Personeelsformatie Scholen in het Gewoon Basisonderwijs

  • D e mogelijkheid om lestijden kleuteronderwijs (basisomkadering, instaplestijden en capaciteitslestijden) om te zetten in uren kinderverzorging wordt verlengd m.i.v 1 september 201 6 . Scholen die geen geschikte kleuteronderwijzer vinden, kunnen ook in het schooljaar 201 6 -201 7 deze lestijden omzetten in uren kinderverzorging.

Het nieuwe omkaderingssysteem in het gewoon basisonderwijs

Vanaf 1 september 2012 wordt er in het gewoon basisonderwijs gewerkt met een nieuw omkaderingssysteem. Dit nieuwe omkaderingssysteem wil twee grote doelstellingen realiseren: enerzijds de lat gelijk leggen in omkadering voor het kleuter- en het lager onderwijs en anderzijds een deel van de omkaderingsmiddelen toekennen op basis van leerlingenkenmerken.

Om deze doelstellingen te realiseren is het bestaande omkaderingsmechanisme hervormd. Deze hervorming heeft tot gevolg dat een aantal van de huidige omkaderingsparameters gewijzigd, afgeschaft of geobjectiveerd zijn.

Om dit nieuwe omkaderingssysteem te realiseren wordt er 52,7 miljoen euro extra in het basisonderwijs geïnvesteerd. Die bijkomende investering komt vooral het kleuteronderwijs ten goede, daar stijgt de omkadering met 8,8 %. Maar ook het lager onderwijs wint, daar is er een stijging met 1,7 %.

De krijtlijnen van het nieuwe systeem zijn:

  • De huidige lestijdenschaal van het lager onderwijs in Vlaanderen wordt ook op het kleuteronderwijs toegepast: het kleuteronderwijs wordt beter omkaderd en de schaal is minder degressief. Er is dus maar één schaal meer: de lestijdenschaal van het lager onderwijs in Vlaanderen.
  • Er is geen aanwendingspercentage meer.
  • Er wordt een SES-percentage van 97,16% toegepast op de lestijden volgens de schalen.
  • De lestijden GOK, GOK+ en (brede) Rand en Taal worden geïntegreerd in het nieuwe omkaderingssysteem. De 10%-drempel vervalt om recht te hebben op SES-lestijden. Elke leerling die voldoet aan de SES-kenmerken genereert SES-lestijden.
  • De aparte en meer voordelige lestijdenschalen voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vervallen, maar in de plaats daarvan komt een Brusselweging: elke leerling die school loopt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest telt aan 1,11, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen.
  • De leerlingen van vestigingsplaatsen in dun bevolkte gebieden (minder dan 100 inw/km2) worden aan 1,05 gewogen, voor de berekening van de lestijden volgens de schalen.
  • Er komt een nieuwe manier van aparte telling van vestigingsplaatsen: als een vestigingsplaats op ten minste 1,5 km in vogelvlucht verwijderd is van een school of van een vestigingsplaats van dezelfde groep met hetzelfde niveau (resp. kleuter en lager), dan telt ze apart. De aparte telling wordt per gemeente bekeken. M.a.w. bv. een niveau kleuteronderwijs in gemeente A heft de aparte telling van een niveau kleuteronderwijs in gemeente B niet op.
  • Lestijden lichamelijke opvoeding worden mee geïntegreerd in het systeem. Er werd een waarborgregeling voor lichamelijke opvoeding uitgewerkt.
  • De instaplestijden t.e.m. de eerste schooldag van februari worden in het nieuwe systeem geïntegreerd. Instaplestijden zullen enkel nog vanaf de eerste schooldag na de krokusvakantie toegekend worden. Scholen die een niveau kleuter onderwijs hebben opgericht of een vestigingsplaats met kleuteronderwijs hebben opgericht, hebben tijdens het tweede, derde en vierde bestaansjaar van dit niveau of deze vestigingsplaats mogelijk recht op instaplestijden op de eerste schooldag van september.
  • Als de leerling/leerkracht ratio van een niveau in een school boven 18,5 uitkomt, dan wordt die afgetopt naar 18,5 door het toekennen van additionele lestijden aan die school voor dat niveau.
  • Een beperkt aantal scholen verliest lestijden in het nieuwe systeem. Om voor hen de overgang te vergemakkelijken wordt er voorzien in een sociale maatregel. Deze sociale maatregel wordt, afbouwend, toegekend voor drie schooljaren. Deze sociale maatregel wordt éénmalig berekend.

1. Inleiding

De personeelsformatie scholen in het gewoon basisonderwijs bestaat uit:

  • Lestijden (zie punt 3).
  • Uren (zie punt 4).
  • Punten (zie punt 7).
  • Vervangingseenheden ( zie punt 9).

Op basis waarvan kan aangesteld worden in respectievelijk:

  • Bestuurs- en onderwijzend personeel:
    • De directie
    • Onderwijzend personeel
  • Het paramedisch personeel: kinderverzorger.
  • Het beleids- en ondersteunend personeel: administratief medewerker, zorgcoördinator en ict-coördinator.

2. De directie

2.1. De directeur

In elke school wordt een ambt van directeur gefinancierd of gesubsidieerd.

In kleine scholen wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht:

14 lestijden in scholen met minder dan 20 leerlingen;

10 lestijden in scholen met 20 tot en met 129 leerlingen;

4 lestijden in scholen met 130 tot en met 179 leerlingen.

Voor de scholen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft een directeur een onderwijsopdracht van:

14 lestijden in scholen met minder dan 20 leerlingen;

10 lestijden in scholen met 20 tot en met 69 leerlingen;

4 lestijden in scholen met 70 tot en met 99 leerlingen.

Voor de vaststelling van de onderwijsopdracht van de directeur wordt rekening gehouden met het aantal regelmatige leerlingen uit het kleuteronderwijs en uit het lager onderwijs die in aanmerking komen voor de berekening van de lestijden volgens de schalen van het lopende schooljaar. Voor het bepalen van de lesopdracht van de directeur wordt op de leerlingen een coëfficiënt 1 toegepast, de leerlingen worden m.a.w. niet gewogen.

Als een directeur een onderwijsopdracht heeft kan hij die in een basisschool zowel in het kleuter- als in het lager onderwijs of in beide niveaus uitoefenen.

Een onderwijsopdracht kan via de puntenenveloppe voor ICT-coördinatie, de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid of via de punten die de school toebedeeld krijgt van de scholengemeenschap (punten die worden samengelegd op het niveau van de scholengemeenschap en/of de punten van de stimulus), geheel of gedeeltelijk omgezet worden in een zorg- of ICT-opdracht. De lesopdracht kan ook omgezet worden in de functie van stafmedewerker-scholengemeenschap (stafmedewerker-SG). Voor deze functie kunnen enkel de samengelegde punten en/of de punten van de stimulus gebruikt worden en/of de punten voor het voeren van een zorgbeleid die aangewend worden op het niveau van de scholengemeenschap. In dit laatste geval kan de functie stafmedewerker-scholengemeenschap enkel in het ambt van zorgcoördinator.

De personeelsconsequenties zijn verschillend naargelang de omzetting gebeurt via ofwel de organieke punten ofwel via de samengelegde punten of de stimulus. (zie omzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen: personeelsformatie en personeelsaspecten).

Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid een deel van het werkingsbudget aan te wenden voor het geheel of gedeeltelijk klasvrij maken van de directeur en/of adjunct-directeur. Meer informatie hierover is terug te vinden in de omzendbrief: “Het werkingsbudget in het basisonderwijs”.

2.2. Adjunct-directeur

In een school die ontstaan is uit een vrijwillige fusie, eventueel gelijktijdig met een herstructurering, wordt een functie van adjunct-directeur gefinancierd of gesubsidieerd als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

  • de scholen die bij de fusie betrokken zijn, hebben op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar een leerlingenaantal dat 15 % boven de vereiste rationalisatienorm ligt. Indien meer dan twee scholen betrokken zijn bij de fusie, is het toegelaten dat één school de verhoogde rationalisatienorm (=115%) niet bereikt (zie ook omzendbrief Programmatie en rationalisatie in het gewoon basisonderwijs).
  • de directeur en de adjunct-directeur moeten op het ogenblik van de fusie vastbenoemd zijn als directeur in één van de gefusioneerde scholen.

Indien de adjunct-directeur een onderwijsopdracht had tijdens het schooljaar voorafgaand aan de fusie, dan behoudt hij deze onderwijsopdracht gedurende de periode van 4 schooljaren (te rekenen vanaf het schooljaar van de fusie). Vanaf het vijfde schooljaar van de fusie is de adjunct-directeur niet langer belast met een onderwijsopdracht indien de school op de teldag ten minste 180 leerlingen telt in Vlaanderen en ten minste 100 leerlingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Voorbeeld:

Ook al telt de fusieschool in het derde jaar na de fusie meer dan 180 leerlingen, toch behoudt de adjunct-directeur zijn onderwijsopdracht in het 3de en 4de jaar van de fusie.

Voor de vaststelling van de onderwijsopdracht gelden de bepalingen van punt 2.1 i.v.m. de lesopdracht van de directeur. Ook de lesopdracht van een adjunct-directeur kan geheel of gedeeltelijk omgezet worden in een zorg- of ICT-opdracht. De lesopdracht kan ook omgezet worden in de functie van stafmedewerker-scholengemeenschap (stafmedewerker-SG). Voor deze functie kunnen enkel de samengelegde punten en/of de punten van de stimulus gebruikt worden en/of de punten voor het voeren van een zorgbeleid die aangewend worden op het niveau van de scholengemeenschap. In dit laatste geval kan de functie stafmedewerker-scholengemeenschap enkel in het ambt van zorgcoördinator.

De functie van adjunct-directeur wordt tijdelijk niet georganiseerd gedurende de tijdelijke uitdiensttreding om welke reden ook:

  • van de directeur;
  • van diegene die de functie van adjunct-directeur waarneemt.

Voorbeelden:

Als de adjunct-directeur drie maand TBS/PA neemt dan wordt deze niet vervangen. Als de adjunct-directeur in ziekteverlof is dan wordt deze niet vervangen.

Als de directeur drie maand TBS/PA neemt dan wordt deze vervangen door de adjunct-directeur. De adjunct-directeur wordt niet vervangen. Als de directeur in ziekteverlof is dan wordt deze vervangen door de adjunct-directeur. De adjunct-directeur wordt niet vervangen.

De functie van adjunct-directeur wordt niet meer georganiseerd van zodra:

  • de directeur definitief uit dienst treedt;
  • de functie van adjunct-directeur niet meer waargenomen wordt tenzij er nog een directeur is die ter beschikking gesteld is ingevolge de vrijwillige fusie;
  • het schoolbestuur een nieuwe basisschool opricht in dezelfde of aangrenzende gemeente.

Meer informatie hieromtrent is terug te vinden in de omzendbrief: “Wijzigingen aan de reaffectatie- en wedertewerkstellingsregeling voor de inrichtende machten en de personeelsleden tewerkgesteld in het niet-tertiair onderwijs”

3. Onderwijzend personeel

Het aantal gefinancierde of gesubsidieerde ambten voor onderwijzend personeel is afhankelijk van het aantal lestijden waarover de school beschikt.

Het aantal lestijden is afhankelijk van:

De basisomkadering van de school. Deze bestaat uit:

  • de lestijden volgens de schalen,
  • de SES-lestijden,
  • de additionele lestijden volgens de schalen, gebaseerd op de leerling/leerkracht-ratio.

De lestijden volgens de schalen in het kleuter- en lager onderwijs kunnen onder bepaalde voorwaarden herberekend worden in de loop van het schooljaar (zie 3.1.6.).

De aanvullende lestijden:

  • voor godsdienst en/of niet-confessionele zedenleer of voor cultuurbeschouwing,
  • voor de opvang van anderstalige nieuwkomers,
  • voor de opvang van gewezen anderstalige nieuwkomers.

De basisomkadering en de aanvullende lestijden vormen samen het lestijdenpakket van de school.

De bijkomende lestijden:

  • vrijwillige fusie,
  • tijdelijk onderwijs aan huis.

3.1. Basisomkadering

De basisomkadering wordt per niveau toegekend.

De basisomkadering in het kleuteronderwijs bestaat uit:

  • de lestijden volgens de schalen,
  • de SES-lestijden,
  • de additionele lestijden volgens de schalen, gebaseerd op de leerling/leerkracht-ratio.

De basisomkadering in het lager onderwijs bestaat uit:

  • de lestijden volgens de schalen,
  • de SES-lestijden,
  • de additionele lestijden volgens de schalen, gebaseerd op de leerling/leerkracht-ratio.

3.1.1. Lestijden volgens de schalen

3.1.1.1. Welke leerlingen mogen geteld worden en op welke wijze?

Enkel regelmatige leerlingen kunnen geteld worden. (zie omzendbrief 'Toelatingsvoorwaarden leerlingen in het gewoon basisonderwijs'(BaO/2001/10)).

Bij het tellen van regelmatige leerlingen gelden volgende regels:

1 Per taalstelsel.

  • Er wordt afzonderlijk geteld per taalstelsel;

2 Per niveau.

  • De leerlingen worden afzonderlijk geteld per niveau (kleuter - lager);

3 Hoe worden de leerlingen gewogen?

  • Op de leerlingen van vestigingsplaatsen die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest liggen, wordt de coëfficiënt1,11 toegepast;
  • Op de leerlingen van vestigingsplaatsen die in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan 100 inwoners per vierkante kilometer liggen, wordt de coëfficiënt 1,05 toegepast (voor de gemeenten die in aanmerking komen: zie bijlage 5);
  • Op alle andere leerlingen wordt een coëfficiënt 1 toegepast tenzij zij:
    • verblijven in een Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning;
    • verblijven in tehuizen voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben;
    • geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;
    • kinderen zijn van binnenschippers, kermis- en circusexploitanten en artiesten en andere trekkende bevolking met een nomadische cultuur.
    • tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen zijn door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten die gefinancierd of gesubsidieerd worden door het Departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse Gemeenschap.

Voor deze leerlingen geldt een coëfficiënt 1,5. De wegingen van 1,5 kunnen niet cumulatief gebeuren. Meer informatie m.b.t. het aantonen van de weging aan 1,5 is terug te vinden in de omzendbrief “Controle van de leerlingen in het gewoon basisonderwijs”.

Op een leerling van een vestigingsplaats gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die in aanmerking komt voor een weging van 1,5, wordt een weging van 1,665 (1,5 maal 1,11) toegepast.

Op een leerling van een vestigingsplaats gelegen in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan 100 inwoners per vierkante kilometer die in aanmerking komt voor een weging van 1,5, wordt een weging van 1,575 (1,5 maal 1,05) toegepast.

Het gewogen aantal leerlingen wordt per niveau als volgt afgerond op het niveau van de samengetelde vestigingsplaatsen of desgevallend apart tellende vestigingsplaatsen: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

De weging aan 1,5 geldt naast de berekening van de lestijden volgens de schalen enkel voor de aanvullende lestijden voor godsdienst en/of niet-confessionele zedenleer of voor cultuurbeschouwing.

De weging aan 1,05 of 1,11of 1,575of 1,665 geldt enkel voor de berekening van de lestijden volgens de schalen.

Voorbeeld:

Een school met 1 vestigingsplaats gelegen in Vlaanderen (dicht bevolkte gemeente)telt 100 kleuters. Drie van deze kinderen tellen aan de coëfficiënt 1,5. De school telt dus 102 gewogen leerlingen (=97+(3 X 1,5) =101,5 of volgens de afrondingsregels 102).

Een school met 1 vestigingsplaats gelegen in Brussel telt 100 kleuters. Drie van deze kinderen tellen aan de coëfficiënt 1,5. De school telt dus 113 gewogen leerlingen (=(97 X 1,11)+(3 X 1,665) =112,665 of volgens de afrondingsregels 113).

Na controle en goedkeuring door de verificateur kan men op grond van het aantal gewogen regelmatige leerlingen op de teldag of gedurende de telperiode uit de lestijdenschaal het aantal lestijden aflezen.

4. Tellen de vestigingsplaatsen samen of apart?

  • Samen of apart?

In een school met verschillende vestigingsplaatsen worden de leerlingen van alle vestigingsplaatsen per niveau samengeteld.

Er is echter een afzonderlijke telling van de leerlingen voor de vestigingsplaatsen die op 1 februari van het voorgaande schooljaar gelegen zijn op ten minste 1,5 kilometer, in een rechte lijn gemeten (vogelvlucht), van elke andere vestigingsplaats behorende tot dezelfde groep en gelegen in dezelfde stad of gemeente, waar onderwijs van hetzelfde onderwijsniveau wordt georganiseerd. De aparte telling wordtm.a.w. per gemeente bekeken.

Een niveau kleuter- of lager onderwijs dat het enige niveau kleuter- of lager onderwijs is van een groep in een welbepaalde stad of gemeente telt per definitie apart, behalve in zijn eerste bestaansjaar.

Voorbeeld

In gemeente Y ligt een vestigingsplaats A met kleuteronderwijs van een school op 2 km vogelvlucht van een vestigingsplaats B met kleuteronderwijs van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente Y. Dit is de dichtstbijzijnde vestigingsplaats binnen de gemeente met kleuteronderwijs van dezelfde groep. Deze vestigingsplaats telt apart, ook al ligt in gemeente X een vestigingsplaats C met kleuteronderwijs van dezelfde groep op 1 km vogelvlucht van de vestigingsplaats A. Vestigingsplaats C ligt immers in een andere gemeente dan vestigingsplaats A.

Naargelang de aard van het schoolbestuur zijn de kleuterscholen, lagere scholen en basisscholen ingedeeld bij één van de volgende groepen:

  • scholen van het gemeenschapsonderwijs;
  • officiële scholen (van de provincies en de gemeenten);
  • vrije katholieke scholen;
  • vrije protestantse scholen;
  • vrije israëlitische scholen;
  • vrije islamitische scholen;
  • vrije orthodoxe scholen;
  • vrije anglicaanse scholen;
  • vrije niet-confessionele scholen.

Een niveau in een vestigingsplaats of in een school dat op 1 september wordt opgericht, zal voor het eerste schooljaar geen afzonderlijke telling van haar leerlingen hebben. Dit geldt ook voor de niveaus in een nieuw opgerichte vestigingsplaats. Omgekeerd kan een nieuw opgerichte vestigingsplaats (of niveau binnen een vestigingsplaats) tijdens haar eerste bestaansjaar de aparte telling nog niet opheffen van een andere vestigingsplaats gelegen op minder dan 1,5 km vogelvlucht.

Een niveau dat nergens bijgeteld kan worden, binnen de school, telt defacto apart. Ook al ligt het niveau dichter dan 1,5km vogelvlucht van een vestigingsplaats van dezelfde groep met hetzelfde niveau.

Bijvoorbeeld: Een kleuterschool heeft drie vestigingsplaatsen. Vestigingsplaats 1 en vestigingsplaats 2 liggen elk op ten minste 1,5km vogelvlucht van elke andere vestigingsplaats met kleuteronderwijs van dezelfde groepbinnen dezelfde gemeente.Vestigingsplaats 3 ligt echter op 1km vogelvlucht van een vestigingsplaats van dezelfde groep binnen dezelfde gemeentemet kleuteronderwijs. Het niveau kleuteronderwijs in deze vestigingsplaats beantwoordt niet aan de definitie van “apart tellen”. Doordat in de andere twee vestigingsplaatsen het niveau kleuteronderwijs apart telt, kunnen de kleuters van de derde vestigingsplaats echter nergens bijgeteld worden. Deze kleuters tellen bijgevolg eveneens apart.

Voorbeeld 1

Een school uit Vlaanderen, heeft twee vestigingsplaatsen (A en B)met basisonderwijs. De school richt op 1/9/12 een nieuwe vestigingsplaats (C)met lager onderwijs op.

Vestigingsplaats A ligt op 3km vogelvlucht van elke andere vestigingsplaats van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente (inclusief de eigen vestigingsplaats B) waar kleuteronderwijs wordt aangeboden. Vestigingsplaats B ligt op 2km vogelvlucht van elke andere vestigingsplaats van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente (inclusief de eigen vestigingsplaats A) waar kleuteronderwijs wordt aangeboden. De vestigingsplaatsen A en B tellen, wat het niveau kleuteronderwijs betreft, apart.

Vestigingsplaats B ligt op 2km vogelvlucht van een vestigingsplaats van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente waar lager onderwijs wordt ingericht. Vestigingsplaats A ligt op 3km van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente waar lager onderwijs wordt ingericht. De vestigingsplaatsen A en B tellen, wat het niveau lager onderwijs betreft, apart. De nieuw opgerichte vestigingsplaats C telt in haar oprichtingsjaar (schooljaar 2012-2013) niet apart.

Vestigingsplaats C kan echter bij geen enkele andere vestigingsplaats worden bijgeteld. Dus telt ook deze vestgingsplaats in het jaar van haar oprichting de facto apart.

Vanaf het tweede bestaansjaar van de nieuwe vestigingsplaats zijn ook voor deze vestigingsplaats de normale regels m.b.t. het al dan niet apart tellen van toepassing.

Voorbeeld 2

Een school uit Vlaanderen, heeft twee vestigingsplaatsen (A en B)met basisonderwijs. De school richt op 1/9/12 een nieuwe vestigingsplaats (C)met lager onderwijs op.

Vestigingsplaats A ligt op 3km vogelvlucht van elke andere vestigingsplaats van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente (inclusief de eigen vestigingsplaats B) waar kleuteronderwijs wordt aangeboden. Vestigingsplaats B ligt op 2km vogelvlucht van elke andere vestigingsplaats van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente (inclusief de eigen vestigingsplaats A) waar kleuteronderwijs wordt aangeboden. De vestigingsplaatsen A en B tellen, wat het niveau kleuteronderwijs betreft, apart.

Vestigingsplaats B ligt op 1km vogelvlucht van een vestigingsplaats van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente waar lager onderwijs wordt ingericht. Vestigingsplaats A ligt op 500m van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente waar lager onderwijs wordt ingericht. De vestigingsplaatsen A en B tellen, wat het niveau lager onderwijs betreft, samen. De nieuw opgerichte vestigingsplaats C telt in haar oprichtingsjaar (schooljaar 2012-2013) samen met de andere twee vestigingsplaatsen.

Vanaf het tweede bestaansjaar van de nieuwe vestigingsplaats zijn ook voor deze vestigingsplaats de normale regels m.b.t. het al dan niet apart tellen van toepassing.

  • Wijze van geopositionering

Elke vestigingsplaats van elke school krijgt vanaf het schooljaar 2012-2013 centraal een geografische plaatsbepaling. Elk schooladres krijgt daarom een geopositie met een xy-coördinaat.

Dit gebeurt op basis van het ‘Centraal Referentieadressenbestand’: een bestand met alle adressen in Vlaanderen.

De geopositionering gebeurt voor het Vlaams Gewest door het Agentschap Informatie Vlaanderen op basis van de beschikbare gegevens.

In het Vlaams Gewest zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheren van de gebruikte adressen. Elke wijziging in een geopositie gebeurt via de gemeente. Zij doet dit via het Loket voor Authentieke Registratie (Lara). U vindt hierover meer informatie via volgende site:

https://www.agiv.be/producten/crab/meer-info-over-crab/afgeleide-producten-onderdelen/loket-voor-authentieke-registratie-lara

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gebeurt de geopositionering door het Centrum voor informatica voor het Brusselse Gewest (UrbiS).

Elke wijziging aan de geopositie gebeurt via bovenstaande organisaties.

Voor u uw gemeente, het Agentschap Informatie Vlaanderen of UrbiS aanspreekt kunt u best uw schoolbeheerteam contacteren voor eventuele bijkomende informatie.

  • Berekening van de afstand tussen twee vestigingsplaatsen

De afstand tussen de gegeopositioneerde vestigingsplaatsen wordt, uitgedrukt in meter, berekend volgens de volgende formule:

Vierkantswortel van ((x2-x1)² + (y2-y1)²)

Waarbij x1 en y1 de coördinaten zijn van de positie van de eerste vestigingsplaats en x2 en y2 en de coördinaten zijn van de positie van de tweede vestigingsplaats. De gebruikte coördinaten zijn weergegeven in het Lambert72 – coördinatenstelsel.

Bij deze berekening voor een schooljaar worden de coördinaten gebruikt zoals vastgesteld op 1 februari van het voorgaande schooljaar.

Het resultaat van deze formule wordt niet afgerond.

Voorbeeld:

Een kleutervestigingsplaats van een school heeft de volgende coördinaten:

130.156,75 (x1) en 172.647,16 (y1).

De dichtstbijzijnde vestigingsplaats met kleuteronderwijs van dezelfde groep in dezelfde gemeente bevindt zich op de volgende coördinaten: 130.752,57 (x2) en 174.325,47 (y2).

(x2 – x1)=130.752,57 – 130.156,75 = 595,82

(y2 – y1)=174.325,47 – 172.647,16 = 1.678,31

(595,82)² + (1.678,31)² = 355.001,47 + 2.816.724,46 = 3.171.725,93

Hier de vierkantswortel van = 1.780,9340.

De vestigingsplaats bevindt zich m.a.w. 1.780,9340 meter van de dichtstbijzijnde vestigingsplaats van dezelfde groep in dezelfde gemeente waar onderwijs in het zelfde niveau wordt aangeboden en telt dus apart.

Alle scholen krijgen jaarlijks de nodige informatie van AgOD i : de vastgestelde geopositie van elke vestigingsplaats en de afstand per niveau tot de dichtstbijzijnde andere vestigingsplaats van dezelfde groepin dezelfde gemeente.

  • Resultaat van de aparte telling.

Na de afzonderlijke telling worden de bekomen lestijden volgens de schalen van elke vestigingsplaats per niveau samengeteld. Pas dan wordt op deze som het SES-percentage toegepast. Het resultaat van deze berekening wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter is dan 4 (zie punt 3.1.1.3. Schaal en SES-percentage).

Voorbeeld 1.

Een school uit Vlaanderen, heeft twee vestigingsplaatsen(A en B)met basisonderwijs.

Vestigingsplaats A ligt op 3km vogelvlucht van elke andere vestigingsplaats van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente (inclusief de eigen vestigingsplaats B) waar kleuteronderwijs wordt aangeboden. Vestigingsplaats B ligt op 2km vogelvlucht van elke andere vestigingsplaats van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente (inclusief de eigen vestigingsplaats A) waar kleuteronderwijs wordt aangeboden. De vestigingsplaatsen A en B tellen, wat het niveau kleuteronderwijs betreft, apart.

Vestigingsplaats B ligt op 1km vogelvlucht van een vestigingsplaats van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente waar lager onderwijs wordt ingericht. Vestigingsplaats A ligt op 500m van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente waar lager onderwijs wordt ingericht. De vestigingsplaatsen A en B tellen, wat het niveau lager onderwijs betreft, samen.

De school telt op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.

Vestigingsplaats A telt 50 kleuters en 60 leerlingen lager onderwijs.

Alle leerlingen tellen aan 1.

Vestigingsplaats B telt 30 kleuters en 30 leerlingen lager onderwijs.

Alle leerlingen tellen aan 1.

50 kleuters (VP A) geeft recht op 77 lestijden volgens de schalen en 30 kleuters (VP B) geeft recht op 54 lestijden volgens de schalen.

De 60 leerlingen (VP A) lager onderwijs dienen samengeteld te worden met de 30 leerlingen lager onderwijs van vestigingsplaats B. 90 leerlingen lager onderwijs geeft recht op 125lestijden volgens de schalen.

De school heeft recht op de volgende lestijden volgens de schalen:

Kleuteronderwijs: (54 + 77 = 131) X 97,16 % (SES-%) = 127,2796 of 127 lestijden volgens de schalen.

Lager onderwijs: 125 X 97,16 % (SES-%) = 121,45 of 121 lestijden volgens de schalen.

Voorbeeld 2.

Een school uit Vlaanderen, heeft twee vestigingsplaatsen (A en B)met basisonderwijs. De school richt op 1/9/12 een nieuwe vestigingsplaats (C)met lager onderwijs op.

Vestigingsplaats A ligt op 3km vogelvlucht van elke andere vestigingsplaats van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente (inclusief de eigen vestigingsplaats B) waar kleuteronderwijs wordt aangeboden. Vestigingsplaats B ligt op 2km vogelvlucht van elke andere vestigingsplaats van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente (inclusief de eigen vestigingsplaats A) waar kleuteronderwijs wordt aangeboden. De vestigingsplaatsen A en B tellen, wat het niveau kleuteronderwijs betreft, apart.

Vestigingsplaats B ligt op 1km vogelvlucht van een vestigingsplaats van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente waar lager onderwijs wordt ingericht. Vestigingsplaats A ligt op 500m van een school van dezelfde groep binnen dezelfde gemeente waar lager onderwijs wordt ingericht. De vestigingsplaatsen A en B tellen, wat het niveau lager onderwijs betreft, samen. De nieuw opgerichte vestigingsplaats C telt in haar oprichtingsjaar (schooljaar 2012-2013) samen met de andere twee vestigingsplaatsen.

De school telt op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

Vestigingsplaats A telt 50 kleuters en 60 leerlingen lager onderwijs.

Alle leerlingen tellen aan 1.

Vestigingsplaats B telt 30 kleuters en 30 leerlingen lager onderwijs.

Alle leerlingen tellen aan 1.

Vestigingsplaats C telt 30 leerlingen lager onderwijs.

Alle leerlingen tellen aan 1.

50 kleuters (VP A) geeft recht op 77 lestijden volgens de schalen en 30 kleuters (VP B) geeft recht op 54 lestijden volgens de schalen.

De 60 leerlingen (VP A) lager onderwijs dienen samengeteld te worden met de 30 leerlingen lager onderwijs van vestigingsplaats B en met de 30 leerlingen van vestigingsplaats C. 120 leerlingen lager onderwijs geeft recht op 161 lestijden volgens de schalen.

De school heeft recht op de volgende lestijden volgens de schalen:

Kleuteronderwijs: (54 + 77 = 131) X 97,16 % (SES-%)= 127,2796 of 127 lestijden volgens de schalen.

Lager onderwijs: 161 X 97,16 % (SES-%) = 156,43 of 156 lestijden volgens de schalen.

Vanaf het tweede bestaansjaar van de nieuwe vestigingsplaats zijn ook voor deze vestigingsplaats de normale regels m.b.t. het al dan niet apart tellen van toepassing.

3.1.1.2. De teldag of telperiode

3.1.1.2.1. Algemene principes

In principe worden de lestijden volgens de schalen berekend op grond van het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.

Een praktisch schematisch overzicht van alle teldata vindt u in bijlage 6 “Overzicht van de verschillende teldata in het gewoon basisonderwijs”.

De teldag geldt steeds voor de hele school. Een school die op de teldag een pedagogische studiedag inricht of een facultatieve verlofdag plant, telt toch op de voorziene teldag. Meer informatie hieromtrent is terug te vinden in de omzendbrief: “Controle van de leerlingen in het gewoon basisonderwijs”.

Uitzonderingen:

  • Voor de scholen verbonden aan een Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning worden de lestijden volgens de schalen berekend op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen ingeschreven tijdens een telperiode.

De telperiode voor een bestaande CKG school is: de periode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari van het jaar waarin het betrokken schooljaar een aanvang neemt.

Voor een CKG school in herstructurering: de eerste dertig dagen te rekenen vanaf de herstructurering;

  • bij de oprichting van een basisschool is de teldag de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar voor de eerste 6 schooljaren vanaf de oprichting;
  • een school die herstructureert heeft gedurende één schooljaar de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar als teldag;
  • wanneer een school ontstaat door een (vrijwillige) fusie, gelijktijdig met een herstructurering, is de teldag de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

(zie ook omzendbrief BaO/97/4: Programmatie en rationalisatie in het gewoon basisonderwijs)

Opmerkingen

  • Het lestijdenpakket van een school met als teldag de eerste schooldag van oktober wordt gesubsidieerd of gefinancierd vanaf 1 september van het lopende schooljaar. Dit betekent dat scholen die op de eerste schooldag van oktober tellen gedurende de maand september dienen te werken met een prognose van leerlingenaantallen en dus hun omkadering in eerste instantie zelf dienen in te schatten. Aangezien eventueel te veel ingerichte betrekkingen ten laste van het schoolbestuur vallen, is voorzichtigheid aangewezen. Hetzelfde geldt voor een CKG school die herstructureert. Die heeft immers de eerste dertig dagen te rekenen vanaf de herstructurering van de school als telperiode.
  • Bij opeenvolgende herstructureringen, moet de school de verplichtingen inzake teldagen van de langstlopende herstructurering blijven naleven voor de berekening van het lestijdenpakket.

Omwille van uitzonderlijke omstandigheden van zeer tijdelijke aard (vb. verbouwingen) kan de minister van onderwijs toelating geven om leerlingen tijdelijk buiten de oorspronkelijke vestigingsplaatsen onder te brengen. Dergelijke tijdelijke toelating heeft geen effect op de teldag, m.a.w. de teldag blijft de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar. Ook indien de school definitief van adres wijzigt (verhuis), blijft de teldag de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.

Meer informatie over tijdelijke vestigingsplaatsen en een definitieve adreswijziging (verhuis) van een school is terug te vinden in de omzendbrief 'Programmatie en Rationalisatie in het Gewoon Basisonderwijs'.

3.1.1.3. Schaal en SES-percentage.

In het gewoon basisonderwijs wordt er gewerkt met één lestijdenschaal. Er wordt geteld per niveau. De schaal is terug te vinden in bijlage 2. Op de schaal staat naast het aantal leerlingen het overeenkomend aantal lestijden.

De bestaande schaal van het lager onderwijs in Vlaanderen wordt voor alle scholen en alle niveaus gebruikt in het nieuwe omkaderingssysteem. Op die manier wordt de historische ongelijkheid tussen het kleuter en lager onderwijs weggewerkt. Het kleuteronderwijs wordt beter omkaderd tot op het niveau van het lager onderwijs.

Dit leidt er bovendien toe dat het verschil in omkadering tussen kleine en grote scholen geobjectiveerd wordt. De schaal van het lager onderwijs in Vlaanderen is immers minder grillig en minder degressief dan de schaal van het kleuteronderwijs. Toch blijft ook de leefbaarheid van kleinere scholen gegarandeerd. De aparte telling van vestigingsplaatsen (zie punt 3.1.1.1) en de weging van de leerlingen in dun bevolkte gebiedenspeelt een belangrijke rol in het leefbaar houden van kleine scholen en vestigingsplaatsen in rurale gebieden.

Zowel in het kleuter- als in het lager onderwijs werd er een aanwendingspercentage op de schalen toegepast. In het nieuwe omkaderingssysteem wordt er geen aanwendingspercentage meer toegepast. Wel wordt er een SES-percentage van 97,16% toegepast op de lestijden volgens de schalen.

Het resultaat van deze berekening wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter is dan 4.

Scholen die in hun niveau kleuter- of lager onderwijs, na toepassing van het SES-percentage, geen recht zouden hebben op 26 lestijden volgens de schalen voor dat niveau, hebben voor dat niveau toch recht op 26 lestijden volgens de schalen.

Voorbeeld:

Een school met 1 vestigingsplaats gelegen in Vlaanderen (dicht bevolkt) telt 100 kleuters. Drie van deze kinderen tellen aan de coëfficiënt 1,5. De school telt dus 102 gewogen leerlingen (=97+(3 X 1,5) =101,5 of volgens de afrondingsregels 102).

De school heeft voor het kleuteronderwijs recht op de volgende lestijden volgens de schalen:

139X 97,16 % (SES-%)= 135,0524 of 135 lestijden volgens de schalen.

De school telt 200 leerlingen lager onderwijs die allemaal aan 1 gewogen worden.

De school heeft voor het lager onderwijs recht op de volgende lestijden volgens de schalen:

256X 97,16 % (SES-%)= 248,7296 of 249 lestijden volgens de schalen.

3.1.2. SES-lestijden

De SES-lestijden worden per niveau berekend. De SES-lestijden zijn lestijden die toegekend worden op basis van de socio-economische status van leerlingen. Deze socio-economische status wordt gevat door leerlingenkenmerken.

3.1.2.1. Waarom leerlingenkenmerken?

Kansen van leerlingen op een succesvolle schoolloopbaan hangen sterk samen met het sociaal milieu waarin ze leven. Verklaringen daarvoor zijn onder meer de materiële situatie, de ongelijke toegang tot cultuurgoederen, de afstand tussen de thuiscultuur en de schoolcultuur, de kloof tussen de thuistaal en de taal van de klas en de verschillen in onderwijsondersteuning die de ouders bieden. We slagen er niet in de kloof tussen de wereld van thuis en de wereld van de school te dichten. En we doen het op dat vlak minder goed dan andere landen binnen de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

De impact van socio-economische status op de leerprestaties van de leerlingen moet m.a.w. beperkt worden. Daarom wordt het nieuwe omkaderingssysteem , deels, gebaseerd op de kenmerken van het sociaal milieu van de leerlingen die sterk samenhangen met hun schoolloopbaan.

3.1.2.2. Welke leerlingenkenmerken?

Er is gezocht naar een set van stabiele en robuuste indicatoren die de samenhang van onderwijskansen voor jongeren en hun sociaal milieu goed vatten. We baseerden ons daarvoor op het sociaal-wetenschappelijk en onderwijskundig onderzoek van de laatste decennia en bevroegen een aantal wetenschappers met ervaring in onderzoek naar onderwijskansen, schoolloopbanen en leerprestaties.

Uiteindelijk is gekozen voor volgende kenmerken:

Kenmerken 

Indicatoren 

 

De culturele bagage van de leerling 

 

Hoogst behaalde opleidingsniveau van de moeder 

De financiële draagkracht van het gezin van de leerling  

 

Het ontvangen van een schooltoelage 

Het taalkundig en cultureel kapitaal van het gezin van de leerling 

 

Thuistaal van de leerling 

Het sociaal kapitaal van het gezin van de leerlingen  

 

Hoogst behaalde opleidingsniveau van de moeder 

OPLEIDING VAN DE MOEDER: deze indicator staat voor het geheel aan kennis, vaardigheden en attitudes. Het is een indicator van de mate waarin de thuiscultuur aansluit bij de schoolcultuur.

SCHOOLTOELAGE: deze indicator is gebaseerd op gezinsinkomen en geeft een aanduiding van de financiële draagkracht van het gezin en dus ook van het pedagogisch (thuis)comfort: tijd, studieruimte, koopkracht voor goederen die het leren bevorderen...

TAAL: welke taal wordt er thuis meestal gesproken en verschilt deze van de schooltaal? Dit is een indicator van communicatie- en leermogelijkheden van de leerling.

De kenmerken worden als volgt gedefinieerd (= definitie werkingsbudget):

  • het opleidingsniveau van de moeder: de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;
  • het krijgen van een schooltoelage: er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling, als vermeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, uitbetaald ten gunste van de leerling. Voor de toepassing binnen het omkaderingssysteem worden de leerlingen die met toepassing van voornoemd decreet alleen door ongewettigde afwezigheid of onvoldoende aanwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, eveneens meegerekend;
  • de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

Dit zijn drie van de vier indicatoren die ook voor de berekening van het werkingsbudget gehanteerd worden. Het kenmerk buurt wordt voor de berekening van de omkadering niet mee in rekening gebracht.

3.1.2.3. Vaststellen van de leerlingenkenmerken

Opgelet: CKG-scholen werken voor de berekening van de SES-lestijden met een teldagen niet met een telperiode.

  • Thuistaal en opleiding moeder

Voor het vaststellen van het opleidingsniveau van de moeder en de thuistaal van de leerling wordt er gewerkt met verklaringen op eer.

Voor alle leerlingen die op de eerste schooldag van februari 2012 ingeschreven waren, zijn de gegevens die in functie van de telling voor de berekening van het werkingsbudget verzameld werden van toepassing. Voor de leerlingen die nog niet ingeschreven waren, worden de gegevens over die kenmerken verzameld bij hun eerste inschrijving in de school. Dit gebeurt door middel van de documenten die als bijlage bij de omzendbrief “Controle van de leerlingen in het gewoon basisonderwijs” zijn toegevoegd.

  • Schooltoelagen

Voor de schooltoelagen wordt er gewerkt met gegevens uit de databanken van het Ministerie van Onderwijs en Vorming. De referentiedatum is echter om praktische redenen anders dan voor de berekening van het werkingsbudget.

Wat de aanvraag van de schooltoelagen betreft is het zo dat als het aanvraagdossier onvolledig is, de afdeling Studietoelagen van het Ministerie van Onderwijs en Vorming de ontbrekende informatie opvraagt. Die moet in elk geval bezorgd worden vóór 31 december van het daaropvolgende schooljaar (m.a.w. voor schooltoelagen voor het schooljaar 2011-2012 ten laatste op 31 december 2012.). Uiteraard dienen deze dossiers dan nog verder verwerkt te worden. Daarom wordt de referentiedatum op 28 februari volgend op deze uiterste datum geplaatst.

Maw:

 

Eindaanvraag  

Referentiedatum  

 

2012-2013 teldag SES-lestijden  

 

1/2/2012 

(1/10/2012) 

 

Schooltoelagen 2012 -2013  

31/12/13 

28/2/14 

Te laat 

Schooltoelagen 2011-2012  

31/12/12 

28/2/13 

Te laat 

Schooltoelagen 2010-2011  

31/12/11 

28/2/12 

OK 

Op 28 februari 2012 worden de leerlingen geteld die voor het schooljaar 2010-2011 een schooltoelage ontvingen. Uiteraard moeten de leerlingen ook regelmatig ingeschreven zijn op de eerste schooldag van februari van 2011.

Voor scholen die nog niet opgericht waren tijdens het schooljaar gebruikt voor de telling van de schooltoelagen en dus nog niet bestonden, wordt er een theoretische berekening gemaakt. Tijdens de eerste twee bestaansjaren van een nieuwe school wordt het aantal leerlingen dat aantikt op de indicator schooltoelage gefixeerd op het Vlaamse streefdoel qua schooltoelagen, nl. 25%. Hetzelfde geldt voor scholen die fusioneren.

Meer informatie m.b.t. het vaststellen van de leerlingenkenmerken is terug te vinden in de omzendbrief “Controle van de leerlingen in het gewoon basisonderwijs”.

3.1.2.4. Aantal lestijden per leerlingenkenmerk

Elke school heeft voor elke leerling die aantikt op een leerlingkenmerk recht op een aantal SES-lestijden. Er wordt dus niet gewerkt met een drempel. Vanaf het ogenblik dat er één leerling aantikt op een leerlingkenmerk heeft de school recht op SES-lestijden. Voor elk leerlingkenmerk is een aantal SES-lestijden vastgelegd waar de school recht op heeft per leerling die aantikt op dat leerlingkenmerk.

Voor de indicatoren opleiding moeder en thuistaal wordt er gewerkt met het effectieve aantal leerlingen dat voldoet aan het leerlingenkenmerk op de teldag. Voor schooltoelage wordt er gewerkt met een percentage dat toegepast wordt op het leerlingenaantal op de teldag.

3.1.2.4.1. Lestijden per leerlingenkenmerk

  • Per leerling die voldoet aan het leerlingkenmerk “opleiding moeder” heeft de school recht op 0,26710 SES-lestijden.
  • Per leerling die voldoet aan het leerlingkenmerk “thuistaal” heeft de school recht op 0,29116 SES-lestijden.
  • Per leerling die voldoet aan het leerlingkenmerk “schooltoelage” heeft de school recht op 0,11917 SES-lestijden.

3.1.2.4.2. Berekening van het aantal SES-lestijden op basis van schooltoelage

Het aantal SES-lestijden waar de school op basis van de leerlingen die voldoen aan de indicator schooltoelagen recht heeft wordt als volgt berekend:

  • Voor het kleuteronderwijs:

Het aantal SES-lestijden op basis van schooltoelage voor het schooljaar (J – J+1) = S x het aantal regelmatige kleuters dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden, waarbij:

  • S = X / het aantal regelmatige leerlingen dat de school telde op de eerste schooldag van februari van het jaar J-1, waarbij:

  • X = het aantal regelmatige leerlingen die beantwoorden aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

i° ze beantwoorden uiterlijk op 28 februari J aan leerlingkenmerk “schooltoelage” voor het schooljaar (J-2)-(J-1);

ii° ze zijn op de eerste schooldag van februari van het jaar J-1 regelmatig ingeschreven in de school.

Voor scholen voor gewoon basisonderwijs die zijn opgericht vanaf 1 september 2011 is het aantal SES-lestijden verkregen door de indicator “schooltoelage” gedurende hun twee eerste bestaansjaren gelijk aan het resultaat van 0,25 x het aantal regelmatige kleuters dat de school telt op de teldag vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden. Hetzelfde geldt voor fusiescholen in de eerste twee schooljaren van de fusie.

  • Voor het lager onderwijs:

Het aantal SES-lestijden op basis van schooltoelage voor het schooljaar (J – J+1) = S x het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden, waarbij:

  • S = X / het aantal regelmatige leerlingen dat de school telde op de eerste schooldag van februari van het jaar J-1, waarbij:

  • X = het aantal regelmatige leerlingen die beantwoorden aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

i° ze beantwoorden uiterlijk op 28 februari J aan leerlingkenmerk “schooltoelage” voor het schooljaar (J-2)-(J-1);

ii° ze zijn op de eerste schooldag van februari van het jaar J-1 regelmatig ingeschreven in de school.

Voor scholen voor gewoon basisonderwijs die zijn opgericht vanaf 1 september 2011 is het aantal SES-lestijden verkregen door de indicator “schooltoelage” gedurende hun twee eerste bestaansjaren gelijk aan het resultaat van 0,25 x het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag vermenigvuldigd met 0,11917 lestijden. Hetzelfde geldt voor fusiescholen in de eerste twee schooljaren van de fusie.

3.1.2.5. Afronding SES-lestijden

De SES-lestijden worden per niveau samengeteld en als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere gelegen geheel getal.

3.1.2.6. Voorbeeld

Een school telt op 1/2/2012 (teldag voor schooljaar 2012-2013) 100 kleuters en 200 leerlingen lager onderwijs.

  • Wat het kleuteronderwijs betreft:

In het kleuteronderwijs zijn er op 1/2/2012:

  • 30 kleuters die voldoen aan de indicator “opleiding moeder”. De school heeft dus recht op 30 X 0,26710 SES-lestijden of 8,013SES-lestijden.

  • 25 kleuters die voldoen aan de indicator “thuistaal”. De school heeft dus recht op 25 X 0,29116 SES-lestijden of 7,279SES-lestijden.

De berekeningswijze van de SES-lestijden gebaseerd op schooltoelage gebeurt als volgt:

De school telt 100 kleuters. Het aantal SES-lestijden op basis van schooltoelage is m.a.w. gelijk aan 100 X S X 0,11917.

De vraag is dus hoe S berekend wordt?

S = X / het aantal regelmatige leerlingen dat de school telde op de eerste schooldag van februari van het jaar 2011, waarbij:

  • X = het aantal regelmatige leerlingen (m.a.w. kleuter + lager) die beantwoorden aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

i° ze beantwoorden uiterlijk op 28 februari 2012 aan leerlingkenmerk “schooltoelage” voor het schooljaar 2010-2011;

ii° ze zijn op de eerste schooldag van februari van het jaar 2011 regelmatig ingeschreven in de school.

De school telde op 1/2/2011 200 leerlingen (kleuter + lager). Van deze 200 leerlingen hadden er op 28 februari 2012 80 leerlingen recht op een schooltoelage voor het schooljaar 2010-2011.

M.a.w. X = 80.

M.a.w. S = 80/200 = 0,4.

De school heeft voor zijn kleuteronderwijs recht op 100 X 0,4 X 0,11917 ofwel 4,7668SES-lestijden op basis van de indicator schooltoelage.

De school heeft m.a.w. recht op 8,013 + 7,279 + 4,7668 = ofwel 20,0588 SES-lestijden. Dit resultaat wordt afgerond volgens de gebruikelijke afrondingsregels naar een geheel getal. De school heeft m.a.w. recht op 20 SES-lestijden voor het kleuteronderwijs.

  • Wat het lager onderwijs betreft:

In het lager onderwijs zijn er op 1/2/2012:

  • 70 leerlingen lager onderwijs die voldoen aan de indicator “opleiding moeder”. De school heeft dus recht op 70 X 0,26710 SES-lestijden of 18,697SES-lestijden.

  • 40 leerlingen lager onderwijs die voldoen aan de indicator “thuistaal”. De school heeft dus recht op 40 X 0,29116 SES-lestijden of 11,6464SES-lestijden.

De berekeningswijze van de SES-lestijden gebaseerd op schooltoelage gebeurt als volgt:

De school telt 200 leerlingen lager onderwijs. Het aantal SES-lestijden op basis van schooltoelage is m.a.w. gelijk aan 200 X S X 0,11917.

De vraag is dus hoe S berekend wordt?

S = X / het aantal regelmatige leerlingen dat de school telde op de eerste schooldag van februari van het jaar 2011, waarbij:

  • X = het aantal regelmatige leerlingen (m.a.w. kleuter + lager) die beantwoorden aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

i° ze beantwoorden uiterlijk op 28 februari 2012 aan leerlingkenmerk “schooltoelage” voor het schooljaar 2010-2011;

ii° ze zijn op de eerste schooldag van februari van het jaar 2011 regelmatig ingeschreven in de school.

De school telde op 1/2/2011 200 leerlingen (kleuter + lager). Van deze 200 leerlingen hadden er op 28 februari 2012 80 leerlingen recht op een schooltoelage voor het schooljaar 2010-2011.

M.a.w. X = 80.

M.a.w. S = 80/200 = 0,4.

De school heeft voor zijn lager onderwijs recht op 200 X 0,4 X 0,11917 ofwel 9,5336SES-lestijden op basis van de indicator schooltoelage.

De school heeft m.a.w. recht op 18,697 + 11,6464 + 9,5336= ofwel 39,8770 SES-lestijden. Dit resultaat wordt afgerond volgens de gebruikelijke afrondingsregels naar een geheel getal. De school heeft m.a.w. recht op 40 SES-lestijden voor het lager onderwijs.

3.1.3. Additionele lestijden volgens de schalen

Om te vermijden dat het gemiddelde aantal kleuters of het gemiddelde aantal leerlingen lager onderwijs per FT (kleuter)onderwijzer boven de 18,5 uitkomt, ontvangt elke school voor elk niveau toch minstens voldoende lestijden om niet boven deze leerling/leerkracht-ratio uit te stijgen.

Deze ratio is geenszins een indicatie van een (gemiddelde) klasgrootte. Het is bijgevolg ook geen na te streven ideale klasgrootte.

3.1.3.1. Berekeningswijze

3.1.3.1.1. Kleuteronderwijs

  • Heeft de school recht op additionele lestijden volgens de schalen?

Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen:

Het resultaat van de breuk 24*A / B is groter dan 18,5.

Waarbij:

1° A = het aantal regelmatige kleuters dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen van het lopende schooljaar.

2° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, beide voor het lopende schooljaar.

  • Hoeveel additionele lestijden volgens de schalen ontvangt de school?

De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het kleuteronderwijs worden als volgt berekend:

Het verschil van C en D wordt gemaakt en afgerond naar het bovenliggende geheel getal.

Waarbij:

  • C = 24*A / 18,5 waarbij A = het aantal regelmatige kleuters dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen van het lopende schooljaar.

  • D: de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, beide voor het lopende schooljaar.

3.1.3.1.2. Lager onderwijs

  • Heeft de school recht op additionele lestijden volgens de schalen?

Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen:

Het resultaat van de breuk 24*A / B is groter dan 18,5.

Waarbij:

1° A = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen van het lopende schooljaar.

2° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, beide van het lopende schooljaar.

  • Hoeveel additionele lestijden volgens de schalen ontvangt de school?

De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het lager onderwijs worden als volgt berekend:

Het verschil van C en D wordt gemaakt en afgerond naar het bovenliggende geheel getal.

Waarbij:

  • C = 24*A / 18,5 waarbij A = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, van het lopende schooljaar.

  • D: de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, beide van het lopende schooljaar.

3.1.3.2. Voorbeeld

Een school, met één vestigingsplaats gelegen in Vlaanderen, telt op 1 februari 2012 (de teldag) 159 kleuters en 368 leerlingen lager onderwijs. Geen enkele leerling wordt gewogen.

159 kleuters geven recht op 201 lestijden volgens de schalen (na toepassing SES-%) en 368 leerlingen lager onderwijs geven recht op 443 lestijden volgens de schalen (na toepassing SES-%).

De school heeft recht op 7 SES-lestijden in het kleuteronderwijs en 23 SES-lestijden in het lager onderwijs.

  • Heeft de school in het kleuteronderwijs recht op additionele lestijden volgens de schalen?

De school heeft recht op additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs als de leerling/leerkracht-ratio in het kleuteronderwijs groter is dan 18,5.

Deze ratio wordt bepaald door het aantal regelmatige kleuters op de teldag (159) te delen door de som van de SES-lestijden (7) in het kleuteronderwijs voor het schooljaar 2012-2013 en de lestijden volgens de schalen (201) in het kleuteronderwijs voor het schooljaar 2012-2013. Dit quotiënt wordt met 24 vermenigvuldigd. Als het resultaat hiervan groter is dan 18,5 dan heeft de school voor het niveau kleuteronderwijs recht op additionele lestijden volgens de schalen, anders niet.

M.a.w. is 24 maal 159/(201+7) groter dan 18,5? Het antwoord is nee (18,35). De school heeft dus geen recht op additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs.

  • Heeft de school in het lager onderwijs recht op additionele lestijden volgens de schalen?

De school heeft recht op additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs als de leerling/leerkracht-ratio in het lager onderwijs groter is dan 18,5.

Deze ratio wordt bepaalt door het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs op de teldag (368) te delen door de som van de SES-lestijden (23) in het lager onderwijs voor het schooljaar 2012-2013 en de lestijden volgens de schalen (443) in het lager onderwijs voor het schooljaar 2012-2013. Dit quotiënt wordt met 24 vermenigvuldigd. Als het resultaat hiervan groter is dan 18,5 dan heeft de school voor het lager onderwijs recht op additionele lestijden volgens de schalen, anders niet.

M.a.w. is 24 maal 368/(443+23) groter dan 18,5? Het antwoord is ja (18,95). De school heeft dus recht op additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs.

  • Op hoeveel additionele lestijden volgens de schalen heeft de school recht voor zijn lager onderwijs?

Van het aantal lestijden dat de school nodig heeft om de leerling/leerkracht ratio in het lager onderwijs onder de 18,5 te houden, worden de SES-lestijden en de lestijden volgens de schalen waar de school recht op heeft afgetrokken. Het resultaat wordt afgerond naar het hoger gelegen geheel getal.

Het aantal lestijden dat de school nodig heeft om zijn leerling/leerkracht ratio in het lager onderwijs onder de 18,5 te houden wordt als volgt berekend:

Het aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs op de teldag wordt vermenigvuldigd met 24 en gedeeld door 18,5.

De school telde 368 leerlingen op 1/2/2012. M.a.w. de school heeft 477,4054 lestijden nodig om zijn ratio in het lager onderwijs onder de 18,5 te houden. 24 maal 368 gedeeld door 18,5 (24*368/18,5) is immers gelijk aan 477,4054.

De school heeft dus recht op 12 additionele lestijden volgen de schalen in het lager onderwijs.

De school heeft immers 477,4054 lestijden nodig om zijn ratio onder de 18,5 te houden. De school heeft in zijn lager onderwijs echter slechts recht op 466 lestijden (SES + schalen). 477,4054 – 466 = 11,40541. Dit getal wordt afgerond naar het hoger gelegen geheel getal. De school heeft dus recht op 12 additionele lestijden volgens de schalen.

Opgelet: de berekening van de additionele lestijden gebeurt per niveau op schoolniveau en dus niet op het niveau van de afzonderlijke vestigingsplaatsen.

3.1.4. De aanwending van de basisomkadering.

3.1.4.1. De aanwending van de basisomkadering in het kleuteronderwijs.

Uit de basisomkadering voor het kleuteronderwijs worden betrekkingen ingericht in de volgende ambten:

  • kleuteronderwijzer;
  • leermeester lichamelijke opvoeding;
  • kinderverzorger tijdens het schooljaar 2016-2017.

De omrekening van de basisomkadering naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen van kleuteronderwijzer of leermeester lichamelijke opvoeding gebeurt als volgt:

1° van de basisomkadering in het kleuteronderwijs worden de lestijden onderwijsopdracht afgetrokken die de directeur en de adjunct-directeur presteren in het kleuteronderwijs;

2° de overige lestijden worden gedeeld door 24 tot op de eenheid voor het ambt van kleuteronderwijzer of leermeester lichamelijke opvoeding; het quotiënt is gelijk aan het mogelijk aantal volledige betrekkingen.

De onderwijsopdracht van de directeur en de adjunct-directeur van een basisschool kan geput worden uit de basisomkadering die aangewend wordt in het kleuteronderwijs.

De basisomkadering voor het kleuteronderwijs kan enkel aangewend worden voor betrekkingen in het ambt van kinderverzorger als de school geen kleuteronderwijzers vindt met een vereist of een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs of kleuteronderwijzers met een ander bekwaamheidsbewijs die de opleiding “bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs” volgen om de lestijden in te richten. Het schoolbestuur moet geen bewijs leveren dat ze geen geschikte kleuteronderwijzer heeft gevonden. Wanneer men bij de start van het schooljaar geen geschikte kleuteronderwijzer vindt en dus een kinderverzorger aanstelt en er zich in de loop van het schooljaar toch een kleuteronderwijzer aandient, dan loopt de aanstelling van de kinderverzorger toch door tot het einde van het schooljaar.

De betrekkingen in het ambt van kinderverzorger, die worden ingericht met de basisomkadering voor het kleuteronderwijs omgezet naar uren kinderverzorging, kunnen niet vacant verklaard worden. Evenmin zal erin kunnen vast benoemd worden, of kan een personeelslid er in worden geaffecteerd of gemuteerd. Dit houdt in dat u de kinderverzorger steeds als tijdelijk personeelslid zal moeten aanstellen.

De omrekening van lestijden naar uren gebeurt als volgt:

De lestijden uit de basisomkadering voor het kleuteronderwijs worden omgezet volgens onderstaande tabel:

Lestijden 

Uren Kinderverzorger 

10 

11 

13 

14 

10 

16 

11 

17 

12 

19 

13 

21 

14 

22 

15 

24 

16 

25 

17 

27 

18 

29 

19 

30 

20 

32 

Wanneer een school een kinderverzorger aanstelt in omgezette uren kinderverzorging die een combinatie zijn van lestijden uit de basisomkadering, instaplestijden (zie 3.1.6.1) en capaciteitslestijden (zie 3.1.6.2.2), moeten deze lestijden samen geteld worden vooraleer men de lestijden omzet in uren kinderverzorging.

Indien een school meerdere personeelsleden aanstelt in de omgezette uren kinderverzorging, dan moet voor elk personeelslid de omzetting van lestijden naar uren kinderverzorger afzonderlijk gebeuren.

Voorbeeld 1

Een school heeft 8 lestijden waarvoor ze geen kleuteronderwijzer heeft gevonden. Stelt de school 1 personeelslid aan in het ambt kinderverzorger, dan kan dit personeelslid voor 13/32 kinderverzorger worden aangesteld. De school kan deze 8 lestijden ook over 2 personeelsleden verdelen. De volgende verdelingen zijn o.a. mogelijk:

1) Personeelslid A krijgt 4 lestijden, na omzetting heeft dit personeelslid recht op een betrekking van 6/32 kinderverzorger. Personeelslid B krijgt eveneens 4 lestijden en heeft dus ook recht op een betrekking van 6/32 kinderverzorger. In totaal kan de school slechts 12/32 kinderverzorger inrichten met haar 8 lestijden.

2) Personeelslid A krijgt 6lestijden, na omzetting heeft dit personeelslid recht op een betrekking van 10/32 kinderverzorger. Personeelslid B krijgt 2lestijden en heeft dus ook recht op een betrekking van 3/32 kinderverzorger. In totaal kan de school 13/32 kinderverzorger inrichten met haar 8 lestijden.

Voorbeeld 2

Een school heeft 12 lestijden waarvoor ze geen kleuteronderwijzer heeft gevonden. Stelt de school 1 personeelslid aan in het ambt kinderverzorger, dan kan dit personeelslid voor 19/32 kinderverzorger worden aangesteld. De school kan deze 12 lestijden ook over 2 personeelsleden verdelen. De volgende verdelingen zijn o.a. mogelijk:

1) Personeelslid A krijgt 6 lestijden, na omzetting heeft dit personeelslid recht op een betrekking van 10/32 kinderverzorger. Personeelslid B krijgt eveneens 6 lestijden en heeft dus ook recht op een betrekking van 10/32 kinderverzorger. In totaal kan de school 20/32 kinderverzorger inrichten met haar 12 lestijden.

2) Personeelslid A krijgt 4 lestijden, na omzetting heeft dit personeelslid recht op een betrekking van 6/32 kinderverzorger. Personeelslid B krijgt 8 lestijden en heeft dus ook recht op een betrekking van 13/32 kinderverzorger. In totaal kan de school 19/32 kinderverzorger inrichten met haar 12 lestijden.

Melding van de omgezette uren kinderverzorging

De betrekkingen die u inricht in omgezette uren kinderverzorging, meldt u met de OOM-code 05. Dat is de code ‘oorsprong omkadering’ die gebruikt wordt voor overdracht en herverdeling van lestijden en die u voortaan ook moet gebruiken voor de omzetting van lestijden kleuteronderwijs naar uren kinderverzorging.

De omzetting is alleen mogelijk bij vacante lestijden kleuteronderwijs waarvoor geen kleuteronderwijzer wordt gevonden en dus niet bij een vervangingsopdracht (ATO 1) van een kleuteronderwijzer. De omgezette uren meldt u bijgevolg steeds met ATO 2.

Voorbeeld:

Een school heeft 8 lestijden waarvoor ze geen kleuteronderwijzer heeft gevonden en stelt voor 13/32 een personeelslid aan in omgezette uren kinderverzorging:

RL-1: 13u kinderverzorger ATO 2 met OOM-code 05 (overdracht/herverdeling/omzetting) tot 30 juni.

3.1.4.2. De aanwending van de basisomkadering in het lager onderwijs

Uit de basisomkadering voor het lager onderwijs worden betrekkingen ingericht in de volgende ambten:

  • onderwijzer;
  • leermeester lichamelijke opvoeding;
  • leermeester levensbeschouwelijke vakken.

De omrekening van de basisomkadering van het decreet, naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen van onderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding of leermeester levensbeschouwelijke vakken gebeurt als volgt:

1° van de basisomkadering in het lager onderwijs worden de lestijden onderwijsopdracht afgetrokken die de directeur en de adjunct-directeur presteren in het lager onderwijs;

2° de overige lestijden worden gedeeld door 24 tot op de eenheid voor het ambt van onderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding of leermeester levensbeschouwelijke vakken; het quotiënt is gelijk aan het mogelijk aantal volledige betrekkingen.

De onderwijsopdracht van de directeur en de adjunct-directeur van een basisschool kan geput worden uit de basisomkadering die aangewend wordt in het lager onderwijs.

De eventuele halve of hele lestijd boven de twee aanvullende lestijden van de meest gevolgde cursusgodsdienst of niet confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing kunnen eveneens uit de basisomkadering geput worden.

3.1.4.3. Waarborgregeling lichamelijke opvoeding

Er is een waarborgregeling uitgewerkt door de Vlaamse regering voor lichamelijke opvoeding.

De school wendt, voor het gewoon basisonderwijs, in het kleuteronderwijs minstens 7,7% en in het lager onderwijs minstens 1,2% van de lestijden volgens de schalen, verkregen volgens punt 3.1.1, aan voor het leergebied lichamelijke opvoeding. Het aldus bekomen aantal lestijden wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.

De lestijden bekomen door toepassing van het percentage 1,2 en de voorziene afronding moeten in het lager onderwijs aangewend worden om de werkdruk van het onderwijzend personeel te verminderen ten opzichte van de toestand voor de invoering van de aanvullende lestijden lichamelijke opvoeding in het lager onderwijs. Hiervoor moeten de criteria onderhandeld worden in het bevoegde lokaal comité.

Voorbeeld: Een kleuterschool heeft recht op 100 lestijden volgens de schalen. Hiervan wendt ze minstens 7,7% aan voor lichamelijke opvoeding. 7,7% van 100 is 7,7. Afgerond wendt de school dus minstens 8 lestijden volgens de schalen aan voor lichamelijke opvoeding.

3.1.5. Sociale maatregel

Aangezien de overgang van het huidige omkaderingssysteem naar het nieuwe omkaderingssysteem, ondanks de extra middelen, leidt tot verlies aan omkadering voor sommige scholen wordt voorzien in een drie jaar durend overgangssysteem waarbij er een aantal additionele lestijden volgens de schalen worden toegekend als compensatie voor het verlies aan omkadering.

Aangezien het hier gaat om een impact op de omkadering van scholen en dus op de personeelsleden van de scholen wordt dit overgangssysteem als sociale maatregel ingevoerd. Deze sociale maatregel geeft de schoolbesturen en de personeelsleden de nodige tijd om de impact van het nieuwe omkaderingssysteem op te vangen.

Het aantal lestijden dat gecompenseerd wordt in het tweede schooljaar is 2/3de van de compensatie in het eerste schooljaar en in het derde schooljaar bedraagt de compensatie nog 1/3de daarvan.

Het overgangssysteem spitst zich toe op verliezen van een zekere omvang en impact op de school. Zo worden verliezen van minder dan 3 lestijden niet gecompenseerd en worden scholen die een lage leerling/leerkracht-ratio hebben niet gecompenseerd.

3.1.5.1. Aanwending van de additionele lestijden “sociale maatregel”

Uit de additionele lestijden volgens de schalen kunnen betrekkingen worden ingericht in de volgende ambten:

- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van onderwijzer (lager onderwijs);

- de betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer (kleuteronderwijs);

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

De betrekkingen ingericht met de additionele lestijden “sociale maatregel” kunnen niet vacant verklaard worden. Evenmin zal erin kunnen vast benoemd worden, of kan een personeelslid er in worden geaffecteerd of gemuteerd. Dit houdt in dat u de betrokken personeelsleden steeds als tijdelijk personeelslid zal moeten aanstellen.

De berekenings- en aanwendingswijze van deze sociale maatregel en een voorbeeld is terug te vinden in bijlage 4.

3.1.5.2. Melding van de ingerichte betrekkingen

De betrekkingen die ingericht worden in de additionele lestijden volgens de schalen die toegekend worden in het kader van de sociale maatregel, meldt u met de herkenningscode (“vakcode”) 975 - lestijden sociale maatregel.

Voorbeeld:

Een tijdelijke kleuteronderwijzer wordt belast met 12 additionele lestijden in het kader van de sociale maatregel:

RL-1: 12 lt kleuteronderwijzer ato 2 met vakcode 975 (lestijden sociale maatregel) tot 30 juni

Indien de betrekking uitgeoefend wordt door een vast benoemd personeelslid, gebeurt de melding via een verlof TAO.

Voorbeeld:


Een voltijds vast benoemd onderwijzer wordt belast met 6 additionele lestijden in het kader van de sociale maatregel.

Eén bericht dat als volgt is samengesteld:

RL-1: 24 lt onderwijzer ato 4 einddatum oneindig met verlof TAO (DO 019) voor 6 lt tot 30/06

RL-1: 6 lt onderwijzer ato 2 met vakcode 975(lestijden sociale maatregel) bij wijze van TAO tot 30/06

Indien een directeur of adjunct-directeur een lesopdracht heeft en die invult via additionele lestijden in het kader van de sociale maatregel, dan meldt u de lesopdracht via de vakcode 975 (lestijden sociale maatregel). Indien het een vastbenoemd directeur of adjunct-directeur betreft, meldt u de lesopdracht bovendien via een verlof tijdelijk andere opdracht (TAO). De gewone lestijden volgens de schalen die aldus vrijkomen, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en vaste benoeming.

Voorbeeld:

Een vast benoemd directeur heeft een lesopdracht van 4 lestijden en vult die in via additionele lestijden in het kader van de sociale maatregel.

Eén bericht dat als volgt is samengesteld:

RL-1: 24 lt directeur ato 4 einddatum oneindig met verlof TAO (DO 019) voor 4 lt tot 31/08

RL-1: 4 lt directeur ato 2 met vakcode 975 (lestijden sociale maatregel) bij wijze van TAO met einddatum 31/08

3.1.6. Herberekening van de lestijden volgens de schalen

3.1.6.1. Instaplestijden: lestijden bij de instap van kleuters vanaf de instapdag na de krokusvakantie

De instaplestijden die gegenereerd werden voor de krokusvakantie werden geïntegreerd in het nieuwe omkaderingssysteem.

Een herberekening van de lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs is vanaf het schooljaar 2012-2013 mogelijk vanaf de instapdag na de krokusvakantie.

Hierop is één uitzondering voorzien voor scholen die een niveau kleuteronderwijs of een vestigingsplaats met kleuteronderwijs opgericht hebben. De lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs van deze scholen kunnen in het tweede, derde en vierde bestaansjaar van het niveau kleuteronderwijs of de vestigingsplaats met kleuteronderwijsherberekend worden op de eerste schooldag van september van het lopende schooljaar. Deze uitzondering geldt niet voor scholen die een niveau kleuteronderwijs of een vestigingsplaats met kleuteronderwijs oprichten tijdens hun programmatieperiode. Deze scholen tellen immers per definitie op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

Aan het aantal instapdagen wijzigt niets.

Berekeningswijze

Indien het aantal regelmatige kleuters op de instapdag minstens 1 kleuter hoger ligt dan het aantal regelmatige kleuters op de teldag voor berekening van de lestijden volgens de schalen dan kunnen er instaplestijden ingericht worden. Deze instaplestijden worden als volgt berekend:

A) Eerste herberekening in de loop van een schooljaar

Het aantal regelmatige kleuters dat de school op de instapdag méér telt dan op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen (zie punt 3.1.1.2) geeft het aantal instaplestijden dat de school bijkomend kan inrichten ten gevolge van de herberekening.

B) Vanaf tweede herberekening in de loop van een schooljaar

1. Het aantal regelmatige kleuters dat de school op de instapdag méér telt dan op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen (zie punt 3.1.1.2) geeft het totaal aantal instaplestijden dat de school in gevolge alle herberekeningen kan inrichten vanaf deze instapdag.

2. Van dit getal worden de instaplestijden, bekomen ten gevolge van eerdere herberekeningen tijdens het lopende schooljaar, afgetrokken.

3. Dit geeft het aantal lestijden dat de school bijkomend kan inrichten als instaplestijden ten gevolge van de herberekening op deze instapdag.

Instapdagen waarop de lestijden volgens de schalen herberekend kunnen worden:

  • - de eerste schooldag na de krokusvakantie
  • - de eerste schooldag na de paasvakantie
  • - de eerste schooldag na Hemelvaartsdag

Hierop is één uitzondering voorzien voor scholen die een niveau kleuteronderwijs of een vestigingsplaats met kleuteronderwijs opgericht hebben. De lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs van deze scholen kunnen in het tweede, derde en vierde bestaansjaar van het niveau kleuteronderwijs of de vestigingsplaats met kleuteronderwijs herberekend worden op de eerste schooldag van september van het lopende schooljaar. Deze uitzondering geldt niet voor scholen die een niveau kleuteronderwijs of een vestigingsplaats met kleuteronderwijs oprichten tijdens hun programmatieperiode. Deze scholen tellen immers per definitie op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

Voorbeeld:

Een kleuterschool uit Vlaanderen telt op de eerste schooldag van februari (1/2/2012) van het voorgaande schooljaar 120 kleuters. De school heeft de voorbije schooljaren geen niveau kleuteronderwijs opgericht.

Op 18 februari 2013 telt de school 140 kleuters. Dit zijn er 20 méér dan op de teldag voor de lestijden volgens de schalen (1/2/2012). De school kan 20 instaplestijden inrichten vanaf deze instapdag. Het bijkomende aantal instaplestijden vanaf die instapdag bedraagt 20 lestijden. Het is immers de eerste herberekening van het schooljaar.

Op 15 april 2013 telt de school 141 kleuters. Dit zijn er 21 méér dan op de teldag voor de lestijden volgens de schalen (1/2/2012). De school kan 21 instaplestijden inrichten vanaf deze instapdag. Het bijkomende aantal instaplestijden vanaf die instapdag bedraagt 1 lestijd:

1. 21 kleuters extra = 21 lestijden.

2. De school had al recht op 20 instaplestijden. Dit wordt van de 21 lestijden afgetrokken.

3. De school heeft vanaf nu recht op 1 instaplestijd extra (21 lestijden - 20 lestijden).

Op 11 mei 2013 telt de school 160 kleuters. Dit zijn er 40 méér dan op de teldag voor de lestijden volgens de schalen (1/2/2012). De school kan 40 instaplestijden inrichten vanaf deze instapdag. Het bijkomende aantal instaplestijden vanaf die instapdag bedraagt 19 lestijden:

1. 40 kleuters extra = 40 lestijden.

2. De school had al recht op 21 instaplestijden. Dit wordt van de 40 lestijden afgetrokken.

3. De school heeft vanaf nu recht op 19 instaplestijden extra (40 lestijden - 21 lestijden).

Voorbeeld:

Een kleuterschool uit Vlaanderen telt op de eerste schooldag van februari (1/2/2012) van het voorgaande schooljaar 120 kleuters. De school heeft twee schooljaren geleden een niveau kleuteronderwijs opgericht.

Op 3september 2012 telt de school 140 kleuters. Dit zijn er 20 méér dan op de teldag voor de lestijden volgens de schalen (1/2/2012). De school kan 20 instaplestijden inrichten vanaf deze instapdag. Het bijkomende aantal instaplestijden vanaf die instapdag bedraagt 20 lestijden. Het is immers de eerste herberekening van het schooljaar.

Op 18 februari 2013 telt de school nog steeds 140 kleuters. Er kunnen geen bijkomende instaplestijden ingericht worden.

Op 15 april 2013 telt de school 141 kleuters. Dit zijn er 21 méér dan op de teldag voor de lestijden volgens de schalen (1/2/2012). De school kan 21 instaplestijden inrichten vanaf deze instapdag. Het bijkomende aantal instaplestijden vanaf die instapdag bedraagt 1 lestijd:

1. 21 kleuters extra = 21 lestijden.

2. De school had al recht op 20 instaplestijden. Dit wordt van de 21 lestijden afgetrokken.

3. De school heeft vanaf nu recht op 1 instaplestijd extra (21 lestijden - 20 lestijden).

Op 11 mei 2013 telt de school 160 kleuters. Dit zijn er 40 méér dan op de teldag voor de lestijden volgens de schalen (1/2/2012). De school kan 40 instaplestijden inrichten vanaf deze instapdag. Het bijkomende aantal instaplestijden vanaf die instapdag bedraagt 19 lestijden:

1. 40 kleuters extra = 40 lestijden.

2. De school had al recht op 21 instaplestijden. Dit wordt van de 40 lestijden afgetrokken.

3. De school heeft vanaf nu recht op 19 instaplestijden extra (40 lestijden - 21 lestijden).

De aanwending van de instaplestijden

Uit de lestijden volgens de schalen kunnen de volgende betrekkingen en opdrachten worden geput:

- betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer

- betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding

- tijdens het schooljaar 2016-2017 betrekkingen in het ambt van kinderverzorger.

De instaplestijden kunnen enkel aangewend worden voor betrekkingen in het ambt van kinderverzorger als de school geen kleuteronderwijzers vindt met een vereist of een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs of kleuteronderwijzers met een ander bekwaamheidsbewijs die de opleiding “bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs” volgen om de instaplestijden in te richten. Het schoolbestuur moet geen bewijs leveren dat ze geen geschikte kleuteronderwijzer heeft gevonden. Wanneer men op een bepaalde instapdatum geen geschikte kleuteronderwijzer vindt en dus een kinderverzorger aanstelt en er zich op een volgende instapdatum toch een kleuteronderwijzer aandient, dan loopt de aanstelling van de kinderverzorger toch door tot het einde van het schooljaar. Uiteraard moet het schoolbestuur wel de kleuteronderwijzer aanstellen in de instaplestijden die ze op de volgende instapdatum ontvangt.

De betrekkingen in het ambt van kinderverzorger, die worden ingericht met de instaplestijden omgezet naar uren kinderverzorging, kunnen niet vacant verklaard worden. Evenmin zal erin kunnen vast benoemd worden, of kan een personeelslid er in worden geaffecteerd of gemuteerd. Dit houdt in dat u de kinderverzorger steeds als tijdelijk personeelslid zal moeten aanstellen.

De omrekening van lestijden naar uren gebeurt als volgt:

De instaplestijden die op de verschillende instapdata worden gegenereerd en waarvoor de school geen kleuteronderwijzer heeft gevonden, worden samengeteld. Na het samentellen van deze instaplestijden, worden ze omgezet volgens onderstaande tabel:

Instaplestijden 

Uren Kinderverzorger 

10 

11 

13 

14 

10 

16 

11 

17 

12 

19 

13 

21 

14 

22 

15 

24 

16 

25 

17 

27 

18 

29 

19 

30 

20 

32 

Wanneer een school een kinderverzorger aanstelt in omgezette uren kinderverzorging die een combinatie zijn van lestijden uit de basisomkadering (zie 3.1.4.1), instaplestijden en capaciteitslestijden (zie 3.1.6.2.2), moeten deze lestijden samen geteld worden vooraleer men de lestijden omzet in uren kinderverzorging.

Indien een school meerdere personeelsleden aanstelt in de omgezette uren kinderverzorging, dan moet voor elk personeelslid de omzetting van instaplestijden naar uren kinderverzorger afzonderlijk gebeuren.

Voorbeeld 1

Een school heeft 8 instaplestijden waarvoor ze geen kleuteronderwijzer heeft gevonden. Stelt de school 1 personeelslid aan in het ambt kinderverzorger, dan kan dit personeelslid voor 13/32 kinderverzorger worden aangesteld. De school kan deze 8 instaplestijden ook over 2 personeelsleden verdelen. De volgende verdelingen zijn o.a. mogelijk:

1) Personeelslid A krijgt 4 instaplestijden, na omzetting heeft dit personeelslid recht op een betrekking van 6/32 kinderverzorger. Personeelslid B krijgt eveneens 4 instaplestijden en heeft dus ook recht op een betrekking van 6/32 kinderverzorger. In totaal kan de school slechts 12/32 kinderverzorger inrichten met haar 8 instaplestijden.

2) Personeelslid A krijgt 6 instaplestijden, na omzetting heeft dit personeelslid recht op een betrekking van 10/32 kinderverzorger. Personeelslid B krijgt 2 instaplestijden en heeft dus ook recht op een betrekking van 3/32 kinderverzorger. In totaal kan de school 13/32 kinderverzorger inrichten met haar 8 instaplestijden.

Voorbeeld 2

Een school heeft 12 instaplestijden waarvoor ze geen kleuteronderwijzer heeft gevonden. Stelt de school 1 personeelslid aan in het ambt kinderverzorger, dan kan dit personeelslid voor 19/32 kinderverzorger worden aangesteld. De school kan deze 12 instaplestijden ook over 2 personeelsleden verdelen. De volgende verdelingen zijn o.a. mogelijk:

1) Personeelslid A krijgt 6 instaplestijden, na omzetting heeft dit personeelslid recht op een betrekking van 10/32 kinderverzorger. Personeelslid B krijgt eveneens 6 instaplestijden en heeft dus ook recht op een betrekking van 10/32 kinderverzorger. In totaal kan de school 20/32 kinderverzorger inrichten met haar 12 instaplestijden.

2) Personeelslid A krijgt 4 instaplestijden, na omzetting heeft dit personeelslid recht op een betrekking van 6/32 kinderverzorger. Personeelslid B krijgt 8 instaplestijden en heeft dus ook recht op een betrekking van 13/32 kinderverzorger. In totaal kan de school 19/32 kinderverzorger inrichten met haar 12 instaplestijden.

Aandachtspunten:

Voor de berekening van de instaplestijden worden de regelmatige kleuters op schoolniveau geteld. De aparte telling speelt bij de berekening dus geen rol.

Voor de berekening van de instaplestijden worden de regelmatige kleuters niet gewogen geteld. De kleuters worden dus niet aan 1,5 geteld.

Het aantal instaplestijden, bekomen ten gevolge van de herberekening, worden maar gefinancierd of gesubsidieerd tot 30 juni van het lopende schooljaar.

3.1.6.2. Herberekening van de lestijden volgens de schalen in steden en gemeenten met capaciteitsproblemen

3.1.6.2.1. Gemeenten die in aanmerking komen

De herberekening van de lestijden volgens de schalen in het kleuter- en lager onderwijs is van toepassing in stedelijke gebieden die aan de volgende 2 voorwaarden voldoen:

Ten eerste moeten deze gelegen zijn in een arrondissement van het Vlaams Gewest dat, voor het schooljaar (X, X+1), een totale aangroei kent van minstens 2400 regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs, die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen op het grondgebied van dit administratief arrondissement, op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5. Ofwel moeten ze gelegen zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op voorwaarde dat dit Gewest de hierboven beschreven aangroei van leerlingen kent.

Ten tweede moet voor het schooljaar (X, X+1) de totale aangroei van het aantal regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen op het grondgebied van deze gemeenten op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X minstens 240 leerlingen bedragen t.o.v. de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5.

Om een stabiele omkadering, noodzakelijk omwille van o.a. een goede personeelswerking in de scholen, te verzoenen met een jaarlijks aangepaste lijst van gemeenten waar scholen om capaciteitsredenen hertellen wordt er vanaf 1 september 2015 een waarborgperiode van 1 schooljaar voorzien waarin, ook al komt de gemeente volgens de gehanteerde parameters niet meer in aanmerking voor een hertelling, de scholen op hun grondgebied toch nog hertellen (waarborgregeling). 

Vanaf 1 september 2015 wordt er een waarborgregeling voorzien. Een gemeente die op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X (bv. 2015) niet meer aan de hierboven vermelde voorwaarden voldeed, maar op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-1 (bv. 2014) wél aan deze voorwaarden voldeed komt, voor het schooljaar X – X+1 (bv. 2015-2016), in aanmerking voor een hertelling. Scholen die in deze gemeenten in de waarborgregeling gelegen zijn hertellen niet in min.

Enkel scholen gelegen in de gemeenten opgenomen in bijlage 3 komen in aanmerking voor deze hertelling van de lestijden volgens de schalen in het kleuter- en lager onderwijs. Andere gemeenten komen niet in aanmerking.

3.1.6.2.2. Kleuteronderwijs

Deze herberekening van de lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs vervangt de instaplestijden niet. Deze herberekening bestaat dus naast de instaplestijden.

Extra voorwaarde voor het kleuteronderwijs: substantiële stijging van aantal kleuters in schoolbestuur

Het schoolbestuur (voor het GO! de scholengroep) waar de school deel van uitmaakt moet een stijging van 12 kleuters kennen op de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X in vergelijking met de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X-1.

Voorbeeld.

Een schoolbestuur heeft twee scholen. School A en school B. School A heeft een vestigingsplaatsgelegen in een capaciteitsgemeente (zie bijlage 3), school B niet. School A en B samen (het volledige schoolbestuur dus) tellen op 1/10/2012 300 kleuters en telden op 1/10/2011 280 kleuters. Het schoolbestuur kent m.a.w. een stijging van 20 kleuters. School A ligt in een capaciteitsgemeente en komt dus in aanmerking voor een hertelling. School B ligt niet in een capaciteitsgemeente en komt dus niet in aanmerking voor een hertelling.

Berekeningswijze van de hertelling.

Een hertelling is enkel mogelijk voor scholen die als teldag voor de lestijden volgens de schalen de eerste schooldag van februari hebben.

De berekening van de bijkomende lestijden volgens de schalen gebeurt per schooljaar (X, X+1) als volgt:

1° Het resultaat van A min B wordt berekend, waarbij

A = het aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven zijn in de school op de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X.

B= het aantal regelmatige leerlingen in het kleuteronderwijs die ingeschreven waren in de school op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X.

2° Als het resultaat van A min B groter is dan of gelijk is aan 12 dan heeft de school, voor het schooljaar (X, X+1), recht op een aantal bijkomende lestijden volgens de schalen dat gelijk is aan dit resultaat.

De school krijgt van AgODi het eindresultaat van deze herberekening.

Als het resultaat van A min B kleiner is dan 12 dan wordt er niet herteld.

Voorbeeld

Een kleuterschool A is gelegen in Antwerpen. Het schoolbestuur voldoet aan de voorwaarde m.b.t. de stijging van het aantal kleuters.

Bijkomende lestijden volgens de schalen

De school gelegen in Antwerpen telt op de eerste schooldag van februari 2012 100 regelmatige kleuters. Op basis van deze teldag heeft de school recht op 133 lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs voor het schooljaar 2012-2013.

Op de eerste schooldag van oktober 2012 telt de school 114 regelmatige kleuters. Dit zijn er 14 meer dan op de teldag van februari. De school hertelt dus. De school heeft recht op 14 bijkomende lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs.

De school heeft dus vanaf 1 september 2012 recht op 147 lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs.

Geen hertelling

De school gelegen in Antwerpen telt op de eerste schooldag van februari 2012 100 regelmatige kleuters. Op basis van deze teldag heeft de school recht op 133 lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs voor het schooljaar 2012-2013.

Op de eerste schooldag van oktober 2012 telt de school 88 regelmatige kleuters. Dit zijn er 12 minder dan op de teldag van februari. De school hertelt dus niet.

De school heeft dus vanaf 1 september 2012 nog steeds recht op 133 lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs.

Aanwending:

Uit de lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de herberekening in het kader van de capaciteitsproblemen kunnen in het kleuteronderwijs de volgende betrekkingen en opdrachten worden geput:

- betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer

- betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding

- tijdens het schooljaar 2016-2017 betrekkingen in het ambt van kinderverzorger.

De capaciteitslestijden kunnen enkel aangewend worden voor betrekkingen in het ambt van kinderverzorger als de school geen kleuteronderwijzers vindt met een vereist of een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs of kleuteronderwijzers met een ander bekwaamheidsbewijs die de opleiding “bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs” volgen om de instaplestijden in te richten. Het schoolbestuur moet geen bewijs leveren dat ze geen geschikte kleuteronderwijzer heeft gevonden. Wanneer men bij de start van het schooljaar geen geschikte kleuteronderwijzer vindt en dus een kinderverzorger aanstelt en er zich in de loop van het schooljaar toch een kleuteronderwijzer aandient, dan loopt de aanstelling van de kinderverzorger toch door tot het einde van het schooljaar.

De betrekkingen in het ambt van kinderverzorger, die worden ingericht met de capaciteitslestijden omgezet naar uren kinderverzorging, kunnen niet vacant verklaard worden. Evenmin zal erin kunnen vast benoemd worden, of kan een personeelslid er in worden geaffecteerd of gemuteerd. Dit houdt in dat u de kinderverzorger steeds als tijdelijk personeelslid zal moeten aanstellen.

De omrekening van capaciteitslestijden naar uren gebeurt als volgt:

De capaciteitslestijden worden omgezet volgens onderstaande tabel:

Capaciteitslestijden 

Uren Kinderverzorger 

10 

11 

13 

14 

10 

16 

11 

17 

12 

19 

13 

21 

14 

22 

15 

24 

16 

25 

17 

27 

18 

29 

19 

30 

20 

32 

Wanneer een school een kinderverzorger aanstelt in omgezette uren kinderverzorging die een combinatie zijn van lestijden uit de basisomkadering (zie 3.1.4.1), instaplestijden (zie 3.1.6.1) en capaciteitslestijden, moeten deze lestijden samen geteld worden vooraleer men de lestijden omzet in uren kinderverzorging.

Indien een school meerdere personeelsleden aanstelt in de omgezette uren kinderverzorging, dan moet voor elk personeelslid de omzetting van capaciteitslestijden naar uren kinderverzorger afzonderlijk gebeuren.

Aandachtspunten:

Voor de herberekening worden de regelmatige leerlingen kleuteronderwijs op schoolniveau geteld. De aparte telling speelt bij de berekening dus geen rol.

Voor de herberekening worden de regelmatige leerlingen kleuteronderwijs niet gewogen geteld.

Het aantal bijkomende lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de herberekening, worden maar gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september tot 30 juni van het lopende schooljaar.

3.1.6.2.3. Lager onderwijs

Berekeningswijze van de hertelling.

Een hertelling is enkel mogelijk voor scholen die als teldag voor de lestijden volgens de schalen de eerste schooldag van februari hebben.

De berekening van de bijkomende lestijden volgens de schalen of van het aantal lestijden dat afgetrokken wordt van de lestijden volgens de schalen gebeurt per schooljaar (X, X+1) als volgt:

1° Het resultaat van A min B wordt berekend, waarbij

A = het aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven zijn in de school op de eerste schooldag van oktober van het kalenderjaar X.

B= het aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs die ingeschreven waren in de school op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X.

2° Als het resultaat van A min B groter is dan of gelijk is aan 12 dan heeft de school, voor het schooljaar (X, X+1), recht op een aantal bijkomende lestijden volgens de schalen dat gelijk is aan dit resultaat.

Als dit resultaat van A min B kleiner is dan of gelijk is aan -12 dan wordt dit resultaat afgetrokken van het aantal lestijden volgens de schalen waar de school op basis van de teldag van de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar recht op heeft.

In beide gevallen krijgt de school van AgODi het eindresultaat van deze herberekening.

Als het resultaat van A min B kleiner is dan 12 en groter is dan -12 dan wordt er niet herteld.

Voorbeeld

Bijkomende lestijden volgens de schalen

Een school gelegen in Antwerpen telt op de eerste schooldag van februari 2012 100 regelmatige leerlingen lager onderwijs. Op basis van deze teldag heeft de school recht op 133 lestijden volgens de schalen in het lager onderwijs voor het schooljaar 2012-2013.

Op de eerste schooldag van oktober 2012 telt de school 114 regelmatige leerlingen lager onderwijs. Dit zijn er 14 meer dan op de teldag van februari. De school hertelt dus. De school heeft recht op 14 bijkomende lestijden volgens de schalen.

De school heeft dus vanaf 1 september 2012 recht op 147 lestijden volgens de schalen.

Aftrek van lestijden volgens de schalen

Een school gelegen in Antwerpen telt op de eerste schooldag van februari 2012 100 regelmatige leerlingen lager onderwijs. Op basis van deze teldag heeft de school recht op 133 lestijden volgens de schalen in het lager onderwijs voor het schooljaar 2012-2013.

Op de eerste schooldag van oktober 2012 telt de school 88 regelmatige leerlingen lager onderwijs. Dit zijn er 12 minder dan op de teldag van februari. De school hertelt dus. Er worden 12 lestijden afgetrokken van de lestijden volgens de schalen.

De school heeft dus vanaf 1 september 2012 recht op 121 lestijden volgens de schalen.

Geen hertelling

Een school gelegen in Antwerpen telt op de eerste schooldag van februari 2012 100 regelmatige leerlingen lager onderwijs. Op basis van deze teldag heeft de school recht op 133 lestijden volgens de schalen in het lager onderwijs voor het schooljaar 2012-2013.

Op de eerste schooldag oktober van 2012 telt de school 90 regelmatige leerlingen lager onderwijs. Dit zijn er 10 minder dan op de teldag van februari. De school hertelt dus niet.

De school heeft dus vanaf 1 september 2012 nog steeds recht op 133 lestijden volgens de schalen.

Geen hertelling

Een school gelegen in Antwerpen telt op de eerste schooldag van februari 2012 100 regelmatige leerlingen lager onderwijs. Op basis van deze teldag heeft de school recht op 133 lestijden volgens de schalen in het lager onderwijs voor het schooljaar 2012-2013.

Op de eerste schooldag van oktober 2012 telt de school 110 regelmatige leerlingen lager onderwijs. Dit zijn er 10 meer dan op de teldag van februari. De school hertelt dus niet.

De school heeft dus vanaf 1 september 2012 nog steeds recht op 133 lestijden volgens de schalen.

De aanwending van de bijkomende lestijden volgens de schalen

Uit de lestijden volgens de schalen kunnen de volgende betrekkingen en opdrachten worden geput:

- de eventuele onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;

- de betrekkingen in het ambt van onderwijzer;

- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.

Aandachtspunten:

Voor de herberekening worden de regelmatige leerlingen lager onderwijs op schoolniveau geteld. De aparte telling speelt bij de berekening dus geen rol.

Voor de herberekening worden de regelmatige leerlingen lager onderwijs niet gewogen geteld.

Het aantal bijkomende lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de herberekening, worden maar gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september tot 30 juni van het lopende schooljaar.

De lestijden die van de lestijden volgens de schalen afgetrokken worden bij een daling van het aantal regelmatige leerlingen in het lager onderwijs worden niet meer gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september van het betrokken schooljaar.

3.1.7. Overdracht en herverdeling van lestijden volgens de schalen.

Zie punt 5

3.2. Aanvullende lestijden

De aanvullende lestijden kunnen uitsluitend voor hun specifiek doel worden aangewend. Deze regel blijft ook geldig bij herverdelingen en overdrachten.

3.2.1. Aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing

3.2.1.1. Keuze van de ouders

De ouders kunnen hun keuze voor een bepaalde cursus jaarlijks wijzigen binnen de 8 kalenderdagen te rekenen vanaf de eerste schooldag van september van het lopende schooljaar.

3.2.1.2. Aantal lestijden

In het lager onderwijs worden aanvullend bij de basisomkadering, wekelijks twee lestijden gefinancierd of gesubsidieerd voor de cursussen in de erkende godsdiensten en voor de niet-confessionele zedenleer. In gesubsidieerde vrije scholen die geen cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer organiseren, worden wekelijks twee aanvullende lestijden cultuurbeschouwing gesubsidieerd.

3.2.1.3. De meest gevolgde cursus

De teldag voor het bepalen van het aantal aanvullende lestijden van de meest gevolgde cursus is de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar behalve voor de scholen die de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar als teldag hebben.

De berekening van de meest gevolgde cursus godsdienst, niet-confessionele zedenleer of voor de cursus cultuurbeschouwing gebeurt per vestigingsplaats als volgt:

Aantal lln. op teldag 

Aantal cursussen 

Aantal lestijden 

Tot en met 24 lln. 

1 cursus 

2 lestijden 

Vanaf 25 lln. 

2 cursussen 

4 lestijden 

Vanaf 40 lln. 

3 cursussen 

6 lestijden 

Vanaf 55 lln. 

4 cursussen 

8 lestijden 

Vanaf 70 lln. 

5 cursussen 

10 lestijden 

Vanaf 90 lln. 

6 cursussen 

12 lestijden 

Vanaf 115 lln. 

7 cursussen 

14 lestijden 

Vanaf 140 lln. 

8 cursussen 

16 lestijden 

Vanaf 165 lln. 

9 cursussen 

18 lestijden 

Vanaf 190 lln. 

10 cursussen 

20 lestijden 

Vanaf 215 lln. 

11 cursussen 

22 lestijden 

Vanaf 240 lln. 

12 cursussen 

24 lestijden 

Vanaf 265 lln. 

13 cursussen 

26 lestijden 

Vanaf 290 lln. 

14 cursussen 

28 lestijden 

Vervolgens per groep van 30 lln. 

+ 1 cursus 

+ 2 lestijden 

Het is mogelijk dat de verschillende vestigingsplaatsen van een school een andere meest gevolgde cursus hebben. Een school kan dus meer dan één meest gevolgde cursus hebben. Per vestigingsplaats kan er uiteraard maar één meest gevolgde cursus zijn. Indien er in een vestigingsplaats voor twee of meer levensbeschouwingen evenveel leerlingen zijn op de teldag, bepaalt de school zelf welke van deze levensbeschouwingen de meest gevolgde cursus is.

Bovenop de twee aanvullende lestijden kan een eventuele bijkomende halve of derde lestijd worden geput uit de basisomkadering. Deze bijkomende halve of derde aanvullende lestijd kan aan alle of aan bepaalde leerlingengroepen worden toegekend (bijvoorbeeld: alleen aan alle leerlingengroepen van het 5e leerjaar). Het is wel zo dat elke leeftijdsgroep evenveel aanvullende lestijden dient te krijgen.

Niet aangewende aanvullende lestijden van een bepaalde levensbeschouwing kunnen als bijkomende halve of derde lestijd worden toegekend aan alle of aan één andere leerlingengroep met dezelfde levensbeschouwing.

Per leerlingengroep mag een cursus nooit meer dan drie lestijden bedragen.

Op basis van bovenvermelde berekeningen en keuzes wendt het schoolbestuur het aantal gefinancierde of gesubsidieerde aanvullende lestijden van de meest gevolgde cursus aan.

3.2.1.4. De minder gevolgde cursussen

Na de verdeling van de aanvullende lestijden van de meest gevolgde cursus bij de start van het schooljaar over de verschillende vestigingsplaatsen en over de verschillende leerlingengroepen, worden voor de minder gevolgde cursussen aanvullende lestijden toegekend.

Het aantal aanvullende lestijden per leerlingengroep in de minder gevolgde cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer, bedraagt evenveel lestijden als het aantal aanvullende lestijden per leerlingengroep in de meest gevolgde cursus, d.w.z 2, 2,5 of 3 lestijden. De bijkomende halve of derde aanvullende lestijd van de minder gevolgde cursussen wordt als aanvullende lestijden gefinancierd of gesubsidieerd.

De aanvullende lestijden van de meest gevolgde en de minder gevolgde cursussen worden om organisatorische redenen gelijktijdig ingericht.

Het totaal aantal aanvullende lestijden van de minder gevolgde cursus in een school, mag nooit meer bedragen dan het totaal aantal aanvullende lestijden van de meest gevolgde cursus waarop de school recht heeft volgens de berekeningswijze per vestigingsplaats.

Een minder gevolgde cursus kan, vanaf 10 leerlingen, opgesplitst worden bij een veelvoud van 5 leerlingen wanneer de overeenstemmende leerlingengroep van de meest gevolgde cursus opsplitst.

Indien er voor de meest gevolgde cursus in een bepaalde groep geen leerlingen zijn, doch wel voor de minder gevolgde cursus, mag de minder gevolgde cursus worden ingericht.

Van het ogenblik dat er geen leerlingen meer zijn ingeschreven in een bepaalde leerlingengroep van de minder gevolgde cursus, worden de aanvullende lestijden niet langer meer gefinancierd of gesubsidieerd voor deze cursus. Als er geen leerlingen meer zijn die een bepaalde minder gevolgde cursus volgen, dan wordt deze cursus niet meer gesubsidieerd of gefinancierd.

Zodra een leerling wordt ingeschreven voor een minder gevolgde cursus waarvoor nog geen aanvullende lestijden worden gefinancierd of gesubsidieerd mag deze cursus onmiddellijk worden ingericht. Indien een leerling wordt ingeschreven na de 8ste kalenderdag na de eerste schooldag van september van het lopende schooljaar en opteert voor een reeds ingerichte minder gevolgde cursus, in een leerlingengroep waar de minder gevolgde cursus niet was ingericht, worden aanvullende lestijden gefinancierd of gesubsidieerd overeenkomstig de leerlingengroep van de meest gevolgde cursus. Zoals reeds aangegeven kan het totaal aantal aanvullende lestijden van de minder gevolgde cursus nooit meer bedragen dan het totaal aantal aanvullende lestijden van de meest gevolgde cursus.

3.2.1.5. Aanwending van de aanvullende lestijden godsdienst en niet-confessionele zedenleer.

De aanvullende lestijden kunnen uitsluitend aangewend worden voor godsdienst(en) en niet-confessionele zedenleer.

Het godsdienstonderwijs en het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer dient in het officieel onderwijs verstrekt te worden door een leermeester.

Wanneer een school lestijden door overdracht (zie punt 5) ontvangt (zowel lestijden uit het de basisomkadering als aanvullende lestijden), of lestijden neemt uit de eigen basisomkadering om wekelijks een halve of derde lestijd toe te kennen aan een of meerdere groepen van de meest gevolgde cursus, dan wordt ook in de overeenstemmende groep van de minder gevolgde cursus een halve of derde aanvullende lestijd gefinancierd of gesubsidieerd

Indien een school lestijden ontvangt of lestijden neemt uit de eigen basisomkadering en daarmee een groep van de meest gevolgde cursus opsplitst, mag, vanaf 10 leerlingen, ook de minder gevolgde cursus opsplitsen bij een veelvoud van vijf leerlingen.

3.2.2. Lestijden anderstalige nieuwkomers

zie omzendbrief BaO/2006/03: Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers

3.2.3. Overdracht en herverdeling van aanvullende lestijden.

Zie punt 5

3.3. Bijkomende lestijden

3.3.1. Bijkomende lestijden vrijwillige fusie

Als gevolg van een vrijwillige fusie kan een ambt van adjunct-directeur gefinancierd of gesubsidieerd worden (zie punt 2.2.).

Bovendien kunnen bijkomende lestijden worden toegekend om de eventuele negatieve gevolgen van een vrijwillige fusie te spreiden in de tijd.

Ook in dit geval geldt de voorwaarde dat de scholen die betrokken zijn bij de fusieoperatie op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar een leerlingenaantal moeten bereiken dat ten minste 15% boven de vereiste rationalisatienorm ligt.

Indien meer dan twee scholen betrokken zijn, is het toegelaten dat één van die scholen de verhoogde norm (=115%) niet bereikt.

Deze bijkomende lestijden worden éénmalig als volgt berekend:

X = het lestijdenpakket op basis van de reglementering in de veronderstelling dat de structuur van vóór de fusie behouden blijft

Y = het lestijdenpakket op basis van de reglementering vertrekkende van de nieuwe structuur na de fusie

Z = het verschil tussen X en Y (X - Y = Z).

Het pakket bijkomende lestijden wordt éénmaal berekend en gespreid in de tijd en afnemend van jaar tot jaar toegekend:

- het schooljaar van de fusie: 100% van Z

- het eerste schooljaar na de fusie: 75% van Z

- het tweede schooljaar na de fusie: 50% van Z

- het derde schooljaar na de fusie: 25% van Z

- vanaf het vierde schooljaar na de fusie: 0%van Z

3.3.1.1. Aanwending van de bijkomende lestijden

De betrekkingen die worden ingericht met deze bijkomende lestijden kunnen niet vacant verklaard worden. Evenmin zal erin kunnen vast benoemd worden, of kan een personeelslid er in worden geaffecteerd of gemuteerd. Dit houdt in dat u de betrokken personeelsleden steeds als tijdelijk personeelslid zal moeten aanstellen.

3.3.1.2. Melding van de bijkomende lestijden

De betrekkingen die ingericht worden in de bijkomende lestijden die toegekend worden naar aanleiding van een vrijwillige fusie, meldt u met de herkenningscode (“vakcode”) 615 - lestijden vrijwillige fusie.

Voorbeeld:

Een tijdelijke kleuteronderwijzer wordt belast met 12 lestijden vrijwillige fusie:

RL-1: 12 lt kleuteronderwijzer ato 2 met vakcode 615 (lestijden vrijwillige fusie) tot 30 juni

Indien de betrekking uitgeoefend wordt door een vast benoemd personeelslid, gebeurt de melding via een verlof TAO.

Voorbeeld:


Een voltijds vast benoemd onderwijzer wordt belast met 6 lestijden vrijwillige fusie.

Eén bericht dat als volgt is samengesteld:

RL-1: 24 lt onderwijzer ato 4 einddatum oneindig met verlof TAO (DO 019) voor 6 lt tot 30/06

RL-1: 6 lt onderwijzer ato 2 met vakcode 615 (lestijden vrijwillige fusie) bij wijze van TAO tot 30/06

3.3.2. Bijkomende lestijden tijdelijk onderwijs aan huis

zie omzendbrief BaO/97/5 - Onderwijs aan huis (17/06/97)

4. Paramedisch personeel

4.1. Uren kinderverzorger

In het kleuteronderwijs wordt een urenpakket kinderverzorger gefinancierd of gesubsidieerd

4.1.1. Principes

  • Het urenpakket wordt per school berekend op basis van het aantal regelmatige kleuters op de teldag (d.i. de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar of de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar al naar gelang het geval) en op basis van het aantal vestigingsplaatsen met een niveau kleuteronderwijs.

  • Het urenpakket wordt toegekend aan de school die dan autonoom, uiteraard met toepassing van de regelgeving inzake medezeggenschap, overleg en onderhandeling, beslist over de verdeling van de uren over de verschillende vestigingsplaatsen met kleuteronderwijs.

  • Het urenpakket kan in de loop van het schooljaar niet herberekend worden.

  • Voor een voltijdse betrekking van kinderverzorger worden er 32 uren uit het pakket geput.

  • De uren kinderverzorger kunnen niet omgezet worden in lestijden. Het omgekeerde kan evenmin.

4.1.2. Normen

Aan elke autonome kleuterschool of basisschool met ten minste 35 kleuters wordt een basispakket van 8 uren toegekend.

Per bijkomende schijf van 55 kleuters, krijgt de school één bijkomend uur.

Autonome kleuterscholen of basisscholen die beschikken over meerdere vestigingsplaatsen met kleuteronderwijs, hebben per bijkomende vestigingsplaats kleuteronderwijs recht op nog 2 uren, ongeacht het aantal kleuters per vestigingsplaats. Dit betekent concreet dat een school met 3 vestigingsplaatsen kleuteronderwijs boven op haar basispakket 4 uren (voor de 2 bijkomende vestigingsplaatsen) krijgt.

Tabel voor de berekening van het urenpakket op schoolniveau:

Aantal kleuters per school 

Aantal uren kinderverzorger 

35 

90 

145 

10 

200 

11 

255 

12 

310 

13 

365 

14 

420 

15 

475 

16 

530 

17 

585 

18 

640 

19 

695 

20 

750 

21 

Tabel voor de berekening van de bijkomende uren per bijkomende vestigingsplaats:

Totaal aantal vestigingsplaatsen per school met kleuteronderwijs 

Aantal bijkomende uren kinderverzorger 

10 

Voorbeelden

Een autonome kleuterschool met één vestigingsplaats.

Op de teldag heeft de school 75 regelmatige kleuters.

De school krijgt een pakket van 8 uren kinderverzorger.

Een basisschool met twee vestigingsplaatsen kleuteronderwijs.

Op de teldag heeft de school 177 regelmatige kleuters.

De school krijgt een pakket van 10 uren kinderverzorger.

Voor de bijkomende vestigingsplaats krijgt de school 2 uren.

Totaal voor de school: 12 uren kinderverzorger.

Een basisschool met 5 vestigingsplaatsen kleuteronderwijs.

Op de teldag heeft de school 480 regelmatige kleuters.

De school krijgt een pakket van 16 uren kinderverzorger.

Voor de vier bijkomende vestigingsplaatsen krijgt de school 8 uren.

Totaal voor de school: 24 uren kinderverzorger.

4.1.3. Aanwending van het urenpakket kinderverzorger

De omrekening van het urenpakket kinderverzorger naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen van kinderverzorger gebeurt als volgt: het urenpakket wordt gedeeld door 32 tot op de eenheid; het quotiënt is gelijk aan het aantal voltijdse betrekkingen.

4.1.4. (…) Overdrachten van de uren kinderverzorger

Zie punt 5

5. Overdracht en herverdeling van lestijden en uren.

Het schoolbestuur of zijn afgevaardigde beslist, met toepassing van de reglementering inzake medezeggenschap, overleg en onderhandeling over:

1. de aanwending van het lestijden- en urenpakket;(zie pt. 8)

2. de herverdeling van lestijden;

3. de overdracht van lestijden en/of uren naar een andere school.

5.1. Herverdeling

Herverdeling is het afstaan van lestijden tussen het niveau kleuter- en het niveau lager onderwijs binnen één school.

Herverdelen van lestijden van het kleuter- naar het lager onderwijs en omgekeerd is slechts toegelaten indien dit geen terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking tot gevolg heeft, tenzij het betrokken personeelslid voor de hele duur van het schooljaar en voor de volledige omvang van de terbeschikkingstelling in een school van hetzelfde schoolbestuur of van dezelfde scholengemeenschap overeenkomstig de geldende reglementering kan worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een organieke betrekking.

Voorbeeld

Volgens de berekening van het lestijdenpakket van het lopende schooljaar heeft een basisschool recht op:

- voor het lager onderwijs (6 leerjaren): 140 lestijden

- voor het kleuteronderwijs (3 kleuterklassen): 76 lestijden.

Deze school heeft 4 lestijden tekort om in het lager onderwijs per leerjaar 1 voltijdse opdracht in te richten (24 lestijden x 6 = 144 lestijden). Om drie kleuterklassen te organiseren, heeft de school slechts 72 lestijden nodig. De overige 4 lestijden kunnen herverdeeld worden naar het lager onderwijs. Indien deze herverdeling leidt tot een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking van een kleuteronderwijzer voor (maximum) 4 lestijden, dan kan deze herverdeling toch doorgaan op voorwaarde dat de betrokken kleuteronderwijzer voor de volledige omvang van de terbeschikkingstelling (=maximum 4 lestijden) en voor de hele duur van het schooljaar kan worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een organieke betrekking binnen hetzelfde schoolbestuur of binnen dezelfde scholengemeenschap.

Herverdeelde lestijden komen niet in aanmerking voor vaste benoeming, mutatie of nieuwe affectatie In deze lestijden wordt een personeelslid altijd tijdelijk aangesteld. Als een vast benoemd personeelslid erin aangesteld wordt, gebeurt dit via een verlof TAO.

Het herverdelen van lestijden kan ook geen terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking vermijden. In deze lestijden mag men eenterbeschikking gesteld personeelslid wel reaffecteren of wedertewerkstellen.

Voorbeeld

In een basisschool zijn er 4 lestijden tekort om alle vastbenoemde kleuteronderwijzers opnieuw het aantal lestijden aan te bieden waarvoor ze vastbenoemd zijn. De school beslist om 4 lestijden uit het lager onderwijs via herverdeling aan te wenden in het kleuteronderwijs. In het kleuteronderwijs wordt een leerkracht voor 4 lestijden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking en vervolgens gereaffecteerd in de herverdeelde lestijden.

Opmerking : het onterecht herverdelen van lestijden impliceert dat er in een bepaald onderwijsniveau van een school, hetzij kleuteronderwijs hetzij lager onderwijs, teveel lestijden zijn aangewend; dit heeft dan ook een terugvordering aan het schoolbestuur voor gevolg.

Melding aan het werkstation

Personeelsleden die aangesteld worden in herverdeelde lestijden meldt u in het opdrachtenpakket met de code oorsprong omkadering 05 (OOM 05).

Voorbeeld:

Een voltijds vastbenoemde kleuteronderwijzeres is vanaf 1 september voor 2 lestijden TBSOB. Via herverdelinggaan er 2 lestijden van het niveau lager naar het niveau kleuter, waarin het personeelslid gereaffecteerd wordt.

Één bericht dat als volgt is samengesteld:

- RL1 /24 u kleuteronderwijzer / 24 u ATO 4 / 2 u TBSOB / eigen omkadering (OOM 00) / einddatum oneindig

- RL 1 / kleuteronderwijzer / 2 u ATO 2 / Reaffectatie / herverdeling (OOM 05) / einddatum 30.06

Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan AgODi waarin het verklaart de bepalingen inzake overdracht en herverdelingen in acht te nemen. (zie BAO-jaarlijkse inlichtingen)

Opmerking: herverdelingen moeten steeds op de BAO-formulieren vermeld worden en kunnen niet met terugwerkende kracht geregeld worden. Ingeval van herverdeling van lestijden in de loop van het schooljaar, moet onmiddellijk een nieuw BAO-formulier bezorgd worden aan uw schoolbeheerteam. (Omzendbrief “Invullen van de BAO-formulieren).

5.2. Overdracht

Overdracht is het afstaan van lestijden of uren kinderverzorgster aan een andere school van eenzelfde of ander schoolbestuur. De overdracht is beperkt tot 3% van het totale lestijdenpakket (kleuter + lager onderwijs samen), respectievelijk van het totale afzonderlijke urenpakket, dat het lopende schooljaar wordt gefinancierd of gesubsidieerd voor de school die overdraagt. Een afwijking op deze beperking tot 3% is voorzien voor scholen die behoren tot een scholengemeenschap (zie punt 5.3.).Overdracht van lestijden is mogelijk tussen gewoon en buitengewoon basisonderwijs. Er kunnen echter geen uren kinderverzorgster worden overgedragen naar het buitengewoon onderwijs.

Voorbeeld:

Volgens de berekening van het lestijdenpakket van het lopende schooljaar heeft de school recht op:

- voor het lager onderwijs: 200 lestijden

- voor het kleuteronderwijs: 100 lestijden.

Deze school kan maximum 3% van het totale lestijdenpakket ( = 300 lestijden) overdragen, zijnde 9 lestijden.

Overdracht van lestijden of uren van de eneschool naar de andere is slechts toegelaten indien dit geen terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking tot gevolg heeft. Lestijden en uren waarin personeelsleden vastbenoemd zijn, kunnen dus nooit overgedragen worden, ook niet wanneer deze personeelsleden een dienstonderbreking genieten. Dit betekent dat enkel vacante lestijden en vacante uren in aanmerking komen voor overdracht.

Voorbeelden : 

1) Een schoolbestuur heeft 2 scholen. School A heeft recht op een lestijdenpakket van 216 lestijden (76 lestijden kleuteronderwijs, 140 lestijden lager onderwijs), school B op een pakket van 200 lestijden (67 lestijden kleuteronderwijs, 133 lestijden lager onderwijs). In school A is er dit schooljaar een daling van het aantal kleuters, in school B een grote aangroei. Het schoolbestuur beslist daarom om 5 vacante lestijden van het kleuteronderwijs over te dragen van school A naar school B. De overdracht is mogelijk vermits het om vacante lestijden gaat en de overdracht minder dan 3 % van het lestijdenpakket omvat.

2) Een school in het gewoon basisonderwijs heeft recht op een lestijdenpakket van 200 lestijden (67 lestijden kleuteronderwijs, 133 lestijden lager onderwijs). Deze lestijden zijn volledig ingevuld door vastbenoemde leerkrachten. Onderwijzer X neemt evenwel een verlof tijdelijk andere opdracht om in een andere school te presteren. De school wenst een deel van de beschikbare lestijden van deze onderwijzer over te dragen naar een andere school.

Niettegenstaande het verlof TAO, is deze overdracht niet mogelijk. De lestijden van de leerkracht moeten beschikbaar blijven in de school waar betrokkene vastbenoemd is, zoniet heeft dit een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking tot gevolg.

Neemt onderwijzer X echter ontslag om te muteren, dan worden deze lestijden vacant en kan de overdracht doorgaan.

Overgedragen lestijden of urenkomen niet in aanmerking voor vaste benoeming, mutatie of nieuwe affectatie In deze lestijden en uren wordt een personeelslid altijd tijdelijk aangesteld. Als een vast benoemd personeelslid erin aangesteld wordt, gebeurt dit via een verlof TAO.

Het overdragen van lestijden of uren kan ook geen terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking vermijden. In deze lestijden of uren mag men het terbeschikking gestelde personeelslid wel reaffecteren of wedertewerkstellen.

Er kunnen geen lestijden of uren kinderverzorgster overgedragen worden van een school of afdeling van het Nederlands taalstelsel naar een school of afdeling van het Frans taalstelsel of omgekeerd.

Er kunnen geen lestijden of uren kinderverzorgster worden overgedragen naar het secundair onderwijs.

Aanvullende lestijden of uren kinderverzorgster, die worden overgedragen, moeten uiteraard steeds gebruikt worden voor het doel waarvoor ze bestemd zijn.

Elke overdracht van lestijden / uren kinderverzorgster moet vóór 15 oktober van het lopende schooljaar gebeuren. De lestijden uit de basisomkadering (3.1.) kunnen, vanaf 1 september 2014, gedurende het volledige schooljaar overgedragen worden voor de organisatie van een taalbad (zie omzendbrief screening niveau onderwijstaal, taaltraject en taalbad in het gewoon lager onderwijs).

Het schoolbestuur moet met het oog op de controle een verklaring op eer bezorgen aan AgODi waarin het verklaart de bepalingen inzake overdracht en herverdelingen in acht te nemen. (zie BAO-jaarlijkse inlichtingen)

Opmerking: overdrachten moeten steeds op de BAO-formulieren vermeld worden en kunnen niet met terugwerkende kracht geregeld worden.

Opmerking : het onterecht overdragen van lestijden en uren impliceert dat er in een bepaald onderwijsniveau van een school, hetzij kleuteronderwijs hetzij lager onderwijs, teveel lestijden/uren zijn aangewend; dit heeft dan ook een terugvordering aan het schoolbestuur dat lestijden/uren heeft overgedragen voor gevolg.

Melding aan het werkstation

Personeelsleden die aangesteld worden in overgedragen lestijden of in overgedragen uren meldt u in het opdrachtenpakket met de code oorsprong omkadering 05 (OOM 05).

Voorbeeld:

Een voltijds vastbenoemde kleuteronderwijzeres is vanaf 1 september voor 2 lestijden TBSOB. Via overdracht ontvangt de school van een andere school 2 lestijden, waarin het personeelslid gereaffecteerd wordt.

Één bericht dat als volgt is samengesteld:

- RL1 /24 u kleuteronderwijzer / 24 u ATO 4 / 2 u TBSOB / eigen omkadering (OOM 00) / einddatum oneindig

- RL 1 / kleuteronderwijzer / 2 u ATO 2 / Reaffectatie / overdracht (OOM 05) / einddatum 30.06

5.3. Overdracht van lestijden of uren kinderverzorgster binnen de scholengemeenschap

Tussen scholen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap kan er door de betrokken schoolbesturen méér dan 3% van het lestijdenpakket en/of urenpakket overgedragen worden, mits:

  • de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt,

  • akkoord van het bevoegd lokaal comité,

  • de overdracht gebeurt vóór 15 oktober van het lopende schooljaar,

  • de overdracht niet voor gevolg heeft dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking.

De overige bepalingen i.v.m. de overdracht van lestijden of uren kinderverzorgster dienen uiteraard ook nageleefd te worden (zie punt 5.2).

De lestijden uit de basisomkadering (3.1.) kunnen, vanaf 1 september 2014, gedurende het volledige schooljaar overgedragen worden voor de organisatie van een taalbad (zie omzendbrief screening niveau onderwijstaal, taaltraject en taalbad in het gewoon lager onderwijs).

Indien de school, conform de afspraken binnen de scholengemeenschap, lestijden of uren kinderverzorgster overdraagt naar scholen binnen de scholengemeenschap neemt het percentage van het aantal lestijden of uren kinderverzorgster dat naar een school buiten de scholengemeenschap kan worden overgedragen natuurlijk af. De overdracht van lestijden naar scholen buiten de scholengemeenschap is niet meer mogelijk als de school reeds 3% of meer van haar lestijdenpakket heeft overgedragen naar een school binnen de scholengemeenschap.

Personeelsleden die in een school van een scholengemeenschap worden aangesteld met overgedragen lestijden kunnen vanaf het schooljaar 2012-2013 ingezet worden voor de vervulling van opdrachten voor en in alle scholen van de scholengemeenschap. Scholen kunnen bijvoorbeeld kiezen om hun ‘restlestijden’ over te dragen naar één school zodat men een personeelslid een volwaardige betrekking kan aanbieden voor een volledig schooljaar. Het personeelslid wordt dan weliswaar aangesteld door één school, maar is toch inzetbaar voor en in alle scholen van de scholengemeenschap. Binnen de scholengemeenschap moet onderhandeld worden over deze ruimere inzetbaarheid. Het personeelslid kan o.a. ingezet worden om vervangingen uit te voeren in alle scholen van de scholengemeenschap (= ‘mini-pool’), maar kan uiteraard ook ingezet worden voor andere pedagogische opdrachten in één of meer scholen van de scholengemeenschap (splitsing van een klas, een duobaan met een andere leerkracht,…).

Deze mogelijkheid is in de regelgeving ingeschreven als één van de maatregelen die worden genomen in het kader van het tekort aan (kleuter)onderwijzers dat zich de komende jaren sterk zal laten voelen in sommige regio’s. Het is mogelijk dat op schoolniveau restlestijden niet ingevuld raken en dat men bovendien geen vervangers vindt voor afwezige leerkrachten. Het tekort aan (kleuter)onderwijzers laat zich immers het eerst voelen bij het zoeken naar vervangers van afwezige personeelsleden in de loop van een schooljaar (= tijdelijke opdracht) of naar personeelsleden die zich tevreden moeten stellen met een onvolledige opdracht. Daarom biedt deze maatregel één van de mogelijke invalshoeken om adequaat om te gaan met het tekort aan (kleuter)onderwijzers.

De inzetbaarheid van deze personeelsleden is echter niet onbeperkt. Het schoolbestuur moet rekening houden met een maximale afstand van 25 km tussen de school van aanstelling of affectatie en de school van tewerkstelling. Het personeelslid kan echter instemmen om over een verdere afstand ingezet te worden.

Wanneer een personeelslid ruimer wordt ingezet, moet dit opgenomen worden in het geschrift waarin de aanstelling wordt vastgesteld en in de functiebeschrijving van het betrokken personeelslid. Als de inzetbaarheid niet uitdrukkelijk schriftelijk is vastgelegd, betekent dit dat het personeelslid alleen kan worden ingezet in de school van aanstelling of affectatie.

Uiteraard sluit deze mogelijkheid niet uit dat in de toekomst ook binnen een scholengemeenschap school A nog steeds lestijden kan overdragen naar school B, waarmee school B een (kleuter)onderwijzer kan aanstellen die enkel in school B inzetbaar is.

5.4. Overdrachten en de samenwerking tussen het gewoon en buitengewoon basisonderwijs

Samenwerking met het buitengewoon onderwijs kan de expertise en de draagkracht van de scholen voor gewoon onderwijs verhogen en is zeker aan te bevelen. In het kader van zorgverbreding was dit een bestaande praktijk.

Overdracht van lestijden is hiervoor niet de geschikte methode.

Personeelsleden uit het buitengewoon onderwijs kunnen, in het kader van ruimere samenwerking, op twee manieren aangetrokken worden:

1. Ofwel stelt men een tijdelijke leerkracht aan in de gewone school die de nodige expertise heeft opgebouwd omtrent het buitengewoon onderwijs om deze aanvullende uren te presteren.

2. Ofwel neemt een vastbenoemde leerkracht ASV op vrijwillige basis een dienstonderbreking om tijdelijk een andere opdracht te gaan doen in de gewone school.(= DO 19 in school voor BO en TAO in de gewone school).

In beide gevallen kán het betrokken personeelslid in het gewoon en buitengewoon onderwijs tewerkgesteld zijn.

5.5. (…)

6. Bijzonder pedagogische taken.

Scholen hebben de mogelijkheid om te werken met het systeem van bijzondere pedagogische taken.

Met BPT-uren wordt bedoeld de lestijden of uren kinderverzorgster die kunnen aangewend worden voor bijzondere pedagogische taken. Deze bijzondere pedagogische taken kunnen uitsluitend aangewend worden voor schoolgebonden opdrachten. Ze zijn gericht op het optimaliseren van de pedagogisch-didactische organisatie.

Dit kan ondermeer gebeuren door het toekennen van welbepaalde coördinatieopdrachten aan leden van het onderwijzend personeel of aan kinderverzorgers.

Deze uren mogen ook toegekend worden aan de directeur die met een gedeeltelijke onderwijsopdracht belast is.

Maximum drie percent van het toegekende lestijden- en urenpakket op schoolniveau kan gereserveerd worden voor bijzondere pedagogische taken. Met het lestijdenpakket wordt bedoeld de lestijden volgens de schalen en de aanvullende lestijden. Het maximum van 3 % kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden.

Het resultaat van de berekening wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier.

Meer informatie hierover vindt u terug in de omzendbrief “Specifieke maatregelen vanaf 1-9-2001 voor het organiseren van bijzondere pedagogische taken in het basisonderwijs” .

7. Puntenenveloppen

Sinds september 2003 ontvangen de basisscholen een extra vorm van omkadering in de vorm van puntenenveloppen. Op basis van deze punten kunnen personeelsleden worden aangesteld in de nieuwe personeelscategorie "beleids- en ondersteunend personeel".

Deze omkadering is bedoeld om de directeur en het lerarenteam pedagogisch, organisatorisch en administratief te ondersteunen. De puntenenveloppen zijn dan ook bestemd voor het voeren van een zorgbeleid, de coördinatie van een ICT-beleid en voor de uitbouw van een administratieve omkadering.

In de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel kunnen drie ambten worden ingericht: het ambt van zorgcoördinator, administratief medewerker en ICT-coördinator.

(Raadpleeg voor de personeelsconsequenties in dit verband ook de omzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen: personeelsformatie en personeelsaspecten).

7.1. Puntenenveloppen

Het systeem van beleids- en ondersteunend personeel voorziet een personeelsomkadering uitgedrukt in punten, komende uit de volgend puntenenveloppen:

  • een extra puntenenveloppe ter ondersteuning van de scholengemeenschap; (zie ook omzendbrief scholengemeenschappen basisonderwijs )
  • een puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid. Deze wordt toegekend aan de scholengemeenschap. (zie ook omzendbrief scholengemeenschappen basisonderwijs).
  • een puntenenveloppe voor zorgbeleid. Deze enveloppe wordt enkel toegekend aan scholen voor gewoon basisonderwijs die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap;
  • een puntenenveloppe voor ICT-coördinatie (enkel voor scholen die deel uitmaken van een samenwerkingsplatform voor ICT-coördinatie of van een scholengemeenschap);
  • een puntenenveloppe voor administratieve ondersteuning.

7.2. Principes voor de berekening van de puntenenveloppen voor zorgbeleid (voor scholen voor gewoon basisonderwijs die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap), administratieve omkadering en ICT-coördinatie.

  • De puntenenveloppe voor zorgbeleid (voor scholen voor gewoon basisonderwijs die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap) en ICT worden voor elke school berekend op basis van het totaal aantal leerlingen (kleuter- en lager onderwijs van alle vestigingsplaatsen samen) ingeschreven op de teldag die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen. Dit wil zeggen dat scholen die op de eerste schooldag van februari tellen voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, ook voor de puntenenveloppen op die teldag tellen. Dit betekent ook dat er geen bijkomende indicatoren opgevraagd worden.

Scholen in herstructurering of programmatie tellen op de eerste schooldag van oktober voor hun puntenenveloppen.

In afwijking hierop worden voor basisscholen verbonden aan een Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning de leerlingen geteld op basis van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de telperiode van toepassing voor de berekening van de lestijden volgens de schalen.

De puntenenveloppe voor administratieve omkadering is zodanig opgebouwd dat elke school minimaal recht heeft op een sokkel van 9 punten. Daarnaast heeft elke school recht op een aantal bijkomende punten, afhankelijk van het aantal regelmatige leerlingen op de teldag of van het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de telperiode die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen. In het gemeenschapsonderwijs wordt het contingent van rekenplichtige correspondenten van de basisscholen omgezet in een globale puntenveloppe. Het gemeenschapsonderwijs staat zelf in voor de herverdeling van deze puntenenveloppe over de verschillende scholengroepen.

  • De puntenenveloppen kunnen in de loop van het schooljaar niet herberekend worden.

  • Het puntentotaal voor ICT en administratieve ondersteuning wordt afgerond naar de dichtstbijzijnde eenheid, hierbij zijn de gebruikelijke afrondingsregels van toepassing. Dit wil zeggen indien het eerste cijfer na de komma kleiner is dan 5 wordt afgerond naar beneden. Indien het eerste cijfer na de komma 5 of meer is wordt afgerond naar boven.

7.3. ICT-coördinatie

7.3.1. Inleiding

Aan iedere school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs wordt jaarlijks een puntenenveloppe toegekend voor ICT-coördinatie. De scholen kunnen deze middelen voor ICT alleen aanwenden als ze deel uit maken van een scholengemeenschap, scholengroep of een samenwerkingsplatform.

Een samenwerkingsplatform kan gevormd worden met:

- een scholengemeenschap en/of

- een scholengroep en/of

- één of meer scholen voor gewoon en buitengewoon basisonderwijs voor zover deze niet tot een scholengemeenschap behoren en/of

- één of meer scholen voor voltijds secundair onderwijs en/of deeltijds beroepssecundair onderwijs voor zover deze niet tot een scholengemeenschap behoren, één of meer scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, een school voor deeltijds secundair zeevisserij onderwijs en/of

- één of meer centra voor volwassenenonderwijs en/of

- één of meer instellingen voor deeltijds kunstonderwijs.

(zie ook de omzendbrief GD/2003/04 - Mededeling betreffende ict-coördinatie : maatregelen vanaf het schooljaar 2005-2006 van 18/07/2003).

7.3.2. Puntenenveloppe

De puntenenveloppe voor ICT wordt volgens de volgende formule berekend:

leerlingenaantal x 1,25 x 0,03969

Het getal 0,03969 is de puntenwaarde per leerling die verkregen is door de totale puntenenveloppe voor ICT basisonderwijs te delen door het totaal aantal gewogen leerlingen basisonderwijs.

Vb. Een basisschool met 200 leerlingen heeft recht op 200 x 1,25 x 0,03969 = 9,9225 punten.

De school in het voorbeeld heeft dus recht op 10 punten.

7.4. Zorgbeleid

7.4.1. Overgangsmaatregel scholen niet in een scholengemeenschap

De scholen voor gewoon basisonderwijs die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap blijven recht hebben op een puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid. De berekeningswijze van deze enveloppe wijzigt niet.

Voor meer uitleg over de doelstellingen van het zorgbeleid: zie omzendbrief scholengemeenschappen basisonderwijs.

7.4.2. Puntenenveloppe

De puntenenveloppe voor zorgbeleid wordt als volgt berekend:

Aantal leerlingen per school 

Aantal punten 

Minder dan 100 

Vanaf 100 tot 149 

17 

Vanaf 150 tot 299 

24 

Vanaf 300 tot 449 

42 

Vanaf 450 tot 599 

61 

Vanaf 600 tot 699 

85 

Vanaf 700 tot 749 

102 

Vanaf 750 

109 

7.5. Administratieve ondersteuning

7.5.1. Inleiding

Elke gefinancierde en gesubsidieerde basisschool heeft recht op een aantal uren administratieve ondersteuning.

7.5.2. Puntenenveloppe

Aan iedere basisschool van het gewoon basisonderwijs wordt een puntenenveloppe toegekend.

Deze puntenenveloppe bestaat uit een basisenveloppe voor iedere school van 9 punten.

Daarnaast krijgt elke school nog een bijkomende enveloppe die wordt berekend door het aantal gewogen regelmatige leerlingen op de teldag of het gemiddeld aantal gewogen regelmatige leerlingen tijdens de telperiode die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen te vermenigvuldigen met de puntenwaarde per leerling.

De wegingscoëfficiënt voor een leerling lager onderwijs is gelijk aan 1.

De wegingscoëfficiënt voor een kleuter is gelijk aan 0,6636.

De puntenwaarde per leerling is bepaald op:

  • - 0,1543 in het gemeenschapsonderwijs;

  • - 0,1745 in het gesubsidieerd onderwijs.

Voorbeeld:

Een gesubsidieerde vrije basisschool met 228 leerlingen (160 leerlingen lager onderwijs en 68 kleuters) heeft recht op:

9 + {[(160 x 1) + (68 x 0,6636)] x 0,1745} = 44,7943 punten = 45 punten.

Voorbeeld:

Een basisschool van het gemeenschapsonderwijs met 228 leerlingen (160 leerlingen lager onderwijs en 68 kleuters) heeft recht op:

9 + {[(160 x 1) + (68 x 0,6636)] x 0,1543} = 40,6507 punten =41 punten (exclusief aandeel in rekenplichtige correspondenten).

7.6. Aanwending en samenleggen van de puntenenveloppen voor administratieve omkadering, ICT-coördinatie en het voeren van een zorgbeleid (voor scholen voor gewoon basisonderwijs die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap).

7.6.1. Schoolniveau

Zie omzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen basisonderwijs : personeelsformatie en personeelsaspecten

7.6.2. Niveau scholengemeenschap

Zie omzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen basisonderwijs : personeelsformatie en personeelsaspecten

7.6.3. Niveau samenwerkingsplatform ICT

Zie omzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen basisonderwijs : personeelsformatie en personeelsaspecten.

(zie ook de omzendbrief GD/2003/04 - Mededeling betreffende ict-coördinatie : maatregelen vanaf het schooljaar 2005-2006 van 18/07/2003).

7.7. Omzetting van de puntenenveloppen naar ambten.

Gedetailleerde informatie over het omzetten van de punten in ambten is terug te vinden in de omzendbrief puntenenveloppen voor scholen en scholengemeenschappen basisonderwijs: personeelsformatie en personeelsaspecten en de omzendbrief ict-coordinatie.

8. Overleg over de aanwending van de lestijden, uren en punten.

Het schoolbestuur of zijn afgevaardigde beslist, met toepassing van de reglementering inzake medezeggenschap over de aanwending van de lestijden, de uren en de punten.

9. Vervangingseenheden voor vervanging van korte afwezigheden

Zie omzendbrief Pers/2005/23 “Vervangingen van korte afwezigheden in het basisonderwijs”.

10. Sancties

Naast terugvorderingen van ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring kunnen misbruiken bij het tellen van de regelmatige leerlingen bij het berekenen en het aanwenden van het lestijdenpakket aanleiding geven tot een sanctie.

De sanctie kan een terugbetaling zijn van of een inhouding op het werkingsbudget ten belope van maximaal 10% van het werkingsbudget toegekend aan de school.

De vaststelling van misbruiken wordt bij aangetekend schrijven meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. De mededeling verwijst naar de mogelijke sanctie.

Binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de betekening van het aangetekend schrijven kan het schoolbestuur bij AgODi een verweerschrift indienen. De betekening wordt geacht te gebeuren de derde werkdag na het versturen van het aangetekend schrijven. De herfstvakantie, kerstvakantie, krokusvakantie, paasvakantie en zomervakantie schorten de termijn van 30 kalenderdagen op.

Na ontvangst van het verweerschrift en uiterlijk na 60 kalenderdagen na de betekening van het aangetekend schrijven, legt AgODi eventueel een dossier met een voorstel tot sanctie voor aan de minister.

Binnen een termijn van drie maanden na de betekening van de aangetekende brief, neemt de minister een beslissing omtrent een sanctie. Die beslissing wordt bij aangetekend schrijven meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. Na het verstrijken van de termijn van drie maanden wordt er verondersteld dat er geen sanctie opgelegd wordt.

11. Bijlagen