Stelsel van leren en werken

Wijziging naar aanleiding van Onderwijsdecreet XXVI :

- Leerlingen met een verslag, dat toegang geeft tot het buitengewoon onderwijs, kunnen er ook voor kiezen om een individueel aangepast curriculum te volgen in het gewoon onderwijs.

- Wanneer een leerling van instelling verandert, is er verplichte overdracht van een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag (opgemaakt door het CLB) naar de nieuwe instelling waar de leerling is ingeschreven. De originele kopie gaat terug naar de oude rs (of meerderjarige leerling) .

- Dossiers m.b.t. oprichting of herstructurering van centra dienen uiterlijk 1 april i.p.v. 1 mei van het voorafgaand schooljaar te worden ingestuurd.

- Programmaties van opleidingen DBSO moeten niet meer aan de administratie worden gemeld.

- Voorwaardelijke mogelijkheid tot weigering van herinschrijving van een uitgeschreven le erling na problematisch verlet.

- De bevoegdheid om af te wijken van sommige voorwaarden van de definitie " anderstalige nieuwkomer " wordt bij de klassenraad gelegd, zodat er geen aanvraag meer aan de administratie wordt gestuurd.

- Aanvragen en meldingen met impact op het aantal deelnemersuren persoonlijke ontwikkelingstrajecten worden uiterlijk 30 juni i.p.v. 31 januari van het voorafgaand schooljaar aan de administratie gestuurd (voor het eerst: 30 juni 2016).

- Het model van certificaat zorgkundige is deels aangepast (vanaf het schooljaar 2016-2017).

Wijziging naar aanleiding van het decreet tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen :

Indien een leerling een nieuwe overeenkomst voor arbeidsdeelname opstart vanaf 01/09/2016, kan deze enkel maar worden tewerkgesteld onder een deeltijdse arbeidsovereenkomst (voor tewerkstellingen onder de 20u per week of Sociale Maribel) of overeenkomst voor alternerende opleiding.

Technische wijziging :

Indexering van het bedrag in het geval van omzetting van een uur-leraar naar een krediet.

1. Inleiding.

Het Vlaams Parlement heeft een nieuw decreet aangenomen betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap. In het verlengde hiervan heeft de Vlaamse Regering een uitvoeringsreglementering vastgelegd. Het stelsel van leren en werken heeft betrekking op de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (CDO), de centra voor deeltijdse vorming (CDV) en de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (KMO) (de leertijd binnen Syntra). Opzet van het nieuwe stelsel is het voltijds engagement voor zoveel mogelijk jongeren realiseren, met behoud van de meersporigheid de afstemming tussen het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DO), de leertijd en de deeltijdse vormingen (DV) vergroten, een traject op maat van elke jongere aanbieden en elke jongere een volwaardige kwalificatie aanreiken.

Onderhavige omzendbrief bevat enerzijds alle richtlijnen die gemeenschappelijk zijn voor de diverse opleidingsverstrekkers en anderzijds alle richtlijnen die specifiek zijn voor de CDO en CDV. De specifieke richtlijnen voor de centra voor vorming van zelfstandigen en KMO worden rechtstreeks verstrekt door het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming-Syntra Vlaanderen en komen in deze omzendbrief niet aan bod.

2. Voltijds engagement.

2.1. Twee componenten.

Jongeren die kiezen voor het stelsel van leren en werken engageren zich tot een systeem dat uit 2 onlosmakelijk met elkaar verbonden componenten bestaat : de component leren en de component werkplekleren. Aan het gedogen dat een jongere onbeperkt in de tijd enkel DO volgt en voor de rest van de week geen zinvolle tijdsbesteding heeft, wordt juridisch een einde gesteld. Het principe van het zogenaamd voltijds engagement is intussen ook in de leerplichtwet ingeschreven (zie omzendbrief SO 68).

Voltijds engagement staat gelijk met een weekinvulling van minimaal 28 uren van 50 minuten, niet toevallig hetzelfde minimum aantal uren dat het voltijds secundair onderwijs per week omvat. Vermits het werkplekleren uitgeoefend wordt op basis van uren van 60 minuten (klokuren), dient een omrekening te gebeuren om te kunnen vaststellen of het voltijds engagement daadwerkelijk wordt bereikt.

2.2. Invulling.

Aan het voltijds engagement kan op volgende wijzen worden voldaan :

1° door DO (= de component leren binnen het CDO) te combineren met een persoonlijk ontwikkelingstraject, voortraject, brugproject of arbeidsdeelname (= de component werkplekleren).

Komen voor arbeidsdeelname in aanmerking :

a) e lke vorm van reguliere tewerkstelling op basis van een overeenkomst van alternerende opleiding, een stageovereenkomst alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst.

In de opleidingen in het DBSO zoals opgenomen in bijlage 3 , kan er vanaf het schooljaar 2016-2017 enkel gewerkt worden met volgende overeenkomsten :

- vanaf 20 u werkplekleren per week: een overeenkomst alternerende opleiding;

- bij minder dan 20 u werkplekleren per week of in functie van Sociale Maribel in de non-profitsector: een deeltijdse ar beidsovereenkomst.

In de opleidingen die deel uitmaken van het tijdelijke project " schoolbank op de werkplek " gelden de overeenkomsten opgenomen in punt 11 van de omzendbrief over dit tijdelijke project SO/2016/02 ;

b) het volgen van een sportgerelateerde opleiding DO, waarbij de opleiding enerzijds een duidelijke beroepskwalificatie moet hebben die op zijn minst minimale aansluiting vindt bij de beoefende sport en anderzijds georganiseerd wordt in overleg met en na formele instemming van een erkende sportfederatie;

c) het vrijwilligerswerk, zoals bij wet bepaald;

d) het tijdelijk volgen van een bijkomende opleiding (buiten DO) of cursus die specifiek gericht is op het verhogen van de tewerkstellingsperspectieven of inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, bv. een sollicitatietraining, attitudetraining, intensieve taalcursus ... ;

e) het verrichten van culturele, sociale of sportactiviteiten georganiseerd door een instantie van de overheid of erkend door of namens een overheid.

Het is het CDO dat finaal beslist op welke wijze de arbeidsdeelname voor een individuele jongere wordt ingevuld, na overleg met de jongere (indien meerderjarig) of zijn ouders (indien minderjarig). Het centrumreglement laat niet toe dat ouders en jongere de keuze die het CDO maakt, weigert. Die keuze gebeurt anderzijds niet lukraak : het CDO moet immers bij zijn beslissing rekening houden met het profiel van de jongere, de meerwaarde van de concrete vorm van arbeidsdeelname voor de component leren en de tijdsduur van die arbeidsdeelname. Streefdoel is een vorm van duurzame tewerkstelling op contractuele basis (punt a)) die inhoudelijk aansluit op de component leren, zodat er van een echte alternering sprake is;

2° door in de leertijd de theoretische vorming (= de component leren binnen het centrum) te combineren met een praktijkopleiding (= de component werkplekleren via een overeenkomst bij een patroon). Uitsluitend indien een overeenkomst wordt opgeschort of verbroken, kan werkplekleren in de leertijd ook onder vorm van een voortraject.

2.3. Tijdelijke niet-invulling.

Het is niet realistisch om te veronderstellen dat vanaf de eerste schooldag de component werkplekleren wordt gerealiseerd. In volgende gevallen wordt een situatie van niet-invulling getolereerd :

1° tijdens de periode tussen het sluiten van een overeenkomst en de inwerkingtreding van die overeenkomst;

2° tijdens een periode waarin de jongere actief solliciteert met het oog op invulling van de component werkplekleren;

3° tijdens de periode tussen de inschrijving (te rekenen vanaf 1 september of desgevallend later) en de screening.

De periodes, vermeld in 1° en 2° samen, kunnen afzonderlijk voor het DO en voor de leertijd maximum 30 dagen (= 60 halve dagen) per jongere per schooljaar bedragen. Worden onder die dagen verstaan : alle (halve) weekdagen (maandag tot en met vrijdag) van het schooljaar met uitzondering van die (halve) dagen waarop les wordt gegeven en met uitzondering van de herfst-, Kerst-, krokus-, Paas- en zomervakanties. Ook elke week waarin de component werkplekleren aanwezig is doch, in uren uitgedrukt, onvoldoende om het voltijds engagement waar te maken, dient beschouwd als een week die onder voormeld maximum valt (m.a.w. qua voltijds engagement is het een "alles of niets"-benadering) !

De periode, vermeld in 3°, kan maximum 14 (kalender)dagen bedragen, vermits er tussen inschrijving en screening ten hoogste 2 weken kunnen liggen.

De niet-invulling van de component werkplekleren is, voor alle duidelijkheid, geen leerlingenrecht. Nog minder wordt aanvaard dat de jongere of zijn ouders onwil of obstructie aan de dag leggen ten aanzien van die invulling; een dergelijke opstelling wordt daarom gelijkgeschakeld met problematische afwezigheid. Anderzijds en ondanks alle maatregelen, inzonderheid de ruime omschrijving van het begrip arbeidsdeelname en de gedoogperiode, is het niet denkbeeldig dat voor sommige jongeren geen voltijds engagement haalbaar is. De overheid zal de ontwikkelingen monitoren en opvolgen van jongeren die, hoewel arbeidsgeschikt, langdurig van arbeidsdeelname worden uitgesloten. Deze rol van de overheid kan niet los worden gezien van de nieuwe financierings- en subsidiëringsvoorwaarde opgelegd aan de CDO, nl. maximale inspanningen leveren om voor alle jongeren het voltijds engagement te realiseren. (Het begrip "financiering" slaat op het Gemeenschapsonderwijs, het begrip "subsidiëring" op de overige netten).

2.4. Persoonlijke ontwikkelingstrajecten.

De bedoeling van de persoonlijke ontwikkelingstrajecten is om jongeren waarvan de talenten, de verworven vaardigheden en noden niet toelaten om arbeidsgericht te werken, toch te kunnen begeleiden naar een gekwalificeerd traject. Tijdens de persoonlijke ontwikkelingstrajecten tracht men beter inzicht te krijgen in de eigen situatie en de problematische situatie draaglijk te maken. Algemeen kan gesteld worden dat het gaat over maatschappelijk kwetsbare jongeren. De gedrags-, emotionele- en sociale problematiek van de jongeren worden verscherpt door de omstandigheden waarin ze verkeren.

Als de jongere vanuit zijn complexe situatie dreigt vast te lopen of vastgelopen is, is een persoonlijk ontwikkelingstraject in een CDV aangewezen. Hier wordt een traject op maat aangeboden aan de jongere.

De persoonlijke ontwikkelingstrajecten zijn gericht om de band met onderwijs niet volledig door te knippen en op maat van de jongeren te werken in de richting van een voortraject, brugproject of arbeidsdeelname.

Een persoonlijk ontwikkelingstraject is een flexibel traject. De toeleiding naar een persoonlijk ontwikkelingstraject kan voor invulling van hetzij de componenten leren én werkplekleren, hetzij enkel de component werkplekleren, hetzij enkel de component leren. Een combinatie met arbeidsdeelname kan niet, vermits deze combinatie onverenigbaar is binnen eenzelfde jongerenprofiel. Aldus zijn de mogelijke vormen :

- een persoonlijk ontwikkelingstraject van 28 uren (van 50 minuten) dat de componenten leren en werkplekleren omvat;

- een persoonlijk ontwikkelingstraject van 15 uren (van 50 minuten) dat de component leren omvat en gecombineerd wordt met een brugproject of voortraject;

- een persoonlijk ontwikkelingstraject van 13 uren (van 50 minuten) dat de component werkplekleren omvat en gecombineerd wordt met DO in een CDO.

3. Centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.

3.1. Contingent.

DO is een onderdeel van de netgebonden onderwijsconstellatie en kan enkel worden georganiseerd in een autonoom CDO of een niet-autonoom CDO (= verbonden aan een school met voltijds gewoon TSO of BSO). Onverminderd de programmatie- en rationalisatienorm beslist het schoolbestuur of een CDO al dan niet autonoom is en is het aantal CDO als volgt geplafonneerd : Gemeenschapsonderwijs : 16, gesubsidieerd officieel onderwijs : 8, gesubsidieerd vrij onderwijs : 24 (cf. actuele lijst in bijlage 1). Voor het zeevisserijonderwijs geldt een aparte regeling : een dergelijk CDO (maximum 1 in elk van voormelde onderwijsnetten) is steeds verbonden aan een voltijds secundaire school met studiegebied maritieme opleidingen.

3.2. Erkenning, financiering of subsidiëring.

Om voor erkenning (= het recht om van rechtswege geldende studiebewijzen uit te reiken) en eventueel ook financiering of subsidiëring (= het recht op overheidsmiddelen voor personeel en werking) in aanmerking te komen, moet een CDO permanent aan een reeks voorwaarden beantwoorden die deels zuiver onderwijskundig (normen, les- en vakantiespreiding, schooluitrusting...) zijn, deels domeinoverstijgend (juridische verantwoordelijkheid, taalwetgeving, veiligheid en hygiëne, rookverbod...).

Op sommige van deze voorwaarden wordt de bijzondere aandacht gevestigd, nl. :

1° als bijzondere erkenningsvoorwaarden voor een CDO :

a) beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen inzake eindtermen en leerplannen voor zover de uitreiking wordt beoogd van eindstudiebewijzen die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs : indien een CDO voor bepaalde jongeren een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of een diploma van secundair onderwijs bereikbaar stelt, dan moeten daartegenover dezelfde kwaliteitsnormen als in het voltijds secundair onderwijs worden gehanteerd;

b) samenwerken met ten minste één CDV met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten. Vermits enkel een CDV dergelijke trajecten voor jongeren kan organiseren doch die jongeren enkel in een CDO kunnen zijn ingeschreven, is een samenwerking essentieel. Indien een CDO er zelf niet in slaagt een samenwerkingsakkoord te sluiten, dan dient AgODi hiervan op de hoogte gebracht, zodat beroep kan worden gedaan op een door de overheid ingestelde bemiddelingscommissie. Indien ook die stap zonder resultaat blijft, zal de Vlaamse Regering een initiatief nemen om tot samenwerking te komen;

2° als bijzondere financierings- of subsidiëringsvoorwaarden voor een CDO :

a) maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren : hoewel het niet om een resultaatsverbintenis gaat, wordt van de CDO verwacht dat ze zich maximaal inzetten om, samen met andere betrokken partners, dit voltijds engagement waar te maken;

b) deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer regionale overlegplatformen. Het platform is een constructie op meso-niveau die de implementatie van het nieuwe stelsel van leren en werken in het algemeen en de binding van de componenten leren en werken door de centra in het bijzonder, moet bevorderen, zonder te raken aan de bevoegdheden van de centrumbesturen.

Erkenning respectievelijk financiering of subsidiëring is geen definitieve verworvenheid doch kan steeds opgeheven worden na eventuele uitputting door het centrumbestuur van de voorziene beroepsmogelijkheid.

De opheffing van de financiering of subsidiëring heeft dan betrekking op één of meer opleidingen dan wel op het CDO in zijn totaliteit.

De opheffing van de erkenning heeft dan betrekking op één of meer opleidingen of vestigingsplaatsen dan wel op het CDO in zijn totaliteit.

Evenwel, de opheffing van de erkenning kan ook betrekking hebben op de bevoegdheid om één of meer eindstudiebewijzen uit te reiken die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs (bv. geen recht meer tot uitreiking van het diploma secundair onderwijs, maar wel nog van het getuigschrift tweede graad en het studiegetuigschrift derde graad, of bv. geen recht meer tot toekenning van alle voormelde getuigschriften en diploma). In dat geval kan het CDO nog enkel certificaten geven. Vermits dit de studiemogelijkheden van de leerling beknot, wordt van de CDO verwacht dat ze – ook via het centrumreglement – de betrokken personen hierover afdoende informeren om geen verkeerde verwachtingen (of zelfs juridische geschillen) te doen ontstaan.

3.3. Programmatie- en rationalisatienormen.

Voor de toepassing van de programmatie- en rationalisatienormen worden alle regelmatige leerlingen verrekend.

3.3.1. Programmatienormen.

3.3.1.1. Principe.

Met inachtname van het vastgelegde contingent en de leerlingennorm, is vanaf het schooljaar 2014-2015 de programmatie van een CDO via afsplitsing van een bestaand CDO zonder overheidsgoedkeuring en de programmatie (zijnde een optelsom van opleidingen) van een CDO zonder afsplitsing van een bestaand CDO mét overheidsgoedkeuring, toegelaten.

3.3.1.2. Norm.

Voor een niet-autonoom CDO geldt als programmatienorm : 25 regelmatige leerlingen op 1 oktober van het betrokken schooljaar, en voor een autonoom CDO : 260 regelmatige leerlingen op 1 oktober van het betrokken schooljaar; in afwijking hierop dient deze norm bereikt op 1 februari van het voorafgaand schooljaar indien het CDO overgaat van niet-autonoom naar autonoom.

Indien 1 oktober of 1 februari op een vrije dag valt, dan wordt op de eerstvolgende lesdag erna geteld.

In afwijking van het voorgaande is er voor een CDO met zeevisserijonderwijs een aparte regeling, nl. voor de eerste vestigingsplaats moet minimum 1 leerling en vanaf de eventueel tweede vestigingsplaats moeten minimum 5 leerlingen zijn ingeschreven op 1 oktober van het betrokken schooljaar.

3.3.1.3. Administratieve procedure.

De programmatie van een CDO via afsplitsing van een bestaand CDO wordt uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar per gewoon schrijven aan het AgODi gemeld. Bij die melding moeten volgende stukken worden gevoegd :

a) het protocol van de onderhandelingen terzake in het bevoegd lokaal comité of, bij ontstentenis van een lokaal comité, het protocol van de personeelsconsultatie;

b) een document waaruit moet blijken dat de programmatie vooraf is besproken in het regionaal overlegplatform waarin het CDO participeert;

c) voor zover het CDO behoort tot een scholengemeenschap: een uittreksel van het PV waaruit moet blijken dat de programmatie conform is aan de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;

d) het formulier tot melding van ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats, aangezien de vestigingsplaats(en) die het afgesplitst CDO in gebruik zal nemen onder de definitie "nieuw" vallen zoals bepaald in rubriek 3.4. hierna; de in die rubriek vermelde uiterste melddatum wordt in onderhavige situatie vervangen door uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar.

De programmatie van een CDO zonder afsplitsing van een bestaand CDO wordt uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar per gewoon schrijven aan het AgODi aangevraagd. Bij die aanvraag gaat het formulier tot melding van ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats, aangezien de vestigingsplaats(en) die het CDO in gebruik zal nemen onder de definitie "nieuw" vallen zoals bepaald in rubriek 3.4. hierna; de in die rubriek vermelde uiterste melddatum wordt in onderhavige situatie vervangen door uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar.

Onderhavige procedure is ook van toepassing indien enkel de erkenning wordt beoogd.

3.3.2. Rationalisatienormen.

Voor een niet-autonoom CDO geldt als rationalisatienorm : 40 regelmatige leerlingen op 1 februari van het voorafgaand schooljaar, en voor een autonoom CDO : 240 regelmatige leerlingen op 1 februari van het voorafgaand schooljaar. Indien 1 februari op een vrije dag valt, dan wordt op de eerstvolgende lesdag erna geteld.

Een CDO dat gedurende twee opeenvolgende schooljaren de rationalisatienorm niet meer bereikt (er geldt dus één gedoogjaar), dient per 1 september daaropvolgend :

a) hetzij geleidelijk af te bouwen;

b) hetzij te fusioneren met een ander CDO;

c) hetzij over te gaan van autonoom naar niet-autonoom CDO, voor zover de dan geldende rationalisatienorm (= 40 leerlingen) wordt gehaald.

Het centrumbestuur meldt de gekozen optie uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar aan AgODi.

In afwijking van het voorgaande is er voor een CDO met zeevisserijonderwijs een aparte regeling, nl. voor de eerste vestigingsplaats moet minimum 1 leerling en vanaf de eventueel tweede vestigingsplaats moeten minimum 5 leerlingen zijn ingeschreven op 1 oktober van het betrokken schooljaar.

Indien 1 oktober op een vrije dag valt, dan wordt op de eerstvolgende lesdag erna geteld.

3.4. Vestigingsplaatsen.

Een CDO heeft één hoofdvestigingsplaats, dat het contactadres is voor de overheid, en eventueel één of meer bijkomende vestigingsplaatsen. In het geval van een niet-autonoom CDO is de hoofdvestigingsplaats steeds die van de voltijds secundaire school waaraan het CDO is verbonden. Onder vestigingsplaats worden alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen verstaan die ingeplant zijn op eenzelfde kadastraal perceel of op aaneengesloten kadastrale percelen en die door personeelsleden van het CDO gebruikt worden voor onderwijsactiviteiten. Worden niet als vestigingsplaats beschouwd: locaties waar a) stages, b) extramurosactiviteiten of c) sportactiviteiten (voor zover de aanwezige sportinfrastructuur ook door particulieren of instanties buiten onderwijs wordt gebruikt), plaats vinden.

Een CDO kan op elk moment van het schooljaar een nieuwe vestigingsplaats in gebruik nemen. Onder "nieuw" wordt verstaan: een vestigingsplaats die nog niet gelinkt is aan het instellingsnummer van het CDO in kwestie; worden evenwel niet als nieuwe vestigingsplaatsen beschouwd: bestaande vestigingsplaatsen van afzonderlijke centra die fuseren. De ingebruikname, al dan niet tijdelijk en om welke reden dan ook, van een nieuwe vestigingsplaats moet bij AgODi worden gemeld uiterlijk op het tijdstip van de ingebruikname. Door die melding verklaart het centrumbestuur dat de nieuwe vestigingsplaats beantwoordt aan de decretale erkenningsvoorwaarde "veiligheid, hygiëne en bewoonbaarheid". De melding (dus geen aanvraag) gebeurt via het formulier dat in bijlage 19 gaat.

Elk CDO heeft een centrumraad. Deze heeft tot taak aan het centrumbestuur maatregelen voor te stellen die tot de goede werking van het CDO kunnen bijdragen.

De centrumraad telt ten minste 6 leden en moet paritair worden samengesteld uit afgevaardigden van het onderwijs, aangewezen door het centrumbestuur, en afgevaardigden van socio-economische organisaties. Een afgevaardigde van elk CDV waarmee het CDO samenwerkt en een afgevaardigde van het CLB maken raadgevend deel uit van de centrumraad. (...)

Aan het advies van de centrumraad worden vooraf onderworpen :

1° het centrumreglement;

2° de organisatorische en materiële uitbouw van het CDO, met inbegrip van de criteria voor de aanwending van het pakket uren-leraar;

3° de pedagogische aanpak van het leerprogramma;

4° de aanwending van de beschikbare middelen;

5° de aansluitingsproblematiek van het deeltijds beroepssecundair onderwijs op de arbeidsmarkt in het algemeen en de aansluitingsproblematiek van de component leren op de component werkplekleren in het bijzonder. De centrumraad vervult duidelijk een eerstelijnsrol wat de afstemming onderwijs - arbeidsmarkt betreft.

3.5. Openstelling en bereikbaarheid.

Elk CDO moet, behoudens tijdens de vakantieperiodes, altijd gedurende ten minste 9 halve lesdagen per week opengesteld zijn. Deze maatregel is ingegeven vanuit het principe van het voltijds engagement en vanuit het cruciale punt van de regelmatige trajectbegeleiding. Qua openstelling van de instelling is er dus geen verschil meer tussen het voltijds en het deeltijds secundair onderwijs.

Tijdens de periodes dat een jongere de component werkplekleren effectief invult, moet altijd een vertegenwoordiger van het CDO (dit hoeft niet persé een personeelslid te zijn) bereikbaar zijn. Bij praktische problemen of noodgevallen moet een jongere altijd op het centrum kunnen terugvallen.

Indien voor het nakomen van de verplichting van bereikbaarheid toch een personeelslid wordt ingeschakeld, dan moet met het volgende rekening worden gehouden : er kan geen afbreuk worden gedaan aan de statutaire rechten van het individuele personeelslid. Als de uitvoering van deze bepaling voor een personeelslid verplichtingen met zich meebrengt die er anders niet zouden geweest zijn, moet het centrumbestuur in een passende compensatieregeling voorzien. Daarenboven vergt deze regeling het uitdrukkelijk, schriftelijk en voorafgaand akkoord van het betrokken personeelslid en wordt er desgevallend over onderhandeld in het lokaal comité, d.i. het voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokale inspraakorgaan.

4. Centra voor deeltijdse vorming.

4.1. Inrichters.

De inrichters van persoonlijke ontwikkelingstrajecten worden niet als "onderwijsinrichters" gekwalificeerd en ze situeren zich niet binnen de netgebonden onderwijsconstellatie. Als centrumbestuur kan enkel een vzw in aanmerking komen die actief is in het jeugdwerk of het vormingswerk. In tegenstelling tot de CDO wordt geen maximum aantal CDV vastgelegd. Specifiek is ook dat de erkenning (die gelijk staat met subsidiëring) trapsgewijs verloopt : in eerste instantie de noodzakelijke overheidserkenning na advies van de erkenningscommissie en vervolgens het permanent beantwoorden aan een reeks erkenningsvoorwaarden.

De CDV waarvan het centrumbestuur tijdens het schooljaar 2007-2008 door de overheid werd gesubsidieerd voor zijn deeltijdse vormingen, zijn van rechtswege erkend en gesubsidieerd vanaf het schooljaar 2008-2009 (cf. lijst centrumbesturen in bijlage 2). Ze zijn dus niet onderworpen aan de procedure via de erkenningscommissie, doch wel aan de erkenningsvoorwaarden.

4.2. Erkenningsaanvraag.

Een erkenningsaanvraag wordt door het centrumbestuur uiterlijk 1 januari van het voorafgaand schooljaar per gewoon schrijven aan AgODi gestuurd. Ze bevat ten minste de volgende gegevens :

1° de identificatie van de verantwoordelijke vereniging, met inbegrip van haar statuten;

2° het formulier tot melding van ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats, aangezien de vestigingsplaats(en) die het CDV in gebruik zal nemen onder de definitie "nieuw" vallen zoals bepaald in rubriek 4.4. hierna; de in die rubriek vermelde uiterste melddatum wordt in onderhavige situatie vervangen door uiterlijk 1 januari van het voorafgaand schooljaar;

3° de resultaten van een behoefteonderzoek naar inplanting en aanbod van het CDV in kwestie;

4° een concrete beschrijving van het aanbod;

5° de geplande samenwerking met een of meer CDO;

6° het kwalificatie- en competentieprofiel van de lesgevers/begeleiders;

7° de bewijsvoering van expertise in het organiseren van persoonlijke ontwikkelingstrajecten.

Het dossier wordt voorgelegd aan een erkenningscommissie die paritair is samengesteld uit afgevaardigden van de overheid en deskundigen in de begeleiding van jongeren. De commissie kan aanvullende gegevens vragen en hoort in elk geval de indiener van de aanvraag. De commissie heeft adviesbevoegdheid, de beslissingsbevoegdheid ligt bij de Vlaamse Regering. Binnen drie maanden na het indienen van de aanvraag moet de Vlaamse Regering bedoelde beslissing nemen, zoniet is de aanvraag zoals die werd ingediend van rechtswege goedgekeurd.

4.3. Erkennings-/subsidiëringsvoorwaarden.

Om voor erkenning/subsidiëring in aanmerking te komen, moet een CDV permanent aan een reeks voorwaarden beantwoorden die deels vorminggebonden (les- en vakantiespreiding, didactisch materiaal en uitrusting...) zijn, deels domeinoverstijgend (juridische verantwoordelijkheid, taalwetgeving, veiligheid en hygiëne, rookverbod...). Erkenning/subsidiëring is geen definitieve verworvenheid doch kan steeds, geheel of gedeeltelijk, ingetrokken worden na eventuele uitputting door het centrumbestuur van de voorziene beroepsmogelijkheid.

Binnen het geheel van deze voorwaarden zijn er enkele volledig nieuw, meer bepaald :

1° samenwerken met ten minste één CDO met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten voor bepaalde jongeren van dat CDO : deze erkenningsvoorwaarde gaat in vanaf 1 september 2009. Als dit CDO tot het officieel onderwijs behoort, dan moet het CDV bij de samenwerking het neutraliteitsprincipe respecteren. Indien een CDV er zelf niet in slaagt een samenwerkingsakkoord te sluiten, dan dient AgODi hiervan op de hoogte gebracht, zodat beroep kan worden gedaan op een door de overheid ingestelde bemiddelingscommissie. Indien ook die stap zonder resultaat blijft, zal de Vlaamse Regering een initiatief nemen om tot samenwerking te komen;

2° maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren : hoewel het niet om een resultaatsverbintenis gaat, wordt van de CDV verwacht dat ze zich maximaal inzetten om, samen met andere betrokken partners, dit voltijds engagement waar te maken;

3° deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer regionale overlegplatformen : deze voorwaarde gaat in vanaf 1 januari 2009. Het platform is een constructie op meso-niveau die niet alleen de implementatie van het nieuwe stelsel van leren en werken in het algemeen maar ook specifieke zaken zoals de afstemming van vraag en aanbod inzake persoonlijke ontwikkelingstrajecten als opdracht heeft, steeds zonder te raken aan de bevoegdheden van de centrumbesturen.

4.4. Vestigingsplaatsen.

Onder vestigingsplaats worden alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen verstaan die ingeplant zijn op eenzelfde kadastraal perceel of op aaneengesloten kadastrale percelen en die volledig of gedeeltelijk door personeelsleden van het CDV gebruikt worden voor vormingsactiviteiten. Worden niet als vestigingsplaats beschouwd : locaties waar a) extramuros activiteiten of b) sportactiviteiten (voor zover de aanwezige sportinfrastructuur ook door particulieren of instanties buiten onderwijs/vorming wordt gebruikt), plaats vinden.

Een CDV kan op elk moment van het schooljaar een nieuwe vestigingsplaats in gebruik nemen. Onder "nieuw" wordt verstaan: een vestigingsplaats die nog niet gelinkt is aan het instellingsnummer van het CDV in kwestie; worden evenwel niet als nieuwe vestigingsplaatsen beschouwd: bestaande vestigingsplaatsen van afzonderlijke centra die fuseren. De ingebruikname, al dan niet tijdelijk en om welke reden dan ook, van een nieuwe vestigingsplaats moet bij AgODi worden gemeld uiterlijk op het tijdstip van de ingebruikname. Door die melding verklaart het centrumbestuur dat de nieuwe vestigingsplaats beantwoordt aan de decretale erkenningsvoorwaarde "veiligheid, hygiëne en bewoonbaarheid". De melding (dus geen aanvraag) gebeurt via het formulier dat in bijlage 19 gaat.

5. Opleidings- en vormingsaanbod.

5.1. Deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Het DO omvat een geheel van opleidingen. Op macroniveau (= Vlaamse Regering) wordt de lijst van opleidingen DO (evenals trouwens de lijst van de opleidingen in de leertijd) vastgelegd. Op microniveau (= centrumbestuur) wordt, uitgaande van die lijst, het aanbod van een CDO geprogrammeerd. Op een tussenliggend of mesoniveau (scholengemeenschap, regionaal overlegplatform) wordt het lokale aanbod van een CDO richting gegeven.

5.1.1. Macroniveau.

5.1.1.1. Initieel aanbod.

De lijst van opleidingen toestand 1 september 2015 gaat in bijlage 3. De indeling in rubrieken is tijdelijk in afwachting van omschakeling naar een modulaire organisatievorm. Aldus zijn de rubrieken bouw, decoratie, distributie, elektriciteit/elektronica, handel en administratie, hout, metaal en kunststoffen, schoonheidszorg, transport en voeding-horeca vervangen door een alfabetische lijst van opleidingen die modulair worden georganiseerd. Voor elke opleiding wordt het administratief groepsnummer vermeld. Bedoelde lijst wordt stelselmatig op 2 wijzen geactualiseerd : enerzijds door middel van screening en anderzijds door toevoeging van nieuwe opleidingen (deze regeling geldt ook voor de opleidingen in de leertijd).

Voor deze actualisatie staan alleszins volgende criteria voorop :

1° de opleiding is, in voorkomend geval, in overeenstemming met :

a) maatschappelijke ontwikkelingen;

b) economische ontwikkelingen, waaronder potentiële tewerkstelling;

c) culturele ontwikkelingen;

d) technologische ontwikkelingen;

e) Europese, federale of Vlaamse regelgeving vanuit de beleidsdomeinen en beleidsniveaus;

2° de invulling van de opleiding wordt bepaald vanuit een beroepskwalificatie;

3° de onderwijskundige en opvoedkundige context :

a) de opleiding is afgestemd op het ontwikkelingsniveau en de talenten van de doelgroep;

b) de opleiding past in het concept van leren en werken;

c) de opleiding stimuleert de motivatie tot leren en werkplekleren bij jongeren;

4° de optimalisering en vrijwaring van de continuïteit in de (studie)loopbaan :

a) de inpassing in het bestaande opleidingsaanbod;

b) het, waar mogelijk, parallellisme tussen het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd, inzonderheid bij opleidingen die tot dezelfde kwalificatie leiden;

c) de waarborgen voor aansluiting op vervolgopleidingen of tewerkstellingsmogelijkheden.

Een bijzondere opleiding uit hoger vermelde lijst die een CDO kan aanbieden, is de opleiding "onthaalgroep". Deze opleiding is gericht op jongeren die, om welke reden dan ook, nog geen duidelijke keuze kunnen formuleren voor een van de overige opleidingen. Een combinatie van deze opleiding met arbeidsdeelname is dan ook uitgesloten en zelfs een combinatie met een brugproject lijkt veeleer uitzonderlijk. Voor alle duidelijkheid : een onthaalgroep, enkel organiseerbaar door een CDO, en een persoonlijk ontwikkelingstraject, enkel organiseerbaar door een CDV, zijn niet hetzelfde ! De duur dat jongeren in een onthaalgroep zitten, dient beperkt te zijn en moet ofwel structureel vastliggen in de organisatie van het CDO, ofwel voor elke jongere individueel geregeld worden door de klassenraad.

5.1.1.2. Screening.

Screening is een techniek waarbij, vanaf 1 januari 2014 nog enkel uitgaande van beroepskwalificaties, een groep van inhoudelijk samenhangende opleidingen wordt doorgelicht met als resultaat een eventuele omzetting, samenvoeging of schrapping van die opleidingen vanuit de doelstelling het globale aanbod rationeler en transparanter te maken. De screening wordt uitgevoerd door een commissie, samengesteld uit afgevaardigden van de overheid en van de beroepswereld. Na kennisname van het advies van de VLOR over de conclusies van die commissie, neemt de Vlaamse Regering een beslissing.

De screening voor de rubrieken bouw, decoratie, hout, handel en administratie, voeding-horeca, distributie, elektriciteit/elektronica, metaal en kunststoffen en transport, die in het verleden heeft plaats gevonden, heeft geleid tot een door de Vlaamse Regering vastgelegd geactualiseerd aanbod dat modulair wordt georganiseerd (cf. bijlage 3. De oorspronkelijk voorziene kalender (nl. screening voltooid per 1 september 2015) werd intussen verlaten en de screening wordt afgestemd op het tijdspad waarbinnen beroepskwalificaties ontstaan. Dit zal jaarlijks uitmonden in een vernieuwd aanbod per 1 september en dit vanaf 1 september 2015. De screeningsoperatie zal lopen tot en met alle bestaande opleidingen zijn doorgelicht en geactualiseerd. Bovendien zal, op het tijdstip dat naar een vernieuwd opleidingsaanbod wordt overgegaan, door alle CDO van een lineair naar een modulair onderwijssysteem worden omgeschakeld, m.a.w. DO wordt volledig modulair.

5.1.1.3. Nieuwe opleidingen.

Al dan niet in het kader van de screening, kan het aanbod uitbreiden met nieuwe opleidingen. De overheid kan hiertoe zelf het initiatief nemen of onderbouwde voorstellen in overweging nemen die door opleidingsverstrekkers of derden (bedrijfssectoren, socio-culturele of maatschappelijke verenigingen, sociale partners, ...) worden ingediend. De opportuniteit van een nieuwe opleiding wordt hoe dan ook bekeken vanuit de Vlaamse onderwijscontext en niet vanuit de lokale schoolcontext.

Een dossier met voorstel wordt per aangetekend schrijven gestuurd naar het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (AKOV) alsook digitaal naar katleen.pot@ond.vlaanderen.be. Het moet worden opgebouwd volgens het format weergegeven in bijlage 4.

Het initiatief tot of voorstel van nieuwe opleiding wordt behandeld door de commissie die ook met de screening is belast. Ze onderzoekt het voorstel ten minste op volledigheid, correctheid en actualiteitswaarde, en formuleert conclusies. Een voorstel van nieuwe opleiding kan alleen worden goedgekeurd als voor de opleiding een beroepskwalificatie bestaat. Na kennisname van het advies van de VLOR (en, indien betrokken, Syntra Vlaanderen voor de leertijd) over het initiatief of voorstel én de conclusies van de commissie, neemt de Vlaamse Regering een beslissing. Bij goedkeuring van een voorstel zal de Vlaamse Regering ook beslissen of die goedkeuring onder voorwaarden of beperkingen gebeurt (bv. koppeling aan quota, aan een onderwijsconvenant, aan geografische inplanting, aan infrastructurele voorwaarden, ....).

Teneinde bovenstaande procedure in het belang van alle partijen zo kort mogelijk te houden, wordt met volgende limietdata gewerkt : over een voorstel dat wordt voorgelegd uiterlijk 31 december, beslist de Vlaamse Regering uiterlijk 31 mei daaropvolgend. Indien binnen desbetreffend tijdsbestek, geen beslissing is genomen, dan is het voorstel van rechtswege goedgekeurd. De overheid zal daarom alle nodige schikkingen treffen opdat een kwaliteitsvolle en deskundige aanpak enerzijds en de strak opgelegde timing anderzijds met elkaar kunnen worden verzoend, zodat gefundeerde beslissingen mogelijk blijven.

Tenzij andersluidende beslissing, is een goedgekeurde nieuwe opleiding organiseerbaar vanaf het schooljaar dat volgt op die beslissing.

5.1.2. Mesoniveau.

Bij programmatie van zijn opleidingsaanbod moet een centrum rekening houden met de bevoegdheden die aan de scholengemeenschappen secundair onderwijs en aan de binnen het stelsel van leren en werken fungerende regionale overlegplatformen zijn toegekend.

Een scholengemeenschap maakt afspraken over de ordening van een rationeel aanbod. Dit slaat ook op een CDO indien behorend tot een scholengemeenschap. Onder rationeel aanbod worden zaken verstaan zoals het vermijden van een onnodig dubbel aanbod en de overeenstemming van het aanbod met socio-economische omgevingsfactoren. Een rationeel aanbod moet alleszins bijdragen tot een effectievere en efficiëntere aanwending van beschikbare middelen.

In een regionaal overlegplatform wordt het regionaal opleidingsaanbod besproken. Indien een CDO aan diverse platformen participeert, dan zal zijn aanbod in elk van die platformen worden besproken. Let wel op : "bespreken" gaat duidelijk minder ver dan "afspraken maken" en alludeert veeleer op een constructieve gedachtewisseling met betrekking tot intenties of concrete plannen.

5.1.3. Microniveau.

De programmatie van een opleiding is volledig vrij en kan op elk tijdstip van het schooljaar. Een programmatie behoeft noch een overheidsgoedkeuring noch een melding aan de administratie; het opleidingsaanbod is immers op elk ogenblik gekend via de registratie van ingeschreven leerlingen in DISCIMUS.

In het CDO liggen volgende documenten ter eventuele controle door de overheid:

a) het protocol van de onderhandelingen terzake in het bevoegd lokaal comité of, bij ontstentenis van een lokaal comité, het protocol van de personeelsconsultatie;

b) een document waaruit moet blijken dat de programmatie vooraf is besproken in het regionaal overlegplatform waarin het CDO participeert;

c) voor zover het CDO behoort tot een scholengemeenschap : een uittreksel van het PV waaruit moet blijken dat de programmatie conform is aan de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

5.2. Deeltijdse vorming.

Ook voor de deeltijdse vorming kan een macro-, meso- en microniveau worden onderscheiden, al liggen de zaken hier eenvoudiger.

5.2.1. Macroniveau.

Het aanbod van een erkend CDV kan slechts omvatten :

1° persoonlijke ontwikkelingstrajecten;

2° algemene vorming binnen DO;

3° ondersteuning van leerlinggebonden activiteiten in CDO (bv. activiteiten zoals het onthaal van instromers of time-in voor jongeren die dreigen uit te vallen).

5.2.2. Mesoniveau.

Per analogie met het regionaal opleidingsaanbod wordt het regionaal vormingsaanbod in het regionaal overlegplatform besproken.

5.2.3. Microniveau.

Inherent aan een erkend CDV is dat het persoonlijk ontwikkelingstrajecten organiseert. Of het CDV ook op het vlak van algemene vorming of andere activiteiten ondersteunend werkt voor het DO, beslist het centrumbestuur autonoom.

6. Organisatie.

6.1. Organisatie deeltijds beroepssecundair onderwijs.

6.1.1. Structuur.

In DO komen geen graden, leerjaren of studiegebieden doch wel opleidingen voor. Op termijn, rekening houdend met de screeningkalender, zal DO volledig modulair zijn geconcipieerd. Naar opzet en techniek leent het modulair onderwijs zich volledig voor het DO, vandaar dat voor een progressieve doch veralgemeende omschakeling naar het modulaire is geopteerd. Elke opleiding zal dan uit een of meer modules bestaan. Eenzelfde module kan in verschillende opleidingen voorkomen. Een opleiding kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren. Ook een module kan starten op elk ogenblik van het schooljaar, gespreid worden over een aantal dagen of weken, en zelfs schooljaaroverschrijdend zijn.

Het is de Vlaamse Regering die de opleidingenstructuur op punt stelt, na advies van de VLOR. De ontwikkeling gebeurt in de schoot van een commissie, samengesteld uit afgevaardigden van de overheid en van het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van schoolbesturen. Onder opleidingenstructuur wordt verstaan : het geheel van modules per opleiding en hun onderlinge verhoudingen (hetzij sequentieel, d.w.z. in een bepaalde volgorde te doorlopen, hetzij onafhankelijk). De flexibiliteit die wordt ingebouwd, onder meer het feit dat geen moduleduur wordt vastgelegd, moet bijdragen om een traject op maat van elke jongere uit te stippelen.

De Vlaamse Regering heeft intussen de opleidingenstructuur vastgelegd voor de opleidingen uit de vroegere rubrieken bouw, decoratie, distributie, elektriciteit/elektronica, handel en administratie, hout, metaal en kunststoffen, transport en voeding-horeca die volledig modulair zijn.

In afwachting van de omschakeling van de overige rubrieken naar een modulaire organisatie, blijven de CDO lineair werken. Binnen het lineair stelsel start een opleiding bij het begin van het schooljaar en wordt gespreid over een of meer schooljaren.

CDO die tot en met het schooljaar 2007-2008 hebben geparticipeerd aan het experiment modularisering, zijn in afwachting van de omschakeling naar de nieuwe modulaire opleidingenstructuur verplicht in de rubriek personenzorg verder modulair te blijven werken volgens de modaliteiten van het experiment, met dien verstande dat :

1° de opdrachten niet langer onder de benaming "bijzondere pedagogische taken" worden ingericht, doch wel onder de benaming "uren leren en werken";

2° een opleiding hoe dan ook lineair wordt georganiseerd indien er geen modulaire variant voor bestaat.

De lijst van de CDO betrokken bij het experiment modularisering, met overeenkomstige rubrieken en de lijst van administratieve groepsnummers die in dat geval geldt, worden weergegeven in bijlage 5.

6.1.2. Samenstelling.

DO wordt gedurende een volledig schooljaar (met uitsluiting van de vakantieperiodes) in de vestigingsplaatsen van het CDO met eigen personeel georganiseerd naar rata van 15 wekelijkse uren (van 50 minuten) algemene en beroepsgerichte vorming. De urenverdeling tussen algemene en beroepsgerichte vorming wordt aan het CDO overgelaten; dit houdt verband enerzijds met het feit dat in een modulair onderwijsconcept vakdoorbrekend wordt gewerkt (wat een strikte opsplitsing tussen AV en TV/PV onmogelijk maakt) en anderzijds met het gegeven dat andere pistes (eindtermen AV, aanwendingscriteria uren-leraar ...) een evenwichtige verhouding zullen bewerkstelligen.

Op deze regeling zijn een aantal afwijkingen.

1° Afwijking op het wekelijks volume :

a) een CDO kan DO in een ander week- of jaarritme organiseren dan gebruikelijk (bv. omwille van de klimaatgebondenheid van sommige sectoren zoals de bouw, de land- en tuinbouw, of omwille van kinderen waarvan de ouders geen vaste verblijfplaats hebben). Voorwaarden zijn dat geen afbreuk wordt gedaan aan het totale aantal uren op jaarbasis en dat een gemotiveerd dossier in het CDO ter beschikking wordt gehouden van AgODi en de onderwijsinspectie;

b) een CDO kan meer dan 15 wekelijkse uren opleggen aan jongeren die de component werkplekleren tijdelijk niet invullen. In dat geval bepaalt het CDO of die voor jongeren extra uren worden besteed aan algemene vorming, aan beroepsgerichte vorming of aan een combinatie van beide.

2° Afwijking op de combinatie van algemene vorming en beroepsgerichte vorming : de klassenraad kan een jongere vrijstellen van algemene vorming en de 15 wekelijkse uren volledig aan beroepsgerichte vorming wijden, zij het ten vroegste vanaf het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin die jongere zijn leerplicht beëindigt. Dit alternatief moet toelaten dat de jongere zich volledig op de beroepskwalificatie focust.

3° Afwijking op de eigen organisatie, wat impliceert dat gedurende een bepaalde periode van het schooljaar dan wel een volledig schooljaar wordt samengewerkt, op grond van een overeenkomst (die ter inzage ligt op het centrum), met een of meer andere instellingen die in de eigen gebouwen eigen materiële middelen én onderwijzend personeel ter beschikking stellen van het betrokken centrum :

a) een CDO kan zich beperken tot organisatie van de beroepsgerichte vorming en de algemene vorming laten verstrekken door een CDV. Het biedt als voordeel dat het programma DO wordt verenigd met de geëigende pedagogisch-didactische aanpak en cultuur van de CDV en zijn lesgevers;

b) een CDO kan, voor de organisatie van de beroepsgerichte vorming of van activiteiten ter ondersteuning van de beroepsgerichte vorming, samenwerken met een school voor TSO of BSO, met een ander CDO, met een centrum voor volwassenenonderwijs (CVO) of met een centrum voor vorming van zelfstandigen en KMO. Het biedt als voordeel dat op de beroepsgerichte expertise en specifieke uitrusting van een andere instelling kan worden teruggevallen;

c) een CDO kan, voor de organisatie van de algemene vorming of van activiteiten ter ondersteuning van de algemene vorming, samenwerken met een school voor TSO of BSO.

De algemene en beroepsgerichte vorming wordt in het modulair onderwijs ingericht onder vorm van uren leren en werken. Het, in de overgangsperiode, niet-modulair onderwijs vindt plaats onder vorm van algemene, technische en praktische vakken (vakbenamingen idem voltijds secundair onderwijs) en, eventueel, seminaries. De beroepsgerichte vorming kan slechts worden gerealiseerd door middel van het geïntegreerd doorlopen van de component leren, eventueel met inbegrip van stage, en de component werkplekleren.

6.1.3. Inhoud.

6.1.3.1. Algemene vorming.

Voor jongeren die trajecten volgen die niet leiden tot een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of een diploma van secundair onderwijs, gelden geen voorwaarden qua inhoudelijke invulling.

Voor jongeren die, gezien hun aanleg en capaciteiten, trajecten volgen die wel leiden tot een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of een diploma van secundair onderwijs, moet de algemene vorming beantwoorden aan de voorwaarden van eindtermen en leerplannen teneinde te waarborgen dat het studiepeil gelijkwaardig is aan dat van het voltijds secundair onderwijs. Concreet betekent dit dat de algemene vorming wordt verstrekt op basis van enerzijds door de overheid goedgekeurde leerplannen waarin op herkenbare wijze de vakgebonden eindtermen moeten worden opgenomen en anderzijds (uiterlijk vanaf het schooljaar 2010-2011) met in acht name van de vakoverschrijdende eindtermen. Let wel : de criteria inzake leerplannen en eindtermen slaan op trajecten die jongeren volgen en staan los van de discretionaire bevoegdheid van klassenraden inzake leerlingenevaluatie, m.a.w. de klassenraad oordeelt zelf of de jongere in voldoende mate de module- of opleidingsdoelstellingen heeft bereikt om als geslaagd te worden beschouwd !

Voor leerplannen wordt verwezen naar de vigerende regelgeving, opgenomen in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2006 tot vaststelling van de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen.

Als vakgebonden eindtermen gelden de bestaande eindtermen voor de vakken van de basisvorming van het BSO, met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding. Meer bepaald betreft het :

- met het oog op de uitreiking van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs : de eindtermen van de tweede graad BSO voor respectievelijk de vakken Nederlands, Frans of Engels, wiskunde en/of toegepaste natuurwetenschappen en/of toegepaste fysica en/of toegepaste chemie en/of toegepaste biologie, al of niet in een geïntegreerde vorm, maatschappelijke vorming of natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde; twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken; de integratie van het vak Frans of Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid;

- met het oog op de uitreiking van het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs : de eindtermen van de derde graad (eerste + tweede leerjaar) BSO voor respectievelijk de vakken Nederlands, Frans of Engels, maatschappelijke vorming of natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde (aandacht : natuurwetenschappen pas in het tweede leerjaar vanaf 2015-2016); twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken; de integratie van het vak Frans of Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid;

- met het oog op de uitreiking van het diploma van secundair onderwijs : de eindtermen van de derde graad (derde leerjaar) BSO voor respectievelijk de vakken Nederlands, Frans of Engels en maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde; twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder project algemene vakken; de integratie van het vak Frans of Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid.

Als vakoverschrijdende eindtermen gelden de eindtermen van het BSO.

Een centrumbestuur heeft steeds de mogelijkheid een afwijking aan te vragen van desbetreffende eindtermen indien ze geacht worden onvoldoende ruimte te laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of indien ze geacht worden ermee onverzoenbaar te zijn.

6.1.3.2. Beroepsgerichte vorming.

6.1.3.2.1. Modulaire opleidingen.

De Vlaamse Regering bepaalt, in overleg met beroepssectoren, de SERV en de VLOR, de referentiekaders/beroepskwalificaties waarvan de doelen voor de beroepsgerichte vorming van modulair georganiseerde opleidingen worden afgeleid. De huidige referentiekaders, vastgelegd door de Vlaamse Regering, zijn in hardcopy beschikbaar bij het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (AKOV). Terloops wordt aangestipt dat voor een opleiding die zowel in het DO als in de leertijd voorkomt, hetzelfde referentiekader/dezelfde beroepskwalificatie vigeert.

Voor alle modulaire opleidingen is er een opleidingenstructuur per opleiding (cf. bijlage 3).

Elke opleidingenstructuur bestaat uit volgende elementen :

1° een oplijsting van de referentiekaders/beroepskwalificaties waarvan de doelen per opleiding afgeleid zijn;

2° een korte beschrijving van het beroep;

3° een opsomming van de modules per opleiding;

4° de aanduiding dat de modules zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden;

5° de studiebekrachtiging voor een module en voor een opleiding;

6° de doelen per module voor de beroepsgerichte vorming;

7° een situering van de opleiding binnen een geheel van verwante opleidingen in voorkomend geval.

6.1.3.2.2. Niet-modulaire opleidingen.

Voor, in de overgangsperiode, niet-modulair georganiseerde opleidingen wordt voor wat betreft de beroepsgerichte vorming gewerkt met goedgekeurde opleidingskaarten die voor de opleidingsverstrekkers bindend zijn. In een opleidingskaart worden de minimale leerdoelen en -inhouden van de opleiding in kwestie beschreven. Een opleidingskaart wordt opgemaakt door de VLOR en ter goedkeuring aan de overheid voorgelegd. Zolang dit laatste niet het geval is, hanteert de opleidingsverstrekker een eigen kaart waarin omschreven wordt welk het doel en het basispakket is van de opleiding. Per 1 september 2009 vervallen de VLOR-opleidingskaarten van de rubrieken bouw, decoratie en hout ! Per 1 september 2010 vervallen de VLOR-opleidingskaarten van de rubrieken handel en administratie en voeding-horeca. Per 1 september 2011 vervallen de VLOR-opleidingskaarten van de rubrieken distributie en elektriciteit/elektronica. Per 1 september 2012 vervallen de VLOR-opleidingskaarten van de rubrieken metaal en kunststoffen en transport. Per 1 september 2015 vervallen de VLOR-opleidingskaarten van de rubriek schoonheidszorg.

6.1.3.2.3. Leerlingenstages.

Een leerlingenstage wordt gedefinieerd als een vorm van opleiding binnen de component leren :

a) buiten een vestigingsplaats van het CDO;

b) in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever;

c) onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever;

d) waarbij effectieve arbeid wordt verricht die aansluit bij de gevolgde opleiding;

e) met de bedoeling beroepservaring op te doen.

Een onbezoldigde en op een overeenkomst gebaseerde leerlingenstage is dus ook in het DO toegelaten. Hoewel die overeenkomst wordt gesloten tussen het CDO, de stagegever en de betrokken personen, is het enkel het CDO dat de eindverantwoordelijkheid draagt voor keuze van de stage, vaststelling van de stage-activiteiten, en begeleiding en beoordeling van de stagiair. In tegenstelling tot stages in het voltijds secundair onderwijs, is in het DO een continue begeleiding vanuit onderwijs op de stageplaats verplicht; dit impliceert dat de stagebegeleider van het CDO of een personeelslid van een school of centrum waarmee het CDO voor de organisatie van de vorming samenwerkt, continu op de stageplaats aanwezig moet zijn.

De overige richtlijnen in verband met leerlingenstages zijn, voor zover toepasbaar, de richtlijnen die gelden voor het voltijds gewoon secundair onderwijs.

6.1.4. Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers.

De soepelheid op het vlak van organisatie laat toe dat een CDO in onthaalonderwijs voorziet. Het behelst een specifiek en tijdelijk onderwijsaanbod dat anderstalige nieuwkomers voorbereidt op betere doorstroming naar arbeidsdeelname. Dit onderwijsaanbod is gericht op taalvaardigheid, inburgering en zelfredzaamheid. Een jongere die onthaalonderwijs volgt, is hoe dan ook administratief ingeschreven in een bepaalde opleiding.

Een anderstalige nieuwkomer wordt gedefinieerd als een jongere die aan alle volgende voorwaarden voldoet :

1° een nieuwkomer zijn, dat wil zeggen maximaal één jaar ononderbroken in België verblijven;

2° het Nederlands niet als moedertaal of thuistaal hebben;

3° maximaal negen maanden ingeschreven zijn, de maanden juli en augustus niet inbegrepen, in een school of centrum met het Nederlands als onderwijstaal;

4° het Nederlands onvoldoende beheersen om deeltijds beroepssecundair onderwijs met goed gevolg te doorlopen;

5° op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt.

Onder volgende voorwaarden kan voor een individuele jongere in uitzonderlijke omstandigheden een afwijking worden verleend van een of meer van de voorwaarden vermeld in 1° , 3° en 5° hiervoor :

1° de klassenraad neemt een gunstige en gemot iveerde beslissing uiterlijk 25 lesdagen na aanvang van de regelmatige lesbijwoning;

2° de klassenraad bestaat ten minste uit alle stemgerechtigde leden en een afgevaardigde van het CLB in kwestie;

voor de toegestane afwijking wordt de gunstige en gemotiveerde beslissing van de klassenraad opgenomen in het leerlingendossier en in het CDO ter inzage beschikbaar gehouden v oor de verificateur. Ieder CDO dat in onthaalonderwijs voorziet, brengt AgOD i op de hoogte van welke anderstalige nieuw komers zijn ingeschreven door ze via haar schooladministratiepakket in DISCIMUS te registreren . Wanneer de klassenraad besliste om een afwijking op d e toelatingsvoorwaarden toe te staan voor een leerling, moet het CDO dit ook aanduiden in het voorziene veld in DISCIMUS.

6.1.5. Specifieke bepalingen met betrekking tot de opleiding begeleider in de kinderopvang.

De Vlaamse minister, bevoegd voor welzijn, volksgezondheid en gezin, koppelt de volgende voorwaarden aan de organisatie van de opleiding begeleider in de kinderopvang.

Wat betreft de component leren :

- opdat het CDO voldoende knowhow zou hebben inzake kinderopvang, moet het verplicht samenwerken met een centrum voor volwassenenonderwijs die de opleiding begeleider in de kinderopvang aanbiedt;

- aangezien een zorgvuldige monitoring van de kwaliteit van de opleiding en de output ervan nodig is, zal (de) onderwijs(overheid) nauw samenwerken met Kind en Gezin.

Wat betreft de component werkplekleren :

- leerlingen beneden de 18 jaar kunnen in de kinderopvang enkel werken als logistiek personeel;

- leerlingen boven de 18 jaar kunnen als begeleider in de kinderopvang werken maar niet binnen het verplichte personeelskader;

- voor werkplekleren komen uitsluitend de erkende kinderopvangsector evenals de zelfstandige kinderopvangsector die beschikt over de basis financiële ondersteuning in aanmerking.

6.1.6. CLIL.

In het DO (en in de leertijd) kan 20% van de lesuren besteed aan niet-taalvakken via CLIL (Content and Language Integrated Learning) aangeboden worden. CLIL is een werkvorm waarin het Frans, Engels of Duits als instructietaal wordt gebruikt om een niet-taalvak te onderwijzen.

De overheid heeft een kwaliteitsstandaard ontwikkeld om een CDO te ondersteunen in de voorbereiding van een CLIL-traject. Een CDO dat CLIL wil aanbieden, moet ten laatste op 15 december van het voorgaande schooljaar een aanvraag indienen via de Vlaamse Adviescommissie CLIL.

Bij de organisatie van CLIL moet ook met het volgende rekening worden gehouden :

1° de jongere moet in het betrokken CDO ook steeds de mogelijkheid hebben om alle niet-taalvakken in het Nederlands te volgen; een jongere kan dus nooit tot het volgen van een CLIL-traject worden verplicht;

2° anderzijds kan een jongere slechts een CLIL-traject volgen :

a) indien de betrokken personen er schriftelijk en expliciet voor kiezen om dat traject gedurende het volledige schooljaar (d.w.z. vanaf het moment van instap van de jongere in het betrokken structuuronderdeel) te volgen, en

b) na positief advies van de (toelatings)klassenraad dat ten minste gebaseerd is op voldoende kennis en beheersing door de jongere van het Nederlands;

3° het CDO moet er voor zorgen dat de kennis van het Nederlands bij de jongeren prioritair blijft en dat het Nederlandstalige karakter van het CDO behouden blijft.

Voor meer informatie over CLIL, de kwaliteitsstandaard en de aanvraagprocedure zie : http://ond.vlaanderen.be/clil/

6.1.7. Individueel aangepast curriculum.

Leerlingen met een verslag, dat toegang geeft tot het buitengewoon onderwijs, kunnen er ook voor kiezen om een individueel aangepast curriculum te volgen in het gewoon onderwijs. Deze leerlingen komen normaliter niet in aanmerking voo r de gewone studiebekrachtiging, maar krijgen jaarlijks een attest van verworven competenties uitgereikt ( bijlage 10 ). Als een leerling een individueel aangepast curriculum volgt, moet dit aangeduid worden in de inschrijving van de leerling in DISCIMUS.

6.2. Organisatie deeltijdse vorming.

6.2.1. Gemotiveerd verslag.

Voor de start van een persoonlijke ontwikkelingstraject moet er een gemotiveerd verslag worden geschreven. Dit gebeurt door een CLB-medewerker van het desbetreffend CDO en is een resultaat van de intake, de screening, de gegevens vanuit het CLB en, desgevallend, de gegevens van de klassenraad. Dit verslag geeft minstens weer welke vorm van persoonlijk ontwikkelingstraject gevolgd wordt en de startdatum. Enkel contextrelevante informatie voor het persoonlijk ontwikkelingstraject wordt opgenomen in het gemotiveerd verslag.

Het gemotiveerd verslag wordt in het leerlingendossier door het CDO bewaard en ligt ter inzage van de verificatie. Het CDV ontvangt een kopie van dit verslag.

Indien de vorm van een persoonlijk ontwikkelingstraject van de jongere wijzigt, dient deze wijziging opgenomen te worden in een bijlage bij het gemotiveerd verslag. De bijlage voor trajectwijziging dient eveneens ondertekend te worden door het CLB en bijgehouden te worden door het CDO. Deze bijlage geeft duidelijk melding van de vorm van persoonlijk ontwikkelingstraject met de startdatum.

Wanneer het persoonlijk ontwikkelingstraject schooljaaroverstijgend is, dient er geen nieuw gemotiveerd verslag bij de start van het nieuwe schooljaar geschreven te worden.

6.2.2. Case-overleg bij een persoonlijk ontwikkelingstraject.

Het case-overleg vindt minstens om de 2 maanden plaats. Een medewerker van het CLB, een medewerker van het CDV en een trajectbegeleider van het CDO zijn hierop aanwezig. Eventueel kan dit over8leg uitgebreid worden met de organisator van een voortraject of brugproject indien de jongere een persoonlijk ontwikkelingstraject volgt gecombineerd met respectievelijk een voortraject of brugproject.

De doelstelling van het case-overleg is het evalueren van het traject van de jongere in functie van het voortzetten, het aanpassen of het stopzetten van het persoonlijk ontwikkelingstraject van die jongere.

Wijzigingen in het traject van een persoonlijk ontwikkelingstraject kunnen enkel na een case-overleg waarop alle betrokkenen aanwezig zijn. De beslissingen over het traject van de jongere dienen gezamenlijk genomen te worden. Indien er geen consensus is, dan heeft de medewerker van het CLB het laatste woord.

De wijziging wordt opgenomen in een bijlage bij het gemotiveerd verslag met vermelding van de datum en de reden van wijziging. Onder wijziging wordt de vorm (28 uur, 15 uur of 13 uur) van een persoonlijk ontwikkelingstraject verstaan.

Een jongere die al vóór juni een persoonlijk ontwikkelingstraject volgt, moet tijdens de maand juni dit traject met een ongewijzigd urenaantal blijven volgen.

Het einde van een persoonlijk ontwikkelingstraject kan enkel na een gezamenlijke beslissing op het case-overleg van de jongere. Indien er geen consensus is, dan heeft de medewerker van het CLB het laatste woord. De beslissing tot het stopzetten van een persoonlijk ontwikkelingstraject dient genoteerd te worden in een bijlage bij het gemotiveerd verslag.

7. Keuze van centrum en inschrijving van de jongere.

7.1. Keuze.

Hoewel (naast de leertijd) de inschrijving van een jongere in een CDO gebeurt (en niet in een CDV), kan hij kiezen tussen een CDO en een CDV indien hij de stap zet naar het stelsel van leren en werken. Indien hij zich begeeft naar een CDV, dan zal dat centrum als regisseur van de vervolgprocedure optreden. Vervolgens schrijft de jongere zich in in een CDO naar keuze.

7.2. Inschrijving.

Onder inschrijving moet worden verstaan : de opname van de jongere in het leerlingenbestand van het CDO of zijn heropname na uitschrijving en tijdelijke onderbreking. M.a.w. zolang er geen uitschrijving plaats vindt, blijft de jongere - schooljaaroverschrijdend - ingeschreven.

De hiernavolgende richtlijnen moeten samen worden gelezen met deze van de omzendbrief SO/2012/01 en de omzendbrieven SO 70 en SO/2005/04 (registratie van jongeren en de controle op de inschrijvingen en aan- en afwezigheden in het kader van de leerlingenadministratie).

De hierna volgende inschrijvingsvoorwaarden zijn cumuleerbare voorwaarden.

7.2.1. Centrum.

Een inschrijving is enkel mogelijk in een CDO (of, via de trajectbegeleider Syntra Vlaanderen, in een centrum voor vorming van zelfstandigen en KMO). Opdat een jongere een persoonlijk ontwikkelingstraject in een CDV kan volgen, moet hij in een CDO zijn ingeschreven. De keuze voor een centrum gebeurt steeds in samenspraak met de jongere. Indien de inschrijving wordt gerealiseerd, dan moet het CDO de jongere tevens inschrijven als deeltijds lerende bij VDAB.

Hoewel DO leerplichtonderwijs is, bestaat de jongerenpopulatie dus ook uit meerderjarigen. Hier is de algemene norm van toepassing dat alle contacten, mededelingen, overeenkomsten … rechtstreeks tussen de onderwijsverstrekker en de meerderjarige jongere verlopen. Slechts mits akkoord van de meerderjarige jongere mag en moet het CDO ook de ouders op de hoogte brengen van de studievoortgang van die jongere.

7.2.2. Duur.

De jongere moet de intentie hebben een opleiding of vorming telkens volledig en gedurende het hele schooljaar te volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid. Dit belet niet dat de inschrijving (dus in het eerste schooljaar) laattijdig gebeurt.

7.2.3. Toelatingsvoorwaarden.

De jongere moet uiterlijk op de eerste lesdag voldoen aan de toelatingsvoorwaarden (cf. punt 8).

7.2.4. Centrumreglement.

Voorafgaand aan een inschrijving en bij elke wijziging ervan moet het CDO de betrokken personen (= de ouders of de personen die de minderjarige jongere in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, dan wel de meerderjarige jongere zelf) op de hoogte brengen van het centrumreglement. Daarbij moeten de volgende principes in acht worden genomen :

1° voorafgaand aan een inschrijving wordt het centrumreglement schriftelijk of via elektronische drager aangeboden en verklaren de betrokken personen zich er schriftelijk mee akkoord;

2° bij elke wijziging van het centrumreglement worden de betrokken personen schriftelijk of via elektronische drager zo spoedig mogelijk in de loop van het schooljaar geïnformeerd over die wijziging en geven ze opnieuw schriftelijk akkoord. Indien de betrokken personen zich met de wijziging niet akkoord verklaren, dan wordt aan de inschrijving een einde gesteld op 31 augustus van datzelfde schooljaar;

3° het centrumbestuur vraagt de betrokken personen of ze een papieren versie van het centrumreglement wensen te ontvangen;

4° een wijziging van het centrumreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving. Het decreet van 4 april 2014 houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositieregeling van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs en betreffende participatie op school treedt in werking op 1 september 2014. Dit betekent dat de centrumreglementen vanaf het schooljaar 2014-2015 rekening moeten houden met de minimale inhoud die dit decreet oplegt. Centrumreglementen 2014-2015 die reeds klaar zouden zijn en op basis waarvan eventueel reeds inschrijvingen zijn gebeurd, zullen m.a.w. moeten worden bijgestuurd. Alle betrokken personen dienen via addendum op de hoogte te worden gebracht van deze wijzigingen en moeten er opnieuw hun schriftelijk akkoord aan verlenen. Indien ze dat niet doen, dan wordt vóór de start van het schooljaar de jongere alsnog uitgeschreven.

7.2.5. Screening en trajectbegeleiding.

De jongere is bereid zich te onderwerpen aan screening en trajectbegeleiding (cf. punt 10).

7.3. Weigering van inschrijving in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (CDO).

Zie punt 8 van de omzendbrief SO/2012/01.

7.4. Gedwongen stopzetting van inschrijving.

In de drie volgende bijzondere situaties moet hoe dan ook aan de inschrijving een einde worden gesteld.

7.4.1. Uitschrijving na screening.

Voor een jongere die op het moment van zijn inschrijving in een CDO niet meer leerplichtig is, wordt die inschrijving onmiddellijk beëindigd als uit de screening (cf. punt 10.) volgt dat hij niet in arbeidsdeelname wordt ingeschaald. Vermits de screening binnen een bepaalde periode na de inschrijving volgt, is de inschrijving dan van relatief beperkte duur geweest. Niets belet dus dat niet-leerplichtige jongeren voor het eerst DO volgen op voorwaarde dat ze geschikt zijn voor arbeidsdeelname. Van de centra kan namelijk niet worden verwacht dat ze tijd, middelen en energie steken in niet-leerplichtigen die niet arbeidsbereid of zelfs niet arbeidsrijp zijn.

7.4.2. Uitschrijving na problematische afwezigheid.

Een jongere die, ongeacht dat hij op het moment van zijn inschrijving in een CDO leerplichtig was of niet, binnen een schooljaar gedurende 30 dagen (60 halve dagen) problematisch afwezig is geweest daar waar hij geacht werd invulling te geven aan een voortraject, brugproject of arbeidsdeelname, wordt bij het bereiken van die 30 dagen uitgeschreven in het geval hij niet meer leerplichtig is ! Zeker indien de leerplicht voorbij is, wordt een dergelijk volume van problematisch verlet op de werkvloer beschouwd als een misbruik van opleidingsfaciliteiten door de jongere in kwestie. Is de jongere daarentegen nog wel leerplichtig, dan is de situatie niet minder ernstig maar blijft het stelsel van leren en werken als opvang fungeren, zij het met aangepaste (begeleidings)maatregelen om het tij te keren.

Wanneer een jongere omwille van problematische afwezigheid uitgeschreven werd, kan (niet: moet) het CDO een vraag om opnieuw ingeschreven te worden in het CDO weigeren , maar enkel tijdens datzelfde schooljaar.

7.4.3. Uitschrijving na niet-akkoordverklaring met gewijzigd centrumreglement.

Een jongere wordt op 31 augustus daaropvolgend uitgeschreven, indien de betrokken personen niet akkoord gaan met een gewijzigd centrumreglement dat hun tijdens het lopende schooljaar voor schriftelijk akkoord wordt aangeboden. De jongere wordt dus wel in staat gesteld om het lopende schooljaar te voleindigen.

8. Toelatingsvoorwaarden tot het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DO).

De hierna volgende toelatingsvoorwaarden zijn cumuleerbare voorwaarden.

Voor leerlingen die uit het frans- of duitstalig onderwijs in België, uit een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers of uit een buitenlands onderwijssysteem rechtstreeks instromen in het DO, gelden de toelatingsvoorwaarden vermeld in de punten 8.2. en 8.3. niet ! Ter vervanging daarvan is voor toelating steeds een gunstige beslissing van de klassenraad vereist. Met betrekking tot de leeftijd (punt 8.1.) is ook steeds een gunstige beslissing van de klassenraad vereist voor wat de instroom op basis van 15-jarige leeftijd betreft; meer bepaald zal de klassenraad dan oordelen of die leerling geacht wordt al twee jaar secundair onderwijs te hebben gevolgd, wat in principe de voorwaarde is voor overgang van voltijdse naar deeltijdse leerplicht en overstap van voltijds naar deeltijds onderwijs.

Indien het een overstap betreft vanuit de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers dan moet de (toelatings)klassenraad rekening houden met het advies van de klassenraad van dat onthaaljaar; elke beslissing van de (toelatings)klassenraad die afwijkt van dat advies moet afdoende worden gemotiveerd.

8.1. Leeftijd.

DO is toegankelijk voor een jongere die enerzijds aan de voltijdse leerplicht heeft voldaan (zie omzendbrief SO 68) en anderzijds de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt.

In afwijking hierop kan een jongere bijzondere toelating krijgen om vanaf het begin van het schooljaar waarin hij deeltijds leerplichtig wordt, DO te volgen. Die toelating wordt gegeven door de directie van het CDO, op advies van het CLB waarmee de school voor voltijds onderwijs - waar de jongere de lessen volgt - samenwerkt. Deze mogelijkheid, die slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zou moeten worden aangegrepen, moet een oplossing geven aan die gevallen waar het voltijds onderwijs geen enkel soelaas meer biedt. Uitzonderlijk betekent ook dat sterk wordt aangeraden om een vervroegde instroom hoe dan ook te beperken tot jongeren die ten laatste op 31 december van het schooljaar deeltijds leerplichtig worden, teneinde de kans op tewerkstelling te vrijwaren (de federale arbeidswetgeving verstaat immers onder "jeugdige werknemers" jongeren die 15 jaar of ouder zijn en niet meer onderworpen aan de voltijdse leerplicht).

DO kan worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin de jongere de leeftijd van 25 jaar bereikt. Dit houdt in dat een jongere die in de maand september 25 wordt het DO kan volgen tot 30 juni van het daaropvolgend kalenderjaar.

8.2. Vooropleiding.

Voor de toelating tot de opleiding Industrieel maaltijdbereider en de opleiding Industrieel vleesproductenbereider gelden de door de Vlaamse Regering bepaalde instapvereisten.

Een jongere kan alleen worden toegelaten tot de opleiding Industrieel maaltijdbereider als hij houder is van een van de volgende studiebewijzen :

1° een oriënteringsattest van een leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt in een opleiding die is gerangschikt in het studiegebied voeding van het voltijds secundair onderwijs;

2° een certificaat, uitgereikt in de opleiding Productiemedewerker voeding van het deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd.

Een jongere kan alleen worden toegelaten tot de opleiding Industrieel vleesproductenbereider als hij houder is van een van de volgende studiebewijzen :

1° een oriënteringsattest van een leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt in een opleiding die is gerangschikt in het studiegebied voeding van het voltijds secundair onderwijs;

2° een certificaat, uitgereikt in een opleiding Industrieel vleesbewerker van het deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd.

Modules binnen modulaire opleidingen die zich sequentieel tot elkaar verhouden, moeten worden doorlopen in een welbepaalde volgorde zoals in de opleidingenstructuur zal worden bepaald. Het betreft hier aldus instapvereisten die betrekking hebben op vooropleiding.

Van die instapvereisten kan evenwel per individueel geval, ingevolge een gemotiveerde beslissing van de klassenraad, worden afgeweken. Die beslissing houdt in dat de klassenraad oordeelt dat de algemene en de beroepsgerichte vorming van een of meer niet-gevolgde voorafgaande modules binnen de opleiding al eerder zijn behaald en dat dit geen hypotheek legt op de reële kansen voor de betrokken jongere om met succes het vervolgtraject te doorlopen. Ook een reeds met vrucht doorlopen stage in het voltijds secundair onderwijs kan aanleiding geven tot een gedeeltelijke vrijstelling van het minimum aantal uren dat, in voorkomend geval, de component werkplekleren binnen een bepaalde opleiding DO moet omvatten. In voorkomend geval levert het CDO een attest van vrijstelling af (cf. model in bijlage 6). Bij verandering van CDO blijft het attest van vrijstelling gelden, tenzij kennelijk blijkt dat het attest werd verkregen zonder dat de jongere het oogmerk had om in het centrum van uitreiking daadwerkelijk en regelmatig een opleiding te volgen.

Een analoog vrijstellingenmechanisme geldt voor lineaire opleidingen, behoudens het feit dat er geen attesten van vrijstelling worden afgeleverd vermits er niet met modules en deelcertificaten wordt gewerkt.

8.3. Niet-overzitten.

Een jongere kan niet tot een opleiding DO worden toegelaten als hij al in het bezit is van een eindstudiebewijs van dezelfde opleiding, behaald in het secundair onderwijs, in het volwassenenonderwijs of in de leertijd. Een jongere kan niet tot een module van een opleiding DO worden toegelaten als hij die module al met vrucht heeft gevolgd in het secundair onderwijs of in het volwassenenonderwijs.

8.4. Medische geschiktheid.

8.4.1. Omwille van consumentenbescherming.

Voor de opleidingen waarin een jongere rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en hij die waren of stoffen kan verontreinigen of besmetten (cf. lijst in bijlage 7), moeten de jongere medisch geschikt zijn bevonden uit het oogpunt van de federale regelgeving op de consumentenbescherming (cf. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). Daartoe dient een arts, aangesteld door het centrum, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt (ook bij eventuele verandering van instelling of opleiding), tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de jongere niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de jongere uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn secundaire studies waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten.

8.4.2. Omwille van beroepsuitoefening.

Uit het oogpunt van de beroepsuitoefening moeten de jongere medisch geschikt zijn bevonden voor (de eerste module van de) volgende opleidingen :

- bestuurder heftruck;

- bestuurder mobiele kraan;

- bestuurder reachtruck;

- bouwplaatsmachinist;

- dakafdichter;

- dakdekker;

- dakdekker leien en pannen;

- dakdekker metalen daken;

- dakdekker rieten daken;

- daktimmerman;

- installateur fotovoltaïsche systemen;

- magazijnmedewerker;

- matroos;

- matroos binnenvaart;

- matroos motordrijver binnenvaart;

- motorist 221 kW;

- rigger-monteerder;

- roerganger;

- schipper beperkt vaargebied;

- stellingbouwer;

- torenkraanbestuurder.

Daartoe dient een arts, aangesteld door het centrum, vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar of onmiddellijk indien de inschrijving op een later tijdstip plaats vindt, een verklaring van lichamelijke geschiktheid uit te reiken. De geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de ganse duur van de (ononderbroken) secundaire studies waarin een of meer van voormelde opleidingen worden gevolgd (ook bij eventuele verandering van instelling). In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt. Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de jongere niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet.

8.5. Persoonlijk ontwikkelingstraject.

Een jongere die een persoonlijk ontwikkelingstraject volgt in een CDV is hoe dan ook ingeschreven in een bepaalde opleiding DO in een CDO. Dit houdt in dat die jongere aan de hierboven vermelde toelatingsvoorwaarden moet beantwoorden. Voor wat het persoonlijk ontwikkelingstraject op zich betreft, dient daarenboven met 3 extra voorwaarden rekening te worden gehouden :

1° een persoonlijk ontwikkelingstraject kan uiterlijk gevolgd worden tot het einde van het schooljaar waarin de jongere zijn leerplicht beëindigt, mits een gemotiveerd verslag (cf. punt 6.2.1.);

2° indien de jongere in zijn traject rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komt en hij die waren of stoffen kan verontreinigen of besmetten, moeten de jongere medisch geschikt zijn bevonden, m.a.w. de regeling vermeld in punt 8.4.1. is dan onverminderd van toepassing (in het geval dat een medische geschiktheidsverklaring is voorgelegd uit hoofde van de gekozen opleiding DO, dan geldt deze vanzelfsprekend ook automatisch voor het persoonlijk ontwikkelingstraject en vice versa);

3° tijdens de maand juni kan voor een jongere een persoonlijk ontwikkelingstraject niet meer worden vervangen door DO, ter invulling van de component leren, en omgekeerd.

9. Centrumreglement (CDO).

  • Totstandkoming na inspraak.

Elk centrumbestuur maakt, binnen het raam van een geïnstitutionaliseerde rechtspositie (rechten én plichten) van de jongere, voor elk CDO een centrumreglement op. Het centrumreglement - net zoals het pedagogisch project van het centrum - eerbiedigt de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder.

Vermeldenswaard is dat het toepassingsgebied van het centrumreglement uitgebreid wordt naar de werkvloer (de component werkplekleren).

De opmaak (of wijziging) van het centrumreglement gebeurt met toepassing van de inspraakprocedure. Deze procedure bestaat er in dat chronologisch advies wordt uitgebracht door de centrumraad en vervolgens overlegd wordt in de schoolraad.

  • Minimale inhoud.

Het decreet van 4 april 2014 houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositie van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs en betreffende participatie op school heft de opdeling van het centrumreglement in een studie-, orde- en tuchtreglement op. Daarnaast breidt dit decreet de minimale inhoud van het centrumreglement uit. Het centrumreglement bevat minimaal volgende inhoud (voor zover van toepassing in het desbetreffend CDO) :

1° de basisprincipes van het centrumbeleid m.b.t. :

- toelatingen;

- eventuele afwijkingen, vrijstellingen en andere flexibiliseringsmaatregelen binnen het curriculum;

- aan- en afwezigheden;

- de opzet en de procedure van de screening en trajectbegeleiding;

2° de lesspreiding en de vakantie- en verlofregeling voor de jongeren (cf. omzendbrief SO 74);

3° de krachtlijnen m.b.t. extra-murosactiviteiten, leerlingenstages, werkplekleren en centrumvervangende onderwijsprogramma’s;

4° de samenwerking - met rechtstreekse impact op de jongeren - met andere onderwijsinstellingen, vormingsinstellingen of organisaties;

5° de financiële bijdrageregeling, de mogelijke afwijkingen en de contactpersoon binnen het CDO voor vragen en opmerkingen over financiële aangelegenheden;

6° de inspraakmogelijkheden voor de betrokken personen in het CDO;

7° de voorwaarden waaronder de betrokken jongere en de betrokken personen hun inzage-, toelichtings- en kopierecht kunnen uitoefenen m.b.t. leerlingengegevens, waaronder evaluatiegegevens;

8° de organisatie van de leerlingenevaluatie :

- de vermelding dat het CDO gedurende het schooljaar op regelmatige basis of tijdig zal communiceren (= communicatieplicht) over :

  • de basisprincipes van het centrumbeleid m.b.t. leerlingenevaluatie;

  • de studievorderingen van de jongere;

  • de voor de jongere noodzakelijke remediëring;

  • de tijdstippen waarop examens en andere evaluatieopdrachten over grotere leerstofonderdelen plaats vinden;

  • de vorm waaronder het CDO examens en andere evaluatieopdrachten organiseert;

  • de materies die de jongere dient te beheersen met het oog op examens en andere evaluatieopdrachten;

  • de regeling als de jongere - door overmacht of gewettigd verlet - niet kan deelnemen aan een examen of een andere evaluatieopdracht;

  • de vermelding dat het CDO elke genomen beslissing van de klassenraad om de jongere de beoogde studiebekrachtiging niet toe te kennen, schriftelijk zal motiveren, en dat op vraag van de betrokken personen hierover een overleg zal plaatsvinden binnen een aangeduide termijn;

  • de vermelding van de mogelijkheid tot beroep door de betrokken personen nadat dit overleg over een betwiste evaluatiebeslissing van de klassenraad heeft plaats gevonden, met inbegrip van de procedure en redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de werkingsprincipes (incl. de samenstelling van de beroepscommissie en de stemprocedure);

10° de lokale leefregels op materieel en immaterieel vlak, met inbegrip van :

- de tucht- of andere maatregelen die het CDO kan nemen bij schending van de leefregels door de jongere, m.i.v. :

  • de regels op het vlak van tuchtrechtspleging;

  • de mogelijkheid tot beroep tegen een beslissing tot definitieve uitsluiting, met inbegrip van de procedure en redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de werkingsprincipes (incl. de samenstelling van de beroepscommissie en de stemprocedure);

  • de opvangregeling;

  • de mogelijke centrumuitschrijving;

- de plicht van de jongere om zich te onthouden van iedere daad van geweld, pesterij of ongewenst seksueel gedrag;

- de afspraken i.v.m. het rookverbod, de controle op de naleving ervan en de sancties die kunnen opgelegd worden bij overtreding van het rookverbod;

11° de eventuele beroepsmogelijkheden voor de betrokken personen tegen andere betwiste beslissingen (naast een definitieve uitsluiting en een evaluatiebeslissing);

12° de basisprincipes van het centrumbeleid m.b.t. reclame en sponsoring;

13° een engagementsverklaring met wederzijdse afspraken over het oudercontact, regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement t.a.v. de onderwijstaal.

M.b.t. het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal bevat het centrumreglement de bepaling dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren. Andere bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal kunnen enkel worden toegevoegd op voorwaarde dat daarover in het bevoegde lokaal overlegplatform een akkoord is bereikt (voor een CDO in een gemeente zonder lokaal overlegplatform is hiervoor een akkoord met minstens 2/3 van de scholen nodig).

M.b.t. regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid vermeldt het centrumreglement :

- de koppeling met schooltoelagen en de mogelijkheid tot het niet toekennen of het terugvorderen ervan;

- het principe van het voltijds engagement dat de betrokken personen moeten naleven, wat enerzijds impliceert dat de jongere de gekozen opleiding of vorming daadwerkelijk en regelmatig volgt (behalve in het geval van gewettigde afwezigheid), en anderzijds dat de jongere bereid is zich onvoorwaardelijk te schikken naar alle mogelijke maatregelen die door het CDO worden genomen om de component werkplekleren ononderbroken een zinvolle invulling te geven;

14° de vermelding dat bij verandering van instelling (school of centrum) leerlingengegevens worden overgedragen aan de nieuwe instelling, tenzij de betrokken personen - na de gegevens te hebben ingezien - er zich expliciet tegen verzetten (voor zover de regelgeving de overdracht ervan niet verplicht).

Het centrumreglement kan nooit het middel zijn waarlangs de betrokken personen een individuele keuze moeten maken in materies waarbij desbetreffende individuele keuze door een specifieke regelgeving wordt gegarandeerd. Bv. materies rond privacy, portretrecht en auteursrechten, .... Het centrum zal hier op een andere manier dan via het centrumreglement de keuze van de betrokken personen moeten bevragen, waarbij het al dan niet akkoord geen invloed heeft op het inschrijvingsrecht.

  • Centrum voor deeltijdse vorming (CDV).

In tegenstelling tot een CDO hoeft voor een CDV geen centrumreglement door het centrumbestuur te worden opgemaakt. In de praktijk zal een CDV er voor zijn interne werking wel een huishoudelijk reglement op nahouden. Jongeren die in een CDV een persoonlijk ontwikkelingstraject of algemene vorming DO volgen, zijn aan dat huishoudelijk reglement onderworpen.

Juridisch en administratief echter ligt alle verantwoordelijkheid en bevoegdheid ten aanzien van de jongere bij het CDO van inschrijving. Dit is vooral belangrijk op het gebied van te respecteren leefregels. Tussen beide centra worden hierover duidelijke afspraken gemaakt, met dien verstande dat - rekening houdend met de bevoegdheid tot het opleggen van tuchtsancties - tuchtmaatregelen ten aanzien van de jongere nooit door het CDV doch enkel door het CDO kunnen worden genomen.

10. Screening en trajectbegeleiding.

10.1. Screening.

Naast een intakegesprek, vindt er voor elke jongere die zich aanmeldt en inschrijft in een CDO ook een screening door dat CDO plaats. De screening is evenwel niet verplicht indien het een jongere betreft die al gescreend werd in het kader van een eerdere inschrijving in een ander centrum of in hetzelfde centrum. In het geval het centrum afziet van een nieuwe screening, dan blijft het resultaat van de vorige screening gelden. Meldt de jongere zich echter eerst aan in een CDV en schrijft hij zich vervolgens in in een CDO, dan wordt hij door dat CDV gescreend, zij het dat een trajectbegeleider van het CDO en een afgevaardigde van het CLB medeverantwoordelijk zijn voor die screening.

De screening vindt zo spoedig mogelijk plaats en uiterlijk op 14 september van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking heeft dan wel, in geval van laattijdige inschrijving, binnen 14 kalenderdagen na de inschrijving.

De screening heeft betrekking op arbeidsrijpheid, interesses, motivatie en eerder verworven competenties. Hoewel het resultaat van de screening op de component werkplekleren slaat, wordt de leercomponent bij screening niet buiten beschouwing gelaten. De middelen of methodieken voor de screening moeten, voor wat betreft de component werkplekleren, door de VDAB worden gevalideerd met het oog op kwaliteitsborging.

Het resultaat van de screening, dat voor de betrokken personen bindend is, is een inschaling van de jongere in :

1° hetzij de arbeidsdeelname, d.i. de fase van volwaardige arbeidsparticipatie van jongeren in het reguliere economische circuit of daaraan gelijkwaardige activiteiten (cf. punt 2.2.);

2° hetzij het brugproject, d.i. een vorm van arbeidsparticipatie, gericht op jongeren die arbeidsbereid zijn, maar hun arbeidsgerichte attitudes en vaardigheden nog verder moeten ontwikkelen;

3° hetzij het voortraject, d.i. een specifieke opleidings- en begeleidingsmodule, gericht op jongeren met ontoereikende attitudes en vaardigheden die nog geen duidelijk loopbaanperspectief hebben, en dat als traject altijd past in een arbeidsgerichte context;

4° hetzij het persoonlijk ontwikkelingstraject; voor inschaling in het persoonlijk ontwikkelingstraject is, zoals eerder aangegeven, een gemotiveerd verslag van het CLB vereist (cf. punt 6.2.1.).

Afhankelijk van het resultaat wordt de jongere onmiddellijk in de arbeidsdeelname, het brugproject, het voortraject of het persoonlijk ontwikkelingstraject ingeschakeld (er wordt dus niet gewacht op het trajectbegeleidingsplan).Uit de screening kan ook volgen dat, met betrekking tot de component leren, de jongere een andere opleiding of vorm van onderwijs (buiten DO) wordt aanbevolen, zoals de leertijd of het buitengewoon onderwijs.

Het resultaat van de screening wordt opgenomen in een trajectvolgsysteem van VDAB.

10.2. Trajectbegeleiding.

Trajectbegeleiding strekt er steeds toe om de jongere in een aangepast tempo naar de fase van arbeidsdeelname, als ultiem doel, te loodsen, eventueel door een of meer voorafgaande fasen (= het persoonlijk ontwikkelingstraject, het voortraject en het brugproject) te doorlopen.

Bij inschaling in hetzij de arbeidsdeelname, hetzij het brugproject, hetzij het voortraject, wordt een trajectbegeleidingsplan opgesteld door de trajectbegeleider van het CDO in overleg met de actoren die betrokken zijn bij de invulling van de component leren en de component werkplekleren. Bij inschaling in het persoonlijk ontwikkelingstraject wordt een trajectbegeleidingsplan opgesteld gezamenlijk door het CDV en de trajectbegeleider van het CDO, in overleg met de actoren die betrokken zijn bij de invulling van de component leren en de component werkplekleren.

Om de 2 maanden is er een overleg tussen de trajectbegeleider van het CDO, het CLB, zo nodigde VDAB, en in voorkomend geval het CDV, ter eventuele bijsturing van het trajectbegeleidingsplan. Voor wat betreft een jongere in een persoonlijk ontwikkelingstraject valt dit overleg samen met het eerder vermeld case-overleg (cf. punt 6.2.2.).

Een jongere hoeft niet persé alle fasen te doorlopen, terwijl ook terugval naar een lagere fase (bv. tijdelijke opname in een persoonlijk ontwikkelingstraject) niet valt uit te sluiten. De opeenvolgende fasen die de jongere in zijn traject doorloopt, worden geregistreerd in het trajectvolgsysteem van VDAB; op het ogenblik dat de jongere volledig beschikbaar wordt voor de arbeidsmarkt, zal kennis van zijn antecedenten een performante werking van VDAB toelaten (omschreven als de "warme overdracht" vanuit het onderwijscircuit). Anderzijds kan er bij trajectbegeleiding beroep worden gedaan op de trajectbegeleiding van VDAB.

Het opstellen van het trajectbegeleidingsplan vindt zo spoedig mogelijk en uiterlijk een maand na de screening plaats.

11. Schending van leefregels.

Zoals opgenomen in het centrumreglement, zullen in elk CDO een reeks plaatselijke leefregels van kracht zijn. Die leefregels kunnen van materiële aard (bv. kledingvoorschriften) of immateriële aard (bv. taalgebruik) zijn en kunnen niet los worden gezien van het pedagogisch project van het CDO. Leefregels strekken ertoe de dagdagelijkse werking van een CDO zo vlot mogelijk te laten verlopen. Vermits het centrumbestuur de verantwoordelijkheid draagt voor het onderwijs dat het inricht, is het autonoom om te bepalen welke leefregels het meest bijdragen tot een ordentelijke onderwijsverstrekking. Het centrumbestuur heeft wel de verplichting om hierover afdoende te communiceren via het centrumreglement.

Niettegenstaande jongeren verondersteld worden duidelijk op de hoogte te zijn van de regels waaraan ze zich dienen te houden bij elke les- of gelijkgestelde onderwijsactiviteit, is regelschending niet uitgesloten. Op dergelijke situaties moet het CDO adequaat kunnen reageren door ten een aanzien van de jongere in kwestie een gepaste maatregel te nemen, die tevens een signaalfunctie heeft naar de andere jongeren. Die maatregelen kunnen zeer divers zijn en spreiden zich over een continuüm van minimaal naar maximaal ingrijpend, waarbij maximaal betekent "definitieve uitsluiting". Het CDO moet steeds voor ogen houden dat indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat met een minder zware maatregel dezelfde corrigerende of remediërende effecten bij de jongere worden bereikt, geen zwaardere maatregel hoeft genomen. Het werken volgens een continuüm betekent echter niet dat in een geval van regelschending eerst een lichtere en, bij onvoldoende resultaat, vervolgens een zwaardere maatregel kan worden opgelegd. Dit laatste kan enkel indien zich een nieuw feit van regelschending heeft voorgedaan (cfr. principe "niemand kan voor eenzelfde vergrijp tweemaal worden gestraft").

Het begrip "ordemaatregel" wordt, zoals blijkt, niet langer gebruikt. Er is nog enkel sprake van "maatregelen bij schending van leefregels", waarvan er slechts twee het statuut "tuchtmaatregel" dragen, nl. de tijdelijke en de definitieve uitsluiting.

11.1. Maatregelen andere dan tuchtmaatregelen.

Indien de handelingen van de jongere de leefregels schenden doch zonder een gevaar of ernstige belemmering te vormen voor het normale onderwijsgebeuren of voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van de schoolbevolking of van personen waarmee de leerling in het kader van stage of andere vormen van werkplekleren in contact komt, kunnen er maatregelen volgen die aan de jongere bepaalde voorzieningen ontzeggen of bepaalde verplichtingen opleggen. Dit mag in een contractvorm worden gegoten. Het CDO zal hier zelf een concrete invulling aan geven, maar blijft een verplichting tot opvang van de jongere hebben. Het kan dan gaan om, bij wijze van voorbeeld en niet limitatief, een berisping, een waarschuwing, een strafstudie, een weigering tot deelname aan een facultatieve schoolreis tijdens een vakantie,…..; ook het gedurende maximum één lesdag vervangen van de geplande onderwijsactiviteiten door andere activiteiten is mogelijk (dit kan zich tijdens het schooljaar meermaals voordoen bij nieuwe feiten, doch nooit aaneensluitend). De getroffen maatregel doet geen afbreuk aan de hoedanigheid van regelmatig leerling en aan het daaraan verbonden recht op studiebekrachtiging.

Elkeen die én door het centrumbestuur daartoe is gemachtigd én toezicht uitoefent op de betrokken jongere op de locatie en het tijdstip van de regelschending kan een dergelijke maatregel opleggen. Dit houdt in dat zelfs een personeelslid van een andere instelling waar het CDO van inschrijving mee samenwerkt, een personeelslid van een organisator van werkplekleren, een stagementor, een voordrachthouder….. die op de jongere toezicht uitoefent, die machtiging van het centrumbestuur kan krijgen.

11.2. Tuchtmaatregelen.

Indien de handelingen (bv. materiële schade, fysieke of verbale agressie, vergaande ordeverstoring …..) van de jongere de leefregels dermate schenden dat ze een gevaar of ernstige belemmering vormen voor het normale onderwijs- gebeuren (= leren + werken) of voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van de schoolbevolking of van personen waarmee de leerling in het kader van stage of andere vormen van werkplekleren in contact komt, dan is een tuchtmaatregel toegelaten. Bij tuchtmaatregelen moet met diverse modaliteiten en voorwaarden worden rekening gehouden zoals hierna beschreven.

11.2.1. Preventieve schorsing versus uitsluiting.

Tussen schorsing en uitsluiting zijn er overeenkomsten en verschillen.

Zowel bij schorsing als bij uitsluiting wordt de jongere het recht ontnomen om deel te nemen aan les- en gelijkgestelde onderwijsactiviteiten (met inbegrip van evaluatiebeurten). In beide gevallen beslist het CDO of de jongere op het centrum moet aanwezig zijn. Is aanwezigheid niet verplicht, dan kunnen de betrokken personen niettemin een opvangvraag stellen : ofwel wordt op die vraag ingegaan en zullen er afspraken rond opvangvoorwaarden worden gemaakt, ofwel wordt de vraag schriftelijk én gemotiveerd geweigerd. Bij opvang bepaalt het CDO dus autonoom welke invulling aan deze opvang wordt gegeven (er geldt m.a.w. geen pedagogisch-didactisch verantwoorde opvangverplichting).

Voor alle duidelijkheid : schorsing of uitsluiting door het CDO slaat op de component leren. Een schorsing of uitsluiting, ingevolge ongeoorloofde gedragingen of handelingen op de werkvloer, van een voortraject, brugproject of tewerkstellingsovereenkomst kan enkel en alleen een beslissing zijn van de promotor of werkgever, desgevallend in toepassing van het plaatselijk huishoudelijk of arbeidsreglement, en bij voorkeur na overleg met het centrum. Bij ongeoorloofde gedragingen of handelingen tijdens een persoonlijk ontwikkelingstraject ligt dat anders : een CDO kan een jongere in een dergelijk traject schorsen of uitsluiten, ongeacht het feit of dit traject als invulling geldt voor de component leren, de component werkplekleren of beiden.

Een fundamenteel verschil echter is dat een schorsing geen tuchtmaatregel is doch een bewarende maatregel met een dubbel doel :

1. na een incident of vergrijp de jongere aan het onderwijsgebeuren onttrekken zodat opnieuw een sereen en onderwijsvriendelijk klimaat kan worden gecreëerd;

2. de nodige tijdsruimte voorzien om een tuchtonderzoek te voeren en een tuchtdossier samen te stellen, hetgeen impliceert dat vanaf het moment van preventieve schorsing het onderzoek en de dossiersamenstelling geacht worden opgestart te zijn;

De officiële benaming voor schorsing luidt dan ook "preventieve schorsing".

De preventieve schorsing, die op zich geen verplichting is, kan onmiddellijk na de regelschending (dus ook in de loop van de betrokken dag) ingaan, zij het na kennisgeving aan de betrokken personen. Het geldt als een signaal of een indicatie dat een tuchtmaatregel kan volgen. Na het beëindigen van het tuchtonderzoek kan het resultaat evenwel ook zijn dat, om welke reden dan ook, geen tuchtmaatregel wordt genomen. Als er wel tot een tuchtmaatregel wordt beslist, dan zijn er twee alternatieven : ofwel een tijdelijke uitsluiting ofwel een definitieve uitsluiting.

11.2.2. Maximale duur.

Een preventieve schorsing kan maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen bestrijken. Indien binnen die periode het tuchtonderzoek niet kan worden afgerond en het CDO dit motiveert aan de betrokken personen, kan deze periode met maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen worden verlengd. Een preventieve schorsing kan dus nooit langer dan achtentwintig opeenvolgende kalenderdagen duren. Indien de schorsing onmiddellijk ingaat in de loop van de dag waarin het omstreden feit plaats vindt, dan telt die dag als de eerste van het toegelaten maximum. Het uitputten van dat maximum kan anderzijds geen alibi zijn om het voeren van het tuchtonderzoek en het samenstellen van een tuchtdossier, vanuit beide partijen bekeken, langer te laten duren dan strikt noodzakelijk om tot de beslissing tot het al dan niet nemen van een tuchtmaatregel te komen. Zowel voor de betrokken personen als voor het CDO is het immers belangrijk om, zonder nodeloze vertraging, tot rechtszekerheid te komen.

Een tijdelijke uitsluiting omvat minimaal één en maximaal eenentwintig opeenvolgende kalenderdagen. Zowel trouwens ook bij preventieve schorsing moet het instellen van een maximumduur voor tijdelijke uitsluiting vrijwaren dat de lesonderbreking geen ernstige nadelige effecten heeft voor de afwerking van het lesprogramma. Een jongere kan in het schooljaar meer dan eens tijdelijk worden uitgesloten doch enkel indien zich telkens een nieuw feit van regelschending heeft voorgedaan.

Zoals blijkt wordt de maximale duur uitgedrukt in "kalenderdagen", met dien verstande dat enkel de schoolvakanties buiten beschouwing worden gelaten.

Aan definitieve uitsluiting is uiteraard geen maximale duur gekoppeld. Een beslissing tot definitieve uitsluiting gaat in hetzij onmiddellijk tijdens het schooljaar, hetzij op het einde van het schooljaar (= 31 augustus). Indien de uitsluiting pas op het einde van het schooljaar ingaat, dan heeft ze in de feiten betrekking op het daaropvolgende schooljaar. Een uitsluiting op het einde van het schooljaar strekt ertoe om, in het belang van de jongere, alsnog de gelegenheid te bieden aan de (eind)examens of proeven van dat schooljaar deel te nemen; het CDO is er dan wel toe gehouden om de jongere tot op het einde van dat schooljaar effectief de lessen te laten bijwonen. Er zijn twee situaties waarbij een definitieve uitsluiting ook betrekking kan hebben op een andere instelling dan het CDO waar de leerling is ingeschreven, nl.

1. indien de regelschending heeft plaats gevonden in een andere instelling waarmee het CDO van inschrijving samenwerkt voor een deel van de onderwijsverstrekking (= lesbijwoning in een andere instelling);

2. indien het CDO van inschrijving als niet-autonoom centrum verbonden is aan een voltijds secundaire school.

Deze uitbreiding van het toepassingsgebied van de definitieve uitsluiting kan pas na overleg tussen de betrokken instellingen.

Definitieve uitsluiting is een mogelijke weigeringsgrond voor (her)inschrijving; zie in dit verband de omzendbrief SO/2012/01.

11.2.3. Tuchtdossier en –onderzoek.

De volgende regels, inherent aan tuchtrechtspleging, zijn ook binnen onderwijs van toepassing :

1. de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;

2. de betrokken personen alsmede de jongere, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon naar keuze, worden gehoord;

3. elke genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd; indien het een definitieve uitsluiting behelst dan wordt schriftelijk verwezen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure;

4. elke beslissing wordt schriftelijk ter kennis gebracht aan de betrokken personen voordat de tuchtmaatregel van kracht wordt;

5. er is geen mogelijkheid om tot collectieve uitsluitingen over te gaan waarbij in één beslissing meerdere jongeren worden gevat; wanneer bijgevolg een groep jongeren heeft bijgedragen tot hetzelfde feit, dan mag dit nimmer tot een collectief tuchtvoorstel leiden (elk tuchtdossier is dus een individueel dossier);

6. de betrokken personen hebben inzage in het tuchtdossier van de jongere;

7. de tuchtmaatregel moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten (het zogenaamde "redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel");

8. het tuchtdossier en de tuchtmaatregel zijn niet overdraagbaar naar een andere instelling.

De twee laatste punten verdienen extra aandacht.

- Overeenstemming tussen tuchtmaatregel en ernst van de feiten : naast het opleggen van maatregelen op grond van een continuüm, waarvan hoger sprake, moet met elke uitsluiting omzichtig worden omgesprongen. Het CDO dat uitsluit moet namelijk steeds het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel naleven. Dit betekent dat de tuchtmaatregel de grenzen van de redelijkheid niet mag overschrijden en dat er geen wanverhouding mag bestaan tussen de bewezen feiten en de uitgesproken tuchtmaatregel. Bijkomend moet bij het uitspreken van een definitieve uitsluiting in de laatste maanden van het schooljaar, het CDO dat uitsluit mee in overweging nemen dat deze beslissing een zware hypotheek legt op de studieloopbaan van de betrokken jongere en mogelijks tot een studiejaarverlies zal leiden.

- Niet-overdraagbaarheid van tuchtdossier en –maatregel: bij verandering van instelling mag de nieuwe instelling (school of CDO) niet "voortbouwen" op een tuchtdossier dat is aangelegd en een tuchtmaatregel die is genomen in de voorgaande instelling, m.a.w. de jongere moet met een propere lei kunnen starten. Regelschendingen van de jongere in een vorige instelling kunnen in de nieuwe instelling nooit op enigerlei wijze in rekening worden gebracht. Dit betekent niet dat de nieuwe instelling geen weet mag hebben van wat er zich op het vlak van tucht in de vorige heeft voorgedaan. Indien in de loop van het schooljaar voor een definitief uitgesloten jongere naar een nieuwe instelling wordt gezocht, dan zal de reden hiervoor trouwens meestal sowieso aan het licht komen.

Tot slot wordt benadrukt dat een uitsluiting nooit implicaties kan hebben voor het eventuele lidmaatschap van de betrokken jongere in de leerlingenraad of de schoolraad.

11.2.4. Bevoegdheid.

De bevoegdheid tot het preventief schorsen of het nemen van een tuchtmaatregel ligt bij de directeur van het CDO waar de jongere is ingeschreven of zijn afgevaardigde.

Voorafgaand aan de beslissing tot definitieve uitsluiting, moet het advies van de klassenraad worden ingewonnen. Gezien het ingrijpend karakter van definitieve uitsluiting, moet een dergelijke beslissing immers goed worden overwogen en breed worden gedragen. In die klassenraad zetelt overigens, met adviesbevoegdheid, ook een personeelslid van het CLB waar het CDO mee samenwerkt. Het advies van de klassenraad wordt in het tuchtdossier opgenomen.

11.2.5. Definitieve uitsluiting versus uitschrijving.

Indien een definitieve uitsluiting op het einde van het schooljaar ingaat, dan heeft ze in de feiten betrekking op het daaropvolgende schooljaar en komt uitsluiting per definitie neer op uitschrijving uit het leerlingenbestand van het CDO.

Indien een definitieve uitsluiting daarentegen in de loop van het schooljaar ingaat, dan blijft de jongere ingeschreven in het centrum in afwachting dat een andere instelling wordt gevonden. Het CDO dat uitsluit heeft de verantwoordelijkheid om, samen met het CLB waarmee het samenwerkt, de jongere actief bij te staan in het zoeken naar een andere instelling. "Bijstaan" veronderstelt evenwel dat ook de jongere en zijn ouders initiatief aan de dag moeten leggen tot het vinden van een nieuwe instelling. Anderzijds moet bij de zoekinspanningen van het CDO dat uitsluit redelijkheid vooropstaan, d.w.z. er dient maximaal rekening te worden gehouden met de criteria "afstand" t.o.v. de verblijfplaats van de jongere, "zelfde onderwijsnet" en "zelfde opleiding" . Het vinden van een instelling die niet of moeilijk bereikbaar is of het totaal negeren van het beginsel van de vrije onderwijskeuze, kan onmogelijk als een aanvaardbare oplossing worden gezien.

Zelfs indien de definitieve uitsluiting in de loop van het schooljaar ingaat, kan ze in twee situaties uitmonden in uitschrijving, nl.

1. als de betrokken personen blijk geven van manifeste onwil om op het aanbod van verandering van CDO in te gaan. Zoals hoger vermeld moeten ook de betrokken personen voldoende meewerken aan het zoeken naar een nieuwe instelling. Is er daarentegen zelfs onwil of obstructie in het spel, dan komt dit ondubbelzinnig neer op het schenden van de leerplicht of van het principe van de regelmatige lesbijwoning. Inschrijving is meer dan louter een administratieve handeling want het vereist ook effectieve lesbijwoning;

2. vanaf de tiende kalenderdag die volgt op de dag dat de definitieve uitsluiting ingaat en alleszins pas nadat een eventueel ingestelde beroepsprocedure is afgerond. Deze uitschrijving kan evenwel uitsluitend voor een jongere die op het moment van de uitschrijving niet meer leerplichtig is.

Een definitief uitgesloten doch (nog) niet uitgeschreven regelmatige leerling blijft in aanmerking komen voor evaluatie en studiebekrachtiging.

11.2.6. Beroep.

De mogelijkheid tot verhaal tegen een definitieve uitsluiting is decretaal verplicht. Het beroep schort de uitvoering van de beslissing tot definitieve uitsluiting evenwel niet op. Het centrumbestuur beschikt enerzijds over een zekere autonomie, maar is anderzijds onderworpen aan onderstaande bepalingen. Zoals blijkt blijft de beroepsgang een centruminterne aangelegenheid. Zowel naar de procedure als naar het functioneren van de beroepscommissie worden echter een aantal criteria van kracht die moeten aantonen dat elk beroep in het teken staat van onafhankelijkheid, neutraliteit en deskundigheid, vertrekkend vanuit de gelijkwaardigheid van beide partijen. Dit moet bijdragen tot de accepteerbaarheid van een beslissing in beroep.

Pas na uitputting van het centrumintern beroep kan de stap naar een bevoegd rechtscollege worden gezet.

11.2.6.1. Procedure.

De beroepsprocedure is concreet vastgelegd in het centrumreglement maar omvat alleszins volgende stappen :

1. de betrokken personen stellen het beroep in bij het centrumbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift dat ten minste het voorwerp van het beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt; bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd;

2. het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie;

3. het resultaat wordt binnen de termijn bepaald in het centrumreglement schriftelijk ter kennis gebracht aan de betrokken personen; zo deze termijn wordt overschreden, dan is de definitieve uitsluiting van rechtswege nietig.

11.2.6.2. Samenstelling beroepscommissie.

Het centrumbestuur stelt een beroepscommissie in, waarvan de samenstelling aan volgende voorwaarden moet beantwoorden :

1. per te behandelen individueel dossier kan de samenstelling verschillen, maar binnen het dossier kan de samenstelling niet meer wijzigen;

2. elke commissie bestaat uit :

a) interne leden : zijnde leden van het centrumbestuur of het CDO waar tot de definitieve uitsluiting werd beslist (zie concrete opsomming verder); de directeur of zijn afgevaardigde die de omstreden beslissing heeft genomen, kan niet in de beroepscommissie zetelen;

b) externe leden : zijnde leden die niet verbonden zijn aan het centrumbestuur of het CDO waar tot de definitieve uitsluiting werd beslist; een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of - met uitzondering van het personeel – de schoolraad die fungeert binnen het CDO dat uitsluit, behoort tot de categorie "externe leden";

c) een voorzitter : door het centrumbestuur aangeduid onder de externe leden.

Een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel onder de omschrijving "intern lid" als de omschrijving "extern lid" valt, wordt geacht intern te zijn.

Concreet:

wordt verstaan onder lid van het centrumbestuur en is derhalve een intern lid van de beroepscommissie :

-in het Gemeenschapsonderwijs:

*een lid van de raad van het Gemeenschapsonderwijs

*een lid van de raad van bestuur van de scholengroep

*een lid van de algemene vergadering van de scholengroep

-in het gesubsidieerd provinciaal onderwijs:

*een lid van de provincieraad

*een lid van de bestendige deputatie

*(in voorkomend geval) een lid van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf

*(in voorkomend geval) een lid van het directiecomité van het autonoom provinciebedrijf

-in het gesubsidieerd gemeentelijk onderwijs:

*een lid van de gemeenteraad

*een lid van het college van burgemeester en schepenen

*(in voorkomend geval) een lid van de raad van bestuur van het autonoom gemeentebedrijf

*(in voorkomend geval) een lid van het directiecomité van het autonoom gemeentebedrijf

-in het gesubsidieerd onderwijs van de Vlaamse Gemeenschapscommissie:

* een lid van de raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

* een lid van het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

-in het gesubsidieerd vrij onderwijs:

* een lid van de algemene vergadering van de vzw-centrumbestuur

* een lid van de raad van bestuur van de vzw-centrumbestuur.

Elk lid van de beroepscommissie dat, naargelang van het betrokken onderwijsnet, niet aan één van de hierboven opgegeven hoedanigheden beantwoordt binnen het betrokken centrumbestuur én geen lid is van de betrokken school/CDO (zie verder) is een extern lid van de beroepscommissie.

Personeelsleden van de hierboven vermelde instanties zijn ook externe leden, aangezien ze zelf geen "inrichtende onderwijsverantwoordelijkheid" dragen.

wordt verstaan onder lid van het CDO (aandacht: hieronder valt ook de school waaraan het niet-autonoom CDO is verbonden !) en is derhalve een intern lid van de beroepscommissie :

* een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd (= statutair) personeelslid aangesteld in het betrokken CDO

-in een ambt van het bestuurspersoneel, het onderwijzend personeel of het ondersteunend personeel

-ongeacht het volume of taakinvulling van de opdracht

-ongeacht effectieve prestaties worden geleverd of een vorm van dienstonderbreking/ verlofstelsel, terbeschikkingstelling (TBS) of tijdelijk andere opdracht (TAO) loopt

* een contractueel personeelslid van het betrokken CDO

Elk lid van de beroepscommissie dat geen lid is van het betrokken centrumbestuur én geen lid is van het betrokken CDO is een extern lid van de beroepscommissie.

Personeelsleden van andere scholen/CDO van hetzelfde school/centrumbestuur (of een ander school/centrumbestuur) die niet aangesteld zijn in het betrokken CDO zijn externe leden.

11.2.6.3. Werking beroepscommissie.

Het centrumbestuur bepaalt de werking (waaronder de stemprocedure) van de beroepscommissie, rekening houdend met volgende voorwaarden :

1. elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, maar bij stemming moet het aantal stemgerechtigde interne leden en het aantal stemgerechtigde externe leden gelijk zijn (m.a.w. de mogelijkheid bestaat dat het centrumbestuur bepaalde leden aanduidt die niet stemgerechtigd zijn). Bij staking van stemmen (= gelijk aan pro en contra) is de stem van de voorzitter doorslaggevend (cfr. werkwijze die ook geldt voor klassenraden);

2. elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3. een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de jongere in kwestie;

4. een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen. Eén van die stappen kan het horen zijn van een of meer leden van de klassenraad die een verplicht advies over de definitieve uitsluiting heeft moeten geven;

5. de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden van het onderwijs. Hiermee wordt gealludeerd op de rechten om op bepaalde tijdstippen (bv. schoolvakanties) niet met schoolopdrachten te kunnen worden belast, tenzij dit in het arbeidsreglement van het centrum uitdrukkelijk is geregeld;

6. een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het centrumreglement.

11.2.6.4. Resultaat beroepscommissie.

De beroepscommissie heeft drie alternatieven :

1. het beroep is onontvankelijk en wordt gemotiveerd afgewezen; dit kan als de termijn voor indiening, vastgelegd in het centrumreglement, wordt overschreden of als het beroep niet voldoet aan de vormvereisten die in het centrumreglement zijn voorzien;

2. de definitieve uitsluiting wordt bevestigd;

3. de definitieve uitsluiting wordt vernietigd.

De beroepscommissie heeft volheid van bevoegdheid en beslist op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten. Toch draagt het centrumbestuur steeds de verantwoordelijkheid voor de genomen beslissing. Achterliggende reden hiervoor is de algemene erkenningsvoorwaarde dat het centrumbestuur de verantwoordelijkheid opneemt voor het onderwijs dat het inricht (cfr. de verantwoordelijkheid voor klassenraadsbeslissingen berust trouwens ook bij het centrumbestuur). Anderzijds is dit niet onlogisch omdat de beroepscommissie (zoals een klassenraad vanuit het werkgeverschap) door datzelfde centrumbestuur wordt samengesteld.

11.2.7. Opdracht voor het CLB

Conform de regelgeving op de operationele CLB-doelstellingen, moet elk CLB een begeleidingstaak opnemen t.a.v. elke jongere die in de loop van het schooljaar wordt geschorst of uitgesloten. Hoewel de jongere ernstig in de fout is gegaan (of, in het geval van schorsing, daarrond sterke vermoedens bestaan), kan hij niet volledig aan zijn lot worden overgelaten met het risico op herval. Het CLB moet dan ook actie ondernemen gericht op remediëring, ondersteuning en sensibilisering. Het centrum en het centrumbestuur staan in deze dus niet alleen.

12. Leerlingengegevens.

Elk CDO verzamelt een waaier aan leerlingengegevens, zoals bv. beslissingen en adviezen van de klassenraad, bijzondere remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, resultaat van het intakegesprek, resultaat van de screening.

Het decreet van 4 april 2014 houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositie van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs en betreffende participatie op school bepaalt voor het eerst expliciet :

1. de mogelijke overdracht van leerlingengegevens naar een andere instelling en de voorwaarden waaronder deze overdracht dient te gebeuren; de optimalisering van de individuele studieloopbaan van de jongere staat hierbij steeds voorop;

2. het recht voor de betrokken personen op inzage, toelichting en afschrift met betrekking tot de eigen leerlingengegevens; op deze manier worden ze in staat gesteld om het onderwijscurriculum van de betrokken jongere systematisch op te volgen en - indien zij dat wensen - er op in te grijpen, evenwel altijd zonder afwending voor andere doeleinden (bv. om het desbetreffende centrum op enigerlei manier in diskrediet te brengen).

  • Gegevensoverdracht bij verandering van instelling

Wanneer een leerling van instelling verandert, vindt er een overdracht van leerlingengegevens tussen de betrokken instellingen plaats. Deze overdracht is gebonden aan een aantal strikte voorwaarden :

1° de gegevens hebben uitsluitend betrekking op de onderwijsloopbaan van een specifieke jongere;

2° de overdracht gebeurt uitsluitend in het belang van de jongere op wie de onderwijsloopbaan betrekking heeft;

3° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, mag de overdracht niet gebeuren als de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten, nadat ze - op hun verzoek - de gegevens hebben ingezien. Verplichte overdracht is er in volgende gevallen :

1) het aantal problematische afwezigheden;

2) de toegekende attestering;

3) een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag (opgemaakt door het CLB).

Via het centrumreglement zijn de jongere en de betrokken personen op de hoogte van het automatisme van deze gegevensoverdracht bij verandering van instelling. Het CDO moet m.a.w. voor een overdracht van leerlingengegevens niet de toestemming van de betrokken personen vragen; het zijn daarentegen de betrokken personen die het initiatief tot niet-overdracht moeten nemen.

Een tuchtdossier en tuchtmaatregelen zijn nooit overdraagbaar tussen instellingen.

  • Inzage-, toelichtings- en kopierecht

De betrokken jongere en de betrokken personen hebben recht op inzage in en recht op toelichting bij de gegevens die op de jongere betrekking hebben, zoals bv. evaluatiegegevens, die het CDO verzamelt. Een toelichting bij de inzage kan immers voor meer duiding bij de gegevens zorgen, eventuele vragen ter verduidelijking kunnen op die manier extra aandacht krijgen.

Als bepaalde gegevens ook een andere jongere betreffen en volledige inzage door de betrokken jongere en de betrokken personen afbreuk zou doen aan het recht van die andere jongere op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, kunnen de betrokken jongere en de betrokken personen alleen via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage toegang krijgen tot deze gegevens.

Pas na gebruikmaking van het inzage- en toelichtingsrecht kunnen de betrokken jongere of de betrokken personen kopierecht uitoefenen. Het CDO dient hen een kopie te bezorgen, eventueel tegen een vergoeding waarvan de grootteorde is voorzien in het onderdeel "financiële bijdrageregeling" van het centrumreglement. Elke kopie moet persoonlijk en vertrouwelijk worden behandeld en mag uitsluitend worden gebruikt in functie van de onderwijsloopbaan van de jongere.

Het centrumreglement moet vanaf het schooljaar 2014-2015 de voorwaarden expliciteren waaronder de betrokken jongere en de betrokken personen dit inzage, toelichtings- en kopierecht kunnen uitoefenen.

13. Evaluatie.

13.1. Deeltijds beroepssecundair onderwijs (DO).

13.1.1. Bevoegdheid.

De klassenraad is een orgaan dat als een emanatie van het centrumbestuur optreedt. De klassenraad beschikt over een discretionaire bevoegdheid om te beslissen of een jongere voor een opleiding of voor een module is geslaagd, wat niet belet dat het centrumbestuur de krijtlijnen kan vastleggen waarin de klassenraad moet werken. Dit geldt overigens ook voor andere beslissingen buiten evaluatie die de klassenraad neemt. Het centrumbestuur draagt immers de juridische verantwoordelijkheid voor het onderwijs (met inbegrip van klassenraadsbeslissingen), is werkgever van het personeel en heeft de erkenning van de overheid gekregen. Elke klassenraad oefent m.a.w. zijn bevoegdheden uit binnen het kader dat desgevallend door het centrumbestuur is uitgetekend.

De klassenraad bepaalt de vorm waarin de jongere individueel wordt geëvalueerd en gaat daarbij na of hij in voldoende mate de module- of opleidingsdoelstellingen, naargelang van het geval, heeft bereikt om een studiebewijs te verwerven. Bij het nemen van evaluatiebeslissingen wordt er rekening gehouden met de concrete gegevens uit het dossier van de jongere, inzonderheid met de resultaten die voortvloeien uit de evaluatie van de jongere tijdens het schooljaar. Vermits eerder (cfr. rubriek 6.1.2.) is gesteld dat de beroepsgerichte vorming uitsluitend kan worden gerealiseerd door middel van het geïntegreerd doorlopen van de component leren en de component werkplekleren, is het vanzelfsprekend dat bij het nemen van evaluatiebeslissingen ook de resultaten van de evaluatie van de werkplekcomponent, op welke wijze dan ook ingevuld, mee in beschouwing worden genomen. Dit betekent tevens dat de klassenraad ook oog moet hebben voor de situatie waar de werkplekcomponent niet of slechts tijdelijk werd ingevuld en wat de reden hiertoe was. DO is immers een systeem waarin leren én werken onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden (voltijds engagement!) en waarin de ene component niet belangrijker is dan de andere. Een algemeen uitgangspunt kan en mag dan ook nooit zijn dat de doelen van DO perfect kunnen worden gerealiseerd enkel en alleen binnen de 15-urige leercomponent.

De klassenraad beslist op gemotiveerde wijze. In geval tot stemming wordt overgegaan (de voorzitter stemt telkens onmiddellijk mee) en het resultaat is een staking (= een gelijk aantal pro en contra) van stemmen, dan is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Van elke vergadering waarop in het schooljaar de klassenraad beslissingen over het al dan niet geslaagd zijn neemt, worden notulen opgesteld. De notulen bevatten een synthese van de elementen die tot de beslissingen hebben geleid, waaronder eventueel het resultaat van een stemming. De notulen moeten gedurende 30 jaar worden bewaard.

Een beslissing van de klassenraad waartegen de betrokken personen geen beroep of een niet-ontvankelijk beroep hebben ingesteld, kan door het centrumbestuur omstreden worden geacht. In dat geval kan het centrumbestuur de klassenraad opnieuw doen samenkomen om die beslissing te heroverwegen. Het opnieuw samenkomen dient te gebeuren uiterlijk op 15 september van het daaropvolgend schooljaar. In het geval de alsdan genomen beslissing afwijkt van de omstreden beslissing, wordt ze schriftelijk en gemotiveerd, onmiddellijk aan de betrokken personen meegedeeld.

13.1.2. Samenstelling klassenraad.

De klassenraad bestaat uit :

1° ambtshalve stemgerechtigde leden die elk over één stem beschikken : enerzijds de directeur of een afgevaardigde van de directeur (bv. de coördinator van een niet-autonoom CDO), die de klassenraad voorzit, en anderzijds alle leraars of lesgevers (in voorkomend geval dus ook van de meewerkende scholen of centra) die aan de jongere onderricht hebben verstrekt of in trajectbegeleiding hebben voorzien. Daarbij wordt er van uitgegaan dat die leraars of lesgevers op de deliberatiedatum in functie zijn; de voorzitter kan hiervan echter afwijken voor tijdelijke personeelsleden, met dien verstande dat het aantal stemgerechtigde leden er niet door kan worden uitgebreid;

2° eventueel ambtshalve raadgevende leden, aangewezen door de voorzitter : enerzijds andere personeelsleden van het CDO of externen aan het centrum, als die betrokken zijn bij de psychosociale of pedagogische begeleiding van de jongere, en anderzijds deskundigen in de te beoordelen opleiding of module.

Stemgerechtigde leden zijn verplicht om aan de klassenraadvergadering deel te nemen. Hiervan kan alleen worden afgeweken in geval van gewettigde afwezigheid of bewezen overmacht om op de klassenraadvergadering aanwezig te zijn. De ongewettigde afwezigheid van een stemgerechtigd lid tast de rechtsgeldigheid van de genomen beslissing niet aan. Een lid dat, op het ogenblik dat de klassenraad samenkomt, niet langer personeelslid is in de instelling in kwestie, kan niet verplicht worden om deel te nemen aan de vergadering. Bij niet-deelname is het lid gewettigd afwezig.

Geen enkel lid van de klassenraad mag deelnemen aan enige beslissing betreffende een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad of betreffende een jongere aan wie hij privaatlessen of een schriftelijke cursus heeft gegeven.

13.1.3. Kennisneming.

Afhankelijk van de onderwijsorganisatievorm (lineair of modulair) worden evaluatiebeslissingen van klassenraden in de loop of op het einde van het schooljaar genomen. Het centrumbestuur is bevoegd om te bepalen op welke datum en onder welke vorm de betrokken personen de klassenraadsbeslissing in ontvangst nemen. Ontvangst hoeft niet perse persoonlijk door de ouders op het CDO te gebeuren. Bijvoorbeeld : het resultaat kan worden meegegeven met de jongere, het resultaat wordt op het CDO overhandigd tijdens een proclamatieplechtigheid ….De desbetreffende ontvangstdatum en –vorm zijn bepaald in het centrumreglement. Het CDO wijkt er enkel van af voor gevallen waar een beroep in het geding is; alsdan stelt het centrumbestuur de betrokken personen schriftelijk in kennis van de voorziene ontvangstdatum. Bijzondere aandacht : vermits de betrokken personen vooraf weten wanneer en hoe ze het evaluatieresultaat zullen ontvangen, wordt bij het niet effectief in ontvangst nemen van het resultaat, geacht het resultaat op de voorziene datum te zijn ontvangen! Ouders die, bijvoorbeeld, op dat tijdstip reeds op vakantie zijn vertrokken en geen weet hebben van het evaluatieresultaat, zouden hierdoor eventueel hun beroepsmogelijkheid kunnen verliezen omdat ze niet tijdig de te zetten stappen hebben ondernomen.

13.1.4. Bijzondere verplichtingen voor het CDO bij niet-slagen van de jongere

Bij een klassenraadsbeslissing tot het niet toekennen van een (deel)certificaat, een (studie)getuigschrift of een diploma, naargelang van het geval, moet het CDO t.a.v. de betrokken personen volgende verplichtingen nakomen.

1. De beslissing moet schriftelijk worden gemotiveerd. Dit kan onder uiteenlopende vorm maar moet wel strikt individueel-gericht zijn. Indien, bijvoorbeeld, gekozen wordt voor een uittreksel uit de notulen van de klassenraad, dan mag dit stuk geen informatie bevatten die verwijst naar andere jongeren.

Benevens de schriftelijke motivering moet het CDO ook verwijzen naar de mogelijkheid tot beroep en naar de daarbij te volgen procedure. Hoewel deze info ook in het centrumreglement dient opgenomen, moet het telkens wanneer zich een concrete situatie voordoet opnieuw onder de aandacht worden gebracht. De betrokken personen moeten er daarbij echter worden op gewezen dat beroep maar kan indien ze voorafgaand een overleg hebben gepleegd met de directeur of zijn afgevaardigde (zie hierna). Er geldt m.a.w. een bepaalde chronologie die de partijen moeten volgen.

2. Mits vraag van de betrokken personen : de directeur of zijn afgevaardigde moet met de betrokken personen een overleg plegen over het evaluatieresultaat binnen een redelijke termijn nadat ze dat resultaat in ontvangst hebben genomen. Die termijn wordt in het centrumreglement bepaald. Van het centrumbestuur wordt verwacht dat "redelijkheid" veronderstelt dat de betrokken personen zo spoedig mogelijk meer duiding krijgen en dat, desgevallend, een beslissing in beroep qua timing haalbaar blijft. Van de betrokken personen wordt verwacht dat ze begrip opbrengen voor het tijdstip van het overleg dat met de vakantie-beschikbaarheid in onderwijs rekening zal houden. Van het overleg wordt een schriftelijk verslag gemaakt.

Tijdens het overleg maken beide partijen hun standpunt duidelijk. Daarbij moet er worden naar gestreefd om via een constructief gesprek een uitkomst te bereiken waarin elkeen zich kan vinden. Het overleg is dan ook geen onderdeel van de beroepsprocedure maar vormt een zogenaamde "bemiddelingsfase".

Het overleg kan het volgende opleveren :

a. de directeur of zijn afgevaardigde is van oordeel dat de elementen die de betrokken personen aanbrengen niet van aard zijn om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen en beraadslagen. De betrokken personen nemen deze beslissing op de voorziene datum in ontvangst (ook hier : "geacht" te zijn ontvangen indien verzuim van ontvangst). Ook indien reeds tijdens het overleg de betrokken personen te kennen geven dat ze, na de verkregen uitleg, akkoord gaan met het evaluatieresultaat, moeten de betrokken personen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen "formeel" ontvangen (niet onbelangrijk indien er toch een beroep zou volgen!);

b. de directeur of zijn afgevaardigde is van oordeel dat de elementen die de betrokken personen aanbrengen wel van aard zijn om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen en beraadslagen. Deze piste kan er voor de jongere op neerkomen dat hij met nieuwe toetsen, examens of andere opdrachten wordt belast vooraleer de klassenraad zich definitief uitspreekt. De betrokken personen nemen hoe dan ook de desbetreffende beslissing op de voorziene datum in ontvangst (ook hier : "geacht" te zijn ontvangen indien verzuim van ontvangst).

13.1.5. Proces-verbaal

In tegenstelling tot notulen, wordt van de beslissingen van de klassenraad over de regelmatige leerlingen slechts één maal (op 30 juni) een proces-verbaal in één exemplaar opgemaakt (model in bijlage 8). Diverse processen-verbaal zouden niet alleen de administratieve taakbelasting van het centrum doen toenemen, maar ook geen meerwaarde opleveren. In functie van de jongerengroep in kwestie of een andere variabele, blijft het toegelaten ofwel één proces-verbaal (waarop alle jongeren voorkomen) of meerdere processen-verbaal (splitsing van jongeren) samen te stellen. Elk proces-verbaal bevat de lijst van de geslaagde en niet-geslaagde jongeren door middel van opgave van het overeenkomstig studiebewijs (of studiebewijzen). Het proces-verbaal moet gedurende 30 jaar worden bewaard.

Zoals aangehaald bestaat de mogelijkheid dat de oorspronkelijke klassenraadsbeslissing wordt vervangen hetzij door diezelfde klassenraad na een overleg van de directeur of zijn afgevaardigde met de betrokken personen, hetzij door een beroepscommissie na een ingesteld beroep. In het modulair onderwijs, dat geleidelijk veralgemeend wordt ingevoerd in het DO, kan deze mogelijkheid zich zelfs doorheen het ganse schooljaar voordoen.

Indien de nieuwe beslissing door de klassenraad wordt genomen, dan wordt die vermeld op het hierboven bedoeld en bestaand proces-verbaal (als NA 30 juni : door middel van een rechtzetting). Indien de nieuwe beslissing uitgaat van een beroepscommissie, dan wordt onmiddellijk een afzonderlijk proces-verbaal (model in bijlage 9) opgemaakt (als NA 30 juni : op het initieel proces-verbaal van 30 juni worden al de gegevens met betrekking tot de desbetreffende jongere door middel van een volle lijn geschrapt en daarachter de formule "zie addendum" vermeld).

13.1.6. Door de betrokken personen omstreden beslissing van de delibererende klassenraad – beroep.

De mogelijkheid voor de betrokken personen, na voorafgaand overleg met de directeur of zijn afgevaardigde, tot verhaal tegen een evaluatiebeslissing is decretaal verplicht. Met "evaluatiebeslissing" wordt dan bedoeld hetzij de enige beslissing van de delibererende klassenraad, hetzij de beslissing die is genomen nadat de klassenraad door de directeur of zijn afgevaardigde eventueel opnieuw is samengeroepen (na het overleg) en die verschilt van de oorspronkelijke beslissing.

Het centrumbestuur beschikt enerzijds over een zekere autonomie, maar is anderzijds onderworpen aan onderstaande bepalingen. Zoals blijkt blijft de beroepsgang een centruminterne aangelegenheid. Zowel naar de procedure als naar het functioneren van de beroepscommissie worden echter een aantal criteria van kracht die moeten aantonen dat elk beroep in het teken staat van onafhankelijkheid, neutraliteit en deskundigheid, vertrekkend vanuit de gelijkwaardigheid van beide partijen. Dit moet bijdragen tot de accepteerbaarheid van een beslissing in beroep.

Pas na uitputting van het centrumintern beroep kan de stap naar een bevoegd rechtscollege worden gezet.

13.1.6.1. Procedure.

De beroepsprocedure is concreet vastgelegd in het centrumreglement maar omvat alleszins volgende stappen :

1. de betrokken personen stellen het beroep in bij het centrumbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift dat ten minste het voorwerp van het beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt; bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd;

2. het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie;

3. het resultaat wordt uiterlijk 15 september schriftelijk ter kennis gebracht aan de betrokken personen. Inzake timing wordt dus als norm enkel een limietdatum bepaald, voor al het overige beslist het centrumbestuur zelf. Aandacht : de datum "15 september" is inzonderheid geënt op een omstreden beslissing die op 30 juni is genomen; voor elke omstreden beslissing die evenwel al in de loop van het schooljaar is gevallen, moet er van uitgegaan worden dat het centrumbestuur de beroepsprocedure op een veel eerder tijdstip zal afronden!

In afwachting van het finaliseren van de beroepsprocedure heeft de jongere wél het recht om in het CDO in kwestie zijn studies verder te zetten zonder rekening te houden met de beperkingen die uit de omstreden evaluatiebeslissing voortvloeien. Indien dan blijkt dat de jongere zijn studies heeft verder gezet en aan de toelatingsvoorwaarden voldoet, dan wordt zijn toestand geregulariseerd (retroactieve omzetting van vrije naar regelmatige leerling); indien blijkt dat hij niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet, dan heeft hij tijdelijk de lessen gevolgd als vrije leerling. Dit tijdelijk recht bestaat, voor alle duidelijkheid, uitsluitend in het CDO waar de controversiële evaluatiebeslissing werd genomen; bij overstap naar een andere instelling zal daar met het beroep pas rekening worden gehouden zodra het resultaat van dat beroep gekend is.

13.1.6.2. Samenstelling beroepscommissie.

Het centrumbestuur stelt een beroepscommissie in, waarvan de samenstelling aan volgende voorwaarden moet beantwoorden :

1. per te behandelen individueel dossier kan de samenstelling verschillen, maar binnen het dossier kan de samenstelling niet meer wijzigen;

2. elke commissie bestaat uit :

a) interne leden : zijnde leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter, die de evaluatiebeslissing heeft genomen (het hoeft dus niet de voltallige klassenraad te zijn) en eventueel een lid van het centrumbestuur;

b) externe leden : zijnde leden die niet verbonden zijn aan het centrumbestuur of het CDO waar de evaluatiebeslissing werd genomen (zie concrete opsomming verder); een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of - met uitzondering van het personeel – de schoolraad die fungeert binnen het CDO waar de evaluatiebeslissing werd genomen, behoort tot de categorie "externe leden";

c) een voorzitter : door het centrumbestuur aangeduid onder de externe leden.

Een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel onder de omschrijving "intern lid" als de omschrijving "extern lid" valt, wordt geacht intern te zijn.

Concreet :

wordt verstaan onder lid van het centrumbestuur en is derhalve een intern lid van de beroepscommissie :

-in het Gemeenschapsonderwijs:

*een lid van de raad van het Gemeenschapsonderwijs

*een lid van de raad van bestuur van de scholengroep

*een lid van de algemene vergadering van de scholengroep

-in het gesubsidieerd provinciaal onderwijs:

*een lid van de provincieraad

*een lid van de bestendige deputatie

*(in voorkomend geval) een lid van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf

*(in voorkomend geval) een lid van het directiecomité van het autonoom provinciebedrijf

-in het gesubsidieerd gemeentelijk onderwijs:

*een lid van de gemeenteraad

*een lid van het college van burgemeester en schepenen

*(in voorkomend geval) een lid van de raad van bestuur van het autonoom gemeentebedrijf

*(in voorkomend geval) een lid van het directiecomité van het autonoom gemeentebedrijf

-in het gesubsidieerd onderwijs van de Vlaamse Gemeenschapscommissie:

* een lid van de raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

* een lid van het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

-in het gesubsidieerd vrij onderwijs:

* een lid van de algemene vergadering van de vzw-centrumbestuur

* een lid van de raad van bestuur van de vzw-centrumbestuur.

Elk lid van de beroepscommissie dat, naargelang van het betrokken onderwijsnet, niet aan één van de hierboven opgegeven hoedanigheden beantwoordt binnen het betrokken centrumbestuur én geen lid is van het betrokken CDO (zie verder) is een extern lid van de beroepscommissie.

Personeelsleden van de hierboven vermelde instanties zijn ook externe leden, aangezien ze zelf geen "inrichtende onderwijsverantwoordelijkheid" dragen.

wordt verstaan onder lid van het CDO (aandacht: hieronder valt ook de school waaraan het niet-autonoom CDO is verbonden !) :

* een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd (= statutair) personeelslid aangesteld in het betrokken CDO

-in een ambt van het bestuurspersoneel, het onderwijzend personeel of het ondersteunend personeel

-ongeacht het volume of taakinvulling van de opdracht

-ongeacht effectieve prestaties worden geleverd of een vorm van dienstonderbreking/ verlofstelsel, terbeschikkingstelling (TBS) of tijdelijk andere opdracht (TAO) loopt

* een contractueel personeelslid van het betrokken CDO

Elk lid van de beroepscommissie dat geen lid is van het betrokken centrumbestuur én geen lid is van het betrokken CDO is een extern lid van de beroepscommissie.

Personeelsleden van andere scholen/CDO van hetzelfde school/centrumbestuur (of een ander school/centrumbestuur) die niet aangesteld zijn in het betrokken CDO zijn externe leden.

13.1.6.3. Werking beroepscommissie.

Het centrumbestuur bepaalt de werking (waaronder de stemprocedure) van de beroepscommissie, rekening houdend met volgende voorwaarden :

1. elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, maar bij stemming moet het aantal stemgerechtigde interne leden en het aantal stemgerechtigde externe leden gelijk zijn (m.a.w. de mogelijkheid bestaat dat het centrumbestuur bepaalde leden aanduidt die niet stemgerechtigd zijn). Bij staking van stemmen (= gelijk aan pro en contra) is de stem van de voorzitter doorslaggevend (cfr. werkwijze die ook geldt voor klassenraden);

2. elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3. een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de jongere in kwestie;

4. een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen. Enkele van die stappen kunnen onder meer zijn :

a. het horen van een of meer stemgerechtigde leden van de klassenraad die de evaluatiebeslissing heeft genomen, uiteraard in zover het leden betreft die niet reeds in de beroepscommissie zetelen, of het horen van een of meer raadgevende leden van die klassenraad;

b. het organiseren van bijkomende toetsen, examens of andere opdrachten voor de jongere;

5. de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden van het onderwijs. Hiermee wordt gealludeerd op de rechten om op bepaalde tijdstippen (bv. schoolvakanties) niet met schoolopdrachten te kunnen worden belast, tenzij dit in het arbeidsreglement van het centrum uitdrukkelijk is geregeld;

6. een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het centrumreglement.

13.1.6.4. Resultaat beroepscommissie.

De beroepscommissie heeft drie alternatieven :

1. het beroep is onontvankelijk en wordt gemotiveerd afgewezen; dit kan als de termijn voor indiening, vastgelegd in het centrumreglement, wordt overschreden of als het beroep niet voldoet aan de vormvereisten die in het centrumreglement zijn voorzien;

2. het omstreden evaluatieresultaat wordt bevestigd, eventueel nadat de beroepscommissie aan de jongere bijkomende toetsen, examens of andere opdrachten heeft opgelegd;

3. het omstreden evaluatieresultaat wordt door een ander resultaat vervangen, eventueel nadat de beroepscommissie aan de jongere bijkomende toetsen, examens of andere opdrachten heeft opgelegd.

De beroepscommissie heeft volheid van bevoegdheid en beslist op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten. Toch draagt het centrumbestuur steeds de verantwoordelijkheid voor de genomen beslissing. Achterliggende reden hiervoor is de algemene erkenningsvoorwaarde dat het centrumbestuur de verantwoordelijkheid opneemt voor het onderwijs dat het inricht (cfr. de verantwoordelijkheid voor klassenraadsbeslissingen berust trouwens ook bij het centrumbestuur). Anderzijds is dit niet onlogisch omdat de beroepscommissie (zoals een klassenraad vanuit het werkgeverschap) door datzelfde centrumbestuur wordt samengesteld. Voor een beslissing van een beroepscommissie draagt het centrumbestuur niet alleen de verantwoordelijkheid, maar kent het ook het eventueel studiebewijs toe dat aansluit bij die beslissing. Het model van een studiebewijs is hetzelfde indien het aansluit bij een beslissing van de klassenraad of indien het aansluit bij een beslissing van de beroepscommissie. Alleen uit het proces-verbaal zal blijken welke orgaan (klassenraad of beroepscommissie) de beslissing heeft genomen.

13.2. Deeltijdse vorming (DV).

Behoudens de richtlijnen vermeld in punt 6.2.2., zijn er op het vlak van evaluatie door begeleiders van jongeren in persoonlijke ontwikkelingstrajecten geen verdere onderrichtingen. De uitgereikte attesten worden evenwel niet vertaald naar een eigen proces-verbaal van het CDV, doch in een aparte lijst opgenomen in het proces-verbaal met betrekking tot de leerlingenevaluatie van het CDO waar de jongeren in kwestie zijn ingeschreven.

14. Studiebekrachtiging.

14.1. Deeltijds beroepssecundair onderwijs (DO).

Hierna volgt een opsomming van de diverse studiebewijzen die ingevolge beslissing van de klassenraad kunnen worden afgeleverd, naargelang van het geval op elk tijdstip van het schooljaar dan wel op 30 juni. De afgeleverde studiebewijzen zijn van rechtswege geldend, mits inachtname door de uitreiker van alle wettelijke, decretale en reglementaire onderwijsbeschikkingen; een visering door de overheid vindt bijgevolg niet plaats.

1° Attest van verworven competenties : indien de jongere hetzij een module van een modulaire opleiding niet met vrucht heeft gevolgd, hetzij een niet-modulaire opleiding niet met vrucht heeft gevolgd (model in bijlage 10).

2° Deelcertificaat : indien de jongere een module van een modulaire opleiding met vrucht heeft gevolgd (model in bijlage 11).

3° Certificaat : indien de jongere een modulaire of niet-modulaire opleiding met vrucht heeft gevolgd. Een attest van vrijstelling voor een of meer modules van een modulaire opleiding wordt gelijkwaardig beschouwd aan de deelcertificaten voor de desbetreffende modules, zonder dat de jongere deze deelcertificaten fysiek ontvangt (model in bijlage 12); een kwalificatiegetuigschrift, destijds uitgereikt in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, is hieraan gelijkgesteld. Een certificaat kan maar behaald worden indien de leerling minstens 1 deelcertificaat over een module van de betrokken opleiding heeft behaald, wat betekent dat hij die module ook effectief en met vrucht heeft gevolgd. Aandacht : vermits zelfde modules in verschillende opleidingen kunnen voorkomen, kan de situatie ontstaan dat een bepaalde reeks modules enerzijds een afzonderlijke opleiding vormt met een bepaald administratief groepsnummer en anderzijds een onderdeel vormt van een bredere opleiding met een bepaald (ander) administratief groepsnummer. In beide gevallen leidt het geslaagd zijn voor de desbetreffende reeks modules tot toekenning van een certificaat. Een leerling kan niet tezelfdertijd aan twee administratieve groepsnummers worden gekoppeld. In het geval dat de reeks modules onderdeel zijn van een bredere opleiding wordt voormeld certificaat uitgereikt in een opleiding waarin de leerling administratief niet is ingeschreven; het certificaat dat wordt uitgereikt indien de leerling - na bijkomende modules te hebben doorlopen - slaagt in de bredere opleiding (dus het tweede certificaat) stemt daarentegen wel overeen met het administratief nummer van de opleiding waarin de leerling is ingeschreven. Bv. een leerling wordt ingeschreven hetzij in de opleiding machinaal houtbewerker met nr. 37127 hetzij in de opleiding interieurbouwer met nr. 37125, waarvan de modules die overeenstemmen met machinaal houtbewerker onderdeel vormen. Van zodra de leerling geslaagd is voor de modules van de opleiding machinaal houtbewerker, ontvangt hij een certificaat, ook indien hij is ingeschreven in de opleiding interieurbouwer.

Een certificaat is pas een bewijs van beroepskwalificatie als de opleiding waarop het certificaat betrekking heeft, gebaseerd is op een beroepskwalificatie. In voorkomend geval wordt op het model van het certificaat vermeld dat het een bewijs van beroepskwalificatie betreft en welk niveau dat bewijs heeft binnen de Vlaamse kwalificatiestructuur en het Europese kwalificatiekader (zie ook bijlage 12). De volgende certificaten gelden momenteel als een bewijs van beroepskwalificatie:

- van niveau 2: Behandelaar luchtvracht en bagage;

- van niveau 3: Kapper;

- van niveau 4: Kapper-salonverantwoordelijke.

Als het certificaat wordt uitgereikt in de opleiding Zorgkundige, dan wordt op het model (zie ook bijlage 12) de zin "Hij/zij bevestigt dat al de wettelijke, decretale en reglementaire voorschriften werden nageleefd" vervangen door de zin "Hij/zij bevestigt dat al de wettelijke, decretale en reglementaire voorschriften werden nageleefd met inbegrip van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen". Deze expliciete formulering op het certificaat moet de geregistreerde beroepsuitoefening veilig stellen.

4° Getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs : indien de jongere

a) met uitzondering van de eerste graad, ten minste 2 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd heeft doorgebracht, en

b) ten minste één certificaat heeft behaald, en

c) ingevolge een beslissing van de klassenraad, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming (model in bijlage 13).

5° studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs : indien de jongere

a) met uitzondering van de eerste graad, ten minste 4 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd heeft doorgebracht, en

b) ten minste één certificaat heeft behaald, en

c) ingevolge een beslissing van de klassenraad, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming (model in bijlage 14).

6° Diploma van secundair onderwijs : indien de jongere

a) met uitzondering van de eerste graad, ten minste 5 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd heeft doorgebracht, en 

b) in het bezit is van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, en

c) ten minste één certificaat heeft behaald, en

d) ingevolge een beslissing van de klassenraad, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming (model in bijlage 15).

7° Getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer : indien de jongere

a) met uitzondering van de eerste graad, ten minste 4 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd heeft doorgebracht, en

b) voldaan heeft aan de voorwaarden van de basiskennis van het bedrijfsbeheer als vermeld in de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap en in het koninklijk besluit van 21 oktober 1998 tot uitvoering van hoofdstuk I van titel II van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap (cf. omzendbrief SO/2008/01) (model in bijlage 16).

Aandacht : de algemene vorming voor zover gebaseerd op de eindtermen van het voltijds beroepssecundair onderwijs enerzijds en de beroepsgerichte vorming anderzijds volgen elk een eigen spoor waarin de studievoortgang niet per se gelijktijdig verloopt. Dit is het gevolg van het feit dat het werken rond eindtermen facultatief is in DO, nl. uitsluitend in het geval leerlingen de studiebewijzen van het voltijds secundair onderwijs ambiëren, en van het feit dat de structuur van het DO graden noch leerjaren kent. M.a.w. het kan dat het traject van een jongere binnen de beroepsgerichte vorming al veel verder is gevorderd dan zijn traject algemene vorming, of vice versa. Dit vertaalt zich naar de bovenstaande bepalingen dat voor elk studiebewijs voltijds secundair onderwijs dat in het DO kan worden behaald, steeds ten minste één certificaat is vereist, maar dat hetzelfde certificaat op zich kan volstaan om achtereenvolgens of gelijktijdig (!) het getuigschrift tweede graad, het getuigschrift derde graad en het diploma secundair onderwijs te behalen. Het behalen van die 3 studiebewijzen wordt inzonderheid gedetermineerd door de factoren "studieduur" en "in voldoende mate bereiken van de leerplandoelstellingen (incl. eindtermen)", naar analogie met wat geldt in het voltijds onderwijs.

14.2. Deeltijdse vorming (DV).

Aan een jongere die een persoonlijk ontwikkelingstraject heeft gevolgd, wordt door het CDV een attest van verworven competenties binnen een persoonlijk ontwikkelingstraject uitgereikt (model in bijlage 17). Het attest vermeldt op gedetailleerde wijze de stappen van het persoonlijk ontwikkelingstraject die met vrucht werden doorlopen.

14.3. Vervanging van vernietigde of verloren studiebewijzen.

In geval, naar verklaring, authentieke studiebewijzen werden verloren of vernietigd, dan dient het CDO een vervangend document op te stellen naar het door AgODi voorgeschreven en aldaar te verkrijgen model. Het nieuwe attest vermeldt de datum van uitreiking van het authentiek studiebewijs.

Personen die in toepassing van de wetgeving betreffende de toekenning van namen en voornamen een wijziging van hun naam of voornaam hebben verkregen, kunnen bij het CDO waar ze hun authentiek studiebewijs hebben behaald of bij AgODi een verzoek indienen om dat studiebewijs te laten vervangen door een studiebewijs met hun nieuwe naam of voornaam. Bij de aanvraag moet het oorspronkelijk behaalde studiebewijs worden ingeleverd en moeten officiële stukken worden gevoegd die de naamswijziging aantonen. Indien het verzoek tot vervanging wordt gericht aan het CDO, dan zal het centrum AgODcontacteren met betrekking tot de te volgen werkwijze.

15. Financiering en subsidiëring van de centra.

15.1. Centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (CDO).

15.1.1. Teldatum.

Voor de toepassing van de financierings- en subsidiëringsnormen worden alle regelmatige leerlingen (inclusief de jongeren in een persoonlijk ontwikkelingstraject) verrekend op 1 februari van het voorafgaande schooljaar. Indien 1 februari op een vrije dag valt, dan wordt op de eerstvolgende lesdag erna geteld.

Als per 1 september een CDO wordt opgericht door fusie van bestaande centra of door afsplitsing van een of meer vestigingsplaatsen van een bestaand centrum, of als per 1 september een CDO toetreedt tot of uittreedt uit een scholengemeenschap, dan wordt voor de berekening van de financiering of subsidiëring, respectievelijk de fusie, de afsplitsing, de toetreding of de uittreding geacht op 1 februari van het voorafgaande schooljaar te hebben plaatsgevonden. Als per 1 september een CDO autonoom wordt, dan wordt de omschakeling van niet-autonoom naar autonoom geacht op 1 februari van het voorafgaande schooljaar te hebben plaatsgevonden.

Als de oprichting van een CDO niet het gevolg is van een fusie of een afsplitsing, dan geldt voor het schooljaar van oprichting als teldatum 1 oktober van dat schooljaar. Indien 1 oktober op een vrije dag valt, dan wordt op de eerstvolgende lesdag erna geteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar geldt als teldatum 1 februari van het voorafgaande schooljaar. Indien 1 februari op een vrije dag valt, dan wordt op de eerstvolgende lesdag erna geteld.

15.1.2. Personeelsomkadering.

15.1.2.1. Bestuurspersoneel autonoom CDO.

Aan een autonoom CDO wordt één betrekking van directeur toegekend (= bevorderingsambt).

15.1.2.2. Onderwijzend personeel.

15.1.2.2.1. Berekening.

Aan elk CDO wordt een pakket wekelijkse uren-leraar toegekend dat wordt vastgesteld naar rata van 3,66 uren-leraar per jongere voor de schijf van 1 tot en met 49 jongeren, en van 2,69 uren-leraar per jongere voor de schijf van 50 jongeren en meer. Op deze regeling bestaan geen afwijkingen. De afronding van het totaal aantal uren is als volgt : van 0,5 tot 0,9 : naar de hogere eenheid; van 0,1 tot 0,4 : naar de lagere eenheid. De melding van het pakket gebeurt per dienstbrief van AgODi. Met het urenpakket kunnen betrekkingen worden opgericht in de wervingsambten van leraar en godsdienstleraar.

Bovenop het aldus berekende pakket wordt voor elke jongere die anderstalige nieuwkomer is 1,20 uren-leraar toegekend tijdens het lopende schooljaar, uitsluitend bestemd om onthaalonderwijs te organiseren. Deze toekenning is beperkt tot de periode van inschrijving van de betrokken jongere in een CDO tijdens het eerste schooljaar waarin hij in zijn onderwijsloopbaan in het DO is ingeschreven; ook een jongere die hieraan voldoet doch een persoonlijk ontwikkelingstraject volgt, komt in aanmerking. Bij elke wijziging van het aantal anderstalige nieuwkomers kan dus desbetreffend aantal uren-leraar worden herberekend. Bij deze herberekening wordt altijd rekening gehouden met het aantal jongeren dat op dat ogenblik in aanmerking komt. Het totaal wordt op bovenvermelde wijze afgerond.

Het centrum brengt het Agentschap voor Onderwijsdiensten op de hoogte van welke onthaalleerlingen zijn ingeschreven door de leerlingen als dusdanig aan te duiden bij de registratie van de inschrijving via het schooladministratiepakket in DISCIMUS. Het urenpakket wordt bepaald op basis van de gegevens in DISCIMUS.

15.1.2.2.2. Aanwendingsmogelijkheden.

Deze mogelijkheden zijn :

1° organisatie van lessen, met dien verstande dat minimaal 1/3 van de uren-leraar die naar organisatie van lessen gaan als lesuren PV of gelijkgesteld met PV moet worden aangewend. Voor de toepassing van deze bepaling worden voordrachten als lessen aanzien en worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, voor 1/3 als PV of gelijkgesteld met PV beschouwd;

2° organisatie van trajectbegeleiding;

3° aanwerving van voordrachtgevers, met dien verstande dat het om maximaal 20% van het pakket uren-leraar kan gaan. De uren-leraar in kwestie worden omgezet naar een krediet (cf. regeling weergegeven in punt 16.1.2.);

4° overdracht van uren-leraar naar een CDV dat de algemene vorming binnen het DO organiseert. De uren-leraar in kwestie worden omgezet naar een krediet (cf. regeling weergegeven in punt 15.2.2.);

5° overdracht van uren-leraar naar een CDV dat leerlinggebonden activiteiten in een CDO ondersteunt. De uren-leraar in kwestie worden omgezet naar een krediet (cf. regeling weergegeven in punt 15.2.3.);

6° overdracht van uren-leraar naar een school voor TSO of BSO, naar een ander CDO of naar een CVO waarop een beroep wordt gedaan voor de organisatie van beroepsgerichte vorming of activiteiten ter ondersteuning ervan; desbetreffende uren worden, indien aangewend voor de organisatie van activiteiten ter ondersteuning van beroepsgerichte vorming, ingericht respectievelijk als "bijzondere pedagogische taken" in een school voor TSO of BSO, als "uren leren en werken" in een CDO en als "leraarsuren als vermeld in artikel 102, §2, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs" in een CVO;

7° overdracht van uren-leraar naar een school voor TSO of BSO waarop een beroep wordt gedaan voor de organisatie van algemene vorming of activiteiten ter ondersteuning ervan; desbetreffende uren worden, indien aangewend voor de organisatie van activiteiten ter ondersteuning van algemene vorming, ingericht als "bijzondere pedagogische taken" in een school voor TSO of BSO.

Aandacht bij punten 6° en 7° : vanaf het schooljaar 2010-2011 kan het totale aantal uren-leraar dat wordt overgedragen voor de organisatie van algemene vorming of van activiteiten ter ondersteuning van algemene vorming of ondersteuning van beroepsgerichte vorming nooit hoger liggen dan het totale aantal uren-leraar dat met datzelfde doel door het CDO in kwestie werd overgedragen tijdens het voorafgaande schooljaar. Voor alle duidelijkheid : onder deze beperkende maatregel vallen dus niet de uren-leraar die worden overgedragen voor de organisatie van beroepsgerichte vorming;

8° overdracht van uren-leraar naar de school met voltijds secundair onderwijs waaraan het niet-autonoom CDO is verbonden;

9° omzetting naar een of meer betrekkingen in het ambt van opvoeder of administratief medewerker van de categorie van het ondersteunend personeel (cf. regeling weergegeven in punt 15.1.2.3.);

10° overdracht van tijdens een bepaald schooljaar niet-georganiseerde uren-leraar naar het daaropvolgend schooljaar onder de volgende voorwaarden :

a) de overdracht bedraagt maximaal 2% van het aantal aanwendbare uren-leraar van dat bepaalde schooljaar;

b) het maximale aantal uren-leraar dat wordt overgedragen, moet uiterlijk op 1 november van dat bepaalde schooljaar vastgelegd worden;

c) de overgedragen uren-leraar van een bepaald schooljaar kunnen enkel in het daaropvolgende schooljaar worden aangewend;

d) overdracht is alleen mogelijk als het centrumbestuur in kwestie op erewoord verklaart dat het tijdens dat schooljaar in de school met voltijds secundair onderwijs waaraan het niet-autonoom CDO is verbonden dan wel in het autonome CDO zelf, overeenkomstig de geldende reglementering, geen nieuwe of aanvullende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel moet uitspreken. De niet-naleving van die bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid;

e) in de overgedragen uren-leraar kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. De niet-naleving van die bepaling heeft tot gevolg dat de vaste benoeming geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid;

11° overdracht van tijdens een bepaald schooljaar niet-georganiseerde uren-leraar naar een andere school (van hetzelfde net of van dezelfde scholengemeenschap) voor voltijds gewoon secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs of naar een ander CDO onder de volgende voorwaarden :

a) de overdracht wordt niet tot een maximum beperkt;

b) de overdracht dient plaats te vinden uiterlijk op 1 november van dat bepaald schooljaar;

c) voor zover het CDO dat de uren afstaat tot een scholengemeenschap behoort, moet de overdracht in overeenstemming zijn met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt. Voor zover de begunstigde instelling tot een andere scholengemeenschap behoort, moet de overdracht formeel aan deze scholengemeenschap worden meegedeeld;

d) de overdracht van uren-leraar moet onderhandeld worden in het lokaal comité (d.i. het lokaal comité op het niveau van de scholengemeenschap voor zover het CDO dat uren overdraagt tot een scholengemeenschap behoort).

Indien evenwel de overdracht plaats vindt tussen instellingen van hetzelfde net die niet tot een scholengemeenschap of niet tot dezelfde scholengemeenschap behoren én voor zover de overdracht uitmondt in nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel in de instelling die uren overdraagt, dan is het expliciet akkoord van hogerbedoeld lokaal comité vereist;

e) in de overgedragen uren-leraar kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. De niet-naleving van die bepaling heeft tot gevolg dat de vaste benoeming geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid.

Andere aanwendingsmogelijkheden zijn er niet. Dit impliceert o.a. dat uren-leraar nooit rechtstreeks of onrechtstreeks mogen worden aangewend voor de organisatie van een persoonlijk ontwikkelingstraject, een voortraject of een brugproject !

15.1.2.2.3. Beslissing na inspraak.

Het centrumbestuur beslist finaal over de aanwending van het pakket uren-leraar na toepassing van de inspraakprocedure. Deze procedure bestaat er in dat over de aanwendingscriteria, chronologisch :

1° advies wordt uitgebracht door de centrumraad;

2° overlegd wordt in de schoolraad;

3° onderhandeld wordt in het lokaal comité, d.i. het voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokale inspraakorgaan.

15.1.2.2.4. Specifieke bepalingen inzake plage-uren.

De beperking van het aantal plage-uren en de daarmee verband houdende maatregelen gelden ook voor het DO, met dien verstande dat bij toepassing van de desbetreffende maatregelen de uren-leraar van het voltijds en van het deeltijds secundair onderwijs worden gegroepeerd (cf. omzendbrief SO 55).

15.1.2.2.5. Zending "aanwending middelen".

Elk jaar stuurt iedere school vóór een door AgODi vastgestelde datum een Edison-zending "aanwending middelen" door die weergeeft welke bewegingen zich op het vlak van aanwending van de beschikbare uren-leraar hebben voorgedaan. Op basis van deze zending wordt het netto aanwendbaar pakket uren-leraar vastgelegd.

15.1.2.3. Ondersteunend personeel.

Eén of meer betrekkingen in het ambt van opvoeder of administratief medewerker (beide wervingsambten) kunnen worden ingericht. Voor een halve betrekking dient van het pakket uren-leraar 12 uren in mindering gebracht, voor een volledige betrekking 24 uren.

15.1.2.4. Globale puntenenveloppe.

De globale puntenenveloppe strekt ertoe enerzijds om op het niveau van de instelling het kader bestuurspersoneel en ondersteunend personeel in te vullen en anderzijds om op het niveau van de instelling en van de scholengemeenschap een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.

De globale puntenenveloppe wordt toegekend aan de scholengemeenschap. Na eventuele voorafname van een aantal punten om haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op niveau van de scholengemeenschap gestalte te geven, verdeelt de scholengemeenschap jaarlijks de puntenenveloppe over haar scholen en centra.

De verdeling en aanwending van de globale puntenenveloppe maakt het voorwerp uit van een aparte omzendbrief die geldt voor het voltijds en deeltijds secundair onderwijs. De hiernavolgende bepalingen hebben evenwel betrekking op het luik "berekening van de globale puntenenveloppe", m.a.w. op welke wijze genereren de CDO middelen die in de enveloppe worden opgenomen.

1° Aan de scholengemeenschap waartoe het autonoom CDO behoort, worden in het kader van de globale puntenenveloppe, 120 punten toegekend indien dat CDO ten minste 600 regelmatige leerlingen telt of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Indien deze cijfers respectievelijk 1200 en 1150, 1800 en 1750, en 2400 en 2350 zijn, dan bedraagt het aan de scholengemeenschap toegekend aantal punten respectievelijk 240, 360 en 480. Het aantal punten blijft gedurende 2 opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. De termijn van twee opeenvolgende schooljaren kan evenwel voor buitengewone gevallen door de Vlaamse Regering worden verlengd na gemotiveerde aanvraag per gewoon schrijven van het centrumbestuur, gericht aan AgODi. Onder buitengewone gevallen worden centra verstaan waar de problematiek van kansarmoede dermate disproportioneel aanwezig is, dat hun bestuurlijk vermogen alleen kan worden gevrijwaard mits handhaving van de betrokken personeelsmiddelen.

2° Aan de scholengemeenschap waartoe het autonoom CDO behoort, worden in het kader van de globale puntenenveloppe, 120 punten toegekend indien in dat CDO het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totale aantal wekelijkse uren-leraar PV of gelijkgesteld met PV, op de teldatum ten minste 7 voltijdse betrekkingen bereiken van leraar, belast met het geven van PV. Vanaf het daaropvolgende schooljaar is de norm "ten minste 6 voltijdse betrekkingen leraar PV".

Indien deze cijfers respectievelijk 15 en 14, 19 en 18, 22 en 21, 29 en 28, 31 en 30, 33 en 32, 36 en 35, 43 en 41, en zo verder per schijf van 7 en 6, bedragen, dan is het aantal punten dat aan de scholengemeenschap wordt toegekend, respectievelijk 240, 360, 480, enz... (telkens een veelvoud van 120). Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.

Voor de toepassing van deze bepaling worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, voor 1/3 als PV of gelijkgesteld met PV beschouwd.

Pro memorie : PV zijn alle vakken waarvan de benaming aanvangt met één van volgende begrippen : praktische oefeningen, praktijk, handvaardigheid, realisatietechnieken.

3° Aan de scholengemeenschap waartoe het niet-autonoom CDO behoort, worden in het kader van de globale puntenenveloppe 120 punten toegekend.

4° Voor een niet-autonoom CDO komen de ingerichte uren-leraar PV of gelijkgesteld met PV in aanmerking voor vaststelling van de punten die de school voor voltijds secundair onderwijs, waar die uren worden georganiseerd, in het kader van de globale puntenenveloppe genereert voor de scholengemeenschap waartoe ze behoort.

Voor de toepassing van deze bepaling worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, voor 1/3 als PV of gelijkgesteld met PV beschouwd.

Pro memorie : PV zijn alle vakken waarvan de benaming aanvangt met één van volgende begrippen : praktische oefeningen, praktijk, handvaardigheid, realisatietechnieken.

5° Ook op de CDO is het principe van toepassing dat door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar of lesuren, ingericht als beroepsgerichte vorming (= BuSO), PV of daaraan gelijkgesteld, die in een school of CDO ontoereikend zijn om 120 punten, of een veelvoud daarvan, te genereren, op het niveau van de scholengemeenschap kunnen samengevoegd worden om alsnog tot desbetreffend aantal punten, of een veelvoud daarvan, te leiden.

6° Bij de toekenning van onderstaand aantal punten aan de scholengemeenschap, afhankelijk van het totaal aantal regelmatige leerlingen in die scholengemeenschap, worden de leerlingen DO in aanmerking genomen.

a) Tussen 900 en 3.999 leerlingen : 120 punten.

b) Tussen 4.000 en 6.499 leerlingen : 180 punten.

c) Tussen 6.500 en 7.999 leerlingen : 240 punten.

d) Tussen 8.000 en 9.499 leerlingen : 300 punten.

e) Tussen 9.500 en 10.999 leerlingen : 360 punten.

f) Vanaf 11.000 leerlingen : 420 punten.

Het aantal van 120 punten blijft gedurende 2 opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum van 900 leerlingen niet meer wordt bereikt.

15.1.3. Werkingsmiddelen.

15.1.3.1. Basismiddelen.

De basiswerkingsmiddelen worden bepaald volgens het nieuwe financieringssysteem dat vanaf het schooljaar 2008-2009 in het leerplichtonderwijs in voege is. Dit systeem steunt op twee belangrijke pijlers :

1° de verschillende netten worden gelijk behandeld bij de berekening van de werkingsmiddelen;

2° er wordt rekening gehouden met het sociale profiel van de schoolbevolking.

Deze middelen bestaan uit een basisbedrag aangevuld met extra bedragen voor de leerlingenkenmerken.

Het basisbedrag wordt berekend door het aantal leerlingen om te zetten in punten (een leerling uit het deeltijds beroepssecundair onderwijs vertegenwoordigt 10 punten) en dit getal te vermenigvuldigen met een geldwaarde per punt.

Het extra bedrag is gebaseerd op vier leerlingenkenmerken :

1° het opleidingsniveau van de moeder;

2° de thuistaal;

3° het ontvangen van een schooltoelage;

4° de gemiddelde schoolachterstand in de wijk waar de leerling woont.

De middelen worden in twee schijven uitbetaald : een eerste schijf van 50 % in januari en het saldo in juni.

Er werd bij het gelijk leggen van de lat tussen de netten wel rekening gehouden met twee objectieve verschillen. Enerzijds gaat het om het garanderen van de vrije schoolkeuze, een verschil waardoor aan het Gemeenschapsonderwijs 3% werkingsmiddelen op zijn proportioneel aandeel extra wordt toegekend. Anderzijds betreft het een extra ten belope van 4,5 % voor de scholen van het Gemeenschapsonderwijs en gesubsidieerd officieel onderwijs die wettelijk verplicht zijn meerdere levensbeschouwingen aan te bieden.

15.1.3.2. Aanvullende middelen.

De aanvullende werkingsmiddelen zijn voorbehouden voor activiteiten of producten die bijdragen tot optimalisering van de band tussen de component leren en de component werkplekleren. Deze aanvullende middelen worden als volgt berekend :

1° voor elke jongere die in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van de basismiddelen, worden die middelen verhoogd met een bedrag van 50 euro als die jongere minimaal 96 uren effectief heeft gepresteerd in een voortraject tijdens het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de middelen worden toegekend;

2° voor elke jongere die in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van de basismiddelen, worden die middelen verhoogd met een bedrag van 0,50 euro per uur dat die jongere effectief heeft gepresteerd in een brugproject tijdens het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de middelen worden toegekend. Het maximale aantal uren prestaties dat kan worden verrekend, bedraagt 800 uren;

3 ° voor elke jongere die in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van de basismiddelen, worden die middelen verhoogd met een bedrag van 20 euro per jongere die heeft deelgenomen aan het project " intensieve begeleiding alternerend leren " , voorafgaand aan het schooljaar waarin de middelen worden toegekend. Dit bedrag kan maar éénmalig per schooljaar aan een jongere worden toegekend.

4 ° voor elke jongere die in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van de basismiddelen, worden die middelen verhoogd met een bedrag van 2,25 euro per kalenderdag dat een leerplichtige jongere effectief heeft gepresteerd in arbeidsdeelname tijdens het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de middelen worden toegekend en een bedrag van 0,25 euro per kalenderdag dat een niet-leerplichtige jongere effectief heeft gepresteerd in arbeidsdeelname tijdens het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de middelen worden toegekend. Voor arbeidsdeelname, die inhoudelijk moet aansluiten bij de component leren, komen de volgende contracten in aanmerking :

a) deeltijds arbeidscontract;

b) werknemersleercontract;

c) contract individuele beroepsopleiding van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;

d) tewerkstelling via de Sociale Maribel of Generatiepact;

e) beroepsinlevingsovereenkomst;

f) Jojo-contract;

g) werkervaringsproject cfr. tewerkstelling in het kader van artikel 60, §7, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, tewerkstellingen in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende werkervaring;

Een jongere waarvoor tijdens de looptijd van zijn contract in het schooljaar 2015-16 de leerplicht eindigt, wordt voor de toepassing van deze bepaling beschouwd als een leerplichtige jongere.

De aanvullende middelen worden uitbetaald samen met het voorschot op de basismiddelen.

15.2. Centra voor deeltijdse vorming (CDV).

In tegenstelling tot de CDO verloopt de subsidiëring van de CDV niet afzonderlijk voor personeel en voor werking. Het toegekende budget moet dus zowel de personeels- als de werkingskosten dekken.

15.2.1. Persoonlijke ontwikkelingstrajecten.

15.2.1.1. Aantal subsidieerbare deelnemersuren.

Het maximum aantal subsidieerbare en gegarandeerde deelnemersuren per schooljaar voor de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten, voor de respectieve CDV gespreid over de werkingsgebieden van de regionale overlegplatformen, is als volgt :

1° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Antwerpen :

a) Arktos : 56.843,50

b) Lejo : 37.878,00

c) Profo : 15.360,00

2° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Brugge :

Groep Intro : 13.593,60

3° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Brussel :

Groep Intro : 51.054,20

4° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Gent :

a) De Werf : 27.448,10

b) Groep Intro : 24.152,60

c) Lejo : 23.614,60

5° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Halle-Vilvoorde :

Groep Intro : 6.869,10

6° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Kempen :

Arktos : 32.176,40

7° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Leuven :

Arktos : 30.858,50

8° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Limburg :

a) Arktos : 35.687,40

b) Groep Intro : 22.157,80

9° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Mechelen :

Arktos : 22.631,90

10° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Meetjesland :

Groep Intro : 7.664,50

11° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Midden-West-Vlaanderen :

Groep Intro : 6.941,40

12° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Oostende :

Groep Intro : 14.871,60

13° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Waas & Dender :

Groep Intro : 26.247,30

14° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Westhoek :

a) Groep Intro : 10.629,10

b) Profo : 7.680,00

15° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Zuid-Oost-Vlaanderen :

a) De Werf : 10.749,15

b) Groep Intro : 19.619,55

16° Werkingsgebied regionaal overlegplatform Zuid-West-Vlaanderen :

a) Aura : 56.262,10

b) Groep Intro : 5.376,00

Indien tijdens een bepaald schooljaar het door een CDV georganiseerd aantal deelnemersuren minder dan 85% bedraagt van het maximum aantal subsidieerbare deelnemersuren, dan kan vanaf het daaropvolgend schooljaar het maximum aantal gesubsidieerde deelnemersuren voor dat CDV verminderd worden tot 85% van het aantal gegarandeerde deelnemersuren. Het op die wijze vrijgekomen aantal uren kan door de Vlaamse Regering geheel of gedeeltelijk worden aangewend om nieuwe behoeften te dekken bij bestaande of nieuwe CDV. Onder georganiseerd aantal deelnemersuren wordt verstaan : het, voor alle jongeren van een CDV samen, totaal aantal uren dat een jongere opgenomen is in een persoonlijk ontwikkelingstraject, te rekenen vanaf de datum van het gemotiveerd verslag van het CLB tot en met de laatste lesdag waarin het persoonlijk ontwikkelingstraject wordt gevolgd.

In het kader van een efficiënte verdeling van deelnemersuren, zijn de hierna volgende maatregelen van kracht. Een herziening van het aantal deelnemersuren kan slechts na indiening van een aanvraag door het betrokken centrumbestuur bij AgODi uiterlijk 30 juni van het voorafgaand schooljaar. Ook de toekenning van het aantal deelnemersuren voor een CDV dat met de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten later opstart dan het schooljaar vanaf wanneer het is erkend of heropstart na tijdelijke stopzetting, kan slechts na indiening van een aanvraag door het betrokken centrumbestuur bij AgODi uiterlijk 30 juni van het voorafgaand schooljaar.

Een tijdelijke of definitieve stopzetting door een CDV van de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten waardoor het aantal deelnemersuren niet meer wordt toegekend, wordt door het betrokken centrumbestuur aan AgODi meegedeeld uiterlijk 30 juni van het voorafgaand schooljaar.

15.2.1.2. Registratie van georganiseerde deelnemersuren – uitbetalingsmodaliteiten.

De uren dat een jongere een persoonlijk ontwikkelingstraject heeft gevolgd, dienen geregistreerd te worden. De georganiseerde deelnemersuren zullen ingegeven worden door het CDV in het cliëntvolgsysteem van de VDAB.

De georganiseerde deelnemersuren dienen eveneens bezorgd te worden aan AgODi. Elk CDV bezorgt aan AgODi één tussentijdse lijst (deadline 15 januari van het betrokken schooljaar) en één definitieve lijst voor dat schooljaar (deadline 30/06 van het betrokken schooljaar). Indien nodig kunnen er nog bijkomende tussentijdse lijsten opgevraagd worden.

Aan de hand van het sjabloon in bijlage 18 dient elk CDV aan AgODi te laten weten welke leerlingen bij hen een POT volgen, in welke periode en aan welk ritme (13u, 15u, 28u). De gegevens in de lijst worden gebruikt voor :

- De berekening van het saldo van de werkingsmiddelen door AgODi

- Het bepalen van de bestedingsgraad met het oog op een eventuele herverdeling van de uren

U stuurt deze lijst digitaal naar scholen.secundaironderwijs.agodi@vlaanderen ten laatste op 30/06/2015. De lijst moet voor waar ondertekend worden door de directeur van het CDV en door de voorzitter van de raad van bestuur.

De georganiseerde deelnemersuren zijn de uren zoals opgenomen in het gemotiveerd verslag.

De data opgenomen in het gemotiveerd verslag respectievelijk de bijlage, zijn de data die opgenomen worden in het registratiesysteem. De duur per week (28 uren, 13 uren of 15 uren) en de begin- en einddatum van het persoonlijk ontwikkelingstraject, bepalen de subsidiëring van de persoonlijke ontwikkelingstrajecten.

Een persoonlijk ontwikkelingstraject kan schooljaaroverschrijdend zijn.

De registratie van de deelnemersuren loopt door ook tijdens lesvrije dagen (dus ook vakantieperiodes), met uitzondering van de zomervakantie, totdat het persoonlijk ontwikkelingstraject wordt afgesloten door het case-overleg.

Indien de vorm van een persoonlijk ontwikkelingstraject wijzigt, dient dit ook zo geregistreerd te worden in het registratiesysteem. Bv. een leerling volgt vanaf maandag 8 september 2008 tot maandag 10 november 2008 een persoonlijk ontwikkelingstraject; er worden bijgevolg 9 weken geregistreerd aan 28 uren per week. Na het 2-maandelijks case-overleg wordt het traject aangepast naar 15 uren per week. Vanaf 10 november wordt wekelijks 15 uren per week geregistreerd. Er wordt een bijlage bij het gemotiveerd verslag gevoegd met daarin de datum van de wijziging, de vorm van het persoonlijk ontwikkelingstraject vanaf die datum en de reden van de wijziging. Van zodra de leerling geen POT meer volgt, stopt de subsidiëring voor die leerling onmiddellijk.

15.2.1.3. Uitbetalingsmodaliteiten.

De uitbetaling van de subsidies voor een bepaald schooljaar gebeurt door middel van een eerste schijf in het begin van de maand februari van het schooljaar in kwestie en een tweede schijf in de loop van de maand oktober daaropvolgend.

De berekening van de subsidies per CDV is als volgt :

1° de eerste schijf bedraagt 75% van het maximum aantal subsidieerbare deelnemersuren, vermenigvuldigd met het vastgelegde bedrag per deelnemersuur;

2° de tweede schijf wordt berekend door het aantal georganiseerde deelnemersuren te vermenigvuldigen met het vastgelegde bedrag per deelnemersuur en dit resultaat te verminderen met het bedrag van de eerste schijf. Indien dit saldo negatief is, wordt tot terugvordering ervan overgegaan.

Het subsidiebedrag per deelnemersuur wordt vastgesteld op 12,50 euro. Vanaf het schooljaar 2010-2011 wordt dit bedrag, binnen de beschikbare begrotingskredieten, geïndexeerd aan de hand van volgende formule : 85 % van het bedrag volgt de evolutie van de gezondheidsindex, zoals vermeld in de begrotingsinstructies, en 15 % van het bedrag volgt 75 % van de evolutie van de gezondheidsindex.

15.2.2. Organisatie van algemene vorming DO.

Een CDO kan uren-leraar omzetten in een krediet voor een bepaald CDV, bestemd voor de organisatie van algemene vorming. Na mededeling aan AgODi via de elektronische zending "aanwending middelen", kan het aantal omgezette uren-leraar niet meer wijzigen. Hiertoe wordt van het wekelijks pakket uren-leraar waarover een CDO beschikt, het aantal om te zetten uren vermenigvuldigd met 40 (= theoretisch aantal weken openstelling per jaar), zodat een aantal jaaruren wordt verkregen. Na controle en goedkeuring door AgODi wordt overgegaan tot uitbetaling aan het CDV in februari.

Jaarlijks wordt het bedrag vastgesteld dat overeenstemt met één omgezet uur. Bij deze vaststelling van het bedrag wordt rekening gehouden met de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen. Het bedrag dat wordt toegepast bij de omzetting, wordt vastgesteld op 52,17 euro. Dat bedrag wordt aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar gebeuren, hebben pas uitwerking met ingang van het daaropvolgend schooljaar. Aldus is het bedrag voor het schooljaar 2016-2017 : 85,59 euro.

15.2.3. Ondersteuning van leerlinggebonden activiteiten DO.

Een CDO kan uren-leraar omzetten in een krediet voor een bepaald CDV, bestemd voor de ondersteuning van leerlinggebonden activiteiten. Na mededeling aan AgODi via de elektronische zending "aanwending middelen", kan het aantal omgezette uren-leraar niet meer wijzigen. Hiertoe wordt van het wekelijks pakket uren-leraar waarover een CDO beschikt, het aantal om te zetten uren vermenigvuldigd met 40 (= theoretisch aantal weken openstelling per jaar), zodat een aantal jaaruren wordt verkregen. Na controle en goedkeuring door AgODwordt overgegaan tot uitbetaling aan het CDV in februari.

Jaarlijks wordt het bedrag vastgesteld dat overeenstemt met één omgezet uur. Bij deze vaststelling van het bedrag wordt rekening gehouden met de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen. Het bedrag dat wordt toegepast bij de omzetting, wordt vastgesteld op 52,17 euro. Dat bedrag wordt aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar gebeuren, hebben pas uitwerking met ingang van het daaropvolgend schooljaar. Aldus is het bedrag voor het schooljaar 2016-2017 : 85,59 euro.

16. Personeel.

16.1. Deeltijds beroepssecundair onderwijs.

16.1.1. Eigen personeel.

Op de personeelsleden van het CDO dat wordt ingevuld binnen het door de overheid gefinancierd of gesubsidieerd kader, is de rechtspositieregeling in onderwijs van toepassing.

Voor wat betreft de lerarenomkadering moet inzake aanwending van de uren-leraar een onderscheid worden gemaakt tussen modulair en niet-modulair georganiseerde opleidingen.

In de modulair georganiseerde opleidingen DO kunnen uren-leraar, zowel klassikaal als niet-klassikaal (bv. trajectbegeleiding), uitsluitend worden georganiseerd op basis van uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden, meer bepaald als "uren leren en werken". Deze "uren leren en werken" worden gelijkgesteld met een opdracht in de tweede of derde graad beroepssecundair onderwijs. Bv. 10 uren leren en werken (AV ... 3de graad BSO), 8 uren leren en werken (PV ... 2de graad BSO).Voor de EDISON-gegevensoverdracht naar het werkstation van de "uren leren en werken" wordt gebruik gemaakt van de code 910 uren leren en werken.

Voor, in de overgangsperiode, niet-modulair georganiseerde opleidingen worden de uren-leraar georganiseerd als lesuren algemene vakken, technische vakken of praktische vakken of als uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden, meer bepaald als "uren leren en werken" of als "seminaries". Deze "vakken", "uren leren en werken" of "seminaries" worden gelijkgesteld met een opdracht in de tweede of derde graad beroepssecundair onderwijs. Bv. 2 uren AV Nederlands 3de graad BSO, 10 uren leren en werken (TV ... 3de graad BSO), 4 uren seminaries (AV ... 2de graad BSO). De organisatie van algemene, technische en praktische vakken en seminaries gebeurt klassikaal, de organisatie van uren leren en werken niet-klassikaal (bv. trajectbegeleiding). Voor de EDISON-gegevensoverdracht naar het werkstation van de "uren leren en werken" wordt gebruik gemaakt van de code 910 uren leren en werken.

Vermits trajectbegeleiding een vorm van aanwending van uren-leraar is, wordt die begeleiding uitgeoefend vanuit het ambt van leraar (of godsdienstleraar); trajectbegeleider is dus geen afzonderlijk ambt.

16.1.2. Voordrachtgevers.

Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het centrumbestuur of van het personeel van het centrum en die, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming en in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma, voor jongeren voordrachten geeft vanuit zijn of haar deskundigheid en ervaring in de arbeidsmarkt en de bedrijfswereld.

Op voordrachtgevers is, voor alle duidelijkheid, de rechtspositieregeling in onderwijs niet van toepassing. Het centrum bepaalt anderzijds zelf de wijze waarop hij een voordrachtgever in dienst neemt : ofwel sluit het CDO een arbeidsovereenkomst met de voordrachtgever zelf, ofwel sluit het CDO een contract van huur van diensten.

In het geval van een arbeidsovereenkomst wordt het centrum werkgever van de voordrachtgever, waarbij deze laatste onder leiding, toezicht en gezag komt van het centrum. De arbeidsreglementering heeft dan volle uitwerking en het centrum moet alle verplichtingen als werkgever nakomen. Naast de betaling van het overeengekomen loon zijn o.a. de RSZ-bijdragen eveneens ten laste van het centrum.

In het geval van huur van diensten kan een contract, bv. tegen een vaste prijs per uur, afgesloten worden zowel met natuurlijke als met rechtspersonen. Het centrum betaalt, op basis van de voorgelegde gefactureerde prestaties, het contractueel vastgelegde huurgeld. In dit geval is er geen band van leiding, toezicht en gezag en is er voor het centrum geen sprake van tewerkstelling en RSZ-verplichting. De betaling van RSZ is hier enkel afhankelijk van de persoonlijke toestand van de partij, hetzij fysieke hetzij rechtspersoon, die met het centrum een contract van huur van diensten afsluit en zich verbindt tot het leveren van diensten. Zo de persoonlijke toestand van de voordrachtgever RSZ-bijdragen vereist, dan dient hijzelf of de rechtspersoon waar hij tewerkgesteld is, in te staan voor de betaling ervan. Deze betaling valt geenszins ten laste van het centrum, maar zal uiteraard wel een rol spelen bij het onder contract leggen van de voordrachtgever.

Een CDO kan uren-leraar voorbehouden voor voordrachtgevers. Na mededeling aan AgODi via de elektronische zending "aanwending middelen", kan het aantal voorbehouden uren-leraar niet meer wijzigen behoudens vermindering omwille van overmacht. Hiertoe wordt van het wekelijks pakket uren-leraar waarover een CDO beschikt, het aantal uren voorbehouden voor voordrachtgevers vermenigvuldigd met 40 (= theoretisch aantal weken openstelling per jaar), zodat een aantal jaaruren wordt verkregen.

Het krediet voor voordrachtgevers wordt vastgesteld op 29,63 euro per omgezet uur-leraar. Dat krediet wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat krediet wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar worden doorgevoerd, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar. Voor het schooljaar 2016-2017 bedraagt het aldus geïndexeerd bedrag 48,61 euro per omgezet uur-leraar.

Het product van het aantal jaaruren met het geïndexeerde krediet vormt het totale krediet dat voorbehouden is voor de aanwerving van voordrachtgevers. Het krediet staat los van de financiële afspraken die het centrum maakt met of met betrekking tot de voordrachtgever(s) (zie hoger). Het wordt toegekend aan het centrum door middel van een voorschot van 25% van het krediet in de loop van de maand november van het schooljaar in kwestie en het resterende saldo van 75% in de loop van de maand juni die daarop volgt.

16.2. Deeltijdse vorming.

Het personeel van de CDV is contractueel aangesteld en ressorteert onder paritair comité nr. 329. De rechtspositieregeling in onderwijs is niet van toepassing. Dit is dan ook de reden waarom de verloning van het personeel wordt betoelaagd binnen een globale enveloppe die tevens de werkingskosten dekt.

17. Werkplekleren : voortrajecten, brugprojecten en arbeidsdeelname.

17.1. Duurtijd.

Een voortraject of een brugproject zijn stappen op weg naar arbeidsdeelname, ze behoren dan ook tijdelijk te zijn. Derhalve kan een jongere een voortraject maximaal 312 uren al dan niet onderbroken en al dan niet schooljaaroverschrijdend, respectievelijk een brugproject maximaal 800 uren al dan niet onderbroken en al dan niet schooljaaroverschrijdend, volgen. Arbeidsdeelname, dat het ultieme doel is qua invulling van de component werkplekleren, is uiteraard aan geen maximum gekoppeld.

17.2. Attestering.

Door de verantwoordelijke organisator van een voortraject respectievelijk brugproject, wordt aan een jongere die een voortraject of brugproject heeft gevolgd een attest van verworven competenties(model naar keuze) uitgereikt. In combinatie met de studiebekrachtiging DO is dit een vorm van portfolio voor de jongere.

Aandacht : om afdoende organisatorisch onderscheid te garanderen, is er onverenigbaarheid tussen promotor van een voortraject en inrichter van DO. Een centrumbestuur van een CDO kan m.a.w. niet zelf promotor zijn van een voortraject (uitzondering : voor het Gemeenschapsonderwijs kan het centrale bestuursniveau wél optreden als promotor).

17.3. Subsidiëring.

Het creëren van voldoende werkervaringsplaatsen voor jongeren is een belangrijke voorwaarde voor het welslagen van het concept leren en werken. Dit is een gedeelde verantwoordelijkheid van overheid en sociale partners. Op het vlak van leren en werken zijn al eerder afspraken gemaakt en initiatieven genomen (competentieagenda, sectorconvenants ...). Tegen deze achtergrond moet de overheidssubsidiëring worden geplaatst van voortrajecten en brugprojecten. De Vlaamse Regering lanceert dan ook periodiek een oproep naar organisatoren (= promotoren) om voorstellen in te dienen. De Vlaamse Regering beslist over die voorstellen na advies van een gemengde commissie.

De berekening van de subsidiëring gebeurt op basis van het aantal gepresteerde deelnemersuren; onder deelnemersuur wordt een uur verstaan dat de deelnemer effectief presteert. Alleen voor de voortrajecten wordt specifiek in een minimum subsidiëring (= gewaarborgd forfait) voorzien, aangezien jongeren er relatief vaker afwezig zullen blijven dan bij brugprojecten en de organisatoren, die naar jongeren heel wat inspanningen leveren, hiervan niet de dupe mogen worden.

De uitbetaling gebeurt door middel van een voorschot in de loop van de maand februari van het betrokken schooljaar en een saldo in de loop van de maand oktober daaropvolgend.

Met het oog op onderhavige subsidiëring worden alle modaliteiten en voorwaarden bij apart rondschrijven te gepasten tijde bekend gemaakt.

18. Regionale overlegplatformen.

18.1. Oprichting.

Binnen het werkingsgebied van elk regionaal sociaal-economisch overlegcomité (RESOC) in het Vlaamse Gewest wordt één regionaal overlegplatform opgericht; ook binnen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt één regionaal overlegplatform opgericht. De RESOC-werkingsgebieden zijn : Antwerpen, Mechelen, Turnhout, Dender-Waas, Gent en rand, Meetjesland-Leiestreek, Zuid-Oost-Vlaanderen, Brugge, Oostende, Midden-West-Vlaanderen, Westhoek, Zuid-West-Vlaanderen, Limburg, Leuven, Halle-Vilvoorde.

In afwijking hierop kan de Vlaamse Regering, op voorstel van de geledingen die in een regionaal overlegplatform zetelen (cf. punt 18.2.), de oprichting van meerdere regionale overlegplatformen binnen het werkingsgebied van een RESOC toestaan. Deze afwijking impliceert een opsplitsing van desbetreffend werkingsgebied over meerdere platformen ten einde de praktische uitoefening van de bevoegdheden (cf. punt 18.3.) niet in het gedrang te brengen.

Het concreet in het veld oprichten van platformen wordt niet gedirigeerd door de overheid doch wordt aan het regionale initiatief overgelaten. Allicht zullen het de centrumbesturen of hun representatieve instanties zijn die ter zake het voortouw nemen. In dat verband dient overigens opgemerkt dat men niet van een nul-situatie vertrekt, aangezien er tussen de onderwijs- en de socio-economische wereld reeds langer netwerkvorming en samenwerking is tot stand gekomen. Vanaf 1 januari 2009 moeten deze banden evenwel worden geïnstitutionaliseerd binnen officiële regionale overlegplatformen.

Een regionaal overlegplatform komt tot stand bij schriftelijke overeenkomst tussen de betrokken partijen. De schriftelijke overeenkomst moet in elk geval op 1 januari 2009 in werking treden en bepaalt de duur ervan.

Bij consensus stelt een regionaal overlegplatform een huishoudelijk reglement op dat de interne werking regelt. Indien geen consensus wordt bereikt, neemt de Vlaamse Regering maatregelen die de interne werking van het regionaal overlegplatform verzekeren.

18.2. Samenstelling.

Een regionaal overlegplatform is ten minste samengesteld uit de hiernavolgende geledingen. Minimaal betekent dat desgewenst en teneinde dit orgaan meer slagkracht te geven, andere partners (bv. justitie, welzijn ...) kunnen toetreden.

1° Eén afgevaardigde van elk CDO, waarvan een of meer vestigingsplaatsen binnen het werkingsgebied van het regionaal overlegplatform zijn gelegen.

2° Eén afgevaardigde van elk CDV, waarvan een of meer vestigingsplaatsen binnen het werkingsgebied van het regionaal overlegplatform zijn gelegen.

3° Eén afgevaardigde van elk centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, waarvan een of meer vestigingsplaatsen binnen het werkingsgebied van het regionaal overlegplatform zijn gelegen.

4° Eén trajectbegeleider Syntra Vlaanderen.

5° Eén VDAB-account Leren en Werken van elk lokaal klantencentrum van de VDAB binnen het werkingsgebied van het regionaal overlegplatform.

6° Eén waarnemer namens het Departement Onderwijs en Vorming.

7° Eén waarnemer namens het Departement Werk en Sociale Economie.

8° Eén afgevaardigde van respectievelijk de officiële CLB en de vrije CLB, waarvan het werkingsgebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met het werkingsgebied van het regionaal overlegplatform in kwestie.

9° Eén afgevaardigde van het regionaal sociaal-economisch overlegcomité in kwestie.

Het opnemen van overheids"waarnemers" strekt ertoe aan de werking van de platformen een zekere gelijkgerichtheid te geven, zonder te raken aan de doelstelling dat de platformen zelf een eigen dynamiek moeten ontwikkelen en zo een belangrijk hulpinstrument worden zowel voor centrale beleidsmakers als voor het regionale opleidings- en vormingsgebeuren en de daaraan gerelateerde sociaal-economische streekontwikkeling.

Bij consensus dan wel meerderheid van stemmen wijst een regionaal overlegplatform een voorzitter aan.

18.3. Bevoegdheden.

Een regionaal overlegplatform oefent ten minste de hiernavolgende bevoegdheden uit. Minimaal betekent dat desgewenst en teneinde dit orgaan meer slagkracht te geven, andere bevoegdheden kunnen worden ingebracht. Terloops : regionale overlegplatformen onttrekken geen bevoegdheden aan andere bestaande organen zoals scholengemeenschappen of centrumraden, doch vervullen veeleer een additionele rol.

1° Bespreken van het regionale opleidings- en vormingsaanbod.

2° Deskundigheid en knowhow benutten en uitwisselen vanuit de diverse maatschappelijke domeinen die zich via de samenstelling van het platform aandienen.

3° Bespreken van de toeleiding, oriëntering en doorverwijzing van jongeren naar en binnen het stelsel van leren en werken. Voor de uitoefening van die bevoegdheid zal het regionaal overlegplatform regelmatig overleggen met de scholengemeenschappen secundair onderwijs die binnen zijn werkingsgebied fungeren; elke scholengemeenschap secundair onderwijs heeft ter zake een overlegplicht.

4° Initiatieven nemen, inzonderheid bij de sociaal-economische actoren en de sociale partners, die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de realisatie van het principe van het voltijds engagement van elke jongere die opteert voor het stelsel van leren en werken.

5° Kwalitatief en kwantitatief afstemmen van vraag en aanbod inzake voortrajecten, brugprojecten en arbeidsdeelname tussen de CDO, de CDV, de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen en de organisatoren van voortrajecten, brugprojecten en arbeidsdeelname. Voor wat het luik arbeidsdeelname betreft, moet de uitoefening van deze bevoegdheid van het regionaal overlegplatform als een tweedelijnfunctie worden beschouwd.

6° Bespreken van algemene maatregelen om problematische afwezigheden te bestrijden, zowel binnen de component leren als binnen de component werkplekleren.

Een regionaal overlegplatform maakt schooljaarlijks een voortgangsrapport op, bestemd voor de Vlaamse Regering, dat ten minste het profiel van de jongeren, een overzicht van het voltijds engagement, de studiebekrachtiging en de arbeidsmarktsituatie van de jongeren die uitgestroomd zijn, bevat. Het voortgangsrapport over het voorbije schooljaar wordt uiterlijk 1 november (een eerste maal : 1 november 2009) aan de Dienst Beroepsopleiding gestuurd.

Een regionaal overlegplatform wordt opgevolgd door het Departement Onderwijs en Vorming en door het Departement Werk en Sociale Economie en verleent daartoe alle medewerking.

18.4. Melding.

Vóór 1 januari 2009 wordt aan de Dienst Beroepsopleiding volgende informatie bezorgd :

1° een afschrift van de overeenkomst houdende oprichting van het regionaal overlegplatform;

2° een overzicht van de diverse centra die in het platform zijn vertegenwoordigd;

3° het contactadres + contactpersoon van het platform.

Elke wijziging nadien wordt eveneens meegedeeld. Het platform wordt op zijn beurt in kennis gesteld van de waarnemers die de overheid heeft aangeduid. De verdere contacten met de overheid verlopen via die waarnemers.

Ook een eventuele aanvraag tot afwijking op het RESOC-werkingsgebied voor oprichting van meerdere platformen dient, per gewoon schrijven, aan de Dienst Beroepsopleiding gericht.

19. Bijlagen.

Bijlage 1 - Centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (CDO)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3721 (doc. nr. 3721)

Bijlage 2 - Centrumbesturen deeltijdse vorming

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3722 (doc. nr. 3722)

Bijlage 3 - Opleidingen deeltijds beroepssecundair onderwijs (DO)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3723 (doc. nr. 3723)

Bijlage 4 - Format voor schriftelijke aanvraag van een nieuwe opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs (DO)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3724 (doc. nr. 3724)

Bijlage 5 - Centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (CDO) die, in een overgangsperiode, bepaalde rubrieken modulair organiseren in het verlengde van het experiment modularisering + administratieve groepsnummers

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3725 (doc. nr. 3725)

Bijlage 6 - Attest van vrijstelling (DO)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3726 (doc. nr. 3726)

Bijlage 7 - Opleidingen waar voor toelating een medisch attest is vereist in het kader van de federale regelgeving op de voedselveiligheid (FAVV)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3957 (doc. nr. 3957)

Bijlage 8 - Proces-verbaal met betrekking tot de leerlingenevaluatie (DO/DV)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3727 (doc. nr. 3727)

Bijlage 9 - Proces-verbaal met betrekking tot de leerlingenevaluatie (DO) na beroep

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=5792 (doc. nr. 5792)

Bijlage 10 - Attest van verworven competenties (DO)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3728 (doc. nr. 3728)

Bijlage 11 - Deelcertificaat (DO)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3729 (doc. nr. 3729)

Bijlage 12 - Certificaat (DO)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3730 (doc. nr. 3730)

Bijlage 13 - Getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs (DO)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3731 (doc. nr. 3731)

Bijlage 14 - Studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (DO)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3732 (doc. nr. 3732)

Bijlage 15 - Diploma van secundair onderwijs (DO)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3733 (doc. nr. 3733)

Bijlage 16 - Getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer (DO)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3734 (doc. nr. 3734)

Bijlage 17 - Attest van verworven competenties binnen een persoonlijk ontwikkelingstraject (DV)

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3735 (doc. nr. 3735)

Bijlage 18 - Opgave van deelnemersuren aan persoonlijke ontwikkelingstrajecten

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=5585 (doc. nr. 5585)

Bijlage 19 - Melding van de ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats in het secundair onderwijs - schooljaar 2015-2016

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=5980 (doc. nr. 5980)