De erkenning en financiering of subsidiëring van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie

  • referentie
    VWO/2011/01
  • publicatiedatum
    15/06/2011
  • datum laatste wijziging
    25/04/2019
  • wettelijke basis
    Decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 betreffende de toelatingsvoorwaarden voor het volwassenenonderwijs
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2007 tot regeling van een aantal aangelegenheden voor de Centra voor Volwassenenonderwijs in uitvoering van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot regeling van een aantal aangelegenheden voor de Centra voor Basiseducatie in uitvoering van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 betreffende de organisatie van het opleidingsaanbod in het volwassenenonderwijs
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2019 betreffende de inschrijvingsgelden in het volwassenenonderwijs en de werkingstoelage voor de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs
  • opheffing
    VWO/2007/02 (CBE)
  • opheffing
    VWO/2007/01 (CVO)
  • contactpersoon
    Evelyn Laermans, 02 553 98 35
  • contactpersoon
    ,
  • contactpersoon
    Lien Van der Elst, 02 553 86 56
  • contactpersoon
    financiering.volwassenenonderwijs@ond.vlaanderen.be,
  • contactpersoon
    Katlijn Schroyens, 02 553 96 13
  • contactpersoon
    ,
  • contactpersoon
    Liesbet Vermandere, 02 553 96 17
  • contactpersoon
    liesbet.vermandere@ond.vlaanderen.be,
  • Deze omzendbrief bevat alle richtlijnen inzake de erkenning en de financiering of subsidiëring van het volwassenenonderwijs ingericht door de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie.
  • De overheid wenst zo de centra op een transparante en eenduidige wijze te informeren. Deze omzendbrief zal op regelmatige tijdstippen geactualiseerd worden.
  • Naar aanleiding van het decreet en de uitvoeringsbesluiten betreffende het nieuwe financieringssysteem voor het volwassenenonderwijs zijn er diverse wijzigingen aangebracht die (tenzij anders vermeld) op 1 september 2019 ingaan .
  • In het kader van het CAO -XI -decreet worden er voor de CVO aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding voorzien.
  • Naar aanleiding van onderwijsdecreet XXIX worden er voor de CBE aanvullende punten en aanvullende werkingsmiddelen voorzien als gevolg v an de statutarisering en een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld voor jongeren die zich in een CVO inschrijven voor de opleiding Ondernemerschap en tegelijk ingeschreven zijn in het leerplichtonderwijs.
  • I n overeenstemming met de begroting 2019 werden er wijzigingen aangebracht m.b.t. de extra middelen voor het NT2-aanbod (zie punten 4.4. en 9.3).

1. De oprichting en erkenning van de centra

1.1. De algemene erkenningsvoorwaarden voor de centra

De instelling die erkend wil blijven als Centrum voor Basiseducatie of als Centrum voor Volwassenenonderwijs, dient aan een aantal voorwaarden te voldoen:

1° het centrum moet de internationaalrechtelijke. en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens eerbiedigen en in het geheel van de werking toepassen;

2° het centrum moet georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een centrumbestuur;

3° het centrum moet gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden inzake hygiëne en bewoonbaarheid voldoen;

4° het centrum moet de controle van de onderwijsinspectie of, indien het gaat om opleidingen van het hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding, een ander daarvoor door de Vlaamse Regering aangewezen orgaan mogelijk maken;

5° het centrum moet beschikken over didactisch materiaal en een centrumuitrusting die beantwoorden aan de agogische vereisten;

6° het centrum dient de bepalingen na te leven over de taalregeling en de taalkennis van het personeel (zie omzendbrief PERS/2010/01);

7° het centrum dient een structuur aan te nemen zoals bepaald in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

8° het centrum moet beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen over eindtermen, specifieke eindtermen, basiscompetenties, erkende beroepskwalificaties, opleidingsprofielen en leerplannen;

9° het centrum moet zonder onderscheid elke cursist inschrijven voor de opleiding die deze wil volgen.

Een instelling die niet langer voldoet aan een of meer van deze voorwaarden, kan de erkenning verliezen voor het geheel van het centrum of voor één of meerdere structuuronderdelen.

1.2. De specifieke erkenningsvoorwaarden voor de centra

De instellingen die erkend zijn als Centrum voor Basiseducatie kunnen uitsluitend opleidingen inrichten op niveau van de basiseducatie. De betrokken instellingen zijn gehouden de term 'Centrum voor Basiseducatie' (afgekort CBE) duidelijk zichtbaar in hun benaming te voeren.

De instelling die erkend zijn als Centrum voor Volwassenenonderwijs kunnen uitsluitend opleidingen inrichten op niveau van het secundair volwassenenonderwijs en het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding. De betrokken instellingen zijn gehouden de term 'Centrum voor Volwassenenonderwijs’ (afgekort CVO) duidelijk zichtbaar in hun benaming te voeren.

De centra delen elke wijziging van hun officiële benaming onmiddellijk mee aan de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be.

1.3. De oprichting en erkenning van een nieuw centrum

Een instelling die erkend wil worden als Centrum voor Basiseducatie of als Centrum voor Volwassenenonderwijs dient hiertoe uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de oprichting een dossier voor een voorlopige erkenning in bij de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be. Uit het dossier moet blijken dat de instelling voldoet aan de erkenningsvoorwaarden 1°, 2°, 3°, 4°, 7° en 8° zoals beschreven in punt 1.1 en de erkenningsvoorwaarden vermeld in punt 1.2.

De inspectie voert na de indiening van de aanvraag een snel en gericht erkenningsonderzoek uit. Deze eerste fase van het erkenningsonderzoek kan tot twee verschillende resultaten

leiden:

– een positief advies voor voorlopige erkenning;

– een negatief advies voor een voorlopige erkenning.

Op basis van het advies van de onderwijsinspectie neemt de Vlaamse Regering

uiterlijk op 31 augustus voorafgaand aan de oprichting een beslissing over hetzij

voorlopige erkenning voor één schooljaar, hetzij niet-erkenning.

Uiterlijk zes maanden na de start van het schooljaar van voorlopige erkenning,

volgt de tweede fase van het erkenningsonderzoek. Dat is een doorlichting, waarbij de onderwijsinspectie nagaat of aan de onderwijsinstelling een erkenning verleend kan worden. De onderwijsinspectie gaat tijdens deze fase na of de onderwijsinstelling voldoet aan alle erkenningsvoorwaarden, beschreven in punt 1.1. en 1.2., aan de hand van een grondig en breed onderzoek. Deze doorlichting resulteert in een advies ‘erkenning’ of een advies ‘geen erkenning’.

De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van de

voorlopige erkenning. De eventuele beslissing tot ‘geen erkenning’ gaat pas in vanaf het daaropvolgende schooljaar, zodat de rechten van de cursisten (inzake studiebekrachtiging) tijdens het lopende schooljaar gewaarborgd blijven.

Erkenning betekent dat het centrumbestuur de bevoegdheid verwerft om aan cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen voor de erkende structuuronderdelen toe te kennen.

Een centrum dat erkend wordt, komt niet automatisch in aanmerking voor financiering of subsidiëring. Hiertoe moet het centrum voldoen aan de financiering- of subsidiëringvoorwaarden (zie punt 2) en aan de voorwaarden tot het verwerven van onderwijsbevoegdheid. Opleidingen van erkende Centra voor Volwassenenonderwijs komen enkel in aanmerking voor subsidiëring of financiering indien de onderwijsbevoegdheid is toegekend via geldende procedures (zie omzendbrief VWO/2011/03) of via overheveling (zie 3.4).

2. De financierings- of subsidiëringsvoorwaarden van de centra

2.1. De rationalisatienormen van erkende en gefinancierde of gesubsidieerde centra

Een erkend Centrum voor Basiseducatie of Centrum voor Volwassenenonderwijs dat in aanmerking wil blijven komen voor financiering of subsidiëring moet voldoen aan een rationalisatienorm.

Deze rationalisatienorm bedraagt 60.000 lesurencursist voor een Centrum voor Basiseducatie.

Vanaf 1 september 2019 gelden voor een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs organiseert verschillende rationalisatienormen. Deze rationalisatienormen moeten behaald worden, hetzij door voldoende lesurencursist gegenereerd te hebben in de opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs, hetzij met behulp van overgedragen leraarsuren bij overheveling van één of meer studiegebieden van het secundair volwassenenonderwijs. Bij een centrum dat zelf leraarsuren overdraagt, worden deze niet meegerekend voor de berekening van het aantal lesurencursist van de rationalisatienorm. De overgedragen leraarsuren worden volgens de berekeningsformule vermeld in artikel 98 van het decreet terug omgerekend naar lesurencursist. De rationalisatienormen bedragen:

- 700.000 lesurencursist voor een Centrum voor Volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van meer dan 300 inwoners per km² geldt.

- 360.000 lesurencursist voor een Centrum voor Volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van 300 of minder inwoners per km² geldt.

Voor een centrum met meerdere vestigingsplaatsen wordt de totale bevolking van deze gemeenten gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km². Voor de vestigingsplaats Brussel-Hoofdstad wordt de totale bevolking van het tweetalig gebied Brussel-hoofdstad gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km². Voor de bepaling van het aantal inwoners per km² wordt de meest recente berekening van het Nationaal Instituut voor de Statistiek (http://statbel.fgov.be/ ) gebruikt;

- 525.000 lesurencursist voor een Centrum voor Volwassenenonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats op 1 januari 2017 ligt in:

- het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;

- de rand- en taalgrensgemeenten;

- de voormalige mijngemeenten Beringen, Genk, Houthalen-Helchteren, Heusden-Zolder en Maasmechelen;

- 200.000 lesurencursist voor een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat:

- opleidingen van maximaal één studiegebied van het secundair volwassenenonderwijs organiseert;

- opleidingen van maximaal twee studiegebieden van het secundair volwassenenonderwijs organiseert, waarvan op 1 februari 2017 één studiegebied uniek in Vlaanderen was.

Vanaf 1 september 2019 moet een Centrum voor Basiseducatie of een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat gedurende twee opeenvolgende referteperiodes de rationalisatienorm niet haalt, hetzij afbouwen (zie 3.1), hetzij fusioneren met een ander centrum (zie 3.2).

2.2. De aanvullende subsidiëringsvoorwaarden voor de Centra voor Basiseducatie

Een Centrum voor Basiseducatie dat in aanmerking wil komen voor subsidiëring moet naast het behalen van de rationalisatienorm voldoen aan volgende voorwaarden:

- het Centrum voor Basiseducatie moet haar onderwijsactiviteiten (zowel werving als inrichting) spreiden over de totaliteit van haar werkingsgebied, rekening houdend met de demografische kenmerken;

- het Centrum voor Basiseducatie moet opgericht zijn als een pluralistisch centrum. Dit betekent dat de Centra voor Basiseducatie hun werking en hun agogisch project niet kunnen baseren op politieke, religieuze, ideologische of levensbeschouwelijke opvattingen;

- een Centrum voor Basiseducatie moet opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk;

- de algemene vergadering van het Centrum voor Basiseducatie dient voor ten minste een vierde te bestaan uit vertegenwoordigers van lokale besturen (= gemeenten, provincies, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, OCMW's of districten). Het Centrum voor Basiseducatie Brussel dient als vervanging van deze vertegenwoordigers van lokale besturen ten minste één vertegenwoordiger van de Vlaamse Gemeenschapscommissie in haar algemene vergadering op te nemen.

De Vlaamse Regering subsidieert slechts één Centrum voor Basiseducatie per werkingsgebied.

Indien er in een bepaald werkingsgebied geen Centrum voor Basiseducatie gesubsidieerd wordt, en meerdere centra dienen een aanvraag tot subsidiëring in, dan kent de Vlaamse Regering de subsidiëring toe aan het Centrum voor Basiseducatie dat het grootste volume aan lesurencursist genereerde in de referteperiode voorafgaand aan de aanvraag.

2.3. De financierings- of subsidiëringsvoorwaarden voor een nieuw erkend Centrum voor Volwassenenonderwijs

Een nieuw Centrum voor Volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs dat een erkenning heeft verkregen, komt pas in aanmerking voor financiering of subsidiëring wanneer het aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

  • in een bepaalde referteperiode 800.000 lesurencursist gegenereerd heeft in één of meerdere vestigingsplaatsen waarvoor een bevolkingsdichtheid van meer dan 300 inwoners per km² geldt;
  • in een bepaalde referteperiode 360.000 lesurencursist gegenereerd heeft in één of meerdere vestigingsplaatsen waarvoor een bevolkingsdichtheid van minder dan 300 inwoners per km² geldt.

Voor een centrum met meerdere vestigingsplaatsen wordt de totale bevolking van deze gemeenten gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km². Voor de vestigingsplaats Brussel-Hoofdstad wordt de totale bevolking van het tweetalig gebied Brussel-hoofdstad gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km². Voor de bepaling van het aantal inwoners per km² wordt de meest recente berekening van de het Nationaal Instituut voor de Statistiek (http://statbel.fgov.be/) gebruikt;

Een nieuw Centrum voor Volwassenenonderwijs dat nog niet in aanmerking komt voor financiering of subsidiëring, kan geen leraarsuren of punten ontvangen van een ander Centrum voor Volwassenenonderwijs via overdracht (zie 7).

3. Afbouw, fusie, splitsing en overheveling

3.1. Afbouw

Een centrum dat niet langer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden of aan de financiering- of subsidiëringvoorwaarden dient afgebouwd te worden. Afbouw gebeurt door de geleidelijke sluiting van alle structuuronderdelen.

De afbouw gaat in vanaf het schooljaar dat volgt op de referteperiode waarin het centrum de erkenning verloren heeft of waarin het niet langer voldoet aan de financiering- of subsidiëringvoorwaarden.

De cursisten die ingeschreven zijn in het betreffende centrum op het ogenblik dat beslist wordt tot afbouw, moeten de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek kunnen beëindigen. Met een normaal tijdsbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een eenheid, module of leerjaar.

De afbouw moet gerealiseerd worden binnen een periode van drie opeenvolgende schooljaren voor een modulaire opleiding.

Een verklaring van afbouw wordt opgesteld in overeenstemming met het modelformulier dat als bijlage 1 aan deze omzendbrief is toegevoegd. De verklaring wordt voor 31 mei voorafgaand aan het schooljaar waarin de afbouw start aan de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs toegezonden, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be.

3.2. Fusie

Elke fusie vindt in één keer plaats (en dus niet progressief) en op 1 september. Vanaf de fusie bestaat er nog slechts één centrumbestuur en één directeur.

De afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs voegt ambtshalve het pakket lesuurcursist van de fuserende centra samen. Het fuserende Centrum voor Volwassenenonderwijs kan de vestigingsplaatsen van de samenstellende centra behouden.

Er is geen fusie mogelijk tussen een Centrum voor Basiseducatie en een Centrum voor Volwassenenonderwijs. Bij fusie tussen Centra voor Volwassenenonderwijs die tot een verschillend onderwijsnet behoren, dient voorafgaandelijk een overdracht naar een ander centrumbestuur te gebeuren, zodat alle instellingen tot één en hetzelfde net behoren.

Een fusieverklaring wordt opgesteld in overeenstemming met het modelformulier, dat als bijlage 2 bij deze omzendbrief is opgenomen. De centra die willen fusioneren, zenden aan de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be, hun fusieverklaring voor 31 mei voorafgaand aan het schooljaar waarin de fusie start. In uitzonderlijke omstandigheden, kan van deze datum worden afgeweken.

3.3. Splitsing

Wanneer een centrumbestuur de werking van een bepaald centrum wenst te ontdubbelen in twee verschillende centra, dan wordt dit beschouwd als de oprichting van een nieuw centrum en dient de procedure gevolgd te worden die beschreven staat in punt 1.3.

Indien er als gevolg van een splitsing twee Centra voor Basiseducatie zouden ontstaan binnen eenzelfde werkingsgebied, dan wordt alleen het Centrum voor Basiseducatie dat het grootste volume aan lesurencursist genereert, gesubsidieerd.

3.4. Overheveling van structuuronderdelen

De overheveling van structuuronderdelen is de overbrenging van een deel van het onderwijsaanbod van het ene centrum naar het andere centrum, al dan niet op grond van onderlinge uitwisseling en dit met de bedoeling deze structuuronderdelen onverminderd voor financiering of subsidiëring in aanmerking te laten komen. Het globale aanbod wordt door het mechanisme van overheveling enkel herschikt en niet verruimd.

Met structuuronderdeel wordt bedoeld: een studiegebied van het secundair volwassenenonderwijs of het geheel van het onderwijsaanbod, georganiseerd in een vestigingsplaats van een centrum.

Een overheveling van structuuronderdelen is alleen mogelijk tussen Centra voor Volwassenenonderwijs. De onderwijsbevoegdheid in een penitentiaire inrichting kan niet overgeheveld worden. Aangezien de Centra voor Basiseducatie een regionale werking kennen en over alle onderwijsbevoegdheid binnen het niveau basiseducatie beschikken, zijn de bepalingen m.b.t. overheveling voor hen zonder voorwerp.

Voor overhevelingen van studiegebieden van het secundair volwassenenonderwijs is de goedkeuring van de Vlaamse Regering enkel vereist indien de overheveling naar een andere vestigingsplaats geschiedt. Voor de aanvraag tot overheveling geldt steeds 15 februari van het voorafgaande schooljaar als uiterste indieningsdatum. Voor deze overhevelingen dienen de richtlijnen te worden gevolgd die opgenomen zijn in punt 8.2. van de omzendbrief m.b.t. de ontwikkeling van de opleidingsprofielen en de onderwijsbevoegdheid van de CBE en CVO).

Voor de overheveling van een studiegebied van het secundair volwassenenonderwijs naar een ander Centrum voor Volwassenenonderwijs dat onderwijsbevoegdheid heeft voor het secundair volwassenenonderwijs is geen goedkeuring van de Vlaamse Regering vereist, op voorwaarde dat de overheveling binnen dezelfde vestigingsplaats geschiedt. In dit geval volstaat een verklaring van de overheveling binnen dezelfde vestigingsplaats van één of meer SVWO-studiegebieden tussen twee centra voor volwassenenonderwijs, dat als bijlage 3 bij deze omzendbrief is opgenomen, en ondertekend door de centrumbesturen van het overhevelende en ontvangende Centrum voor Volwassenenonderwijs. De Centra voor Volwassenenonderwijs die een structuuronderdeel willen overhevelen, mailen aan de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs, gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be, hun verklaring van overheveling voor 31 mei voorafgaand aan het schooljaar waarin de overheveling start. In uitzonderlijke omstandigheden kan van deze datum worden afgeweken.

Overgehevelde structuuronderdelen kunnen enkel verder gefinancierd of gesubsidieerd worden als aan de volgende voorwaarden gelijktijdig voldaan is:

  • Elke overheveling gebeurt in één keer (en dus niet progressief) en op 1 september.
  • Het structuuronderdeel wordt gerangschikt als secundair volwassenenonderwijs

Het overhevelende Centrum voor Volwassenenonderwijs verliest de bevoegdheid om het structuuronderdeel in de vestigingsplaats waaruit het is overgeheveld, te blijven aanbieden.

Het ontvangende Centrum voor Volwassenenonderwijs verkrijgt door de overheveling het recht dit structuuronderdeel te organiseren in de vestigingsplaats waarnaar het is overgeheveld.

Elke overheveling moet het voorwerp uitmaken van onderhandeling in het lokaal comité van zowel het overhevelende als het ontvangende Centrum voor Volwassenenonderwijs.

In de verklaring van de overheveling, die ondertekend wordt door beide centrumbesturen, wordt bepaald of de overdracht van een structuuronderdeel al dan niet gepaard gaat met een overdracht van leraarsuren en/of punten. Het overhevelende centrum vermeldt op bovenvermeld formulier hoeveel leraarsuren en/of punten definitief worden overgedragen.

De overdracht van leraarsuren en/of punten wordt geacht reeds tijdens de voorgaande referteperiode te hebben plaatsgevonden.

3.5. Rechten en plichten van personeelsleden bij afbouw, splitsing, fusie of overheveling

Deze materie wordt in een afzonderlijke omzendbrief toegelicht (PER/2009/03).

Elke beslissing tot afbouw, fusie, splitsing of overheveling moet in elk geval onderhandeld worden in het lokale comité van alle betrokken centra.

3.6. Wijziging van centrumbestuur

Indien het centrumbestuur van een centrum wijzigt dan is het centrum verplicht dit onmiddellijk te melden aan de administratie op het volgende e-mailadres: gegevensbeheer.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be .

4. Financiering of subsidiëring van de centra

4.1. De financierbaarheid of subsidieerbaarheid van de centra

4.1.1. De financierbare of subsidieerbare cursist

4.1.1.1. Algemeen

Een cursist is financierbaar of subsidieerbaar indien hij is ingeschreven voor één derde van het minimale aantal lestijden van de module voorbij is. Het gaat hierbij om het aantal lestijden dat volgens het goedgekeurde opleidingsprofiel moet worden georganiseerd. De inschrijvingsvoorwaarden voor een cursist worden toegelicht in de omzendbrief VWO/2011/02.

4.1.1.2. In de opleidingen Nederlands tweede taal

Een cursist voor een opleiding Nederlands tweede taal dient om financierbaar of subsidieerbaar te zijn, naast de bepalingen in punten 4.1.1.1 en 4.1.1.2 te voldoen aan de bepalingen van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid en aan het Vlaamsafsprakenkader Nederlands tweede taal van 15 mei 2009.

De cursist voor een opleiding Nederlands tweede taal die bij inschrijving niet beschikt over een studiebewijs van een opleiding Nederlands tweede taal, is enkel financierbaar of subsidieerbaar indien het centrum de afspraken gemaakt binnen de Agentschappen Integratie en Inburgering of het Huis van het Nederlands Brussel over intake, testing en doorverwijzing naleeft. Deze lokaal gemaakte afspraken kunnen niet ingaan tegen het Vlaams afsprakenkader Nederlands tweede taal.

In het centrum is steeds een geactualiseerde versie van de gemaakte afspraken binnen de Agentschappen Integratie en Inburgering of het Huis van het Nederlands Brussel aanwezig. Op basis van het cursistendossier (zie omzendbrief VWO/2011/02)controleert de verificatie de naleving van deze afspraken.

4.1.2. Controle op de financierbaarheid of subsidieerbaarheid

De aanwezigheid van een cursist in de lessen of de participatie van de cursist aan de opleiding, is vanaf 1 september 2019 niet langer van belang voor de financiering of subsidiëring van de centra maar wel voor een aantal andere aangelegenheden (bv. Vlaams Opleidingsverlof). Omwille van de regelgeving van andere beleidsdomeinen dan onderwijs en vorming is het zorgvuldig bijhouden en uitwisselen van de participaties van bepaalde cursisten noodzakelijk. Een cursist die langdurig of veelvuldig afwezig is, dient op de voorwaarde van zijn aanwezigheid gewezen te worden indien hij:

  • als verplicht inburgeraar een opleiding NT2 van de basiseducatie of het secundair volwassenenonderwijs volgt;
  • als werkzoekende een door VDAB erkend traject naar werk in een CBE of CVO volgt.

De controle op de aanwezigheid van deze cursisten behoort tot de bevoegdheid van het beleidsdomein waaronder de betreffende regelgeving valt en gebeurt dus niet door de verificatie .

De verificatie controleert of de cursisten voldoen aan de voorwaarden voor financierbaarheid of subsidieerbaarheid en is gemachtigd desgevallend ambtshalve cursisten te schrappen die niet voldoen aan deze voorwaarden. Tegen de beslissing van de verificateur is beroep mogelijk bij het afdelingshoofd van de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs.

In het afsprakenkader voor de controle van de cursistenkenmerken in functie van de financiering of subsidiëring van het volwassenenonderwijs wordt uitvoerig beschreven hoe de controle op de financierbaarheid of subsidieerbaarheid zal verlopen.

Het afsprakenkader is gepubliceerd op website volwassenenonderwijs: http://www.onderwijs.vlaanderen.be/nl/verificatie-volwassenenonderwijs

4.1.3. De referteperiode

Het registratiemoment is het moment waarop één derde van het minimale aantal lestijden van de module voorbij is. Het registratiemoment bepaalt aan welke specifieke referteperiode de lesurencursist toegewezen worden.

Vanaf 1 januari 2019 loopt de referteperiode van 1 januari tot en met 31 december.

Om het aantal lesurencursist te kennen, wordt het aantal financierbare of subsidieerbare cursisten vermenigvuldigd met het totaal aantal lestijden van de betrokken module.

Meer informatie over registraties is te vinden op https://onderwijs.vlaanderen.be/nl/directies-en-administraties/volwassenenonderwijs/cursistenadministratie/davinci .

4.2. Begrenzing op de groei van de financiering of subsidiëring van de centra

Artikelen 90 (CBE) en 107 en 108 (CVO) van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs bepalen de wijze waarop vanaf het schooljaar 2020-2021 het totale volume aan VTE, leraarsuren, punten en werkingsmiddelen over alle centra heen kan toenemen:

  • v olgens de reële evolutie van de gewogen financieringspunten t.o.v. het referentiepunt voor:
    • de vte , leraarsuren en punten v an alle opleidingen van de basiseducatie en alle opleidingen van de studiegeb ieden NT2 richtgraad 1 en 2 en N T2 richtgraad 3 en 4 van het secundair volwassenenonderwijs;
    • de werkingsmiddelen v oor het secundair volwassenenonderwijs ;
  • beperkt tot maximaal 1% indien de gewogen financieringspunten v oor de leraarsuren en punten van alle opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs die niet behoren tot studiegeb ieden NT2 richtgraad 1 en 2 en N T2 richtgraad 3 en 4 met 1% of meer zijn toegenomen t.o.v. het referentiepunt .

Het eerste referentiepunt is gelijk aan het algemene totaal aantal gewogen financieringspunten in de referteperiode 2019. Bij elke daling of stijging van het algemene totaal aantal gewogen financieringspunten wordt er een nieuw referentiepunt vastgelegd dat gelijk is aan het vorige referentiepunt plus of min het reële groeipercentage of het begrensde groeipercentage van 1%.

C BE zullen steeds op basis van hun aandeel in het algemene totaal aantal gewogen financieringspunten VTE en punten ontvangen. CVO zullen steeds op basis van hun aandeel in het algemene totaal aantal gewogen financieringspunten leraarsuren, punten en werkingsmiddelen (zie punt …) ontvangen.

Voor het schooljaar 2019-2020 worden de maximale groei percentages nog door de Vlaamse Regering bepaald. De begrenzing van de groei voor het schooljaar 2019-2020 wordt enkel toegepast bij de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs die stijgen in VTE, leraarsuren, punten en werkingsmiddelen, waarbij de stijging groter is dan het maximale voorzien percentage. Daarenboven wordt de begrenzing van de groei beperkt tot het maximale voorziene percentage. Dit betekent dat de centra die meer dan het maximale voorziene percentage stijgen in VTE, leraarsuren, punten en werkingsmiddelen na de begrenzing van de groei nooit minder dan het maximale voorziene groeipercentage kunnen hebben. Centra die het maximale voorziene percentage niet overschrijden worden niet afgetopt maar ontvangen de reële VTE, leraarsuren, punten en werkingsmiddelen.

Bij de begrenzing van de groei voor de punten van de Centra voor Basiseducatie zal rekening gehouden worden met de overgangsmaatregel uit 2007 voor de berekening van de puntenenveloppe (zie 6.2.1.1). Hierbij zal de groei, gegenereerd uit de 240 extra punten voor het Centrum voor Basiseducatie Zuid-Oost-Vlaanderen en het Centrum voor Basiseducatie Limburg Midden-Noord, verdeeld worden over alle Centra voor Basiseducatie heen volgens hun aandeel in de groei.

In het schooljaar 2020-2021 word en de centra voor het eerst gefinancierd/gesubsidieerd op basis van financieringspunten en wordt naar een referteperiode op basis van een kalenderjaar overgestapt . Om voor het schooljaar 2020-21 de groei te kunnen vast stellen, geldt volgende overgangsmaatregel:

1° de lesurencursist van de basiseducatie en het secundair volwassenenonderwijs ge realiseerd tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 worden vermenigvuldigd me t 3,33 ;

2° dit bekomen aantal geëxtrapoleerde lesurencursist wordt vergeleken met de lesurencursist gerealiseerd in de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019.

4.3. Gescheiden boekhouding

De centra kunnen in het kader van de vrije inrichting van onderwijs ook opleidingsaanbod organiseren dat niet erkend is en ook niet gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de organisatie van dit soort opleidingsaanbod mogen de centra echter niet marktverstorend werken. Zij mogen dus geen middelen die ze via de Vlaamse Gemeenschap ontvangen, aanwenden voor de organisatie van onderwijs dat noch erkend, noch gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap.

De centra dienen een boekhouding te voeren conform de voor hun rechtsvorm geldende bepalingen. Hierbij is het van belang dat de bevoegde administratie op basis van de boekhouding van de centra een duidelijk beeld krijgt van de inkomsten en uitgaven die krachtens het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs verkregen worden en de inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op het organiseren van onderwijs dat noch erkend, noch gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap. Deze laatste dienen duidelijk identificeerbaar te zijn in de boekhouding van de centra.

5. De educatieve omkadering van de centra

5.1. De toekenning van VTE aan de Centra voor Basiseducatie

De toegekende omkadering voor de oprichtingen van betrekkingen in het ambt van leraar basiseducatie, wordt uitgedrukt in een volume aan VTE.

Het aantal VTE waarop een Centrum voor Basiseducatie recht heeft, staat vermeld in de dienstbrief. De berekening gebeurt op basis van artikel 85 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

Het aantal VTE waarop een Centrum voor Basiseducatie recht heeft per leergebied, wordt berekend volgens de formule LUC/d*N, waarbij:

1° LUC = het aantal lesurencursist voor de referteperiode 1 april n-1 tot en met 31 maart n voor het toekennen van de VTE voor het schooljaar n/n+1;

2° d = de deler of de gemiddeld subsidieerbare groepsgrootte. De deler wordt bepaald per leergebied in artikel 85, §2, 2° van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

3° N = 667 of de gemiddeld subsidieerbare prestatienoemer voor een leraar basiseducatie op schooljaarbasis.

Het aantal VTE, berekend op basis van bovenstaande formule, wordt verhoogd met 10 procent voor de subsidiëring van specifieke onderwijsactiviteiten (zie 5.4.2).

Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het aantal VTE waarop een Centrum voor Basiseducatie recht heeft, berekend op basis van het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de drie voorafgaande referteperiode s heeft bereikt. Voor het schooljaar 2022-2023 worden dus de gemiddelde financieringspunten van de kalenderjaren 2019, 2020 en 2021 als berekeningsbasis genomen .

In de overgangsperiode worden de VTE voor het schooljaar 2020-2021 uitsluitend op basis van het aantal financieringspunten van het kalenderjaar 2019 berekend en voor het schooljaar 2021-2022 op basis van het gemiddelde aantal financieringspunten van de kalenderjaren 2019 en 2020. Bovendien geldt voor deze overgangsperiode een garantieregeling waarbij het eventuele verlies van VTE t.o.v. de VTE toegekend voor het schooljaar 2019-2020 op de volgende wijze wordt gecompenseerd:

  • 100% van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2020-2021
  • 66 % van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2021-2022;
  • 33% van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2022-2023.

Het aantal financieringsp unten per referteperiode per centrum wordt als volgt berekend:

1° het aantal ongewogen financieringspunten wordt berekend volgens de formule: 8 0% LUC per ingeschreven module in de referteperiode + 20% LUC per geslaagde module in de referteperiode ;

vervolgens worden deze on gewogen financieringspunten gewogen volgens de formule: 90% gewogen met de puntengewichten voor centrumkenmerken e n opleidingskenmerken + 10% gewogen met de puntengewichten voor de cursistenkenmerken;

3° het aantal gewogen financieringspunten wordt vermeerderd met de kwalificatiebonus voor de opleidingen van de leergebieden alfabetisering NT2 en NT2

waarbij

LUC = het aantal lesurencursist ;

2° de puntengewichten voor centrumkenmerken, opleidingskenmerken en cursistenkenmerken worden bepaald in artikel 85, §2, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs (artikel 14 van het wijzigingsdecreet) ;

3° de kwalificatiebonus wordt berekend door per uitgereikt certificaat van de leergebieden alfa NT2 en NT2 in de referteperiode het aantal lestijden zoals vermeld in het door de Vlaamse Regering goedgekeurde opleidingsprofiel te vermenigvuldigen met 0,20.

5.2. De toekenning van leraarsuren aan de Centra voor Volwassenenonderwijs

5.2.1. De generieke regeling voor de toekenning van leraarsuren aan de Centra voor Volwassenenonderwijs

De toegekende omkadering voor de oprichtingen van betrekkingen in de ambten van leraar secundair volwassenenonderwijs, wordt uitgedrukt in een volume aan leraarsuren.

Het aantal leraarsuren waarop een Centrum voor Volwassenenonderwijs recht heeft, staat vermeld in de dienstbrief. De berekening gebeurt op basis van artikel 98 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

Het aantal leraarsuren waarop een Centrum voor Volwassenenonderwijs recht heeft, staat vermeld in de dienstbrief. De berekening gebeurt op basis van artikel 98 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

Het aantal leraarsuren waarop een Centrum voor Volwassenenonderwijs recht heeft per studiegebied, wordt berekend volgens de formule LUC/d, waarbij:

1° LUC = het aantal lesurencursist voor de referteperiode 1 april n-1 tot en met 31 maart n voor het toekennen van de leraarsuren voor het schooljaar n/n+1;

2° d = de deler of de gemiddeld financierbare of subsidieerbare groepsgrootte.

De deler wordt bepaald in artikel 98, §1 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. Er is een deler per studiegebied of per opleiding in het geval van het studiegebied bijzondere educatieve noden. Voor de gelettterdheidsmodules Nederlands en Leren Leren die aan alle diplomagerichte beroepsopleidingen gekoppeld zijn, is een afzonderlijke deler (10) bepaald.

Het aantal leraarsuren, berekend op basis van bovenstaande formule, wordt voor de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming,Nederlands tweede taalrichtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 verhoogd met 10 procent voor de financiering of subsidiëring van specifieke onderwijsactiviteiten (zie 5.4.2).

Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het aantal leraarsuren waarop een Centrum voor Volwassenenonderwijs recht heeft, berekend op basis van het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de drie voorafgaande referteperiodes heeft bereikt. Voor het schooljaar 2022-2023 worden dus de gemiddelde financieringspunten van de kalenderjaren 2019, 2020 en 2021 als berekeningsbasis genomen.

In de overgangsperiode worden de leraarsuren voor het schooljaar 2020-2021 uitsluitend op basis van het aantal financieringspunten van het kalenderjaar 2019 berekend en voor het schooljaar 2021-2022 op basis van het gemiddelde aantal financieringspunten van de kalenderjaren 2019 en 2020. Bovendien geldt voor deze overgangsperiode een garantieregeling waarbij het eventuele verlies van leraarsuren t.o.v. de leraarsuren toegekend voor het schooljaar 2019-2020 op de volgende wijze wordt gecompenseerd:

  • 100% van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2020-2021
  • 66 % van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2021-2022;
  • 33% van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2022-2023.

Het aantal financieringspunten per referteperiode per centrum wordt als volgt berekend:

1° het aantal ongewogen financieringspunten wordt berekend volgens de formule:

80% LUC per ingeschreven module in de referteperiode + 20% LUC per geslaagde module in de referteperiode ;

2° vervolgens worden deze ongewogen financieringspunten gewogen volgens de formule: 90% gewogen met de puntengewichten voor centrumkenmerken en opleidingskenmerken + 10% gewogen met de puntengewichten voor de cursistenkenmerken;

3° het aantal gewogen financieringspunten wordt vermeerderd met de kwalificatiebonus.

waarbij

1° LUC = het aantal lesurencursist;

2° de puntengewichten voor centrumkenmerken, opleidingskenmerken en cursistenkenmerken worden bepaald in artikel 98, §2, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs (artikel 21 van het wijzigingsdecreet) ;

3° de kwalificatiebonus wordt berekend door per uitgereikt certificaat in de referteperiode het aantal lestijden zoals vermeld in het door de Vlaamse Regering goedgekeurde opleidingsprofiel te vermenigvuldigen met 0,20.

5.3. De aanwending van de VTE of leraarsuren

5.3.1. Organieke omkadering – principe van de vrije aanwending

De toegekende VTE of leraarsuren kunnen na onderhandeling in het lokaal comité vrij aangewend worden over de opleidingen heen.

Cursisten uit verschillende modules kunnen samen in één klasgroep gezet worden. Deze samenvoeging van cursisten moet pedagogisch en didactisch verantwoord zijn. De inspectie waakt over de kwaliteit van het onderwijs.

5.3.2. Aanvullende leraarsuren aanvangsbegeleiding

Centra voor Vo lwassenenonderwijs ontvangen aanvullende leraarsuren die uitsluitend kunnen aangewend worden voor de organisatie van de aanvangsbegeleiding van beginnende personeelsleden .

5.3.2.1. Doelstelling

Aanvangsbegeleiding is voor alle startende personeelslede n binnen het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs een recht en een plicht. Daarnaast kan een CVO ook aanvangsbegeleiding inrichten voor de wervingsambten van het ondersteunend personeel. Door coaching krijgt het startende personeelslid de kans geleidelijk in de job in te groeien en zo de competenties die hij of zij in de opleiding heeft verworven verder te ontwikkelen in de dagdagelijkse praktijk en dit waar nodig bij te sturen.

Aanvangsbegeleiding wordt daarom ook een onderde el van het professionaliserings plan van elke instelling en als dusdanig een onderd eel van het professioneel conti nuüm dat start bij de initiële opleiding van een pers oneelslid en gedurende de volle dige loopbaan doorloopt in een permanente professionalisering.

Het bestuur draagt in eerste instantie zorg voor de fe itelijke ontwikkeling en de con crete invulling van de aanvangsbegeleiding, daarbij - net als bij de professionalisering van haar personeelsleden - ondersteund door de pedagogische begeleidingsdiensten.

Een centrum voor volwassenenonderwijs ontvangt aanvullende leraars uren om een kwaliteitsvolle aanvangsbegeleiding aan te bie den en (verder) te ontwikkelen. Deze middelen bieden zowel ruimte en mogelijkheden voor de personeelsleden die de aanvangsbegeleidi ng verzorgen, als voor de perso neelsleden die de aanvangsbegeleiding zullen krijgen.

5.3.2.2. Berekening

Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden jaarlijks 15.111 aanvullende leraarsuren aan de centra voor volwassenenonderwijs toegekend voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in het kader van de organisatie van aanvangsbegeleiding.

Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding als het aandeel aan reguliere leraarsuren waarop het centrum recht heeft.

Een centrumbestuur kan de aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding omzetten in aanvullende punten voor aanvangsbegeleiding voor het ondersteunend personeel volgens de onderstaande tabel:

leraarsuren 

punten 

40  

5  

80  

9  

120  

14  

160  

19  

200  

24  

240  

28  

280  

33  

320  

38  

360  

43  

400  

47  

440  

52  

480  

57  

520  

63  

560  

66  

600  

71  

640  

76  

680  

82  

720  

85  

760  

90  

800  

95  

840  

100  

880  

104  

920  

110  

960  

114  

1.000  

120  

5.3.2.3. Aanwending

Met de aanvullende leraarsuren kunnen in elk CVO betrekkingen in wervingsambten worden ingericht overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de CVO .

De aanvullende leraarsuren aanvangsbegeleiding zijn organieke uren, wat betekent dat het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs volledig van toepassing is op de personeels leden die worden aangesteld in een betrekking ingericht met deze u ren. De betrek kingen kunnen dus ook vacant worden verklaard en komen in aanmerking voor vaste benoeming, affectatie of mutatie.

5.3.2.4. Samenwerking

Voor de organisatie van de aanvangsbegeleiding kunnen centra voor volwassenenonderwijs samenwerken. Centra voor volwassenenonderwijs kunnen er voor kiezen om in het kader van die samenwerking de uren aanvangsbegeleiding samen te leggen, volgens de geldende regels over overdracht. De betrokken instellingen maken dan in dat geval afspraken over de inzet van de uren en zenden een ondertekende verklaring van middelenoverdracht voor aanvangsbegeleiding binnen een samenwerkingsverband , dat als bijlage 4 bij deze omzendbrief is opgenomen, naar financiering.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be.

Ook op de overgedragen uren binnen een samenwerkingsplatform zijn het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs volledig van toepassing . In de overgedragen uren aanvangsbegeleiding kan er echter geen vaste benoeming, nieuwe affectatie of mutatie worden uitgesproken.

5.3.3. Coördinatie-uren of lesvrije VTE of leraarsuren

Een centrumbestuur kan beslissen om de toegekende VTE of leraarsuren niet aan te wenden voor lesopdrachten maar wel voor andere centrumgebonden opdrachten. Bij die andere centrumgebonden opdrachten dient een onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds de onderwijsopdrachten en anderzijds de opdrachten die niet als onderwijsopdracht worden beschouwd (bv. administratieve opdrachten).

Na onderhandelingen in het lokaal comité legt het centrumbestuur een lijst van onderwijsopdrachten en niet-onderwijsopdrachten vast.

Het centrumbestuur kan maximaal 3 procent van de toegekende VTE of leraarsuren aanwenden voor andere opdrachten dan onderwijsopdrachten. Die 3 procent kan enkel overschreden worden na akkoord van het lokaal comité.

Een andere opdracht dan de lesopdracht in de ambten van leraar secundair volwassenenonderwijs, moet steeds in hoofdambt worden uitgeoefend.

Meer info in verband met de controle op de aanwending van de cöordinatie-uren van de Centra voor volwassenenonderwijs leest u in Omzendbrief VWO/2015/01.

Meer info in verband met de controle op de aanwending van de cöordinatie -opdrachten van de Centra voor basiseducatie leest u in Omzendbrief VWO/2018/01.

5.3.4. Mogelijke beperking op vrije aanwending lesuren NT2

Bij de aanwendi ng van het toegekende aantal VTE /leraarsuren houdt het centrum voor de opleidingen van de leergebieden alfa NT2 en NT2/studiegebieden NT2 richtgraad 1 en 2 en NT2 richtgraden 3 en 4 rekening met het plan voor een behoeftedekkend aanbod NT2 in het volgend schooljaar, zoals goedgekeurd op het regionaal overleg vermeld in artikel 46/3, 4°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid.

Als de onderwijsinspectie in een centrum een kennelijk onverantwoord gebruik van de vrije aanwending vaststelt ten nadele van de opleidingen van de leergebieden alfa NT2 en NT2/studiegebieden NT2 richtgraad 1 en 2 en NT2 richtgraden 3 en 4, formuleert ze een omstandig en gemotiveerd advies voor de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan op basis van dit advies ten aanzien van het betrokken centrum een norm bepalen. In dat geval moet een centrum de VTE /leraarsuren, gegenereerd door de NT2-opleidingen, volgens d e vastgelegde norm aanwenden voor de NT2-opleidingen . De Vlaamse Regering kan beslissen om de subsidiëring of de financiering van de VTE /leraarsuren boven die norm voor het komende schooljaar in mindering te brengen op het totale aantal financieringspunten, vermeld in artikel 85, §1, tweede lid en artikel 98, §1, tweede lid, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

5.4. Voordrachtgevers

Een centrum kan maximaal 5 procent van het toegekende pakket VTE of leraarsuren aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers.

Het krediet dat een centrum krijgt voor de aanwerving van voordrachtgevers bedraagt:

1° 19,34 euro (niet-geïndexeerd) per 1/36 VTE voor de basiseducatie;

2° 33,77 euro (niet-geïndexeerd) per leraarsuur voor het secundair volwassenenonderwijs;

Een centrum dat VTE of leraarsuren wil omzetten naar een krediet, deelt per zending via EDISON het aantal VTE of leraarsuren mee dat aangewend wordt voor de aanwerving van voordrachtgevers (centra die nog geen toegang hebben tot EDISON sturen het zendingsbestand op naar financiering.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be ). Dit aantal kan in de loop van het schooljaar niet meer gewijzigd worden, behoudens vermindering bij overmacht.

Het totale krediet dat voorbehouden is voor de aanwerving van voordrachthouders wordt berekend door:

1° het product van het aantal meegedeelde VTE omgezet in 36sten vermenigvuldigd met 40 weken en het voorziene krediet per 1/36 VTE voor de Centra voor Basiseducatie;

Een voorbeeld:

0,13 VTE = 5/36 per week

5 uur X 40 = 200 uur

200 uur X 19,34 euro = 3.868 euro. Dit bedrag moet wel nog geïndexeerd worden.

2° het product van het meegedeelde aantal leraarsuren en het voorziene krediet per leraarsuur voor de Centra voor Volwassenenonderwijs.

Het krediet wordt toegekend met een voorschot van 25% dat uitbetaald wordt in de loop van de maand november van het schooljaar in kwestie, en een saldo van 75% dat uitbetaald wordt in de loop van de maand juni die daarop volgt.

Over de aanwending van leraarsuren voor de aanwerving van voordrachtgevers en over de vergoeding van die voordrachtgevers is een voorafgaandelijk akkoord in het lokaal comité vereist.

Niet aangewende middelen dienen na het einde van het schooljaar te worden teruggestort. Hiervoor deelt het centrum het niet aangewende bedrag mee aan financiering.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be .

6. Omkadering voor de directie en het bestuurs- en ondersteunend personeel

6.1. De directeur

Elk centrum heeft recht op één voltijds ambt van directeur (CBE) of één voltijdse betrekking in het ambt (CVO) van directeur. Het centrumbestuur is verplicht een directeur aan te stellen.

De directeur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan zijn ambt uitsluitend in hoofdambt uitoefenen.

6.2. Puntenenveloppe voor bestuurs- en ondersteunend personeel

6.2.1. Berekening van de puntenenveloppe

6.2.1.1. Puntenenveloppe voor de Centra voor Basiseducatie

Een Centrum voor Basiseducatie heeft per schooljaar recht op een puntenenveloppe om betrekkingen op te richten in de ambten ter ondersteuning van het centrum. De puntenenveloppe wordt voor het begin van het schooljaar bij dienstbrief door de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs aan het centrumbestuur meegedeeld.

De puntenenveloppe voor een bepaald schooljaar wordt berekend op basis van op basis van het aantal lesurencursist gerealiseerd tijdens de voorgaande referteperiode (zie 4.1.3). Per volledige schijf van 341 lesurencursist wordt 1 punt toegekend. Het totaal aantal punten vormt de puntenenveloppe die per schooljaar aan het centrum wordt toegekend.

Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het aantal punten waarop een Centrum voor Basiseducatie recht heeft, berekend op basis van het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de drie voorafgaande referteperiodes heeft bereikt. Voor het schooljaar 2022-2023 worden dus de gemiddelde financieringspunten van de kalenderjaren 2019, 2020 en 2021 als berekeningsbasis genomen.

In de overgangsperiode worden de punten voor het schooljaar 2020-2021 uitsluitend op basis van het aantal financieringspunten van het kalenderjaar 2019 berekend en voor het schooljaar 2021-2022 op basis van het gemiddelde aantal financieringspunten van de kalenderjaren 2019 en 2020. Bovendien geldt voor deze overgangsperiode een garantieregeling waarbij het eventuele verlies van punten t.o.v. de punten toegekend voor het schooljaar 2019-2020 op de volgende wijze wordt gecompenseerd:

  • 100% van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2020-2021
  • 66 % van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2021-2022;
  • 33% van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2022-2023.

Het aantal financieringspunten per referteperiode per centrum wordt als volgt berekend:

1° het aantal ongewogen financieringspunten wordt berekend volgens de formule:

80% LUC per ingeschreven module in de referteperiode + 20% LUC per geslaagde module in de referteperiode ;

2° vervolgens worden deze ongewogen financieringspunten gewogen volgens de formule: 90% gewogen met de puntengewichten voor centrumkenmerken en opleidingskenmerken + 10% gewogen met de puntengewichten voor de cursistenkenmerken;

3° het aantal gewogen financieringspunten wordt vermeerderd met de kwalificatiebonus voor de opleidingen van de leergebieden alfabetisering NT2 en NT2.

waarbij

1° LUC = het aantal lesurencursist;

2° de puntengewichten voor centrumkenmerken, opleidingskenmerken en cursistenkenmer ken worden bepaald in artikel 87 , §2 bis , van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs (artikel 15 van het wijzigingsdecreet) ;

3° de kwalificatiebonus wordt berekend door per uitgereikt certificaat van de leergebieden alfa NT2 en NT2 in de referteperiode het aantal lestijden zoals vermeld in het door de Vlaamse Regering goedgekeurde opleidingsprofiel te vermenigvuldigen met 0,20.

Als gevolg van een overgangsregeling worden aan het Centrum voor Basiseducatie Zuid-Oost-Vlaanderen en aan het Centrum voor Basiseducatie Limburg Midden-Noord extra punten toegekend om de aanstelling in stand te houden van de personeelsleden die op datum van 31 augustus 2008 belast waren met een coördinatieopdracht als vermeld in artikel 15 van het decreet van 12 juli 1990 houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen en die vanaf 1 september 2008 ononderbroken aangesteld zijn in het ambt van stafmedewerker.

Gedurende de aanstelling van bovenvermelde personeelsleden geldt een andere berekeningswijze voor de puntenenveloppe van de Centra voor Basiseducatie. Gedurende die periode wordt 1 punt toegekend per volledige schijf van 352 lesurencursist. Vanaf het schooljaar 2020-2021 worden de extra punten voor de bovenvermelde personeelsleden toegevoegd aan de puntenenveloppe die de betrokken CBE op basis van hun aandeel aan gewogen financieringspunten ontvangen.

Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden als gevolg van de statutarisering jaarlijks 3.826 aanvullende punten aan de centra voor basiseducatie toegekend. Een centrum voor basiseducatie heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende punten als het aandeel aan reguliere punten waarop het centrum recht heeft. De betrekkingen die worden ingericht met deze aanvullende punten vallen volledig onder het Decreet rechtspositie personeelsleden basiseducatie, maar er kan geen vaste benoeming in deze betrekkingen worden uitgesproken.

6.2.1.2. Puntenenveloppe voor de Centra voor Volwassenenonderwijs

Een Centrum voor Volwassenenonderwijs heeft per schooljaar recht op een puntenenveloppe om betrekkingen op te richten in de ambten van bestuurs- en ondersteunend personeel. De puntenenveloppe wordt voor het begin van het schooljaar bij dienstbrief door de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs aan het centrumbestuur meegedeeld.

De puntenenveloppe voor een bepaald schooljaar wordt berekend op basis van het aantal lesurencursist gerealiseerd tijdens de voorgaande referteperiode (zie 4.1.3) en is samengesteld uit twee delen:

1° 1 punt per volledige schijf van 755 lesurencursist;

2° 1 punt per volledige schijf van 2.430 lesurencursist voor de opleidingen van de studiegebieden afwerking bouw, ambachtelijke accessoires, ambachtelijk erfgoed, auto, bakkerij, drankenkennis, fotografie, grafische communicatie en media, horeca, ICT-technieken, koeling en warmte, lassen, mechanica-elektriciteit, meubelmakerij, mode: maatwerk, mode: realisaties, printmedia, ruwbouw, schrijnwerkerij, slagerij en textiel en de opleiding vrachtwagenchauffeur van het studiegebied groot transport.

De som van 1° en 2° vormt de puntenenveloppe die per schooljaar aan het centrum wordt toegekend.

Het volume aan bestuurs- en ondersteunend personeel dat gegenereerd werd op basis van artikel 76 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, blijf gegarandeerd. Wel heeft deze garantie uitsluitend betrekking op Centra voor Volwassenenonderwijs die gefuseerd zijn ten laatste op 1 september 2006. Jaarlijks wordt de gewaarborgde puntenenveloppe vergeleken met de berekening van de puntenenveloppe op basis van volledige schijven van 755 en 2.340 lesurencursist. Als de gewaarborgde puntenenveloppe groter is dan de puntenenveloppe berekend op basis van het aantal lesurencursist, dan wordt de gewaarborgde puntenenveloppe toegekend.

Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het aantal punten waarop een Centrum voor Volwassenenonderwijs recht heeft, berekend op basis van het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de drie voorafgaande referteperiodes heeft bereikt. Voor het schooljaar 2022-2023 worden dus de gemiddelde financieringspunten van de kalenderjaren 2019, 2020 en 2021 als berekeningsbasis genomen.

In de overgangsperiode worden de punten voor het schooljaar 2020-2021 uitsluitend op basis van het aantal financieringspunten van het kalenderjaar 2019 berekend en voor het schooljaar 2021-2022 op basis van het gemiddelde aantal financieringspunten van de kalenderjaren 2019 en 2020. Bovendien geldt voor deze overgangsperiode een garantieregeling waarbij het eventuele verlies van punten t.o.v. de punten toegekend voor het schooljaar 2019-2020 op de volgende wijze wordt gecompenseerd:

- 100% van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2020-2021

- 6 6 % van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2021-2022;

- 33% van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2022-2023.

Het aantal financieringspunten voor de punten per referteperiode per centrum wordt als volgt berekend:

1° het aantal ongewogen financieringspunten wordt berekend volgens de formule:

80% LUC per ingeschreven module in de referteperiode + 20% LUC per geslaagde module in de referteperiode ;

2° vervolgens worden deze ongewogen financieringspunten gewogen volgens de formule: 90% gewogen met de puntengewichten voor centrumkenmerken en opleidingskenmerken + 10% gewogen met de puntengewichten voor de cursistenkenmerken;

3° het aantal gewogen financieringspunten wordt vermeerderd met de kwalificatiebonus.

waarbij

1° LUC = het aantal lesurencursist;

2° de puntengewichten voor centrumkenmerken, opleidingskenmerken en cursistenkenmerken worden bepaald in artikel 105, §3bis, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs (artikel 27 van het wijzigingsdecreet);

3° de kwalificatiebonus wordt berekend door per uitgereikt certificaat in de referteperiode het aantal lestijden zoals vermeld in het door de Vlaamse Regering goedgekeurde opleidingsprofiel te vermenigvuldigen met 0,20.

De Centra voor Volwassenenonderwijs die fuseren vanaf 1 september 2017 hebben per voltijdse betrekking van directeur die na een fusieoperatie niet langer als directeur wordt aangesteld, recht op 130 bijkomende punten in de organieke puntenenveloppe. Deze punten moeten prioritair aangewend worden voor de aanstelling van de vast benoemde directeur in het ambt van adjunct-directeur fusie. Als er een einde komt aan deze aanstelling (bv. omwille van ontslag of pensionering), behoudt het centrum niet langer deze toegevoegde punten maar worden deze toegevoegd aan het totale volume punten die over alle centra verdeeld worden.

6.2.2. Aantal punten per ambt of salarisschaal

6.2.2.1. Ambten CBE

Voor betrekkingen in de ambten ter ondersteuning van de werking van een Centrum voor Basiseducatie worden volgende volumes aan punten in rekening gebracht:

1°130 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van adjunct-directeur die de salarisschaal 502 genereert;

2° 120 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van adjunct-directeur die salarisschaal 501 genereert;

3° 120 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van stafmedewerker die de salarisschaal 501 genereert;

4° 82 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van beleidsondersteunend administratief medewerker die de salarisschaal 106 genereert;

5° 63 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van uitvoerend administratief medewerker die de salarisschaal 122 genereert;

6° 63 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting die de salarisschaal 122 genereert.

Tijdens de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 augustus 2019 kunnen ook betrekkingen in het ambt van leraar met punten worden opgericht. Daarvoor worden volgende volumes aan punten in rekening gebracht:

1° 110 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van leraar die salarisschaal 346 genereert;

2° 82 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van leraar die salarisschaal 301 genereert.

Voor de aanrekening van de punten voor de oprichting van deeltijdse betrekkingen in bovenstaande ambten wordt verwezen naar bijlage 5.

6.2.2.2. Ambten CVO

Voor betrekkingen in het ambt van bestuurs- en ondersteunend personeel in een Centrum voor Volwassenenonderwijs worden volgende volumes aan punten in rekening gebracht:

1° 134 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van adjunct-directeur secundair volwassenenonderwijs die de salarisschaal 540 genereert of bij overgangsmaatregel de salarisschaal 509, 502, 312, 323, 328 of 327 genereert;

2° 130 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van adjunct-directeur secundair volwassenenonderwijs die de salarisschaal 502 of 501 genereert;

13 0 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van stafmed ewerker die de salarisschaal 502 genereert;

4° 126 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van technisch adviseur-coördinator die de salarisschaal 538 genereert;

5 ° 122 punten voor een voltijds betrekking in het ambt van adjunct-directeur secundair volwassenenonderwijs die de salarisschaal 413 genereert;

6° 120 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van adjunct-directeur secundair volwassenenonderwijs die de salarisschaal 312, 323, 328 of 327 genereert;

7° 120 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van technisch adviseur-coördinator die de salarisschaal 258, 311 of 384 genereert;

8 ° 120 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van stafmedewerker die de salarisschaal 316 genereert,

9° 120 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van administratief medewerker die de salarisschaal 542 genereert;

10° 110 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van technisch adviseur die de salarisschaal 257, 305 of 300 genereert;

11° 82 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van administratief medewerker die de salarisschaal 158, 100 of 208 genereert;

12° 63 punten voor een voltijdse betrekking in het ambt van administratief medewerker die de salarisschaal 122 genereert.

Voor de aanrekening van de punten voor de oprichting van deeltijdse betrekkingen in bovenstaande ambten wordt verwezen naar bijlage 6.

De som van het aantal punten van de betrekkingen die per ambt en per puntenwaarde worden ingericht, bedraagt nooit meer dan het aantal punten dat vereist is voor een betrekking die bestaat uit de som van de uren die in het betrokken ambt worden opgericht.

Een voorbeeld:

Een centrum wil in het schooljaar 2012-2013 twee personeelsleden als uitvoerend administratief medewerker aanstellen als volgt:

Personeelslid A: 16/32 (CVO) of 18/36 (CBE), goed voor 32 punten;

Personeelslid B: 16/32 (CVO) of 18/36 (CBE), goed voor 32 punten.

De aanstelling van personeelslid A en personeelslid B is samen 1 voltijdse betrekking, maar de som van de punten is groter dan 63 (met name 64). In dit geval worden slechts 63 punten aangerekend.

6.2.3. Aanwending van de punten

De toegekende puntenenveloppe kan na onderhandeling in het lokaal comité vrij aangewend worden voor de oprichting van de betrekkingen vermeld in 6.2.2.

6.2.3.1. Aanwending van de punten voor het ambt van adjunct-directeur fusie

De vast benoemde en tot de proeftijd toegelaten directeurs die bij een fusie van instellingen na 01/09/2017 niet aangesteld worden als directeur van het gefuseerde centrum, worden aangesteld in het ambt van ‘adjunct-directeur fusie’. De adjunct-directeur fusie behoudt zijn salarisschaal verbonden aan zijn ambt op de vooravond van de fusie.

Het centrum verwerft voor de aanstelling van deze personeelsleden 130 punten extra in zijn puntenenveloppe.

Deze punten moeten steeds eerst aangewend worden om de betrekking van de adjunct-directeur fusie verder in stand te houden.

Bij een afwezigheid van de adjunct-directeur fusie zijn er twee mogelijkheden:

1. De adjunct-directeur fusie is afwezig voor een deel van het schooljaar: op dat ogenblik is er geen vervanging mogelijk van het afwezige personeelslid.

2. De adjunct-directeur fusie is afwezig voor een volledig schooljaar: op dat moment kunnen de 130 punten aangewend worden om een ander ambt hiermee in te richten.

Voorbeeld: een adjunct-directeur fusie neemt voor een volledig schooljaar een ‘verlof wegens opdracht’. Het centrumbestuur beslist om de 130 punten aan te wenden voor de aanstelling van een adjunct-directeur SVWO aan 130 punten ( ssc . 502). In het Elektronisch personeelsdossier wordt dit personeelslid in dienst gemeld via een ATO1-opdracht gekoppeld aan de vervanging van de afwezige titularis.

Het centrumbestuur behoudt de 130 punten in zijn puntenenveloppe tot een definitieve uitdiensttreding van de adjunct-directeur fusie. Een definitieve uitdiensttreding doet zich voor bij het ontslag of bij pensionering van het personeelslid.

6.2.3.2. Aanwending van de punten voor de vervangingen binnen het ambt van administratief medewerker

Wanneer binnen de puntenenveloppe de titularis van een betrekking afwezig is voor een volledig schooljaar, dan kunnen deze punten aangewend worden om het personeelslid te vervangen in een ander ambt. Bij afwezigheden van minder dan een schooljaar is dit niet mogelijk (vervanging kan dan enkel binnen het ambt van de titularis).

Voor een vervanging binnen het ambt van administratief medewerker gelden volgende specifieke principes:

  • Algemeen principe: de salarisschaal van de vervanger van een afwezig personeelslid mag niet hoger zijn dan de salarisschaal van de titularis;

  • Uitzondering: als het centrum over niet-aangewende punten beschikt, kan ze de puntenwaarde van de betrekking tijdelijk verhogen om zo een hogere salarisschaal toe te kennen aan de vervanger als die beschikt over een bekwaamheidsbewijs dat van een hoger niveau is dan nodig is voor de puntenwaarde die initieel aan de betrekking is toegekend.

Algemeen principe: de salarisschaal van de vervanger mag niet hoger zijn dan de salarisschaal van de titularis

Bij de vervanging van een titularis van een betrekking in het ambt van administratief medewerker, mag de salarisschaal van de vervanger nooit hoger liggen dan de salarisschaal van de titularis die overeenstemt met de puntenwaarde die initieel aan de betrekking is toegekend. Dit betekent dat de vervanger bezoldigd wordt:

  • Op basis van de puntenwaarde die initieel aan de betrekking is toegekend als zijn diplomaniveau met die puntenwaarde overeenstemt;
  • Of aan een lagere salarisschaal, als zijn diplomaniveau overeenstemt met een lagere puntenwaarde dan deze die initieel aan de betrekking is toegekend.

Voorbeeld:

Een vast benoemd administratief medewerker (82 punten – salarisschaal 158) neemt voor een volledig schooljaar een voltijdse loopbaanonderbreking.

Hij wordt vervangen door een tijdelijk personeelslid dat houder is van een bekwaamheidsbewijs van ‘ten minste master’. De salarisschaal van de vervanger mag nooit hoger liggen dan de salarisschaal van de titularis. De vervanger wordt dan ook bezoldigd op basis van salarisschaal 158. De betrekking blijft 82 punten kosten.

Voorbeeld:

Een vast benoemd administratief medewerker (82 punten – salarisschaal 158) neemt een TBSPA van 1 september tot 31 januari.

Hij wordt vervangen door een tijdelijk personeelslid dat houder is van een bekwaamheidsbewijs van ‘ten minste HSO’. Als het diplomaniveau van de vervanger lager is dan het diplomaniveau van de titularis, dan wordt de vervanger bezoldigd aan de lagere salarisschaal. De vervanger wordt in dit voorbeeld dan ook bezoldigd op basis van salarisschaal 122. De betrekking blijft 82 punten kosten.

Uitzondering: hogere salarisschaal dan de titularis

Een centrum kan bij de afwezigheid van een administratief medewerker afwijken van het algemene principe dat de vervanger nooit een hogere salarisschaal kan hebben dan de salarisschaal die overeenstemt met de puntenwaarde van de titularis.

Een centrum kan een personeelslid als vervanger aanstellen met een hoger diplomaniveau dan nodig voor de puntenwaarde van de betrekking en die vervanger op basis van dat hoger diplomaniveau laten bezoldigen, op voorwaarde dat het centrum hiervoor niet-aangewende punten aanwendt om tijdelijk de puntenwaarde van de betrekking te verhogen.

Als niet-aangewende punten worden beschouwd:

  • Punten die een centrum bij de start van het schooljaar niet gebruikt om een vacante betrekking in te richten binnen de organieke puntenenveloppe;
  • Punten die in de loop van het schooljaar vrijkomen omdat de betrekking van een titularis vacant wordt (bijvoorbeeld door vrijwillig of ambtshalve ontslag, door het opnemen van een TBS voorafgaand aan het rustpensioen of door pensionering);
  • Punten die in de loop van het schooljaar beschikbaar komen omdat de titularis van de betrekking in het ambt van administratief medewerker een dienstonderbreking neemt en in deze dienstonderbreking niet (of niet volledig) wordt vervangen.

Voorbeeld:

Een vast benoemd administratief medewerker (63 punten – salarisschaal 122) neemt van 1 september 2015 tot 31 december 2015 een TBSPA.

Het centrum werft een tijdelijk personeelslid aan met een bachelordiploma en wil dit personeelslid ook als dusdanig laten bezoldigen.

Het centrum heeft bij de start van het schooljaar voor het inrichten van de vacante betrekkingen 20 punten niet aangewend binnen zijn puntenenveloppe.

Het centrum kan voor dit personeelslid tijdelijk de puntenwaarde van de betrekking tot 82 punten verhogen door 19 niet-aangewende punten aan de betrekking toe te voegen. De puntenwaarde van de vervanger wordt dan 82 punten en de vervanger heeft recht op salarisschaal 158.

Voorbeeld:

Een vast benoemd administratief medewerker (63 punten – salarisschaal 122) is afwezig wegens ziekte van 1 oktober tot 31 oktober. Het centrum beslist om het personeelslid slechts te vervangen voor een opdracht van 16/32 voor deze periode. Hierdoor kan het centrum voor de duur van het ziekteverlof beschikken over de puntenwaarde die overeenkomt met de niet-vervangen opdracht van 16/32 ( = 32 punten) om een of meer andere vervangers in het ambt van administratief medewerker tijdelijk een hogere salarisschaal toe te kennen.

U deelt de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van de vervanger mee door de vervanger van de afwezige titularis in dienst te melden met de ambtscode die recht geeft op een hogere salarisschaal. Deze verhoging van de puntenwaarde van de titularis zal dan aangerekend worden op het aanwendingsrapport van de controle omkadering. Voor alle andere situaties die het algemene principe volgen, meldt u de vervanger steeds in dienst onder dezelfde ambtscode van de afwezige titularis.

- Voor een administratief medewerker 120 punten = ambtscode 272

- Voor een administratief medewerker 82 punten = ambtscode 273

- Voor een administratief medewerker 63 punten = ambtscode 274

Meer info in verband met de controle op de aanwending van de leraarsuren en de puntenenveloppe in de centra voor volwassenenonderwijs leest u in Omzendbrief VWO/2015/01.

6.3. Puntenenveloppe voor ICT-coördinatie

De puntenenveloppe voor ICT-coördinatie voor de Centra voor Volwassenenonderwijs wordt behandeld in de omzendbrief GD/2003/04.

6.4. Controle op de aanwending van de omkadering

Voor alle informatie in verband met de controle op de aanwending van de VTE, de puntenenveloppe en de coördinatie-opdrachten van de Centra voor basiseducatie, zie Omzendbrief VWO/2018/01 .

Voor alle informatie in verband met de controle op de aanwending van de leraarsuren, de puntenenveloppe en de coördinatie-uren van de Centra voor volwassenenonderwijs, zie Omzendbrief VWO/2015/01.

7. De overdracht van VTE, leraarsuren of punten

Na onderhandelingen in het lokaal comité kan het centrumbestuur niet-aangewende VTE, leraarsuren of punten overdragen naar het volgende schooljaar of naar een ander centrum. Een afschrift van de conclusies van de onderhandelingen in het lokaal comité ligt ter inzage in het centrum.

Overdrachten van leraarsuren of punten door een Centrum voor Volwassenenonderwijs mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking. In de overgedragen leraarsuren of punten kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.

De overdracht van VTE, leraarsuren of punten wordt steeds gemeld aan de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs en dit ten laatste tegen 31mei van het lopende schooljaar. De melding van overdracht gebeurt volgens de procedures zoals beschreven in https://onderwijs.vlaanderen.be/nl/overdracht-van-leraarsuren-voltijdsequivalenten-en-punten-in-het-volwassenenonderwijs .

7.1. Naar een ander centrum

De overdracht beperkt zich tot 2 procent van het totaal aantal toegekende VTE, leraarsuren of punten. Er is geen overdracht mogelijk tussen een Centrum voor Basiseducatie en een Centrum voor Volwassenenonderwijs.

De beperking tot 2% op het aantal over te dragen VTE of leraarsuren geldt niet wanneer het centrumbestuur overdraagt naar:

1° een Centrum voor Basiseducatie dat beschikt over een wachtlijst voor de inschrijvingen in de opleiding Nederlands tweede taal - richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie;

2° een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat beschikt over een wachtlijst voor de inschrijvingen in de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2;

3° een Centrum voor Basiseducatie dat van de Vlaamse Regering onderwijsbevoegdheid heeft verkregen voor de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 van het secundair volwassenenonderwijs;

4° een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat van de Vlaamse Regering onderwijsbevoegdheid heeft verkregen voor de opleiding Nederlands tweede taal - richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie.

5° een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat over de overschrijding van de 2% leraarsuren een akkoord heeft bereikt in het lokale comité.

7.2. Naar een volgend schooljaar

De overdracht beperkt zich tot 2 procent van het totaal aantal toegekende VTE, leraarsuren of punten. De overdrachtvan leraarsuren naar een volgend schooljaar hoeft niet beperkt te worden tot 2% indien over de overschrijding een akkoord werd bereikt in het lokale comité van het Centrum voor Volwassenenonderwijs. De overgedragen VTE, leraarsuren of punten naar het volgende schooljaar, kunnen enkel in het daaropvolgende schooljaar aangewend worden.

8. De werkingsmiddelen, de inschrijvingsgelden en premies voor cursisten

8.1. De werkingstoelage van de Centra voor Basiseducatie

De werkingstoelage waarop een Centrum voor Basiseducatie per schooljaar recht heeft, staat vermeld op de dienstbrief.

De werkingstoelage voor een bepaald schooljaar wordt berekend op basis van het aantal lesurencursist gerealiseerd tijdens de voorgaande referteperiode (zie 4.1.3).

De werkingstoelage per lesuurcursist bedraagt vanaf het schooljaar 2019-2020 1,9938 euro (niet-geïndexeerd).

Vanaf het schooljaar 202 3 -202 4 wordt de werkingstoelage waarop een Centrum voor Basiseducatie per schooljaar recht heeft, berekend op basis van het gemiddelde aantal lesurencursist dat het centrum gerealiseerd heeft tijdens de drie referteperiodes 1 januari n-4/31 december n-2 (zie 4.1.3). Voor het schooljaar 2022-2023 worden dus de gemiddelde financieringspunten van de kalenderjaren 201 9 , 20 20 en 202 1 als berekeningsbasis genomen.

In de overgangsperiode wordt de werkingstoelage voor het schooljaar 2020-2021 uitsluitend op basis van het aantal gerealiseerde lesurencursist van het kalenderjaar 201 9 berekend en voor het schooljaar 2021-2022 op basis van het gemiddelde aantal financierings punten van de kalenderjaren 201 9 en 20 20. Bovendien geldt voor deze overgangsperiode een garantieregeling waarbij het eventuele verlies van werkingsmiddelen t.o.v. de werkingsmiddelen toegekend voor het schooljaar 2019-2020 op de volgende wijze wordt gecompenseerd:

  • 100% van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2020-2021
  • 66 % van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2021-2022;
  • 33% van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2022-2023.

Vanaf het schooljaar 2019-2020 wordt als gevolg van de statutarisering jaarlijks een aanvullend bedrag van 1.621.466,46 euro aan de centra voor basiseducatie toegekend voor de ondersteuning van het Netwerk Basiseducatie en de eigen werking. Elk centrum voor basiseducatie heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende werkingsmiddelen als het aandeel aan reguliere werkingsmiddelen waarop het centrum recht heeft.

8.2. De werkingsmiddelen van de Centra voor Volwassenenonderwijs

De werkingstoelage waarop een Centrum voor Volwassenenonderwijs per schooljaar recht heeft, staat vermeld op de dienstbrief.

Voor het schooljaar 2019-2020 geldt er voor de werkingsmiddelen van Centra voor Volwassenenonderwijs een overgangsregeling (zie verder onder punt 8.3.4.). Voor dat schooljaar ontvangen de CVO een werkingstoelage die op dezelfde wijze is berekend als voor het schooljaar 2018-2019: 0,80 euro per lesurencursist en vermeerderd met 0,30 euro per lesurencursist voor de zogenaamde nijverheidstechnische opleidingen.

In het nieuwe financieringssysteem wordt d e werkingsto elage per schooljaar n-1/n berekend op basis van het gemiddelde aantal financieringspunten gerealiseerd tijdens de drie referteperiodes 1 januari n-4/31 december n-2 . (zie 4.1.3). Elk centrum heeft recht op de som van een vast bedrag van 0,40 euro per ongewogen financieringspunt en het zelfde aandeel aan werkingsmiddelen als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het gemiddeld in de referteperiodes 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2 volgens de volgende formule vermeld in artikel 108, §3 van het decreet betreffende het volwassenenonderwijs ( artikel 30 van het wijzigingsdecreet ) heeft bereikt.

In de overgangsperiode wordt de werkingstoelage voor het schooljaar 2020-2021 uitsluitend op basis van het aantal gerealiseerde lesurencursist van het kalenderjaar 2019 berekend en voor het schooljaar 2021-2022 op basis van het gemiddelde aantal financieringspunten van de kalenderjaren 2019 en 2020. Bovendien geldt voor deze overgangsperiode een garantieregeling waarbij het eventuele verlies van werkingsmiddelen t.o.v. de werkingsmiddelen toegekend voor het schooljaar 2019-2020 op de volgende wijze wordt gecompenseerd:

- 100% van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2020-2021

- 66% van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2021-2022;

- 33% van het verlies wordt gecompenseerd voor het schooljaar 2022-2023.

Het centrumbestuur kan ten laste van deze werkingsmiddelen of van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan dat voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in het artikel 2, §1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het meester-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan dat voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in het artikel 4, §1, a van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet vacant worden verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. Het personeelslid dat door een centrumbestuur wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de respectievelijke decreten rechtspositie.

Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert de volledige loonkost van deze personeelsleden van het centrumbestuur terug. (Zie ook omzendbrief PERS/2012/08) (http://data-onderwijs.vlaanderen.be/edulex/document.aspx?docid=14419)

Cursussen die op basis van deze regeling worden georganiseerd, kunnen geen lesurencursist genereren die in aanmerking komen voor de berekening van VTE, leraarsuren of werkingsmiddelen.

8.3. Inschrijvingsgeld en vrijstelling van inschrijvingsgeld van de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie

8.3.1. Inschrijvingsgeld

8.3.1.1. Inschrijvingsgeld voor contactonderwijs

Voor modules met aanvangsdatum vanaf 1 januari 2015 wordt het inschrijvingsgeld dat een cursist moet betalen, berekend door het aantal lestijden van een module te vermenigvuldigen met 1,50 euro voor de opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs en vanaf 1/9/2019 ook voor de opleidingen van de basiseducatie.

Voor bepaalde categorieën van personen of opleidingen zijn vrijstellingen van inschrijvingsgeld voorzien. Deze categorieën zijn opgenomen onder punt 8.3.2.1 van deze omzendbrief.

De cursist die zich binnen een periode van zes schooljaren drie keer voor dezelfde module heeft ingeschreven, moet bij een volgende inschrijving voor dezelfde module in dezelfde periode een hoger inschrijvingsgeld betalen, berekend door het aantal lestijden te vermenigvuldigen:

  • met 3 euro indien de cursist geen volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet;
  • met 1,5 euro indien de cursist een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet.

Dit hogere inschrijvingsgeld geldt niet voor een inschrijving in een open module.

8.3.1.2. Inschrijvingsgeld voor gecombineerd onderwijs

Het inschrijvingsgeld voor gecombineerd onderwijs wordt berekend alsof het volledig in contactonderwijs wordt georganiseerd.

8.3.1.3. Inschrijvingsgeld voor verlengde trajecten

Een cursist die zich inschrijft voor een verlengd traject betaalt het inschrijvingsgeld dat overeenstemt met het standaard traject van een opleiding.

Voorbeeld

Een cursist schrijft zich in voor de module A van het verlengde traject. Deze module bedraagt 80 lestijden. De overeenkomstige module A van het standaardtraject bedraagt 60 lestijden. De cursist betaalt voor het inschrijvingsgeld voor de module A van het verlengde traject 90 euro.

8.3.1.4. Betalen van het inschrijvingsgeld

De cursisten betalen het inschrijvingsgeld rechtstreeks aan het centrum. Als bewijs van betaling of vrijstelling van inschrijvingsgeld (zie 8.3.2) overhandigt het centrum aan de cursist een betalingsbewijs. Dit betalingsbewijs wordt in tweevoud opgesteld: één exemplaar wordt aan de cursist bezorgd en het andere exemplaar wordt in het cursistendossier bewaard.

8.3.2. Vrijstellingen van inschrijvingsgeld

Er bestaan verschillende categorieën van cursisten die een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van inschrijvingsgeld kunnen genieten.

De voorwaarden voor vrijstelling van inschrijvingsgeld dienen te worden opgenomen in het centrumreglement.

8.3.2.1. Categorieën van volledige en gedeeltelijke vrijstelling

8.3.2.1.1. Categorieën van cursisten die een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld genieten

Volgende categorieën van cursisten genieten een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld:

- geen houder zijn van een diploma van het secundair onderwijs en ingeschreven zijn voor geletterdheidsmodules Nederlands en Leren Leren, een opleiding in de leergebieden van de basiseducatie of een opleiding van het studiegebied aanvullende algemene vorming of algemene vorming;

-ingeschreven zijn voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting van het studiegebied bijzondere educatieve noden;

- op het moment van inschrijving materiële hulp genieten (asielzoekers), een inkomen verwerven via maatschappelijke dienstverlening of een leefloon, alsook de cursisten die ten laste zijn van deze categorieën;

- op het moment van inschrijving gedetineerd zijn en verblijven in een Belgische strafinstelling. Gedetineerden die thuis verblijven met een elektronische enkelband komen niet in aanmerking voor een vrijstelling van inschrijvingsgeld;

- op het moment van inschrijving nog niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht (= maximum 15 jaar oud zijn en nog geen twee jaar secundair onderwijs genoten of nog geen 16 jaar oud zijn);

- werkzoekend zijn op het moment van inschrijving voor een opleiding die gevolgd wordt in het kader van een gepast opleidingsaanbod vastgesteld door VDAB of in het kader van een begeleidingstraject naar werk van Actiris;

- op het moment van inschrijving niet-werkend, verplicht ingeschreven werkzoekend zijn en nog geen recht hebben op een inschakelingsuitkering (voorheen wachtuitkering).

- op het moment van inschrijving voor de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1, Nederlands tweede taal richtgraad 2 of Latijns schrift een inburgeringscontract ondertekend hebben, een inburgeringsattest behaald hebben of over een EVC-attest beschikken;

-ingeschreven zijn voor de opleiding Ondernemerschap en tegelijk ingeschreven zijn als leerling in een instelling voor secundair onderwijs of in een opleiding duaal leren (SO) of leren en werken .

8.3.2.1.2. Categorieën van cursisten die een gedeeltelijk vrijstelling van inschrijvingsgeld genieten en slechts 0,30 euro betalen

Volgende categorieën betalen een inschrijvingsgeld dat berekend wordt door het aantal lestijden van de module waarvoor men zich heeft ingeschreven te vermenigvuldigen met 0,30 euro:

- op het moment van inschrijving een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering (voorheen wachtuitkering) of een werkloosheidsuitkering of ten laste zijn van deze categorie;

- op het moment van inschrijving in het bezit zijn van één van volgende attesten of ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van één van de volgende attesten:

o een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een arbeidsongeschiktheid blijkt van ten minste 66 percent;

o een attest waaruit het recht blijkt op een integratietegemoetkoming aan gehandicapten;

o een attest waaruit de inschrijving bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap blijkt;

o een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;

o een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven punten.

8.3.2.1.3. Cursisten die een gedeeltelijke vrijstelling van inschrijvingsgeld genieten en slechts 0,60 euro betalen (zie ook 8.3.2.1.1)

Cursisten die een opleiding volgen van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 betalen een inschrijvingsgeld dat berekend wordt door het aantal lestijden van de module waarvoor men zich heeft ingeschreven te vermenigvuldigen met 0,60 euro.

8.3.2.2. Attesten voor vrijstelling

Een cursist moet zijn recht op vrijstelling staven middels een attest. De attesten die aanleiding kunnen geven tot vrijstelling van het inschrijvingsgeld worden per categorie beschreven in een vademecum.

Over de geldigheid van nieuwe attesten die niet in bovenvermeld vademecum zijn opgenomen, kunnen aan de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs steeds vragen worden voorgelegd. Indien deze attesten geldig zijn, zullen ze vervolgens worden toegevoegd aan het vademecum.

8.3.2.3. Vrijstellingen voor cursisten uit de Europese Unie

Cursisten kunnen volledige of gedeeltelijke vrijstelling van inschrijvingsgeld verkrijgen op basis van een attest uitgereikt door een lidstaat van de Europese Unie. Hiermee worden ook de attesten bedoeld uitgereikt door de Franstalige Gemeenschap, het Waals Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of de Duitstalige Gemeenschap.

Een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan cursisten op basis van deze attesten slechts onder voorbehoud vrijstellen van inschrijvingsgeld. Dit voorbehoud wordt pas gelicht nadat de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs de rechtsgeldigheid van het attest heeft onderzocht. Indien het attest niet rechtsgeldig is, dan is de cursist slechts financierbaar of subsidieerbaar als hij onmiddellijk het verschuldigde inschrijvingsgeld betaalt.

8.3.3. Begrenzing van het inschrijvingsgeld

8.3.3.1. Begrenzing op 300 euro per semester per opleiding

Een cursist een maximum van 300 euro inschrijvingsgeld per semester voor een modulaire opleiding. Een semester is een periode van 1 september tot en met 31 december of een periode van 1 januari tot en met 31 augustus. De startdatum van de module bepaalt tot welke periode de module gerekend wordt. De einddatum van de module heeft hierbij geen belang. Wanneer de cursist tijdens een semester meerdere opleidingen volgt, dan betaalt hij per gevolgde opleiding een maximum van 300 euro.

De plafonnering per semester is overdraagbaar naar een ander centrum.

Het plafond per modulaire opleiding per semester kan enkel overschreden worden indien de cursist een hoger inschrijvingsgeld verschuldigd is als gevolg van het meer dan driemaal inschrijven in eenzelfde module binnen een periode van zes schooljaren. Een cursist moet dus bij een vierde inschrijving voor dezelfde module (binnen een periode van zes schooljaren) het verhoogde bedrag aan inschrijvingsgeld altijd betalen en dit volledige inschrijvingsgeld wordt niet meegenomen in het plafond.

8.3.3.2. Bewijslast voor de begrenzing van het inschrijvingsgeld

De bewijslast voor de toepassing van de plafonnering per semester per opleiding wordt bij de cursist gelegd. De cursist moet aantonen welk bedrag aan inschrijvingsgeld hij reeds betaald heeft voor een bepaalde opleiding. Het Centrum voor Volwassenenonderwijs is daarentegen gehouden bij betaling van het inschrijvingsgeld steeds een betalingsbewijs aan de cursist te overhandigen (zie punt 8.2.1.4).

8.3.3.3. Premie aan cursisten

Er wordt een premie betaald aan cursisten die gelijk is aan het volledig betaalde inschrijvingsgeld aan cursisten die een eerste keer het diploma secundair onderwijs via het volwassenenonderwijs behaald hebben. In voorkomend geval wordt de premie beperkt tot het begrensd inschrijvingsgeld.

Voor het bepalen van deze premie wordt het inschrijvingsgeld in rekening gebracht dat de cursist betaald heeft vanaf 1 september 2007, rekening houdend met de volledige of gedeeltelijke vrijstelling van inschrijvingsgeld waarvan de cursist heeft genoten.

Om een premie te verkrijgen, moet de cursist via mail een aanvraagdossier indienen bij AHOVOKS, afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs (premie.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be).

Dit aanvraagdossier bestaat uit:

- het ingevulde aanvraagformulier (zie bijlage 7);

- voor de inschrijvingen vóór 1 april 2013 de originele bewijsstukken van de betaling van het inschrijvingsgeld door de cursist, uitgereikt door het Centrum of de Centra voor Volwassenenonderwijs waar de cursist de opleiding geheel of gedeeltelijk heeft gevolgd. Het betreft hier de betalingsbewijzen zoals bedoeld in punt 8.2.1.4. Op de betalingsbewijzen moet het aantal lestijden van de gevolgde opleidingsonderdelen vermeld worden.

Het opvragen van bijkomende bewijsstukken is steeds mogelijk.

In sommige studiegebieden zijn er modules die niet alleen deel uitmaken van een diplomagerichte opleiding, maar ook van andere opleidingen binnen datzelfde studiegebied. Dit zijn de zogenaamde gemeenschappelijke modules. Een cursist die een gemeenschappelijke module volgt in een andere opleiding maar later de stap zet naar een diplomagerichte opleiding, kan bij het aanvragen van de premie ook het originele bewijsstuk van het inschrijvingsgeld dat hij voor de gemeenschappelijke module met inschrijving vóór 1 april 2013 heeft betaald, in rekening brengen.

De cursist kan uiterlijk één jaar na het uitreiken van het diploma een premie aanvragen. Hierbij wordt rekening gehouden met de datum vermeld op het diploma.

De afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs informeert de cursist na uiterlijk 45 kalenderdagen of het aanvraagdossier voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de premie. Indien dit het geval is, informeert de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs de cursist ook over de betalingstermijn waarbinnen de premie zal worden uitbetaald.

8.3.4. Overmaking en verrekening van de geïnde inschrijvingsgelden

Voor de centra voor volwassenenonderwijs gebeurt tot en met het schooljaar 201 8 -20 19 de afrekening van de ontvangen inschrijvingsgelden via de DAB ( D ienst A fzonderlijk B eheer Fonds voor Inschrijvingsgelden CVO) . De laatste afrekeningen m.b.t. het schooljaar 2018-2019 gebeuren in oktober en november 2019. De gedetailleerde betaalkalender is te raadplegen op https://onderwijs.vlaanderen.be/nl/omkadering-en-werkingsmiddelen-volwassenenonderwijs .

Het bedrag dat een centrum moet doorstorten naar het Fonds wordt vastgesteld op basis van het aantal lesurencursist en de toegekende volledige of gedeeltelijke vrijstellingen van het betalen van inschrijvingsgeld. Na verificatie wordt bepaald hoeveel lesurencursist gegenereerd werden door volledig betaalde en hoeveel door volledig of gedeeltelijk vrijgestelde cursisten.

Vervolgens wordt het verschil berekend tussen de ontvangen inschrijvingsgelden en het aantal lesurencursist vermenigvuldigd met 0,80 euro vanaf het schooljaar 2015-2016:

- indien het verschil positief is, moet het centrumbestuur het overeenkomstige bedrag doorstorten naar het Fonds;

- indien het verschil negatief is, ontvangt het centrumbestuur het overeenkomstige bedrag van het Fonds.

Voor het schooljaar 2019-2020 geldt een overgangsregeling. De DAB is dan volledig opgeheven en alle Centra voor Basiseducatie en Centra voor Volwassenenonderwijs zullen dan enerzijds werkingstoelagen van de overheid ontvangen en anderzijds de geïnde inschrijvingsgelden aan de overheid moeten overmaken. In het jaar 2020 kan er echter nog geen verrekening gebeuren en worden de werkingstoelagen en inschrijvingsgelden op de volgende wijze overgemaakt:

1° uiterlijk op 1 maart 2020 betaalt het agentschap aan de centra de eerste schijf van 50% van de werkingstoelage waarop het centrum voor het schooljaar 2019-2020 recht heeft;

2° uiterlijk op 31 maart 2020 maken de centra 100% van de geïnde inschrijvingsgelden vanaf 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 over aan het agentschap;

3° uiterlijk op 1 oktober 2020 betaalt het agentschap de tweede schijf van 50% van de werkingstoelage waarop het centrum voor het schooljaar 2019-2020 recht heeft;

4° uiterlijk op 31 oktober 2020 maken de centra 100% van de geïnde inschrijvingsgelden vanaf 1 januari 2019 tot en met 31 augustus 2019 over aan het agentschap.

Vanaf het schooljaar 2020-2021 gebeurt d e afrekening tussen de ontvangen inschrijvingsgelden (zie 8.3.2) en de toekenning van werkings middelen tweemaal per jaar , op de volgende wijze:

1° uiterlijk op 1 maart van het jaar n berekent het agentschap het verschil tussen de inschrijvingsgelden die het centrum in de periode september n-2 tot en met december n-2 heeft geïnd en 50% van de werkingstoelage waarop het centrum voor het schooljaar n-1/n recht heeft ;

2° uiterlijk op 31 maart n maakt het centrum waarvoor een positief verschil is berekend, dat bedrag over aan het agentschap en ontvangt het centrum waarvoor een negatief verschil is berekend, dat bedrag van het agentschap;

3° uiterlijk op 1 oktober van het jaar n berekent het agentschap het verschil tussen de inschrijvingsgelden die het centrum in de periode januari n-1 tot en met augustus n- 1 heeft geïnd en 50% van de werkingstoelage waarop het centrum voor het schooljaar n-1/n recht heeft;

4° uiterlijk op 31 oktober maakt het centrum waarvoor een positief verschil is berekend, dat bedrag over aan het agentschap en ontvangt het centrum waarvoor een negatief verschil is berekend , dat bedrag van het agentschap.

Alvorens tot uitbetaling of vordering over te gaan, deelt de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs aan elk centrumbestuur het vastgestelde bedrag mee.

In geval van uitbetaling deelt de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs het bij hen gekende rekeningnummer mee. Indien dit rekeningnummer moet gewijzigd worden, dient dit aan de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs gemeld te worden met het formulier 'Melding van wijziging van een rekeningnummer'. Dit formulier is als bijlage 9 bij deze omzendbrief gevoegd.

8.4. Speciale onderwijsleermiddelen

De speciale onderwijsleermiddelen die centra kunnen aanvragen worden in de omzendbrief VWO/2009/01 toegelicht.

9. Projectfinanciering of -subsidiëring

9.1. Aanvullende financiering of subsidiëring voor projecten gecombineerd onderwijs

9.1.1. Aanvraagdossier

Een centrum dat opleidingen in gecombineerd onderwijs met minimaal 50 procent van de totale opleiding en minstens 200 lestijden afstandsonderwijs wil organiseren en in aanmerking wil komen voor een aanvullende financiering of subsidiëring ter ondersteuning en stimulering van het gecombineerd onderwijs, dient hiertoe uiterlijk op 30 april van het voorafgaande schooljaar een aanvraag in bij de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs, financiering.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be. Omwille van praktische redenen stelt de oproep echter 31 maart als indieningsdatum voorop. Dit laat de administratie toe de dossiers tijdig te verwerken. Hiertoe dient het centrum het aanvraagformulier te gebruiken dat als bijlage 10 bij deze omzendbrief is toegevoegd.

9.1.2. Ontvankelijkheidscriteria

De aanvraag is alleen ontvankelijk als ze voldoet aan volgende criteria:

- het heeft betrekking op modules van een erkende en gefinancierde of gesubsidieerde opleiding waarvoor het centrumbestuur nog geen aanvullende financiering of subsidiëring ter ondersteuning en stimulering van gecombineerd onderwijs heeft gekregen;

- het omvat een luik afstandsonderwijs dat minimaal 50 percent van het totale aantal lestijden van de volledige opleiding bedraagt en minstens 200 lestijden omvat;

- er is een openleercentrum voorzien;

- het gescande protocol van de onderhandeling over het gecombineerd onderwijs in het lokaal comité is bij de aanvraag gevoegd.

De bevoegde administratie beoordeelt de ontvankelijkheid van elke aanvraag en betrekt de representatieve vakorganisaties bij de beoordeling van het toegevoegde gescande protocol van de onderhandeling over het gecombineerd onderwijs.

9.1.3. Selectiecriteria

De ontvankelijke aanvragen worden beoordeeld door een selectiecommissie die rekening zal houden met de volgende criteria:

- de inbedding van het gecombineerd onderwijs binnen de totale onderwijskundige organisatie en de innovatieve draagkracht van de betrokken centra, publieke opleidingsverstrekkers of organisaties;

- de organisatie van het gecombineerd onderwijs en de afstemming van het gedeelte afstandsonderwijs op het gedeelte contactonderwijs;

- de effectiviteit van het gecombineerd onderwijs inzake overdraagbaarheid, visie- en materiaalontwikkeling;

- de mate van betrokkenheid van het personeel;

- de flexibiliteit van het aanbod;

- de samenwerkingsverbanden en netwerken met centra, publieke opleidingsverstrekkers of organisaties;

- de kwaliteitszorg.

De selectiecommissie draagt aan de Vlaamse Regering de aanvragen voor die op basis van bovenstaande criteria gunstig zijn beoordeeld en het aantal toe te kennen leraarsuren per gunstig beoordeelde aanvraag.

9.1.4. Voorrangscriteria

De Vlaamse Regering bepaalt aan welke door de selectiecommissie gunstig beoordeelde aanvragen een aanvullende financiering of subsidiëring wordt toegekend voor het gecombineerd onderwijs en verleent daarbij voorrang aan aanvragen die aan een of meer van de volgende voorwaarden voldoen:

- aanvragen die betrekking hebben op diplomagerichte opleidingen of onderwijs aan gedetineerden;

- aanvragen die een integrale opleiding omvatten;

- aanvragen die betrekking hebben op gecombineerd onderwijs dat minimaal 75 % afstandsonderwijs omvat;

- aanvragen die gegroeid zijn uit een samenwerking met andere centra, publieke opleidingsverstrekkers of andere organisaties.

Per goedgekeurde aanvraag kan de Vlaamse Regering respectievelijk minimaal 400 en maximaal 1.000 leraarsuren toekennen aan een Centrum voor Volwassenenonderwijs of minimaal 0,5 VTE en maximaal 1 VTE aan een Centrum voor Basiseducatie.

9.1.5. Engagementen van het centrumbestuur

Bij de aanvraag moeten de gemandateerden van het centrumbestuur zich engageren om:

- het ontwikkelde gecombineerd onderwijs ook effectief te organiseren binnen een termijn van maximaal twee schooljaren;

- gedurende de looptijd van het gecombineerd onderwijs alle gegevens te verzamelen die de realisatie van de vooropgestelde doelstellingen kunnen aantonen; deze gegevens betreffen minimaal:

o het aantal ingeschreven cursisten;

o het aantal financierbare of subsidieerbare cursisten;

o de scholingsgraad van de cursisten;

o het aantal cursisten dat deelneemt aan de evaluaties;

o het aantal geslaagde cursisten;

o het aantal en de aard van de uitgereikte studiebewijzen;

- onderling samen te werken met andere centrumbesturen die tijdens hetzelfde schooljaar een aanvullende financiering of subsidiëring voor het gecombineerd onderwijs ontvangen zodat de uitwisselbaarheid van de knowhow inzake cursusmateriaal en begeleiding van afstandsonderwijs gegarandeerd wordt;

- tevredenheidsmetingen uit te voeren bij de cursisten en de leraars en de resultaten van de tevredenheidsmeting bij de leraars ter beschikking te stellen van het bevoegde lokale comité;

- de stuurgroep op regelmatige tijdstippen over de voortgang van het gecombineerd onderwijs te informeren.

9.1.6. Eindrapport

Uiterlijk 14 maanden (31 oktober) na het aflopen van de aanvullende financiering of subsidiëring voor het project gecombineerd onderwijs dient het centrumbestuur een eindrapport in bij de afdeling Hoger en Volwassenenonderwijs, financiering.volwassenenonderwijs@vlaanderen.be.

Het eindrapport bevat ten minste:

- een evaluatie;

- een verslag van de activiteiten;

- de gegevens die de realisatie van de vooropgestelde doelstellingen kunnen aantonen (zie 9.1.5)

- de resultaten van de tevredenheidsmetingen bij de cursisten en de leraars (zie 9.1.5).

9.2. Extra middelen NT2 in het kader van de vluchtelingencrisis

In het kader van de vluchtelingencrisis heeft de Vlaamse overheid in de begroting 2019 een extra budget van 12,433 miljoen euro voorzien om acute noden in de organisatie van aanbod NT2 te kunnen opvangen. Deze eenmalige middelen kunnen in de CVO enkel aangewend worden voor de aanstelling van bijkomende leraren SVWO binnen de studiegebieden NT2, bijkomende aanstellingen binnen de puntenenveloppe (administratief medewerker en adjunct-directeur SVWO) en de werking van de centra met betrekking tot het NT2-aanbod. In de CBE kunnen deze eenmalige middelen enkel aangewend worden voor de aanstelling van bijkomende leraren binnen het leergebied NT2, bijkomende aanstellingen binnen de puntenenveloppe (administratief medewerker en adjunct-directeur) en de werking van de centra met betrekking tot het NT2-aanbod.

9.2.1. Verdelingsmechanisme

Voor de Centra voor Volwassenenonderwijs worden ten laste van het begrotingsjaar 201932.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en 643.454,45 euro aan werkingsmiddelen ter beschikking gesteld. Voor de Centra voor Basiseducatie worden 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en 1.731.545,55 euro aan werkingsmiddelen toegekend. De Vlaamse Regering beschikt over de mogelijkheid om de verdeling van deze middelen aan te passen.

De initiële verdeling van de middelen gebeurt op basis van het aantal unieke cursisten NT2 en alfa NT2 in een inburgeringstraject.

9.2.2. Aanwending van de middelen

De beschikbare middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van de studiegebieden NT2 en van de leergebieden NT2 en alfabetisering NT2 die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. Het is niet mogelijk om personeel vast te benoemen of te muteren in de betrekkingen die ontstaan naar aanleiding van deze middelen.

Meer informatie over deze extra middelen is gepubliceerd op de website van het volwassenenonderwijs: http://onderwijs.vlaanderen.be/nl/extra-middelen-nederlands-tweede-taal-nt2

10. Bijlagen

Bijlage 1 - Verklaring van de afbouw van een centrum voor volwassenenonderwijs of een centrum voor basiseducatie

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3160 (doc. nr. 3160)

Bijlage 2 - Verklaring van de fusie van centra voor volwassenenonderwijs

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3159 (doc. nr. 3159)

Bijlage 3 - Verklaring van de overheveling binnen dezelfde vestigingsplaats van een of meer SVWO-studiegebieden tussen twee centra voor volwassenenonderwijs

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=7487 (doc. nr. 7487)

Bijlage 4 - Verklaring van middelenoverdracht voor aanvangsbegeleiding binnen een samenwerkingsverband

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11880 (doc. nr. 11880)

Bijlage 5 - Aanvraag van een 120%-financiering of -subsidiëring van gecombineerd onderwijs voor volwassenen

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3700 (doc. nr. 3700)

Bijlage 6 - Aanrekening punten oprichting deeltijdse betrekkingen

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4501 (doc. nr. 4501)

Bijlage 7 - Punten voor de oprichting van deeltijdse betrekkingen

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3161 (doc. nr. 3161)

Bijlage 8 - Aanvraag van een premie voor een diploma secundair onderwijs dat behaald is aan een centrum voor volwassenenonderwijs

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3833 (doc. nr. 3833)

Bijlage 9 - Melding van de wijziging van een rekeningnummer

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3834 (doc. nr. 3834)

Bijlage 10 - Aanvraag van aanvullende financiering of subsidiëring voor gecombineerd onderwijs

https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4847 (doc. nr. 4847)