De erkenning en financiering of subsidiëring van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie

  • Deze omzendbrief bevat alle richtlijnen inzake de erkenning en de financiering of subsidiëring van het volwassenenonderwijs ingericht door de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie.
  • De overheid wenst zo de centra op een transparante en eenduidige wijze te informeren. Deze omzendbrief zal op regelmatige tijdstippen geactualiseerd worden.
  • Onder voorbehoud van goedkeuring van onderwijsdecreet XXVII door het Vlaams Parlement worden de bepalingen m.b.t. overhevelingen in deze omzendbrief aangepast. Voortaan zijn ook overhevelingen van punten naar een ander cvo mogelijk. Voor overhevelingen binnen dezelfde vestigingsplaats kan een centrum de overheveling van punten al in de verklaring met h et oog op overheveling vanaf 1 s eptember 2017 opnemen. De aanpassing van de omzendbrief aan de overige bepalingen van onderwijsdecreet XXVII zal pas na de goedkeuring van dit decreet door het Vlaams Parlement gebeuren.

1. De oprichting en erkenning van de centra

1.1. De algemene erkenningsvoorwaarden voor de centra

De instelling die erkend wil blijven als Centrum voor Basiseducatie of als Centrum voor Volwassenenonderwijs, dient aan een aantal voorwaarden te voldoen:

- het centrum moet de internationaalrechtelijke. en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens eerbiedigen en in het geheel van de werking toepassen;

- het centrum moet georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een centrumbestuur;

- het centrum moet gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden inzake hygiëne en bewoonbaarheid voldoen;

- het centrum moet de controle van de onderwijsinspectie of, indien het gaat om opleidingen van het hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding, een ander daarvoor door de Vlaamse Regering aangewezen orgaan mogelijk maken;

- het centrum moet beschikken over didactisch materiaal en een centrumuitrusting die beantwoorden aan de agogische vereisten;

- het centrum dient de bepalingen na te leven over de taalregeling en de taalkennis van het personeel (zie omzendbrief PERS/2010/01);

- het centrum dient een structuur aan te nemen zoals bepaald in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

- het centrum moet beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen over eindtermen, specifieke eindtermen, basiscompetenties, erkende beroepskwalificaties, opleidingsprofielen en leerplannen;

- het centrum moet zonder onderscheid elke cursist inschrijven voor de opleiding die deze wil volgen.

Een instelling die niet langer voldoet aan een of meer van deze voorwaarden, kan de erkenning verliezen voor het geheel van het centrum of voor één of meerdere structuuronderdelen.

1.2. De specifieke erkenningsvoorwaarden voor de centra

De instellingen die erkend zijn als Centrum voor Basiseducatie kunnen uitsluitend opleidingen inrichten op niveau van de basiseducatie. De betrokken instellingen zijn gehouden de term 'Centrum voor Basiseducatie' (afgekort CBE) duidelijk zichtbaar in hun benaming te voeren.

De instelling die erkend zijn als Centrum voor Volwassenenonderwijs kunnen uitsluitend opleidingen inrichten op niveau van het secundair volwassenenonderwijs en het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding. De betrokken instellingen zijn gehouden de term 'Centrum voor Volwassenenonderwijs’ (afgekort CVO) duidelijk zichtbaar in hun benaming te voeren.

Conform artikel 6 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, mag een centrum in haar benaming de term 'hogeschool' niet gebruiken.

De centra delen elke wijziging van hun officiële benaming onmiddellijk mee aan de afdeling Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be.

1.3. De oprichting en erkenning van een nieuw centrum

Een instelling die erkend wil worden als Centrum voor Basiseducatie of als Centrum voor Volwassenenonderwijs dient hiertoe een dossier in bij de afdeling Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be. Uit het dossier moet blijken dat de instelling voldoet aan de erkenningsvoorwaarden zoals beschreven in punten 1.1 en 1.2.

De inspectie voert na de indiening van de aanvraag ter plaatse een onderzoek uit. Na het onderzoek bezorgt de onderwijsinspectie een rapport aan de Vlaamse Regering met een advies over de erkenning. Het rapport moet uiterlijk zes maanden na de aanvraag tot erkenning bekend gemaakt worden, zo niet wordt het advies geacht gunstig te zijn.

Erkenning betekent dat het centrumbestuur de bevoegdheid verwerft om aan cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen voor de erkende structuuronderdelentoe te kennen.

Een centrum dat erkend wordt, komt niet automatisch in aanmerking voor financiering of subsidiëring. Hiertoe moet het centrum voldoen aan de financiering- of subsidiëringvoorwaarden (zie punt 2) en aan de voorwaarden tot het verwerven van onderwijsbevoegdheid. Opleidingen van erkende Centra voor Volwassenenonderwijs komen enkel in aanmerking voor subsidiëring of financiering indien de onderwijsbevoegdheid is toegekend via geldende procedures (zie omzendbriefVWO/2011/03)of via overheveling (zie 3.4).

2. De financierings- of subsidiëringsvoorwaarden van de centra

2.1. De rationalisatienorm van erkende en gefinancierde of gesubsidieerde centra

Een erkend Centrum voor Basiseducatie of Centrum voor Volwassenenonderwijs dat in aanmerking wil blijven komen voor financiering of subsidiëring moet voldoen aan een rationalisatienorm. Deze rationalisatienorm bedraagt:

- 60.000 lesurencursist voor een Centrum voor Basiseducatie of voor een Centrum voor Volwassenenonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats is gelegen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad of een rand- en taalgrensgemeente.

- 120.000 lesurencursist voor een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat:

- opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs organiseert;

- opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs in combinatie met opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en/of de specifieke lerarenopleiding organiseert (zie ook onder punt 2.2.);

- enkel opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en/of de specifieke lerarenopleiding organiseert.

Een centrum dat tijdens een bepaalde referteperiode de rationalisatienorm niet haalt, moet hetzij afbouwen (zie 3.1), hetzij fusioneren met een ander centrum (zie 3.2).

Een centrum dat de rationalisatienorm niet haalt, kan een afwijking op de rationalisatienorm bij de Vlaamse Regering aanvragen. De Vlaamse Regering kan dan een afwijking toestaan voor een bepaalde duur. Een centrum dat in aanmerking wil komen voor een afwijking van de rationalisatienorm, dient hiervoor uiterlijk 15 april van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag in bij de afdeling Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be.

De afdeling Volwassenenonderwijs legt de aanvraag uiterlijk vijftien dagen na de ontvangst ervan ter advies voor aan de Vlaamse Onderwijsraad.

De Vlaamse Onderwijsraad formuleert een advies binnen de termijn, vermeld in artikel 75, §1, van het decreet van 2 april 2004 betreffende de participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Dit betekent dertig dagen na de datum van de ontvangst van de adviesaanvraag.

2.2. Bijkomende rationalisatienorm voor opleidingen hoger beroepsonderwijs

Voor Centra voor Volwassenonderwijs met opleidingen van het hoger beroepsonderwijs geldt een bijkomende norm. Zij moeten voldoen aan de rationalisatienorm op centrumniveau. Maar zij moeten vanaf 1 september 2014 ook verplicht toetreden tot een samenwerkingsverband met een hogeschool en op het moment van die toetreding ten minste 60.000 LUC genereren binnen opleidingen van het hoger beroepsonderwijs. Deze bijkomende norm moet behaald worden tijdens de referteperiode voorafgaand aan de toetreding tot het samenwerkingsverband.

Een centrum dat secundair volwassenenonderwijs en hoger beroepsonderwijs aanbiedt, moet voldoen aan de centrumnorm van 120.000 LUC en daarbovenop minstens 60.000 LUC hoger beroepsonderwijs gegenereerd hebben op het moment van toetreding tot een samenwerkingsverband.

Een centrum dat enkel hoger beroepsonderwijs aanbiedt, moet voldoen aan de rationalisatienorm van 120.000 LUC waardoor het automatisch ook voldoet aan de bijkomende norm van 60.000 LUC voor de toetreding tot een samenwerkingsverband HBO5.

Centra die niet voldoen aan de bijkomende norm kunnen een afwijking vragen bij de Vlaamse Regering. Er zijn twee voorwaarden voor het toestaan van de afwijking:

  • het centrum, of de samenstellende centra, moet de norm van 60.000 lesurencursist HBO5 wel behaald hebben in de referteperiodes 2011-2012 en/of 2012-2013;
  • het centrum moet willen toetreden tot een samenwerkingsverband waarvan nog geen ander Centrum voor Volwassenenonderwijs lid is. In het geval er wel een centrum lid is, moet er eerst een overheveling of fusie plaatsvinden.

Het centrumbestuur stuurt daarvoor uiterlijk op 15 april van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan de afdeling Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be.

Indien op het moment van de toetreding tot een samenwerkingsverband een Centrum voor Volwassenenonderwijs niet langer voldoet aan de bijkomende rationalisatienorm voor opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, moet het centrum deze opleidingen hetzij afbouwen (zie 3.1.), hetzij overhevelen naar een centrum (zie 3.4.), hetzij fusioneren met een ander centrum (zie 3.2.).

2.3. De aanvullende subsidiëringsvoorwaarden voor de Centra voor Basiseducatie

Een Centrum voor Basiseducatie dat in aanmerking wil komen voor subsidiëring moet naast het behalen van de rationalisatienorm voldoen aan volgende voorwaarden:

- het Centrum voor Basiseducatie moet haar onderwijsactiviteiten (zowel werving als inrichting) spreiden over de totaliteit van haar werkingsgebied, rekening houdend met de demografische kenmerken;

- het Centrum voor Basiseducatie moet opgericht zijn als een pluralistisch centrum. Dit betekent dat de Centra voor Basiseducatie hun werking en hun agogisch project niet kunnen baseren op politieke, religieuze, ideologische of levensbeschouwelijke opvattingen;

- een Centrum voor Basiseducatie moet opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk;

- de algemene vergadering van het Centrum voor Basiseducatie dient voor ten minste een vierde te bestaan uit vertegenwoordigers van lokale besturen (= gemeenten, provincies, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, OCMW's of districten). Het Centrum voor Basiseducatie Brussel dient als vervanging van deze vertegenwoordigers van lokale besturen ten minste één vertegenwoordiger van de Vlaamse Gemeenschapscommissie in haar algemene vergadering op te nemen.

De Vlaamse Regering subsidieert slechts één Centrum voor Basiseducatie per werkingsgebied.

Indien er in een bepaald werkingsgebied geen Centrum voor Basiseducatie gesubsidieerd wordt, en meerdere centra dienen een aanvraag tot subsidiëring in, dan kent de Vlaamse Regering de subsidiëring toe aan het Centrum voor Basiseducatie dat het grootste volume aan lesurencursist genereerde in de referteperiode voorafgaand aan de aanvraag.

2.4. De financierings- of subsidiëringsvoorwaarden voor een nieuw erkend Centrum voor Volwassenenonderwijs

Een nieuw Centrum voor Volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs dat een erkenning heeft verkregen, komt pas in aanmerking voor financiering of subsidiëring wanneer het in een bepaalde referteperiode 360.000 lesurencursist gegenereerd heeft.

Een nieuw Centrum voor Volwassenenonderwijs dat nog niet in aanmerking komt voor financiering of subsidiëring, kan geen leraarsuren of punten ontvangen van een ander Centrum voor Volwassenenonderwijs via overdracht (zie 7).

3. Afbouw, fusie, splitsing en overheveling

3.1. Afbouw

Een centrum dat niet langer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden of aan de financiering- of subsidiëringvoorwaarden dient afgebouwd te worden. Afbouw gebeurt door de geleidelijke sluiting van alle structuuronderdelen.

De afbouw gaat in vanaf het schooljaar dat volgt op de referteperiode waarin het centrum de erkenning verloren heeft of waarin het niet langer voldoet aan de financiering- of subsidiëringvoorwaarden.

De cursisten die ingeschreven zijn in het betreffende centrum op het ogenblik dat beslist wordt tot afbouw, moeten de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek kunnen beëindigen. Met een normaal tijdsbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een eenheid, module of leerjaar.

In het lineaire stelsel gebeurt de afbouw leerjaar per leerjaar, te beginnen met het laagste. Het allerlaagste leerjaar mag niet meer ingericht worden.

De afbouw moet gerealiseerd worden binnen een periode:

- van drie opeenvolgende schooljaren voor een modulaire opleiding;

- van één schooljaar voor een tweejarige lineaire opleiding;

- van twee opeenvolgende schooljaren voor een driejarige lineaire opleiding.

Een verklaring van afbouw wordt opgesteld in overeenstemming met het modelformulier dat als bijlage 1 aan deze omzendbrief is toegevoegd. De verklaring wordt voor 31 mei voorafgaand aan het schooljaar waarin de afbouw start aan de afdeling Volwassenenonderwijs toegezonden, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be.

3.2. Fusie

Elke fusie vindt in één keer plaats (en dus niet progressief) en op 1 september. Vanaf de fusie bestaat er nog slechts één centrumbestuur en één directeur.

De afdeling Volwassenenonderwijs voegt ambtshalve het pakket lesuurcursist van de fuserende centra samen. Het fuserende Centrum voor Volwassenenonderwijs kan de vestigingsplaatsen van de samenstellende centra behouden.

Er is geen fusie mogelijk tussen een Centrum voor Basiseducatie en een Centrum voor Volwassenenonderwijs. Er is wel een fusie mogelijk tussen Centra voor Volwassenenonderwijs die secundair volwassenenonderwijs, hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding aanbieden. Bij fusie tussen Centra voor Volwassenenonderwijs die tot een verschillend onderwijsnet behoren, dient voorafgaandelijk een overdracht naar een ander centrumbestuur te gebeuren, zodat alle instellingen tot één en hetzelfde net behoren.

Een fusieverklaring wordt opgesteld in overeenstemming met het modelformulier, dat als bijlage 2 bij deze omzendbrief is opgenomen. De centra die willen fusioneren, zenden aan de afdeling Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be, hun fusieverklaring voor 31 mei voorafgaand aan het schooljaar waarin de fusie start. In uitzonderlijke omstandigheden, kan van deze datum worden afgeweken.

3.3. Splitsing

Wanneer een centrumbestuur de werking van een bepaald centrum wenst te ontdubbelen in twee verschillende centra, dan wordt dit beschouwd als de oprichting van een nieuw centrum en dient de procedure gevolgd te worden die beschreven staat in punt 1.3.

Indien er als gevolg van een splitsing twee Centra voor Basiseducatie zouden ontstaan binnen eenzelfde werkingsgebied, dan wordt alleen het Centrum voor Basiseducatie dat het grootste volume aan lesurencursist genereert, gesubsidieerd.

3.4. Overheveling van structuuronderdelen

De overheveling van structuuronderdelen is de overbrenging van een deel van het onderwijsaanbod van het ene centrum naar het andere centrum, al dan niet op grond van onderlinge uitwisseling en dit met de bedoeling deze structuuronderdelen onverminderd voor financiering of subsidiëring in aanmerking te laten komen. Het globale aanbod binnen een bepaalde geografische omschrijving wordt door het mechanisme van overheveling enkel herschikt en niet verruimd.

Met structuuronderdeel wordt bedoeld: een studiegebied van het secundair volwassenenonderwijs, een opleiding van hoger beroepsonderwijs, een specifieke lerarenopleiding of het geheel van het onderwijsaanbod, georganiseerd in een vestigingsplaats van een centrum.

Een overheveling van structuuronderdelen is alleen mogelijk tussen Centra voor Volwassenenonderwijs. Aangezien de Centra voor Basiseducatie een regionale werking kennen en over alle onderwijsbevoegdheid binnen het niveau basiseducatie beschikken, zijn de bepalingen m.b.t. overheveling voor hen zonder voorwerp.

Voor overhevelingen met ingang vanaf 1 september 2017 is in sommige gevallen de goedkeuring van de Vlaamse Regering vereist vooraleer een structuuronderdeel van het ene naar het andere centrum kan overgeheveld worden. Dit geldt altijd voor de overheveling van een hbo5-opleiding of de specifieke lerarenopleiding. Voor overhevelingen van studiegebieden van het secundair volwassenenonderwijs is de goedkeuring van de Vlaamse Regering enkel vereist indien de overheveling naar een andere vestigingsplaats geschiedt. Voor de aanvraag tot overheveling geldt steeds 15 februari van het voorafgaande schooljaar als uiterste indieningsdatum. Voor deze overhevelingen dienen de richtlijnen te worden gevolgd die opgenomen zijn in punt 8.2. van de omzendbrief m.b.t. de ontwikkeling van de opleidingsprofielen en de onderwijsbevoegdheid van de CBE en CVO).

Voor de overheveling van een studiegebied van het secundair volwassenenonderwijs naar een ander Centrum voor Volwassenenonderwijs dat onderwijsbevoegdheid heeft voor het secundair volwassenenonderwijs is geen goedkeuring van de Vlaamse Regering vereist, op voorwaarde dat de overheveling binnen dezelfde vestigingsplaats geschiedt. In dit geval volstaat een verklaring van de overheveling binnen dezelfde vestigingsplaats van één of meer SVWO-studiegebieden tussen twee centra voor volwassenenonderwijs, dat als bijlage 3 bij deze omzendbrief is opgenomen, en ondertekend door de centrumbesturen van het overhevelende en ontvangende Centrum voor Volwassenenonderwijs. De Centra voor Volwassenenonderwijs die een structuuronderdeel willen overhevelen, mailen aan de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be, hun verklaring van overheveling voor 31 mei voorafgaand aan het schooljaar waarin de overheveling start. In uitzonderlijke omstandigheden kan van deze datum worden afgeweken.

Overgehevelde structuuronderdelen kunnen enkel verder gefinancierd of gesubsidieerd worden als aan de volgende voorwaarden gelijktijdig voldaan is:

  • Elke overheveling gebeurt in één keer (en dus niet progressief) en op 1 september.
  • Het structuuronderdeel wordt gerangschikt als ofwel
    • Een Secundair volwassenenonderwijs
    • Hoger beroepsonderwijs
    • Specifieke lerarenopleiding

Het overhevelende Centrum voor Volwassenenonderwijs verliest de bevoegdheid om het structuuronderdeel in de vestigingsplaats waaruit het is overgeheveld, te blijven aanbieden.

Het ontvangende Centrum voor Volwassenenonderwijs verkrijgt door de overheveling het recht dit structuuronderdeel te organiseren in de vestigingsplaats waarnaar het is overgeheveld.

Elke overheveling moet het voorwerp uitmaken van onderhandeling in het lokaal comité van zowel het overhevelende als het ontvangende Centrum voor Volwassenenonderwijs.

In de verklaring van de overheveling, die ondertekend wordt door beide centrumbesturen, wordt bepaald of de overdracht van een structuuronderdeel al dan niet gepaard gaat met een overdracht van leraarsuren en/of punten. Het overhevelende centrum vermeldt op bovenvermeld formulier hoeveel leraarsuren en/of punten definitief worden overgedragen.

De overdracht van leraarsuren en/of punten wordt geacht reeds tijdens de voorgaande referteperiode te hebben plaatsgevonden.

Als een Centrum voor Volwassenenonderwijs succesvol de accreditatie als bacheloropleiding verkrijgt voor een opleiding van het hoger beroepsonderwijs en die overdraagt naar een hogeschool, dan worden de lesurencursist gegenereerd door die opleiding tijdens de laatste afgesloten referteperiode, nog vijf jaar na de overdracht meegeteld voor het bepalen van de aantallen lesuurcursist.

3.5. Rechten en plichten van personeelsleden bij afbouw, splitsing, fusie of overheveling

Deze materie wordt in een afzonderlijke omzendbrief toegelicht (PER/2009/03).

Elke beslissing tot afbouw, fusie, splitsing of overheveling moet in elk geval onderhandeld worden in het lokale comité van alle betrokken centra.

3.6. Wijziging van centrumbestuur

Indien het centrumbestuur van een centrum wijzigt dan is het centrum verplicht dit onmiddellijk te melden aan de administratie op het volgende e-mailadres: gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be .

4. Financiering of subsidiëring van de centra

4.1. De financierbaarheid of subsidieerbaarheid van de centra

4.1.1. De financierbare of subsidieerbare cursist

4.1.1.1. In het contactonderwijs

Een cursist is financierbaar of subsidieerbaar indien hij aan volgende voorwaarden voldoet:

1° de cursist is ingeschreven voor één derde van het minimale aantal lestijden van de module of desgevallend voor het hoger beroepsonderwijs de eenheid of het opleidingsonderdeel voorbij is. Het gaat hierbij om het aantal lestijden dat volgens het goedgekeurde opleidingsprofiel moet worden georganiseerd. De inschrijvingsvoorwaarden voor een cursist worden toegelicht in de omzendbrief VWO/2011/02.

2° de cursist heeft regelmatig aan het geheel van de vorming geparticipeerd vanaf het moment van inschrijving tot het moment dat één derde van het minimum aantal lestijden van de module of desgevallend voor het hoger beroepsonderwijs de eenheid of het opleidingsonderdeel voorbij is. Dit wordt verder geëxpliciteerd in 4.1.2.

4.1.1.2. In het gecombineerd onderwijs

Een cursist is financierbaar of subsidieerbaar indien hij aan volgende voorwaarden voldoet:

1° de cursist is ingeschreven voor één derde van het minimale aantal lestijden van de module of desgevallend voor het hoger beroepsonderwijs de eenheid of het opleidingsonderdeel voorbij is. Het gaat hierbij om het aantal lestijden dat volgens het goedgekeurde opleidingsprofiel moet worden georganiseerd. De inschrijvingsvoorwaarden voor een cursist worden toegelicht in de omzendbrief VWO/2011/02.

2° de cursist participeert aantoonbaar aan de opleiding. Dit punt wordt geconcretiseerd in het afsprakenkader verificatie: http://onderwijs.vlaanderen.be/volwassenenonderwijs/directies/verificatie.htm

4.1.1.3. In de opleidingen Nederlands tweede taal

Een cursist voor een opleiding Nederlands tweede taal dient om financierbaar of subsidieerbaar te zijn, naast de bepalingen in punten 4.1.1.1 en 4.1.1.2 te voldoen aan de bepalingen van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de Huizen van het Nederlands en aan het Vlaamsafsprakenkader Nederlands tweede taal van 15 mei 2009.

De cursist voor een opleiding Nederlands tweede taal die bij inschrijving niet beschikt over een studiebewijs van een opleiding Nederlands tweede taal, is enkel financierbaar of subsidieerbaar indien het centrum de afspraken gemaakt binnen deAgentschappenIntegratie en Inburgeringof het Huis van het Nederlands Brussel over intake, testing en doorverwijzing naleeft. Deze lokaal gemaakte afspraken kunnen niet ingaan tegen het Vlaams afsprakenkader Nederlands tweede taal.

In het centrum is steeds een geactualiseerde versie van de gemaakte afspraken binnen de Agentschappen Integratie en Inburgeringof het Huis van het Nederlands Brussel aanwezig. Op basis van het cursistendossier (zie omzendbrief VWO/2011/02)controleert de verificatie de naleving van deze afspraken.

4.1.2. Controle op de financierbaarheid of subsidieerbaarheid

De aanwezigheid van een cursist in de lessen of de participatie van de cursist aan de opleiding, is van belang voor de financiering of subsidiëring van de centra, voor het onderwijs zelf en voor een aantal andere aangelegenheden (bv. betaald educatief verlof). Daarom is het zorgvuldig bijhouden en uitwisselen van de participaties noodzakelijk. Een cursist die langdurig of veelvuldig afwezig is, dient op de voorwaarde van zijn aanwezigheid gewezen te worden.

De verificatie controleert of de cursisten voldoen aan de voorwaarden voor financierbaarheid of subsidieerbaarheid en is gemachtigd desgevallend ambtshalve cursisten te schrappen die niet voldoen aan deze voorwaarden. Tegen de beslissing van de verificateur is beroep mogelijk bij het afdelingshoofd van de afdeling Volwassenenonderwijs.

In het afsprakenkader voor de controle van de cursistenkenmerken in functie van de financiering of subsidiëring van het volwassenenonderwijs wordt uitvoerig beschreven hoe de controle op de financierbaarheid of subsidieerbaarheid zal verlopen.

Het afsprakenkader is gepubliceerd op website volwassenenonderwijs: http://ond.vlaanderen.be/volwassenenonderwijs.

4.1.3. De referteperiode

Het registratiemoment is het moment waarop één derde van het minimale aantal lestijden van de module, de eenheid of het leerjaar voorbij is. Het registratiemoment bepaalt aan welke specifieke referteperiode de lesurencursist toegewezen worden.

De referteperiode loopt van 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende schooljaar.

Om het aantal lesurencursist te kennen, wordt het aantal financierbare of subsidieerbare cursisten vermenigvuldigd met het totaal aantal lestijden van de betrokken module, eenheid of opleidingsonderdeel. Voor een lineaire opleiding wordt het aantal financierbare of subsidieerbare cursisten vermenigvuldigd met het totaal aantal lestijden van het betrokken leerjaar, waarna het aantal lestijden van de vakken waarvoor vrijstelling is verleend wordt afgetrokken.

Meer informatie over registraties is te vinden in de omzendbrief VWO/2013/0.

4.2. Begrenzing op de groei van de financiering of subsidiëring van de centra

Artikelen 90 (CBE) en 107 (CVO) van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs bepalen dat de Vlaamse Regering jaarlijks het percentage vastlegt waarmee het totale volume aan VTE, leraarsuren, punten en werkingsmiddelen (enkel CBE) over alle centra heen kan toenemen.

Dit percentage wordt apart bepaald voor de Centra voor Basiseducatie en de Centra voor Volwassenenonderwijs. De groeinorm voor de leraarsuren van de Centra voor Volwassenenonderwijs wordt afzonderlijk bepaald voor de opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs, de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding.

Voor het schooljaar 2016-2017 zijn volgende percentages bepaald:

- 2,59% voor de toename aan VTE, punten en werkingsmiddelen voor alle Centra voor Basiseducatie;

- 0,8% voor de toename aan leraarsuren en punten voor alle Centra voor Volwassenenonderwijs; voor de leraarsuren gegenereerd voor de opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs, de HBO5-opleidingen en de specifieke leraarsopleiding zijn volgende percentages vastgelegd:

  • Secundair volwassenenonderwijs: 0,8%
  • Hoger beroepsonderwijs: 0,8%
  • Specifieke lerarenopleiding: 0,8%.

In het schooljaar 2016-2017 worden na de toepassing van de groeinorm 41.622,70 bijkomende leraarsuren toegekendaan de indeling HBO5.

De begrenzing van de groei wordt enkel toegepast bij de centra die stijgen in VTE, leraarsuren, punten en werkingsmiddelen, waarbij de stijging groter is dan het maximale voorzien percentage.

Daarenboven wordt de begrenzing van de groei beperkt tot het maximale voorziene percentage. Dit betekent dat de centra die meer dan het maximale voorziene percentage stijgen in VTE, leraarsuren, punten en werkingsmiddelen na de begrenzing van de groei nooit minder dan het maximale voorziene groeipercentage kunnen hebben. Centra die het maximale voorziene percentage niet overschrijden worden niet afgetopt maar ontvangen de reële VTE, leraarsuren, punten en werkingsmiddelen.

Voorbeelden

Een CVO had tijdens het schooljaar 2015-2016 recht op 20.400 leraarsuren, verdeeld als volgt:

  • Secundair volwassenenonderwijs (SVWO): 14.800 leraarsuren
  • Hoger beroepsonderwijs (HBO5): 5.600 leraarsuren

De maximale stijging van het aantal leraarsuren per indeling bedraagt 0,8%. Dit betekent dat het CVO maximaal recht heeft op volgend aantal leraarsuren:

  • SVWO: 14.918 leraarsuren
  • HBO5: 5.645 leraarsuren

Als gevolg van een daling van het volume lesurencursist in zowel het SVWO als het HBO5 in de referteperiode 1 april 2015 - 31 maart 2016 heeft het CVO recht op volgend aantal leraarsuren in het schooljaar 2016-2017:

  • SVWO: 14.400 leraarsuren
  • HBO5: 5.400 leraarsuren

Het CVO heeft in alle gevallen recht op deze leraarsuren.

Een CVO had tijdens het schooljaar 2015-2016 recht op 20.400 leraarsuren, verdeeld als volgt:

  • Secundair volwassenenonderwijs (SVWO): 14.800 leraarsuren
  • Hoger beroepsonderwijs (HBO5): 5.600 leraarsuren

De maximale stijging van het aantal leraarsuren per indeling bedraagt 0,8%. Dit betekent dat het CVO maximaal recht heeft op volgend aantal leraarsuren:

  • SVWO: 14.918 leraarsuren
  • HBO5: 5.645 leraarsuren

Als gevolg van een daling van het volume lesurencursist in het SVWO en een lichte stijging in het HBO5 in de referteperiode 1 april 2015 - 31 maart 2016 heeft het CVO recht volgend aantal leraarsuren in het schooljaar 2016-2017:

  • SVWO: 14.400 leraarsuren
  • HBO5: 5.620 leraarsuren

Het CVO heeft in alle gevallen recht op de leraarsuren van het SVWO. Voor het HBO5 heeft het CVO ook recht op de 5.620 leraarsuren aangezien dit een toename is met 0,35%, wat lager is dan de groeinorm van 0,8%.

Een CVO had tijdens het schooljaar 2015-2016 recht op 20.400 leraarsuren, verdeeld als volgt:

  • Secundair volwassenenonderwijs (SVWO): 14.800 leraarsuren
  • Hoger beroepsonderwijs (HBO5): 5.600 leraarsuren

De maximale stijging van het aantal leraarsuren per indeling bedraagt 0,8%. Dit betekent dat het CVO maximaal recht heeft op volgend aantal leraarsuren:

  • SVWO: 14.918 leraarsuren
  • HBO5: 5.645 leraarsuren

Als gevolg van een daling van het volume lesurencursist in het SVWO en een sterke stijging in het HBO5 in de referteperiode 1 april 2015 - 31 maart 2016 heeft het CVO recht volgend aantal leraarsuren in het schooljaar 2016-2017:

  • SVWO: 14.400 leraarsuren
  • HBO5: 5.900 leraarsuren

Het CVO heeft in alle gevallen recht op de leraarsuren van het SVWO. Voor het HBO5 heeft het CVO maar zekerheid over de toekenning van 5.645 leraarsuren of een stijging van 0,8%. Het aantal leraarsuren waarop het CVO uiteindelijk recht zal hebben, hoger dan 5.645 voor het HBO5 is afhankelijk van het mogelijke verlies of de groei aan leraarsuren in de andere centra.

Bij de begrenzing van de groei voor de punten van de Centra voor Basiseducatie zal rekening gehouden worden met de overgangsmaatregel voor de berekening van de puntenenveloppe (zie 6.2.1.1). Hierbij zal de groei, gegenereerd uit de 360 extra punten voor het Centrum voor Basiseducatie Zuid-Oost-Vlaanderen en het Centrum voor Basiseducatie Limburg Midden-Noord, verdeeld worden over alle Centra voor Basiseducatie heen volgens hun aandeel in de groei.

4.3. Gescheiden boekhouding

De centra kunnen in het kader van de vrije inrichting van onderwijs ook opleidingsaanbod organiseren dat niet erkend is en ook niet gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de organisatie van dit soort opleidingsaanbod mogen de centra echter niet marktverstorend werken. Zij mogen dus geen middelen die ze via de Vlaamse Gemeenschap ontvangen, aanwenden voor de organisatie van onderwijs dat noch erkend, noch gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap.

De centra dienen een boekhouding te voeren conform de voor hun rechtsvorm geldende bepalingen. Hierbij is het van belang dat de bevoegde administratie op basis van de boekhouding van de centra een duidelijk beeld krijgt van de inkomsten en uitgaven die krachtens het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs verkregen worden en de inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op het organiseren van onderwijs dat noch erkend, noch gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap. Deze laatste dienen duidelijk identificeerbaar te zijn in de boekhouding van de centra.

4.4. Overgangsbepaling NT2 in het kader van een inburgeringstraject

Het nieuwe decreet betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid verhoogt het taalniveau dat cursisten NT2 in het kader van een inburgeringstraject moeten bereiken van niveau A1 naar A2 van het Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen. De Vlaamse overheid stelt hiertoe middelen ter beschikking aan de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie. Omdat het nog niet duidelijk is waar de noden aan de bijkomende middelen het grootste zullen zijn, werd een overgangsregeling voorzien voor de schooljaren 2014-2015, 2015-2016 en 2016-2017.

4.4.1. Verdelingsmechanisme

Voor de Centra voor Volwassenenonderwijs worden in het schooljaar 2015-2016 en het schooljaar 2016-2017 44.949 aanvullende leraarsuren, 592 aanvullende punten en 382.802,30 euro aan werkingsmiddelen ter beschikking gesteld. Voor de Centra voor Basiseducatie worden in het schooljaar 2015-2016 en het schooljaar 2016-2017 87 aanvullende vte,1295 aanvullende punten en 912.974,39 euro aan werkingsmiddelen toegekend. De Vlaamse Regering beschikt over de mogelijkheid om de verdeling van deze middelen aan te passen.

In het schooljaar 2015-2016 en het schooljaar 2016-2017 gebeurt de initiële verdeling van de middelen op basis van het aantal unieke cursisten NT2, richtgraad 1en alfa NT2 in een inburgeringstraject .

4.4.2. Aanwending van de middelen

De beschikbare middelen kunnen enkel aangewend worden in de CVO voor de organisatie van de opleidingen NT2 richtgraad 1 van het studiegebied NT2richtgraad 1 en 2. In de CBE kunnen de middelen enkel aangewend worden voor de opleiding van het leergebied NT2 en voor de opleidingen van het leergebied alfabetisering NT2. Het is niet mogelijk om personeel vast te benoemen of te muteren in de betrekkingen die ontstaan naar aanleiding van deze middelen.

Meer informatie over de overgangsregeling voor het schooljaar 2015-2016 en het schooljaar 2016-2017 is gepubliceerd op de website volwassenenonderwijs: http://www.ond.vlaanderen.be/volwassenenonderwijs/directies/financiering.htm#Extra_middelen_NT2_verhoogde_taalvereiste_inburgering

5. De educatieve omkadering van de centra

5.1. De toekenning van VTE aan de Centra voor Basiseducatie

De toegekende omkadering voor de oprichtingen van betrekkingen in de functie van leraar basiseducatie, wordt uitgedrukt in een volume aan VTE.

Het aantal VTE waarop een Centrum voor Basiseducatie recht heeft, staat vermeld in de dienstbrief. De berekening gebeurt op basis van artikel 85 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

Het aantal VTE waarop een Centrum voor Basiseducatie recht heeft per leergebied, wordt berekend volgens de formule LUC/d*N, waarbij:

1° LUC = het aantal lesurencursist voor de referteperiode 1 april n-1 tot en met 31 maart n voor het toekennen van de VTE voor het schooljaar n/n+1;

2° d = de deler of de gemiddeld subsidieerbare groepsgrootte. De deler wordt bepaald per leergebied in artikel 85, §2, 2° van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

3° N = 667 of de gemiddeld subsidieerbare prestatienoemer voor een leraar basiseducatie op schooljaarbasis.

Het aantal VTE, berekend op basis van bovenstaande formule, wordt verhoogd met 10 procent voor de subsidiëring van specifieke onderwijsactiviteiten (zie 5.4.2).

5.2. De toekenning van leraarsuren aan de Centra voor Volwassenenonderwijs

5.2.1. De generieke regeling voor de toekenning van leraarsuren aan de Centra voor Volwassenenonderwijs

De toegekende omkadering voor de oprichtingen van betrekkingen in de ambten van leraar secundair volwassenenonderwijs en lector, wordt uitgedrukt in een volume aan leraarsuren.

Het aantal leraarsuren waarop een Centrum voor Volwassenenonderwijs recht heeft, staat vermeld in de dienstbrief. De berekening gebeurt op basis van artikel 98 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

Het aantal leraarsuren waarop een Centrum voor Volwassenenonderwijs recht heeft per studiegebied, wordt berekend volgens de formule LUC/d, waarbij:

1° LUC = het aantal lesurencursist voor de referteperiode 1 april n-1 tot en met 31 maart n voor het toekennen van de leraarsuren voor het schooljaar n/n+1;

2° d = de deler of de gemiddeld financierbare of subsidieerbare groepsgrootte.

De deler wordt bepaald in artikel 98, §1 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. Er is een deler per studiegebied of per opleiding in het geval van het studiegebied bijzondere educatieve noden. Voor de gelettterdheidsmodules Nederlands en Leren Leren die aan alle diplomagerichte beroepsopleidingen gekoppeld zijn, is een afzonderlijke deler (10) bepaald.

Het aantal leraarsuren, berekend op basis van bovenstaande formule, wordt voor de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming,Nederlands tweede taalrichtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 verhoogd met 10 procent voor de financiering of subsidiëring van specifieke onderwijsactiviteiten (zie 5.4.2).

5.2.2. De financiering of subsidiëring van het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleidingen.

Voor de financiering of subsidiëring van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleidingen, georganiseerd door de Centra voor Volwassenenonderwijs, is een omzetting voorzien van studiepunten naar lestijden. Eén studiepunt komt overeen met 12 lestijden.

De totale omvang van een specifieke lerarenopleiding die in aanmerking komt voor financiering of subsidiëring, uitgedrukt in lestijden, bedraagt dan 720 lestijden.

De totale omvang van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs die in aanmerking komt voor financiering of subsidiëring, uitgedrukt in lestijden, bedraagt dan hetzij 1080 lestijden, hetzij 1440 lestijden.

5.3. De 120%-financiering of -subsidiëring van modules in gecombineerd onderwijs

5.3.1. Aanvraagprocedure

Een centrum dat modules inricht in gecombineerd onderwijs (zie omzendbrief VWO/2011/03) met minimaal 25 percent afstandsonderwijs, kan voor deze modules in aanmerking komen voor 120%-financiering of -subsidiëring. De extra financiering of subsidiëring wordt gerealiseerd door het volume aan lesurencursist dat wordt gegenereerd in deze modules te vermenigvuldigen met factor 1,2.

Een centrum dat in aanmerking wil komen voor deze 120%-financiering of -subsidiëring dient hiertoe ten laatste twee maanden voor de aanvang van de opleiding in gecombineerd onderwijs een aanvraag in te dienen bij de afdeling Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be. Het aanvraagformulier is opgenomen als bijlage5 bij deze omzendbrief. Het dossier wordt uitsluitend via elektronische weg ingediend.

Indien het centrum gecombineerd onderwijs wil organiseren in de loop van de maand september, dan wordt de aanvraag ten laatste op 30 juni van het voorafgaande schooljaar ingediend.

De aanvraag is alleen ontvankelijk als het ingescande protocol van de onderhandeling over het gecombineerd onderwijs in het lokaal comité is bijgevoegd.

Een centrum dient niet te wachten op de goedkeuring van de aanvraag om met het gecombineerd onderwijs van start te gaan.

De onderwijsinspectie of, indien de aanvraag een HBO5-opleiding betreft, de Commissie Hoger Onderwijs gaat in eerste instantie via het elektronisch leerplatform na in welke mate het centrum dat de aanvraag heeft ingediend, de vooropgestelde doelstellingen bereikt en formuleert hierover een gemotiveerd advies. Mits een gunstig advies van de onderwijsinspectie of de Commissie Hoger Onderwijs krijgt het centrum een vermenigvuldiging van het volume lesurencursist met factor 1,2 voor het gecombineerd onderwijs dat gevat wordt door de aanvraag, dit vanaf het schooljaar waarin het gecombineerd onderwijs van start is gegaan en gedurende vijf opeenvolgende schooljaren zonder een nieuwe aanvraag in te dienen. Indien de onderwijsinspectie of de Commissie Hoger Onderwijs uiterlijk tegen 15 juni geen gemotiveerd advies verstrekt heeft aan de afdeling Volwassenenonderwijs, dan wordt het advies geacht gunstig te zijn.

Voor goedgekeurde aanvragen die gelden vanaf het schooljaar 2014-2015 hoeft een centrum geen bijkomende aanvraag meer te doen wanneer het in de loop van de volgende 5 jaar de modules van het gecombineerd onderwijs in het aanvraagdossier wenst uit te breiden met:

- één of enkele modules van dezelfde opleiding;

- dezelfde modules in een andere variant (met een ander percentage afstandsonderwijs, als verkort of verlengd traject of als gemeenschappelijke module in een andere opleiding).

In deze gevallen volstaat een registratie in DAVINCI op het moment dat de bijkomende modules effectief in gecombineerd onderwijs met meer dan 25% afstandsonderwijs aangeboden worden. Indien de cursisten aan de voorwaarden van punt 4.1.1.2. voldoen, zal de 120%-financiering ook voor deze modules toegekend worden. De 120%-financiering voor deze modules eindigt op hetzelfde moment als voor de modules die n.a.v. de aanvraag geregistreerd werden.

Voorbeelden

Op 15/06/2014 dient het centrum een aanvraag in voor de modules Zakelijk Nederlands 1 en Klaviervaardigheden van de opleiding Boekhoudkundige Bediende en deze aanvraag wordt goedgekeurd. Op 15/09/2015 registreert het centrum ook gecombineerd onderwijs met meer dan 25% afstandsonderwijs voor de module Uitbreiding boekhouden voor een boekhoudkundig bediende. Tot 30/06/2019 kan de 120%-financiering worden toegekend voor de modules Zakelijk Nederlands 1, Klaviervaardigheden en Uitbreiding boekhouden voor een boekhoudkundig bediende van de opleiding Boekhoudkundig Bediende.

Op 15/06/2014 dient het centrum een aanvraag in voor de modules Zakelijk Nederlands 1 en Klaviervaardigheden van de opleiding Boekhoudkundige Bediende en deze aanvraag wordt goedgekeurd. Op 01/02/2016 registreert het centrum ook gecombineerd onderwijs met meer dan 25% afstandsonderwijs voor de modules Zakelijks Nederlands 1 en Klaviervaardigheden van de opleiding Meertalig Polyvalent Bediende. Tot 30/06/2019 kan de 120%-financiering worden toegekend voor de modules Zakelijk Nederlands 1 en Klaviervaardigheden van de opleidingen Boekhoudkundig bediende en Meertalig Polyvalent Bediende.

5.4. De aanwending van de VTE of leraarsuren

5.4.1. Vrije aanwending

De toegekende VTE of leraarsuren kunnen na onderhandeling in het lokaal comité vrij aangewend worden over de opleidingen en indelingen (secundair volwassenenonderwijs, hoger beroepsonderwijs en specifieke lerarenopleiding) heen.

Cursisten uit verschillende modules kunnen samen in één klasgroep gezet worden. Deze samenvoeging van cursisten moet pedagogisch en didactisch verantwoord zijn. De inspectie waakt over de kwaliteit van het onderwijs.

5.4.2. 10 procent aanvullende VTE of leraarsuren

Op de vrije aanwending van VTE of leraarsuren geldt wel een uitzondering voor de verhoging met 10 procent VTE aan de Centra voor Basiseducatie en 10 procent leraarsuren in de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming,Nederlands tweede taalrichtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 aan de Centra voor Volwassenenonderwijs. Deze VTE of leraarsuren kunnen uitsluitend aangewend worden voor de organisatie van volgende onderwijsopdrachten:

1° de organisatie van openleercentra;

2° de organisatie van activerings- en keuzebegeleidingsactiviteiten;

3° de organisatie van leertrajectbegeleiding op niveau van de individuele cursist.

5.4.3. Extra VTE of leraarsuren voor gecombineerd onderwijs

Opleidingen in gecombineerd onderwijs met minstens 25 percent afstandsonderwijs kunnen aan 120 percent gefinancierd of gesubsidieerd worden (zie 5.3).

De 20 percent extra VTE of leraarsuren kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie, de uitbouw, de ondersteuning en de ontwikkeling van het gecombineerd onderwijs. Het centrumbestuur legt de aanwending van deze VTE of leraarsuren samen met de programmatie van het aanbod ter onderhandeling voor aan het lokaal comité.

5.4.4. Coördinatie-uren of lesvrije VTE of leraarsuren

Een centrumbestuur kan beslissen om de toegekende VTE of leraarsuren niet aan te wenden voor lesopdrachten maar wel voor andere centrumgebonden opdrachten. Bij die andere centrumgebonden opdrachten dient een onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds de onderwijsopdrachten en anderzijds de opdrachten die niet als onderwijsopdracht worden beschouwd (bv. administratieve opdrachten).

Na onderhandelingen in het lokaal comité legt het centrumbestuur een lijst van onderwijsopdrachten en niet-onderwijsopdrachten vast.

Het centrumbestuur kan maximaal 3 procent van de toegekende VTE of leraarsuren aanwenden voor andere opdrachten dan onderwijsopdrachten. Die 3 procent kan enkel overschreden worden na akkoord van het lokaal comité.

Een andere opdracht dan de lesopdracht in de ambten van leraar secundair volwassenenonderwijs en lector, moet steeds in hoofdambt worden uitgeoefend.

5.4.5. Mogelijke beperking op vrije aanwending lesuren NT2

De Vlaamse Regering kan op niveau van één centrum voor Volwassenenonderwijs beslissen om de vrije aanwending van leraarsuren de gegenereerd zijn in de studiegebieden NT2 richtgraad 1 en 2 en NT2 richtgraad 3 en 4 op te heffen. De Vlaamse Regering kan tot deze maatregel overgaan indien het centrumbestuur van het CVO beslist leraarsuren gegenereerd in het studiegebied NT2 richtgraad 1 en 2 en/of NT2 richtgraad 3 en 4 aan te wenden in andere studiegebieden en er zich tegelijkertijd een capaciteitstekort voordoet in het aanbod van het studiegebied NT2 richtgraad 1 en 2 en/of richtgraad 3 en 4.

5.5. Voordrachtgevers

Een centrum kan maximaal 5 procent van het toegekende pakket VTE of leraarsuren aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers.

Het krediet dat een centrum krijgt voor de aanwerving van voordrachtgevers bedraagt:

1° 19,34 euro (niet-geïndexeerd) per 1/36 VTE voor de basiseducatie;

2° 33,77 euro (niet-geïndexeerd) per leraarsuur voor het secundair volwassenenonderwijs;

3° 41,19 euro (niet-geïndexeerd) per leraarsuur voor het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding.

Een centrum dat VTE of leraarsuren wil omzetten naar een krediet, deelt per zending via EDISON het aantal VTE of leraarsuren mee dat aangewend wordt voor de aanwerving van voordrachtgevers (centra die nog geen toegang hebben tot EDISON sturen het zendingsbestand op naar gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be). Dit aantal kan in de loop van het schooljaar niet meer gewijzigd worden, behoudens vermindering bij overmacht.

Het totale krediet dat voorbehouden is voor de aanwerving van voordrachthouders wordt berekend door:

1° het product van het aantal meegedeelde VTE omgezet in 36sten vermenigvuldigd met 40 weken en het voorziene krediet per 1/36 VTE voor de Centra voor Basiseducatie;

Een voorbeeld:

0,13 VTE = 5/36 per week

5 uur X 40 = 200 uur

200 uur X 19,34 euro = 3.868 euro. Dit bedrag moet wel nog geïndexeerd worden.

2° het product van het meegedeelde aantal leraarsuren en het voorziene krediet per leraarsuur voor de Centra voor Volwassenenonderwijs.

Het krediet wordt toegekend met een voorschot van 25% dat uitbetaald wordt in de loop van de maand november van het schooljaar in kwestie, en een saldo van 75% dat uitbetaald wordt in de loop van de maand juni die daarop volgt.

Over de aanwending van leraarsuren voor de aanwerving van voordrachtgevers en over de vergoeding van die voordrachtgevers is een voorafgaandelijk akkoord in het lokaal comité vereist.

Niet aangewende middelen dienen na het einde van het schooljaar te worden teruggestort. Hiervoor deelt het centrum het niet aangewende bedrag mee aan gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be.

6. Omkadering voor de directie en het bestuurs- en ondersteunend personeel

6.1. De directeur

Elk centrum heeft recht op één voltijdse functie (CBE) of één voltijdse betrekking in het ambt (CVO) van directeur. Het centrumbestuur is verplicht een directeur aan te stellen.

De functie of het ambt van directeur kan opgesplitst worden in twee halftijdse betrekkingen. De directeur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan zijn ambt uitsluitend in hoofdambt uitoefenen.

De Centra voor Volwassenenonderwijs die hun hoofdvestigingsplaats hebben in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad of de rand- en taalgrensgemeenten en CVO die geen 120.000 lesurencursist genereren, hebben recht op één tiende voltijdse betrekking in het ambt van directeur per volledige schijf van 12.000 lesurencursist met een maximum van één voltijdse betrekking in het ambt van directeur.

6.2. Puntenenveloppe voor bestuurs- en ondersteunend personeel

6.2.1. Berekening van de puntenenveloppe

6.2.1.1. Puntenenveloppe voor de Centra voor Basiseducatie

Een Centrum voor Basiseducatie heeft per schooljaar recht op een puntenenveloppe om betrekkingen op te richten in de functies ter ondersteuning van het centrum. De puntenenveloppe wordt voor het begin van het schooljaar bij dienstbrief door de afdeling Volwassenenonderwijs aan het centrumbestuur meegedeeld.

De puntenenveloppe voor een bepaald schooljaar wordt berekend op basis van het aantal lesurencursist gerealiseerd tijdens de voorgaande referteperiode (zie 4.1.3). Per volledige schijf van 341 lesurencursist wordt 1 punt toegekend. Het totaal aantal punten vormt de puntenenveloppe die per schooljaar aan het centrum wordt toegekend.

Als gevolg van een overgangsregeling worden aan het Centrum voor Basiseducatie Zuid-Oost-Vlaanderen 120 punten en aan het Centrum voor Basiseducatie Limburg Midden-Noord 240 extra punten toegekend om de aanstelling in stand te houden van de personeelsleden die op datum van 31 augustus 2008 belast waren met een coördinatieopdracht als vermeld in artikel 15 van het decreet van 12 juli 1990 houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen en die vanaf 1 september 2008 ononderbroken aangesteld zijn in de functie van stafmedewerker.

Gedurende de aanstelling van bovenvermelde personeelsleden geldt een andere berekeningswijze voor de puntenenveloppe van de Centra voor Basiseducatie. Gedurende die periode wordt 1 punt toegekend per volledige schijf van 358 lesurencursist.

6.2.1.2. Puntenenveloppe voor de Centra voor Volwassenenonderwijs

Een Centrum voor Volwassenenonderwijs heeft per schooljaar recht op een puntenenveloppe om betrekkingen op te richten in de ambten van bestuurs- en ondersteunend personeel. De puntenenveloppe wordt voor het begin van het schooljaar bij dienstbrief door de afdeling Volwassenenonderwijs aan het centrumbestuur meegedeeld.

De puntenenveloppe voor een bepaald schooljaar wordt berekend op basis van het aantal lesurencursist gerealiseerd tijdens de voorgaande referteperiode (zie 4.1.3) en is samengesteld uit twee delen:

1° 1 punt per volledige schijf van 755 lesurencursist;

2° 1 punt per volledige schijf van 2.430 lesurencursist voor de opleidingen van de studiegebieden afwerking bouw, ambachtelijke accessoires, ambachtelijk erfgoed, auto, bakkerij, drankenkennis, fotografie, grafische communicatie en media, horeca, ICT-technieken, koeling en warmte, lassen, mechanica-elektriciteit, meubelmakerij, mode: maatwerk, mode: realisaties, printmedia, ruwbouw, schrijnwerkerij, slagerij en textiel en de opleiding vrachtwagenchauffeur van het studiegebied groot transport.

De som van 1° en 2° vormt de puntenenveloppe die per schooljaar aan het centrum wordt toegekend.

Het volume aan bestuurs- en ondersteunend personeel dat gegenereerd werd op basis van artikel 76 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, blijf gegarandeerd. Wel heeft deze garantie uitsluitend betrekking op Centra voor Volwassenenonderwijs die gefuseerd zijn ten laatste op 1 september 2006. De gewaarborgde puntenenveloppe voor deze centra is vastgelegd in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 200 tot regeling van een aantal aangelegenheden voor de Centra voor Volwassenenonderwijs in uitvoering van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. Jaarlijks wordt deze gewaarborgde puntenenveloppe vergeleken met de berekening van de puntenenveloppe op basis van volledige schijven van 755 en 2.340 lesurencursist. Als de gewaarborgde puntenenveloppe groter is dan de puntenenveloppe berekend op basis van het aantal lesurencursist, dan wordt de gewaarborgde puntenenveloppe toegekend.

Aan de Centra voor Volwassenenonderwijs die fuseren vanaf 1 september 2007 wordt het aantal punten toegevoegd dat nodig is om de aanstelling van de vroegere vastbenoemde directeur tot adjunct-directeur mogelijk te maken. Dit extra volume punten wordt enkel uitdovend en ter persoonlijke titel toegekend.

6.2.2. Aantal punten per functie, ambt of salarisschaal

Voor betrekkingen in de functies ter ondersteuning van de werking van een Centrum voor Basiseducatie worden volgende volumes aan punten in rekening gebracht:

1° 120 punten voor een voltijdse betrekking in de functie van stafmedewerker die de salarisschaal 501 genereert;

2° 82 punten voor een voltijdse betrekking in de functie van beleidsondersteunend administratief medewerker die de salarisschaal 106 genereert;

3° 63 punten voor een voltijdse betrekking in de functie van uitvoerend administratief medewerker die de salarisschaal 122 genereert;

4° 63 punten voor een voltijdse betrekking in de functie van ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting die de salarisschaal 122 genereert.

Voor de aanrekening van de punten voor de oprichting van deeltijdse betrekkingen in bovenstaande functies wordt verwezen naar bijlage 6.

Voor betrekkingen in het ambt van bestuurs- en ondersteunend personeel in een Centrum voor Volwassenenonderwijs worden volgende volumes aan punten in rekening gebracht:

1° 134 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van adjunct-directeur hoger beroepsonderwijs en specifieke lerarenopleiding die de salarisschaal 509, 502, 312, 323, 328 of 327 geneert;

2° 130 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van adjunct-directeur secundair volwassenenonderwijs die de salarisschaal 502 of 501 genereert;

3° 126 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van technisch adviseur-coördinator die de salarisschaal 538 genereert;

4° 120 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van adjunct-directeur secundair volwassenenonderwijs die de salarisschaal 312, 323, 328 of 327 genereert;

5° 120 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van technisch adviseur-coördinator die de salarisschaal 258, 311 of 384 genereert;

6° 120 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van administratief medewerker die de salarisschaal 542 genereert;

7° 110 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van technisch adviseur die de salarisschaal 257, 305 of 300 genereert;

8° 82 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van administratief medewerker die de salarisschaal 158, 100 of 208 genereert;

9° 63 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van administratief medewerker die de salarisschaal 122 genereert.

Voor de aanrekening van de punten voor de oprichting van deeltijdse betrekkingen in bovenstaande ambten wordt verwezen naar bijlage7.

De som van het aantal punten van de betrekkingen die per functie of per ambt en per puntenwaarde worden ingericht, bedraagt nooit meer dan het aantal punten dat vereist is voor een betrekking die bestaat uit de som van de uren die in de betrokken functie of het betrokken ambt worden opgericht.

Een voorbeeld:

Een centrum wil in het schooljaar 2012-2013 twee personeelsleden als uitvoerend administratief medewerker aanstellen als volgt:

Personeelslid A: 16/32 (CVO) of 18/36 (CBE), goed voor 32 punten;

Personeelslid B: 16/32 (CVO) of 18/36 (CBE), goed voor 32 punten.

De aanstelling van personeelslid A en personeelslid B is samen 1 voltijdse betrekking, maar de som van de punten is groter dan 63 (met name 64). In dit geval worden slechts 63 punten aangerekend.

6.2.3. Aanwending van de punten

De toegekende puntenenveloppe kan na onderhandeling in het lokaal comité vrij aangewend worden voor de oprichting van de betrekkingen vermeld in 6.2.2.

Voor de Centra voor Volwassenenonderwijs wordt de vrije aanwending op volgende manieren beperkt:

1° ten minste 55 procent van de punten berekend op basis van de volledige schijven van 755 lesurencursist moeten aangewend worden voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van administratief medewerker waarvoor 63 of 82 punten worden aangerekend.

Een voorbeeld:

Een Centrum voor Volwassenenonderwijs heeft in totaal 312 punten op basis van volledige schijven van 755 lesurencursist. Daarvan moet het centrumbestuur ten minste 172 punten of 55% besteden voor de aanstelling van administratief medewerkers waarvoor 63 of 82 punten worden aangerekend.

Voor het schooljaar 2012-2013willen ze vier personeelsleden aanstellen als volgt:

Personeelslid A: 32/32, salarisschaal 158 goed voor 82 punten;

Personeelslid B: 13/32, salarisschaal 158 goed voor 34 punten;

Personeelslid C: 24/32, salarisschaal 122 goed voor 48 punten;

Personeelslid D: 8/32, salarisschaal 122 goed voor 16 punten;

Aangezien de aanstelling van personeelslid C en D samen 32/32 is, maar de som van de puntenwaarden van de twee betrekkingen groter is dan 63 punten, wordt maximum 63 punten aangerekend. In totaal worden dus 179 punten besteed voor de betrekkingen in het ambt van administratief medewerker waarvoor 63 of 82 punten wordt aangerekend.

Het daardoor uitgespaarde punt komt niet in aanmerking voor de overdracht naar een ander centrum of naar het eerstvolgende schooljaar, zoals vermeld in 7.

2° de toegekende puntenenveloppe moet in eerste instantie aangewend worden voor de instandhouding van de betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in de ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel.

Als een vastbenoemd personeelslid in een ambt van het bestuurspersoneel door de toepassing van 1° dreigt ter beschikking gesteld te worden wegens ontstentenis van betrekking, mag het centrum van deze verplichting afwijken om de terbeschikkingstelling te vermijden. Het centrum kan echter nooit minder dan 50 procent van deze punten aanwenden om betrekkingen op te richten in het ambt van administratief medewerker waarvoor 63 of 82 punten worden aangerekend.

3° in de afgelopen schooljaren hebben Centra voor Volwassenenonderwijs personeelsleden met een academisch diploma vastbenoemd of aangesteld als administratief medewerker waarvoor zij recht hadden op salarisschaal 158. Om die personeelsleden vanaf 1 september 2007 terug in actieve dienst te kunnen nemen of om de opgelegde 55% norm te halen, stellen centrumbesturen de vraag of ze die personeelsleden verder kunnen aanstellen met 82 punten, waarvoor ze salarisschaal 158 genereren.

Volgens de regelgeving met betrekking tot de bekwaamheidsbewijzen is dergelijke aanstelling niet onmogelijk, omdat bij rangschikking “ten minste PBA (professioneel gerichte bachelor)” eveneens de studiebewijzen zijn opgenomen die gelijkgesteld zijn met “ten minste master”.

Bijgevolg moet het voor de controle op de aangewende puntenenveloppe, waaronder de 55%-norm, duidelijk zijn met welke puntenwaarde een administratief medewerker wordt aangesteld:

- administratief medewerker 120 punten, waarvoor het personeelslid in het bezit moet zijn van een studiebewijs dat gelijkgesteld is met “ten minste master” en waaraan salarisschaal 542 verbonden is;

- administratief medewerker 82 punten, waarvoor het personeelslid in het bezit moet zijn van een studiebewijs dat gelijkgesteld is met “ten minste PBA” en waaraan salarisschaal 158 verbonden is;

- administratief medewerker 63 punten, waarvoor het personeelslid in het bezit moet zijn van een studiebewijs dat gelijkgesteld is met “ten minste HSO” en waaraan salarisschaal 122 verbonden is.

Voor het doorgeven van de opdracht van een administratief medewerker aan het werkstation moet het centrum dus naast de benaming van het ambt steeds de puntenwaarde vermelden, hetzij:

- “administratief medewerker 120 punten” [ambtscode 272] of;

- “administratief medewerker 82 punten” [ambtscode 273] of;

- “administratief medewerker 63 punten” [ambtscode 274].

4° Aanstelling van een vervanger in het ambt van administratief medewerker. Wanneer de titularis afwezig is en wordt vervangen, is de puntenenveloppe die verbonden is aan het ambt van de titularis bepalend voor de aanwending van de puntenenveloppe.

Voor een vervanging binnen het ambt van administratief medewerker gelden vanaf 1 september 2015 volgende specifieke principes:

  • Algemeen principe: de salarisschaal van de vervanger van een afwezig personeelslid mag niet hoger zijn dan de salarisschaal van de titularis;

  • Uitzondering: als het centrum over niet-aangewende punten beschikt, kan ze de puntenwaarde van de betrekking tijdelijk verhogen om zo een hogere salarisschaal toe te kennen aan de vervanger als die beschikt over een bekwaamheidsbewijs dat van een hoger niveau is dan nodig is voor de puntenwaarde die initieel aan de betrekking is toegekend.

Algemeen principe: de salarisschaal van de vervanger mag niet hoger zijn dan de salarisschaal van de titularis

Bij de vervanging van een titularis van een betrekking in het ambt van administratief medewerker, mag de salarisschaal van de vervanger nooit hoger liggen dan de salarisschaal van de titularis die overeenstemt met de puntenwaarde die initieel aan de betrekking is toegekend. Dit betekent dat de vervanger bezoldigd wordt:

  • Op basis van de puntenwaarde die initieel aan de betrekking is toegekend als zijn diplomaniveau met die puntenwaarde overeenstemt;
  • Of aan een lagere salarisschaal, als zijn diplomaniveau overeenstemt met een lagere puntenwaarde dan deze die initieel aan de betrekking is toegekend.

Voorbeeld:

Een vast benoemd administratief medewerker (82 punten – salarisschaal 158) neemt voor een volledig schooljaar een voltijdse loopbaanonderbreking.

Hij wordt vervangen door een tijdelijk personeelslid dat houder is van een bekwaamheidsbewijs van ‘ten minste master’. De salarisschaal van de vervanger mag nooit hoger liggen dan de salarisschaal van de titularis. De vervanger wordt dan ook bezoldigd op basis van salarisschaal 158. De betrekking blijft 82 punten kosten.

Voorbeeld:

Een vast benoemd administratief medewerker (82 punten – salarisschaal 158) neemt een TBSPA van 1 september tot 31 januari.

Hij wordt vervangen door een tijdelijk personeelslid dat houder is van een bekwaamheidsbewijs van ‘ten minste HSO’. Als het diplomaniveau van de vervanger lager is dan het diplomaniveau van de titularis, dan wordt de vervanger bezoldigd aan de lagere salarisschaal. De vervanger wordt in dit voorbeeld dan ook bezoldigd op basis van salarisschaal 122. De betrekking blijft 82 punten kosten.

Uitzondering: hogere salarisschaal dan de titularis

Een centrum kan bij de afwezigheid van een administratief medewerker afwijken van het algemene principe dat de vervanger nooit een hogere salarisschaal kan hebben dan de salarisschaal die overeenstemt met de puntenwaarde van de titularis.

Een centrum kan een personeelslid als vervanger aanstellen met een hoger diplomaniveau dan nodig voor de puntenwaarde van de betrekking en die vervanger op basis van dat hoger diplomaniveau laten bezoldigen, op voorwaarde dat het centrum hiervoor niet-aangewende punten aanwendt om tijdelijk de puntenwaarde van de betrekking te verhogen.

Als niet-aangewende punten worden beschouwd:

  • Punten die een centrum bij de start van het schooljaar niet gebruikt om een vacante betrekking in te richten binnen de organieke puntenenveloppe;
  • Punten die in de loop van het schooljaar vrijkomen omdat de betrekking van een titularis vacant wordt (bijvoorbeeld door vrijwillig of ambtshalve ontslag, door het opnemen van een TBS voorafgaand aan het rustpensioen of door pensionering);
  • Punten die in de loop van het schooljaar beschikbaar komen omdat de titularis van de betrekking in het ambt van administratief medewerker een dienstonderbreking neemt en in deze dienstonderbreking niet (of niet volledig) wordt vervangen.

Voorbeeld:

Een vast benoemd administratief medewerker (63 punten – salarisschaal 122) neemt van 1 september 2015 tot 31 december 2015 een TBSPA.

Het centrum werft een tijdelijk personeelslid aan met een bachelordiploma en wil dit personeelslid ook als dusdanig laten bezoldigen.

Het centrum heeft bij de start van het schooljaar voor het inrichten van de vacante betrekkingen 20 punten niet aangewend binnen zijn puntenenveloppe.

Het centrum kan voor dit personeelslid tijdelijk de puntenwaarde van de betrekking tot 82 punten verhogen door 19 niet-aangewende punten aan de betrekking toe te voegen. De puntenwaarde van de vervanger wordt dan 82 punten en de vervanger heeft recht op salarisschaal 158.

Voorbeeld:

Een vast benoemd administratief medewerker (63 punten – salarisschaal 122) is afwezig wegens ziekte van 1 oktober tot 31 oktober. Het centrum beslist om het personeelslid slechts te vervangen voor een opdracht van 16/32 voor deze periode. Hierdoor kan het centrum voor de duur van het ziekteverlof beschikken over de puntenwaarde die overeenkomt met de niet-vervangen opdracht van 16/32 ( = 32 punten) om een of meer andere vervangers in het ambt van administratief medewerker tijdelijk een hogere salarisschaal toe te kennen.

U deelt de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van de vervanger mee door de vervanger van de afwezige titularis in dienst te melden met de ambtscode die recht geeft op een hogere salarisschaal. Deze verhoging van de puntenwaarde van de titularis zal dan aangerekend worden op het aanwendingsrapport van de controle omkadering. Voor alle andere situaties die het algemene principe volgen, meldt u de vervanger steeds in dienst onder dezelfde ambtscode van de afwezige titularis.

- Voor een administratief medewerker 120 punten = ambtscode 272

- Voor een administratief medewerker 82 punten = ambtscode 273

- Voor een administratief medewerker 63 punten = ambtscode 274

6.3. Puntenenveloppe voor ICT-coördinatie

De puntenenveloppe voor ICT-coördinatie voor de Centra voor Volwassenenonderwijs wordt behandeld in de omzendbrief GD/2003/04.

7. De overdracht van VTE, leraarsuren of punten

Na onderhandelingen in het lokaal comité kan het centrumbestuur niet-aangewende VTE, leraarsuren of punten overdragen naar het volgende schooljaar of naar een ander centrum. Een afschrift van de conclusies van de onderhandelingen in het lokaal comité ligt ter inzage in het centrum.

Overdrachten van leraarsuren of punten door een Centrum voor Volwassenenonderwijs mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking. In de overgedragen leraarsuren of punten kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.

De overdracht van VTE, leraarsuren of punten wordt steeds gemeld aan de afdeling Volwassenenonderwijs en dit ten laatste tegen 31mei van het lopende schooljaar. De melding van overdracht gebeurt volgens de procedures zoals beschreven in de omzendbrief VWO/2013/01.

7.1. Naar een ander centrum

De overdracht beperkt zich tot 2 procent van het totaal aantal toegekende VTE, leraarsuren of punten. Er is geen overdracht mogelijk tussen een Centrum voor Basiseducatie en een Centrum voor Volwassenenonderwijs.

De beperking tot 2% op het aantal over te dragen VTE of leraarsuren geldt niet wanneer het centrumbestuur overdraagt naar:

1° een Centrum voor Basiseducatie dat beschikt over een wachtlijst voor de inschrijvingen in de opleiding Nederlands tweede taal - richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie;

2° een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat beschikt over een wachtlijst voor de inschrijvingen in de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2;

3° een Centrum voor Basiseducatie dat van de Vlaamse Regering onderwijsbevoegdheid heeft verkregen voor de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs;

4° een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat van de Vlaamse Regering onderwijsbevoegdheid heeft verkregen voor de opleiding Nederlands tweede taal - richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie.

7.2. Naar een volgend schooljaar

De overdracht beperkt zich tot 2 procent van het totaal aantal toegekende VTE, leraarsuren of punten. De overgedragen VTE, leraarsuren of punten naar het volgende schooljaar, kunnen enkel in het daaropvolgende schooljaar aangewend worden.

8. De werkingsmiddelen, de inschrijvingsgelden en premies voor cursisten

8.1. De werkingstoelage van de Centra voor Basiseducatie

De werkingstoelage waarop een Centrum voor Basiseducatie per schooljaar recht heeft, staat vermeld op de dienstbrief.

De werkingstoelage voor een bepaald schooljaar wordt berekend op basis van het aantal lesurencursist gerealiseerd tijdens de voorgaande referteperiode (zie 4.1.3).

De werkingstoelage per lesuurcursist bedraagt vanaf het schooljaar 2011-2012 1,9669 euro (niet-geïndexeerd).

De Centra voor Basiseducatie kunnen geen inschrijvingsgeld vragen voor hun gesubsidieerd opleidingsaanbod.

8.2. De werkingsmiddelen van de Centra voor Volwassenenonderwijs

De werkingsmiddelen van Centra voor Volwassenenonderwijs bestaan uit:

  • de inschrijvingsgelden van de cursisten (zie verder onder punt 8.3.);
  • de toegekende middelen uit het Fonds (zie verder onder punt 8.4.);
  • andere inkomsten.

Het centrumbestuur kan ten laste van deze werkingsmiddelen of van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan dat voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in het artikel 2, §1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het meester-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan dat voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in het artikel 4, §1, a van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet vacant worden verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. Het personeelslid dat door een centrumbestuur wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de respectievelijke decreten rechtspositie.

Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert de volledige loonkost van deze personeelsleden van het centrumbestuur terug. (Zie ook omzendbrief PERS/2012/08) (http://www.ond.vlaanderen.be/edulex/database/document/document.asp?docid=14419)

Cursussen die op basis van deze regeling worden georganiseerd, kunnen geen lesurencursist genereren die in aanmerking komen voor de berekening van VTE, leraarsuren of werkingsmiddelen.

8.3. Inschrijvingsgeld en vrijstelling van inschrijvingsgeld van de Centra voor Volwassenenonderwijs

8.3.1. Inschrijvingsgeld

8.3.1.1. Inschrijvingsgeld voor contactonderwijs

Voor modules met aanvangsdatum vanaf 1 januari 2015 wordt het inschrijvingsgeld dat een cursist moet betalen, berekend door het aantal lestijden van een module te vermenigvuldigen met 1,50 euro voor de opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs, hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding.

Voor bepaalde categorieën van personen of opleidingen zijn vrijstellingen van inschrijvingsgeld voorzien. Deze categorieën zijn opgenomen onder punt 8.3.2.1 van deze omzendbrief.

8.3.1.2. Inschrijvingsgeld voor gecombineerd onderwijs

Het inschrijvingsgeld voor gecombineerd onderwijs wordt berekend alsof het volledig in contactonderwijs wordt georganiseerd.

8.3.1.3. Inschrijvingsgeld voor verlengde trajecten

Een cursist die zich inschrijft voor een verlengd traject betaalt het inschrijvingsgeld dat overeenstemt met het standaard traject van een opleiding.

Voorbeeld

Een cursist schrijft zich in voor de module A van het verlengde traject. Deze module bedraagt 80 lestijden. De overeenkomstige module A van het standaardtraject bedraagt 60 lestijden. De cursist betaalt voor het inschrijvingsgeld voor de module A van het verlengde traject 90 euro.

8.3.1.4. Betalen van het inschrijvingsgeld

De cursisten betalen het inschrijvingsgeld rechtstreeks aan het centrum. Als bewijs van betaling of vrijstelling van inschrijvingsgeld (zie 8.3.2) overhandigt het centrum aan de cursist een betalingsbewijs. Dit betalingsbewijs wordt in tweevoud opgesteld: één exemplaar wordt aan de cursist bezorgd en het andere exemplaar wordt in het cursistendossier bewaard.

8.3.2. Vrijstellingen van inschrijvingsgeld

Er bestaan verschillende categorieën van cursisten die een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van inschrijvingsgeld kunnen genieten.

De voorwaarden voor vrijstelling van inschrijvingsgeld dienen te worden opgenomen in het centrumreglement.

8.3.2.1. Categorieën van volledige en gedeeltelijke vrijstelling

8.3.2.1.1. Categorieën van cursisten die een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld genieten

Volgende categorieën van cursisten genieten een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld:

- ingeschreven zijn voor een opleiding van het studiegebied aanvullende algemene vorming of algemene vorming, voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting van het studiegebied bijzondere educatieve noden of voor de opleiding Nederlands tweede taal - richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie;

- op het moment van inschrijving materiële hulp genieten (asielzoekers), een inkomen verwerven via maatschappelijke dienstverlening of een leefloon, alsook de cursisten die ten laste zijn van deze categorieën;

- op het moment van inschrijving gedetineerd zijn en verblijven in een Belgische strafinstelling. Gedetineerden die thuis verblijven met een elektronische enkelband komen niet in aanmerking voor een vrijstelling van inschrijvingsgeld;

- op het moment van inschrijving nog niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht (= maximum 15 jaar oud zijn en nog geen twee jaar secundair onderwijs genoten of nog geen 16 jaar oud zijn);

- op het moment van inschrijving een inkomen verwerven via een wachtuitkering of een werkloosheidsuitkering voor een opleiding die gevolgd wordt in het kader van een door de VDAB erkend traject naar werk;

- op het moment van inschrijving niet-werkend, verplicht ingeschreven werkzoekend zijn en nog geen recht hebben op een wachtuitkering.

Volgende categorie geniet een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld voor de opleidingen Nederlands tweede taal richtgraad 1, Nederlands tweede taal richtgraad 2 en Latijns schrift:

- op het moment van inschrijving een inburgeringscontract ondertekend hebben, een inburgeringsattest behaald hebben of over een EVC-attest beschikken.

8.3.2.1.2. Categorieën van cursisten die een gedeeltelijk vrijstelling van inschrijvingsgeld genieten en slechts 0,30 euro betalen

Volgende categorieën betalen een inschrijvingsgeld dat berekend wordt door het aantal lestijden van de module waarvoor men zich heeft ingeschreven te vermenigvuldigen met 0,30 euro:

- op het moment van inschrijving een inkomen verwerven via een wachtuitkering of een werkloosheidsuitkering of ten laste zijn van deze categorie;

- op het moment van inschrijving in het bezit zijn van één van volgende attesten of ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van één van de volgende attesten:

o een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een arbeidsongeschiktheid blijkt van ten minste 66 percent;

o een attest waaruit het recht blijkt op een integratietegemoetkoming aan gehandicapten;

o een attest waaruit de inschrijving bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap blijkt;

o een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;

o een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven punten.

- gedurende twee opeenvolgende schooljaren een opleiding uit een leergebied van de basiseducatie gevolgd hebben gedurende ten minste 120 lestijden en dit voorafgaand aan het schooljaar van inschrijving in een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs. Deze vrijstelling wordt toegepast voor elke inschrijving in een Centrum voor Volwassenenonderwijs gedurende het betreffende schooljaar. Een cursist die zich tijdens het betreffende schooljaar inschrijft voor meerdere modules wordt bij inschrijving voor elk van deze modules gedeeltelijk vrijgesteld van het inschrijvingsgeld.

8.3.2.1.3. Cursisten die een gedeeltelijke vrijstelling van inschrijvingsgeld genieten en slechts 0,60 euro betalen (zie ook 8.3.2.1.1)

Cursisten die een opleiding volgen van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 betalen een inschrijvingsgeld dat berekend wordt door het aantal lestijden van de module waarvoor men zich heeft ingeschreven te vermenigvuldigen met 0,60 euro.

8.3.2.2. Attesten voor vrijstelling

Een cursist moet zijn recht op vrijstelling staven middels een attest. De attesten die aanleiding kunnen geven tot vrijstelling van het inschrijvingsgeld worden per categorie beschreven in een vademecum.

Over de geldigheid van nieuwe attesten die niet in bovenvermeld vademecum zijn opgenomen, kunnen aan de afdeling Volwassenenonderwijs steeds vragen worden voorgelegd. Indien deze attesten geldig zijn, zullen ze vervolgens worden toegevoegd aan het vademecum.

8.3.2.3. Vrijstellingen voor cursisten uit de Europese Unie

Cursisten kunnen volledige of gedeeltelijke vrijstelling van inschrijvingsgeld verkrijgen op basis van een attest uitgereikt door een lidstaat van de Europese Unie. Hiermee worden ook de attesten bedoeld uitgereikt door de Franstalige Gemeenschap, het Waals Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of de Duitstalige Gemeenschap.

Een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan cursisten op basis van deze attesten slechts onder voorbehoud vrijstellen van inschrijvingsgeld. Dit voorbehoud wordt pas gelicht nadat de afdeling Volwassenenonderwijs de rechtsgeldigheid van het attest heeft onderzocht. Indien het attest niet rechtsgeldig is, dan is de cursist slechts financierbaar of subsidieerbaar als hij onmiddellijk het verschuldigde inschrijvingsgeld betaalt.

8.3.3. Begrenzing van het inschrijvingsgeld

8.3.3.1. Begrenzing op 300 euro per semester voor modulaire opleidingen en 600 euro per schooljaar voor lineaire opleidingen

Vanaf het schooljaar 2015-2016 betaalt een cursist een maximum van 300 euro inschrijvingsgeld per semester voor een modulaire opleiding van het secundair volwassenenonderwijs, het hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding. Een semester is een periode van 1 september tot en met 31 december of een periode van 1 januari tot en met 31 augustus. De startdatum van de module bepaalt tot welke periode de module gerekend wordt. De einddatum van de module heeft hierbij geen belang. Wanneer de cursist tijdens een semester meerdere opleidingen volgt, dan betaalt hij per gevolgde opleiding een maximum van 300 euro.

Voor een lineaire opleiding van het hoger beroepsonderwijs geldt een plafond per opleiding per schooljaar van 600 euro.

De plafonnering per semester of per schooljaar is niet overdraagbaar naar een ander centrum.

8.3.3.2. Toepassing van de begrenzing van het inschrijvingsgeld

Het plafond per modulaire opleiding per semester of per lineaire HBO5-opleidingper schooljaar kan in geen geval overschreden worden.

Vanaf 1 september 2015 wordt de begrenzing vastgesteld op 600 euro per schooljaar voor lineaire HBO5-opleidingen en op 300 euro per semester voor de modulaire opleidingen van zowel het secundair volwassenenonderwijs, het hoger beroepsonderwijs als de specifieke lerarenopleiding.

De plafonnering van het inschrijvingsgeld kan dan ook beschouwd worden als een categorie van gedeeltelijke vrijstelling van het inschrijvingsgeld. De gederfde inschrijvingsgelden als gevolg van de plafonnering worden via het Fonds gecompenseerd (zie punt 8.2.3).

8.3.3.3. Bewijslast voor de begrenzing van het inschrijvingsgeld

De bewijslast voor de toepassing van de plafonnering per semester of schooljaar en per opleiding wordt bij de cursist gelegd. De cursist moet aantonen welk bedrag aan inschrijvingsgeld hij reeds betaald heeft voor een bepaalde opleiding. Het Centrum voor Volwassenenonderwijs is daarentegen gehouden bij betaling van het inschrijvingsgeld steeds een betalingsbewijs aan de cursist te overhandigen (zie punt 8.2.1.4).

8.4. Fonds Inschrijvingsgelden Centra voor Volwassenenonderwijs

8.4.1. Doelstelling van het Fonds

Het Fonds Inschrijvingsgelden Centra voor Volwassenenonderwijs (Fonds) staat in voor het financiële beheer van de inschrijvingsgelden van de centra en de werkingsmiddelen voor de Centra voor Volwassenenonderwijs die ter beschikking worden gesteld door de onderwijsbegroting.

Op basis van het Fonds garandeert de overheid vanaf het schooljaar 2015-2016 een bedrag van 0,80 euro aan werkingsmiddelen per lesuurcursist.

8.4.2. Inkomsten voor het Fonds

Vanaf het schooljaar 2015-2016 heeft het Fonds volgende inkomsten:

- een vordering van 0,70 euro per lestijd op de ontvangen inschrijvingsgelden van volledig betalende cursisten van de Centra voor Volwassenenonderwijs;

- jaarlijkse dotatie(s) van de Vlaamse Gemeenschap;

- terugvorderingen van onterecht uitbetaalde middelen.

8.4.3. Aanwending van de middelen van het Fonds

De middelen van het Fonds worden - in onderstaande volgorde - aangewend voor:

- de terugbetaling van de gederfde inschrijvingsgelden;

- de toekenning van werkingsmiddelen voor nijverheidstechnische opleidingen;

- de toekenning van premies aan cursisten;

- de toekenning van middelen voor de basisuitrusting of de beveiliging van de bestaande uitrustingsgoederen van de Centra voor Volwassenenonderwijs.

8.4.3.1. Terugbetaling van gederfde inschrijvingsgelden

Met de middelen uit het Fonds worden vanaf het schooljaar 2015-2016 volgende bedragen aan gederfde inschrijvingsgelden betaald:

- 0,80 euro per lesuurcursist voor de categorieën die een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld genieten en voor de vrijstellingen verleend door toepassing van de begrenzing van het inschrijvingsgeld;

- 0,50 euro per lesuurcursist voor de categorieën die een verminderd inschrijvingsgeld van 0,30 euro per lestijd genieten;

- 0,20 euro per lesuurcursist voor de cursisten van de opleidingen uit de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 die een inschrijvingsgeld van 0,60 euro per lestijd betaald hebben.

8.4.3.2. Werkingsmiddelen voor nijverheidstechnische opleidingen

Een Centrum voor Volwassenenonderwijs ontvangt 0,30 euro per lesuurcursist voor de opleidingen van de studiegebieden ambachtelijk erfgoed, afwerking bouw, auto, bakkerij, chemie, drankenkennis, horeca, ICT-technieken, koeling en warmte, land- en tuinbouw, lassen, lichaamsverzorging, maritieme diensten, mechanica-elektriciteit, meubelmakerij, ruwbouw, schrijnwerkerij, slagerij en textiel.

8.4.3.3. Premie aan cursisten

Er wordt een premie betaald uit het Fonds aan cursisten die gelijk is aan het volledig betaalde inschrijvingsgeld aan cursisten die een eerste keer het diploma secundair onderwijs via het volwassenenonderwijs behaald hebben.

Voor het bepalen van deze premie wordt het inschrijvingsgeld in rekening gebracht dat de cursist betaald heeft vanaf 1 september 2007, rekening houdend met de volledige of gedeeltelijke vrijstelling van inschrijvingsgeld waarvan de cursist heeft genoten.

Om een premie te verkrijgen, moet de cursist een aanvraagdossier indienen bij de afdeling Volwassenenonderwijs, secretariaat 7 A 17, Koning Albert II-laan 15 te 1210 Brussel.

Dit aanvraagdossier bestaat uit:

- het ingevulde aanvraagformulier (zie bijlage 8);

- een kopie van het behaalde diploma secundair onderwijs;

- de originele bewijsstukken van de betaling van het inschrijvingsgeld door de cursist, uitgereikt door het Centrum of de Centra voor Volwassenenonderwijs waar de cursist de opleiding geheel of gedeeltelijk heeft gevolgd. Het betreft hier de betalingsbewijzen zoals bedoeld in punt 8.2.1.4. Op de betalingsbewijzen moet het aantal lestijden van de gevolgde opleidingsonderdelen vermeld worden.

In sommige studiegebieden zijn er modules die niet alleen deel uitmaken van een diplomagerichte opleiding, maar ook van andere opleidingen binnen datzelfde studiegebied. Dit zijn de zogenaamde gemeenschappelijke modules. Een cursist die een gemeenschappelijke module volgt in een andere opleiding maar later de stap zet naar een diplomagerichte opleiding, kan bij het aanvragen van de premie ook het originele bewijsstuk van het inschrijvingsgeld dat hij voor de gemeenschappelijke module heeft betaald, in rekening brengen.

De cursist kan uiterlijk één jaar na het uitreiken van het diploma een premie aanvragen. Hierbij wordt rekening gehouden met de datum vermeld op het diploma.

De afdeling Volwassenenonderwijs informeert de cursist na uiterlijk 45 kalenderdagen of het aanvraagdossier voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de premie. Indien dit het geval is, informeert de afdeling Volwassenenonderwijs de cursist ook over de betalingstermijn waarbinnen de premie zal worden uitbetaald.

8.4.4. Verrekeningen van vorderingen en ontvangsten

De afrekening tussen de vorderingen op de ontvangen inschrijvingsgelden (zie 8.3.2) en de toekenning van middelen uit het Fonds gebeurt tweemaal per jaar na afloop van de verificatie van de voorbije referteperiode. In maart van het jaar n wordt de afrekening gedaan van de inschrijvingsgelden van de deelreferteperiode 01/04/n-1 tot 30/06/n-1. In november van het jaar n wordt de afrekening gedaan van de inschrijvingsgelden van de deelreferteperiode 01/09/n-1 tot 31/03/n. De betaling van de middelen voor nijverheidstechnische opleidingen gebeurt in november van het jaar n voor de lesurencursist van de referteperiode van 01/04/n-1 tot 31/03/n. De gederfde inschrijvingsgelden wegens bereiken van de begrenzing tot 300 euro per semester en van de begrenzing tot 600 euro per schooljaar gebeurt in maart van het jaar n voor het schooljaar n-2/n-1.

Het bedrag dat een centrum moet doorstorten naar het Fonds wordt vastgesteld op basis van het aantal lesurencursist en de toegekende volledige of gedeeltelijke vrijstellingen van het betalen van inschrijvingsgeld. Na verificatie wordt bepaald hoeveel lesurencursist gegenereerd werden door volledig betaalde en hoeveel door volledig of gedeeltelijk vrijgestelde cursisten.

Vervolgens wordt het verschil berekend tussen de ontvangen inschrijvingsgelden en het aantal lesurencursist vermenigvuldigd met 0,80 euro vanaf het schooljaar 2015-2016:

- indien het verschil positief is, moet het centrumbestuur het overeenkomstige bedrag doorstorten naar het Fonds;

- indien het verschil negatief is, ontvangt het centrumbestuur het overeenkomstige bedrag van het Fonds.

Alvorens tot uitbetaling of vordering over te gaan, deelt de afdeling Volwassenenonderwijs aan elk centrumbestuur het vastgestelde bedrag mee. Elk centrumbestuur moet binnen de veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving haar opmerkingen omtrent het vastgestelde bedrag meedelen aan de afdeling Volwassenenonderwijs.

In geval van uitbetaling deelt de afdeling Volwassenenonderwijs het bij hen gekende rekeningnummer mee. Indien dit rekeningnummer moet gewijzigd worden, dient dit aan de afdeling Volwassenenonderwijs gemeld te worden met het formulier 'Melding van wijziging van een rekeningnummer'. Dit formulier is als bijlage 9 bij deze omzendbrief gevoegd.

8.5. Speciale onderwijsleermiddelen

De speciale onderwijsleermiddelen die centra kunnen aanvragen worden in de omzendbrief VWO/2009/01 toegelicht.

9. Projectfinanciering of -subsidiëring

9.1. Aanvullende financiering of subsidiëring voor projecten gecombineerd onderwijs

9.1.1. Aanvraagdossier

Een centrum dat opleidingen in gecombineerd onderwijs met minimaal 50 procent van de totale opleiding en minstens 200 lestijden afstandsonderwijs wil organiseren en in aanmerking wil komen voor een aanvullende financiering of subsidiëring ter ondersteuning en stimulering van het gecombineerd onderwijs, dient hiertoe uiterlijk op 30 april van het voorafgaande schooljaar een aanvraag in bij de afdeling Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be. Omwille van praktische redenen stelt de oproep echter 31 maart als indieningsdatum voorop. Dit laat de administratie toe de dossiers tijdig te verwerken. Hiertoe dient het centrum het aanvraagformulier te gebruiken dat als bijlage 10 bij deze omzendbrief is toegevoegd.

9.1.2. Ontvankelijkheidscriteria

De aanvraag is alleen ontvankelijk als ze voldoet aan volgende criteria:

- het heeft betrekking op modules van een erkende en gefinancierde of gesubsidieerde opleiding waarvoor het centrumbestuur nog geen aanvullende financiering of subsidiëring ter ondersteuning en stimulering van gecombineerd onderwijs heeft gekregen;

- het omvat een luik afstandsonderwijs dat minimaal 50 percent van het totale aantal lestijden van de volledige opleiding bedraagt en minstens 200 lestijden omvat;

- er is een openleercentrum voorzien;

- het gescande protocol van de onderhandeling over het gecombineerd onderwijs in het lokaal comité is bij de aanvraag gevoegd.

De bevoegde administratie beoordeelt de ontvankelijkheid van elke aanvraag en betrekt de representatieve vakorganisaties bij de beoordeling van het toegevoegde gescande protocol van de onderhandeling over het gecombineerd onderwijs.

9.1.3. Selectiecriteria

De ontvankelijke aanvragen worden beoordeeld door een selectiecommissie die rekening zal houden met de volgende criteria:

- de inbedding van het gecombineerd onderwijs binnen de totale onderwijskundige organisatie en de innovatieve draagkracht van de betrokken centra, publieke opleidingsverstrekkers of organisaties;

- de organisatie van het gecombineerd onderwijs en de afstemming van het gedeelte afstandsonderwijs op het gedeelte contactonderwijs;

- de effectiviteit van het gecombineerd onderwijs inzake overdraagbaarheid, visie- en materiaalontwikkeling;

- de mate van betrokkenheid van het personeel;

- de flexibiliteit van het aanbod;

- de samenwerkingsverbanden en netwerken met centra, publieke opleidingsverstrekkers of organisaties;

- de kwaliteitszorg.

De selectiecommissie draagt aan de Vlaamse Regering de aanvragen voor die op basis van bovenstaande criteria gunstig zijn beoordeeld en het aantal toe te kennen leraarsuren per gunstig beoordeelde aanvraag.

9.1.4. Voorrangscriteria

De Vlaamse Regering bepaalt aan welke door de selectiecommissie gunstig beoordeelde aanvragen een aanvullende financiering of subsidiëring wordt toegekend voor het gecombineerd onderwijs en verleent daarbij voorrang aan aanvragen die aan een of meer van de volgende voorwaarden voldoen:

- aanvragen die betrekking hebben op diplomagerichte opleidingen of onderwijs aan gedetineerden;

- aanvragen die een integrale opleiding omvatten;

- aanvragen die betrekking hebben op gecombineerd onderwijs dat minimaal 75 % afstandsonderwijs omvat;

- aanvragen die gegroeid zijn uit een samenwerking met andere centra, publieke opleidingsverstrekkers of andere organisaties.

Per goedgekeurde aanvraag kan de Vlaamse Regering respectievelijk minimaal 400 en maximaal 1.000 leraarsuren toekennen aan een Centrum voor Volwassenenonderwijs of minimaal 0,5 VTE en maximaal 1 VTE aan een Centrum voor Basiseducatie.

9.1.5. Engagementen van het centrumbestuur

Bij de aanvraag moeten de gemandateerden van het centrumbestuur zich engageren om:

- het ontwikkelde gecombineerd onderwijs ook effectief te organiseren binnen een termijn van maximaal twee schooljaren;

- gedurende de looptijd van het gecombineerd onderwijs alle gegevens te verzamelen die de realisatie van de vooropgestelde doelstellingen kunnen aantonen; deze gegevens betreffen minimaal:

o het aantal ingeschreven cursisten;

o het aantal financierbare of subsidieerbare cursisten;

o de scholingsgraad van de cursisten;

o het aantal cursisten dat deelneemt aan de evaluaties;

o het aantal geslaagde cursisten;

o het aantal en de aard van de uitgereikte studiebewijzen;

- onderling samen te werken met andere centrumbesturen die tijdens hetzelfde schooljaar een aanvullende financiering of subsidiëring voor het gecombineerd onderwijs ontvangen zodat de uitwisselbaarheid van de knowhow inzake cursusmateriaal en begeleiding van afstandsonderwijs gegarandeerd wordt;

- tevredenheidsmetingen uit te voeren bij de cursisten en de leraars en de resultaten van de tevredenheidsmeting bij de leraars ter beschikking te stellen van het bevoegde lokale comité;

- de stuurgroep op regelmatige tijdstippen over de voortgang van het gecombineerd onderwijs te informeren.

9.1.6. Eindrapport

Uiterlijk 14 maanden (31 oktober) na het aflopen van de aanvullende financiering of subsidiëring voor het project gecombineerd onderwijs dient het centrumbestuur een eindrapport in bij de afdeling Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be.

Het eindrapport bevat ten minste:

- een evaluatie;

- een verslag van de activiteiten;

- de gegevens die de realisatie van de vooropgestelde doelstellingen kunnen aantonen (zie 9.1.5)

- de resultaten van de tevredenheidsmetingen bij de cursisten en de leraars (zie 9.1.5).

9.2. Zomeraanbod Nederlands tweede taal door de Centra voor Volwassenenonderwijs

9.2.1. Aanvraagdossier

Een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 wil organiseren in de maanden juli en augustus en hiervoor financiering of subsidiëring wenst te ontvangen, dient hiertoe uiterlijk op 31 maart een aanvraag in bij de afdeling Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be. Het dossier wordt uitsluitend via elektronische weg ingediend.

Centra voor Volwassenenonderwijs mogen meerdere aanvragen indienen.

9.2.2. Ontvankelijkheidscriteria

De aanvraag is alleen ontvankelijk als ze voldoet aan volgende criteria:

- ze heeft betrekking op de modules Nederlands tweede taal breakthrough persoonlijk en Nederlands tweede taal breakthrough publiek van de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2;

- het aantal lestijden van de module(s) waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt vermeld;

- de startdatum van de module(s) waarop de aanvraag betrekking heeft, bevindt zich in de maanden juli of augustus;

- het gescande protocol van de onderhandeling over de organisatie van aanbod Nederlands tweede taal in de maanden juli en augustus is bij de aanvraag gevoegd.

De bevoegde administratie beoordeelt de ontvankelijkheid van elke aanvraag.

9.2.3. Voorrangscriteria

De Vlaamse Regering bepaalt aan welke door de bevoegde administratie ontvankelijk verklaarde aanvragen financiering of subsidiëring wordt toegekend voor het zomeraanbod Nederlands tweede taal en verleent daarbij voorrang aan aanvragen die aan een of meer van de volgende voorwaarden voldoen:

- aanvragen van Centra voor Volwassenenonderwijs die op het moment van de aanvraag beschikken over een wachtlijst voor de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1;

- aanvragen die betrekking hebben op de organisatie van opleidingen Nederlands tweede taal voor inburgeraars die prioriteit genieten voor een inburgeringstraject;

- aanvragen van de Centra voor Volwassenenonderwijs die het meest aantal lesurencursist in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 hebben gegenereerd in de laatst afgesloten referteperiode.

Indien een Centrum voor Volwassenenonderwijs meerdere aanvragen heeft ingediend, dan wordt de tweede aanvraag pas goedgekeurd nadat er financiering of subsidiëring zijn toegekend aan de ontvankelijke aanvragen van de andere centra.

9.2.4. Modaliteiten m.b.t. de uitbetaling van de middelen

Het centrumbestuur ontvangt voor de goedgekeurde aanvragen een subsidie van 86,36 euro per lestijd (niet-geïndexeerd bedrag).

De subsidie wordt uitbetaald in twee schijven:

- een voorschot van 50 percent na de beslissing van de Vlaamse Regering;

- het saldo van 50 percent na controle van het eindrapport (zie 9.2.5).

De cursisten die zijn ingeschreven in het zomeraanbod Nederlands tweede taal, komen niet in aanmerking voor de berekening van lesurencursist. Er kan door het centrum ook geen inschrijvingsgeld gevraagd worden aan de cursist.

9.2.5. Proces-verbaal van de evaluatie

Uiterlijk 1 maand (30 september) na het aflopen van het zomeraanbod Nederlands tweede taal dient het centrumbestuur het proces-verbaal van de evaluatie in bij de afdeling Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be.

9.3. Extra middelen NT2 in het kader van de vluchtelingencrisis

In het kader van de vluchtelingencrisis heeft de Vlaamse overheid in de begroting 2017 een extra budget van 9,8 miljoen euro voorzien om acute noden in de organisatie van aanbod NT2 te kunnen opvangen. Deze eenmalige middelen kunnen in de CVO enkel aangewend worden voor de aanstelling van bijkomende leraren SVWO binnen de studiegebieden NT2, bijkomende aanstellingen binnen de puntenenveloppe (administratief medewerker en adjunct-directeur SVWO) en de werking van de centra met betrekking tot het NT2-aanbod. In de CBE kunnen deze eenmalige middelen enkel aangewend worden voor de aanstelling van bijkomende leraren binnen het leergebied NT2, bijkomende aanstellingen binnen de puntenenveloppe (administratief medewerker en adjunct-directeur) en de werking van de centra met betrekking tot het NT2-aanbod.

9.3.1. Verdelingsmechanisme

Voor de Centra voor Volwassenenonderwijs worden ten laste van het begrotingsjaar 201756.879 aanvullende leraarsuren, 831 aanvullende punten en 513.031,18 euro aan werkingsmiddelen ter beschikking gesteld. Voor de Centra voor Basiseducatie worden 65 aanvullende vte, 1074 aanvullende punten en 769.546,77 euro aan werkingsmiddelen toegekend. De Vlaamse Regering beschikt over de mogelijkheid om de verdeling van deze middelen aan te passen.

De initiële verdeling van de middelen gebeurt op basis van het aantal unieke cursisten NT2 en alfa NT2 in een inburgeringstraject .

9.3.2. Aanwending van de middelen

De beschikbare middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van de studiegebied NT2 en van de leergebieden NT2 en alfabetisering NT2 die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. Alleen modules diestarten na 1/1/2016 kunnen met deze extra middelen gefinancierd worden. Het is niet mogelijk om personeel vast te benoemen of te muteren in de betrekkingen die ontstaan naar aanleiding van deze middelen.

Meer informatie over deze extra middelen is gepubliceerd op de website van het volwassenenonderwijs: http://www.ond.vlaanderen.be/volwassenenonderwijs/directies/financiering.htm#Extra_middelen_NT2_vluchtelingencrisis

10. Bijlagen

Bijlage 1 - Verklaring van de afbouw van een centrum voor volwassenenonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3160 (doc. nr. 3160)

Bijlage 2 - Verklaring van de fusie van centra voor volwassenenonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3159 (doc. nr. 3159)

Bijlage 3 - Verklaring van de overheveling binnen dezelfde vestigingsplaats van een of meer SVWO-studiegebieden tussen twee centra voor volwassenenonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=7487 (doc. nr. 7487)

Bijlage 5 - Aanvraag van een 120%-financiering of subsidiëring van gecombineerd onderwijs voor volwassenen

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3700 (doc. nr. 3700)

Bijlage 6 - Aanrekening punten oprichting deeltijdse betrekkingen

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4501 (doc. nr. 4501)

Bijlage 7 - Punten voor de oprichting van deeltijdse betrekkingen

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3161 (doc. nr. 3161)

Bijlage 8 - Aanvraag van een premie voor de inschrijving in een centrum voor volwassenenonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3833 (doc. nr. 3833)

Bijlage 9 - Melding van de wijziging van een rekeningnummer

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3834 (doc. nr. 3834)

Bijlage 10 - Aanvraag van aanvullende financiering of subsidiëring voor gecombineerd onderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4847 (doc. nr. 4847)