morgens op bus A zitten en ’s avonds op bus B, moeten op de beide leerlingenlijsten vermeld worden.

De directie van de school noteert in de kolom ‘Opmerkingen’:

  • Bij leerlingen die ’s morgens en ’s avonds op een andere rit zitten: ’s morgens op bus A en ’s avonds op bus B;
  • Of de leerling niet rechthebbend is (NRH). Het tarief voor niet-rechthebbende leerlingen wordt volledig aangerekend op de ochtendrit;
  • In geval van weekendvervoer internen: WE.

Aan het einde van elk trimester bezorgen de directies deze leerlingenlijsten digitaal als .xls-bestand (niet als pdf-bestand) aan de dienst leerlingenvervoer van de provinciale entiteiten van De Lijn. Leerlingenlijsten die niet op digitale wijze en/of onvolledig zijn ingevuld, worden teruggestuurd naar de scholen.

2.3.4. Bijdragen van betalende leerlingen

2.3.4.1. Tarieven

Leerlingen die gebruik maken van het zonaal collectief leerlingenvervoer of het openbaar vervoer betalen een tarief afhankelijk van het feit of ze al dan niet als rechthebbende leerlingen beschouwd kunnen worden.

  • Algemeen

De tarieven van de VVM worden jaarlijks via een nieuw M.B. aangepast. In deze bundel worden enkel de meest recente en voor het leerlingenvervoer toepasselijke tarieven opgenomen. Meer informatie over de tarieven van De Lijn vindt u op de website van De Lijn.

  • Leerlingen uit de kleuterklas

Deze leerlingen betalen geen bijdrage, ongeacht of ze rechthebbend of niet-rechthebbend zijn.

  • Leerlingen uit het lager onderwijs

a) Voor leerlingen uit het lager onderwijs die op regelmatige basis gebruik maken van het vervoer is er het vast jaartarief van 51€ (Buzzy Pazz -12 jaar). Tarieven van 1 maand of 3 maanden bestaan in deze vorm niet. De gezinskorting is hier niet van toepassing. Het jaarbedrag kan niet opgesplitst worden. Houders van een geldige VT-kaart betalen ook het jaarbedrag van 51€.

b) Voor leerlingen uit het lager onderwijs die sporadisch gebruik maken van het vervoer wordt het lijnkaarttarief toegepast. Dit bedraagt 1,4€ per rit, ongeacht de afstand.

Graag vermelding in de kolom ‘opmerkingen’ van de leerlingenlijst of de leerling al dan niet sporadisch gebruik zal maken van het vervoer.

  • Leerlingen uit het secundair onderwijs

a) Voor leerlingen uit het secundair onderwijs die op regelmatige basis gebruik maken van het vervoer is er het Buzzy Pazz-jaartarief. Dit bedraagt 199,00€.

Alle gezinsleden Buzzy (behalve de -12) komen in aanmerking voor gezinskorting indien de looptijd en de startdatum gelijk zijn. Deze korting moet specifiek aangevraagd worden op de leerlingenlijst in de kolom ‘opmerkingen’. Het eerste jaarabonnement wordt aan volle prijs aangerekend, het tweede jaarabonnement aan 20% korting, het derde jaarabonnement en elk volgende telkens aan 51€.

Houders van een geldige VT-kaart betalen het jaarbedrag van 51€.

b) Indien een leerling, die een bijdrage dient te betalen, opteert om geen volledig schooljaar mee te reizen maar slechts een bepaalde periode (zijnde een maand of een trimester) past men hiervoor de maandelijkse of driemaandelijkse bijdrage van een Buzzy Pazz toe:

  • Maandelijks : 30,00€
  • Driemaandelijks : 75,00€

Ook hier kan de gezinskorting toegepast worden. Alle gezinsleden Buzzy (behalve de -12) komen in aanmerking indien de looptijd en de startdatum gelijk zijn. Deze korting moet specifiek aangevraagd worden op de leerlingenlijst in de kolom ‘opmerkingen’. Het eerste abonnement wordt aan volle prijs aangerekend, het tweede aan 20% korting en elk volgende telkens aan 51€.

c) Voor leerlingen uit het secundair onderwijs die sporadisch gebruik maken van het vervoer wordt het lijnkaarttarief toegepast. Dit bedraagt 1,4€ per rit, ongeacht de afstand.

Graag vermelding in de kolom ‘opmerkingen’ van de leerlingenlijst of de leerling al dan niet sporadisch zal gebruik maken van het vervoer.

2.3.4.2. Trimestriële stortingen

De (beherende) scholen ontvangen per trimester een kostennota van De Lijn. Deze 'debetnota' vermeldt het te storten bedrag, naast een detail met de namen en de bedragen van de betrokken leerlingen. De school vereffent dit bedrag binnen de 30 dagen na datum van ontvangst van deze nota op de ontvangstenrekening van de provinciale entiteit van De Lijn waaronder de school ressorteert.

  • Entiteit Antwerpen: IBAN: BE20 3751 1173 2056 - BIC: BBRU BE BB

  • Entiteit Oost-Vlaanderen: IBAN: BE62 3751 1173 2561 - BIC: BBRU BE BB

  • Entiteit Vlaams-Brabant: IBAN: BE86 3631 0583 7750 - BIC: BBRU BE BB

  • Entiteit Limburg: IBAN: BE93 3751 1173 3167 - BIC: BBRU BE BB

  • Entiteit West-Vlaanderen: IBAN: BE60 3751 1173 3470 - BIC: BBRU BE BB

De uiterste data waarop de administratieve dossiers in het bezit van de dienst leerlingenvervoer van de provinciale entiteiten van De Lijn moeten zijn:

  • Voor het eerste trimester: ten laatste op 30/10 van het schooljaar;
  • Voor het tweede trimester: ten laatste op 31/01 van het schooljaar;
  • Voor het derde trimester: ten laatste op 30/04 van het schooljaar.

Rechtsgrond :

Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand

2.3.5. Verkeersveiligheid

De bestuurder moet zich volledig gedragen naar het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

Rechtsgrond :

Koninklijk Besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenvervoer

2.3.5.1. Veiligheid bij de schoolpoort

Een belangrijk veiligheidsbeginsel is dat de schoolpoort vrij moet blijven. De halteplaats van de schoolbus mag zich dus niet vlak voor de schoolingang bevinden.

Gelieve de ouders en de schoolbuschauffeurs te verzoeken de kinderen derhalve op enige afstand van de schoolpoort te laten uitstappen. Dit laatste gebeurt op dezelfde stoep als die waarlangs zich de ingang van de school bevindt. Is dit om welke reden dan ook niet mogelijk, dan steken de kinderen over op het zebrapad voor en bij de ingang.

In geval van gemeenschappelijk leerlingenvervoer voor meerdere scholen, die op loopafstand van elkaar liggen, dienen de betrokken inrichtingshoofden overleg te plegen om te onderzoeken wat de veiligste oplossing is:

  • Ofwel de schoolbussen één na één laten stoppen nabij elke school;
  • Ofwel de kinderen in rang begeleiden naar een veilige opstapplaats (bv. op een parking of een plein) waar alle schoolbussen naast elkaar en in volgorde van hun nummer wachten op de kinderen van de betrokken scholen.

2.3.5.2. Haltes voor leerlingenvervoer

Ook de haltes onderweg dienen zo gekozen te worden dat de kinderen veilig kunnen op- en afstappen, rekening houdend met de volgende richtlijnen:

  • Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van de halte van de openbare autobusdienst, dit evenwel zonder de voertuigen van deze geregelde vervoerdienst te hinderen.
  • Haltes mogen niet ingericht worden op plaatsen waar ten opzichte van de gevolgde verkeersrichting een witte ononderbroken streep op het wegdek is aangebracht, tenzij de voertuigen die dezelfde richting als de autobus volgen links kunnen voorbijrijden zonder die witte streep te overschrijden. Dit geldt tevens voor plaatsen waar wegmarkeringen in een voorselectie (richtingspijlen) m.b.t. te volgen richtingen voorzien.
  • Op de plaatsen waar twee wegen elkaar kruisen of waar een zijweg op de door de autobus gevolgde weg rechts uitmondt, dienen de haltes in de beide verkeersrichtingen voorbij het kruispunt gevestigd te worden, op 20m van de rand van de rijbaan van de zijweg. Dit principe geldt ook voor de met verkeerslichten uitgeruste kruispunten.
  • Indien de autobus een hoofdweg verlaat om een minder belangrijke weg in te slaan of omgekeerd en nabij de betrokken kruisweg een halte wordt voorzien, dient deze gevestigd te worden op de minst belangrijke baan, op 20m van de rand van de hoofdweg.
  • In de nabijheid van een brug of een helling moet de halte ten opzichte van de gevolgde verkeersrichting op een redelijke afstand voorbij de brug of de helling worden gevestigd.
  • Haltes mogen niet voorzien worden in de bochten, uitgezonderd in deze met een grote straal en met goede zichtbaarheid en onder voorbehoud van het principe sub 2.
  • Haltes mogen niet voorzien worden onder bruggen of in tunnels, en op minder dan 20m voor die plaatsen waar verkeersborden zijn aangebracht.
  • Waar fietspaden naast de rijweg zijn gelegen, moet bijzondere aandacht worden besteed aan het niet hinderen van de fietspadgebruikers. Bij voorkeur moet worden vermeden op dergelijke plaatsen een halte in te richten.

In het algemeen moet rekening worden gehouden met alle signalisatie die werd aangebracht krachtens de bepalingen van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer (wegcode) en met de aanwijzingen en bevelen van de bevoegde personen. Er dient ook gelet te worden op duidelijk waarneembare gevaarlijke toestanden.

2.3.5.3. In- en uitstappen van leerlingen

Zowel de eventuele begeleid(st)er als de chauffeur moeten zeer oplettend zijn bij het in- en uitstappen van de leerlingen. Het is aan te raden een schoolbusreglement op te stellen, zowel voor de leerlingen als voor de begeleider. Hierin wordt, na overleg met de ouders, bepaald waar de verantwoordelijkheid van de school, de begeleider en de ouders begint en eindigt. De ouders moeten duidelijk geïnformeerd worden waar en wanneer de schoolbus stopt in hun buurt.

Het schoolbusreglement omvat best zoveel mogelijk aspecten met betrekking tot verkeer, veiligheid en busbegeleiding en vormt een onderdeel van het algemeen schoolreglement.

2.3.6. Machtigingen voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

De voormalige Vlaamse Minister van Verkeerswezen heeft beslist het stelsel, voorzien door de Europese verordeningen voor het internationaal vervoer, op de gewestelijke vervoersmodi binnen het Vlaams Gewest toe te passen. Deze beslissing heeft als gevolg dat de “Commissie van Advies voor het Leerlingenvervoer” opgedoekt werd.

Wat het Brussels Gewest betreft zijn de wettelijke voorschriften, nl. de Besluitwet van 30 december 1946 en de wetten van 26 april 1962 en 15 juli 1983 tot op vandaag niet aangepast. De hierin uitgewerkte machtigingsprocedure blijft dus nog steeds van kracht.

De wet van 26 april 1962 heeft voorzien dat “het advies van de commissie aan de Minister van Verkeerswezen overgemaakt wordt door bemiddeling en met het advies bekleed van de Minister tot wiens bevoegdheid het onderwijs behoort”.

Hierdoor blijft het een taak van de minister van Onderwijs en Vorming om jaarlijks een advies van machtiging voor vervoersdiensten van onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te verlenen.

Rechtsgrond :

KB van 28 juni 1962 betreffende de machtigingen tot gemeenschappelijk vervoer van leerlingen van onderwijsinrichtingen.

Wet van 26 april van 1962 betreffende het gemeenschappelijk vervoer van de leerlingen van de onderwijsinrichtingen.

Besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en autocars.

2.4. Zonaal collectief leerlingenvervoer: busbegeleiding

Binnen het zonaal collectief leerlingenvervoer is busbegeleiding verplicht. Dit betekent dat een bus niet uitrijdt wanneer een busbegeleid(st)er afwezig is. De scholen beschikken best over een plan van aanpak om een back-up te voorzien in geval van de afwezigheid van een busbegeleid(st)er.

Rechtsgrond :

Decreet van 7 mei 2004 betreffende de regionale technologische centra en houdende noodzakelijke en dringende onderwijsbepalingen, artikel 55 en 55bis

Besluit van de Vlaamse Regering 29 mei 2009 betreffende de subsidiëring van de zonale busbegeleiding

Koninklijk Besluit van 30 maart 1976 betreffende de begeleiding in de autobussen die eigendom zijn van de Staat of die hem onder contract door een natuurlijke of rechtspersoon geleend worden en die gebruikt worden voor het ophalen van de leerlingen, met uitzondering van de leerlingen van het buitengewoon onderwijs. (B.S. 13/07/1976)

Koninklijk Besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk

2.4.1. Taken en verantwoordelijkheden van de busbegeleid(st)er

De beherende school bepaalt de concrete taken en verantwoordelijkheden van de busbegeleid(st)er.

Richtlijnen over de inhoud van de taken van de busbegeleid(st)er zijn opgenomen in bijlage 5.

2.4.2. Subsidie

Het Departement Onderwijs en Vorming kent een subsidie toe aan de beherende scholen die zonaal collectief leerlingenvervoer organiseren. Met die subsidie kunnen de beherende scholen de loonkosten van de busbegeleid(st)ers dragen.

Het Departement Onderwijs en Vorming subsidieert per rit één busbegeleid(st)er.

Om voor subsidiëring in aanmerking te komen, moet elke busbegeleid(st)er:

  • Beschikken over een uittreksel uit het strafregister, model 2. Dit uittreksel, dat bij aanwerving niet ouder dan 1 jaar mag zijn, moet worden voorgelegd aan het schoolbestuur en moet ter inzage in de school aanwezig zijn;
  • Lichamelijk geschikt zijn voor de taak zodat hij/zij de gezondheid van de kinderen niet in gevaar brengt;
  • Tenminste 18 jaar zijn.

2.4.2.1. Berekening van de subsidie

De subsidie voor zonale busbegeleiding wordt berekend op basis van de ritduurtijd, het aantal kalenderdagen en het uurloon.

1) Ritduurtijd

Een van de uitgangspunten voor het bepalen van het subsidiebedrag is de duurtijd van de geleverde arbeidsprestaties van de busbegeleid(st)er op de bus.

De duurtijd van de gesubsidieerde arbeidsprestaties kan nooit langer zijn dan de tijd die nodig is om de afstand school–school (= duurtijd beladen + duurtijd onbeladen traject) te overbruggen. Afhankelijk van het type rit kan de maximale ritduur verschillen:

a. Cirkelrit

De maximale gesubsidieerde ritduur voor een cirkelrit is de tijd die nodig is om:

  • ’s Morgens de afstand te overbruggen vanaf de school tot aan het opstappen van de eerste leerling volgens de kortste weg (= onbeladen traject) en vanaf het opstappen van de eerste leerling tot bij het afstappen van alle leerlingen bij de aankomst aan de school (= beladen traject);
  • ‘s Avonds de afstand te overbruggen vanaf de school via de eerst afstappende leerling tot aan het afstappen van de laatste leerling (= beladen traject) en vanaf het afstappen van de laatste leerling tot terug aan de school (= onbeladen traject).

b. Sterrit

Bij een sterrit kan een busbegeleid(st)er opstappen op één van de volgende plaatsen:

  • Aan de stelplaats vanwaar de bus vertrekt;
  • Vanop het adres van de eerste opstappende leerling;
  • Op een plaats tussen de stelplaats en de eerste opstappende leerling, op voorwaarde dat de bus hiervoor geen omweg moet rijden. De busbegeleid(st)er moet dus opstappen op een plaats die ligt op de (min of meer) rechte lijn tussen de stelplaats van de bus en de eerste opstappende leerling.

De maximale gesubsidieerde ritduur voor een sterrit is de tijd die nodig is om:

  • ’s Morgens de afstand te overbruggen vanaf de school tot aan het opstappen van de eerste leerling volgens de kortste weg (= onbeladen traject) en vanaf het opstappen van de eerste leerling tot bij het afstappen van alle leerlingen bij de aankomst aan de school (= beladen traject);
  • ‘s Avonds de afstand te overbruggen vanaf de school via de eerste afstappende leerling tot aan het afstappen van de laatste leerling (= beladen traject) en vanaf het afstappen van de laatste leerling tot terug aan de school (= onbeladen traject).
  • De eventuele afstand te overbruggen van de opstapplaats van de busbegeleid(st)er tot aan het opstappen van de eerste leerling, op voorwaarde dat deze tijdsduur niet langer duurt dan de tijd van het onbeladen traject.

2) Aantal kalenderdagen

Indien de school een busbegeleid(st)er vanaf de eerste schooldag van het schooljaar voltijds (5 dagen per schoolweek) als busbegeleid(st)er tewerkstelt, wordt de school als volgt betoelaagd:

  • Voor 217 kalenderdagen, indien de school behoort tot het gemeenschapsonderwijs of het officieel gesubsidieerd onderwijs;
  • Voor 201,4 kalenderdagen, indien de school behoort tot het vrij gesubsidieerd onderwijs.

De vastgestelde kalenderdagen zijn berekend op het maximale aantal weekdagen zoals ze zich kunnen voordoen in de periode van september tot en met juni. Het aantal gesubsidieerde kalenderdagen ligt hoger dan het gemiddeld aantal werkelijk gepresteerde dagen door de busbegeleid(st)er. Aangezien de betoelaging van de scholen ook doorloopt tijdens de dagen waarop de busbegeleid(st)er geen arbeidsprestaties kan verrichten (bv. wettelijke feestdagen en dagen in de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie), worden scholen voor méér dagen betoelaagd dan dat er daadwerkelijk leerlingenvervoer georganiseerd wordt.

Indien er in de loop van het schooljaar een extra rit voor leerlingenvervoer wordt georganiseerd, wordt het aantal dagen waarvoor de school een subsidie voor busbegeleiding zal ontvangen proportioneel vastgesteld. De toelage is in dat geval afhankelijk van het resterende aantal weekdagen (van maandag tot vrijdag) in dat schooljaar.

Indien een rit niet elke schooldag georganiseerd wordt (bv. weekendritten), wordt de subsidie eveneens proportioneel herleid.

3) Bruto-uurloon

De subsidie wordt berekend op basis van een bruto-uurloon van 11,95 euro (vanaf 01/09/2016) voor elke busbegeleid(st)er, ongeacht het net waartoe de school behoort. Het bruto-uurloon wordt aangepast aan de indexering indien van toepassing.

Hoewel de subsidie voor alle netten en scholen berekend wordt op basis van hetzelfde bruto-uurloon, betekent dit niet dat de scholen van de verschillende netten dezelfde toelage per uur zullen ontvangen. Er wordt immers rekening gehouden met de toepasselijke patronale lasten, die verschillen van net tot net:

a. Gemeenschapsonderwijs

Afhankelijk van het feit of er patronale lasten verschuldigd zijn op het loon van de busbegeleid(st)er, ontvangt de school:

  • 17, 98 euro per uur voor RSZ-plichtige busbegeleid(st)ers (uurloon vanaf 1/09/2016);
  • 11,95 euro per uur voor busbegeleid(st)ers die vrijgesteld zijn van RSZ (uurloon vanaf 1/09/2016);
  • De nettokostprijs van de gebruikte PWA-cheques voor busbegeleid(st)ers met een PWA-contract.

b. Vrij gesubsidieerd onderwijs

Afhankelijk van het feit of er patronale lasten verschuldigd zijn op het loon van de busbegeleid(st)er, ontvangt de school:

  • 18,77 euro per uur voor RSZ-plichtige busbegeleid(st)ers (uurloon vanaf 1/09/2016);
  • 11,95 euro per uur voor busbegeleid(st)ers die vrijgesteld zijn van RSZ (uurloon vanaf 1/09/2016);
  • De nettokostprijs van de gebruikte PWA-cheques voor busbegeleid(st)ers met een PWA-contract.

c. Officieel gesubsidieerd onderwijs

Afhankelijk van het feit of er patronale lasten verschuldigd zijn op het loon van de busbegeleid(st)er, ontvangt de school:

  • 18,73 euro per uur voor RSZ-plichtige busbegeleid(st)ers (uurloon vanaf 1/09/2016);
  • 11,95 euro per uur voor busbegeleid(st)ers die vrijgesteld zijn van RSZ (uurloon vanaf 1/09/2016);
  • De nettokostprijs van de gebruikte PWA-cheques voor busbegeleid(st)ers met een PWA-contract.

2.4.2.2. Aanvraag en ontvangst van de subsidie

Wanneer de budgettaire middelen op de uitgavenrekening van het Departement Onderwijs en Vorming dit toelaten, loopt de procedure als volgt:

1. Uitbetaling voorschot

Elke school ontvangt in de loop van de maand september automatisch een voorschot dat gelijk is aan 40% van de toelage waarop de school het voorgaande schooljaar recht had, vermeerderd met de (eventuele) index. De school hoeft dus geen aanvraag in te dienen voor dit voorschot.

Indien er in de periode september - december van het lopende schooljaar nieuwe ritten georganiseerd worden, kan de school een aanvullend voorschot ontvangen. Hiervoor dient de school uiterlijk 31 december een aanvraagdossier in bij het team leerlingenvervoer, bestaande uit het draaiboek, de arbeidsovereenkomst en het formulier ‘Aanvraag van een subsidie voor busbegeleiding in het zonaal leerlingenvervoer’ (bijlage 7) voor deze nieuwe ritten.

2. Indienen aanvraagdossier

Uiterlijk 31 december van het lopende schooljaar dient de school bij het team leerlingenvervoer een volledig aanvraagdossier voor het schooljaar in.

Dit aanvraagdossier bestaat uit:

Het door De Lijn aangeleverde draaiboek, bij volledige bezetting. 

Bij ontstentenis hiervan bezorgt de school het draaiboek van elke rit zoals de ophaaldienst ’s morgens en ’s avonds wordt gereden (bijlage 6). 

Het draaiboek voor busbegeleiding in het zonaal leerlingenvervoer wordt bezorgd via leerlingenvervoer@vlaanderen.be

De arbeidsovereenkomst van de busbegeleid(st)er die ingezet wordt op de rit(ten). 

De arbeidsovereenkomsten, waarin alle elementen opgesomd in ‘2.4.3.1. Arbeidsovereenkomst’ opgenomen werden, worden per post of digitaal via leerlingenvervoer@vlaanderen.be bezorgd. 

Het volledig ingevulde en ondertekende formulier ‘Aanvraag van een subsidie voor busbegeleiding in het zonaal leerlingenvervoer’ (bijlage 7). 

De aanvragen voor alle busbegeleid(st)ers dienen gegroepeerd te worden op 1 formulier. 

De aanvraag van een subsidie voor busbegeleiding in het zonaal leerlingenvervoer wordt digitaal bezorgd via leerlingenvervoer@vlaanderen.be

Opgelet: indien het aanvraagdossier niet tijdig ingediend wordt (uiterlijk 31 december van het lopende schooljaar), kunnen alle subsidies van dat schooljaar teruggevorderd worden.

3. Uitbetaling saldo

Na indiening van het aanvraagdossier, ontvangt de school tussen 1 januari en 1 maart van het lopende schooljaar het saldo. Dit is het volledige subsidiebedrag voor het lopende schooljaar, verminderd met het reeds toegekende voorschot.

Indien na ontvangst van betaling van het saldo blijkt dat er extra ritten georganiseerd werden waarvoor de school nog geen subsidie ontving, kan een aanvullend saldo toegekend worden. Hiertoe dient de school een aanvraagdossier in bij het team leerlingenvervoer, dit uiterlijk vier maanden na de start van de extra ritten.

Ritten die uitbreiden na 31 december van het lopende schooljaar worden niet extra gesubsidieerd.

4. Controle

De ambtenaren van het team leerlingenvervoer zijn gemachtigd om de correcte aanwending van deze subsidiëring te controleren. Zij kunnen daartoe de nodige bewijsstukken opvragen bij de beherende school.

In de loop van het schooljaar kunnen deze personeelsleden ook ter plaatse controle uitoefenen op de aanwezigheid en de arbeidsduur van de begeleiding. Ze kunnen onregelmatigheden vaststellen en de betoelaging eventueel aanpassen.

2.4.3. Statuut

Busbegeleid(st)ers hebben recht op passende arbeidsvoorwaarden, -contracten en –omstandigheden die de kwaliteit van de arbeid verhogen. De subsidieregeling van de scholen die busbegeleiding organiseren, werd dan ook gekoppeld aan de uitwerking van een statuut voor de busbegeleid(st)ers.

Rechtsgrond :

Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten

CAO VII van 4 februari 2005

Besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009

CAO VIII van 5 oktober 2006

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de bestaanszekerheidsvergoeding voor busbegeleiders

CAO X van 13 december 2013

2.4.3.1. Arbeidsovereenkomst

Busbegeleid(st)ers zijn contractuele personeelsleden, die door de beherende school aangeworven worden overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. De decreten rechtspositie onderwijspersoneel zijn niet van toepassing op de busbegeleid(st)ers.

In de arbeidsovereenkomst van een busbegeleid(st)er moeten minstens de volgende elementen opgenomen worden:

  • Het hoofdtraject waarop de busbegeleid(st)er ingezet zal worden;

  • De totale wekelijkse arbeidsduur (uitgedrukt in minuten);
    • Deze arbeidsduur wordt berekend aan de hand van het gemiddeld aantal minuten begeleiding, opgemeten gedurende de volledige derde week van september. Dit aantal minuten moet gelijk zijn aan het aantal minuten vermeld in bijlage 7.
    • Indien ritten uitbreiden (ook na 31 december) dient de beherende school een nieuwe overeenkomst op te stellen waarin o.a. het nieuwe uurrooster van de busbegeleid(st)er wordt opgenomen. Dit wordt als addendum aan de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst toegevoegd.

  • De duur van de arbeidsovereenkomst, die minstens van september tot juni loopt voor busbegeleid(st)ers die op 1 september van het schooljaar in dienst treden (minimum 10-maandencontract);
    • De datum waarop de busbegeleid(st)er in dienst treedt (1 september indien de rit bij de aanvang van het schooljaar georganiseerd wordt, later indien het een nieuwe rit betreft);
    • De datum waarop de arbeidsovereenkomst van bepaalde duur beëindigd wordt (30 juni, tenzij het een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur betreft).

  • Of de busbegeleid(st)er doorbetaald zal worden tijdens de korte schoolvakanties (herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie);

  • Of de busbegeleid(st)er al dan niet onderworpen is aan het RSZ-regime;

  • Het recht op vakantiegeld en een eindejaarstoelage, indien het RSZ-regime van toepassing is;

  • Het bruto-uurloon van de busbegeleid(st)er, dat minimaal gelijk is aan het geïndexeerde bruto-uurloon (11,95 euro per uur vanaf 1/09/2016).

2.4.3.2. Bruto-uurloon

De subsidie busbegeleiding wordt berekend op basis van een bruto-uurloon van 11,95 euro (vanaf 01/09/2016) voor elke busbegeleid(st)er, ongeacht het net waartoe de school behoort. Het bruto-uurloon wordt aangepast aan de indexering indien van toepassing.

Opgelet: dit betekent niet dat elke busbegeleid(st)er een bruto-uurloon van 11,95 euro zal krijgen. Afhankelijk van de verworven anciënniteit, een eventueel recht op haard- of standplaatsvergoedingen of de bedongen loonvoorwaarden, kan de busbegeleid(st)er een hoger of lager uurloon ontvangen. De scholen moeten de subsidie die ze ontvangen echter volledig aanwenden voor de betaling van de lonen van de busbegeleid(st)ers. Bijgevolg zullen de busbegeleid(st)ers in de praktijk gemiddeld 11,95 euro bruto per uur verdienen vanaf 1/09/2016.

2.4.3.3. Eindejaarstoelage en vakantiegeld

Busbegeleid(st)ers hebben recht op een eindejaarspremie en vakantiegeld, op voorwaarde dat de school RSZ moet betalen op het loon van de busbegeleid(st)er.

Indien een leraar of een ander personeelslid van de school bij wijze van bijkomende prestaties aan busbegeleiding doet, is de school niet verplicht om deze persoon een vakantiegeld of eindejaarstoelage toe te kennen voor zijn of haar prestaties als busbegeleid(st)er. De prestaties van busbegeleid(st)ers in bijberoep, zijn immers vrijgesteld van RSZ.

2.4.3.4. Doorbetaling tijdens de korte schoolvakanties

Aangezien de subsidiëring van de scholen doorloopt tijdens de korte schoolvakanties (herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie), dienen de scholen hun busbegeleid(st)ers minstens een arbeidsovereenkomst aan te bieden die doorloopt tijdens deze vakanties. Dit betekent in de praktijk dat busbegeleid(st)ers die op 1 september van het schooljaar in dienst treden, minstens een contract van bepaalde duur van 10 maanden moeten aangeboden krijgen.

2.4.3.5. Bestaanszekerheidsvergoeding

Om te verzekeren dat de busbegeleid(st)ers ook over voldoende inkomen beschikken tijdens de maanden juli en augustus, kan een aanvullende bestaanszekerheidsvergoeding van 5 euro/dag worden toegekend bovenop de werkloosheidsvergoeding (PERS/2007/08). Met ingang van 2014 werd de bestaanszekerheidsvergoeding met 5 euro verhoogd voor de eerste 20 dagen.

2.4.3.6. Verzekering bij arbeidsongevallen

  • Gemeenschapsonderwijs

Contractuele personeelsleden in het gemeenschapsonderwijs vallen onder toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving van de openbare sector. Meer informatie hierover kan u vinden in omzendbrief 13AC/IF/ONG.28.1. De aangifte van een arbeidsongeval moet opgestuurd worden naar het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

  • Vrij en officieel gesubsidieerd onderwijs

Voor contractuele personeelsleden in het vrij gesubsidieerd en het officieel gesubsidieerd onderwijs moeten de scholen een privé-arbeidsongevallenverzekering afsluiten, volgens de wet van 10 april 1971.

2.4.3.7. Vorming

Busbegeleid(st)ers hebben recht op vorming om hun takenpakket goed te kunnen uitvoeren. De kwaliteit van het buitengewoon onderwijs is immers onlosmakelijk verbonden met de wijze waarop de busbegeleid(st)ers hun taken uitvoeren. Organisatorische competenties worden afgewisseld met pedagogische competenties, dus levenslang leren of permanente vorming is noodzakelijk om het beroep op een kwaliteitsvolle manier te blijven uitoefenen.

Bijgevolg voorziet het Departement Onderwijs en Vorming jaarlijks middelen om busbegeleid(st)ers van het zonaal collectief vervoer op te leiden.

  • Locatie

Een aantal door de Vlaamse Overheid geselecteerde hogescholen die een opleiding orthopedagogie aanbieden, geven jaarlijks opleidingen voor busbegeleid(st)ers. De geselecteerde hogescholen zijn verspreid over de provincies.

Alle scholen voor buitengewoon onderwijs worden jaarlijks schriftelijk uitgenodigd door deze hogescholen om hun busbegeleid(st)ers de kans te geven in te schrijven op deze vormingen. De scholen worden op de hoogte gebracht van het aantal cursussen, het maximaal aantal deelnemers, de data en de plaats van de opleidingen.

De beherende scholen die instaan voor de aanwerving van de busbegeleiding kunnen de busbegeleid(st)ers laten deelnemen aan deze opleidingen.

  • Inhoud

De basiscursus busbegeleiding bestaat uit een reeks van zeven sessies met vaststaande thema’s: kennismaking en taakafbakening, omgaan met de doelgroep, preventief werken, uit de hand gelopen situaties, EHBO, communicatie en evaluatie.

Daarnaast bestaat de mogelijkheid om per thema een verdiepingssessie te volgen. Busbegeleid(st)ers kunnen gedurende hun loopbaan verschillende keren een verdiepingscursus volgen.

2.4.4. Parkingwachters

Binnen het zonaal collectief leerlingenvervoer wordt gebruik gemaakt van overstapparkings. Een overstapparking is een plaats waar een bepaald aantal bussen samenkomen op een punt tussen de woonplaats van de leerlingen enerzijds en de verschillende scholen anderzijds, en waar de leerlingen overstappen op de bus die hen ’s morgens naar hun school brengt of ’s avonds naar huis. Een overstapparking is gelegen op een publieke plaats of op een privéterrein en bevindt zich niet op het domein van een school. Deze publieke plaats is eveneens toegankelijk voor ander verkeer en/of personen die niet tot de school behoren, waardoor de veiligheid van overstappende leerlingen in het gedrang komt.

Bijgevolg vallen onder de noemer van ‘busbegeleiding’ eveneens een aantal parkingwachters. Dit zijn personen die op de zogenaamde overstapparkings zorgen voor een vlotte en veilige overstap van de leerlingen op de verschillende bussen en die het signaal geven voor een veilig en ordelijk vertrek van deze bussen.

2.4.4.1. Subsidie parkingwachters

De subsidie van een parkingwachter vanuit het Departement Onderwijs en Vorming is nergens wettelijk bepaald. Onderstaande criteria worden daarom als een indicatie beschouwd en niet als een strikte norm.

Om een nieuwe parkingwacht in aanmerking te laten nemen voor subsidiëring moet aan de volgende criteria zijn voldaan:

  • Het werkterrein van de parkingwachter is een door De Lijn en het Departement Onderwijs en Vorming erkende overstapparking.

  • Taakomschrijving: de parkingwachter zorgt ervoor dat een bepaald aantal leerlingen veilig van de ene bus afstapt en op de juiste bus opstapt bij het wisselen van bus tijdens het woon-schoolvervoer. Daarnaast coördineert een parkingwachter het achtereenvolgens vertrekken van de verschillende bussen.

  • Het aantal bussen op een overstapparking bepaalt hoeveel parkingwachters er tewerkgesteld kunnen worden:
    • > 10 bussen: mogelijkheid om één parkingwachter aan te vragen;
    • > 25 bussen: mogelijkheid om maximum twee parkingwachters aan te vragen;
    • > 40 bussen: mogelijkheid om maximum drie parkingwachters aan te vragen.

Het akkoord tot het subsidiëren van een parkingwachter dient schriftelijk te worden aangevraagd via leerlingenvervoer@vlaanderen.be.

De wijze om een subsidie aan te vragen voor een parkingwachter evenals de berekening van de subsidie verloopt volgens dezelfde stappen als de wijze waarop een subsidie voor de busbegeleiding wordt aangevraagd en berekend. De wettelijke bepalingen over de arbeidsovereenkomst, het statuut en de verzekering bij arbeidsongevallen zijn overeenkomstig die van de busbegeleiding (zie punt 2.4.3).

Opgelet! De parkingwachter wordt met een maximum van 120 minuten per dag gesubsidieerd.

3. Individueel leerlingenvervoer

Een leerling in het buitengewoon onderwijs kan enkel gebruik maken van het individueel leerlingenvervoer wanneer het recht op vervoer voor deze leerling werd toegekend door het Departement Onderwijs en Vorming.

Dit recht op vervoer geldt enkel voor het woon-schoolvervoer. Het vervoer naar stage- of andere plaatsen dan de school of het (semi-)internaat/MFC valt buiten het zonaal leerlingenvervoer.

Een inschrijving in een bepaalde school garandeert niet automatisch het recht op leerlingenvervoer, net zoals het recht op leerlingenvervoer niet automatisch een inschrijving in een school garandeert. Voor meer informatie m.b.t. het inschrijvingsrecht, raadpleeg de omzendbrief Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het basisonderwijs en Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het secundair onderwijs.

Rechtsgrond :

Artikel 5, 6 en 7 van het decreet van 30 november 2007 flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau van het decreet basisonderwijs.

Koninklijk Besluit van 23 februari 1960 houdende tussenkomst van de staat in de vervoerskosten van leerlingen.

Artikel 25 paragraaf 1bis decreet basisonderwijs houdende de hoogte van de tussenkomst.

3.1. Recht op individueel leerlingenvervoer: voorwaarden

Een leerling uit het buitengewoon onderwijs heeft onder bepaalde voorwaarden recht op individueel leerlingenvervoer:

  • De leerling volgt de lessen in de dichtstbijzijnde school van het net van keuze, tot op het niveau van de vestigingsplaats. Dit is een school van het vrij onderwijs naargelang de onderscheiden godsdiensten, het gemeenschapsonderwijs, het provinciaal en gemeentelijk onderwijs of het niet-confessioneel onderwijs.

  • Dit moet eveneens een school zijn die aanbiedt waarnaar het attest van de leerling verwijst:
    • Het type in het buitengewoon basisonderwijs;
    • De opleidingsvorm, het type en de opleiding in het buitengewoon secundair onderwijs.

Voor het individueel vervoer wordt de woonplaats/verblijfplaats in aanmerking genomen voor het bepalen van de afstand tot de school/vestigingsplaats en omgekeerd.

Bij de meting van de afstand naar de dichtstbijzijnde school wordt rekening gehouden met een marge van maximaal 10% bij het toekennen van het recht op kosteloos vervoer. Leerlingen die twee of meer scholen vinden binnen deze marge van 10% kunnen het recht op vervoer krijgen naar elk van deze scholen.

Een deelname aan individueel vervoer sluit in principe een deelname aan collectief vervoer uit.

3.1.1. Afwijkingen

Naar aanleiding van de oprichting van type 9, worden er vanaf 1 september 2015 geen afwijkingen ‘autiwerking’ meer verleend.

Een afwijking kan wel verleend worden bij:

1. Co-ouderschap

Leerlingen die omwille van co-ouderschap recht hebben op leerlingenvervoer naar de ene ouder, krijgen ook recht op leerlingenvervoer naar de andere ouder.

Bij de afwijking co-ouderschap is de combinatie van een recht op individueel vervoer en een recht op collectief vervoer toegestaan: een leerling kan bij de ene ouder gebruik maken van het recht op collectief vervoer en bij de andere ouder gebruik maken van het recht op individueel vervoer.

2. Twee opeenvolgende trajecten

Binnen één traject is de combinatie van een recht op individueel vervoer en een recht op collectief vervoer toegestaan: een leerling kan het eerste stuk van het traject gebruik maken van zijn recht op individueel vervoer en vervolgens het traject voortzetten door gebruik te maken van het recht op collectief vervoer.

3. School volzet

Wanneer de dichtste school volzet is, krijgt de leerling recht op vervoer naar de eerstvolgende school die niet volzet is van het net van zijn keuze waarnaar zijn attest verwijst.

In dat geval is een van de volgende attesten ‘mededeling van een niet-gerealiseerde inschrijving’ vereist:

4. Internaat (MPI)/Verblijf (MFC)/IPO

Indien ouders kiezen voor een internaat/verblijf/IPO wordt de leerling rechthebbend wanneer hij de dichtstbijzijnde school met internaat/verblijf/IPO bezoekt. De leerling maakt gebruik van weekendvervoer.

Wanneer het internaat/verblijf volzet is, krijgt de leerling recht op vervoer naar de eerstvolgende school met internaat/verblijf/IPO. In dat geval dient een volzetverklaring bezorgd te worden aan het coördinatiepunt.

5. Semi-internaat (MPI)/Dagopvang (MFC)

Indien ouders kiezen voor een semi-internaat/dagopvang wordt de leerling rechthebbend wanneer hij de dichtstbijzijnde school met semi-internaat/dagopvang bezoekt. De leerling maakt gebruik van dagelijks vervoer.

Wanneer het semi-internaat/dagopvang volzet is, krijgt de leerling recht op vervoer naar de eerstvolgende school met semi-internaat/dagopvang. In dat geval dient een volzetverklaring bezorgd te worden aan het coördinatiepunt.

6. Verhuis

Rechthebbende leerlingen die door een verhuis niet meer de dichtstbijzijnde school bezoeken, behouden hun recht op vervoer tot het einde van het lopende schooljaar.

7. Jeugdrechtbank/gemandateerde voorziening/crisismeldpunt

Leerlingen die door de jeugdrechter, een gemandateerde voorziening of een crisismeldpunt geplaatst worden, hebben recht op leerlingenvervoer:

  • Vanuit de voorziening waar ze geplaatst zijn naar de dichtstbijzijnde school;
  • Vanuit de voorziening waar ze geplaatst zijn naar de school waar ze reeds school liepen;
  • Naar de school waar ze geplaatst zijn.

8. OV3: observatiejaar

Leerlingen binnen het observatiejaar van opleidingsvorm 3 zijn altijd rechthebbend, op voorwaarde dat er geen dichter gelegen school of vestigingsplaats is met minstens een identiek of een identiek en uitgebreider aanbod aan opleidingen.

9. OV4: eerste jaar A of B

Leerlingen binnen het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B van opleidingsvorm 4 zijn altijd rechthebbend, op voorwaarde dat er geen dichter gelegen school of vestigingsplaats is met minstens een identiek of een identiek en uitgebreider aanbod aan studierichtingen.

3.1.2. Behoud van de status van rechthebbendheid

Leerlingen behouden de status van rechthebbendheid:

  • Voor de studies die zij hebben aangevat op het niveau van het basisonderwijs, op voorwaarde dat de opstapplaats van de leerling niet wijzigt, waarvoor het recht op vervoer werd verleend;
  • Voor de studies die zij hebben aangevat op het niveau van het secundair onderwijs, op voorwaarde dat de opstapplaats van de leerling niet wijzigt, waarvoor het recht op vervoer werd verleend;
  • Indien door het financieren of subsidiëren van een nieuwe school, opleiding of type de criteria van meest dichtbij gelegen school niet meer zouden beantwoorden aan de realiteit;
  • Indien in een school een type of opleidingsvorm volledig verhuist naar een andere vestigingsplaats;
  • Indien in een school binnen een opleidingsvorm een bepaalde opleiding volledig verhuist naar een andere vestigingsplaats;
  • Indien een leerling tijdens de loopbaan van type of opleiding verandert, op voorwaarde dat de leerling ondertussen niet verhuist of van school/vestigingsplaats verandert;
  • Indien een leerling na minstens één jaar overstapt van internaat naar externaat;
  • Indien een leerling gedurende minstens één jaar aan het collectief vervoer deelneemt en overstapt naar het openbaar vervoer.

3.1.3. Leerlingen met woon- of verblijfplaats buiten Vlaanderen

Artikel 127 van de Belgische grondwet bepaalt dat de Vlaamse en de Franse gemeenschap, ieder wat hem betreft, bij decreet, het onderwijs regelt (evenwel met uitsluiting van de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht; de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's; de pensioenregeling; §1).

Artikel 127, §2 stelt dat deze decreten kracht van wet hebben respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en het Franse taalgebied, alsook in de instellingen gevestigd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap.

Dit betekent dat er geen tussenkomst mogelijk is voor leerlingen die wonen of verblijven buiten Vlaanderen en die een school bezoeken in het Vlaams Gewest of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Door deze bepaling kunnen de volgende leerlingen wel rechthebbend zijn voor een tussenkomst in het leerlingenvervoer:

  • Alle leerlingen die wettelijk zijn ingeschreven in het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs in het Vlaams Gewest en van wie de woonplaats gelegen is in het Vlaams Gewest of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  • Alle leerlingen die wettelijk zijn ingeschreven in het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en die in het Vlaams Gewest of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wonen;
  • Alle leerlingen die in de taalgrensgemeenten en de faciliteitengemeenten in het Vlaams Gewest wonen en daar een door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde Franstalige basisschool bezoeken.

Rechtsgrond :

Wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs.

Wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken.

Belgische grondwet van 17 februari 1994

3.2. De dichtstbijzijnde school vinden

Om hulp te bieden aan ouders, CLB’s en anderen bij het kiezen van een school voor leerlingen die zullen inschrijven in het buitengewoon onderwijs en daarbij gebruik willen maken van het leerlingenvervoer is de tool ‘Vind de meest nabije school voor buitengewoon onderwijs’ voorzien.

Deze tool geeft informatie over de afstand tussen de woonplaats/verblijfplaats en de dichtstbijzijnde scholen per gekozen net.

Via deze tool kunnen enkel informatieve aanvragen gedaan worden en kan dus geen recht op vervoer aangevraagd worden.

3.3. Het recht op individueel leerlingenvervoer aanvragen

Aanvragen voor recht op individueel leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs kunnen enkel door scholen ingediend worden via de webapplicatie ‘Recht op leerlingenvervoer’.

De gegevens in de applicatie zijn beveiligd. Via e-ID of via een gebruikersnaam met wachtwoord kunnen scholen inloggen in de beveiligde omgeving.

Aanvragen tot recht op individueel leerlingenvervoer worden automatisch verwerkt door de applicatie indien er geen afwijking wordt aangevraagd. Indien er een afwijking nodig is, wordt de aanvraag manueel verwerkt door de dienst leerlingenvervoer.

Eens een aanvraag verwerkt is, krijgt de aanvrager hiervan een bevestigingsmail toegestuurd met een goedkeuring of een weigering. In deze mail zit een pdf-bestand met de gegevens van de leerling en de feedback van het team leerlingenvervoer.

Het recht op individueel vervoer dient jaarlijks vernieuwd te worden.

Meer informatie over de webapplicatie vindt u in de handleiding.

3.4. Effectieve deelname aan het individueel leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs

Opdat een leerling ook effectief gebruik kan maken van zijn toegekend recht op individueel leerlingenvervoer, dienen – afhankelijk van het vervoerstype – onderstaande stappen gevolgd te worden om een abonnement openbaar vervoer of een subsidie voor eigen vervoer aan te vragen.

Opgelet:

  • Leerlingen waarvoor ten onrechte de terugbetaling van een abonnement openbaar vervoer wordt aangevraagd, zullen door de administratie worden geschrapt.

  • Bij verlies van een abonnement worden de extra kosten voor aparte vervoersbewijzen, die de periode overbruggen tot de ontvangst van het nieuwe abonnement, niet vergoed.

3.4.1. Abonnement NMBS

1. Aanvraag webapplicatie

De school vraagt het recht op individueel vervoer aan via de webapplicatie ‘Recht op leerlingenvervoer’. De school ontvangt de goedkeuring en het toelatingsnummer via email (deze gegevens zijn ook zichtbaar in de webapplicatie).

2. Aanvraag NMBS

De school vermeldt dit toelatingsnummer op het NMBS-formulier ‘aanvraag van een treinkaart in debet’ en/of ‘aanvraag van een validatie in debet’(bijlage 9 tot 13). De schooldirecteur ondertekent dit formulier met daarbij de naam van de school en de stempel van de school. De school gaat met dit formulier naar het stationsloket en vraagt het abonnement aan.

Let op: gebruik het formulier van de provincie waarin uw school is gelegen:

Wanneer een leerling reeds in het bezit is van een abonnement, moet dit door de leerling aan de NMBS teruggestuurd worden. Nadien ontvangt de leerling een nieuw abonnement, afgeleverd door de school.

Wanneer een leerling de school verlaat of het abonnement voortijdig inlevert, moet hij/zij het abonnement afgeven op school. De school wendt zich nadien rechtstreeks tot de NMBS om het abonnement terug te sturen, door te mailen naar fac.vrf@b-rail.be. Gelieve de naam, voornaam en geboortedatum van de betreffende leerling(en) te vermelden.

3. Aanmaak MOBIB-kaart

Voor de aanmaak van de MOBIB-kaart (met pasfoto) is de identiteitskaart van de leerling of zijn/haar aanwezigheid aan het loket vereist. Meer informatie over de MOBIB-kaart, het gebruik en wat te doen bij verlies kan u nalezen in bijlage 14.

Na stopzetting van een schoolabonnement dient de MOBIB-kaart niet teruggestuurd of vernietigd te worden. De MOBIB-kaart is immers persoonlijk en kan door de houder ook voor andere (persoonlijke) abonnementen gebruikt worden.

4. Facturatie

Het abonnement wordt via het derdebetalerssyteem door het Departement Onderwijs en Vorming gesubsidieerd. De tussenkomst van een abonnement NMBS bedraagt het tarief van een schooltreinkaart 2de klas.

Ook de kosten voor de aanmaak van een MOBIB-kaart worden via het derdebetalerssyteem aan het Departement Onderwijs en Vorming gefactureerd.

Indien de leerling geen gebruik maakt van een schoolabonnement, moet worden aangetoond dat de gebruikte methode (bv. sporadisch gebruik van spoorkaartjes) goedkoper is dan de prijs van een schoolabonnement 2de klas. In dat geval moeten bv. spoorkaartjes bij het dossier worden gevoegd, in functie van een terugbetaling. Enkel de goedkoopste vervoermethode wordt terugbetaald.

3.4.2. Abonnement De Lijn

1. Aanvraag webapplicatie

De school vraagt het recht op individueel vervoer aan via de webapplicatie ‘Recht op leerlingenvervoer’. De school ontvangt de goedkeuring en het toelatingsnummer via email (deze gegevens zijn ook zichtbaar in de webapplicatie).

2. Aanvraag De Lijn

Abonnementen worden via mail (abonnementen@delijn.be) aangevraagd bij de dienst abonnementen van De Lijn in Oostende (SSC, Share Service Center). Goedkeuringen en attesten worden ook digitaal doorgestuurd.

Wanneer een leerling reeds in het bezit is van een abonnement, moet dit door de leerling aan De Lijn teruggestuurd worden. Nadien ontvangt de leerling een nieuw abonnement, afgeleverd door de school.

Wanneer een leerling de school verlaat, moet hij/zij het abonnement terugsturen naar De Lijn.

3. Facturatie

Het abonnement wordt via het derdebetalerssyteem door het Departement Onderwijs en Vorming gesubsidieerd. De tussenkomst van een abonnement van De Lijn is gelijk aan het tarief van de Buzzy Pazz van De Lijn.

Indien de leerling geen gebruik maakt van een Buzzy Pazz, moet worden aangetoond dat de gebruikte methode (bv. sporadisch gebruik van een lijnkaart) goedkoper is dan de prijs van een Buzzy Pazz. In dat geval moeten bv. lijnkaartjes bij het dossier worden gevoegd, in functie van een terugbetaling. Enkel de goedkoopste vervoermethode wordt terugbetaald.

3.4.3. Abonnement MIVB

1. Aanvraag webapplicatie

De school vraagt het recht op individueel vervoer aan via de webapplicatie ‘Recht op leerlingenvervoer’. De school ontvangt de goedkeuring en het toelatingsnummer via email (deze gegevens zijn ook zichtbaar in de webapplicatie).

2. Aanvraag MIVB

De school vraagt via mail (abonnementen@mivb.irisnet.be) een schoolabonnement in debet aan bij de MIVB.

  • Aanvraag van een abonnement voor nieuwe leerlingen

De school krijgt van de MIVB een digitaal bestand dat moet ingevuld worden voor de abonnementsaanvragen van nieuwe leerlingen. Er wordt eveneens een papieren versie van dit bestand verstuurd, samen met MOBIB-formulieren.

Dit bestand en de MOBIB-formulieren moeten ingevuld worden en ten laatste voor de 15de van de maand per post teruggestuurd worden naar:

MIVB - Schoolabonnementen
Koningsstraat 76
1000 Brussel

Aan het papieren dossier dient eveneens een afgedrukte goedkeuring uit de webapplicatie ‘Recht op leerlingenvervoer’ toegevoegd te worden. Dit dossier moet ook digitaal verzonden worden naar abonnementen@mivb.irisnet.be.

Zonder MOBIB-formulier kan de MIVB de betrokken klant geen abonnement afleveren.

De abonnementen waarvoor de aanvraag voor de 15de van de maand werden toegestuurd, starten vanaf de 1ste van de volgende maand.

  • Vernieuwing van een abonnement van bestaande abonnees

De school ontvangt eind mei een digitaal bestand voor de te vernieuwen abonnementen van de MIVB. De school moet dit bestand goedkeuren, eventueel verbeteren (contract niet verlengen, adreswijziging, ... ) en terugsturen via abonnementen@mivb.irisnet.be.

Deze informatie moet één maand voor de vervaldatum van de abonnementen in het bezit zijn van de MIVB.

Samen met dit hernieuwingsbestand ontvangt de school ook een bestand dat ingevuld moet worden voor de abonnementsaanvragen van nieuwe leerlingen vanaf 1 september van het nieuwe schooljaar (zie ‘aanvraag van een abonnement voor nieuwe leerlingen’).

3. Facturatie

Het abonnement wordt via het derdebetalerssyteem door het Departement Onderwijs en Vorming gesubsidieerd. De tussenkomst van een abonnement bedraagt het tarief van een schoolabonnement MIVB.

Indien de leerling geen gebruik maakt van een schoolabonnement, moet worden aangetoond dat de gebruikte methode (bv. sporadisch gebruik van dagkaarten) goedkoper is dan de prijs van een schoolabonnement. In dat geval moeten bv. dagkaartjes bij het dossier worden gevoegd, in functie van een terugbetaling. Enkel de goedkoopste vervoermethode wordt terugbetaald.

3.4.4. Subsidie voor vervoer eigen wagen

Ouders van leerlingen uit het buitengewoon onderwijs die kiezen om hun kind(eren) zelf met de eigen wagen naar de dichtstbijzijnde school te brengen, kunnen hiervoor een tussenkomst in de vervoerskosten krijgen.

1. Melding school

De ouders melden aan de school wanneer zij hun kinderen zelf met de eigen wagen naar school brengen.

2. Aanvraag webapplicatie

De school vraagt het recht op individueel vervoer aan via de webapplicatie ‘Recht op leerlingenvervoer’. De school ontvangt de goedkeuring en het toelatingsnummer via email (deze gegevens zijn ook zichtbaar in de webapplicatie).

3. Aanvraag subsidie

De school vraagt per trimester de subsidie aan via de applicatie ‘Subsidie individueel vervoer’. Meer informatie over het aanvragen van de subsidie vindt u in het stappenplan.

4. Uitbetaling subsidie

Na verloop van elk trimester betaalt het team Leerlingenvervoer de subsidie aan de school. Na ontvangst stort de school deze subsidie per individuele leerling door aan de betreffende ouders.

Het bedrag van de subsidie wordt als volgt berekend:

  • 75% van het tarief van het jaarabonnement van een treintrajectkaart 2de klas NMBS bij dagelijks vervoer (5 dagen per week, 2x per dag);
  • 1/5 van het tarief van het jaarabonnement van een treintrajectkaart 2de klas NMBS bij weekendvervoer (enkel maandagmorgen en vrijdagavond);
  • Of een percentage van bovenvermeld tarief a rato van het aantal verplaatsingen (in andere gevallen, zoals bv. bij co-ouderschap).

Voor het uitbetalen van de subsidie wordt rekening gehouden met de afstand tot op twee decimalen na de komma. Afstanden die eindigen op 0,50 meter worden naar boven afgerond. Een leerling die op minder dan 1 kilometer van de school woont, ontvangt steeds het minimumsubsidiebedrag (overeenkomstig de afstand van 1 kilometer).

4. Contactgegevens

4.1. Departement Onderwijs en Vorming

Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming
Departement Onderwijs en Vorming
Afdeling Basisonderwijs en Deeltijds Kunstonderwijs
Team Leerlingenvervoer
Koning Albert II-laan 15
1210 Brussel
Tel: 02 553 88 46 – E-mail: leerlingenvervoer@vlaanderen.be

4.2. De Lijn

De Lijn beschikt per provincie over een provinciale entiteit leerlingenvervoer. Deze entiteiten staan o.a. in voor de planning van de ritten, contact met de scholen, beheer van de administratie, optimaliseren van de dienstverlening, …

5. Bijlagen

Bijlage 1 - Adres entiteiten De Lijn

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3264 (doc. nr. 3264)

Bijlage 2 - Een overzicht van de gemeenten opgenomen in het zonaal leerlingenvervoer

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3255 (doc. nr. 3255)

Bijlage 3 - Aanwezigheidslijst voor De Lijn

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=5089 (doc. nr. 5089)

Bijlage 4 - Trimestriële leerlingenlijst voor De Lijn

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3750 (doc. nr. 3750)

Bijlage 5 - Minimumvereisten chauffeurs - busbegeleiders - ouders

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=5471 (doc. nr. 5471)

Bijlage 6 - Draaiboek voor het leerlingenvervoer naar en van de school

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3265 (doc. nr. 3265)

Bijlage 7 - Aanvraag van een subsidie voor busbegeleiding in het zonaal leerlingenvervoer

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4522 (doc. nr. 4522)

Bijlage 8 - Tarieven individueel vervoer

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3637 (doc. nr. 3637)

Bijlage 9 - Aanvraag van een treinkaart in debet / validatie in debet/ duplicaat in debet West-Vlaanderen

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4139 (doc. nr. 4139)

Bijlage 10 - Aanvraag van een treinkaart in debet / validatie in debet/ duplicaat in debet Oost-Vlaanderen

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4140 (doc. nr. 4140)

Bijlage 11 - Aanvraag van een treinkaart in debet / validatie in debet/ duplicaat in debet Antwerpen

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4141 (doc. nr. 4141)

Bijlage 12 - Aanvraag van een treinkaart in debet / validatie in debet/ duplicaat in debet Vlaams-Brabant

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4142 (doc. nr. 4142)

Bijlage 13 - Aanvraag van een treinkaart in debet / validatie in debet/ duplicaat in debet Limburg

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4143 (doc. nr. 4143)

Bijlage 14 - MOBIB-kaart

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=5568 (doc. nr. 5568)

Bijlage 15 - Aanvraag van een tijdelijk gewijzigde opstapplaats (TGO)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=6369 (doc. nr. 6369)