De tijdelijke aanstelling van bepaalde duur en van doorlopende duur in een wervingsambt.

  • referentie
    PERS/2019/03
  • publicatiedatum
    24/09/2019
  • datum laatste wijziging
    24/09/2019
  • wettelijke basis
    Decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, artikel 17 tot en met 25, artikel 100 quaterdecies en artikel 100 quinquiesdecies
  • wettelijke basis
    Decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, artikel 19 tot en met 29, artikel 77bis en 77ter
  • contact
  • contactpersoon
    Uw werkstation,
  • Cao XI bevat maatregelen die leiden tot een aantal belangrijke wijzigingen betreffende de tijdelijke aanstelling van een personeelslid in een wervingsambt.
  • Vanaf het schooljaar 2019-2020:
  • Deze omzendbrief bevat de nodige informatie over deze nieuwe principes en bundelt de nodige informatie over beide vormen van tijdelijke aanstelling (TABD en TADD) in een wervingsambt.
  • heeft een personeelslid tijdens de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur (TABD) het recht op en de plicht tot aanvangsbegeleiding;
  • verwerft het personeelslid – mits tijdige kandidaatstelling - voor een ambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) na het presteren van 580 dagen dienstanciënniteit (waarvan 400 dagen ook effectief moeten gepresteerd zijn) in het ambt in een periode van tenminste twee schooljaren en op voorwaarde dat hij van zijn eerste evaluator geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen die leidt tot uitstel van het recht op TADD .

1. Inleiding

In uitvoering van cao XI van 23 maart 2018 treden vanaf 1 september 2019 een aantal maatregelen in werking betreffende de tijdelijke aanstelling van een personeelslid in een wervingsambt.

Vanaf het schooljaar 2019-2020:

  • heeft een personeelslid tijdens de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur (TABD) het recht op en de plicht tot aanvangsbegeleiding;
  • verwerft het personeelslid in een ambt na tijdige kandidaatstelling het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) na het presteren van 580 dagen dienstanciënniteit (waarvan 400 dagen ook effectief moeten gepresteerd zijn) in dat ambt in een periode van tenminste twee schooljaren en mits hij van zijn eerste evaluator geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen die leidt tot uitstel van het recht op TADD.

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur wordt aangesteld, moet de nodige aanvangsbegeleiding krijgen en volgen. Dit moet er voor zorgen dat het startende personeelslid de kans krijgt te groeien in de job en zo de competenties die hij of zij in de (leraren)opleiding heeft verworven verder te ontwikkelen in de dagdagelijkse klas- en schoolpraktijk en die waar nodig bij te sturen.

Het recht op en de plicht tot aanvangsbegeleiding geldt voor alle tijdelijke personeelsleden die een loopbaan in het onderwijs starten in een wervingsambt (een kleuteronderwijzer, een onderwijzer, een leraar, een administratief medewerker, een orthopedagoog, een logopedist, een psycho-pedagogisch consulent, een studiemeester-opvoeder, …).

De inrichtende macht draagt in eerste instantie zorg voor de feitelijke ontwikkeling en invulling van de aanvangsbegeleiding. In het basis- en secundair onderwijs maken de scholen en schoolbesturen die deel uitmaken van een scholengemeenschap specifieke afspraken over de organisatie van de aanvangsbegeleiding binnen de scholengemeenschap.

Een inrichtende macht ontvangt vanaf 1 september 2019 jaarlijks bijkomende middelen om in zijn instelling of instellingen een kwaliteitsvolle aanvangsbegeleiding aan te bieden en (verder) te ontwikkelen.

Een tijdelijk personeelslid zal vanaf 1 september 2019 sneller een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) kunnen verwerven, namelijk na tenminste twee schooljaren in plaats van na tenminste drie schooljaren.

Om dit recht op TADD in een ambt te verwerven zal een personeelslid 580 dagen dienstanciënniteit in dat ambt moeten verwerven, waarvan 400 dagen effectieve prestaties (in plaats van 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd). Hierdoor wordt de ‘proefperiode’ korter maar intenser.

Tijdens de periode die het personeelslid nodig heeft om de vereiste dienstanciënniteit te verwerven, heeft het tijdelijke personeelslid het recht op en de plicht tot aanvangsbegeleiding en wordt hij intens gecoacht en ondersteund. Op het einde van deze periode zal het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator in principe een beoordeling krijgen.

Deze omzendbrief omvat de principes die gelden voor zowel de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur als de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

De omzendbrief is van toepassing op tijdelijke personeelsleden die in het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs worden aangesteld in instellingen van het basisonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, het secundair onderwijs, in de centra voor volwassenenonderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding.

Het gaat om een aanstelling in de wervingsambten van:

  • het bestuurs- en onderwijzend personeel;
  • het opvoedend hulppersoneel;
  • het paramedisch personeel;
  • het sociaal personeel;
  • het psychologisch personeel;
  • het orthopedagogisch personeel;
  • het medisch personeel;
  • het technisch personeel;
  • het administratief personeel;
  • het ondersteunend personeel;
  • het beleids- en ondersteunend personeel.

In deze omzendbrief vindt u hierna per onderwijsniveau de nodige informatie terug over beide vormen van tijdelijke aanstelling:

  • in het basisonderwijs (punt 2);
  • in de centra voor leerlingenbegeleiding (punt 3);
  • in het deeltijds kunstonderwijs (punt 4);
  • in het secundair onderwijs (punt 5);
  • in het volwassenenonderwijs (punt 6).

2. TIJDELIJKE AANSTELLING IN HET BASISONDERWIJS

Deze omzendbrief is van toepassing op tijdelijke personeelsleden die in het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs worden aangesteld in een wervingsambt in volgende instellingen:

  • scholen in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs;
  • internaten;
  • internaten met permanente openstelling van het Gemeenschapsonderwijs;
  • medisch-pedagogische instituten;
  • semi-internaten;
  • tehuizen.

Het gaat om een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt van:

  • het bestuurs- en onderwijzend personeel;
  • het beleids- en ondersteunend personeel.
  • het paramedisch personeel;
  • het sociaal personeel;
  • het psychologisch personeel;
  • het orthopedagogisch personeel;
  • het medisch personeel;
  • het administratief personeel;
  • het opvoedend hulppersoneel.

In het gemeenschapsonderwijs is het instellingshoofd bevoegd voor de tijdelijke aanstelling. In deze omzendbrief gebruiken we steeds de term directeur om het instellingshoofd aan te duiden.

2.1. TIJDELIJKE AANSTELLING VAN BEPAALDE DUUR (TABD)

Een tijdelijk personeelslid wordt in het gemeenschapsonderwijs door de directeur en in het gesubsidieerd onderwijs door het schoolbestuur aangesteld in een wervingsambt voor bepaalde duur (TABD) of voor doorlopende duur (TADD).

Een tijdelijk personeelslid wordt in het begin van zijn loopbaan altijd voor bepaalde duur aangesteld. Als het personeelslid na verloop van minstens twee schooljaren presteren aan bepaalde voorwaarden voldoet, kan hij het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur verwerven (zie punt 2.2).

Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur kan zowel in een vacante betrekking als in een niet-vacante betrekking en geldt steeds voor de duur van maximum een schooljaar. Een tijdelijk personeelslid kan natuurlijk het daaropvolgende schooljaar weer voor bepaalde duur worden aangesteld.

2.1.1. De aanstelling van een tijdelijk personeelslid

U kan een tijdelijk personeelslid slechts aanstellen voor bepaalde duur als hij voldoet aan een aantal specifieke voorwaarden, die zijn vastgelegd in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 17) of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 19).

2.1.1.1. De aanstellingsvoorwaarden

U kan een tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur aanstellen in een betrekking als hij voldoet aan de volgende aanstellingsvoorwaarden:

1. Belg zijn of onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie

Behoort het personeelslid niet tot een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, dan kan een vrijstelling worden gevraagd die wordt verleend door de Vlaamse Regering. Het personeelslid moet dan ook in het bezit zijn van een arbeidskaart.

2. De burgerlijke en politieke rechten genieten of in het bezit zijn van een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1

3. In het bezit zijn van een geldig vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarin het personeelslid wordt aangesteld

Bij gebrek aan kandidaten met een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, kan u een kandidaat aanstellen met een "ander" bekwaamheidsbewijs. Dergelijke aanstelling is steeds beperkt tot het lopende schooljaar, maar kan jaarlijks verlengd worden als u nog steeds geen andere kandidaat vindt.

De bekwaamheidsbewijzen per ambt vindt u terug op https://data-onderwijs.vlaanderen.be/bekwaamheidsbewijzen/start.aspx?niv=BaO.

4. Medisch geschikt zijn

De gezondheidstoestand van het personeelslid mag geen gevaar vormen voor de gezondheid van de leerlingen. Dit wordt geattesteerd door de huisarts.

5. Van onberispelijk gedrag zijn

Dit blijkt uit een uittreksel uit het strafregister (596.2 – model bestemd voor contacten met minderjarigen) dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgeleverd.

6. Voldoen aan de taalvereisten voor het ambt

Het personeelslid moet een specifiek kennisniveau van het Nederlands als onderwijstaal aantonen. Als het personeelslid in het basisonderwijs de verplichte tweede taal Frans zal onderwijzen, moet hij ook een specifiek kennisniveau van het Frans aantonen.

Als u moeilijkheden ondervindt om een personeelslid aan te werven dat niet onmiddellijk beantwoordt aan de vereiste kennis van het Nederlands als onderwijstaal of van het Frans als verplichte tweede taal, kan u voor dit personeelslid een tijdelijke afwijking aanvragen op de vereiste taalkennis.

Meer informatie vindt u terug in de omzendbrief Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs (PERS/2010/01 van 19-01-2010).

7. De reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking is nageleefd

U kan een tijdelijk personeelslid slechts aanstellen als de bepalingen betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling correct zijn nageleefd.

Meer informatie over deze reglementering vindt u in de omzendbrief De reaffectatie- en wedertewerkstellingsregeling voor de inrichtende machten en de personeelsleden tewerkgesteld in het niet-tertiair onderwijs (Pers/2003/08 van 28-07-2003).

8. Voordracht voor een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht

Een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht (leermeester godsdienst of leermeester niet-confessionele zedenleer) kan u enkel aanstellen als het personeelslid aan de aanstellingsvoorwaarden voldoet én er daarenboven een voordracht is van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst (leermeester godsdienst) of van de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer (leermeester niet-confessionele zedenleer).

9. Kandidaatstelling in het gemeenschapsonderwijs

In het gemeenschapsonderwijs moet een personeelslid zich elk schooljaar voor 15 juni kandidaat stellen voor een tijdelijke aanstelling bij de scholengroep.

Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur van deze voorwaarde afwijken.

2.1.2. Recht op en plicht tot aanvangsbegeleiding

Vanaf 1 september 2019 geldt bij de aanstelling van een tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur in een wervingsambt het recht op en de plicht tot aanvangsbegeleiding.

2.1.2.1. Wie heeft recht op aanvangsbegeleiding?

Een loopbaan in het onderwijs begint steeds met een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Tijdens deze loopbaanfase krijgt elk tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur in een wervingsambt wordt aangesteld ondersteuning en begeleiding in de vorm van een traject van aanvangsbegeleiding.

Deze aanvangsbegeleiding vormt een recht en een plicht voor zowel het tijdelijke personeelslid als voor het schoolbestuur.

Bij een tijdelijke aanstelling via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen (verlof TAO) of via een reaffectatie of wedertewerkstelling – wat steeds een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur inhoudt – is het schoolbestuur niet verplicht om aanvangsbegeleiding aan te bieden. Het gaat hier immers om een tijdelijke aanstelling van een vastbenoemd personeelslid en daarbij mag uitgegaan worden van het feit dat dit personeelslid al de nodige ervaring en competenties heeft verworven in zijn ambt. Niets weerhoudt echter het schoolbestuur om ook bij dergelijke aanstelling een specifiek traject van aanvangsbegeleiding uit te werken voor het personeelslid, maar dit vormt alleszins geen recht noch een plicht voor de betrokken partijen.

2.1.2.2. Inhoud en organisatie van de aanvangsbegeleiding

2.1.2.2.1. Algemeen

De inhoud of vorm van aanvangsbegeleiding die aan een tijdelijk personeelslid moet worden aangereikt en de wijze waarop die aanvangsbegeleiding feitelijk in en door de school, het schoolbestuur of de scholengemeenschap wordt georganiseerd en uitgebouwd, behoort tot de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het schoolbestuur.

Afspraken hierrond worden onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité en die afspraken krijgen op schoolniveau een vertaling in het professionaliseringsplan (het vroegere nascholingsplan).

Voor de scholen die behoren tot een scholengemeenschap worden in het onderhandelingscomité van de scholengemeenschap eveneens dergelijke afspraken onderhandeld.

2.1.2.2.2. Individuele aanvangsbegeleiding per personeelslid

Een tijdelijk personeelslid dat in een wervingsambt voor bepaalde duur wordt aangesteld, krijgt een eigen traject van aanvangsbegeleiding.

De eerste evaluator bepaalt in overleg met het tijdelijke personeelslid de duur en de intensiteit van het traject van de individuele aanvangsbegeleiding. De eerste evaluator is het personeelslid dat in de instelling is aangeduid als eerste evaluator in het kader van de evaluatieprocedure (zie punt 2.1.2 van de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007).

De eerste evaluator zal het tijdelijke personeelslid ook beoordelen met het oog op de volgende fase in zijn loopbaan, de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

De coaching en begeleiding van het personeelslid tijdens het traject kunnen worden verzorgd door een of meer personeelsleden die in de school of scholengemeenschap met deze opdracht worden belast (onder meer via de middelen voor de organisatie van aanvangsbegeleiding die worden toegekend aan het schoolbestuur).

Als het tijdelijke personeelslid een functiebeschrijving krijgt onder de voorwaarden omschreven in de decreten rechtspositie (zie ook de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007), worden de afspraken over de aanvangsbegeleiding in zijn functiebeschrijving opgenomen. Heeft het tijdelijke personeelslid geen functiebeschrijving dan worden de afspraken over de aanvangsbegeleiding vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen het personeelslid en de eerste evaluator.

Als er in de loop van het traject van aanvangsbegeleiding nieuwe afspraken worden gemaakt, dan wordt de schriftelijke overeenkomst of desgevallend de functiebeschrijving aangepast. Deze aanpassing gebeurt steeds in onderling overleg tussen het betrokken personeelslid en de eerste evaluator.

2.1.2.2.3. De beoordeling

Het sluitstuk van het traject van opvolging en coaching tijdens de beginperiode van de loopbaan - de aanvangsbegeleiding - mondt uit in een beoordeling van het tijdelijke personeelslid.

De eerste evaluator van het personeelslid stelt deze beoordeling op.

Bij de beoordeling van een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht (leermeester godsdienst en leermeester niet-confessionele zedenleer) moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten van dit ambt de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer betrokken worden. De bevoegde instantie stelt voor dit aspect een deel van beoordeling op. De ondertekening van dat deel van de beoordeling door een afgevaardigde van de bevoegde instantie geeft aan dat de bevoegde instantie haar akkoord geeft aan de beoordeling van het personeelslid.

De beoordeling vormt het signaal dat het personeelslid zich kandidaat kan stellen voor het recht op TADD, tenzij het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD.

Als het tijdelijke personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de vereiste dienstanciënniteit voor het recht op TADD verwerft (zie punt 2.2.1.1) geen beoordeling heeft gekregen, dan is het alsof de beoordeling daadwerkelijk is toegekend. Dit houdt dan in dat het personeelslid het recht op TADD verwerft vanaf het daaropvolgend schooljaar (als hij zich ook tijdig kandidaat heeft gesteld).

Naast de beoordeling blijft het instrument van evaluatie – net als voor alle personeelsleden - onverminderd van toepassing voor een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur (zie ook de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007).

In het bevoegde lokale comité worden op het niveau van het schoolbestuur of desgevallend de scholengemeenschap afspraken gemaakt over de beoordeling.

Deze afspraken kunnen gaan over de wijze waarop het instrument van beoordeling binnen de scholen van het schoolbestuur of scholengemeenschap zal worden gehanteerd (bv. afstemmen van de beoordeling als een tijdelijk personeelslid in meerdere scholen presteert, opvolgen van de tijdelijke personeelsleden via uitwisseling van informatie, aanstellen van een personeelslid met een beoordeling met werkpunten, …). Deze afspraken kunnen weliswaar nooit afbreuk doen aan de decretale bepalingen met betrekking tot het verwerven van het recht op TADD.

2.1.2.2.3.1. De beoordeling met werkpunten

De eerste evaluator kan oordelen dat het personeelslid nog werkpunten heeft die maken dat hij nog niet voldoet om het recht op TADD te verwerven.

De eerste evaluator maakt dan een verslag op waarin hij deze beslissing en de werkpunten opneemt, samen met het traject dat het tijdelijke personeelslid tijdens de aanvangsbegeleiding heeft afgelegd. Als het om een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht (leermeester godsdienst en leermeester niet-confessionele zedenleer) gaat, wordt ook hier de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer betrokken voor een oordeel over de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten van dit ambt.

Als het personeelslid het niet eens is met deze beoordeling met werkpunten kan hij verhaal halen bij het schoolbestuur. Het schoolbestuur gaat na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op TADD rechtvaardigt. Het schoolbestuur kan de beoordeling met werkpunten enkel bevestigen of vernietigen. Als een van de betrokken partijen aan het schoolbestuur vraagt om gehoord te worden, hoort het schoolbestuur zowel het betrokken personeelslid als de eerste evaluator voordat het een beslissing neemt.

Als een tijdelijke personeelslid na de beoordeling met werkpunten in een instelling van de scholengemeenschap of van het schoolbestuur (als de instelling niet behoort tot een scholengemeenschap) opnieuw een tijdelijke aanstelling krijgt in een betrekking in het betrokken ambt, moet hij in dat ambt nog bijkomend 200 dagen effectieve prestaties extra verrichten om zich kandidaat te kunnen stellen voor het recht op TADD (zie punt 2.2.1.2).

Tijdens deze periode heeft het personeelslid recht op een aangepast traject van aanvangsbegeleiding, waarbij de focus ligt op de werkpunten die tijdens de beoordeling aan bod zijn gekomen en die in het verslag zijn opgenomen. Tenzij het personeelslid op het einde van de periode die vereist is om de bijkomende 200 dagen effectieve prestaties te verrichten een evaluatie krijgt die leidt tot een evaluatie “onvoldoende”, verwerft het personeelslid bij tijdige kandidaatstelling het recht op TADD vanaf het daaropvolgende schooljaar.

2.1.2.2.4. Middelen voor de organisatie van aanvangsbegeleiding

Een schoolbestuur ontvangt jaarlijks bijkomende middelen om in zijn instelling of instellingen een kwaliteitsvolle aanvangsbegeleiding aan te bieden en (verder) te ontwikkelen. Deze middelen worden rechtstreeks toegekend aan de instelling samen met de gebruikelijke omkadering.

Meer informatie over de toekenning, berekening en aanwending van de middelen voor aanvangsbegeleiding vindt u terug in de volgende omzendbrieven:

  • Gewoon basisonderwijs: Personeelsformatie Scholen in het Gewoon Basisonderwijs – BaO/2005/09 van 29-06-2005 (punt 3.2.3)
  • Buitengewoon basisonderwijs: De personeelsformatie Scholen in het buitengewoon basisonderwijs – BaO/2005/10 van 29-06-2005 (punt 3.2.7)
  • Internaten: Gefinancierde en gesubsidieerde internaten: programmatie, rationalisatie en omkadering – SO 17 van 20-08-1992 (punt 3.5)

2.1.3. Administratieve en geldelijke toestand van het personeelslid

2.1.3.1. Administratieve toestand

Het schoolbestuur moet de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur van een personeelslid schriftelijk vastleggen.

In het gemeenschapsonderwijs gebeurt dit via een schriftelijk document, in het officieel gesubsidieerd onderwijs via een besluit van het bestuur (het college van burgemeester en schepenen of de bestendige deputatie) en in het vrij gesubsidieerd onderwijs via een arbeidsovereenkomst.

Dit document vermeldt tenminste:

  • de benaming en het adres van het schoolbestuur en van de instelling waar het personeelslid tewerkgesteld wordt;
  • de identiteit van het personeelslid;
  • het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;
  • of het om een aanstelling in een vacante of een niet-vacante betrekking gaat, in dit laatste geval, de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, van het afwezige personeelslid dat de titularis tijdelijk vervangt;
  • het pedagogisch project en de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.

Het personeelslid ontvangt steeds een exemplaar van dit document.

De instelling meldt daarnaast de opdracht van het personeelslid aan het werkstation met het oog op de bezoldiging van het personeelslid (zie punt 2.1.6).

2.1.3.2. Geldelijke toestand

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking heeft recht op een maandelijks salaris dat rechtstreeks uitbetaald wordt door AGODI, op voorwaarde dat het tijdelijke personeelslid aan de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden voldoet.

Deze voorwaarden en welke documenten en gegevens u aan het werkstation moet bezorgen, vindt u in de omzendbrief Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en vorming (PERS/2005/09 van 29-06-2005).

Gaat het om een tijdelijke aanstelling in een niet-vacante betrekking - dus om de vervanging van een afwezige titularis - dan zal het personeelslid een salaris ontvangen als daarenboven ook aan de volgende vervangingsvoorwaarden is voldaan:

  • het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking;
    • het te vervangen personeelslid is afwezig voor ten minste tien opeenvolgende werkdagen. Deze voorwaarde geldt niet in een vestigingsplaats van een school voor gewoon basisonderwijs waar minder dan 72 lestijden in het ambt van onderwijzer of kleuteronderwijzer zijn ingericht of voor buitengewoon basisonderwijs waar minder dan 66 lestijden in het ambt van onderwijzer of kleuteronderwijzer zijn ingericht. Deze voorwaarde geldt ook niet als het te vervangen personeelslid omstandigheidsverlof geniet wegens de bevalling van zijn echtgenote of samenwonende partner en de afwezigheid geen aaneensluitende periode van tien werkdagen vormt;
    • het tijdelijke personeelslid wordt in een betrekking aangesteld die met vervangingseenheden “vervanging korte afwezigheden” is ingericht (zie ook de omzendbrief Vervangingen van korte afwezigheden in het basisonderwijs – Pers/2005/23 van 16-11-2005).

Een vervanging van een personeelslid dat nascholing volgt, wordt niet bezoldigd.

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur is aangesteld in een wervingsambt tot 30 juni, zowel in een vacante als in een niet-vacante betrekking, krijgt voor de duur van zijn aanstelling en dit uiterlijk tot en met de maand juni maandelijks een salaris.

Tijdens de zomervakantie ontvangt elk tijdelijk personeelslid onder bepaalde voorwaarden een uitgestelde bezoldiging die wordt berekend op basis van de prestaties die het personeelslid heeft uitgeoefend tijdens het schooljaar (tussen 1 september en 30 juni).

Deze uitgestelde bezoldiging wordt in juli en augustus van datzelfde schooljaar uitbetaald. Meer informatie vindt u in de omzendbrief Sommige aspecten van de bezoldiging van tijdelijke personeelsleden van het onderwijs – PERS/2004/07 van 10-06-2004.

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur is aangesteld in een wervingsambt van administratief medewerker of van het administratief personeel, krijgt voor de duur van zijn aanstelling maandelijks een salaris, ook in de maanden juli en augustus als het personeelslid effectief in die maanden aangesteld is.

2.1.3.3. Ziekteverlof

Het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur heeft tijdens een afwezigheid wegens ziekte binnen de periode van zijn aanstelling onder bepaalde voorwaarden recht op bezoldigd ziekteverlof.

Deze voorwaarden en de berekeningswijze van het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vindt u terug in de omzendbrief - Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding – PERS/2007/07 van 21-09-2007 (punt 2.2).

2.1.4. Einde van de tijdelijke aanstelling

De aanstelling van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur kan worden beëindigd door een ontslag dat uitgaat van het schoolbestuur of via een vrijwillig ontslag van het personeelslid zelf.

Daarnaast zijn er een aantal situaties – die vastgelegd zijn in de decreten rechtspositie – die automatisch een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. We spreken in dat geval niet over een ontslag, maar over een beëindiging van de tijdelijke aanstelling van rechtswege of om een definitieve ambtsneerlegging.

2.1.4.1. Einde van de tijdelijke aanstelling van rechtswege

De decreten rechtspositie bepalen dat er onder bepaalde omstandigheden van rechtswege een einde komt aan de tijdelijke aanstelling van een personeelslid.

Dit houdt in dat er onmiddellijk een einde aan de aanstelling komt en er geen opzegtermijn is voor het personeelslid.

Volgende redenen leiden van rechtswege onmiddellijk tot een einde van de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur.

1. Het einde van het schooljaar

Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur eindigt uiterlijk op het einde van het schooljaar.

Het personeelslid kan natuurlijk het volgende schooljaar een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgen.

2. De terugkeer van de titularis van de betrekking

Als de titularis van de betrekking terugkeert uit zijn afwezigheid komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid dat in die betrekking als vervanger is aangesteld.

3. De betrekking wordt aan een ander personeelslid toegewezen

- omwille van de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling

Als het schoolbestuur in het kader van de verplichtingen betreffende reaffectatie of wedertewerkstelling de betrekking moet toewijzen aan een vastbenoemd personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

- door toewijzing van een affectatie, een mutatie of een vaste benoeming van een ander personeelslid

Als het schoolbestuur een vastbenoemd personeelslid in de betrekking muteert

of affecteert, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Als het schoolbestuur op 1 januari een ander personeelslid in de betrekking vast benoemt, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

4. De betrekking kan niet langer gefinancierd of gesubsidieerd worden

Als de betrekking niet meer financierbaar of subsidieerbaar is, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

5. Het personeelslid voldoet niet (meer) aan de aanstellingsvoorwaarden

Als na de aanstelling van het tijdelijke personeelslid blijkt dat hij niet (meer) voldoet aan een of meer van de aanstellingsvoorwaarden, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Voorbeeld

Het personeelslid wordt strafrechtelijk veroordeeld en deze veroordeling leidt tot het tijdelijke of definitief verlies van zijn burgerlijke en politieke rechten. Dit personeelslid voldoet vanaf dat ogenblik niet meer aan de aanstellingsvoorwaarde die stelt dat hij de burgerlijke en politiek rechten moet genieten.

6. Bij het bereiken van de leeftijdsgrens

Als het tijdelijke personeelslid de leeftijdsgrens bereikt die leidt tot pensionering, komt er op het einde van dat schooljaar een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Op deze regel geldt een uitzondering, zodat een personeelslid ook na het bereiken van de leeftijdsgrens een tijdelijke aanstelling kan behouden.

Meer informatie over deze maatregelen vindt u in de omzendbrief Langer werken dan 65 jaar (PERS/2012/05 van 30-07-2012).

7. Bij de definitieve pensionering van het personeelslid

Op ogenblik dat het tijdelijke personeelslid met pensioen gaat, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

2.1.4.2. Einde van de tijdelijke aanstelling door ontslag

De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) kan een tijdelijk personeelslid om bepaalde redenen ontslaan of het tijdelijke personeelslid kan zelf vrijwillig ontslag nemen.

Een ontslag van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur gebeurt:

  • met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen (in het gesubsidieerd onderwijs);
  • om dringende redenen;
  • na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”.

Deze vormen van ontslag kunnen ook impact hebben op de verwerving van het recht op TADD voor het personeelslid.

1. Ontslag met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen in het gesubsidieerd onderwijs

In het gesubsidieerd onderwijs kan het schoolbestuur een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur ontslaan met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen.

De redenen voor dit ontslag houden verband met een tekortkoming aan

de plichten van het personeelslid zoals opgenomen in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 9 en volgende).

Het schoolbestuur moet dit ontslag grondig motiveren en dit schriftelijk bezorgen aan het personeelslid. De mededeling van het ontslag vermeldt het begin en de duur van de opzeggingstermijn en gebeurt via een aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in de instelling en het ambt heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt niet meer in aanmerking voor de berekening van het recht op TADD. Het personeelslid behoudt wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft opgebouwd in andere instellingen van dezelfde scholengemeenschap of van hetzelfde schoolbestuur (als de instellingen niet tot een scholengemeenschap behoren) en hij kan die aanwenden om in die andere instellingen het recht op TADD in te roepen, maar niet in de instelling waar hij werd ontslagen.

Als het schoolbestuur het tijdelijke personeelslid na zijn ontslag opnieuw aanwerft in de instelling waar hij eerder werd ontslagen met een vooropzeg van 30 dagen in het desbetreffende ambt, dan kan hij voor dat ambt opnieuw een beroep doen op de al eerder gepresteerde dienstanciënniteit. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde dienstanciënniteit als niet bestaande beschouwd.

2. Ontslag om dringende redenen

In het gemeenschapsonderwijs

De directeur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur om dringende redenen ontslaan bij de vaststelling van een ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

Het moet gaan om aantoonbare feiten die de directeur, niet langer dan drie werkdagen nadat hij op de hoogte is gesteld van deze feiten, moet meedelen aan het personeelslid via een aangetekende brief die binnen een termijn van drie werkdagen na het ontslag om dringende redenen wordt verzonden.

Het tijdelijke personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep.

De raad van bestuur van de scholengroep schorst het tijdelijke personeelslid onmiddellijk preventief vanaf het ogenblik van ontslag.

Als het personeelslid beroep aantekent omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd. Deze periode van preventieve schorsing kan nooit langer zijn dan de duur van de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.

Als het personeelslid geen beroep aantekent, omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.

Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. 

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het ambt van ontslag heeft verworven tot op het ogenblik van het ontslag, komt na een ontslag om dringende redenen niet meer in aanmerking voor de berekening op het recht op TADD (zie punt 2.2.1.1).

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de scholengroep niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de scholengemeenschap en in alle instellingen van de scholengroep niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als de directeur het personeelslid na zijn ontslag toch opnieuw aanwerft in de instelling waar hij eerder werd ontslagen omwille van dringende redenen, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen die nodig is om het recht op TADD te verwerven (zie punt 2.2.1.1).

In het ge subsidieerd onderwijs

Het schoolbestuur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur om dringende redenen ontslaan bij de vaststelling van een ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Naargelang de aard van deze redenen kan het schoolbestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen.

Het moet gaan om aantoonbare feiten die het schoolbestuur, niet langer dan drie werkdagen nadat het op de hoogte is gesteld van deze feiten, moet meedelen aan het personeelslid via een aangetekende brief die binnen een termijn van drie werkdagen na het ontslag wordt verzonden of via gerechtsdeurwaardersexploot.

Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep.

Het schoolbestuur schorst het tijdelijke personeelslid onmiddellijk preventief vanaf het ogenblik van ontslag.

Als het personeelslid beroep aantekent omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd. Deze periode van preventieve schorsing kan nooit langer zijn dan de duur van de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.

Als het personeelslid geen beroep aantekent, omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.

Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het ambt van ontslag heeft verworven tot op het ogenblik van het ontslag, komt na een ontslag om dringende redenen niet meer in aanmerking voor de berekening op het recht op TADD (zie punt 2.2.1.1).

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van het schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de scholengemeenschap niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het schoolbestuur het personeelslid na zijn ontslag toch opnieuw aanwerft in de instelling waar hij eerder werd ontslagen omwille van dringende redenen, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen die nodig is om het recht op TADD te verwerven (zie punt 2.2.1.1).

3. Ontslag na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende

Een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur wordt na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” door het schoolbestuur ontslagen uit zijn ambt in de instelling waar hij deze evaluatie heeft gekregen.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in de instelling en het ambt heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt niet meer in aanmerking voor de berekening van het recht op TADD (zie punt 2.2.1.1).

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, behoudt het personeelslid wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere instellingen van de scholengemeenschap en kan hij die aanwenden om in die andere instellingen het recht op TADD in te roepen, maar niet in de instelling waar hij werd ontslagen. Als het ontslag gegeven werd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap, behoudt het personeelslid wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere instellingen van het schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren en kan hij die aanwenden om in die andere instellingen het recht op TADD in te roepen, maar niet in de instelling waar hij werd ontslagen.

Als het tijdelijke personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in de instelling waar hij eerder werd ontslagen omwille van een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” in het desbetreffende ambt, dan kan hij voor dat ambt wel opnieuw een beroep doen op de al eerder gepresteerde dienstanciënniteit. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde dienstanciënniteit als niet bestaande beschouwd.

4. De voordracht van een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht wordt ingetrokken

Als de bevoegde instantie van de eredienst voor een leermeester godsdienst of de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer voor een leermeester niet-confessionele zedenleer de voordracht intrekt, dan moet het schoolbestuur het tijdelijke personeelslid in dit ambt onmiddellijk en zonder opzeggingstermijn ontslaan.

Dit ontslag heeft voor de berekening van het recht op TADD geen impact op de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid tot op het ogenblik van het ontslag heeft verworven in het ambt bij het schoolbestuur of in de scholengemeenschap. Als het tijdelijke personeelslid later weer in een tijdelijke aanstelling krijgt in dit ambt, komt deze dienstanciënniteit dus nog steeds in aanmerking voor het recht op TADD (zie punt 2.2.1.1).

5. Vrijwillig ontslag door het personeelslid

Het personeelslid kan zelf ook vrijwillig ontslag nemen.

Bij dit ontslag hoort een opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen.

Het personeelslid meldt dit ontslag schriftelijk aan zijn directeur (gemeenschapsonderwijs) of aan zijn schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) en vermeldt daarin het begin en de duur van de opzeggingstermijn. De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) neemt kennis van dit ontslag door een duplicaat van deze melding te ondertekenen. Het personeelslid kan zijn ontslag ook meedelen via een aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot.

De opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen kan in onderling overleg tussen het personeelslid en de directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) ingekort worden. Die instemming blijkt uit een geschrift dat de effectieve datum van de stopzetting van de opdracht vermeldt en dat beide partijen ondertekenen.

Een vrijwillig ontslag heeft voor de berekening van het recht op TADD geen impact op de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid tot op het ogenblik van het ontslag heeft verworven in het ambt bij het schoolbestuur of in de scholengemeenschap. Als het tijdelijke personeelslid later weer een tijdelijke aanstelling krijgt, komt deze dienstanciënniteit dus nog steeds in aanmerking voor het recht op TADD (zie punt 2.2.1.1).

6. Andere redenen

Naast de hiervoor opgesomde mogelijkheden zijn er nog redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid zonder opzeggingstermijn in de vorm van een definitieve ambtsneerlegging.

U vindt die mogelijkheden voor het gemeenschapsonderwijs terug in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 86) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 60).

2.1.5. Behoud van verworven rechten bij overheveling van een vestigingsplaats, overname van de instelling door een ander schoolbestuur of bij wijziging van scholengemeenschap

Als de vestigingsplaats waar het tijdelijke personeelslid een opdracht uitoefent, overgeheveld wordt naar een instelling van een ander schoolbestuur kan het tijdelijke personeelslid onder bepaalde voorwaarden de rechten behouden die hij tot dan heeft verworven.

Als de instelling waar het tijdelijke personeelslid is aangesteld, overgenomen wordt door een ander schoolbestuur, toetreedt tot een andere scholengemeenschap of uit een scholengemeenschap stapt, behoudt het tijdelijke personeelslid de rechten die hij tot dan heeft verworven bij die instelling.

2.1.5.1. Overheveling van een vestigingsplaats

Bij de overheveling van een vestigingsplaats naar een instelling van een ander schoolbestuur stellen de betrokken schoolbesturen een schriftelijke overeenkomst op.

Deze overeenkomst houdt minstens rekening met:

1° de personeelsleden die in de vestigingsplaats tewerkgesteld zijn in het schooljaar voorafgaand aan de overheveling, en met de omvang van die tewerkstelling;

2° de omvang van de omkadering die met de overheveling gepaard gaat.

Als de betrokken schoolbesturen in de overeenkomst opnemen dat er personeelsleden worden overgenomen bij de overheveling van de vestigingsplaats, gaan deze personeelsleden – op voorwaarde dat ze daar zelf voor kiezen - over naar het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overneemt. Het tijdelijke personeelslid dat vrijwillig kiest voor dergelijke overstap wordt tijdelijk personeelslid van het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overneemt ten belope van de opdracht waarvoor hij bij zijn vorige schoolbestuur was aangesteld.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de vestigingsplaats die wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

Als een scholengroep een vestigingsplaats van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het gesubsidieerd onderwijs beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die de vestigingsplaats overneemt.

Als een schoolbestuur een vestigingsplaats van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep of het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

2.1.5.2. Overname van een instelling in het gemeenschapsonderwijs

Bij de overname van een instelling door een andere scholengroep, gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de instelling die wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid over naar de scholengroep die de instelling overneemt.

Bij de overname van een instelling van een schoolbestuur van het gesubsidieerd onderwijs betreft, gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de instelling die wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid over naar de scholengroep die de instelling overneemt als ze daar zelf om verzoeken.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de instelling die wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij de scholengroep die de instelling overneemt.

Als een scholengroep een instelling van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het gesubsidieerd onderwijs beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die de instelling overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het schoolbestuur die de instelling overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overneemt.

2.1.5.3. Overname van een instelling in het gesubsidieerd onderwijs

Bij de overname van een instelling door een ander schoolbestuur gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de instelling die wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid over naar het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Als de instelling die overgenomen wordt tot een ander net behoort dan datgene waartoe ze na de overname zal behoren, kan een tijdelijk personeelslid weigeren om over te stappen naar het andere schoolbestuur.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de instelling die wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Als een schoolbestuur een instelling van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het schoolbestuur die de instelling overlaat, geldt bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

2.1.5.4. Toetreding of uittreding van een scholengemeenschap

Als een instelling die voorheen niet tot een scholengemeenschap behoorde, toetreedt tot een scholengemeenschap, dan geldt de dienstanciënniteit die een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur voor de toetreding heeft verworven in een ambt in de instelling ook voor dat ambt in alle instellingen van de scholengemeenschap.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het schoolbestuur die de instelling overlaat, geldt voor de scholengemeenschap waartoe de instelling toetreedt.

Hetzelfde principe geldt als een instelling die voorheen tot een scholengemeenschap behoorde, toetreedt tot een andere scholengemeenschap. De dienstanciënniteit die een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur voor de toetreding tot de andere scholengemeenschap heeft verworven in een ambt in de instelling geldt ook in dat ambt in alle instellingen van de nieuwe scholengemeenschap.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het schoolbestuur die de instelling overlaat, geldt voor de nieuwe scholengemeenschap.

Als een instelling uit een scholengemeenschap treedt, en niet opnieuw toetreedt tot een andere scholengemeenschap, dan geldt de dienstanciënniteit die een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur voor de uittreding heeft verworven in een ambt in de instelling als gepresteerd in dat ambt bij het schoolbestuur in een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij een schoolbestuur van de scholengemeenschap, geldt bij het betrokken schoolbestuur voor de instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

2.1.6. Praktische schikkingen

De gegevens die u bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur aan het werkstation moet meedelen, vindt u terug in de omzendbrief Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en vorming (PERS/2005/09 van 29-06-2005).

2.2. TIJDELIJKE AANSTELLING VAN DOORLOPENDE DUUR (TADD)

Een tijdelijk personeelslid kan het recht verwerven op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) als hij aan een aantal specifieke voorwaarden voldoet.

Vanaf 1 september 2019 gelden nieuwe voorwaarden waardoor een personeelslid naast de verwerving van een bepaalde dienstanciënniteit in principe ook een beoordeling zal krijgen om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven.

Voor een personeelslid dat al voor 1 september 2019 dienstanciënniteit heeft verworven, geldt onder bepaalde voorwaarden een overgangsmaatregel (zie punt 2.2.3).

Het recht op TADD houdt in dat het personeelslid bij voorrang een tijdelijke aanstelling kan krijgen t.o.v. andere tijdelijke personeelsleden die niet aan deze voorwaarden voldoen.

De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur loopt over de schooljaren heen en is mogelijk in een vacante betrekking en in een niet-vacante betrekking.

Daarnaast is een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur eveneens een voorwaarde voor vaste benoeming in een wervingsambt. De omzendbrief 29/11/1999 - 13CC/VB/ml - Vaste benoeming - Procedure, voorwaarden en mededeling aan het Ministerie van Onderwijs en Vorming gaat hier dieper op in.

Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur is van toepassing op betrekkingen in een wervingsambt in de instellingen en personeelscategorieën vermeld onder punt 2.

2.2.1. Voorwaarden

Vanaf 1 september 2019 moet een tijdelijk personeelslid aan de volgende voorwaarden voldoen om voor een wervingsambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven:

  • binnen een termijn van minstens twee schooljaren 580 dagen dienstanciënniteit verwerven, waarvan 400 dagen effectief moeten gepresteerd zijn (zie punt 2.2.1.1);
  • uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin het personeelslid de vereiste dienstanciënniteit heeft verworven, geen beoordeling met werkpunten hebben gekregen van de eerste evaluator (zie punt 2.2.1.2).

Deze nieuwe voorwaarden gelden voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 voor het eerst in dienst komt;
  • op of na 1 september 2019 opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 minder dan 580 dagen dienstanciënniteit heeft verworven.

Dit betekent dat een tijdelijk personeelslid op basis van de nieuwe voorwaarden voor het eerst het recht op TADD kan verwerven op 1 september 2020.

Daarnaast gelden er overgangsmaatregelen voor tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 30 juni 2019 of op 30 juni 2020 aan specifieke voorwaarden voldoen (zie punt 2.2.3).

2.2.1.1. Voorwaarde betreffende dienstanciënniteit

Om het recht op TADD te kunnen laten gelden moet het tijdelijke personeelslid een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen en dit gespreid over een periode van ten minste twee schooljaren.

Van deze 580 dagen moeten er daarenboven minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

2.2.1.1.1. Berekening van de dienstanciënniteit

Een personeelslid moet ten minste 580 dagen dienstanciënniteit hebben, gespreid over ten minste twee schooljaren, om een recht op TADD te verwerven. Van deze 580 dagen moeten er 400 effectief gepresteerd zijn. Hierna gaan we dieper in op de principes die van toepassing zijn bij de berekening van de dienstanciënniteit.

Bij de berekening van de dienstanciënniteit zijn zowel het ambt waarin het personeelslid de diensten presteert als het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid van belang.

2.2.1.1.1.1. Per ambt

De dienstanciënniteit geldt steeds per ambt. Om het recht op TADD te verwerven voor een bepaald ambt moet de dienstanciënniteit verworven zijn in dit specifieke ambt.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid oefent een opdracht uit in het ambt van onderwijzer (12/24) en in het ambt van ICT-coördinator (18/36).

De prestaties die het personeelslid in beide ambten opbouwt, mogen niet samengenomen worden voor het recht op TADD.

De dienstanciënniteit die het personeelslid opbouwt in het ambt van onderwijzer geldt enkel voor de verwerving van het recht op TADD in het ambt van onderwijzer.

De dienstanciënniteit die het personeelslid opbouwt in het ambt van ICT-coördinator geldt enkel voor de verwerving van het recht op TADD in het ambt van ICT-coördinator.

De diensten die een personeelslid opbouwt in een wervingsambt van het beleids- en ondersteunend personeel (administratief medewerker, ICT-coördinator en zorgcoördinator) komen in aanmerking als diensten voor het desbetreffende ambt, ook als een personeelslid prestaties heeft verricht in betrekkingen met verschillende diplomaniveaus en met verschillende puntenwaarden.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid is aangesteld in het ambt van administratief medewerker in een betrekking van tenminste HSO (63 punten) voor 12/36 en in een betrekking van ten minste bachelor (82 punten) voor 9/36.

De diensten die het personeelslid in beide betrekkingen opbouwt, komen in aanmerking voor de verwerving van het recht op TADD in het ambt van administratief medewerker en tellen dus mee voor 21/36.

De diensten die werden gepresteerd in verschillende ambten kunnen in principe dus nooit worden samengeteld.

Op deze regel gelden echter een aantal uitzonderingen.

In volgende situaties kan de dienstanciënniteit die in een bepaald ambt is verworven toch in aanmerking worden genomen voor een ander ambt.

1. Dienstanciënniteit in het ambt van leermeester godsdienst in het vrij confessioneel gesubsidieerd onderwijs

De dienstanciënniteit die een tijdelijk personeelslid in het vrij confessioneel gesubsidieerd onderwijs verwerft in het ambt van leermeester godsdienst komt ook in aanmerking als dienstanciënniteit voor een ander wervingsambt, voor zover de onderwezen godsdienst degene is die voorkomt in het onderwijs verstrekt door het schoolbestuur.

2. Dienstanciënniteit in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs

Een schoolbestuur kan de diensten die een personeelslid heeft gepresteerd in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs in aanmerking nemen als gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs. Het aantal diensten dat zo in aanmerking kan worden genomen, is weliswaar beperkt tot 600 dagen dienstanciënniteit berekend volgens punt 2.2.1.1.2.

2.2.1.1.1.2. Volgens indeling van het bekwaamheidsbewijs

Bij het vaststellen van de nodige dienstanciënniteit per ambt speelt de indeling van het bekwaamheidsbewijs geen rol. Dit betekent dat ook diensten mogen meegenomen worden die een tijdelijk personeelslid heeft verworven in een ambt waarvoor het op dat ogenblik een “ander” bekwaamheidsbewijs had.

Het personeelslid kan het recht op TADD echter alleen maar laten gelden voor het ambt waarvoor hij over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikt en dit uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden. Het recht op TADD kan bijgevolg niet gelden voor een ambt, waarvoor het personeelslid slechts over een "ander" bekwaamheidsbewijs beschikt of waarvoor het personeelslid nog in de loop van het schooljaar een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs verwerft.

2.2.1.1.2. Berekeningswijze

Het personeelslid moet gespreid over een periode van ten minste twee schooljaren minstens 580 dagen dienstanciënniteit hebben verworven, waarvan er 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

580 dagen dienstanciënniteit

De 580 dagen dienstanciënniteit worden berekend volgens artikel 4 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 6 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De dienstanciënniteit omvat alle kalenderdagen met inbegrip van zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen, schoolvakanties en verloven die gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit, die binnen de periode van aanstelling van het tijdelijke personeelslid vallen.

Het aantal dagen mag hier echter niet worden vermenigvuldigd met 1,2.

Diensten met onvolledige prestaties worden op dezelfde manier in aanmerking genomen als diensten met volledige prestaties, op voorwaarde dat de prestaties ten minste de helft bedragen van het aantal uren vereist voor een betrekking met volledige prestaties.

Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die minder dan de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor een betrekking met volledige prestaties, wordt gedeeld door twee.

De diensten moeten gepresteerd zijn in hoofdambt.

4 00 dagen effectief gepresteerd

Deze berekening verloopt op dezelfde wijze als de berekening van de 580 dagen dienstanciënniteit, met dit verschil dat hier enkel de periodes in aanmerking worden genomen waarin het personeelslid effectieve prestaties heeft verricht.

Onder effectieve prestaties wordt verstaan: alle kalenderdagen met inbegrip van zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties die binnen de periode van aanstelling vallen.

Ziekteverlof, omstandigheidsverlof, enz. ... komen bijgevolg niet in aanmerking voor de berekening van de effectieve prestaties.

Om het recht op TADD te bepalen, worden de volgende periodes wel meegerekend voor de vaststelling van de 400 dagen effectieve prestaties en dit tot een maximum van 140 dagen:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn in de periode 1 september - 30 juni kunnen maximaal 303 (of 304 in een schrikkeljaar) dagen dienstanciënniteit per schooljaar verwerven. Tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn tot 31 augustus (bijvoorbeeld de administratief medewerker en administratief personeel) kunnen maximaal 360 dagen dienstanciënniteit per schooljaar verwerven.

Opmerking

  • In het gemeenschapsonderwijs komen alleen de diensten gepresteerd na 1 september 1988 in aanmerking;
  • In het gesubsidieerd onderwijs komen alleen de diensten gepresteerd na 1 september 1985 in aanmerking.

2.2.1.1.3. Berekeningsdatum

De dienstanciënniteit wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid het recht laat gelden.

Dit betekent dat om op 1 september het recht op een TADD te kunnen inroepen, het personeelslid de vereiste 580 en 400 dagen ten laatste moet verworven hebben op 30 juni van het voorgaande schooljaar.

2.2.1.1.4. Waar moet de dienstanciënniteit gepresteerd zijn?

Niet alle gepresteerde diensten tellen mee om het recht op TADD te verwerven. Het is belangrijk om na te gaan in welke instelling(en) en bij welk schoolbestuur de diensten gepresteerd werden en of de instelling al of niet deel uitmaakt van een scholengemeenschap.

2.2.1.1.4.1. In het gemeenschapsonderwijs

Bij de berekening van de dienstanciënniteit moet een onderscheid worden gemaakt tussen de diensten die gepresteerd zijn in instellingen die tot een scholengemeenschap behoren en instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren. Daarnaast vormt ook de scholengroep een belangrijk criterium.

Voor de berekening van het recht op TADD gelden de gepresteerde diensten als volgt:

Voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren

  • De prestaties die het personeelslid heeft geleverd in alle instellingen die behoren tot dezelfde scholengemeenschap en dit ongeacht het net waartoe de instelling behoort;
  • De prestaties die het personeelslid heeft geleverd in instellingen van dezelfde scholengroep.

Voor instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren

  • De prestaties die het personeelslid heeft geleverd in instellingen die behoren tot dezelfde scholengroep.

2.2.1.1.4.2. In het gesubsidieerd onderwijs

Bij de berekening van de dienstanciënniteit moet een onderscheid worden gemaakt tussen de diensten die gepresteerd zijn in instellingen die tot een scholengemeenschap behoren en instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Voor de berekening van het recht op TADD gelden de gepresteerde diensten als volgt:

Voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren

  • De prestaties die het personeelslid heeft geleverd in alle instellingen die behoren tot dezelfde scholengemeenschap en dit ongeacht het net waartoe de instelling behoort.

Voor instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren

  • De prestaties die het personeelslid heeft gepresteerd in instellingen van hetzelfde schoolbestuur en die niet tot een scholengemeenschap behoren.

2.2.1.2. De beoordeling

Om het recht op TADD te verwerven, zal een tijdelijk personeelslid naast de vereiste dienstanciënniteit (zie punt 2.2.1.1) uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij die dienstanciënniteit verwerft in principe een beoordeling moeten krijgen van zijn eerste evaluator (zie punt 2.1.2.2.3).

De beoordeling vormt het signaal dat het personeelslid zich kandidaat kan stellen om het recht op TADD te verwerven, tenzij het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD.

Als het tijdelijke personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de vereiste dienstanciënniteit voor het recht op TADD verwerft geen beoordeling heeft gekregen, dan is het alsof de beoordeling daadwerkelijk is toegekend. Dit houdt dan in dat het personeelslid het recht op TADD verwerft vanaf het daaropvolgend schooljaar (als hij zich ook tijdig kandidaat heeft gesteld).

Als het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD, moet het personeelslid bij een nieuwe aanstelling in een betrekking in het betrokken ambt, in dat ambt nog bijkomend 200 dagen effectieve prestaties verrichten om zich kandidaat te kunnen stellen om het recht op TADD te verwerven.

Deze 200 dagen worden volgens dezelfde principes berekend als de 400 dagen effectieve prestaties die in aanmerking komen voor het recht op TADD (zie punt 2.2.1.1.2). Daarbij gelden volgende periodes als effectieve prestaties en dit tot een maximum van 70 dagen:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid deze 200 extra dagen effectief heeft gepresteerd, heeft hij het volgende schooljaar recht op TADD bij kandidaatstelling op de daartoe voorziene datum (zie punt 2.2.1.3).

2.2.1.3. Kandidaatstelling en ingangsdatum

Om beroep te doen op zijn recht op TADD moet het personeelslid vóór 15 juni van het schooljaar waarin hij aan de gestelde voorwaarden voldoet, kandideren via een aangetekende brief.

Een personeelslid van het gemeenschapsonderwijs kandideert bij de raad van bestuur van de scholengroep waar hij zijn recht op TADD wil laten gelden.

Een personeelslid van het gesubsidieerd onderwijs kandideert bij het schoolbestuur waar hij zijn recht op TADD wil laten gelden.

Als de instelling tot een scholengemeenschap behoort, geldt de kandidatuur voor alle scholen van deze scholengemeenschap en in het gemeenschapsonderwijs ook voor alle instellingen van de scholengroep.

Deze kandidaatstelling geldt niet als een permanente kandidaatstelling en een tijdelijk personeelslid moet deze kandidaatstelling elk jaar herhalen zolang hij niet voor doorlopende duur wordt aangesteld.

Vanaf het ogenblik dat een personeelslid een eerste keer effectief is aangesteld voor doorlopende duur geldt dit als een doorlopende kandidaatstelling over de schooljaren heen bij de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur en desgevallend de scholengemeenschap (gesubsidieerd onderwijs) voor het ambt waarin hij effectief werd aangesteld.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september volgend op de kandidaatstelling.

Om vanaf 1 september het recht op TADD te laten gelden, moet het personeelslid voor het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld:

  • op 30 juni van het voorafgaande schooljaar aan de voorwaarden betreffende dienstanciënniteit en beoordeling voldoen (zie punt 2.2.1.1)
  • en uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden, beschikken over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt.

Het personeelslid met een recht op TADD dat de betrekking niet effectief kan opnemen omwille van ziekte, arbeidsongeval of moederschapsrust, behoudt dit recht. Het personeelslid kan worden aangesteld en voor de duur van de afwezigheid volgens de geldende regels vervangen worden. Na de afwezigheid neemt het personeelslid de hem toegewezen betrekking effectief op.

2.2.1.4. Voorbeelden berekening dienstanciënniteit

Voorbeeld 1

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in een betrekking van onderwijzer (VE) in scholen voor gewoon basisonderwijs van eenzelfde schoolbestuur die tot een scholengemeenschap behoren. 

 

School A 

School B 

School C 

 

Schooljaar 1: 24/24 

 

 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

 

 

Schooljaar 2: 

24/24 

 

 

1-9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd in het ambt van onderwijzer:

- schooljaar 1: 303 dagen in school A

- schooljaar 2: 303 dagen in school A

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid 606 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor het ambt van onderwijzer als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 in de drie scholen van de scholengemeenschap voor het ambt van onderwijzer.

Voorbeeld 2

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in een betrekking van kleuteronderwijzer ASV (VE) in scholen voor buitengewoon basisonderwijs van een zelfde schoolbestuur die tot een scholengemeenschap behoren. 

 

School A 

School B 

School C 

School D 

 

Schooljaar 1: 24/24 

 

 

1/9 – 24/12 = 115 dagen 

 

 

 

1/1 – 30/6 = 181 dagen 

 

 

Schooljaar 2: 

12/24 

 

 

1-9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

 

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd in het ambt van kleuteronderwijzer ASV:

- schooljaar 1: 115 dagen in school A + 181 dagen in school C = 296 dagen

- schooljaar 2: 303 dagen in school A (een halftijdse opdracht telt mee voor de volledige duur)

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid 599 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 3 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor het ambt van kleuteronderwijzer ASV als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 in de vier scholen van de scholengemeenschap voor het ambt van kleuteronderwijzer ASV.

Voorbeeld 3

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in een betrekking van onderwijzer (VE) in scholen voor gewoon basisonderwijs van eenzelfde schoolbestuur die tot een scholengemeenschap behoren. 

 

School A 

School B 

School C 

School D 

 

Schooljaar 1: 24/24 

 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

 

 

 

Schooljaar 2: 

24/24 

 

1-9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

 

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd in het ambt van onderwijzer:

- schooljaar 1: 303 dagen in school A

- schooljaar 2: 303 dagen in school A

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid 606 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten die leidt tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet niet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor het ambt van onderwijzer op 30 juni van schooljaar 2. Het personeelslid heeft wel voldoende dienstanciënniteit opgebouwd, maar de beoordeling met werkpunten stuit het recht op TADD.

Het personeelslid moet bij een nieuwe tijdelijke aanstelling in schooljaar 3 (of later) nog bijkomend 200 dagen dienstanciënniteit presteren in een school van de scholengemeenschap om zich daarna kandidaat te kunnen stellen voor het recht op TADD in het ambt van onderwijzer.

Voorbeeld 4

Een tijdelijk personeelslid dat beschikt over het diploma van bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs is voor bepaalde duur aangesteld in scholen voor gewoon basisonderwijs van eenzelfde schoolbestuur die tot een scholengemeenschap behoren. Dit diploma is een vereist bekwaamheidsbewijs (VE) voor het ambt van kleuteronderwijzer en een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO) voor het ambt van onderwijzer.

Het personeelslid oefent volgende opdrachten uit:

 

School A 

School B 

School C 

School D 

 

Schooljaar 1 

 

12/24 kleuteronderwijzer (VE) 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

12/24 onderwijzer (VO) 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

 

Schooljaar 2 

 

 

12/24 kleuteronderwijzer (VE) 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

12/24 onderwijzer (VO) 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

 

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd in het ambt van kleuteronderwijzer (VE):

- schooljaar 1: 303 dagen in school A (halftijds telt voor volledige duur)

- schooljaar 2: 303 dagen in school A (halftijds telt voor volledige duur)

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid in het ambt van onderwijzer 606 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 3 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd in het ambt van onderwijzer (VO):

- schooljaar 1: 303 dagen in school C (halftijds telt voor volledige duur)

- schooljaar 2: 303 dagen in school B (halftijds telt voor volledige duur)

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid in het ambt van kleuteronderwijzer 606 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 3 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor zowel het ambt van kleuteronderwijzer als voor het ambt van onderwijzer als hij zich voor elk ambt voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 in de vier scholen van de scholengemeenschap voor het ambt van kleuteronderwijzer (VE) én voor het ambt van onderwijzer (VO).

Voorbeeld 5

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij schoolbestuur A en oefent volgende opdrachten uit in een school voor gewoon basisonderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort:

Schooljaar 1: 1/9 - 30/6: 24/24 onderwijzer (VE) = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 - 30/6: 24/24 onderwijzer (VE) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van onderwijzer een dienstanciënniteit van 606 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 28 mei van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van onderwijzer in de scholen van schoolbestuur A die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Voorbeeld 6

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij schoolbestuur B en oefent volgende opdrachten uit in een school in het buitengewoon basisonderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort:

Schooljaar 1: 1/9 - 30/6: 32/32 logopedist (VE) = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 - 30/6: 16/32 logopedist (VE) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van logopedist een dienstanciënniteit van 606 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

De halftijdse opdracht in schooljaar 2 telt mee voor de volledige duur.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van logopedist in de scholen van schoolbestuur B die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Voorbeeld 7

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij schoolbestuur C in scholen voor gewoon en buitengewoon basisonderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoren en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 30/6: 24/24 onderwijzer (VE) = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 11/22 onderwijzer ASV (VE) = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 10/24 onderwijzer (VE) = 303/2 = 151 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van onderwijzer een dienstanciënniteit van 303 dagen + 151 dagen = 454 dagen.

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van onderwijzer ASV een dienstanciënniteit van 303 dagen (halftijdse opdracht telt mee voor de volledige duur).

Het personeelslid heeft onvoldoende dienstanciënniteit om het recht op TADD te verwerven, vermits hij in geen van beide ambten 580 dagen dienstanciënniteit heeft verworven.

Het schoolbestuur kan wel beslissen om de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het ambt van onderwijzer ASV in het buitengewoon basisonderwijs heeft opgebouwd te erkennen voor het ambt van onderwijzer in het gewoon basisonderwijs. Dan heeft het tijdelijke personeelslid wel voldoende dienstanciënniteit voor het ambt van onderwijzer en kan hij zich kandidaat stellen voor het recht op TADD in dat ambt op voorwaarde dat hij voor 30 juni een beoordeling van zijn eerste evaluator krijgt en die beoordeling geen werkpunten bevat die leiden tot uitstel van het recht op TADD.

Voorbeeld 8

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij schoolbestuur D in een school voor gewoon basisonderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 30/6: 10/24 onderwijzer (VE)

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 8/24 onderwijzer (VE)

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van onderwijzer een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen = 606/2= 303 dagen. Een opdracht die niet tenminste halftijdse prestaties omvat, komt immers maar voor de helft in aanmerking.

Het personeelslid voldoet niet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor het ambt van onderwijzer, vermits het minder dan 580 dagen dienstanciënniteit heeft verworven.

Voorbeeld 9

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij schoolbestuur E in een school voor gewoon basisonderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 31/8: 20/36 administratief medewerker (VE) = 360 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 20/36 administratief medewerker (VE) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van administratief medewerker een dienstanciënniteit van 663 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van administratief medewerker in de scholen van schoolbestuur E die niet tot een scholengemeenschap behoren.

2.2.2. Waarvoor en waar geldt recht op TADD?

Het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt t.a.v. het ambt waarin het personeelslid het recht op TADD heeft verworven en voor elke vacante betrekking en niet-vacante betrekking in dat ambt.

Zowel tijdelijke personeelsleden als deeltijds vastbenoemde personeelsleden kunnen het recht op TADD laten gelden op elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat.

Dit geldt niet als het personeelslid al als titularis is aangesteld voor een voltijdse betrekking in het ambt waarvoor hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven.

Voorbeeld

Een personeelslid heeft een recht op TADD verworven voor het ambt van kleuteronderwijzer. Bij het begin van het schooljaar wordt het personeelslid aangesteld in de vervanging van onderwijzer die belast is met een voltijdse betrekking. In de loop van het schooljaar wordt een betrekking van kleuteronderwijzer vacant. Het personeelslid kan zijn recht op TADD laten gelden voor dit ambt van kleuteronderwijzer.

Opgelet
Het recht op TADD geldt niet voor een tijdelijke aanstelling in volgende situaties:

- Uitbreiding van TADD bij langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen

Een personeelslid dat de goedkeuring heeft gekregen om een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen op te nemen, kan geen uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling krijgen vergeleken met de toestand aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen. Dit principe geldt eveneens voor een personeelslid dat met langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen is en het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur (TADD) heeft of tijdens zijn langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen het recht op TADD vergaart. Dit personeelslid kan dit recht op TADD slechts inroepen voor een tijdelijke aanstelling die beperkt is tot het volume van zijn tijdelijke aanstelling aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.
Meer informatie over dit verlof vindt u in de omzendbrief PERS/2007/07 van 21-09-2007- Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

- Tijdelijke aanstelling via verlof TAO

Een vastbenoemd personeelslid kan niet voor doorlopende duur worden aangesteld in de opdracht die hij via het verlof TAO (tijdelijk andere opdracht) in een wervingsambt uitoefent. Het personeelslid verwerft wel dienstanciënniteit in het ambt dat hij op deze wijze tijdelijk uitoefent. Het vastbenoemde personeelslid kan de dienstanciënniteit die hij via het verlof TAO heeft opgebouwd ook aanwenden om in het desbetreffende ambt het recht op TADD in te roepen. Het vastbenoemde personeelslid kan het recht op TADD enkel effectief uitoefenen als hij op het ogenblik dat hem een betrekking wordt aangeboden, bij zijn schoolbestuur een afwezigheid voor verminderde prestaties (AVP) vraagt en krijgt. Op deze wijze oefent het personeelslid zijn recht op TADD uit als een ‘zuiver’ tijdelijk personeelslid.
Men mag in deze niet uit het oog verliezen dat het nemen van een AVP geen recht is. Het is dus mogelijk dat het personeelslid zijn recht op TADD niet kan uitoefenen als zijn schoolbestuur de AVP niet toestaat.

2.2.2.1. In het gemeenschapsonderwijs

Het recht op TADD geldt binnen de scholengroep waar het personeelslid zijn dienstanciënniteit heeft verworven en kan in een bepaalde volgorde worden ingeroepen.

Deze volgorde vloeit voort uit het feit of de instelling waar het personeelslid zijn recht op TADD heeft verworven al of niet behoort tot een scholengemeenschap.

De dienstanciënniteit is verworven in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap

Het personeelslid kan zijn recht op TADD laten gelden in deze volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap. Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, geldt dit ook in de instellingen van het andere net;

2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep. Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, is dit beperkt tot de instellingen van deze scholengemeenschap die behoren tot het gemeenschapsonderwijs;

3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

De dienstanciënniteit is verworven in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap

Het personeelslid kan zijn recht op TADD laten gelden in deze volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;

2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.

2.2.2.2. In het gesubsidieerd onderwijs

In het gesubsidieerd onderwijs geldt het recht op TADD afhankelijk van de instelling(en) en het schoolbestuur waar het personeelslid zijn recht heeft opgebouwd. Daarbij is het eveneens van belang of de instelling al of niet behoort tot een scholengemeenschap.

De dienstanciënniteit is verworven in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap

Als het personeelslid het recht op TADD heeft verworven in een of meer instellingen die tot een scholengemeenschap behoren, dan geldt dit recht in alle instellingen van deze scholengemeenschap, ongeacht het schoolbestuur waartoe de instelling behoort.

De dienstanciënniteit is verworven in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap

Als het personeelslid het recht op TADD heeft verworven in een of meer instellingen die niet behoren tot een scholengemeenschap, dan geldt dit recht in alle instellingen van het schoolbestuur, weliswaar beperkt tot de instellingen van dit schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren.

2.2.3. Overgangsmaatregelen TADD

Voor tijdelijke personeelsleden die aan bepaalde voorwaarden voldoen, gelden de nieuwe voorwaarden voor TADD niet. Zij kunnen beroep doen op een specifieke overgangsmaatregel.

Het gaat om volgende groepen:

  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 720 dagen dienstanciënniteit verworven gespreid over minstens 3 schooljaren (categorie 1 – punt 2.2.3.1);
  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens twee schooljaren minstens 580 dagen en maximum 719 dagen dienstanciënniteit verworven (categorie 2 – punt 2.2.3.2);
  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2020 minstens 720 dagen dienstanciënniteit verworven gespreid over minstens 3 schooljaren (categorie 3 – punt 2.2.3.3).

Opgelet !

Voor e en personeelslid geldt in principe slechts één overgangsmaatregel.
Bij de kandidaatstelling voor het recht op TADD zal duidelijk zijn welke overgangsmaatregel van toepassing is voor het personeelslid .

2.2.3.1. Categorie 1: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 720 dagen dienstanciënniteit gespreid over minstens drie schooljaren

2.2.3.1.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens drie schooljaren in het ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 2.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2019 kandidaat heeft gesteld bij de raad van bestuur van de scholengroep, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2019.

Als de prestaties verworven zijn in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt het recht op TADD in volgende volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap.

Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, geldt dit zelfs in de instellingen van het andere net;

2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep. Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, is dit beperkt tot de instellingen het gemeenschapsonderwijs in deze scholengemeenschap;

3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Als de prestaties verworven zijn in een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort, dan geldt het recht op TADD in volgende volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;

2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.

Heeft een tijdelijk personeelslid dat aan deze voorwaarden voldoet zich echter voor 15 juni 2019 niet kandidaat gesteld of heeft het personeelslid tijdens het schooljaar 2019-2020 geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gekregen, dan kan dit personeelslid zich voor 15 juni 2020 of later nog steeds kandidaat stellen onder de voorwaarden van deze overgangsmaatregel om zo op of na 1 september 2020 het recht op TADD te behouden of te verwerven.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 2.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

2.2.3.1.2. In het gesubsidieerd onderwijs

2.2.3.1.2.1. De instelling behoort tot een scholengemeenschap

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens drie schooljaren in het ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 2.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2019 kandidaat heeft gesteld bij het schoolbestuur, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2019 in de instellingen van de scholengemeenschap.

Heeft een tijdelijk personeelslid dat aan deze voorwaarden voldoet zich echter voor 15 juni 2019 niet kandidaat gesteld of heeft het personeelslid tijdens het schooljaar 2019-2020 geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gekregen, dan kan dit personeelslid zich voor 15 juni 2020 of later nog steeds kandidaat stellen onder de voorwaarden van deze overgangsmaatregel om zo op of na 1 september 2020 het recht op TADD te behouden of te verwerven.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 2.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

2.2.3.1.2.2. De instelling behoort niet tot een scholengemeenschap

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens drie schooljaren in het ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer instellingen van hetzelfde schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 2.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2019 kandidaat heeft gesteld bij het schoolbestuur, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2019 in de instellingen van hetzelfde schoolbestuur die niet behoren tot een scholengemeenschap.

Heeft een tijdelijk personeelslid dat aan deze voorwaarden voldoet zich echter voor 15 juni 2019 niet kandidaat gesteld of heeft het personeelslid tijdens het schooljaar 2019-2020 geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gekregen, dan kan dit personeelslid zich voor 15 juni 2020 of later nog steeds kandidaat stellen onder de voorwaarden van deze overgangsmaatregel om zo op of na 1 september 2020 het recht op TADD te behouden of te verwerven.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 2.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

2.2.3.2. Categorie 2: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 580 dagen en maximum 719 dagen gespreid over minstens twee schooljaren

2.2.3.2.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor een tijdelijk personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 tijdelijk aangesteld wordt in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep;
  • uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven heeft van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn;
  • voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld (ten vroegste 30 juni 2020) geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 2.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 400 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 140 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020.

Als de prestaties verworven zijn in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt het recht op TADD in volgende volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap.

Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, geldt dit ook in de instellingen van het andere net;

2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep. Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, is dit beperkt tot de instellingen van het gemeenschapsonderwijs in deze scholengemeenschap;

3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Als de prestaties verworven zijn in een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort, dan geldt het recht op TADD in volgende volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;

2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.

Deze overgangsmaatregel blijft ook van kracht voor elk personeelslid dat in de toekomst opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet.

2.2.3.2.2. In het gesubsidieerd onderwijs

2.2.3.2.2.1. De instelling behoort tot een scholengemeenschap

Deze overgangsmaatregel geldt voor een tijdelijk personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 tijdelijk aangesteld wordt in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap;
  • uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven heeft van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn;
  • voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld (ten vroegste 30 juni 2020) geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 2.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 400 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 140 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020 in alle instellingen van de scholengemeenschap.

Deze overgangsmaatregel blijft ook van kracht voor elk personeelslid dat in de toekomst opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet.

2.2.3.2.2.2. De instelling behoort niet tot een scholengemeenschap

Deze overgangsmaatregel geldt voor een tijdelijk personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 tijdelijk aangesteld wordt in het betrokken ambt in een of meer instellingen van hetzelfde schoolbestuur die niet behoren tot een scholengemeenschap;
  • uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van hetzelfde schoolbestuur die niet behoren tot een scholengemeenschap gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven heeft van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn;
  • voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld (ten vroegste 30 juni 2020) geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 2.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 400 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 140 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020 in alle instellingen van het schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Deze overgangsmaatregel blijft ook van kracht voor elk personeelslid dat in de toekomst opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet.

2.2.3.3. Categorie 3: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2020 minstens 720 dagen dienstanciënniteit gespreid over minstens drie schooljaren

2.2.3.3.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep aangesteld is;
  • uiterlijk op 30 juni 2020 gespreid over minstens drie schooljaren in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep in het betrokken ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer instellingen van hetzelfde schoolbestuur of desgevallend de scholengemeenschap, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 2.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat heeft gesteld bij de raad van bestuur van de scholengroep, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020.

Als de prestaties verworven zijn in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt het recht op TADD in volgende volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap.

Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, geldt dit zelfs in de instellingen van het andere net;

2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep. Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, is dit beperkt tot de instellingen van deze scholengemeenschap die behoren tot het gemeenschapsonderwijs;

3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Als de prestaties verworven zijn in een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort, dan geldt het recht op TADD in volgende volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;

2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 2.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

Deze overgangsmaatregel blijft ook na 1 september 2020 van toepassing zodat het tijdelijke personeelslid dat op 30 juni 2020 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet, zich in de loop van de volgende schooljaren op deze maatregel kan beroepen.

2.2.3.3.2. In het gesubsidieerd onderwijs

2.2.3.3.2.1. De instelling behoort tot een scholengemeenschap

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap aangesteld is;
  • uiterlijk op 30 juni 2020 gespreid over minstens drie schooljaren in een of meer instellingen van de scholengemeenschap in het betrokken ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 2.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020 in de instellingen van de scholengemeenschap.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 2.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

Deze overgangsmaatregel blijft ook na 1 september 2020 van toepassing zodat het tijdelijke personeelslid dat op 30 juni 2020 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet, zich in de loop van de volgende schooljaren op deze maatregel kan beroepen.

2.2.3.3.2.2. De instelling behoort niet tot een scholengemeenschap

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van hetzelfde schoolbestuur die niet behoren tot een scholengemeenschap aangesteld is;
  • uiterlijk op 30 juni 2020 gespreid over minstens drie schooljaren in een of meer instellingen van hetzelfde schoolbestuur die niet behoren tot een scholengemeenschap in het betrokken ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 2.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020 in de instellingen van het schoolbestuur die niet behoren tot een scholengemeenschap.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 2.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

Deze overgangsmaatregel blijft ook na 1 september 2020 van toepassing zodat het tijdelijke personeelslid dat op 30 juni 2020 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet, zich in de loop van de volgende schooljaren op deze maatregel kan beroepen.

2.2.4. Verlies van het recht op TADD

Bepaalde omstandigheden in de loop van de onderwijsloopbaan kunnen ertoe leiden dat een tijdelijk personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur verliest. Dit verlies kan tijdelijk zijn, maar kan ook definitief zijn.

Bij tijdelijk verlies van het recht op TADD verliest het personeelslid het recht op TADD voor de duur van een schooljaar of kan hij voor een bepaalde periode het recht op een uitbreiding van zijn TADD verliezen.

Bij definitief verlies van het recht op TADD moet het personeelslid het recht op TADD opnieuw opbouwen en dus opnieuw de vereiste dienstanciënniteit verwerven.

In volgende situaties verliest een personeelslid het recht op TADD dat hij in een ambt heeft verworven.

1. Het personeelslid heeft vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten gepresteerd in de instellingen van hetzelfde schoolbestuur of van dezelfdescholengemeenschap

Het personeelslid dat zijn recht op TADD heeft verworven in een scholengemeenschap, verliest dat recht op TADD als hij gedurende vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de instellingen van de scholengemeenschap.

Het personeelslid dat zijn recht op TADD heeft verworven in een instelling van een schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoort, verliest dat recht op TADD als hij gedurende vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de instellingen van het schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid heeft in de scholengemeenschap A het recht op TADD opgebouwd, maar neemt op 1 september daaropvolgend geen TADD-aanstelling op in een school van de scholengemeenschap A.

Gedurende de schooljaren X+1 tot en met het schooljaar X+5 levert het personeelslid geen enkele prestatie in een of meer scholen van de scholengemeenschap A. Het personeelslid stelt zich in juni van het schooljaar x+5 kandidaat voor een tijdelijke aanstelling in een school van de scholengemeenschap A. Het personeelslid kan op of na 1 september van het schooljaar X+5 echter alleen als TABD worden aangesteld. Het personeelslid heeft immers geen recht meer op TADD omdat het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de scholen van scholengemeenschap A.

Voor een tijdelijk personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven en dat op het ogenblik van de aanvang van de afwezigheid reeds een TADD-aanstelling heeft, geldt deze bepaling niet. Dit betekent dat het personeelslid ook na een afwezigheid van vijf opeenvolgende schooljaren zijn TADD-aanstelling behoudt en deze weer kan opnemen, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was ondertussen volgens de geldende regelgeving aan een ander personeelslid moest worden toegewezen.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid heeft in de scholengemeenschap B het recht op TADD opgebouwd en krijgt op 1 september een TADD-aanstelling in een betrekking in een school van de scholengemeenschap.

Het volgende schooljaar (X+1) behoudt het personeelslid in de betrekking zijn TADD-aanstelling, maar hij vraagt en krijgt op 1 september X+1 een AVP. Deze AVP wordt ook gedurende de schooljaren X+2 tot en met X+5 aangevraagd en toegekend. Tijdens deze periode van AVP oefent het personeelslid in de scholen van de scholengemeenschap geen enkele prestatie uit, maar hij behoudt wel de TADD-aanstelling in de school waar hij AVP neemt.

Op 31 augustus van schooljaar X+5 eindigt de AVP en op 1 september daaropvolgend neemt het personeelslid zijn betrekking in de school weer op.

Het personeelslid neemt op 1 september van schooljaar X+6 zijn betrekking weer op als TADD’er. Het personeelslid heeft weliswaar 5 opeenvolgende schooljaren geen prestaties verricht in de scholengemeenschap B, maar doordat hij effectief een TADD-aanstelling had op het ogenblik dat zijn afwezigheid startte, verliest hij na de afwezigheid van 5 opeenvolgende schooljaren zijn TADD-aanstelling niet. De TADD-aanstelling is immers gedurende de afwezigheid verder blijven lopen omdat het personeelslid aangesteld bleef in de betrekking in kwestie.

Het verlies van TADD houdt in dat het personeelslid niet onmiddellijk het recht op TADD kan inroepen bij een nieuwe tijdelijke aanstelling. Dit houdt echter niet in dat het personeelslid zijn eerder verworven dienstanciënniteit niet meer kan aanwenden om het recht op TADD opnieuw te verwerven.

Het personeelslid kan zich na deze periode van 5 schooljaren voor 15 juni weer kandidaat stellen voor het recht op TADD het daaropvolgende schooljaar op basis van de eerder verworven dienstanciënniteit.

2. Het tijdelijke personeelslid stelt zich niet tijdig kandidaat

Een tijdelijk personeelslid dat niet voor 15 juni kandideert voor het recht op TADD in een ambt, kan het daaropvolgende schooljaar geen recht op TADD inroepen voor dat ambt.

Het tijdelijke personeelslid verliest op deze wijze het recht op TADD voor dat ambt voor de duur van een schooljaar. Dit geldt enkel als het personeelslid nog geen TADD-aanstelling heeft gekregen voor het ambt in kwestie, vermits een TADD-aanstelling geldt als een permanente kandidaatstelling (zie punt 2.2.1.3).

3. Het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, krijgt een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende

Een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld en in een instelling voor een welbepaald ambt een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” krijgt, kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in die instelling en voor het ambt in kwestie.

Meer informatie over evaluatie vindt u in de omzendbrief PERS/2007/09 van 29-10-2007 - Functiebeschrijving en evaluatie.

4. Het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld,wordt door zijn schoolbestuur ontslagen

Een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld en dat door zijn schoolbestuur wordt ontslagen als gevolg van een tuchtmaatregel of na twee of drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”, verliest zijn recht op TADD.

Meer informatie hierover vindt u in punt 2.2.6.2.

2.2.5. Administratieve en geldelijke toestand

2.2.5.1. Administratieve toestand

Net als bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur moet het schoolbestuur ook de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van een personeelslid schriftelijk vastleggen.

Meer informatie hierover vindt u in punt 2.1.3.1.

2.2.5.2. Geldelijke toestand

Net als bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgt een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, zowel in een vacante als in een niet-vacante betrekking, voor de duur van zijn aanstelling maandelijks een salaris en onder bepaalde voorwaarden een uitgestelde bezoldiging in juli en augustus.

Meer informatie hierover vindt u in punt 2.1.3.2.

2.2.5.3. Ziekteverlof

Het tijdelijke personeelslid dat is aangesteld voor doorlopende duur heeft tijdens een afwezigheid wegens ziekte binnen de periode van zijn aanstelling onder bepaalde voorwaarden recht op bezoldigd ziekteverlof.

Deze voorwaarden en de berekeningswijze van het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vindt u terug in de omzendbrief - Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding – PERS/2007/07 van 21-09-2007 (punt 2.2).

De tijdelijke aanstelling voor doorlopend duur loopt in principe over de schooljaren heen. Voor een tijdelijk personeelslid met recht op TADD is er in principe dan ook geen nieuwe aanstelling nodig op 1 september van het daaropvolgend schooljaar. In dat geval wordt het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur aangesteld blijft ook beschouwd als zijnde effectief in dienst op deze datum. Dit betekent dat een tijdelijk personeelslid dat op 1 september voor doorlopende duur aangesteld blijft en op 1 september ziek wordt effectief door AGODI wordt bezoldigd, tenzij zijn recht op bezoldigd ziekteverlof is uitgeput. Bij uitputting van het recht op bezoldigd ziekteverlof zal het ziekenfonds instaan voor de bezoldiging.

Voorbeeld

Een personeelslid wordt tijdens het schooljaar 20XX-20YY aangesteld in een definitief vacante betrekking (ato 2) als tijdelijk aangesteld personeelslid van doorlopende duur. Het personeelslid wordt ziek op 1 september 20YY (volgend schooljaar). Dit ziekteverlof wordt bezoldigd op voorwaarde dat er nog genoeg recht op bezoldigd ziekteverlof aanwezig is.

Het personeelslid wordt immers geacht te voldoen aan de voorwaarde om zijn dienst effectief te hebben opgenomen.

Als het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op het einde van het schooljaar door het schoolbestuur, schriftelijk en gemotiveerd, uit dienst werd gemeld en het personeelslid komt het volgende schooljaar op 1 september opnieuw in dienst bij hetzelfde schoolbestuur of in dezelfde scholengemeenschap dan gelden ook hier voormelde regels.

Als het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op het einde van het schooljaar door het schoolbestuur uit dienst werd gemeld en het personeelslid komt het volgende schooljaar niet opnieuw in dienst op 1 september, dan gelden de regels voor een gewone tijdelijke aanstelling. Wordt het tijdelijke personeelslid pas in de loop van het schooljaar voor doorlopende duur aangesteld en is hij onmiddellijk afwezig wegens ziekte, dan wordt hij niet door de overheid bezoldigd, maar valt hij onmiddellijk ten laste van het ziekenfonds.

Voorbeeld

Een personeelslid was tijdens het schooljaar 20XX-20YY aangesteld in een niet-vacante betrekking (ato 1) als TADD. Het personeelslid wordt op 30-06-20YY uit dienst gemeld. Op 1 november 20YY wordt het personeelslid opnieuw aangesteld voor doorlopende duur in een vacante betrekking (ato 2). Het personeelslid wordt echter onmiddellijk ziek. Dit ziekteverlof wordt niet bezoldigd.

2.2.6. Einde van de tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur

De aanstelling van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur kan worden beëindigd door een ontslag dat uitgaat van het schoolbestuur of via een vrijwillig ontslag van het personeelslid zelf.

Daarnaast zijn er een aantal situaties – die vastgelegd zijn in de decreten rechtspositie – die automatisch een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. We spreken in dat geval niet over een ontslag, maar over een beëindiging van de tijdelijke aanstelling van rechtswege.

2.2.6.1. Einde van de tijdelijke aanstelling van rechtswege

De decreten rechtspositie bepalen dat er onder bepaalde omstandigheden van rechtswege een einde komt aan de tijdelijke aanstelling van een personeelslid.

Dit houdt in dat er onmiddellijk een einde aan de aanstelling komt en er geen opzegtermijn is voor het personeelslid.

Aandacht
Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur eindigt niet van rechtswege op het einde van het schooljaar, maar loopt in principe door over de schooljaren heen.

Een tijdelijk personeelslid dat op het einde van het schooljaar voor doorlopende duur is aangesteld in een betrekking die op 1 september ongewijzigd behouden blijft, kan op 1 september niet worden verdrongen door een ander tijdelijk personeelslid, ook niet als dit tijdelijke personeelslid het recht op TADD heeft. Door het feit dat er een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is die over de schooljaren heen loopt, ontstaat op 1 september immers geen vacature die aan een ander tijdelijk personeelslid kan worden aangeboden.

Volgende redenen leiden onmiddellijk tot een einde van de tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur.

1. De terugkeer van de titularis van de betrekking

Als de titularis van de betrekking terugkeert uit zijn afwezigheid komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid dat in die betrekking als vervanger is aangesteld.

2. De betrekking wordt aan een ander personeelslid toegewezen

- omwille van de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling

Als het schoolbestuur in het kader van de verplichtingen betreffende reaffectatie of wedertewerkstelling de betrekking moet toekennen aan een vastbenoemd personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

- door toewijzing van een affectatie, een mutatie of een vaste benoeming van een ander personeelslid

Als het schoolbestuur een vastbenoemd personeelslid in de betrekking muteert

of affecteert, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Als het schoolbestuur op 1 januari een ander personeelslid in de betrekking vast benoemt, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

3. Het tijdelijke personeelslid wordt zelf vast benoemd

Als het schoolbestuur het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op 1 januari een vaste benoeming toekent, eindigt zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor het volume waarvoor hij vast benoemd wordt.

4. De betrekking kan niet langer gefinancierd of gesubsidieerd worden

Als de betrekking niet meer financierbaar of subsidieerbaar is, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

5. Het personeelslid voldoet niet (meer) aan de aanstellingsvoorwaarden

Als na de aanstelling van het tijdelijke personeelslid blijkt dat hij niet (meer) voldoet aan een of meer van de aanstellingsvoorwaarden, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Voorbeeld

Het personeelslid wordt strafrechtelijk veroordeeld en deze veroordeling leidt tot het tijdelijke of definitief verlies van zijn burgerlijke en politieke rechten. Dit personeelslid voldoet vanaf dat ogenblik niet meer aan de aanstellingsvoorwaarde die stelt dat hij de burgerlijke en politiek rechten moet genieten.

6. Bij het bereiken van de leeftijdsgrens

Als het tijdelijke personeelslid de leeftijdsgrens bereikt die leidt tot pensionering, komt er op het einde van dat schooljaar een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Op deze regel geldt een uitzondering, zodat een personeelslid ook na het bereiken van de leeftijdsgrens een tijdelijke aanstelling kan behouden.

Meer informatie over deze maatregelen vindt u in de omzendbrief Langer werken dan 65 jaar (PERS/2012/05 van 30-07-2012).

7. Bij de definitieve pensionering van het personeelslid

Op het ogenblik dat het tijdelijke personeelslid met pensioen gaat, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

2.2.6.2. Einde van de tijdelijke aanstelling door ontslag

Voor het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur gelden dezelfde ontslagmogelijkheden als voor vastbenoemde personeelsleden.

Dit betekent dat een schoolbestuur een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld niet kan ontslaan met een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen en ook niet kan ontslaan wegens dringende redenen.

De redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor doorlopende duur zijn:

  • als gevolg van een tuchtmaatregel van zijn schoolbestuur;
  • na twee of drie definitieve evaluaties met eindconclusies “onvoldoende”;
  • wegens vrijwillig ontslag;
  • wegens definitieve ambtsneerlegging.

1. Ontslag of afzetting omwille van een tuchtmaatregel

Een schoolbestuur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur ontslaan of afzetten bij wijze van tuchtmaatregel.

Deze tuchtmaatregel volgt uit een tuchtprocedure die door het schoolbestuur wordt opgestart.

U vindt meer informatie over de tuchtregeling voor het gemeenschapsonderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 60bis en volgende) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 63bis en volgende).

Het ontslag of de afzetting bij tuchtmaatregel gaat niet gepaard met een opzeggingstermijn voor het tijdelijke personeelslid.

Een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en dat door zijn schoolbestuur als gevolg van een tuchtmaatregel wordt ontslagen uit zijn ambt, kan voor dat ambt geen beroep meer doen op de diensten die hij voor dat ontslag heeft verworven.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) die niet tot een scholengemeenschap behoren niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de scholengemeenschap niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Aandacht
Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in een instelling van het schoolbestuur of de scholengemeenschap waar hij eerder werd ontslagen of afgezet omwille van een tuchtmaatregel, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen om het recht op TADD te verkrijgen.

2. Ontslag na twee of drie evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”

Een schoolbestuur moet een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur ontslaan als het in een instelling voor een bepaald ambt ofwel twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen, ofwel drie definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in zijn loopbaan. Het ontslag geldt voor het ambt in de instelling waarop de evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" betrekking hebben.

Het schoolbestuur deelt het ontslag aan het personeelslid mee via een aangetekende brief of via een gerechtsdeurwaarderexploot.

Als het schoolbestuur het ontslag via aangetekende brief meedeelt, heeft het ontslag uitwerking op de derde werkdag na verzending van de brief.

Een ontslag dat bij gerechtsdeurwaarderexploot wordt meegedeeld, heeft onmiddellijke uitwerking.

Dit ontslag gaat niet gepaard met een opzeggingstermijn voor het tijdelijke personeelslid.

Een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur en ontslagen wordt na twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” of na of drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” gedurende de ganse loopbaan, verliest het recht op TADD in de instelling en voor het ambt waar het ontslag op slaat.

Het personeelslid kan daarenboven voor het recht op TADD in dat ambt ook geen beroep meer doen op de diensten die hij voor dat ontslag heeft verworven in de instelling waar hij is ontslagen.

De dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in de instelling waar het ontslag op slaat heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Het personeelslid kan in de instelling waar hij werd ontslagen het recht op TADD ook niet inroepen via dienstanciënniteit die hij in andere instellingen van het schoolbestuur of desgevallend van de scholengemeenschap heeft gepresteerd.

Aandacht

1. Het ontslag heeft enkel gevolgen t.a.v. het ambt en de instelling waar het personeelslid wordt ontslagen. Het ontslag heeft dus geen invloed op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in andere instellingen van het schoolbestuur of de scholengemeenschap.
Als het ontslag gegeven werd in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, behoudt het personeelslid wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere instellingen van de scholengemeenschap en kan hij die aanwenden om in die andere instellingen het recht op TADD in te roepen, maar niet in de instelling waar hij werd ontslagen. Als het ontslag gegeven werd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap, behoudt het personeelslid wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere instellingen van het schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren en kan hij die aanwenden om in die andere instellingen het recht op TADD in te roepen, maar niet in de instelling waar hij werd ontslagen.


2. Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in de instelling waar het eerder werd ontslagen na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” in het desbetreffende ambt, kan hij voor dat ambt opnieuw een beroep doen op alle eerder gepresteerde diensten. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde diensten als niet bestaande beschouwd.

Meer informatie over het evaluatiesysteem vindt u in de omzendbrief PERS/2007/09 van 29-10-2007 - Functiebeschrijving en evaluatie.

3. Vrijwillig ontslag door het tijdelijke personeelslid

Het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur kan zelf vrijwillig ontslag nemen.

Bij dit ontslag hoort een opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen.

Het personeelslid meldt dit ontslag schriftelijk aan zijn directeur (gemeenschapsonderwijs) of aan zijn schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) en vermeldt daarin het begin en de duur van de opzeggingstermijn. De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) neemt kennis van dit ontslag door een duplicaat van deze melding te ondertekenen. Het personeelslid kan zijn ontslag ook via aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot meedelen.

De opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen kan in onderling overleg tussen het personeelslid en de directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) ingekort worden. Die instemming blijkt uit een geschrift dat de effectieve datum van de stopzetting van de opdracht vermeldt en dat beide partijen ondertekenen.

Een vrijwillig ontslag heeft geen impact op het recht op TADD dat het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het ambt bij het schoolbestuur of in de scholengemeenschap. Als het tijdelijke personeelslid later weer in dienst wordt genomen, geldt het recht op TADD mits het personeelslid zich tijdig kandidaat heeft gesteld (zie punt 2.2.1.3).

4. Definitieve ambtsneerlegging

Naast de hiervoor opgesomde mogelijkheden zijn er nog redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid zonder opzeggingstermijn in de vorm van een definitieve ambtsneerlegging.

U vindt die mogelijkheden voor het gemeenschapsonderwijs terug in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 86) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 60).

2.2.7. Behoud van verworven rechten bij overheveling van een vestigingsplaats, overname van een instelling door een ander schoolbestuur of bij wijziging van scholengemeenschap

Als de vestigingsplaats waar het tijdelijke personeelslid een opdracht uitoefent, overgeheveld wordt naar een instelling van een ander schoolbestuur kan het tijdelijke personeelslid bij overstap naar het andere schoolbestuur onder bepaalde voorwaarden de rechten behouden die hij tot dan heeft verworven.

Als de instelling waar het tijdelijke personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, overgenomen wordt door een ander schoolbestuur, toetreedt tot een andere scholengemeenschap of uit een scholengemeenschap stapt, behoudt het tijdelijke personeelslid de rechten die hij tot dan heeft verworven bij die instelling.

2.2.7.1. Overheveling van een vestigingsplaats

Bij de overheveling van een vestigingsplaats naar een instelling van een ander schoolbestuur stellen de betrokken schoolbesturen een schriftelijke overeenkomst op.

Deze overeenkomst houdt minstens rekening met:

1° de personeelsleden die in de vestigingsplaats tewerkgesteld zijn in het schooljaar voorafgaand aan de overheveling, en met de omvang van die tewerkstelling;

2° de omvang van de omkadering die met de overheveling gepaard gaat.

Als de betrokken schoolbesturen in de overeenkomst opnemen dat er personeelsleden worden overgenomen bij de overheveling van de vestigingsplaats, gaan deze personeelsleden – op voorwaarde dat ze daar zelf voor kiezen - over naar het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overneemt. Het tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld en dat vrijwillig kiest voor dergelijke overstap wordt tijdelijk personeelslid van het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overneemt ten belope van de opdracht waarvoor hij bij zijn vorige schoolbestuur was aangesteld. Het personeelslid behoudt daarbij zijn tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de vestigingsplaats die wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

Als een scholengroep een vestigingsplaats van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het gesubsidieerd onderwijs beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die de vestigingsplaats overneemt.

Als een schoolbestuur een vestigingsplaats van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

Het tijdelijke personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven bij de scholengroep of bij het schoolbestuur waarvan de vestigingsplaats wordt overgenomen, behoudt dit recht op TADD in de scholengroep of bij het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het schoolbestuur die de vestigingsplaats overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

2.2.7.2. Bij overname van de instelling door een ander schoolbestuur

Als de instelling waar het tijdelijke personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, overgenomen wordt door een ander schoolbestuur, behoudt het tijdelijke personeelslid de rechten die hij tot dan heeft verworven bij die instelling.

2.2.7.2.1. Overname van een instelling in het gemeenschapsonderwijs

Bij de overname van een instelling door een andere scholengroep, gaan de tijdelijke personeelsleden die voor doorlopende duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de instelling die wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid met behoud van hun aanstelling voor doorlopende duur over naar de scholengroep die de instelling overneemt.

Als de overname een instelling van het gesubsidieerd onderwijs betreft, gaan de tijdelijke personeelsleden enkel over naar het gemeenschapsonderwijs als ze hier zelf om verzoeken.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de instelling die wordt overgenomen, worden beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij de scholengroep die de instelling overneemt.

Als een scholengroep een instelling van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gesubsidieerd onderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die de instelling overneemt.

Het tijdelijke personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven in de instelling die wordt overgenomen, behoudt dit recht op TADD in de scholengroep die de instelling overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het schoolbestuur die de instelling overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overneemt.

2.2.7.2.2. Overname van een instelling in het gesubsidieerd onderwijs

Bij de overname van een instelling door een ander schoolbestuur gaan de tijdelijke personeelsleden die voor doorlopende duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de instelling die wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid met behoud van hun aanstelling van doorlopende duur over naar het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Als de instelling die overgenomen wordt tot een ander net behoort dan datgene waartoe ze na de overname zal behoren, kan een tijdelijk personeelslid weigeren om over te stappen naar het andere schoolbestuur.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de instelling die wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Als een schoolbestuur een instelling van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Het tijdelijke personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven in de instelling die wordt overgenomen, behoudt dit recht op TADD bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het schoolbestuur die de instelling overlaat, geldt bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

2.2.7.3. Toetreding of uittreding bij een scholengemeenschap

Het personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven en dat in een instelling tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur, behoudt ook bij wijziging van scholengemeenschap onder bepaalde omstandigheden zijn recht op TADD en de tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur.

2.2.7.3.1. De instelling treedt toe tot een scholengemeenschap

Als een instelling toetreedt tot een scholengemeenschap - voor de eerste keer of door wijziging van scholengemeenschap - behoudt het personeelslid, dat in die instelling tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur in de loop van het schooljaar dat voorafgaat aan de toetreding tot de scholengemeenschap, alle rechten die aan deze tijdelijke aanstelling verbonden zijn.

Dit betekent dat het personeelslid in eerste instantie zijn tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur behoudt in de instelling die tot de scholengemeenschap toetreedt, voor zover de instelling die betrekking bij de aanvang van het schooljaar opnieuw kan aanbieden aan dat personeelslid.

Daarnaast verkrijgt het personeelslid bij de toetreding van de instelling tot de scholengemeenschap het recht op TADD in alle instellingen van de scholengemeenschap, zoals vermeld in punt 2.2.2.

Voor het tijdelijke personeelslid dat zich voor 15 juni voorafgaand aan de toetreding tot de scholengemeenschap kandidaat heeft gesteld voor het recht op TADD bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij een schoolbestuur waartoe de instelling behoorde, geldt deze kandidaatstelling voor de scholengemeenschap waar de instelling toetreedt.

Opmerking : Het personeelslid behoudt bij een toetreding van een instelling tot een scholengemeenschap ook de rechten die hij in zijn vroegere situatie heeft opgebouwd. Dit betekent dat als een instelling voor de eerste keer toetreedt tot een scholengemeenschap het personeelslid eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behoudt in alle instellingen van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap.

Als een instelling toetreedt tot een andere scholengemeenschap behoudt het personeelslid eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in alle instellingen van de oorspronkelijke scholengemeenschap.

2.2.7.3.2. De instelling treedt uit een scholengemeenschap

Als een instelling uit een scholengemeenschap treedt, behoudt het personeelslid, dat tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur in die instelling in de loop van het schooljaar dat voorafgaat aan de uittreding uit de scholengemeenschap, alle rechten die aan deze tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur verbonden zijn.

Dit betekent dat het personeelslid in eerste instantie zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behoudt in de instelling die uit de scholengemeenschap treedt, voor zover de instelling die betrekking bij de aanvang van het schooljaar opnieuw kan aanbieden aan dat personeelslid.

Daarnaast verkrijgt het personeelslid het recht op TADD in alle instellingen van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of in alle instellingen van het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap, zoals vermeld in punt 2.2.2.

Voor het tijdelijke personeelslid dat zich voor 15 juni voorafgaand aan de uittreding uit de scholengemeenschap kandidaat heeft gesteld voor het recht op TADD bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij een schoolbestuur van de scholengemeenschap waar de instelling weggaat, geldt deze kandidaatstelling bij de betrokken raad van bestuur of bij het betrokken schoolbestuur voor een aanstelling in een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort.

Opmerking : Het personeelslid behoudt bij de uittreding van een instelling uit een scholengemeenschap ook de rechten die hij in zijn vroegere situatie heeft opgebouwd. Dit betekent dat het personeelslid eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behoudt in alle instellingen van de scholengemeenschap waar de instelling is uitgetreden.

2.2.8. Mededeling van een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur aan het werkstation

Bij de melding van de opdracht van het tijdelijke personeelslid met een RL-1 aan het werkstation duidt u aan dat het om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gaat.

Als het om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking gaat, krijgt de opdracht oneindig (31.12.2999) als einddatum.

Als het een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een niet-vacante betrekking betreft, eindigt de opdracht uiterlijk de laatste dag van de dienstonderbreking van de titularis.

Voorbeelden

TADD in een vacante betrekking

Een onderwijzer krijgt vanaf 1 september een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking voor 24 u.

RL-1 onderwijzer Ato 2 voor 24 u met als begindatum van de opdracht 1-9-20XX en als einddatum oneindig (31-12-2999). De tijdelijke opdracht wordt aangeduid als TADD-opdracht (waarde 01 in veld 30).

TADD in een niet-vacante betrekking

Een voltijds vastbenoemde kleuteronderwijzer neemt een voltijdse VVP van 1-9-20XX tot en met 31-8-20YY.

In de niet-vacante betrekking van de vastbenoemde titularis wordt als vervanger een tijdelijk personeelslid aangesteld dat recht heeft op TADD.

De vervanger wordt als volgt doorgegeven:

RL-1 kleuteronderwijzer Ato 1 voor 24 u met als begindatum van de opdracht 1-9-20XX en als einddatum 31-8-20YY ter vervanging van het personeelslid met VVP. De tijdelijke opdracht wordt aangeduid als TADD-opdracht (waarde 01 in veld 30).

3. TIJDELIJKE AANSTELLING IN DE CENTRA VOOR LEERLINGENBEGELEIDING

Deze omzendbrief is van toepassing op tijdelijke personeelsleden die in het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs worden aangesteld in een wervingsambt in een centrum voor leerlingenbegeleiding.

Het gaat om een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt van:

  • het ondersteunend personeel;
  • het technisch personeel.

In het gemeenschapsonderwijs is het instellingshoofd bevoegd voor de tijdelijke aanstelling. In deze omzendbrief gebruiken we steeds de term directeur om het instellingshoofd aan te duiden.

3.1. TIJDELIJKE AANSTELLING VAN BEPAALDE DUUR (TABD)

Een tijdelijk personeelslid wordt in het gemeenschapsonderwijs door de directeur en in het gesubsidieerd onderwijs door het centrumbestuur aangesteld in een wervingsambt voor bepaalde duur (TABD) of voor doorlopende duur (TADD).

Een tijdelijk personeelslid wordt in het begin van zijn loopbaan altijd voor bepaalde duur aangesteld. Als het personeelslid na verloop van minstens twee schooljaren presteren aan bepaalde voorwaarden voldoet, kan hij het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur verwerven (zie punt 3.2).

Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur kan zowel in een vacante betrekking als in een niet-vacante betrekking en is steeds beperkt tot de duur van maximum een schooljaar.

3.1.1. De aanstelling van een tijdelijk personeelslid

U kan een tijdelijk personeelslid slechts aanstellen voor bepaalde duur als hij voldoet aan een aantal specifieke voorwaarden, die zijn vastgelegd in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 17) of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 19).

3.1.1.1. De aanstellingsvoorwaarden

U kan een tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur aanstellen in een betrekking als hij voldoet aan de volgende aanstellingsvoorwaarden:

1. Belg zijn of onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie

Behoort het personeelslid niet tot een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, dan kan een vrijstelling worden gevraagd die wordt verleend door de Vlaamse Regering. Het personeelslid moet dan ook in het bezit zijn van een arbeidskaart.

2. De burgerlijke en politieke rechten genieten of in het bezit zijn van een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1

3. In het bezit zijn van een geldig vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarin het personeelslid wordt aangesteld

Bij gebrek aan kandidaten met een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, kan u een kandidaat aanstellen met een "ander" bekwaamheidsbewijs. Dergelijke aanstelling is steeds beperkt tot het lopende schooljaar, maar kan jaarlijks verlengd worden als u nog steeds geen andere kandidaat vindt.

De bekwaamheidsbewijzen per ambt vindt u terug op https://data-onderwijs.vlaanderen.be/bekwaamheidsbewijzen/

4. Medisch geschikt zijn

De gezondheidstoestand van het personeelslid mag geen gevaar vormen voor de gezondheid van de leerlingen. Dit wordt geattesteerd door de huisarts.

5. Van onberispelijk gedrag zijn

Dit blijkt uit een uittreksel uit het strafregister (596.2 – model bestemd voor contacten met minderjarigen) dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgeleverd.

6. Voldoen aan de taalvereisten voor het ambt

Het personeelslid moet een specifiek kennisniveau van het Nederlands als onderwijstaal aantonen.

Als u moeilijkheden ondervindt om een personeelslid aan te werven dat niet onmiddellijk beantwoordt aan de vereiste kennis van het Nederlands als onderwijstaal, kan u voor dit personeelslid een tijdelijke afwijking aanvragen op de vereiste taalkennis.

Meer informatie vindt u terug in de omzendbrief Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs (PERS/2010/01 van 19-01-2010).

7. De reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking is nageleefd

U kan een tijdelijk personeelslid slechts aanstellen als de bepalingen betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling correct zijn nageleefd.

Meer informatie over deze reglementering vindt u in de omzendbrief De reaffectatie- en wedertewerkstellingsregeling voor de inrichtende machten en de personeelsleden tewerkgesteld in het niet-tertiair onderwijs (Pers/2003/08 van 28-07-2003).

8. Kandidaatstelling in het gemeenschapsonderwijs

In het gemeenschapsonderwijs moet een personeelslid zich elk schooljaar voor 15 juni kandidaat stellen voor een tijdelijke aanstelling bij de scholengroep.

Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur van deze voorwaarde afwijken.

3.1.2. Recht op en plicht tot aanvangsbegeleiding

Vanaf 1 september 2019 geldt bij de aanstelling van een tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur in een wervingsambt het recht op en de plicht tot aanvangsbegeleiding.

3.1.2.1. Wie heeft recht op aanvangsbegeleiding?

Een loopbaan in het onderwijs begint steeds met een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Tijdens deze loopbaanfase krijgt elk tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur in een wervingsambt wordt aangesteld ondersteuning en begeleiding in de vorm van een traject van aanvangsbegeleiding.

Deze aanvangsbegeleiding vormt een recht en een plicht voor zowel het tijdelijke personeelslid als voor het centrumbestuur.

Bij een tijdelijke aanstelling via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen (verlof TAO) of via een reaffectatie of wedertewerkstelling – wat steeds een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur inhoudt – is het centrumbestuur niet verplicht om aanvangsbegeleiding aan te bieden. Het gaat hier immers om een tijdelijke aanstelling van een vastbenoemd personeelslid en daarbij mag uitgegaan worden van het feit dat dit personeelslid al de nodige ervaring en competenties heeft verworven in zijn ambt. Niets weerhoudt echter het centrumbestuur om ook bij dergelijke aanstelling een specifiek traject van aanvangsbegeleiding uit te werken voor het personeelslid, maar dit vormt alleszins geen recht noch een plicht voor de betrokken partijen.

3.1.2.2. Inhoud en organisatie van de aanvangsbegeleiding

3.1.2.2.1. Algemeen

De inhoud of vorm van aanvangsbegeleiding die aan een tijdelijk personeelslid moet worden aangereikt en de wijze waarop die aanvangsbegeleiding feitelijk in en door het centrum en het centrumbestuur wordt georganiseerd en uitgebouwd, behoort tot de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het centrumbestuur.

Afspraken hierrond worden onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité en die afspraken krijgen op centrumniveau een vertaling in het professionaliseringsplan (het vroegere nascholingsplan).

3.1.2.2.2. Individuele aanvangsbegeleiding per personeelslid

Een tijdelijk personeelslid dat in een wervingsambt voor bepaalde duur wordt aangesteld, krijgt een eigen traject van aanvangsbegeleiding.

De eerste evaluator bepaalt in overleg met het tijdelijke personeelslid de duur en de intensiteit van het traject van de individuele aanvangsbegeleiding. De eerste evaluator is het personeelslid dat in het centrum is aangeduid als eerste evaluator in het kader van de evaluatieprocedure (zie punt 2.1.2 van de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007).

De eerste evaluator zal het tijdelijke personeelslid ook beoordelen met het oog op de volgende fase in zijn loopbaan, de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

De coaching en begeleiding van het personeelslid tijdens het traject kunnen worden verzorgd door een of meer personeelsleden die in het centrum of door het samenwerkingsverband “aanvangsbegeleiding” met deze opdracht worden belast (onder meer via de middelen voor de organisatie van aanvangsbegeleiding die worden toegekend aan het centrumbestuur).

Als het tijdelijke personeelslid een functiebeschrijving krijgt onder de voorwaarden omschreven in de decreten rechtspositie (zie ook de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007), worden de afspraken over de aanvangsbegeleiding in zijn functiebeschrijving opgenomen. Heeft het tijdelijke personeelslid geen functiebeschrijving dan worden de afspraken over de aanvangsbegeleiding vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen het personeelslid en de eerste evaluator.

Als er in de loop van het traject van aanvangsbegeleiding nieuwe afspraken worden gemaakt, dan wordt de schriftelijke overeenkomst of desgevallend de functiebeschrijving aangepast. Deze aanpassing gebeurt steeds in onderling overleg tussen het betrokken personeelslid en de eerste evaluator.

3.1.2.2.3. De beoordeling

Het sluitstuk van het traject van opvolging en coaching tijdens de beginperiode van de loopbaan - de aanvangsbegeleiding - mondt uit in een beoordeling van het tijdelijke personeelslid.

De eerste evaluator van het personeelslid stelt deze beoordeling op.

De beoordeling vormt het signaal dat het personeelslid zich kandidaat kan stellen voor het recht op TADD, tenzij het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD.

Als het tijdelijke personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de vereiste dienstanciënniteit voor het recht op TADD verwerft (zie punt 3.2.1.1) geen beoordeling heeft gekregen, dan is het alsof de beoordeling daadwerkelijk is toegekend. Dit houdt dan in dat het personeelslid het recht op TADD verwerft vanaf het daaropvolgend schooljaar (als hij zich ook tijdig kandidaat heeft gesteld).

Naast de beoordeling blijft het instrument van evaluatie – net als voor alle personeelsleden - onverminderd van toepassing voor een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur (zie ook de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007).

In het bevoegde lokale comité worden op het niveau van het centrumbestuur afspraken gemaakt over de beoordeling.

Deze afspraken kunnen gaan over de wijze waarop het instrument van beoordeling binnen het centrum of de centra van het centrumbestuur zal worden gehanteerd (bv. afstemmen van de beoordeling als een tijdelijk personeelslid in meerdere centra presteert, opvolgen van de tijdelijke personeelsleden via uitwisseling van informatie, aanstellen van een personeelslid met een beoordeling met werkpunten, …). Deze afspraken kunnen weliswaar nooit afbreuk doen aan de decretale bepalingen met betrekking tot het verwerven van het recht op TADD.

3.1.2.2.3.1. De beoordeling met werkpunten

De eerste evaluator kan oordelen dat het personeelslid nog werkpunten heeft die maken dat hij nog niet voldoet om het recht op TADD te verwerven.

De eerste evaluator maakt dan een verslag op waarin hij deze beslissing en de werkpunten opneemt, samen met het traject dat het tijdelijke personeelslid tijdens de aanvangsbegeleiding heeft afgelegd.

Als het personeelslid het niet eens is met deze beoordeling met werkpunten kan hij verhaal halen bij het centrumbestuur. Het centrumbestuur gaat na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op TADD rechtvaardigt. Het centrumbestuur kan de beoordeling met werkpunten enkel bevestigen of vernietigen. Als een van de betrokken partijen aan het centrumbestuur vraagt om gehoord te worden, hoort het centrumbestuur zowel het betrokken personeelslid als de eerste evaluator voordat het een beslissing neemt.

Als een tijdelijke personeelslid na de beoordeling met werkpunten in een CLB van het centrumbestuur opnieuw een tijdelijke aanstelling krijgt in een betrekking in het betrokken ambt, moet hij in dat ambt nog bijkomend 200 dagen effectieve prestaties extra verrichten om zich kandidaat te kunnen stellen voor het recht op TADD te verwerven (zie punt 3.2.1.2).

Tijdens deze periode heeft het personeelslid recht op een aangepast traject van aanvangsbegeleiding, waarbij de focus ligt op de werkpunten die tijdens de beoordeling aan bod zijn gekomen en die in het verslag zijn opgenomen. Tenzij het personeelslid op het einde van de periode die vereist is om de bijkomende 200 dagen effectieve prestaties te verrichten een evaluatie krijgt die leidt tot een evaluatie “onvoldoende”, verwerft het personeelslid bij tijdige kandidaatstelling het recht op TADD vanaf het daaropvolgende schooljaar.

3.1.2.2.4. Middelen voor de organisatie van aanvangsbegeleiding

Een centrumbestuur ontvangt jaarlijks bijkomende middelen om in zijn centrum of centra een kwaliteitsvolle aanvangsbegeleiding aan te bieden en (verder) te ontwikkelen. Deze middelen worden rechtstreeks toegekend aan het centrum samen met de gebruikelijke omkadering.

Een centrum kan deze middelen samenleggen met deze van andere centra in een samenwerkingsverband “aanvangsbegeleiding”. In dit samenwerkingsverband worden dan afspraken gemaakt over de aanwending van de samengevoegde middelen.

3.1.3. Administratieve en geldelijke toestand van het personeelslid

3.1.3.1. Administratieve toestand

Het centrumbestuur moet de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur van een personeelslid schriftelijk vastleggen.

In het gemeenschapsonderwijs gebeurt dit via een schriftelijk document, in het officieel gesubsidieerd onderwijs via een besluit van het bestuur (het college van burgemeester en schepenen of de bestendige deputatie) en in het vrij gesubsidieerd onderwijs via een arbeidsovereenkomst.

Dit document vermeldt tenminste:

  • de benaming en het adres van het centrumbestuur en van het centrum waar het personeelslid tewerkgesteld wordt;
  • de identiteit van het personeelslid;
  • het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;
  • of het om een aanstelling in een vacante of een niet-vacante betrekking gaat, in dit laatste geval, de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, van het afwezige personeelslid dat de titularis tijdelijk vervangt;
  • het pedagogisch project en de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.

Het personeelslid ontvangt steeds een exemplaar van dit document.

Het centrum meldt daarnaast de opdracht van het personeelslid aan het werkstation met het oog op de bezoldiging van het personeelslid (zie punt 3.1.6).

3.1.3.2. Geldelijke toestand

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking heeft recht op een maandelijks salaris dat rechtstreeks uitbetaald wordt door AGODI, op voorwaarde dat het tijdelijke personeelslid aan de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden voldoet.

Deze voorwaarden en welke documenten en gegevens u aan het werkstation moet bezorgen, vindt u in de omzendbrief Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en vorming (PERS/2005/09 van 29-06-2005).

Gaat het om een tijdelijke aanstelling in een niet-vacante betrekking - dus om de vervanging van een afwezige titularis - dan zal het personeelslid een salaris ontvangen als daarenboven ook aan de volgende vervangingsvoorwaarden is voldaan:

  • het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking;
  • het te vervangen personeelslid is afwezig voor ten minste tien opeenvolgende werkdagen. Deze voorwaarde geldt niet als het te vervangen personeelslid omstandigheidsverlof geniet wegens de bevalling van zijn echtgenote of samenwonende partner en de afwezigheid geen aaneensluitende periode van tien werkdagen vormt).

Volgende vervangingen worden evenwel niet bezoldigd:

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur is aangesteld in een wervingsambt krijgt voor de duur van zijn aanstelling maandelijks een salaris, ook in de maanden juli en augustus als het personeelslid effectief in die maanden aangesteld is.

3.1.3.3. Ziekteverlof

Het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur heeft tijdens een afwezigheid wegens ziekte binnen de periode van zijn aanstelling onder bepaalde voorwaarden recht op bezoldigd ziekteverlof.

Deze voorwaarden en de berekeningswijze van het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vindt u terug in de omzendbrief - Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding – PERS/2007/07 van 21-09-2007 (punt 2.2).

3.1.4. Einde van de tijdelijke aanstelling

De aanstelling van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur kan worden beëindigd door een ontslag dat uitgaat van het centrumbestuur of via een vrijwillig ontslag van het personeelslid zelf.

Daarnaast zijn er een aantal situaties – die vastgelegd zijn in de decreten rechtspositie – die automatisch een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. We spreken in dat geval niet over een ontslag, maar over een beëindiging van de tijdelijke aanstelling van rechtswege of om een definitieve ambtsneerlegging.

3.1.4.1. Einde van de tijdelijke aanstelling van rechtswege

De decreten rechtspositie bepalen dat er onder bepaalde omstandigheden van rechtswege een einde komt aan de tijdelijke aanstelling van een personeelslid.

Dit houdt in dat er onmiddellijk een einde aan de aanstelling komt en er geen opzegtermijn is voor het personeelslid.

Volgende redenen leiden van rechtswege onmiddellijk tot een einde van de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur.

1. Het einde van het schooljaar

Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur eindigt uiterlijk op het einde van het schooljaar.

Het personeelslid kan natuurlijk het volgende schooljaar een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgen.

2. De terugkeer van de titularis van de betrekking

Als de titularis van de betrekking terugkeert uit zijn afwezigheid komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid dat in die betrekking als vervanger is aangesteld.

3. De betrekking wordt aan een ander personeelslid toegewezen

- omwille van de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling

Als het centrumbestuur in het kader van de verplichtingen betreffende reaffectatie of wedertewerkstelling de betrekking moet toewijzen aan een vastbenoemd personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

- door toewijzing van een affectatie, een mutatie of een vaste benoeming van een ander personeelslid

Als het centrumbestuur een vastbenoemd personeelslid in de betrekking muteert

of affecteert, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Als het centrumbestuur op 1 januari een ander personeelslid in de betrekking vast benoemt, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

4. De betrekking kan niet langer gefinancierd of gesubsidieerd worden

Als de betrekking niet meer financierbaar of subsidieerbaar is, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

5. Het personeelslid voldoet niet (meer) aan de aanstellingsvoorwaarden

Als na de aanstelling van het tijdelijke personeelslid blijkt dat hij niet (meer) voldoet aan een of meer van de aanstellingsvoorwaarden, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Voorbeeld

Het personeelslid wordt strafrechtelijk veroordeeld en deze veroordeling leidt tot het tijdelijke of definitief verlies van zijn burgerlijke en politieke rechten. Dit personeelslid voldoet vanaf dat ogenblik niet meer aan de aanstellingsvoorwaarde die stelt dat hij de burgerlijke en politiek rechten moet genieten.

6. Bij het bereiken van de leeftijdsgrens

Als het tijdelijke personeelslid de leeftijdsgrens bereikt die leidt tot pensionering, komt er op het einde van dat schooljaar een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Op deze regel geldt een uitzondering, zodat een personeelslid ook na het bereiken van de leeftijdsgrens een tijdelijke aanstelling kan behouden.

Meer informatie over deze maatregelen vindt u in de omzendbrief Langer werken dan 65 jaar (PERS/2012/05 van 30-07-2012).

7. Bij de definitieve pensionering van het personeelslid

Op ogenblik dat het tijdelijke personeelslid met pensioen gaat, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

3.1.4.2. Einde van de tijdelijke aanstelling door ontslag

De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) kan een tijdelijk personeelslid om bepaalde redenen ontslaan of het tijdelijke personeelslid kan zelf vrijwillig ontslag nemen.

Een ontslag van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur gebeurt:

  • met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen (in het gesubsidieerd onderwijs);
  • om dringende redenen;
  • na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”.

Deze vormen van ontslag kunnen ook impact hebben op de verwerving van het recht op TADD voor het personeelslid.

1. Ontslag met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen in het gesubsidieerd onderwijs

In het gesubsidieerd onderwijs kan het centrumbestuur een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur ontslaan met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen.

De redenen voor dit ontslag houden verband met een tekortkoming aan

de plichten van het personeelslid zoals opgenomen in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 9 en volgende).

Het centrumbestuur moet dit ontslag grondig motiveren en dit schriftelijk bezorgen aan het personeelslid. De mededeling van het ontslag vermeldt het begin en de duur van de opzeggingstermijn en gebeurt via een aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het centrum en het ambt heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt niet meer in aanmerking voor de berekening van het recht op TADD. Het personeelslid behoudt wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft opgebouwd in andere centra van hetzelfde centrumbestuur en hij kan die aanwenden om in die andere centra het recht op TADD in te roepen, maar niet in het centrum waar hij werd ontslagen.

Als het centrumbestuur het tijdelijke personeelslid na zijn ontslag opnieuw aanwerft in het centrum waar hij eerder werd ontslagen met een vooropzeg van 30 dagen in het desbetreffende ambt, dan kan hij voor dat ambt weer wel opnieuw een beroep doen op de al eerder gepresteerde dienstanciënniteit. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde dienstanciënniteit als niet bestaande beschouwd.

2. Ontslag om dringende redenen

In het gemeenschapsonderwijs

De directeur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur om dringende redenen ontslaan bij de vaststelling van een ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

Het moet gaan om aantoonbare feiten die de directeur, niet langer dan drie werkdagen nadat hij op de hoogte is gesteld van deze feiten, moet meedelen aan het personeelslid via een aangetekende brief die binnen een termijn van drie werkdagen na het ontslag om dringende redenen wordt verzonden.

Het tijdelijke personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep.

De raad van bestuur van de scholengroep schorst het tijdelijke personeelslid onmiddellijk preventief vanaf het ogenblik van ontslag.

Als het personeelslid beroep aantekent omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd. Deze periode van preventieve schorsing kan nooit langer zijn dan de duur van de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.

Als het personeelslid geen beroep aantekent, omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.

Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. 

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het ambt van ontslag in alle centra van de scholengroep heeft verworven tot op het ogenblik van het ontslag, komt na een ontslag om dringende redenen niet meer in aanmerking voor de berekening op het recht op TADD (zie punt 3.2.1.1).

Als de directeur het personeelslid na zijn ontslag toch opnieuw aanwerft in het centrum waar hij eerder werd ontslagen omwille van dringende redenen, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen die nodig is om het recht op TADD te verwerven (zie punt 3.2.1.1).

In het gesubsidieerd onderwijs

Het centrumbestuur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur om dringende redenen ontslaan bij de vaststelling van een ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Naargelang de aard van deze redenen kan het centrumbestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar centra.

Het moet gaan om aantoonbare feiten die het schoolbestuur, niet langer dan drie werkdagen nadat het op de hoogte is gesteld van deze feiten, moet meedelen aan het personeelslid via een aangetekende brief die binnen een termijn van drie werkdagen na het ontslag wordt verzonden of via gerechtsdeurwaardersexploot.

Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep.

Het centrumbestuur schorst het tijdelijke personeelslid onmiddellijk preventief vanaf het ogenblik van ontslag.

Als het personeelslid beroep aantekent omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd. Deze periode van preventieve schorsing kan nooit langer zijn dan de duur van de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.

Als het personeelslid geen beroep aantekent, omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.

Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het ambt van ontslag in alle centra van het centrumbestuur heeft verworven tot op het ogenblik van het ontslag, komt na een ontslag om dringende redenen niet meer in aanmerking voor de berekening op het recht op TADD (zie punt 3.2.1.1).

Als het centrumbestuur het personeelslid na zijn ontslag toch opnieuw aanwerft in het centrum waar hij eerder werd ontslagen omwille van dringende redenen, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen die nodig is om het recht op TADD te verwerven (zie punt 3.2.1.1).

3. Ontslag na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”

Een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur wordt na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” door het centrumbestuur ontslagen uit zijn ambt in het centrum waar hij deze evaluatie heeft gekregen.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het centrum en het ambt heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt niet meer in aanmerking voor de berekening van het recht op TADD (zie punt 3.2.1.1). Het personeelslid behoudt wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere centra van het centrumbestuur en hij kan die aanwenden om in die andere centra het recht op TADD in te roepen, maar niet in het centrum waar hij werd ontslagen.

Als het tijdelijke personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in het centrum waar hij eerder werd ontslagen omwille van een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” in het desbetreffende ambt, dan kan hij voor dat ambt wel opnieuw een beroep doen op de al eerder gepresteerde dienstanciënniteit. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde dienstanciënniteit als niet bestaande beschouwd.

4. Vrijwillig ontslag door het personeelslid

Het personeelslid kan zelf ook vrijwillig ontslag nemen.

Bij dit ontslag hoort een opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen.

Het personeelslid meldt dit ontslag schriftelijk aan zijn directeur (gemeenschapsonderwijs) of aan zijn centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) en vermeldt daarin het begin en de duur van de opzeggingstermijn. De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) neemt kennis van dit ontslag door een duplicaat van deze melding te ondertekenen. Het personeelslid kan zijn ontslag ook meedelen via een aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot.

De opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen kan in onderling overleg tussen het personeelslid en de directeur (gemeenschapsonderwijs) of het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) ingekort worden. Die instemming blijkt uit een geschrift dat de effectieve datum van de stopzetting van de opdracht vermeldt en dat beide partijen ondertekenen.

Een vrijwillig ontslag heeft voor de berekening van het recht op TADD geen impact op de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid tot op het ogenblik van het ontslag heeft verworven in het ambt bij het centrumbestuur. Als het tijdelijke personeelslid later weer een tijdelijke aanstelling krijgt, komt deze dienstanciënniteit dus nog steeds in aanmerking voor het recht op TADD (zie punt 3.2.1.1).

5. Andere redenen

Naast de hiervoor opgesomde mogelijkheden zijn er nog redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid zonder opzeggingstermijn in de vorm van een definitieve ambtsneerlegging.

U vindt die mogelijkheden voor het gemeenschapsonderwijs terug in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 86) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 60).

3.1.5. Behoud van verworven rechten bij overname van het centrum door een ander centrumbestuur

Als het centrum waar het tijdelijke personeelslid is aangesteld, overgenomen wordt door een ander centrumbestuur behoudt het tijdelijke personeelslid de rechten die hij tot dan heeft verworven bij dat centrum.

3.1.5.1. Overname van een centrum in het gemeenschapsonderwijs

Bij de overname van een centrum door een andere scholengroep, gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve werkdag van het centrum dat wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid over naar de scholengroep die het centrum overneemt.

Bij de overname van een centrum van een centrumbestuur van het gesubsidieerd onderwijs gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve werkdag van het centrum dat wordt overgenomen, als tijdelijk personeelslid over naar de scholengroep die het centrum overneemt als ze daar zelf om verzoeken.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in het centrum dat wordt overgenomen, worden beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij de scholengroep die het centrum overneemt.

Als een scholengroep een centrum van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het gesubsidieerd onderwijs beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die het centrum overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het centrumbestuur dat het centrum overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep die het centrum overneemt.

3.1.5.2. Overname van een centrum in het gesubsidieerd onderwijs

Bij de overname van een centrum door een ander centrumbestuur gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve werkdag van het centrum dat wordt overgenomen, als tijdelijk personeelslid over naar het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Als het centrum dat overgenomen wordt tot een ander net behoort dan datgene waartoe het na de overname zal behoren, kan een tijdelijk personeelslid weigeren om over te stappen naar het andere centrumbestuur.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in het centrum dat wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Als een centrumbestuur een centrum van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het centrumbestuur dat het centrum overlaat, geldt bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

3.1.6. Praktische schikkingen

De gegevens die u bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur aan het werkstation moet meedelen, vindt u terug in de omzendbrief Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en vorming (PERS/2005/09 van 29-06-2005).

3.2. TIJDELIJKE AANSTELLING VAN DOORLOPENDE DUUR (TADD)

Een tijdelijk personeelslid kan het recht verwerven op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) als hij aan een aantal specifieke voorwaarden voldoet.

Vanaf 1 september 2019 gelden nieuwe voorwaarden waardoor een personeelslid naast de verwerving van een bepaalde dienstanciënniteit in principe ook een beoordeling zal krijgen om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven.

Voor een personeelslid dat al voor 1 september 2019 dienstanciënniteit heeft verworven, geldt onder bepaalde voorwaarden een overgangsmaatregel (zie punt 3.2.3).

Het recht op TADD houdt in dat het personeelslid bij voorrang een tijdelijke aanstelling kan krijgen t.o.v. andere tijdelijke personeelsleden die niet aan deze voorwaarden voldoen.

De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur loopt over de schooljaren heen en is mogelijk in een vacante betrekking en in een niet-vacante betrekking.

Daarnaast is een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur eveneens een voorwaarde voor vaste benoeming in een wervingsambt. De omzendbrief 29/11/1999 - 13CC/VB/ml - Vaste benoeming - Procedure, voorwaarden en mededeling aan het departement Onderwijs gaat hier dieper op in.

Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur is van toepassing op betrekkingen in een wervingsambt in de centra en personeelscategorieën vermeld onder punt 3.

3.2.1. Voorwaarden

Vanaf 1 september 2019 moet een tijdelijk personeelslid aan de volgende voorwaarden voldoen om voor een wervingsambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven:

  • binnen een termijn van minstens twee schooljaren 580 dagen dienstanciënniteit verwerven, waarvan 400 dagen effectief moeten gepresteerd zijn (zie punt 3.2.1.1);
  • uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin het personeelslid de vereiste dienstanciënniteit heeft verworven, geen beoordeling met werkpunten hebben gekregen van de eerste evaluator (zie punt 3.2.1.2).

Deze nieuwe voorwaarden gelden voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 voor het eerst in dienst komt;
  • op of na 1 september 2019 opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 minder dan 580 dagen dienstanciënniteit heeft verworven.

Dit betekent dat een tijdelijk personeelslid op basis van de nieuwe voorwaarden voor het eerst het recht op TADD kan verwerven op 1 september 2020.

Daarnaast gelden er overgangsmaatregelen voor tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 30 juni 2019 of op 30 juni 2020 aan specifieke voorwaarden voldoen (zie punt 3.2.3).

3.2.1.1. Voorwaarde betreffende dienstanciënniteit

Om het recht op TADD te kunnen laten gelden moet het tijdelijke personeelslid een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen en dit gespreid over een periode van ten minste twee schooljaren.

Van deze 580 dagen moeten er daarenboven minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

3.2.1.1.1. Berekening van de dienstanciënniteit

Een personeelslid moet ten minste 580 dagen dienstanciënniteit hebben, gespreid over ten minste twee schooljaren, om een recht op TADD te verwerven. Van deze 580 dagen moeten er 400 effectief gepresteerd zijn. Hierna gaan we dieper in op de principes die van toepassing zijn bij de berekening van de dienstanciënniteit.

Bij de berekening van de dienstanciënniteit zijn zowel het ambt waarin het personeelslid de diensten presteert als het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid van belang.

3.2.1.1.1.1. Per ambt

De dienstanciënniteit geldt steeds per ambt. Om het recht op TADD te verwerven voor een bepaald ambt moet de dienstanciënniteit verworven zijn in dit specifieke ambt.

De diensten die werden gepresteerd in verschillende ambten kunnen in principe dus nooit worden samengeteld.

De diensten die een personeelslid opbouwt in een wervingsambt van het ondersteunend personeel (administratief medewerker) komen in aanmerking als diensten voor het desbetreffende ambt, ook als een personeelslid prestaties heeft verricht in betrekkingen met verschillende diplomaniveaus en met verschillende puntenwaarden.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid is aangesteld in het ambt van administratief medewerker in een betrekking van tenminste HSO (63 punten) voor 12/36 en in een betrekking van ten minste bachelor (82 punten) voor 9/36.

De diensten die het personeelslid in beide betrekkingen opbouwt, komen in aanmerking voor de verwerving van het recht op TADD in het ambt van administratief medewerker en tellen dus mee voor 21/36.

3.2.1.1.1.2. Volgens indeling van het bekwaamheidsbewijs

Bij het vaststellen van de nodige dienstanciënniteit per ambt speelt de indeling van het bekwaamheidsbewijs geen rol. Dit betekent dat ook diensten mogen meegenomen worden die een tijdelijk personeelslid heeft verworven in een ambt waarvoor het op dat ogenblik een “ander” bekwaamheidsbewijs had.

Het personeelslid kan het recht op TADD echter alleen maar laten gelden voor het ambt waarvoor hij over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikt en dit uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden. Het recht op TADD kan bijgevolg niet gelden voor een ambt, waarvoor het personeelslid slechts over een "ander" bekwaamheidsbewijs beschikt of waarvoor het personeelslid nog in de loop van het schooljaar een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs verwerft.

3.2.1.1.2. Berekeningswijze

Het personeelslid moet gespreid over een periode van ten minste twee schooljaren minstens 580 dagen dienstanciënniteit hebben verworven, waarvan er 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

580 dagen dienstanciënniteit

De 580 dagen dienstanciënniteit worden berekend volgens artikel 4 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 6 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De dienstanciënniteit omvat alle kalenderdagen met inbegrip van zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen, schoolvakanties en verloven die gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit, die binnen de periode van aanstelling van het tijdelijke personeelslid vallen.

Het aantal dagen mag hier echter niet worden vermenigvuldigd met 1,2.

Diensten met onvolledige prestaties worden op dezelfde manier in aanmerking genomen als diensten met volledige prestaties, op voorwaarde dat de prestaties ten minste de helft bedragen van het aantal uren vereist voor een betrekking met volledige prestaties.

Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die minder dan de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor een betrekking met volledige prestaties, wordt gedeeld door twee.

De diensten moeten gepresteerd zijn in hoofdambt.

400 dagen effectief gepresteerd

Deze berekening verloopt op dezelfde wijze als de berekening van de 580 dagen dienstanciënniteit, met dit verschil dat hier enkel de periodes in aanmerking worden genomen waarin het personeelslid effectieve prestaties heeft verricht.

Onder effectieve prestaties wordt verstaan: alle kalenderdagen met inbegrip van zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties die binnen de periode van aanstelling vallen.

Ziekteverlof, omstandigheidsverlof, enz. ... komen bijgevolg niet in aanmerking voor de berekening van de effectieve prestaties.

Om het recht op TADD te bepalen, worden de volgende periodes wel meegerekend voor de vaststelling van de 400 dagen effectieve prestaties en dit tot een maximum van 140 dagen:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn tot 31 augustus kunnen maximaal 360 dagen dienstanciënniteit per schooljaar verwerven.

Opmerking

  • In het gemeenschapsonderwijs komen alleen de diensten gepresteerd na 1 september 1988 in aanmerking;
  • In het gesubsidieerd onderwijs komen alleen de diensten gepresteerd na 1 september 1985 in aanmerking.

3.2.1.1.3. Berekeningsdatum

De dienstanciënniteit wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid het recht laat gelden.

Dit betekent dat om op 1 september het recht op een TADD te kunnen inroepen, het personeelslid de vereiste 580 en 400 dagen ten laatste moet verworven hebben op 30 juni van het voorgaande schooljaar.

3.2.1.1.4. Waar moet de dienstanciënniteit gepresteerd zijn?

Niet alle gepresteerde diensten tellen mee om het recht op TADD te verwerven. Het is belangrijk om na te gaan in welke centra en bij welk centrumbestuur de diensten gepresteerd werden.

Voor het recht op TADD in een CLB komen alleen de prestaties in aanmerking die het personeelslid heeft gepresteerd in centra van dezelfde scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of in centra van hetzelfde centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs).

3.2.1.2. De beoordeling

Om het recht op TADD te verwerven, zal een tijdelijk personeelslid naast de vereiste dienstanciënniteit (zie punt 3.2.1.1) in principe uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij die dienstanciënniteit verwerft een beoordeling moeten krijgen van zijn eerste evaluator (zie punt 3.1.2.2.3).

De beoordeling vormt het signaal dat het personeelslid zich kandidaat kan stellen om het recht op TADD te verwerven, tenzij het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD.

Als het tijdelijke personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de vereiste dienstanciënniteit voor het recht op TADD verwerft geen beoordeling heeft gekregen, dan is het alsof de beoordeling daadwerkelijk is toegekend. Dit houdt dan in dat het personeelslid het recht op TADD verwerft vanaf het daaropvolgend schooljaar (als hij zich ook tijdig kandidaat heeft gesteld).

Als het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD, moet het personeelslid bij een nieuwe aanstelling in een betrekking in het betrokken ambt, in dat ambt nog bijkomend 200 dagen effectieve prestaties verrichten om zich kandidaat te kunnen stellen om het recht op TADD te verwerven.

Deze 200 dagen worden volgens dezelfde principes berekend als de 400 dagen effectieve prestaties die in aanmerking komen voor het recht op TADD (zie punt 3.2.1.1.2). Daarbij gelden volgende periodes als effectieve prestaties en dit tot een maximum van 70 dagen:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid deze 200 extra dagen effectief heeft gepresteerd, heeft hij het volgende schooljaar recht op TADD bij kandidaatstelling op de daartoe voorziene datum (zie punt 3.2.1.3).

3.2.1.3. Kandidaatstelling en ingangsdatum

Om beroep te doen op zijn recht op TADD moet het personeelslid vóór 15 juni van het schooljaar waarin hij aan de gestelde voorwaarden voldoet, kandideren via een aangetekende brief.

Een personeelslid van het gemeenschapsonderwijs kandideert bij de raad van bestuur van de scholengroep waar hij zijn recht op TADD wil laten gelden.

Een personeelslid van het gesubsidieerd onderwijs kandideert bij het centrumbestuur waar hij zijn recht op TADD wil laten gelden.

Deze kandidaatstelling geldt niet als een permanente kandidaatstelling en een tijdelijk personeelslid moet deze kandidaatstelling elk jaar herhalen zolang hij niet voor doorlopende duur wordt aangesteld.

Vanaf het ogenblik dat een personeelslid een eerste keer effectief is aangesteld voor doorlopende duur geldt dit als een doorlopende kandidaatstelling over de schooljaren heen bij de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) voor het ambt waarin hij effectief werd aangesteld.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september volgend op de kandidaatstelling.

Om vanaf 1 september het recht op TADD te laten gelden, moet het personeelslid voor het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld:

  • op 30 juni van het voorafgaande schooljaar aan de voorwaarden betreffende dienstanciënniteit en beoordeling voldoen (zie punt 3.2.1.1)
  • en uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden, beschikken over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt.

Het personeelslid met een recht op TADD dat de betrekking niet effectief kan opnemen omwille van ziekte, arbeidsongeval of moederschapsrust, behoudt dit recht. Het personeelslid kan worden aangesteld en voor de duur van de afwezigheid volgens de geldende regels vervangen worden. Na de afwezigheid neemt het personeelslid de hem toegewezen betrekking effectief op.

3.2.1.4. Voorbeelden berekening dienstanciënniteit

Voorbeeld 1

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij centrumbestuur A in een CLB en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 - 31/8: 29/36 psycho-pedagogisch werker (VE) = 360 dagen

Schooljaar 2: 1/9 - 30/6: 29/36 psycho-pedagogisch werker (VE) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van psycho-pedagogisch werker een dienstanciënniteit van 663 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 28 mei van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van psycho-pedagogisch werker in de CLB van centrumbestuur A.

Voorbeeld 2

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij centrumbestuur B in een CLB en oefent volgende opdrachten:

Schooljaar 1: 1/9 – 31/8: 32/36 maatschappelijk werker (VE) = 360 dagen

Schooljaar 2: 1/9 - 30/6: 18/36 maatschappelijk werker (VE) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van maatschappelijk werker een dienstanciënniteit van 663 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

De halftijdse opdracht in schooljaar 2 telt mee voor de volledige duur.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van maatschappelijk werker in de CLB van centrumbestuur B.

Voorbeeld 3

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij centrumbestuur C in een CLB en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 31/8: 10/36 consulent (VE) = 360 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 8/36 consulent (VE) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van consulent een dienstanciënniteit van 332 dagen ( = 663/2) . Een opdracht die niet tenminste halftijdse prestaties omvat, komt immers maar voor de helft in aanmerking.

Het personeelslid voldoet niet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor het ambt van consulent, vermits hij minder dan 580 dagen dienstanciënniteit heeft verworven.

Voorbeeld 4

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij centrumbestuur D in een CLB en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 31/8: 20/36 administratief medewerker (VE) = 360 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 20/36 administratief medewerker (VE) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van administratief medewerker een dienstanciënniteit van 663 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van administratief medewerker in de CLB van centrumbestuur D.

3.2.2. Waarvoor en waar geldt het recht op TADD?

Het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt t.a.v. het ambt waarin het personeelslid het recht op TADD heeft verworven en voor elke vacante betrekking en niet-vacante betrekking in dat ambt.

Zowel tijdelijke personeelsleden als deeltijds vastbenoemde personeelsleden kunnen het recht op TADD laten gelden op elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat.

Dit geldt niet als het personeelslid al als titularis is aangesteld voor een voltijdse betrekking in het ambt waarvoor hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven.

Opgelet
Het recht op TADD geldt niet voor een tijdelijke aanstelling in volgende situaties:

- Uitbreiding van TADD bij langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen

Een personeelslid dat de goedkeuring heeft gekregen om een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen op te nemen, kan geen uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling krijgen vergeleken met de toestand aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen. Dit principe geldt eveneens voor een personeelslid dat met langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen is en het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur (TADD) heeft of tijdens zijn langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen het recht op TADD vergaart. Dit personeelslid kan dit recht op TADD slechts inroepen voor een tijdelijke aanstelling die beperkt is tot het volume van zijn tijdelijke aanstelling aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.
Meer informatie over dit verlof vindt u in de omzendbrief PERS/2007/07 van 21-09-2007- Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

- Tijdelijke aanstelling via verlof TAO

Een vastbenoemd personeelslid kan niet voor doorlopende duur worden aangesteld in de opdracht die hij via het verlof TAO (tijdelijk andere opdracht) in een wervingsambt uitoefent. Het personeelslid verwerft wel dienstanciënniteit in het ambt dat hij op deze wijze tijdelijk uitoefent. Het vastbenoemde personeelslid kan de dienstanciënniteit die hij via het verlof TAO heeft opgebouwd ook aanwenden om in het desbetreffende ambt het recht op TADD in te roepen. Het vastbenoemde personeelslid kan het recht op TADD enkel effectief uitoefenen als hij op het ogenblik dat hem een betrekking wordt aangeboden, bij zijn centrumbestuur een afwezigheid voor verminderde prestaties (AVP) vraagt en krijgt. Op deze wijze oefent het personeelslid zijn recht op TADD uit als een ‘zuiver’ tijdelijk personeelslid.
Men mag in deze niet uit het oog verliezen dat het nemen van een AVP geen recht is. Het is dus mogelijk dat het personeelslid zijn recht op TADD niet kan uitoefenen als zijn centrumbestuur de AVP niet toestaat.

Het recht geldt in alle centra van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) waar het personeelslid zijn dienstanciënniteit heeft verworven.

3.2.3. Overgangsmaatregelen TADD

Voor tijdelijke personeelsleden die aan bepaalde voorwaarden voldoen, gelden de nieuwe voorwaarden voor TADD niet. Zij kunnen beroep doen op een specifieke overgangsmaatregel.

Het gaat om volgende groepen:

  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 720 dagen dienstanciënniteit verworven gespreid over minstens 3 schooljaren (categorie 1 – punt 3.2.3.1);
  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens twee schooljaren minstens 580 dagen en maximum 719 dagen dienstanciënniteit verworven (categorie 2 – punt 3.2.3.2);
  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2020 minstens 720 dagen dienstanciënniteit verworven gespreid over minstens 3 schooljaren (categorie 3 – punt 3.2.3.3).

Opgelet !

Voor een personeelslid geldt in principe slechts één overgangsmaatregel.
Bij de kandidaatstelling voor het recht op TADD zal duidelijk zijn welke overgangsmaatregel van toepassing is voor het personeelslid.

3.2.3.1. Categorie 1: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 720 dagen dienstanciënniteit gespreid over minstens drie schooljaren

3.2.3.1.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens drie schooljaren in het ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer centra van dezelfde scholengroep, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 3.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2019 kandidaat heeft gesteld bij de raad van bestuur van de scholengroep, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt vanaf 1 september 2019 het recht op TADD in de centra van de scholengroep.

Heeft een tijdelijk personeelslid dat aan deze voorwaarden voldoet zich echter voor 15 juni 2019 niet kandidaat gesteld of heeft het personeelslid tijdens het schooljaar 2019-2020 geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gekregen, dan kan dit personeelslid zich voor 15 juni 2020 of later nog steeds kandidaat stellen onder de voorwaarden van deze overgangsmaatregel om zo op of na 1 september 2020 het recht op TADD te behouden of te verwerven.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 3.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

3.2.3.1.2. In het gesubsidieerd onderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens drie schooljaren in het ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer centra van hetzelfde centrumbestuur, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 3.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2019 kandidaat heeft gesteld bij het centrumbestuur, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2019 in de centra van het centrumbestuur.

Heeft een tijdelijk personeelslid dat aan deze voorwaarden voldoet zich echter voor 15 juni 2019 niet kandidaat gesteld of heeft het personeelslid tijdens het schooljaar 2019-2020 geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gekregen, dan kan dit personeelslid zich voor 15 juni 2020 of later nog steeds kandidaat stellen onder de voorwaarden van deze overgangsmaatregel om zo op of na 1 september 2020 het recht op TADD te behouden of te verwerven.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 3.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

3.2.3.2. Categorie 2: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 580 dagen en maximum 719 dagen gespreid over minstens twee schooljaren

3.2.3.2.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor een tijdelijk personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 tijdelijk aangesteld wordt in het betrokken ambt in een of meer centra van dezelfde scholengroep;
  • uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt in een of meer centra van dezelfde scholengroep gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven heeft van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn;
  • voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld (ten vroegste 30 juni 2020) geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 3.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 400 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 140 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt vanaf 1 september 2020 het recht op TADD in alle centra van de scholengroep.

Deze overgangsmaatregel blijft ook van kracht voor elk personeelslid dat in de toekomst opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet.

3.2.3.2.2. In het gesubsidieerd onderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor een tijdelijk personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 tijdelijk aangesteld wordt in het betrokken ambt in een of meer centra van hetzelfde centrumbestuur;
  • uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt in een of meer centra van hetzelfde centrumbestuur gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven heeft van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn;
  • voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld (ten vroegste 30 juni 2020) geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 3.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 400 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 140 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020 in alle centra van het centrumbestuur.

Deze overgangsmaatregel blijft ook van kracht voor elk personeelslid dat in de toekomst opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet.

3.2.3.3. Categorie 3: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2020 minstens 720 dagen dienstanciënniteit gespreid over minstens drie schooljaren

3.2.3.3.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt in een of meer centra van dezelfde scholengroep aangesteld is;
  • uiterlijk op 30 juni 2020 gespreid over minstens drie schooljaren in een of meer centra van dezelfde scholengroep in het betrokken ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 3.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat heeft gesteld bij de raad van bestuur van de scholengroep, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt vanaf 1 september 2020 het recht op TADD in alle centra van de scholengroep.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 3.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

Deze overgangsmaatregel blijft ook na 1 september 2020 van toepassing zodat het tijdelijke personeelslid dat op 30 juni 2020 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet, zich in de loop van de volgende schooljaren op deze maatregel kan beroepen.

3.2.3.3.2. In het gesubsidieerd onderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt in een of meer centra van hetzelfde centrumbestuur aangesteld is;
  • uiterlijk op 30 juni 2020 gespreid over minstens drie schooljaren in een of meer centra van hetzelfde centrumbestuur in het betrokken ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 3.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt vanaf 1 september 2020 het recht op TADD in de centra van het centrumbestuur.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 3.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

Deze overgangsmaatregel blijft ook na 1 september 2020 van toepassing zodat het tijdelijke personeelslid dat op 30 juni 2020 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet, zich in de loop van de volgende schooljaren op deze maatregel kan beroepen.

3.2.4. Verlies van het recht op TADD

Bepaalde omstandigheden in de loop van de loopbaan kunnen ertoe leiden dat een tijdelijk personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur verliest. Dit verlies kan tijdelijk zijn, maar kan ook definitief zijn.

Bij tijdelijk verlies van het recht op TADD verliest het personeelslid het recht op TADD voor de duur van een schooljaar of kan hij voor een bepaalde periode het recht op een uitbreiding van zijn TADD verliezen.

Bij definitief verlies van het recht op TADD moet het personeelslid het recht op TADD opnieuw opbouwen en dus opnieuw de vereiste dienstanciënniteit verwerven.

In volgende situaties verliest een personeelslid het recht op TADD dat hij in een ambt heeft verworven.

1. Het personeelslid heeft vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten gepresteerd in de centra van hetzelfde centrumbestuur

Het personeelslid dat zijn recht op TADD heeft verworven in een centrum van een centrumbestuur verliest dat recht op TADD als hij gedurende vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de centra van het centrumbestuur.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid heeft in een centrum van een centrumbestuur het recht op TADD opgebouwd, maar neemt op 1 september daaropvolgend geen TADD-aanstelling op in het centrum.

Gedurende de schooljaren X+1 tot en met het schooljaar X+5 levert het personeelslid geen enkele prestatie in een of meer centra van het centrumbestuur. Het personeelslid stelt zich in juni van het schooljaar x+5 kandidaat voor een tijdelijke aanstelling in een centrum van het centrumbestuur. Het personeelslid kan op of na 1 september van het schooljaar X+5 echter alleen als TABD worden aangesteld. Het personeelslid heeft immers geen recht meer op TADD omdat het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de centra van het centrumbestuur.

Voor een tijdelijk personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven en dat op het ogenblik van de aanvang van de afwezigheid reeds een TADD-aanstelling heeft, geldt deze bepaling niet. Dit betekent dat het personeelslid ook na een afwezigheid van vijf opeenvolgende schooljaren zijn TADD-aanstelling behoudt en deze weer kan opnemen, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was ondertussen volgens de geldende regelgeving aan een ander personeelslid moest worden toegewezen.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid heeft in een centrumbestuur het recht op TADD opgebouwd en krijgt op 1 september een TADD-aanstelling in een betrekking in een centrum van het centrumbestuur.

Het volgende schooljaar (X+1) behoudt het personeelslid in de betrekking zijn TADD-aanstelling, maar hij vraagt en krijgt op 1 september X+1 een AVP. Deze AVP wordt ook gedurende de schooljaren X+2 tot en met X+5 aangevraagd en toegekend. Tijdens deze periode van AVP oefent het personeelslid in centra van het centrumbestuur geen enkele prestatie uit, maar hij behoudt wel de TADD-aanstelling in het centrum waar hij AVP neemt.

Op 31 augustus van schooljaar X+5 eindigt de AVP en op 1 september daaropvolgend neemt het personeelslid zijn betrekking in het centrum weer op.

Het personeelslid neemt op 1 september van schooljaar X+6 zijn betrekking weer op als TADD’er. Het personeelslid heeft weliswaar 5 opeenvolgende schooljaren geen prestaties verricht in het centrumbestuur, maar doordat hij effectief een TADD-aanstelling had op het ogenblik dat zijn afwezigheid startte, verliest hij na de afwezigheid van 5 opeenvolgende schooljaren zijn TADD-aanstelling niet. De TADD-aanstelling is immers gedurende de afwezigheid verder blijven lopen omdat het personeelslid aangesteld bleef in de betrekking in kwestie.

Het verlies van TADD houdt in dat het personeelslid niet onmiddellijk het recht op TADD kan inroepen bij een nieuwe tijdelijke aanstelling. Dit houdt echter niet in dat het personeelslid zijn eerder verworven dienstanciënniteit niet meer kan aanwenden om het recht op TADD opnieuw te verwerven.

Het personeelslid kan zich na deze periode van 5 schooljaren voor 15 juni weer kandidaat stellen voor het recht op TADD het daaropvolgende schooljaar op basis van de eerder verworven dienstanciënniteit.

2. Het tijdelijke personeelslid stelt zich niet tijdig kandidaat

Een tijdelijk personeelslid dat niet voor 15 juni kandideert voor het recht op TADD in een ambt, kan het daaropvolgende schooljaar geen recht op TADD inroepen voor dat ambt.

Het tijdelijke personeelslid verliest op deze wijze het recht op TADD voor dat ambt voor de duur van een schooljaar. Dit geldt enkel als het personeelslid nog geen TADD-aanstelling heeft gekregen voor het ambt in kwestie, vermits een TADD-aanstelling geldt als een permanente kandidaatstelling (zie punt 3.2.1.3).

3. Het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, krijgt een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende

Een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld en in een centrum voor een welbepaald ambt een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” krijgt, kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in dat centrum en voor het ambt in kwestie.

Meer informatie over evaluatie vindt u in de omzendbrief PERS/2007/09 van 29-10-2007 - Functiebeschrijving en evaluatie.

4. Het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, wordt door zijn centrumbestuur ontslagen

Een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld en dat door zijn centrumbestuur wordt ontslagen als gevolg van een tuchtmaatregel of na twee of drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”, verliest zijn recht op TADD.

Meer informatie hierover vindt u in punt 3.2.6.2.

3.2.5. Administratieve en geldelijke toestand

3.2.5.1. Administratieve toestand

Net als bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur moet het centrumbestuur ook de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van een personeelslid schriftelijk vastleggen.

Meer informatie hierover vindt u in punt 3.1.3.1.

3.2.5.2. Geldelijke toestand

Net als bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgt een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, zowel in een vacante als in een niet-vacante betrekking, voor de duur van zijn aanstelling maandelijks een salaris.

Meer informatie hierover vindt u in punt 3.1.3.2.

3.2.5.3. Ziekteverlof

Het tijdelijke personeelslid dat is aangesteld voor doorlopende duur heeft tijdens een afwezigheid wegens ziekte binnen de periode van zijn aanstelling onder bepaalde voorwaarden recht op bezoldigd ziekteverlof.

Deze voorwaarden en de berekeningswijze van het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vindt u terug in de omzendbrief - Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding – PERS/2007/07 van 21-09-2007 (punt 2.2).

De tijdelijke aanstelling voor doorlopend duur loopt in principe over de schooljaren heen. Voor een tijdelijk personeelslid met recht op TADD is er in principe dan ook geen nieuwe aanstelling nodig op 1 september van het daaropvolgend schooljaar. In dat geval wordt het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur aangesteld blijft ook beschouwd als zijnde effectief in dienst op deze datum. Dit betekent dat een tijdelijk personeelslid dat op 1 september voor doorlopende duur aangesteld blijft en op 1 september ziek wordt effectief door AGODI wordt bezoldigd, tenzij zijn recht op bezoldigd ziekteverlof is uitgeput. Bij uitputting van het recht op bezoldigd ziekteverlof zal het ziekenfonds instaan voor de bezoldiging.

Voorbeeld

Een personeelslid wordt tijdens het schooljaar 20XX-20YY aangesteld in een definitief vacante betrekking (ato 2) als tijdelijk aangesteld personeelslid van doorlopende duur. Het personeelslid wordt ziek op 1 september 20YY (volgend schooljaar). Dit ziekteverlof wordt bezoldigd op voorwaarde dat er nog genoeg recht op bezoldigd ziekteverlof aanwezig is.

Het personeelslid wordt immers geacht te voldoen aan de voorwaarde om zijn dienst effectief te hebben opgenomen.

Als het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op het einde van het schooljaar door het centrumbestuur, schriftelijk en gemotiveerd, uit dienst werd gemeld en het personeelslid komt het volgende schooljaar op 1 september opnieuw in dienst bij hetzelfde centrumbestuur dan gelden ook hier voormelde regels.

Als het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op het einde van het schooljaar door het centrumbestuur, schriftelijk en gemotiveerd, uit dienst werd gemeld en het personeelslid komt het volgende schooljaar niet opnieuw in dienst op 1 september, dan gelden de regels voor een gewone tijdelijke aanstelling. Wordt het tijdelijke personeelslid pas in de loop van het schooljaar voor doorlopende duur aangesteld en is hij onmiddellijk afwezig wegens ziekte, dan wordt hij niet door de overheid bezoldigd, maar valt hij onmiddellijk ten laste van het ziekenfonds.

Voorbeeld

Een personeelslid was tijdens het schooljaar 20XX-20YY aangesteld in een niet-vacante betrekking (ato 1) als TADD. Het personeelslid wordt op 30-06-20YY uit dienst gemeld. Op 1 november 20YY wordt het personeelslid opnieuw aangesteld voor doorlopende duur in een vacante betrekking (ato 2). Het personeelslid wordt echter onmiddellijk ziek. Dit ziekteverlof wordt niet bezoldigd.

3.2.6. Einde van de tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur

De aanstelling van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur kan worden beëindigd door een ontslag dat uitgaat van het centrumbestuur of via een vrijwillig ontslag van het personeelslid zelf.

Daarnaast zijn er een aantal situaties – die vastgelegd zijn in de decreten rechtspositie – die automatisch een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. We spreken in dat geval niet over een ontslag, maar over een beëindiging van de tijdelijke aanstelling van rechtswege.

3.2.6.1. Einde van de tijdelijke aanstelling van rechtswege

De decreten rechtspositie bepalen dat er onder bepaalde omstandigheden van rechtswege een einde komt aan de tijdelijke aanstelling van een personeelslid.

Dit houdt in dat er onmiddellijk een einde aan de aanstelling komt en er geen opzegtermijn is voor het personeelslid.

Aandacht
Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur eindigt niet van rechtswege op het einde van het schooljaar, maar loopt in principe door over de schooljaren heen.

Een tijdelijk personeelslid dat op het einde van het schooljaar voor doorlopende duur is aangesteld in een betrekking die op 1 september ongewijzigd behouden blijft, kan op 1 september niet worden verdrongen door een ander tijdelijk personeelslid, ook niet als dit tijdelijke personeelslid het recht op TADD heeft. Door het feit dat er een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is die over de schooljaren heen loopt, ontstaat op 1 september immers geen vacature die aan een ander tijdelijk personeelslid kan worden aangeboden.

Volgende redenen leiden onmiddellijk tot een einde van de tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur.

1. De terugkeer van de titularis van de betrekking

Als de titularis van de betrekking terugkeert uit zijn afwezigheid komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid dat in die betrekking als vervanger is aangesteld.

2. De betrekking wordt aan een ander personeelslid toegewezen

- omwille van de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling

Als het centrumbestuur in het kader van de verplichtingen betreffende reaffectatie of wedertewerkstelling de betrekking moet toekennen aan een vastbenoemd personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

- door toewijzing van een affectatie, een mutatie of een vaste benoeming van een ander personeelslid

Als het centrumbestuur een vastbenoemd personeelslid in de betrekking muteert

of affecteert, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Als het centrumbestuur op 1 januari een ander personeelslid in de betrekking vast benoemt, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

3. Het tijdelijke personeelslid wordt zelf vast benoemd

Als het centrumbestuur het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op 1 januari een vaste benoeming toekent, eindigt zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor het volume waarvoor hij vast benoemd wordt.

4. De betrekking kan niet langer gefinancierd of gesubsidieerd worden

Als de betrekking niet meer financierbaar of subsidieerbaar is, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

5. Het personeelslid voldoet niet (meer) aan de aanstellingsvoorwaarden

Als na de aanstelling van het tijdelijke personeelslid blijkt dat hij niet (meer) voldoet aan een of meer van de aanstellingsvoorwaarden, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Voorbeeld

Het personeelslid wordt strafrechtelijk veroordeeld en deze veroordeling leidt tot het tijdelijke of definitief verlies van zijn burgerlijke en politieke rechten. Dit personeelslid voldoet vanaf dat ogenblik niet meer aan de aanstellingsvoorwaarde die stelt dat hij de burgerlijke en politiek rechten moet genieten.

6. Bij het bereiken van de leeftijdsgrens

Als het tijdelijke personeelslid de leeftijdsgrens bereikt die leidt tot pensionering, komt er op het einde van dat schooljaar een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Op deze regel geldt een uitzondering, zodat een personeelslid ook na het bereiken van de leeftijdsgrens een tijdelijke aanstelling kan behouden.

Meer informatie over deze maatregelen vindt u in de omzendbrief Langer werken dan 65 jaar (PERS/2012/05 van 30-07-2012).

7. Bij de definitieve pensionering van het personeelslid

Op het ogenblik dat het tijdelijke personeelslid met pensioen gaat, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

3.2.6.2. Einde van de tijdelijke aanstelling door ontslag

Voor het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur gelden dezelfde ontslagmogelijkheden als voor vastbenoemde personeelsleden.

Dit betekent dat een centrumbestuur een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld niet kan ontslaan met een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen en ook niet kan ontslaan wegens dringende redenen.

De redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor doorlopende duur zijn:

  • als gevolg van een tuchtmaatregel van zijn centrumbestuur;
  • na twee of drie definitieve evaluaties met eindconclusies “onvoldoende”;
  • wegens vrijwillig ontslag;
  • wegens definitieve ambtsneerlegging.

1. Ontslag of afzetting omwille van een tuchtmaatregel

Een centrumbestuur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur ontslaan of afzetten bij wijze van tuchtmaatregel.

Deze tuchtmaatregel volgt uit een tuchtprocedure die door het centrumbestuur wordt opgestart.

U vindt meer informatie over de tuchtregeling voor het gemeenschapsonderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 60bis en volgende) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 63bis en volgende).

Het ontslag of de afzetting bij tuchtmaatregel gaat niet gepaard met een opzeggingstermijn voor het tijdelijke personeelslid.

Een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en dat door zijn centrumbestuur als gevolg van een tuchtmaatregel wordt ontslagen uit zijn ambt, kan voor dat ambt geen beroep meer doen op de diensten die hij voor dat ontslag heeft verworven.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD in de centra van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs).

Aandacht
Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in een centrum van het centrumbestuur waar hij eerder werd ontslagen of afgezet omwille van een tuchtmaatregel, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen om het recht op TADD te verkrijgen.

2. Ontslag na twee of drie evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”

Een centrumbestuur moet een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur ontslaan als het in een centrum voor een bepaald ambt ofwel twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen, ofwel drie definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in zijn loopbaan. Het ontslag geldt voor het ambt in het centrum waarop de evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" betrekking hebben.

Het centrumbestuur deelt het ontslag aan het personeelslid mee via een aangetekende brief of via een gerechtsdeurwaarderexploot.

Als het centrumbestuur het ontslag via aangetekende brief meedeelt, heeft het ontslag uitwerking op de derde werkdag na verzending van de brief.

Een ontslag dat bij gerechtsdeurwaarderexploot wordt meegedeeld, heeft onmiddellijke uitwerking.

Dit ontslag gaat niet gepaard met een opzeggingstermijn voor het tijdelijke personeelslid.

Een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur en ontslagen wordt na twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” of na of drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” gedurende de ganse loopbaan, verliest het recht op TADD in het centrum en voor het ambt waar het ontslag op slaat.

Het personeelslid kan daarenboven voor het recht op TADD in dat ambt ook geen beroep meer doen op de diensten die hij voor dat ontslag heeft verworven in het centrum waar hij is ontslagen.

De dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in het centrum waar het ontslag op slaat heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Het personeelslid kan in het centrum waar hij werd ontslagen het recht op TADD ook niet inroepen via dienstanciënniteit die hij in andere centra van het centrumbestuur heeft gepresteerd.

Aandacht

1. Het ontslag heeft enkel gevolgen t.a.v. het ambt en het centrum waar het personeelslid wordt ontslagen. Het ontslag heeft dus geen invloed op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in andere centra van het centrumbestuur.
Het personeelslid behoudt na dit ontslag wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere centra van het centrumbestuur en hij kan die aanwenden om in die andere centra het recht op TADD in te roepen, maar niet in het centrum waar hij werd ontslagen.


2. Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in het centrum waar het eerder werd ontslagen na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” in het desbetreffende ambt, kan hij voor dat ambt opnieuw een beroep doen op alle eerder gepresteerde diensten. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde diensten als niet bestaande beschouwd.

Meer informatie over het evaluatiesysteem vindt u in de omzendbrief PERS/2007/09 van 29-10-2007 - Functiebeschrijving en evaluatie.

3. Vrijwillig ontslag door het tijdelijke personeelslid

Het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur kan zelf vrijwillig ontslag nemen.

Bij dit ontslag hoort een opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen.

Het personeelslid meldt dit ontslag schriftelijk aan zijn directeur (gemeenschapsonderwijs) of aan zijn centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) en vermeldt daarin het begin en de duur van de opzeggingstermijn. De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) neemt kennis van dit ontslag door een duplicaat van deze melding te ondertekenen. Het personeelslid kan zijn ontslag ook via aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot meedelen.

De opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen kan in onderling overleg tussen het personeelslid en de directeur (gemeenschapsonderwijs) of het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) ingekort worden. Die instemming blijkt uit een geschrift dat de effectieve datum van de stopzetting van de opdracht vermeldt en dat beide partijen ondertekenen.

Een vrijwillig ontslag heeft geen impact op het recht op TADD dat het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het ambt bij het centrumbestuur. Als het tijdelijke personeelslid later weer in dienst wordt genomen, geldt het recht op TADD mits het personeelslid zich tijdig kandidaat heeft gesteld (zie punt 3.2.1.3).

4. Definitieve ambtsneerlegging

Naast de hiervoor opgesomde mogelijkheden zijn er nog redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid zonder opzeggingstermijn in de vorm van een definitieve ambtsneerlegging.

U vindt die mogelijkheden voor het gemeenschapsonderwijs terug in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 86) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 60).

3.2.7. Behoud van verworven rechten bij overname van een centrum door een ander centrumbestuur

Als het centrum waar het tijdelijke personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, overgenomen wordt door een ander centrumbestuur behoudt het tijdelijke personeelslid de rechten die hij tot dan heeft verworven bij dat centrum.

3.2.7.1. Overname van een centrum in het gemeenschapsonderwijs

Bij de overname van een centrum door een andere scholengroep gaan de tijdelijke personeelsleden die voor doorlopende duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van het centrum dat wordt overgenomen, als tijdelijk personeelslid met behoud van hun aanstelling voor doorlopende duur over naar de scholengroep die het centrum overneemt.

Als de overname een centrum van het gesubsidieerd onderwijs betreft, gaan de tijdelijke personeelsleden enkel over naar het gemeenschapsonderwijs als ze hier zelf om verzoeken.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in het centrum dat wordt overgenomen, worden beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij de scholengroep die het centrum overneemt.

Als een scholengroep een centrum van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gesubsidieerd onderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die het centrum overneemt.

Het tijdelijke personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven in het centrum dat wordt overgenomen, behoudt dit recht op TADD in de scholengroep die het centrum overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het centrumbestuur dat het centrum overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep die het centrum overneemt.

3.2.7.2. Overname van een centrum in het gesubsidieerd onderwijs

Bij de overname van een centrum door een ander centrumbestuur gaan de tijdelijke personeelsleden die voor doorlopende duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve werkdag van het centrum dat wordt overgenomen, als tijdelijk personeelslid met behoud van hun aanstelling van doorlopende duur over naar het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Als het centrum dat overgenomen wordt tot een ander net behoort dan datgene waartoe het na de overname zal behoren, kan een tijdelijk personeelslid weigeren om over te stappen naar het andere centrumbestuur.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in het centrum dat wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Als een centrumbestuur een centrum van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Het tijdelijke personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven in het centrum dat wordt overgenomen, behoudt dit recht op TADD bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het centrumbestuur dat het centrum overlaat, geldt bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

3.2.8. Mededeling van een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur aan het werkstation

Bij de melding van de opdracht van het tijdelijke personeelslid met een RL-1 aan het werkstation duidt u aan dat het om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gaat.

Als het om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking gaat, krijgt de opdracht oneindig (31.12.2999) als einddatum.

Als het een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een niet-vacante betrekking betreft, eindigt de opdracht uiterlijk de laatste dag van de dienstonderbreking van de titularis.

Voorbeelden

TADD in een vacante betrekking

Een paramedisch werker krijgt vanaf 1 september een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking voor 36 u.

RL-1 paramedisch werker Ato 2 voor 36 u met als begindatum van de opdracht 1-9-20XX en als einddatum oneindig (31-12-2999). De tijdelijke opdracht wordt aangeduid als TADD-opdracht (waarde 01 in veld 30).

TADD in een niet-vacante betrekking

Een voltijds vastbenoemde psycho-pedagogisch consulent neemt een voltijdse VVP van 1-9-20XX tot en met 31-8-20YY.

In de niet-vacante betrekking van de vastbenoemde titularis wordt als vervanger een tijdelijk personeelslid aangesteld dat recht heeft op TADD.

De vervanger wordt als volgt doorgegeven:

RL-1 psycho-pedagogisch consulent Ato 1 voor 36 u met als begindatum van de opdracht 1-9-20XX en als einddatum 31-8-20YY ter vervanging van het personeelslid met VVP. De tijdelijke opdracht wordt aangeduid als TADD-opdracht (waarde 01 in veld 30).

4. TIJDELIJKE AANSTELLING IN HET DEELTIJDS KUNSTONDERWIJS

Deze omzendbrief is van toepassing op tijdelijke personeelsleden die in het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs worden aangesteld in een wervingsambt in een academie voor deeltijds kunstonderwijs.

Het gaat om een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt van:

  • het bestuurs- en onderwijzend personeel;
  • het opvoedend hulppersoneel;
  • het ondersteunend personeel.

In het gemeenschapsonderwijs is het instellingshoofd bevoegd voor de tijdelijke aanstelling. In deze omzendbrief gebruiken we steeds de term directeur om het instellingshoofd aan te duiden.

4.1. TIJDELIJKE AANSTELLING VAN BEPAALDE DUUR (TABD)

4.1.1. De aanstelling van een tijdelijk personeelslid

U kan een tijdelijk personeelslid slechts aanstellen voor bepaalde duur als hij voldoet aan een aantal specifieke voorwaarden, die zijn vastgelegd in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 17) of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 19).

4.1.1.1. De aanstellingsvoorwaarden

U kan een tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur aanstellen in een betrekking als hij voldoet aan de volgende aanstellingsvoorwaarden:

1. Belg zijn of onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie

Behoort het personeelslid niet tot een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, dan kan een vrijstelling worden gevraagd die wordt verleend door de Vlaamse Regering. Het personeelslid moet dan ook in het bezit zijn van een arbeidskaart.

2. De burgerlijke en politieke rechten genieten of in het bezit zijn van een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1

3. In het bezit zijn van een geldig vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarin het personeelslid wordt aangesteld

Bij gebrek aan kandidaten met een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, kan u een kandidaat aanstellen met een "ander" bekwaamheidsbewijs. Dergelijke aanstelling is steeds beperkt tot het lopende schooljaar, maar kan jaarlijks verlengd worden als u nog steeds geen andere kandidaat vindt.

De bekwaamheidsbewijzen per ambt vindt u terug op:

4. Medisch geschikt zijn

De gezondheidstoestand van het personeelslid mag geen gevaar vormen voor de gezondheid van de leerlingen. Dit wordt geattesteerd door de huisarts.

5. Van onberispelijk gedrag zijn

Dit blijkt uit een uittreksel uit het strafregister (596.2 – model bestemd voor contacten met minderjarigen) dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgeleverd.

6. Voldoen aan de taalvereisten voor het ambt

Het personeelslid moet een specifiek kennisniveau van het Nederlands als onderwijstaal aantonen.

Als u moeilijkheden ondervindt om een personeelslid aan te werven dat niet onmiddellijk beantwoordt aan de vereiste kennis van het Nederlands als onderwijstaal, kan u voor dit personeelslid een tijdelijke afwijking aanvragen op de vereiste taalkennis.

Meer informatie vindt u terug in de omzendbrief Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs (PERS/2010/01 van 19-01-2010).

7. De reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking is nageleefd

U kan een tijdelijk personeelslid slechts aanstellen als de bepalingen betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling correct zijn nageleefd.

Meer informatie over deze reglementering vindt u in de omzendbrief De reaffectatie- en wedertewerkstellingsregeling voor de inrichtende machten en de personeelsleden tewerkgesteld in het niet-tertiair onderwijs (Pers/2003/08 van 28-07-2003).

8. Kandidaatstelling in het gemeenschapsonderwijs

In het gemeenschapsonderwijs moet een personeelslid zich elk schooljaar voor 15 juni kandidaat stellen voor een tijdelijke aanstelling bij de scholengroep.

Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur van deze voorwaarde afwijken.

4.1.2. Recht op en plicht tot aanvangsbegeleiding

Vanaf 1 september 2019 geldt bij de aanstelling van een tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur in een wervingsambt het recht op en de plicht tot aanvangsbegeleiding.

4.1.2.1. Wie heeft recht op aanvangsbegeleiding?

Een loopbaan in het onderwijs begint steeds met een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Tijdens deze loopbaanfase krijgt elk tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur in een wervingsambt wordt aangesteld ondersteuning en begeleiding in de vorm van een traject van aanvangsbegeleiding.

Deze aanvangsbegeleiding vormt een recht en een plicht voor zowel het tijdelijke personeelslid als voor het schoolbestuur.

Bij een tijdelijke aanstelling via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen (verlof TAO) of via een reaffectatie of wedertewerkstelling – wat steeds een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur inhoudt – is het schoolbestuur niet verplicht om aanvangsbegeleiding aan te bieden. Het gaat hier immers om een tijdelijke aanstelling van een vastbenoemd personeelslid en daarbij mag uitgegaan worden van het feit dat dit personeelslid al de nodige ervaring en competenties heeft verworven in zijn ambt. Niets weerhoudt echter het schoolbestuur om ook bij dergelijke aanstelling een specifiek traject van aanvangsbegeleiding uit te werken voor het personeelslid, maar dit vormt alleszins geen recht noch een plicht voor de betrokken partijen.

4.1.2.2. Inhoud en organisatie van de aanvangsbegeleiding

4.1.2.2.1. Algemeen

De inhoud of vorm van aanvangsbegeleiding die aan een tijdelijk personeelslid moet worden aangereikt en de wijze waarop die aanvangsbegeleiding feitelijk in en door de academie en het schoolbestuur wordt georganiseerd en uitgebouwd, behoort tot de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het schoolbestuur.

Afspraken hierrond worden onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité en die afspraken krijgen op niveau van de academie een vertaling in het professionaliseringsplan (het vroegere nascholingsplan).

4.1.2.2.2. Individuele aanvangsbegeleiding per personeelslid

Een tijdelijk personeelslid dat in een wervingsambt voor bepaalde duur wordt aangesteld, krijgt een eigen traject van aanvangsbegeleiding.

De eerste evaluator bepaalt in overleg met het tijdelijke personeelslid de duur en de intensiteit van het traject van de individuele aanvangsbegeleiding. De eerste evaluator is het personeelslid dat in de academie is aangeduid als eerste evaluator in het kader van de evaluatieprocedure (zie punt 2.1.2 van de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007).

De eerste evaluator zal het tijdelijke personeelslid ook beoordelen met het oog op de volgende fase in zijn loopbaan, de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

De coaching en begeleiding van het personeelslid tijdens het traject kunnen worden verzorgd door een of meer personeelsleden die in de academie of door het samenwerkingsverband “aanvangsbegeleiding” met deze opdracht worden belast, onder meer via de middelen voor de organisatie van aanvangsbegeleiding die worden toegekend aan het schoolbestuur (zie punt 4.1.2.2.4).

Als het tijdelijke personeelslid een functiebeschrijving krijgt onder de voorwaarden omschreven in de decreten rechtspositie (zie ook de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007), worden de afspraken over de aanvangsbegeleiding in zijn functiebeschrijving opgenomen. Heeft het tijdelijke personeelslid geen functiebeschrijving dan worden de afspraken over de aanvangsbegeleiding vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen het personeelslid en de eerste evaluator.

Als er in de loop van het traject van aanvangsbegeleiding nieuwe afspraken worden gemaakt, dan wordt de schriftelijke overeenkomst of desgevallend de functiebeschrijving aangepast. Deze aanpassing gebeurt steeds in onderling overleg tussen het betrokken personeelslid en de eerste evaluator.

4.1.2.2.3. De beoordeling

Het sluitstuk van het traject van opvolging en coaching tijdens de beginperiode van de loopbaan - de aanvangsbegeleiding - mondt uit in een beoordeling van het tijdelijke personeelslid.

De eerste evaluator van het personeelslid stelt deze beoordeling op.

De beoordeling vormt het signaal dat het personeelslid zich kandidaat kan stellen voor het recht op TADD, tenzij het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD.

Als het tijdelijke personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de vereiste dienstanciënniteit voor het recht op TADD verwerft (zie punt 4.2.1.1) geen beoordeling heeft gekregen, dan is het alsof de beoordeling daadwerkelijk is toegekend. Dit houdt dan in dat het personeelslid het recht op TADD verwerft vanaf het daaropvolgend schooljaar (als hij zich ook tijdig kandidaat heeft gesteld).

Naast de beoordeling blijft het instrument van evaluatie – net als voor alle personeelsleden - onverminderd van toepassing voor een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur (zie ook de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007).

In het bevoegde lokale comité worden op het niveau van het schoolbestuur afspraken gemaakt over de beoordeling.

Deze afspraken kunnen gaan over de wijze waarop het instrument van beoordeling binnen de academie of academies van het schoolbestuur zal worden gehanteerd (bv. afstemmen van de beoordeling als een tijdelijk personeelslid in meerdere academies presteert, opvolgen van de tijdelijke personeelsleden via uitwisseling van informatie, aanstellen van een personeelslid met een beoordeling met werkpunten, …). Deze afspraken kunnen weliswaar nooit afbreuk doen aan de decretale bepalingen met betrekking tot het verwerven van het recht op TADD.

4.1.2.2.3.1. De beoordeling met werkpunten

De eerste evaluator kan oordelen dat het personeelslid nog werkpunten heeft die maken dat hij nog niet voldoet om het recht op TADD te verwerven.

De eerste evaluator maakt dan een verslag op waarin hij deze beslissing en de werkpunten opneemt, samen met het traject dat het tijdelijke personeelslid tijdens de aanvangsbegeleiding heeft afgelegd.

Als het personeelslid het niet eens is met deze beoordeling met werkpunten kan hij verhaal halen bij het schoolbestuur. Het schoolbestuur gaat na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op TADD rechtvaardigt. Het schoolbestuur kan de beoordeling met werkpunten enkel bevestigen of vernietigen. Als een van de betrokken partijen aan het schoolbestuur vraagt om gehoord te worden, hoort het schoolbestuur zowel het betrokken personeelslid als de eerste evaluator voordat het een beslissing neemt.

Als een tijdelijke personeelslid na de beoordeling met werkpunten in een academie van het schoolbestuur opnieuw een tijdelijke aanstelling krijgt in een betrekking in het betrokken ambt, moet hij in dat ambt nog bijkomend 200 dagen effectieve prestaties extra verrichten om zich kandidaat te kunnen stellen voor het recht op TADD (zie punt 4.2.1.2).

Tijdens deze periode heeft het personeelslid recht op een aangepast traject van aanvangsbegeleiding, waarbij de focus ligt op de werkpunten die tijdens de beoordeling aan bod zijn gekomen en die in het verslag zijn opgenomen. Tenzij het personeelslid op het einde van de periode die vereist is om de bijkomende 200 dagen effectieve prestaties te verrichten een evaluatie krijgt die leidt tot een evaluatie “onvoldoende”, verwerft het personeelslid bij tijdige kandidaatstelling het recht op TADD vanaf het daaropvolgende schooljaar.

4.1.2.2.4. Middelen voor de organisatie van aanvangsbegeleiding

Een schoolbestuur ontvangt jaarlijks bijkomende middelen om in zijn academie(s) een kwaliteitsvolle aanvangsbegeleiding aan te bieden en (verder) te ontwikkelen. Deze middelen worden rechtstreeks toegekend aan de academie samen met de gebruikelijke omkadering.

Een academie kan deze middelen samenleggen met deze van andere academies in een samenwerkingsverband “aanvangsbegeleiding”.

Meer informatie over de toekenning, berekening en aanwending van de middelen, evenals over een samenwerkingsverband “aanvangsbegeleiding” vindt u in de omzendbrief Omkaderingsberekening en personeelsformatie in het deeltijds kunstonderwijs – DKO/2018/04 van 31-05-2018.

4.1.3. Administratieve en geldelijke toestand van het personeelslid

4.1.3.1. Administratieve toestand

Het schoolbestuur moet de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur van een personeelslid schriftelijk vastleggen.

In het gemeenschapsonderwijs gebeurt dit via een schriftelijk document, in het officieel gesubsidieerd onderwijs via een besluit van het bestuur (het college van burgemeester en schepenen of de bestendige deputatie) en in het vrij gesubsidieerd onderwijs via een arbeidsovereenkomst.

Dit document vermeldt tenminste:

  • de benaming en het adres van het schoolbestuur en van de academie waar het personeelslid tewerkgesteld wordt;
  • de identiteit van het personeelslid;
  • het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;
  • of het om een aanstelling in een vacante of een niet-vacante betrekking gaat, in dit laatste geval, de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, van het afwezige personeelslid dat de titularis tijdelijk vervangt;
  • het pedagogisch project en de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.

Het personeelslid ontvangt steeds een exemplaar van dit document.

De academie meldt daarnaast de opdracht van het personeelslid aan het werkstation met het oog op de bezoldiging van het personeelslid (zie punt 4.1.6).

4.1.3.2. Geldelijke toestand

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking heeft recht op een maandelijks salaris dat rechtstreeks uitbetaald wordt door AGODI, op voorwaarde dat het tijdelijke personeelslid aan de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden voldoet.

Deze voorwaarden en welke documenten en gegevens u aan het werkstation moet bezorgen, vindt u in de omzendbrief Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en vorming (PERS/2005/09 van 29-06-2005).

Gaat het om een tijdelijke aanstelling in een niet-vacante betrekking - dus om de vervanging van een afwezige titularis - dan zal het personeelslid een salaris ontvangen als daarenboven ook aan de volgende vervangingsvoorwaarden is voldaan:

  • het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking;
  • het te vervangen personeelslid is afwezig voor ten minste tien opeenvolgende werkdagen. Deze voorwaarde geldt niet als het te vervangen personeelslid omstandigheidsverlof geniet wegens de bevalling van zijn echtgenote of samenwonende partner en de afwezigheid geen aaneensluitende periode van tien werkdagen vormt.

Volgende vervangingen worden evenwel niet bezoldigd:

  • een vervanging van een afwezigheid die start in een periode van 14 kalenderdagen voor of tijdens de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie, wordt geen vervanger bezoldigd. Meer informatie hierover vindt in de omzendbrief Beperking van de vervangingsmogelijkheid voor of tijdens een korte vakantieperiode (PERS/2015/06 van 24-08-2015);
  • een vervanging van een personeelslid dat afwezig is na 31 mei;
  • een vervanging van een personeelslid dat nascholing volgt.

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur is aangesteld in een wervingsambt tot 30 juni, zowel in een vacante als in een niet-vacante betrekking, krijgt voor de duur van zijn aanstelling en dit uiterlijk tot en met de maand juni maandelijks een salaris.

Tijdens de zomervakantie ontvangt elk tijdelijk personeelslid onder bepaalde voorwaarden een uitgestelde bezoldiging die wordt berekend op basis van de prestaties die het personeelslid heeft uitgeoefend tijdens het schooljaar (tussen 1 september en 30 juni).

Deze uitgestelde bezoldiging wordt in juli en augustus van datzelfde schooljaar uitbetaald. Meer informatie vindt u in de omzendbrief Sommige aspecten van de bezoldiging van tijdelijke personeelsleden van het onderwijs – PERS/2004/07 van 10-06-2004.

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur is aangesteld in een wervingsambt van administratief medewerker, krijgt voor de duur van zijn aanstelling maandelijks een salaris, ook in de maanden juli en augustus als het personeelslid effectief in die maanden aangesteld is.

4.1.3.3. Ziekteverlof

Het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur heeft tijdens een afwezigheid wegens ziekte binnen de periode van zijn aanstelling onder bepaalde voorwaarden recht op bezoldigd ziekteverlof.

Deze voorwaarden en de berekeningswijze van het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vindt u terug in de omzendbrief - Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding – PERS/2007/07 van 21-09-2007 (punt 2.2).

4.1.4. Einde van de tijdelijke aanstelling

De aanstelling van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur kan worden beëindigd door een ontslag dat uitgaat van het schoolbestuur of via een vrijwillig ontslag van het personeelslid zelf.

Daarnaast zijn er een aantal situaties – die vastgelegd zijn in de decreten rechtspositie – die automatisch een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. We spreken in dat geval niet over een ontslag, maar over een beëindiging van de tijdelijke aanstelling van rechtswege of om een definitieve ambtsneerlegging.

4.1.4.1. Einde van de tijdelijke aanstelling van rechtswege

De decreten rechtspositie bepalen dat er onder bepaalde omstandigheden van rechtswege een einde komt aan de tijdelijke aanstelling van een personeelslid.

Dit houdt in dat er onmiddellijk een einde aan de aanstelling komt en er geen opzegtermijn is voor het personeelslid.

Volgende redenen leiden van rechtswege onmiddellijk tot een einde van de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur.

1. Het einde van het schooljaar

Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur eindigt uiterlijk op het einde van het schooljaar.

Het personeelslid kan natuurlijk het volgende schooljaar een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgen.

2. De terugkeer van de titularis van de betrekking

Als de titularis van de betrekking terugkeert uit zijn afwezigheid komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid dat in die betrekking als vervanger is aangesteld.

3. De betrekking wordt aan een ander personeelslid toegewezen

- omwille van de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling

Als het schoolbestuur in het kader van de verplichtingen betreffende reaffectatie of wedertewerkstelling de betrekking moet toewijzen aan een vastbenoemd personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

- door toewijzing van een affectatie, een mutatie of een vaste benoeming van een ander personeelslid

Als het schoolbestuur een vastbenoemd personeelslid in de betrekking muteert

of affecteert, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Als het schoolbestuur op 1 januari een ander personeelslid in de betrekking vast benoemt, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

4. De betrekking kan niet langer gefinancierd of gesubsidieerd worden

Als de betrekking niet meer financierbaar of subsidieerbaar is, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

5. Het personeelslid voldoet niet (meer) aan de aanstellingsvoorwaarden

Als na de aanstelling van het tijdelijke personeelslid blijkt dat hij niet (meer) voldoet aan een of meer van de aanstellingsvoorwaarden, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Voorbeeld

Het personeelslid wordt strafrechtelijk veroordeeld en deze veroordeling leidt tot het tijdelijke of definitief verlies van zijn burgerlijke en politieke rechten. Dit personeelslid voldoet vanaf dat ogenblik niet meer aan de aanstellingsvoorwaarde die stelt dat hij de burgerlijke en politiek rechten moet genieten.

6. Bij het bereiken van de leeftijdsgrens

Als het tijdelijke personeelslid de leeftijdsgrens bereikt die leidt tot pensionering, komt er op het einde van dat schooljaar een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Op deze regel geldt een uitzondering, zodat een personeelslid ook na het bereiken van de leeftijdsgrens een tijdelijke aanstelling kan behouden.

Meer informatie over deze maatregelen vindt u in de omzendbrief Langer werken dan 65 jaar (PERS/2012/05 van 30-07-2012).

7. Bij de definitieve pensionering van het personeelslid

Op ogenblik dat het tijdelijke personeelslid met pensioen gaat, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

4.1.4.2. Einde van de tijdelijke aanstelling door ontslag

De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) kan een tijdelijk personeelslid om bepaalde redenen ontslaan of het tijdelijke personeelslid kan zelf vrijwillig ontslag nemen.

Een ontslag van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur gebeurt:

  • met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen (in het gesubsidieerd onderwijs);
  • om dringende redenen;
  • na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”.

Deze vormen van ontslag kunnen ook impact hebben op de verwerving van het recht op TADD voor het personeelslid.

1. Ontslag met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen in het gesubsidieerd onderwijs

In het gesubsidieerd onderwijs kan het schoolbestuur een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur ontslaan met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen.

De redenen voor dit ontslag houden verband met een tekortkoming aan

de plichten van het personeelslid zoals opgenomen in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 9 en volgende).

Het schoolbestuur moet dit ontslag grondig motiveren en dit schriftelijk bezorgen aan het personeelslid. De mededeling van het ontslag vermeldt het begin en de duur van de opzeggingstermijn en gebeurt via een aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in de academie en het ambt heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt niet meer in aanmerking voor de berekening van het recht op TADD. Het personeelslid behoudt wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere academies van het schoolbestuur en hij kan die aanwenden om in die andere academies het recht op TADD in te roepen, maar niet in de academie waar hij werd ontslagen.

Als het schoolbestuur het tijdelijke personeelslid na zijn ontslag opnieuw aanwerft in de academie waar hij eerder werd ontslagen met een vooropzeg van 30 dagen in het desbetreffende ambt, dan kan hij voor dat ambt weer wel opnieuw een beroep doen op de al eerder gepresteerde dienstanciënniteit. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde dienstanciënniteit als niet bestaande beschouwd.

2. Ontslag om dringende redenen

In het gemeenschapsonderwijs

De directeur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur om dringende redenen ontslaan bij de vaststelling van een ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

Het moet gaan om aantoonbare feiten die de directeur, niet langer dan drie werkdagen nadat hij op de hoogte is gesteld van deze feiten, moet meedelen aan het personeelslid via een aangetekende brief die binnen een termijn van drie werkdagen na het ontslag om dringende redenen wordt verzonden.

Het tijdelijke personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep.

De raad van bestuur van de scholengroep schorst het tijdelijke personeelslid onmiddellijk preventief vanaf het ogenblik van ontslag.

Als het personeelslid beroep aantekent omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd. Deze periode van preventieve schorsing kan nooit langer zijn dan de duur van de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.

Als het personeelslid geen beroep aantekent, omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.

Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. 

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het ambt van ontslag in alle academies van de scholengroep heeft verworven tot op het ogenblik van het ontslag, komt na een ontslag om dringende redenen niet meer in aanmerking voor de berekening op het recht op TADD (zie punt 4.2.1.1).

Als de directeur het personeelslid na zijn ontslag toch opnieuw aanwerft in de academie waar hij eerder werd ontslagen omwille van dringende redenen, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen die nodig is om het recht op TADD te verwerven (zie punt 4.2.1.1).

In het gesubsidieerd onderwijs

Het schoolbestuur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur om dringende redenen ontslaan bij de vaststelling van een ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Naargelang de aard van deze redenen kan het schoolbestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar academies of andere onderwijsinstellingen.

Het moet gaan om aantoonbare feiten die het schoolbestuur, niet langer dan drie werkdagen nadat het op de hoogte is gesteld van deze feiten, moet meedelen aan het personeelslid worden via een aangetekende brief die binnen een termijn van drie werkdagen na het ontslag wordt verzonden of via gerechtsdeurwaardersexploot.

Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep.

Het schoolbestuur schorst het tijdelijke personeelslid onmiddellijk preventief vanaf het ogenblik van ontslag.

Als het personeelslid beroep aantekent omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd. Deze periode van preventieve schorsing kan nooit langer zijn dan de duur van de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.

Als het personeelslid geen beroep aantekent, omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.

Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het ambt van ontslag in alle academies van het schoolbestuur heeft verworven tot op het ogenblik van het ontslag, komt na een ontslag om dringende redenen niet meer in aanmerking voor de berekening op het recht op TADD (zie punt 4.2.1.1).

Als het schoolbestuur het personeelslid na zijn ontslag toch opnieuw aanwerft in de academie waar hij eerder werd ontslagen omwille van dringende redenen, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen die nodig is om het recht op TADD te verwerven (zie punt 4.2.1.1).

3. Ontslag na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”

Een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur wordt na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” door het schoolbestuur ontslagen uit zijn ambt in de academie waar hij deze evaluatie heeft gekregen.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in de academie en het ambt heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt niet meer in aanmerking voor de berekening van het recht op TADD (zie punt 4.2.1.1). Het personeelslid behoudt wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft opgebouwd in andere academies van het schoolbestuur en hij kan die aanwenden om in die andere academies het recht op TADD in te roepen, maar niet in de academie waar hij werd ontslagen.

Als het tijdelijke personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in de academie waar hij eerder werd ontslagen omwille van een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” in het desbetreffende ambt, dan kan hij voor dat ambt wel opnieuw een beroep doen op de al eerder gepresteerde dienstanciënniteit. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde dienstanciënniteit als niet bestaande beschouwd.

4. Vrijwillig ontslag door het personeelslid

Het personeelslid kan zelf ook vrijwillig ontslag nemen.

Bij dit ontslag hoort een opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen.

Het personeelslid meldt dit ontslag schriftelijk aan zijn directeur (gemeenschapsonderwijs) of aan zijn schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) en vermeldt daarin het begin en de duur van de opzeggingstermijn. De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) neemt kennis van dit ontslag door een duplicaat van deze melding te ondertekenen. Het personeelslid kan zijn ontslag ook meedelen via een aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot.

De opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen kan in onderling overleg tussen het personeelslid en de directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) ingekort worden. Die instemming blijkt uit een geschrift dat de effectieve datum van de stopzetting van de opdracht vermeldt en dat beide partijen ondertekenen.

Een vrijwillig ontslag heeft voor de berekening van het recht op TADD geen impact op de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid tot op het ogenblik van het ontslag heeft verworven in het ambt bij het schoolbestuur. Als het tijdelijke personeelslid later weer een tijdelijke aanstelling krijgt, komt deze dienstanciënniteit dus nog steeds in aanmerking voor het recht op TADD (zie punt 4.2.1.1).

5. Andere redenen

Naast de hiervoor opgesomde mogelijkheden zijn er nog redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid zonder opzeggingstermijn in de vorm van een definitieve ambtsneerlegging.

U vindt die mogelijkheden voor het gemeenschapsonderwijs terug in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 86) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 60).

4.1.5. Behoud van verworven rechten bij overheveling van een structuuronderdeel of overname van de academie door een ander schoolbestuur

Als een structuuronderdeel of de academie waar het tijdelijke personeelslid is aangesteld, overgenomen wordt door een ander schoolbestuur behoudt het tijdelijke personeelslid onder bepaalde voorwaarden de rechten die hij tot dan heeft verworven bij die academie.

4.1.5.1. Overheveling van een structuuronderdeel

Bij de overheveling van een structuuronderdeel naar een academie van een ander schoolbestuur stellen de betrokken schoolbesturen een schriftelijke overeenkomst op voor elke vestigingsplaats waar een of meer structuuronderdelen worden overgeheveld. Als er ook andere instanties bij de organisatie van het structuuronderdeel betrokken zijn, worden die ook betrokken bij de opstelling van deze overeenkomst.

Deze overeenkomst houdt minstens rekening met:

1° de personeelsleden die in het structuuronderdeel tewerkgesteld zijn in het schooljaar voorafgaand aan de overheveling, en met de omvang van die tewerkstelling;

2° de omvang van de omkadering die met de overheveling gepaard gaat.

Als de betrokken schoolbesturen in de overeenkomst opnemen dat er personeelsleden worden overgenomen bij de overheveling van het structuuronderdeel, gaan deze personeelsleden – op voorwaarde dat ze daar zelf voor kiezen - over naar het schoolbestuur dat het structuuronderdeel overneemt. Het tijdelijke personeelslid dat vrijwillig kiest voor dergelijke overstap wordt tijdelijk personeelslid van het schoolbestuur dat het structuuronderdeel overneemt ten belope van de opdracht waarvoor hij bij zijn nieuwe schoolbestuur wordt aangesteld.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in het structuuronderdeel dat wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het schoolbestuur dat het structuuronderdeel overneemt.

Als een scholengroep een structuuronderdeel van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het gesubsidieerd onderwijs beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die het structuuronderdeel overneemt.

Als een schoolbestuur een structuuronderdeel van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het schoolbestuur dat het structuuronderdeel overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het schoolbestuur die het structuuronderdeel overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep of het schoolbestuur dat het structuuronderdeel overneemt.

4.1.5.2. Overname van een academie in het gemeenschapsonderwijs

Bij de overname van een academie door een andere scholengroep, gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de academie die wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid over naar de scholengroep die de academie overneemt.

Bij de overname van een academie van een schoolbestuur van het gesubsidieerd onderwijs gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de academie die wordt overgenomen, als tijdelijk personeelslid over naar de scholengroep die de academie overneemt als ze daar zelf om verzoeken.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de academie die wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij de scholengroep die de academie overneemt.

Als een scholengroep een academie van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het gesubsidieerd onderwijs beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die de academie overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het schoolbestuur dat de academie overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep die de academie overneemt.

4.1.5.3. Overname van een academie in het gesubsidieerd onderwijs

Bij de overname van een academie door een ander schoolbestuur gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de academie die wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid over naar het schoolbestuur dat de academie overneemt.

Als de academie die overgenomen wordt tot een ander net behoort dan datgene waartoe ze na de overname zal behoren, kan een tijdelijk personeelslid weigeren om over te stappen naar het andere schoolbestuur.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de academie die wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het schoolbestuur dat de academie overneemt.

Als een schoolbestuur een academie van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het schoolbestuur dat de academie overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het schoolbestuur dat de academie overlaat, geldt bij het schoolbestuur dat de academie overneemt.

4.1.6. Praktische schikkingen

De gegevens die u bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur aan het werkstation moet meedelen, vindt u terug in de omzendbrief Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en vorming (PERS/2005/09 van 29-06-2005).

4.2. TIJDELIJKE AANSTELLING VAN DOORLOPENDE DUUR (TADD)

Een tijdelijk personeelslid kan het recht verwerven op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) als hij aan een aantal specifieke voorwaarden voldoet.

Vanaf 1 september 2019 gelden nieuwe voorwaarden waardoor een personeelslid naast de verwerving van een bepaalde dienstanciënniteit in principe ook een beoordeling zal krijgen om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven.

Voor een personeelslid dat al voor 1 september 2019 dienstanciënniteit heeft verworven, geldt onder bepaalde voorwaarden een overgangsmaatregel (zie punt 4.2.2).

Het recht op TADD houdt in dat het personeelslid bij voorrang een tijdelijke aanstelling kan krijgen t.o.v. andere tijdelijke personeelsleden die niet aan deze voorwaarden voldoen.

De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur loopt over de schooljaren heen en is mogelijk in een vacante betrekking en in een niet-vacante betrekking.

Daarnaast is een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur eveneens een voorwaarde voor vaste benoeming in een wervingsambt. De omzendbrief 29/11/1999 - 13CC/VB/ml - Vaste benoeming - Procedure, voorwaarden en mededeling aan het departement Onderwijs gaat hier dieper op in.

Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur is van toepassing op betrekkingen in een wervingsambt in de instellingen en personeelscategorieën vermeld onder punt 4.

4.2.1. Voorwaarden

Vanaf 1 september 2019 moet een tijdelijk personeelslid aan de volgende voorwaarden voldoen om voor een wervingsambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven:

  • binnen een termijn van minstens twee schooljaren 580 dagen dienstanciënniteit verwerven, waarvan 400 dagen effectief moeten gepresteerd zijn (zie punt 4.2.1.1);
  • uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin het personeelslid de vereiste dienstanciënniteit heeft verworven, geen beoordeling met werkpunten hebben gekregen van de eerste evaluator (zie punt 4.2.1.2).

Deze nieuwe voorwaarden gelden voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 voor het eerst in dienst komt;
  • op of na 1 september 2019 opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 minder dan 580 dagen dienstanciënniteit heeft verworven.

Dit betekent dat een tijdelijk personeelslid op basis van de nieuwe voorwaarden voor het eerst het recht op TADD kan verwerven op 1 september 2020.

Daarnaast gelden er overgangsmaatregelen voor tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 30 juni 2019 of op 30 juni 2020 aan specifieke voorwaarden voldoen (zie punt 4.2.2).

4.2.1.1. Voorwaarde betreffende dienstanciënniteit

Om het recht op TADD te kunnen laten gelden moet het tijdelijke personeelslid een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen en dit gespreid over een periode van ten minste twee schooljaren.

Van deze 580 dagen moeten er daarenboven minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

4.2.1.1.1. Berekening van de dienstanciënniteit

Een personeelslid moet ten minste 580 dagen dienstanciënniteit hebben, gespreid over ten minste twee schooljaren, om een recht op TADD te verwerven. Van deze 580 dagen moeten er 400 effectief gepresteerd zijn. Hierna gaan we dieper in op de principes die van toepassing zijn bij de berekening van de dienstanciënniteit.

Bij de berekening van de dienstanciënniteit zijn zowel het ambt waarin het personeelslid de diensten presteert als het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid van belang.

4.2.1.1.1.1. Per ambt

De dienstanciënniteit geldt steeds per ambt. Om het recht op TADD te verwerven voor een bepaald ambt moet de dienstanciënniteit verworven zijn in dit specifieke ambt.

De diensten die werden gepresteerd in verschillende ambten kunnen dus nooit worden samengeteld.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid oefent een opdracht uit in het ambt van leraar (11/22) en in het ambt van administratief medewerker (19/38).

De prestaties die het personeelslid in beide ambten opbouwt, mogen niet samengenomen worden voor het recht op TADD.

De dienstanciënniteit die het personeelslid opbouwt in het ambt van leraar geldt enkel voor de verwerving van het recht op TADD in het ambt van leraar.

De dienstanciënniteit die het personeelslid opbouwt in het ambt van administratief medewerker geldt enkel voor de verwerving van het recht op TADD in het ambt van administratief medewerker.

4.2.1.1.1.2. Volgens indeling van het bekwaamheidsbewijs

Het personeelslid kan het recht op TADD echter alleen maar laten gelden voor het ambt waarvoor hij over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikt en dit uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden. Het recht op TADD kan bijgevolg niet gelden voor een ambt, waarvoor het personeelslid slechts over een "ander" bekwaamheidsbewijs beschikt of waarvoor het personeelslid nog in de loop van het schooljaar een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs verwerft.

Voor het ambt van leraar moet bij het vaststellen van de dienstanciënniteit wel steeds onderscheid gemaakt worden tussen de prestaties die geleverd zijn met een vereist bekwaamheidsbewijs en een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs.

Aanstelling in een vak op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs

Voor de berekening van de dienstanciënniteit voor een aanstelling in een vak op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs komen volgende diensten in aanmerking:

  • alle diensten gepresteerd in de vakken waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) heeft;
  • alle diensten gepresteerd in een vak waarvoor hij een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) heeft.

Aanstelling in een vak op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs

Voor de berekening van de dienstanciënniteit voor een aanstelling in een vak op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) komen alleen de diensten in aanmerking die gepresteerd zijn in dat specifieke vak.

Bij ambtshalve of individuele concordantie van een vak waarin het personeelslid diensten heeft gepresteerd, gelden die diensten als gepresteerd in het ‘nieuwe’ vak.

Meer informatie over concordantie vindt u in de omzendbrief “Ambtshalve en individuele concordanties in het deeltijds kunstonderwijs vanaf 1 september 2018” (DKO/2018/02 van 07-05-2018).

Diensten verworven op basis van een “ander” bekwaamheidsbewijs kunnen wel meetellen als het personeelslid op het ogenblik dat hij het recht op TADD daadwerkelijk wilt uitoefenen voor het ambt en vak over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikt.

4.2.1.1.2. Berekeningswijze

Het personeelslid moet gespreid over een periode van ten minste twee schooljaren minstens 580 dagen dienstanciënniteit hebben verworven, waarvan er 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

580 dagen dienstanciënniteit

De 580 dagen dienstanciënniteit worden berekend volgens artikel 4 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 6 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De dienstanciënniteit omvat alle kalenderdagen met inbegrip van zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen, schoolvakanties en verloven die gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit, die binnen de periode van aanstelling van het tijdelijke personeelslid vallen.

Het aantal dagen mag hier echter niet worden vermenigvuldigd met 1,2.

Diensten met onvolledige prestaties worden op dezelfde manier in aanmerking genomen als diensten met volledige prestaties, op voorwaarde dat de prestaties ten minste de helft bedragen van het aantal uren vereist voor een betrekking met volledige prestaties.

Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die minder dan de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor een betrekking met volledige prestaties, wordt gedeeld door twee.

De diensten moeten gepresteerd zijn in hoofdambt. In het deeltijds kunstonderwijs komen ook diensten gepresteerd in bijbetrekking in aanmerking.

400 dagen effectief gepresteerd

Deze berekening verloopt op dezelfde wijze als de berekening van de 580 dagen dienstanciënniteit, met dit verschil dat hier enkel de periodes in aanmerking worden genomen waarin het personeelslid effectieve prestaties heeft verricht.

Onder effectieve prestaties wordt verstaan: alle kalenderdagen met inbegrip van zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties die binnen de periode van aanstelling vallen.

Ziekteverlof, omstandigheidsverlof, enz. ... komen bijgevolg niet in aanmerking voor de berekening van de effectieve prestaties.

Om het recht op TADD te bepalen, worden de volgende periodes wel meegerekend voor de vaststelling van de 400 dagen effectieve prestaties en dit tot een maximum van 140 dagen:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn in de periode 1 september - 30 juni kunnen maximaal 303 (of 304 in een schrikkeljaar) dagen dienstanciënniteit per schooljaar verwerven. Tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn tot 31 augustus (bv. de administratief medewerker) kunnen maximaal 360 dagen dienstanciënniteit per schooljaar verwerven.

Opmerking

  • In het gemeenschapsonderwijs komen alleen de diensten gepresteerd na 1 september 1988 in aanmerking;
  • In het gesubsidieerd onderwijs komen alleen de diensten gepresteerd na 1 september 1985 in aanmerking.

4.2.1.1.3. Berekeningsdatum

De dienstanciënniteit wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid het recht laat gelden.

Dit betekent dat om op 1 september het recht op een TADD te kunnen inroepen, het personeelslid de vereiste 580 en 400 dagen ten laatste moet verworven hebben op 30 juni van het voorgaande schooljaar.

4.2.1.1.4. Waar moet de dienstanciënniteit gepresteerd zijn?

Niet alle gepresteerde diensten tellen mee om het recht op TADD te verwerven. Het is belangrijk om na te gaan in welke academies en bij welk schoolbestuur de diensten gepresteerd werden.

Voor het recht op TADD in een academie komen alleen de prestaties in aanmerking die het personeelslid heeft gepresteerd in academies van dezelfde scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of in academies van hetzelfde schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs).

4.2.1.2. De beoordeling

Om het recht op TADD te verwerven, zal een tijdelijk personeelslid naast de vereiste dienstanciënniteit (zie punt 4.2.1.1) uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij die dienstanciënniteit verwerft in principe een beoordeling moeten krijgen van zijn eerste evaluator (zie punt 4.1.2.2.3).

De beoordeling vormt het signaal dat het personeelslid zich kandidaat kan stellen om het recht op TADD te verwerven, tenzij het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD.

Als het tijdelijke personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de vereiste dienstanciënniteit voor het recht op TADD verwerft geen beoordeling heeft gekregen, dan is het alsof de beoordeling daadwerkelijk is toegekend. Dit houdt dan in dat het personeelslid het recht op TADD verwerft vanaf het daaropvolgend schooljaar (als hij zich ook tijdig kandidaat heeft gesteld).

Als het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD, moet het personeelslid bij een nieuwe aanstelling in een betrekking in het betrokken ambt, in dat ambt nog bijkomend 200 dagen effectieve prestaties verrichten om zich kandidaat te kunnen stellen om het recht op TADD te verwerven.

Deze 200 dagen worden volgens dezelfde principes berekend als de 400 dagen effectieve prestaties die in aanmerking komen voor het recht op TADD (zie punt 4.2.1.1.2). Daarbij gelden volgende periodes als effectieve prestaties en dit tot een maximum van 70 dagen:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid deze 200 extra dagen effectief heeft gepresteerd, heeft hij het volgende schooljaar recht op TADD bij kandidaatstelling op de daartoe voorziene datum (zie punt 4.2.1.3).

4.2.1.3. Kandidaatstelling en ingangsdatum

Om beroep te doen op zijn recht op TADD moet het personeelslid vóór 15 juni van het schooljaar waarin hij aan de gestelde voorwaarden voldoet, kandideren via een aangetekende brief.

Een personeelslid van het gemeenschapsonderwijs kandideert bij de raad van bestuur van de scholengroep waar hij zijn recht op TADD wil laten gelden.

Een personeelslid van het gesubsidieerd onderwijs kandideert bij het schoolbestuur waar hij zijn recht op TADD wil laten gelden.

Deze kandidaatstelling geldt niet als een permanente kandidaatstelling en een tijdelijk personeelslid moet deze kandidaatstelling elk jaar herhalen zolang hij niet voor doorlopende duur wordt aangesteld.

Vanaf het ogenblik dat een personeelslid een eerste keer effectief is aangesteld voor doorlopende duur geldt dit als een doorlopende kandidaatstelling over de schooljaren heen bij de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) voor het ambt waarin hij effectief werd aangesteld.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september volgend op de kandidaatstelling.

Om vanaf 1 september het recht op TADD te laten gelden, moet het personeelslid voor het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld:

  • op 30 juni van het voorafgaande schooljaar aan de voorwaarden betreffende dienstanciënniteit en beoordeling voldoen (zie punt 4.2.1.1)
  • en uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden, beschikken over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt.

Het personeelslid met een recht op TADD dat de betrekking niet effectief kan opnemen omwille van ziekte, arbeidsongeval of moederschapsrust, behoudt dit recht. Het personeelslid kan worden aangesteld en voor de duur van de afwezigheid volgens de geldende regels vervangen worden. Na de afwezigheid neemt het personeelslid de hem toegewezen betrekking effectief op.

4.2.1.4. Voorbeelden berekening dienstanciënniteit

Voorbeeld 1

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld als leraar in het vak ‘beeldatelier’ (VE) in academie A van een schoolbestuur met meerdere academies. 

 

Academie A 

Academie B 

Academie C 

 

Schooljaar 1: 14/22 

 

 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

 

 

Schooljaar 2: 

18/22 

 

 

1-9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs:

- schooljaar 1: 303 dagen in academie A

- schooljaar 2: 303 dagen in academie A

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid 606 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor het ambt van leraar voor alle vakken waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs heeft, als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 in de drie academies van hetzelfde schoolbestuur.

Voorbeeld 2

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld als leraar in het vak ‘instrument: klassiek: zang’ (VE)

 

 

Schooljaar 1 : 17/22 

 

1/9 – 24/12= 115 dagen 

 

 

15/1 - 30/6 = 166 dagen 

 

 

Schooljaar 2: 11/22 

 

1/9 – 30/6= 303 dagen 

 

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd in het ambt van leraar op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs:

- schooljaar 1: 115 dagen + 166 dagen in school C = 281 dagen

- schooljaar 2: 303 dagen (een halftijdse opdracht telt mee voor de volledige duur)

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid 584 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 3 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor het ambt van leraar op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor alle vakken waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs verworven heeft.

Voorbeeld 3

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het ambt van leraar in het vak ‘theater’ (VE).

 

Schooljaar 1: 20/20 

 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

Schooljaar 2: 20/20 

 

1-9 – 30/6 = 303 dagen 

 

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd in het ambt van leraar op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs:

- schooljaar 1: 303 dagen

- schooljaar 2: 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid 606 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten die leidt tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet niet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor het ambt van leraar, op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs vanaf 1 september van het schooljaar 3. Het personeelslid heeft wel voldoende dienstanciënniteit opgebouwd, maar de beoordeling met werkpunten stuit het recht op TADD.

Het personeelslid moet bij een nieuwe tijdelijke aanstelling in schooljaar 3 (of later) nog bijkomend 200 dagen dienstanciënniteit presteren om zich daarna kandidaat te kunnen stellen voor het recht op TADD in het ambt van leraar op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs.

Voorbeeld 4

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het ambt van leraar in de vakken ‘instrument: jazz-pop-rock: klarinet’ (VE) en ‘Muzikale en culturele vorming’ (VO).

Het personeelslid oefent volgende opdrachten uit:

 

Schooljaar 1 

 

11/22
‘instrument: jazz-pop-rock: klarinet’ (VE) 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

11/22
‘Muzikale en culturele vorming’ (VO) 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

Schooljaar 2 

 

 

11/22
‘instrument: jazz-pop-rock: klarinet’ (VE) 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

11/22
‘Muzikale en culturele vorming’ (VO) 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd in het ambt van leraar op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs:

- schooljaar 1: 303 dagen (halftijds telt voor volledige duur)

- schooljaar 2: 303 dagen (halftijds telt voor volledige duur)

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid in het ambt van leraar, op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs, 606 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 3 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd in het ambt van leraar op basis van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs:

- schooljaar 1: 303 dagen (halftijds telt voor volledige duur)

- schooljaar 2: 303 dagen (halftijds telt voor volledige duur)

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid in het ambt van leraar op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs en van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs 606 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 3 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor zowel het ambt leraar voor alle vakken waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs en voor het vak ‘Muzikale en culturele vorming’ (VO), als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt dan vanaf 1 september van schooljaar 3.

Voorbeeld 5

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het vak ‘initiatie tekenen’ (VE).

Het personeelslid oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 - 30/6: 11/20 ‘initiatie tekenen’ (VE) = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 - 30/6: 11/20 ‘initiatie tekenen’ (VE) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar, op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs, een dienstanciënniteit van 606 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 28 mei van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van leraar voor alle vakken waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs heeft.

Voorbeeld 6

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het ambt van begeleider

en oefent volgende opdrachten:

Schooljaar 1: 1/9 - 30/6: 12/20 begeleider (VE) = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 - 30/6: 10/20 begeleider (VE) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van begeleider een dienstanciënniteit van 606 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

De halftijdse opdracht in schooljaar 2 telt mee voor de volledige duur.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van begeleider.

Voorbeeld 7

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het ambt van leraar in het vak ‘instrument: jazz-pop-rock: piano’ (VE).

Het personeelslid oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 30/6: 6/22 ‘instrument: jazz-pop-rock: piano’ (VE) = 303/2= 151 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 6/22 en 2/20 ‘instrument: jazz-pop-rock: piano’ (VE) = 303/2 = 151 dagen

Schooljaar 3: 1/9 – 30/6: 4/22 en 4/20 ‘instrument: jazz-pop-rock: piano’ (VE) = 303/2 = 151 dagen

Op 30 juni van schooljaar 3 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar, op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs, een dienstanciënniteit van 151 dagen + 151+ 151 dagen = 453 dagen.

Het personeelslid heeft onvoldoende dienstanciënniteit om het recht op TADD te verwerven, vermits hij in het ambt van leraar, voor de vakken op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs, geen 580 dagen dienstanciënniteit heeft verworven.

Voorbeeld 8

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het ambt van leraar in de vakken ‘specifiek artistiek atelier: grafiekkunst’ (VE) en ‘kunstgeschiedenis’ (VO).

Het personeelslid oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 30/6: 8/20 ‘specifiek artistiek atelier: grafiekkunst’ (VE) = 303/2= 151 dagen

Schooljaar 1: 1/9 – 30/6: 12/20 ‘kunstgeschiedenis’ (VO) = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 8/20 ‘specifiek artistiek atelier: grafiekkunst’ (VE) = 303/2= 151 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 12/20 ‘kunstgeschiedenis’ (VO) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar, op basis van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het vak ‘kunstgeschiedenis’, een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen = 606 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijk personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van leraar, voor het vak ‘kunstgeschiedenis’ (VO) . Het recht geldt echter ook voor alle vakken waarvoor het personeelslid het vereist bekwaamheidsbewijs heeft.

Voorbeeld 9

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in een school en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 31/8: 20/38 administratief medewerker (VE) = 360 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 31/8: 25/38 administratief medewerker (VE) = 303 dagen (in het jaar van kandidaatstelling wordt de dienstanciënniteit op 30/6 berekend)

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van administratief medewerker een dienstanciënniteit van 663 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van administratief medewerker.

4.2.2. Waarvoor en waar geldt het recht op TADD?

Het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt t.a.v. het ambt waarin het personeelslid het recht op TADD heeft verworven en voor elke vacante betrekking en niet-vacante betrekking in dat ambt.

Gaat het om het ambt van leraar dan geldt het recht op TADD als volgt:

  • het recht geldt voor alle vakken waarvoor het personeelslid als leraar over een vereist bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) beschikt;
  • als het recht op TADD werd verworven in een vak waarvoor het personeelslid over een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) beschikt, geldt dit recht niet alleen voor dit vak, maar ook voor alle vakken waarvoor het personeelslid over een vereist bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) beschikt.

Zowel tijdelijke personeelsleden als deeltijds vastbenoemde personeelsleden kunnen het recht op TADD laten gelden op elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat.

Dit geldt niet als het personeelslid al als titularis is aangesteld voor een voltijdse betrekking in het ambt waarvoor hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven.

Voorbeeld

Een personeelslid heeft een recht op TADD verworven voor het ambt van leraar. Bij het begin van het schooljaar wordt het personeelslid aangesteld in de vervanging van een begeleider. In de loop van het schooljaar wordt een betrekking van leraar vacant. Het personeelslid kan zijn recht op TADD laten gelden voor dit ambt van leraar.

Opgelet
Het recht op TADD geldt niet voor een tijdelijke aanstelling in volgende situaties:

- Uitbreiding van TADD bij langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen

Een personeelslid dat de goedkeuring heeft gekregen om een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen op te nemen, kan geen uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling krijgen vergeleken met de toestand aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen. Dit principe geldt eveneens voor een personeelslid dat met langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen is en het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur (TADD) heeft of tijdens zijn langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen het recht op TADD vergaart. Dit personeelslid kan dit recht op TADD slechts inroepen voor een tijdelijke aanstelling die beperkt is tot het volume van zijn tijdelijke aanstelling aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.
Meer informatie over dit verlof vindt u in de omzendbrief PERS/2007/07 van 21-09-2007- Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

- Tijdelijke aanstelling via verlof TAO

Een vastbenoemd personeelslid kan niet voor doorlopende duur worden aangesteld in de opdracht die hij via het verlof TAO (tijdelijk andere opdracht) in een wervingsambt uitoefent. Het personeelslid verwerft wel dienstanciënniteit in het ambt dat hij op deze wijze tijdelijk uitoefent. Het vastbenoemde personeelslid kan de dienstanciënniteit die hij via het verlof TAO heeft opgebouwd ook aanwenden om in het desbetreffende ambt het recht op TADD in te roepen. Het vastbenoemde personeelslid kan het recht op TADD enkel effectief uitoefenen als hij op het ogenblik dat hem een betrekking wordt aangeboden, bij zijn schoolbestuur een afwezigheid voor verminderde prestaties (AVP) vraagt en krijgt. Op deze wijze oefent het personeelslid zijn recht op TADD uit als een ‘zuiver’ tijdelijk personeelslid.
Men mag in deze niet uit het oog verliezen dat het nemen van een AVP geen recht is. Het is dus mogelijk dat het personeelslid zijn recht op TADD niet kan uitoefenen als zijn schoolbestuur de AVP niet toestaat.

Het recht geldt in alle academies van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) waar het personeelslid zijn dienstanciënniteit heeft verworven.

4.2.3. Overgangsmaatregelen TADD

Voor tijdelijke personeelsleden die aan bepaalde voorwaarden voldoen, gelden de nieuwe voorwaarden voor TADD niet. Zij kunnen beroep doen op een specifieke overgangsmaatregel.

Het gaat om volgende groepen:

  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 720 dagen dienstanciënniteit verworven gespreid over minstens 3 schooljaren (categorie 1 – punt 4.2.3.1);
  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens twee schooljaren minstens 580 dagen en maximum 719 dagen dienstanciënniteit verworven (categorie 2 – punt 4.2.3.2);
  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2020 minstens 720 dagen dienstanciënniteit verworven gespreid over minstens 3 schooljaren (categorie 3 – punt 4.2.3.3).

Opgelet !

Voor een personeelslid geldt in principe slechts één overgangsmaatregel.
Bij de kandidaatstelling voor het recht op TADD zal duidelijk zijn welke overgangsmaatregel van toepassing is voor het personeelslid.

4.2.3.1. Categorie 1: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 720 dagen dienstanciënniteit gespreid over minstens drie schooljaren

4.2.3.1.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens drie schooljaren in het ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer academies van dezelfde scholengroep, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 4.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2019 kandidaat heeft gesteld bij de raad van bestuur van de scholengroep, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt vanaf 1 september 2019 het recht op TADD in de academies van de scholengroep.

Heeft een tijdelijk personeelslid dat aan deze voorwaarden voldoet zich echter voor 15 juni 2019 niet kandidaat gesteld of heeft het personeelslid tijdens het schooljaar 2019-2020 geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gekregen, dan kan dit personeelslid zich voor 15 juni 2020 of later nog steeds kandidaat stellen onder de voorwaarden van deze overgangsmaatregel om zo op of na 1 september 2020 het recht op TADD te behouden of te verwerven.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 4.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

4.2.3.1.2. In het gesubsidieerd onderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens drie schooljaren in het ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer academies van hetzelfde schoolbestuur, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 4.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2019 kandidaat heeft gesteld bij het schoolbestuur, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2019 in de academies van het schoolbestuur.

Heeft een tijdelijk personeelslid dat aan deze voorwaarden voldoet zich echter voor 15 juni 2019 niet kandidaat gesteld of heeft het personeelslid tijdens het schooljaar 2019-2020 geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gekregen, dan kan dit personeelslid zich voor 15 juni 2020 of later nog steeds kandidaat stellen onder de voorwaarden van deze overgangsmaatregel om zo op of na 1 september 2020 het recht op TADD te behouden of te verwerven.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 4.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

4.2.3.2. Categorie 2: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 580 dagen en maximum 719 dagen gespreid over minstens twee schooljaren

4.2.3.2.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor een tijdelijk personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 tijdelijk aangesteld wordt in het betrokken ambt in een of meer academies van dezelfde scholengroep;
  • uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt in een of meer academies van dezelfde scholengroep gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven heeft van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn;
  • voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld (ten vroegste 30 juni 2020) geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 4.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 400 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 140 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt vanaf 1 september 2020 het recht op TADD in alle academies van de scholengroep.

Deze overgangsmaatregel blijft ook van kracht voor elk personeelslid dat in de toekomst opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet.

4.2.3.2.2. In het gesubsidieerd onderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor een tijdelijk personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 tijdelijk aangesteld wordt in het betrokken ambt in een of meer academies van hetzelfde schoolbestuur;
  • uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt in een of meer academies van hetzelfde schoolbestuur gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven heeft van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn;
  • voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld (ten vroegste 30 juni 2020) geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 4.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 400 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 140 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020 in alle academies van het schoolbestuur.

Deze overgangsmaatregel blijft ook van kracht voor elk personeelslid dat in de toekomst opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet.

4.2.3.3. Categorie 3: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2020 minstens 720 dagen dienstanciënniteit gespreid over minstens drie schooljaren

4.2.3.3.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt in een of meer academies van dezelfde scholengroep aangesteld is;
  • uiterlijk op 30 juni 2020 gespreid over minstens drie schooljaren in een of meer academies van dezelfde scholengroep in het betrokken ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 4.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat heeft gesteld bij de raad van bestuur van de scholengroep, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt vanaf 1 september 2020 het recht op TADD in alle academies van de scholengroep.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 4.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

Deze overgangsmaatregel blijft ook na 1 september 2020 van toepassing zodat het tijdelijke personeelslid dat op 30 juni 2020 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet, zich in de loop van de volgende schooljaren op deze maatregel kan beroepen.

4.2.3.3.2. In het gesubsidieerd onderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt in een of meer academies van hetzelfde schoolbestuur aangesteld is;
  • uiterlijk op 30 juni 2020 gespreid over minstens drie schooljaren in een of meer academies van hetzelfde schoolbestuur in het betrokken ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 4.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt vanaf 1 september 2020 het recht op TADD in de academies van het schoolbestuur.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 4.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

Deze overgangsmaatregel blijft ook na 1 september 2020 van toepassing zodat het tijdelijke personeelslid dat op 30 juni 2020 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet, zich in de loop van de volgende schooljaren op deze maatregel kan beroepen.

4.2.4. Verlies van het recht op TADD

Bepaalde omstandigheden in de loop van de onderwijsloopbaan kunnen ertoe leiden dat een tijdelijk personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur verliest. Dit verlies kan tijdelijk zijn, maar kan ook definitief zijn.

Bij tijdelijk verlies van het recht op TADD verliest het personeelslid het recht op TADD voor de duur van een schooljaar of kan hij voor een bepaalde periode het recht op een uitbreiding van zijn TADD verliezen.

Bij definitief verlies van het recht op TADD moet het personeelslid het recht op TADD opnieuw opbouwen en dus opnieuw de vereiste dienstanciënniteit verwerven.

In volgende situaties verliest een personeelslid het recht op TADD dat hij in een ambt heeft verworven.

1. Het personeelslid heeft vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten gepresteerd in de academies van hetzelfde schoolbestuur

Het personeelslid dat zijn recht op TADD heeft verworven in een academie van een schoolbestuur verliest dat recht op TADD als hij gedurende vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de academies van het schoolbestuur.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid heeft in een academie van een schoolbestuur het recht op TADD opgebouwd, maar neemt op 1 september daaropvolgend geen TADD-aanstelling op in de academie.

Gedurende de schooljaren X+1 tot en met het schooljaar X+5 levert het personeelslid geen enkele prestatie in een of meer academies van het schoolbestuur. Het personeelslid stelt zich in juni van het schooljaar x+5 kandidaat voor een tijdelijke aanstelling in een academie van het schoolbestuur. Het personeelslid kan op of na 1 september van het schooljaar X+5 echter alleen als TABD worden aangesteld. Het personeelslid heeft immers geen recht meer op TADD omdat het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de academies van het schoolbestuur.

Voor een tijdelijk personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven en dat op het ogenblik van de aanvang van de afwezigheid reeds een TADD-aanstelling heeft, geldt deze bepaling niet. Dit betekent dat het personeelslid ook na een afwezigheid van vijf opeenvolgende schooljaren zijn TADD-aanstelling behoudt en deze weer kan opnemen, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was ondertussen volgens de geldende regelgeving aan een ander personeelslid moest worden toegewezen.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid heeft in een schoolbestuur het recht op TADD opgebouwd en krijgt op 1 september een TADD-aanstelling in een betrekking in een academie van het schoolbestuur.

Het volgende schooljaar (X+1) behoudt het personeelslid in de betrekking zijn TADD-aanstelling, maar hij vraagt en krijgt op 1 september X+1 een AVP. Deze AVP wordt ook gedurende de schooljaren X+2 tot en met X+5 aangevraagd en toegekend. Tijdens deze periode van AVP oefent het personeelslid in academies van het schoolbestuur geen enkele prestatie uit, maar hij behoudt wel de TADD-aanstelling in de academie waar hij AVP neemt.

Op 31 augustus van schooljaar X+5 eindigt de AVP en op 1 september daaropvolgend neemt het personeelslid zijn betrekking in de academie weer op.

Het personeelslid neemt op 1 september van schooljaar X+6 zijn betrekking weer op als TADD’er. Het personeelslid heeft weliswaar 5 opeenvolgende schooljaren geen prestaties verricht in het schoolbestuur, maar doordat hij effectief een TADD-aanstelling had op het ogenblik dat zijn afwezigheid startte, verliest hij na de afwezigheid van 5 opeenvolgende schooljaren zijn TADD-aanstelling niet. De TADD-aanstelling is immers gedurende de afwezigheid verder blijven lopen omdat het personeelslid aangesteld bleef in de betrekking in kwestie.

Het verlies van TADD houdt in dat het personeelslid niet onmiddellijk het recht op TADD kan inroepen bij een nieuwe tijdelijke aanstelling. Dit houdt echter niet in dat het personeelslid zijn eerder verworven dienstanciënniteit niet meer kan aanwenden om het recht op TADD opnieuw te verwerven.

Het personeelslid kan zich na deze periode van 5 schooljaren voor 15 juni weer kandidaat stellen voor het recht op TADD het daaropvolgende schooljaar op basis van de eerder verworven dienstanciënniteit.

2. Het tijdelijke personeelslid stelt zich niet tijdig kandidaat

Een tijdelijk personeelslid dat niet voor 15 juni kandideert voor het recht op TADD in een ambt, kan het daaropvolgende schooljaar geen recht op TADD inroepen voor dat ambt.

Het tijdelijke personeelslid verliest op deze wijze het recht op TADD voor dat ambt voor de duur van een schooljaar. Dit geldt enkel als het personeelslid nog geen TADD-aanstelling heeft gekregen voor het ambt in kwestie, vermits een TADD-aanstelling geldt als een permanente kandidaatstelling (zie punt 4.2.1.3).

3. Het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, krijgt een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende

Een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld en in een academie voor een welbepaald ambt een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” krijgt, kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in die academie en voor het ambt in kwestie.

Meer informatie over evaluatie vindt u in de omzendbrief PERS/2007/09 van 29-10-2007 - Functiebeschrijving en evaluatie.

4. Het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, wordt door zijn schoolbestuur ontslagen

Een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld en dat door zijn schoolbestuur wordt ontslagen als gevolg van een tuchtmaatregel of na twee of drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”, verliest zijn recht op TADD.

Meer informatie hierover vindt u in punt 4.2.6.2.

4.2.5. Administratieve en geldelijke toestand

4.2.5.1. Administratieve toestand

Net als bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur moet het schoolbestuur ook de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van een personeelslid schriftelijk vastleggen.

Meer informatie hierover vindt u in punt 4.1.3.1.

4.2.5.2. Geldelijke toestand

Net als bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgt een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, zowel in een vacante als in een niet-vacante betrekking, voor de duur van zijn aanstelling maandelijks een salaris.

Meer informatie hierover vindt u in punt 4.1.3.2.

4.2.5.3. Ziekteverlof

Het tijdelijke personeelslid dat is aangesteld voor doorlopende duur heeft tijdens een afwezigheid wegens ziekte binnen de periode van zijn aanstelling onder bepaalde voorwaarden recht op bezoldigd ziekteverlof.

Deze voorwaarden en de berekeningswijze van het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vindt u terug in de omzendbrief - Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding – PERS/2007/07 van 21-09-2007 (punt 2.2).

De tijdelijke aanstelling voor doorlopend duur loopt in principe over de schooljaren heen. Voor een tijdelijk personeelslid met recht op TADD is er in principe dan ook geen nieuwe aanstelling nodig op 1 september van het daaropvolgend schooljaar. In dat geval wordt het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur aangesteld blijft ook beschouwd als zijnde effectief in dienst op deze datum. Dit betekent dat een tijdelijk personeelslid dat op 1 september voor doorlopende duur aangesteld blijft en op 1 september ziek wordt effectief door AGODI wordt bezoldigd, tenzij zijn recht op bezoldigd ziekteverlof is uitgeput. Bij uitputting van het recht op bezoldigd ziekteverlof zal het ziekenfonds instaan voor de bezoldiging.

Voorbeeld

Een personeelslid wordt tijdens het schooljaar 20XX-20YY aangesteld in een definitief vacante betrekking (ato 2) als tijdelijk aangesteld personeelslid van doorlopende duur. Het personeelslid wordt ziek op 1 september 20YY (volgend schooljaar). Dit ziekteverlof wordt bezoldigd op voorwaarde dat er nog genoeg recht op bezoldigd ziekteverlof aanwezig is.

Het personeelslid wordt immers geacht te voldoen aan de voorwaarde om zijn dienst effectief te hebben opgenomen.

Als het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op het einde van het schooljaar door het schoolbestuur, schriftelijk en gemotiveerd, uit dienst werd gemeld en het personeelslid komt het volgende schooljaar op 1 september opnieuw in dienst bij hetzelfde schoolbestuur dan gelden ook hier voormelde regels.

Als het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op het einde van het schooljaar door het schoolbestuur, schriftelijk en gemotiveerd, uit dienst werd gemeld en het personeelslid komt het volgende schooljaar niet opnieuw in dienst op 1 september, dan gelden de regels voor een gewone tijdelijke aanstelling. Wordt het tijdelijke personeelslid pas in de loop van het schooljaar voor doorlopende duur aangesteld en is hij onmiddellijk afwezig wegens ziekte, dan wordt hij niet door de overheid bezoldigd, maar valt hij onmiddellijk ten laste van het ziekenfonds.

Voorbeeld

Een personeelslid was tijdens het schooljaar 20XX-20YY aangesteld in een niet-vacante betrekking (ato 1) als TADD. Het personeelslid wordt op 30-06-20YY uit dienst gemeld. Op 1 november 20YY wordt het personeelslid opnieuw aangesteld voor doorlopende duur in een vacante betrekking (ato 2). Het personeelslid wordt echter onmiddellijk ziek. Dit ziekteverlof wordt niet bezoldigd.

4.2.6. Einde van de tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur

De aanstelling van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur kan worden beëindigd door een ontslag dat uitgaat van het schoolbestuur of via een vrijwillig ontslag van het personeelslid zelf.

Daarnaast zijn er een aantal situaties – die vastgelegd zijn in de decreten rechtspositie – die automatisch een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. We spreken in dat geval niet over een ontslag, maar over een beëindiging van de tijdelijke aanstelling van rechtswege.

4.2.6.1. Einde van de tijdelijke aanstelling van rechtswege

De decreten rechtspositie bepalen dat er onder bepaalde omstandigheden van rechtswege een einde komt aan de tijdelijke aanstelling van een personeelslid.

Dit houdt in dat er onmiddellijk een einde aan de aanstelling komt en er geen opzegtermijn is voor het personeelslid.

Aandacht
Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur eindigt niet van rechtswege op het einde van het schooljaar, maar loopt in principe door over de schooljaren heen.

Een tijdelijk personeelslid dat op het einde van het schooljaar voor doorlopende duur is aangesteld in een betrekking die op 1 september ongewijzigd behouden blijft, kan op 1 september niet worden verdrongen door een ander tijdelijk personeelslid, ook niet als dit tijdelijke personeelslid het recht op TADD heeft. Door het feit dat er een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is die over de schooljaren heen loopt, ontstaat op 1 september immers geen vacature die aan een ander tijdelijk personeelslid kan worden aangeboden.

Volgende redenen leiden onmiddellijk tot een einde van de tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur.

1. De terugkeer van de titularis van de betrekking

Als de titularis van de betrekking terugkeert uit zijn afwezigheid komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid dat in die betrekking als vervanger is aangesteld.

2. De betrekking wordt aan een ander personeelslid toegewezen

- omwille van de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling

Als het schoolbestuur in het kader van de verplichtingen betreffende reaffectatie of wedertewerkstelling de betrekking moet toekennen aan een vastbenoemd personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

- door toewijzing van een affectatie, een mutatie of een vaste benoeming van een ander personeelslid

Als het schoolbestuur een vastbenoemd personeelslid in de betrekking muteert

of affecteert, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Als het schoolbestuur op 1 januari een ander personeelslid in de betrekking vast benoemt, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

3. Het tijdelijke personeelslid wordt zelf vast benoemd

Als het schoolbestuur het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op 1 januari een vaste benoeming toekent, eindigt zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor het volume waarvoor hij vast benoemd wordt.

4. De betrekking kan niet langer gefinancierd of gesubsidieerd worden

Als de betrekking niet meer financierbaar of subsidieerbaar is, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

5. Het personeelslid voldoet niet (meer) aan de aanstellingsvoorwaarden

Als na de aanstelling van het tijdelijke personeelslid blijkt dat hij niet (meer) voldoet aan een of meer van de aanstellingsvoorwaarden, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Voorbeeld

Het personeelslid wordt strafrechtelijk veroordeeld en deze veroordeling leidt tot het tijdelijke of definitief verlies van zijn burgerlijke en politieke rechten. Dit personeelslid voldoet vanaf dat ogenblik niet meer aan de aanstellingsvoorwaarde die stelt dat hij de burgerlijke en politiek rechten moet genieten.

6. Bij het bereiken van de leeftijdsgrens

Als het tijdelijke personeelslid de leeftijdsgrens bereikt die leidt tot pensionering, komt er op het einde van dat schooljaar een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Op deze regel geldt een uitzondering, zodat een personeelslid ook na het bereiken van de leeftijdsgrens een tijdelijke aanstelling kan behouden.

Meer informatie over deze maatregelen vindt u in de omzendbrief Langer werken dan 65 jaar (PERS/2012/05 van 30-07-2012).

7. Bij de definitieve pensionering van het personeelslid

Op het ogenblik dat het tijdelijke personeelslid met pensioen gaat, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

4.2.6.2. Einde van de tijdelijke aanstelling door ontslag

Voor het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur gelden dezelfde ontslagmogelijkheden als voor vastbenoemde personeelsleden.

Dit betekent dat een schoolbestuur een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld niet kan ontslaan met een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen en ook niet kan ontslaan wegens dringende redenen.

De redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor doorlopende duur zijn:

  • als gevolg van een tuchtmaatregel van zijn schoolbestuur;
  • na twee of drie definitieve evaluaties met eindconclusies “onvoldoende”;
  • wegens vrijwillig ontslag;
  • wegens definitieve ambtsneerlegging.

1. Ontslag of afzetting omwille van een tuchtmaatregel

Een schoolbestuur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur ontslaan of afzetten bij wijze van tuchtmaatregel.

Deze tuchtmaatregel volgt uit een tuchtprocedure die door het schoolbestuur wordt opgestart.

U vindt meer informatie over de tuchtregeling voor het gemeenschapsonderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 60bis en volgende) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 63bis en volgende).

Het ontslag of de afzetting bij tuchtmaatregel gaat niet gepaard met een opzeggingstermijn voor het tijdelijke personeelslid.

Een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en dat door zijn schoolbestuur als gevolg van een tuchtmaatregel wordt ontslagen uit zijn ambt, kan voor dat ambt geen beroep meer doen op de diensten die hij voor dat ontslag heeft verworven.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD in de academies van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs).

Aandacht
Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in een academie van het schoolbestuur waar hij eerder werd ontslagen of afgezet omwille van een tuchtmaatregel, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen om het recht op TADD te verkrijgen.

2. Ontslag na twee of drie evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”

Een schoolbestuur moet een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur ontslaan als het in een academie voor een bepaald ambt ofwel twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen, ofwel drie definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in zijn loopbaan. Het ontslag geldt voor het ambt in de academie waarop de evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" betrekking hebben.

Het schoolbestuur deelt het ontslag aan het personeelslid mee via een aangetekende brief of via een gerechtsdeurwaarderexploot.

Als het schoolbestuur het ontslag via aangetekende brief meedeelt, heeft het ontslag uitwerking op de derde werkdag na verzending van de brief.

Een ontslag dat bij gerechtsdeurwaarderexploot wordt meegedeeld, heeft onmiddellijke uitwerking.

Dit ontslag gaat niet gepaard met een opzeggingstermijn voor het tijdelijke personeelslid.

Een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur en ontslagen wordt na twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” of na of drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” gedurende de ganse loopbaan, verliest het recht op TADD in de academie en voor het ambt waar het ontslag op slaat.

Het personeelslid kan daarenboven voor het recht op TADD in dat ambt ook geen beroep meer doen op de diensten die hij voor dat ontslag heeft verworven in de academie waar hij is ontslagen.

De dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in de academie waar het ontslag op slaat heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Het personeelslid kan in de academie waar hij werd ontslagen het recht op TADD ook niet inroepen via dienstanciënniteit die hij in andere academies van het schoolbestuur heeft gepresteerd.

Aandacht

1. Het ontslag heeft enkel gevolgen t.a.v. het ambt en de academie waar het personeelslid wordt ontslagen. Het ontslag heeft dus geen invloed op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in andere academies van het schoolbestuur.
Het personeelslid behoudt na dit ontslag wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere academies van het schoolbestuur en hij kan die aanwenden om in die andere academies het recht op TADD in te roepen, maar niet in de academie waar hij werd ontslagen.


2. Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in de academie waar het eerder werd ontslagen na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” in het desbetreffende ambt, kan hij voor dat ambt opnieuw een beroep doen op alle eerder gepresteerde diensten. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde diensten als niet bestaande beschouwd.

Meer informatie over het evaluatiesysteem vindt u in de omzendbrief PERS/2007/09 van 29-10-2007 - Functiebeschrijving en evaluatie.

3. Vrijwillig ontslag door het tijdelijke personeelslid

Het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur kan zelf vrijwillig ontslag nemen.

Bij dit ontslag hoort een opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen.

Het personeelslid meldt dit ontslag schriftelijk aan zijn directeur (gemeenschapsonderwijs) of aan zijn schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) en vermeldt daarin het begin en de duur van de opzeggingstermijn. De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) neemt kennis van dit ontslag door een duplicaat van deze melding te ondertekenen. Het personeelslid kan zijn ontslag ook via aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot meedelen.

De opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen kan in onderling overleg tussen het personeelslid en de directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) ingekort worden. Die instemming blijkt uit een geschrift dat de effectieve datum van de stopzetting van de opdracht vermeldt en dat beide partijen ondertekenen.

Een vrijwillig ontslag heeft geen impact op het recht op TADD dat het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het ambt bij het schoolbestuur. Als het tijdelijke personeelslid later weer in dienst wordt genomen, geldt het recht op TADD mits het personeelslid zich tijdig kandidaat heeft gesteld (zie punt 4.2.1.3).

4. Definitieve ambtsneerlegging

Naast de hiervoor opgesomde mogelijkheden zijn er nog redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid zonder opzeggingstermijn in de vorm van een definitieve ambtsneerlegging.

U vindt die mogelijkheden voor het gemeenschapsonderwijs terug in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 86) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 60).

4.2.7. Behoud van verworven rechten bij overheveling van een structuuronderdeel of bij overname van een academie door een ander schoolbestuur

Als het structuuronderdeel waar het tijdelijke personeelslid een opdracht uitoefent, overgeheveld wordt naar een academie van een ander schoolbestuur kan het tijdelijke personeelslid bij overstap naar het andere schoolbestuur onder bepaalde voorwaarden de rechten behouden die hij tot dan heeft verworven bij dat schoolbestuur.

Als de academie waar het tijdelijke personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, overgenomen wordt door een ander schoolbestuur behoudt het tijdelijke personeelslid de rechten die hij tot dan heeft verworven bij die academie.

4.2.7.1. Overheveling van een structuuronderdeel

Bij de overheveling van een structuuronderdeel naar een academie van een ander schoolbestuur stellen de betrokken schoolbesturen een schriftelijke overeenkomst op voor elke vestigingsplaats waar een of meer structuuronderdelen worden overgeheveld. Als er ook andere instanties bij de organisatie van het structuuronderdeel betrokken zijn, worden die ook betrokken bij de opstelling van deze overeenkomst.

Deze overeenkomst houdt minstens rekening met:

1° de personeelsleden die in het structuuronderdeel tewerkgesteld zijn in het schooljaar voorafgaand aan de overheveling, en met de omvang van die tewerkstelling;

2° de omvang van de omkadering die met de overheveling gepaard gaat.

Als de betrokken schoolbesturen in de overeenkomst opnemen dat er personeelsleden worden overgenomen bij de overheveling van het structuuronderdeel, gaan deze personeelsleden – op voorwaarde dat ze daar zelf voor kiezen - over naar het schoolbestuur dat het structuuronderdeel overneemt. Het tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld en dat vrijwillig kiest voor dergelijke overstap wordt tijdelijk personeelslid van het schoolbestuur dat het structuuronderdeel overneemt ten belope van de opdracht waarvoor hij bij zijn vorige schoolbestuur was aangesteld. Het personeelslid behoudt daarbij zijn tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in het structuuronderdeel dat wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het schoolbestuur dat het structuuronderdeel overneemt.

Als een scholengroep een structuuronderdeel van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het gesubsidieerd onderwijs beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die het structuuronderdeel overneemt.

Als een schoolbestuur een structuuronderdeel van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het schoolbestuur dat het structuuronderdeel overneemt.

Het tijdelijke personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven bij de scholengroep of bij het schoolbestuur waarvan het structuuronderdeel wordt overgenomen, behoudt dit recht op TADD in de scholengroep of bij het schoolbestuur dat het structuuronderdeel overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het schoolbestuur dat het structuuronderdeel overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het schoolbestuur dat het structuuronderdeel overneemt.

4.2.7.2. Overname van een academie in het gemeenschapsonderwijs

Bij de overname van een academie door een andere scholengroep gaan de tijdelijke personeelsleden die voor doorlopende duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de academie die wordt overgenomen, als tijdelijk personeelslid met behoud van hun aanstelling voor doorlopende duur over naar de scholengroep die de academie overneemt.

Als de overname een academie van het gesubsidieerd onderwijs betreft, gaan de tijdelijke personeelsleden enkel over naar het gemeenschapsonderwijs als ze hier zelf om verzoeken.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de academie die wordt overgenomen, worden beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij de scholengroep die de academie overneemt.

Als een scholengroep een academie van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gesubsidieerd onderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die de academie overneemt.

Het tijdelijke personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven in de academie die wordt overgenomen, behoudt dit recht op TADD in de scholengroep die de academie overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het schoolbestuur dat de academie overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep die de academie overneemt.

4.2.7.3. Overname van een academie in het gesubsidieerd onderwijs

Bij de overname van een academie door een ander schoolbestuur gaan de tijdelijke personeelsleden die voor doorlopende duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de academie die wordt overgenomen, als tijdelijk personeelslid met behoud van hun aanstelling van doorlopende duur over naar het schoolbestuur dat de academie overneemt.

Als de academie die overgenomen wordt tot een ander net behoort dan datgene waartoe ze na de overname zal behoren, kan een tijdelijk personeelslid weigeren om over te stappen naar het andere schoolbestuur.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de academie die wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het schoolbestuur dat de academie overneemt.

Als een schoolbestuur een academie van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het schoolbestuur dat de academie overneemt.

Het tijdelijke personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven in de academie die wordt overgenomen, behoudt dit recht op TADD bij het schoolbestuur dat de academie overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het schoolbestuur dat de academie overlaat, geldt bij het schoolbestuur dat de academie overneemt.

4.2.8. Mededeling van een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur aan het werkstation

Bij de melding van de opdracht van het tijdelijke personeelslid met een RL-1 aan het werkstation duidt u aan dat het om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gaat.

Als het om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking gaat, krijgt de opdracht oneindig (31.12.2999) als einddatum.

Als het een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een niet-vacante betrekking betreft, eindigt de opdracht uiterlijk de laatste dag van de dienstonderbreking van de titularis.

Voorbeelden

TADD in een vacante betrekking

Een leraar krijgt vanaf 1 september een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking voor 20/20.

RL-1 leraar Ato 2 voor 20/20 met als begindatum van de opdracht 1-9-20XX en als einddatum oneindig (31-12-2999). De tijdelijke opdracht wordt aangeduid als TADD-opdracht (waarde 01 in veld 30).

TADD in een niet-vacante betrekking

Een voltijds vastbenoemde leraar (20/20) neemt een voltijdse VVP van 1-9-20XX tot en met 31-8-20YY.

In de niet-vacante betrekking van de vastbenoemde titularis wordt als vervanger een tijdelijk personeelslid aangesteld dat recht heeft op TADD.

De vervanger wordt als volgt doorgegeven:

RL-1 leraar Ato 1 voor 20/20 met als begindatum van de opdracht 1-9-20XX en als einddatum 31-8-20YY ter vervanging van het personeelslid met VVP. De tijdelijke opdracht wordt aangeduid als TADD-opdracht (waarde 01 in veld 30).

5. TIJDELIJKE AANSTELLING IN HET SECUNDAIR ONDERWIJS

Deze omzendbrief is van toepassing op tijdelijke personeelsleden die in het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs worden aangesteld in een wervingsambt in volgende instellingen:

  • scholen in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs;
  • centra voor deeltijds onderwijs;
  • internaten.

Het gaat om een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt van:

  • het bestuurs- en onderwijzend personeel;
  • het ondersteunend personeel.
  • het paramedisch personeel;
  • het sociaal personeel;
  • het psychologisch personeel;
  • het orthopedagogisch personeel;
  • het medisch personeel;
  • het administratief personeel;
  • het opvoedend hulppersoneel.

In het gemeenschapsonderwijs is het instellingshoofd bevoegd voor de tijdelijke aanstelling. In deze omzendbrief gebruiken we steeds de term directeur om het instellingshoofd aan te duiden.

5.1. TIJDELIJKE AANSTELLING VAN BEPAALDE DUUR (TABD)

Een tijdelijk personeelslid wordt in het gemeenschapsonderwijs door de directeur en in het gesubsidieerd onderwijs door het schoolbestuur aangesteld in een wervingsambt voor bepaalde duur (TABD) of voor doorlopende duur (TADD).

Een tijdelijk personeelslid wordt in het begin van zijn loopbaan altijd voor bepaalde duur aangesteld. Als het personeelslid na verloop van minstens twee schooljaren presteren aan bepaalde voorwaarden voldoet, kan hij het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur verwerven (zie punt 5.2).

Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur kan zowel in een vacante betrekking als in een niet-vacante betrekking en is steeds beperkt tot de duur van maximum een schooljaar.

5.1.1. De aanstelling van een tijdelijk personeelslid

U kan een tijdelijk personeelslid slechts aanstellen voor bepaalde duur als hij voldoet aan een aantal specifieke voorwaarden, die zijn vastgelegd in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 17) of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 19).

5.1.1.1. De aanstellingsvoorwaarden

U kan een tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur aanstellen in een betrekking als hij voldoet aan de volgende aanstellingsvoorwaarden:

1. Belg zijn of onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie

Behoort het personeelslid niet tot een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, dan kan een vrijstelling worden gevraagd die wordt verleend door de Vlaamse Regering. Het personeelslid moet dan ook in het bezit zijn van een arbeidskaart.

2. De burgerlijke en politieke rechten genieten of in het bezit zijn van een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1

3. In het bezit zijn van een geldig vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarin het personeelslid wordt aangesteld

Bij gebrek aan kandidaten met een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, kan u een kandidaat aanstellen met een "ander" bekwaamheidsbewijs. Dergelijke aanstelling is steeds beperkt tot het lopende schooljaar, maar kan jaarlijks verlengd worden als u nog steeds geen andere kandidaat vindt.

De bekwaamheidsbewijzen per ambt vindt u terug op:

4. Medisch geschikt zijn

De gezondheidstoestand van het personeelslid mag geen gevaar vormen voor de gezondheid van de leerlingen. Dit wordt geattesteerd door de huisarts.

5. Van onberispelijk gedrag zijn

Dit blijkt uit een uittreksel uit het strafregister (596.2 – model bestemd voor contacten met minderjarigen) dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgeleverd.

6. Voldoen aan de taalvereisten voor het ambt

Het personeelslid moet een specifiek kennisniveau van het Nederlands als onderwijstaal aantonen.

Als u moeilijkheden ondervindt om een personeelslid aan te werven dat niet onmiddellijk beantwoordt aan de vereiste kennis van het Nederlands als onderwijstaal, kan u voor dit personeelslid een tijdelijke afwijking aanvragen op de vereiste taalkennis.

Meer informatie vindt u terug in de omzendbrief Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs (PERS/2010/01 van 19-01-2010).

7. De reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking is nageleefd

U kan een tijdelijk personeelslid slechts aanstellen als de bepalingen betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling correct zijn nageleefd.

Meer informatie over deze reglementering vindt u in de omzendbrief De reaffectatie- en wedertewerkstellingsregeling voor de inrichtende machten en de personeelsleden tewerkgesteld in het niet-tertiair onderwijs (Pers/2003/08 van 28-07-2003).

8. Voordracht voor een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht

Een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht (godsdienstleraar of leraar niet-confessionele zedenleer) kan u enkel aanstellen als het personeelslid aan de aanstellingsvoorwaarden voldoet én er daarenboven een voordracht is van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst (godsdienstleraar) of van de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer (leraar niet-confessionele zedenleer).

9. Kandidaatstelling in het gemeenschapsonderwijs

In het gemeenschapsonderwijs moet een personeelslid zich elk schooljaar voor 15 juni kandidaat stellen voor een tijdelijke aanstelling bij de scholengroep.

Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur van deze voorwaarde afwijken.

5.1.2. Recht op en plicht tot aanvangsbegeleiding

Vanaf 1 september 2019 geldt bij de aanstelling van een tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur in een wervingsambt het recht op en de plicht tot aanvangsbegeleiding.

5.1.2.1. Wie heeft recht op aanvangsbegeleiding?

Een loopbaan in het onderwijs begint steeds met een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Tijdens deze loopbaanfase krijgt elk tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur in een wervingsambt wordt aangesteld ondersteuning en begeleiding in de vorm van een traject van aanvangsbegeleiding.

Deze aanvangsbegeleiding vormt een recht en een plicht voor zowel het tijdelijke personeelslid als voor het schoolbestuur.

Bij een tijdelijke aanstelling via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen (verlof TAO) of via een reaffectatie of wedertewerkstelling – wat steeds een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur inhoudt – is het schoolbestuur niet verplicht om aanvangsbegeleiding aan te bieden. Het gaat hier immers om een tijdelijke aanstelling van een vastbenoemd personeelslid en daarbij mag uitgegaan worden van het feit dat dit personeelslid al de nodige ervaring en competenties heeft verworven in zijn ambt. Niets weerhoudt echter het schoolbestuur om ook bij dergelijke aanstelling een specifiek traject van aanvangsbegeleiding uit te werken voor het personeelslid, maar dit vormt alleszins geen recht noch een plicht voor de betrokken partijen.

5.1.2.2. Inhoud en organisatie van de aanvangsbegeleiding

5.1.2.2.1. Algemeen

De inhoud of vorm van aanvangsbegeleiding die aan een tijdelijk personeelslid moet worden aangereikt en de wijze waarop die aanvangsbegeleiding feitelijk in en door de school, het schoolbestuur of de scholengemeenschap wordt georganiseerd en uitgebouwd, behoort tot de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het schoolbestuur.

Afspraken hierrond worden onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité en die afspraken krijgen op schoolniveau een vertaling in het professionaliseringsplan (het vroegere nascholingsplan).

Voor de scholen die behoren tot een scholengemeenschap worden in het onderhandelingscomité van de scholengemeenschap eveneens dergelijke afspraken onderhandeld.

5.1.2.2.2. Individuele aanvangsbegeleiding per personeelslid

Een tijdelijk personeelslid dat in een wervingsambt voor bepaalde duur wordt aangesteld, krijgt een eigen traject van aanvangsbegeleiding.

De eerste evaluator bepaalt in overleg met het tijdelijke personeelslid de duur en de intensiteit van het traject van de individuele aanvangsbegeleiding. De eerste evaluator is het personeelslid dat in de instelling is aangeduid als eerste evaluator in het kader van de evaluatieprocedure (zie punt 2.1.2 van de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007).

De eerste evaluator zal het tijdelijke personeelslid ook beoordelen met het oog op de volgende fase in zijn loopbaan, de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

De coaching en begeleiding van het personeelslid tijdens het traject kunnen worden verzorgd door een of meer personeelsleden die in de school of scholengemeenschap met deze opdracht worden belast (onder meer via de middelen voor de organisatie van aanvangsbegeleiding die worden toegekend aan het schoolbestuur).

Als het tijdelijke personeelslid een functiebeschrijving krijgt onder de voorwaarden omschreven in de decreten rechtspositie (zie ook de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007), worden de afspraken over de aanvangsbegeleiding in zijn functiebeschrijving opgenomen. Heeft het tijdelijke personeelslid geen functiebeschrijving dan worden de afspraken over de aanvangsbegeleiding vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen het personeelslid en de eerste evaluator.

Als er in de loop van het traject van aanvangsbegeleiding nieuwe afspraken worden gemaakt, dan wordt de schriftelijke overeenkomst of desgevallend de functiebeschrijving aangepast. Deze aanpassing gebeurt steeds in onderling overleg tussen het betrokken personeelslid en de eerste evaluator.

5.1.2.2.3. De beoordeling

Het sluitstuk van het traject van opvolging en coaching tijdens de beginperiode van de loopbaan - de aanvangsbegeleiding - mondt uit in een beoordeling van het tijdelijke personeelslid.

De eerste evaluator van het personeelslid stelt deze beoordeling op.

Bij de beoordeling van een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht (leermeester godsdienst en leermeester niet-confessionele zedenleer) moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten van dit ambt de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer betrokken worden. De bevoegde instantie stelt voor dit aspect een deel van beoordeling op. De ondertekening van dat deel van de beoordeling door een afgevaardigde van de bevoegde instantie geeft aan dat de bevoegde instantie haar akkoord geeft aan de beoordeling van het personeelslid.

De beoordeling vormt het signaal dat het personeelslid zich kandidaat kan stellen voor het recht op TADD, tenzij het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD.

Als het tijdelijke personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de vereiste dienstanciënniteit voor het recht op TADD verwerft (zie punt 5.2.1.1) geen beoordeling heeft gekregen, dan is het alsof de beoordeling daadwerkelijk is toegekend. Dit houdt dan in dat het personeelslid het recht op TADD verwerft vanaf het daaropvolgend schooljaar (als hij zich ook tijdig kandidaat heeft gesteld).

Naast de beoordeling blijft het instrument van evaluatie – net als voor alle personeelsleden - onverminderd van toepassing voor een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur (zie ook de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007).

In het bevoegde lokale comité worden op het niveau van het schoolbestuur of desgevallend de scholengemeenschap afspraken gemaakt over de beoordeling.

Deze afspraken kunnen gaan over de wijze waarop het instrument van beoordeling binnen de scholen van het schoolbestuur of scholengemeenschap zal worden gehanteerd (bv. afstemmen van de beoordeling als een tijdelijk personeelslid in meerdere scholen presteert, opvolgen van de tijdelijke personeelsleden via uitwisseling van informatie, aanstellen van een personeelslid met een beoordeling met werkpunten, …). Deze afspraken kunnen weliswaar nooit afbreuk doen aan de decretale bepalingen met betrekking tot het verwerven van het recht op TADD.

5.1.2.2.3.1. De beoordeling met werkpunten

De eerste evaluator kan oordelen dat het personeelslid nog werkpunten heeft die maken dat hij nog niet voldoet om het recht op TADD te verwerven.

De eerste evaluator maakt dan een verslag op waarin hij deze beslissing en de werkpunten opneemt, samen met het traject dat het tijdelijke personeelslid tijdens de aanvangsbegeleiding heeft afgelegd. Als het om een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht (godsdienstleraar en leraar niet-confessionele zedenleer) gaat, wordt ook hier de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer betrokken voor een oordeel over de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten van dit ambt.

Als het personeelslid het niet eens is met deze beoordeling met werkpunten kan hij verhaal halen bij het schoolbestuur. Het schoolbestuur gaat na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op TADD rechtvaardigt. Het schoolbestuur kan de beoordeling met werkpunten enkel bevestigen of vernietigen. Als een van de betrokken partijen aan het schoolbestuur vraagt om gehoord te worden, hoort het schoolbestuur zowel het betrokken personeelslid als de eerste evaluator voordat het een beslissing neemt.

Als een tijdelijke personeelslid na de beoordeling met werkpunten in een instelling van de scholengemeenschap of van het schoolbestuur (als de instelling niet behoort tot een scholengemeenschap) opnieuw een tijdelijke aanstelling krijgt in een betrekking in het betrokken ambt, moet hij in dat ambt nog bijkomend 200 dagen effectieve prestaties extra verrichten om zich kandidaat te kunnen stellen voor het recht op TADD (zie punt 5.2.1.2).

Tijdens deze periode heeft het personeelslid recht op een aangepast traject van aanvangsbegeleiding, waarbij de focus ligt op de werkpunten die tijdens de beoordeling aan bod zijn gekomen en die in het verslag zijn opgenomen. Tenzij het personeelslid op het einde van de periode die vereist is om de bijkomende 200 dagen effectieve prestaties te verrichten een evaluatie krijgt die leidt tot een evaluatie “onvoldoende”, verwerft het personeelslid bij tijdige kandidaatstelling het recht op TADD vanaf het daaropvolgende schooljaar.

5.1.2.2.4. Middelen voor de organisatie van aanvangsbegeleiding

Een schoolbestuur ontvangt jaarlijks bijkomende middelen om in zijn instelling of instellingen een kwaliteitsvolle aanvangsbegeleiding aan te bieden en (verder) te ontwikkelen. Deze middelen worden rechtstreeks toegekend aan de instelling samen met de gebruikelijke omkadering.

Meer informatie over de toekenning, berekening en aanwending van de middelen voor aanvangsbegeleiding vindt u terug in de volgende omzendbrieven:

5.1.3. Administratieve en geldelijke toestand

5.1.3.1. Administratieve toestand

Het schoolbestuur moet de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur van een personeelslid schriftelijk vastleggen.

In het gemeenschapsonderwijs gebeurt dit via een schriftelijk document, in het officieel gesubsidieerd onderwijs via een besluit van het bestuur (het college van burgemeester en schepenen of de bestendige deputatie) en in het vrij gesubsidieerd onderwijs via een arbeidsovereenkomst.

Dit document vermeldt tenminste:

  • de benaming en het adres van het schoolbestuur en van de instelling waar het personeelslid tewerkgesteld wordt;
  • de identiteit van het personeelslid;
  • het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;
  • of het om een aanstelling in een vacante of een niet-vacante betrekking gaat, in dit laatste geval, de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, van het afwezige personeelslid dat de titularis tijdelijk vervangt;
  • het pedagogisch project en de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.

Het personeelslid ontvangt steeds een exemplaar van dit document.

De instelling meldt daarnaast de opdracht van het personeelslid aan het werkstation met het oog op de bezoldiging van het personeelslid (zie punt 5.1.6).

5.1.3.2. Geldelijke toestand

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking heeft recht op een maandelijks salaris dat rechtstreeks uitbetaald wordt door AGODI, op voorwaarde dat het tijdelijke personeelslid aan de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden voldoet.

Deze voorwaarden en welke documenten en gegevens u aan het werkstation moet bezorgen, vindt u in de omzendbrief Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en vorming (PERS/2005/09 van 29-06-2005).

Gaat het om een tijdelijke aanstelling in een niet-vacante betrekking - dus om de vervanging van een afwezige titularis - dan zal het personeelslid een salaris ontvangen als daarenboven ook aan de volgende vervangingsvoorwaarden is voldaan:

  • het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking;
    • het te vervangen personeelslid is afwezig voor ten minste tien opeenvolgende werkdagen. Deze voorwaarde geldt niet als het te vervangen personeelslid omstandigheidsverlof geniet wegens de bevalling van zijn echtgenote of samenwonende partner en de afwezigheid geen aaneensluitende periode van tien werkdagen vormt.

Volgende vervangingen worden evenwel niet bezoldigd:

  • een vervanging van een afwezigheid die start in een periode van 14 kalenderdagen voor of tijdens de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie, wordt geen vervanger bezoldigd, tenzij het gaat om een vervanging in een internaat. Meer informatie hierover vindt in de omzendbrief Beperking van de vervangingsmogelijkheid voor of tijdens een korte vakantieperiode (PERS/2015/06 van 24-08-2015);
  • een vervanging van een personeelslid dat afwezig is na 31 mei;
  • een vervanging van een personeelslid dat nascholing volgt.

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur is aangesteld in een wervingsambt tot 30 juni, zowel in een vacante als in een niet-vacante betrekking, krijgt voor de duur van zijn aanstelling en dit uiterlijk tot en met de maand juni maandelijks een salaris.

Tijdens de zomervakantie ontvangt elk tijdelijk personeelslid onder bepaalde voorwaarden een uitgestelde bezoldiging die wordt berekend op basis van de prestaties die het personeelslid heeft uitgeoefend tijdens het schooljaar (tussen 1 september en 30 juni).

Deze uitgestelde bezoldiging wordt in juli en augustus van datzelfde schooljaar uitbetaald. Meer informatie vindt u in de omzendbrief Sommige aspecten van de bezoldiging van tijdelijke personeelsleden van het onderwijs – PERS/2004/07 van 10-06-2004.

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur is aangesteld in een wervingsambt van administratief medewerker of van het administratief personeel, krijgt voor de duur van zijn aanstelling maandelijks een salaris, ook in de maanden juli en augustus als het personeelslid effectief in die maanden aangesteld is.

5.1.3.3. Ziekteverlof

Het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur heeft tijdens een afwezigheid wegens ziekte binnen de periode van zijn aanstelling onder bepaalde voorwaarden recht op bezoldigd ziekteverlof.

Deze voorwaarden en de berekeningswijze van het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vindt u terug in de omzendbrief - Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding – PERS/2007/07 van 21-09-2007 (punt 2.2).

5.1.4. Einde van de tijdelijke aanstelling

De aanstelling van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur kan worden beëindigd door een ontslag dat uitgaat van het schoolbestuur of via een vrijwillig ontslag van het personeelslid zelf.

Daarnaast zijn er een aantal situaties – die vastgelegd zijn in de decreten rechtspositie – die automatisch een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. We spreken in dat geval niet over een ontslag, maar over een beëindiging van de tijdelijke aanstelling van rechtswege of om een definitieve ambtsneerlegging.

5.1.4.1. Einde van de tijdelijke aanstelling van rechtswege

De decreten rechtspositie bepalen dat er onder bepaalde omstandigheden van rechtswege een einde komt aan de tijdelijke aanstelling van een personeelslid.

Dit houdt in dat er onmiddellijk een einde aan de aanstelling komt en er geen opzegtermijn is voor het personeelslid.

Volgende redenen leiden van rechtswege onmiddellijk tot een einde van de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur.

1. Het einde van het schooljaar

Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur eindigt uiterlijk op het einde van het schooljaar.

Het personeelslid kan natuurlijk het volgende schooljaar een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgen.

2. De terugkeer van de titularis van de betrekking

Als de titularis van de betrekking terugkeert uit zijn afwezigheid komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid dat in die betrekking als vervanger is aangesteld.

3. De betrekking wordt aan een ander personeelslid toegewezen

- omwille van de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling

Als het schoolbestuur in het kader van de verplichtingen betreffende reaffectatie of wedertewerkstelling de betrekking moet toewijzen aan een vastbenoemd personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

- door toewijzing van een affectatie, een mutatie of een vaste benoeming van een ander personeelslid

Als het schoolbestuur een vastbenoemd personeelslid in de betrekking muteert

of affecteert, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Als het schoolbestuur op 1 januari een ander personeelslid in de betrekking vast benoemt, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

4. De betrekking kan niet langer gefinancierd of gesubsidieerd worden

Als de betrekking niet meer financierbaar of subsidieerbaar is, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

5. Het personeelslid voldoet niet (meer) aan de aanstellingsvoorwaarden

Als na de aanstelling van het tijdelijke personeelslid blijkt dat hij niet (meer) voldoet aan een of meer van de aanstellingsvoorwaarden, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Voorbeeld

Het personeelslid wordt strafrechtelijk veroordeeld en deze veroordeling leidt tot het tijdelijke of definitief verlies van zijn burgerlijke en politieke rechten. Dit personeelslid voldoet vanaf dat ogenblik niet meer aan de aanstellingsvoorwaarde die stelt dat hij de burgerlijke en politiek rechten moet genieten.

6. Bij het bereiken van de leeftijdsgrens

Als het tijdelijke personeelslid de leeftijdsgrens bereikt die leidt tot pensionering, komt er op het einde van dat schooljaar een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Op deze regel geldt een uitzondering, zodat een personeelslid ook na het bereiken van de leeftijdsgrens een tijdelijke aanstelling kan behouden.

Meer informatie over deze maatregelen vindt u in de omzendbrief Langer werken dan 65 jaar (PERS/2012/05 van 30-07-2012).

7. Bij de definitieve pensionering van het personeelslid

Op ogenblik dat het tijdelijke personeelslid met pensioen gaat, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

5.1.4.2. Einde van de tijdelijke aanstelling door ontslag

De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) kan een tijdelijk personeelslid om bepaalde redenen ontslaan of het tijdelijke personeelslid kan zelf vrijwillig ontslag nemen.

Een ontslag van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur gebeurt:

  • met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen (in het gesubsidieerd onderwijs);
  • om dringende redenen;
  • na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”.

Deze vormen van ontslag kunnen ook impact hebben op de verwerving van het recht op TADD voor het personeelslid.

1. Ontslag met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen in het gesubsidieerd onderwijs

In het gesubsidieerd onderwijs kan het schoolbestuur een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur ontslaan met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen.

De redenen voor dit ontslag houden verband met een tekortkoming aan

de plichten van het personeelslid zoals opgenomen in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 9 en volgende).

Het schoolbestuur moet dit ontslag grondig motiveren en dit schriftelijk bezorgen aan het personeelslid. De mededeling van het ontslag vermeldt het begin en de duur van de opzeggingstermijn en gebeurt via een aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in de instelling en het ambt heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt niet meer in aanmerking voor de berekening van het recht op TADD (zie punt 5.2.1.1). Het personeelslid behoudt wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft opgebouwd in andere instellingen van dezelfde scholengemeenschap of van hetzelfde schoolbestuur (als de instellingen niet tot een scholengemeenschap behoren) en hij kan die aanwenden om in die andere instellingen het recht op TADD in te roepen, maar niet in de instelling waar hij werd ontslagen.

Als het schoolbestuur het tijdelijke personeelslid na zijn ontslag opnieuw aanwerft in de instelling waar hij eerder werd ontslagen met een vooropzeg van 30 dagen in het desbetreffende ambt, dan kan hij voor dat ambt weer wel opnieuw een beroep doen op de al eerder gepresteerde dienstanciënniteit. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde dienstanciënniteit als niet bestaande beschouwd.

2. Ontslag om dringende redenen

In het gemeenschapsonderwijs

De directeur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur om dringende redenen ontslaan bij de vaststelling van een ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

Het moet gaan om aantoonbare feiten die de directeur, niet langer dan drie werkdagen nadat hij op de hoogte is gesteld van deze feiten, moet meedelen aan het personeelslid via een aangetekende brief die binnen een termijn van drie werkdagen na het ontslag om dringende redenen wordt verzonden.

Het tijdelijke personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep.

De raad van bestuur van de scholengroep schorst het tijdelijke personeelslid onmiddellijk preventief vanaf het ogenblik van ontslag.

Als het personeelslid beroep aantekent omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd. Deze periode van preventieve schorsing kan nooit langer zijn dan de duur van de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.

Als het personeelslid geen beroep aantekent, omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.

Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. 

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het ambt van ontslag heeft verworven tot op het ogenblik van het ontslag, komt na een ontslag om dringende redenen niet meer in aanmerking voor de berekening op het recht op TADD (zie punt 5.2.1.1).

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de scholengroep niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de scholengemeenschap en in alle instellingen van de scholengroep niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als de directeur het personeelslid na zijn ontslag toch opnieuw aanwerft in de instelling waar hij eerder werd ontslagen omwille van dringende redenen, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen die nodig is om het recht op TADD te verwerven (zie punt 5.2.1.1).

In het ge subsidieerd onderwijs

Het schoolbestuur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur om dringende redenen ontslaan bij de vaststelling van een ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Naargelang de aard van deze redenen kan het schoolbestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen.

Het moet gaan om aantoonbare feiten die het schoolbestuur, niet langer dan drie werkdagen nadat het op de hoogte is gesteld van deze feiten, moet meedelen aan het personeelslid via een aangetekende brief die binnen een termijn van drie werkdagen na het ontslag wordt verzonden of via gerechtsdeurwaardersexploot.

Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep.

Het schoolbestuur schorst het tijdelijke personeelslid onmiddellijk preventief vanaf het ogenblik van ontslag.

Als het personeelslid beroep aantekent omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd. Deze periode van preventieve schorsing kan nooit langer zijn dan de duur van de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.

Als het personeelslid geen beroep aantekent, omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.

Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het ambt van ontslag heeft verworven tot op het ogenblik van het ontslag, komt na een ontslag om dringende redenen niet meer in aanmerking voor de berekening op het recht op TADD (zie punt 5.2.1.1).

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van het schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de scholengemeenschap niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het schoolbestuur het personeelslid na zijn ontslag toch opnieuw aanwerft in de instelling waar hij eerder werd ontslagen omwille van dringende redenen, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen die nodig is om het recht op TADD te verwerven (zie punt 5.2.1.1).

3. Ontslag na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”

Een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur wordt na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” door het schoolbestuur ontslagen uit zijn ambt in de instelling waar hij deze evaluatie heeft gekregen.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in de instelling en het ambt heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt niet meer in aanmerking voor de berekening van het recht op TADD (zie punt 5.2.1.1).

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, behoudt het personeelslid wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere instellingen van de scholengemeenschap en kan hij die aanwenden om in die andere instellingen het recht op TADD in te roepen, maar niet in de instelling waar hij werd ontslagen.

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap, behoudt het personeelslid wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere instellingen van het schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren en kan hij die aanwenden om in die andere instellingen het recht op TADD in te roepen, maar niet in de instelling waar hij werd ontslagen.

Als het tijdelijke personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in de instelling waar hij eerder werd ontslagen omwille van een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” in het desbetreffende ambt, dan kan hij voor dat ambt wel opnieuw een beroep doen op de al eerder gepresteerde dienstanciënniteit. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde dienstanciënniteit als niet bestaande beschouwd.

4. De voordracht van een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht wordt ingetrokken

Als de bevoegde instantie van de eredienst voor een leermeester godsdienst of de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer voor een leermeester niet-confessionele zedenleer de voordracht intrekt, dan moet het schoolbestuur het tijdelijke personeelslid in dit ambt onmiddellijk en zonder opzeggingstermijn ontslaan.

Dit ontslag heeft voor de berekening van het recht op TADD geen impact op de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid tot op het ogenblik van het ontslag heeft verworven in het ambt bij het schoolbestuur of in de scholengemeenschap. Als het tijdelijke personeelslid later weer in een tijdelijke aanstelling krijgt in dit ambt, komt deze dienstanciënniteit dus nog steeds in aanmerking voor het recht op TADD (zie punt 5.2.1.1).

5. Vrijwillig ontslag door het personeelslid

Het personeelslid kan zelf ook vrijwillig ontslag nemen.

Bij dit ontslag hoort een opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen.

Het personeelslid meldt dit ontslag schriftelijk aan zijn directeur (gemeenschapsonderwijs) of aan zijn schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) en vermeldt daarin het begin en de duur van de opzeggingstermijn. De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) neemt kennis van dit ontslag door een duplicaat van deze melding te ondertekenen. Het personeelslid kan zijn ontslag ook meedelen via een aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot.

De opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen kan in onderling overleg tussen het personeelslid en de directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) ingekort worden. Die instemming blijkt uit een geschrift dat de effectieve datum van de stopzetting van de opdracht vermeldt en dat beide partijen ondertekenen.

Een vrijwillig ontslag heeft voor de berekening van het recht op TADD geen impact op de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid tot op het ogenblik van het ontslag heeft verworven in het ambt bij het schoolbestuur of in de scholengemeenschap. Als het tijdelijke personeelslid later weer een tijdelijke aanstelling krijgt, komt deze dienstanciënniteit dus nog steeds in aanmerking voor het recht op TADD (zie punt 5.2.1.1).

6. Andere redenen

Naast de hiervoor opgesomde mogelijkheden zijn er nog redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid zonder opzeggingstermijn in de vorm van een definitieve ambtsneerlegging.

U vindt die mogelijkheden voor het gemeenschapsonderwijs terug in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 86) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 60).

5.1.5. Behoud van verworven rechten bij overname van de instelling door een ander schoolbestuur of bij wijziging van scholengemeenschap

Als de instelling waar het tijdelijke personeelslid is aangesteld, overgenomen wordt door een ander schoolbestuur, toetreedt tot een andere scholengemeenschap of uit een scholengemeenschap stapt, behoudt het tijdelijke personeelslid de rechten die hij tot dan heeft verworven bij die instelling.

5.1.5.1. Overname van een instelling in het gemeenschapsonderwijs

Bij de overname van een instelling door een andere scholengroep, gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de instelling die wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid over naar de scholengroep die de instelling overneemt.

Bij de overname van een instelling van een schoolbestuur van het gesubsidieerd onderwijs betreft, gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de instelling die wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid over naar de scholengroep die de instelling overneemt als ze daar zelf om verzoeken.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de instelling die wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij de scholengroep die de instelling overneemt.

Als een scholengroep een instelling van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het gesubsidieerd onderwijs beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die de instelling overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het schoolbestuur die de instelling overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overneemt.

5.1.5.2. Overname van een instelling in het gesubsidieerd onderwijs

Bij de overname van een instelling door een ander schoolbestuur gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de instelling die wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid over naar het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Als de instelling die overgenomen wordt tot een ander net behoort dan datgene waartoe ze na de overname zal behoren, kan een tijdelijk personeelslid weigeren om over te stappen naar het andere schoolbestuur.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de instelling die wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Als een schoolbestuur een instelling van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het schoolbestuur die de instelling overlaat, geldt bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

5.1.5.3. Toetreding of uittreding van een scholengemeenschap

Als een instelling die voorheen niet tot een scholengemeenschap behoorde, toetreedt tot een scholengemeenschap, dan geldt de dienstanciënniteit die een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur voor de toetreding heeft verworven in een ambt in de instelling ook voor dat ambt in alle instellingen van de scholengemeenschap.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het schoolbestuur die de instelling overlaat, geldt voor de scholengemeenschap waartoe de instelling toetreedt.

Hetzelfde principe geldt als een instelling die voorheen tot een scholengemeenschap behoorde, toetreedt tot een andere scholengemeenschap. De dienstanciënniteit die een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur voor de toetreding tot de andere scholengemeenschap heeft verworven in een ambt in de instelling geldt ook in dat ambt in alle instellingen van de nieuwe scholengemeenschap.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het schoolbestuur die de instelling overlaat, geldt voor de nieuwe scholengemeenschap.

Als een instelling uit een scholengemeenschap treedt, en niet opnieuw toetreedt tot een andere scholengemeenschap, dan geldt de dienstanciënniteit die een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur voor de uittreding heeft verworven in een ambt in de instelling als gepresteerd in dat ambt bij het schoolbestuur in een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij een schoolbestuur van de scholengemeenschap, geldt bij het betrokken schoolbestuur voor de instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

5.1.6. Praktische schikkingen

De gegevens die u bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur aan het werkstation moet meedelen, vindt u terug in de omzendbrief Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en vorming (PERS/2005/09 van 29-06-2005).

5.2. TIJDELIJKE AANSTELLING VAN DOORLOPENDE DUUR (TADD)

Een tijdelijk personeelslid kan het recht verwerven op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) als hij aan een aantal specifieke voorwaarden voldoet.

Vanaf 1 september 2019 gelden nieuwe voorwaarden waardoor een personeelslid naast de verwerving van een bepaalde dienstanciënniteit in principe ook een beoordeling zal krijgen om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven.

Voor een personeelslid dat al voor 1 september 2019 dienstanciënniteit heeft verworven, geldt onder bepaalde voorwaarden een overgangsmaatregel (zie punt 5.2.3).

Het recht op TADD houdt in dat het personeelslid bij voorrang een tijdelijke aanstelling kan krijgen t.o.v. andere tijdelijke personeelsleden die niet aan deze voorwaarden voldoen.

De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur loopt over de schooljaren heen en is mogelijk in een vacante betrekking en in een niet-vacante betrekking.

Daarnaast is een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur eveneens een voorwaarde voor vaste benoeming in een wervingsambt. De omzendbrief 29/11/1999 - 13CC/VB/ml - Vaste benoeming - Procedure, voorwaarden en mededeling aan het departement Onderwijs gaat hier dieper op in.

Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur is van toepassing op betrekkingen in een wervingsambt in de instellingen en personeelscategorieën vermeld onder punt 5.

5.2.1. Voorwaarden

Vanaf 1 september 2019 moet een tijdelijk personeelslid aan de volgende voorwaarden voldoen om voor een wervingsambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven:

  • binnen een termijn van minstens twee schooljaren 580 dagen dienstanciënniteit verwerven, waarvan 400 dagen effectief moeten gepresteerd zijn (zie punt 5.2.1.1);
  • uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin het personeelslid de vereiste dienstanciënniteit heeft verworven, geen beoordeling met werkpunten hebben gekregen van de eerste evaluator (zie punt 5.2.1.2).

Deze nieuwe voorwaarden gelden voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 voor het eerst in dienst komt;
  • op of na 1 september 2019 opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 minder dan 580 dagen dienstanciënniteit heeft verworven.

Dit betekent dat een tijdelijk personeelslid op basis van de nieuwe voorwaarden voor het eerst het recht op TADD kan verwerven op 1 september 2020.

Daarnaast gelden er overgangsmaatregelen voor tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 30 juni 2019 of op 30 juni 2020 aan specifieke voorwaarden voldoen (zie punt 5.2.3).

5.2.1.1. Voorwaarde betreffende dienstanciënniteit

Om het recht op TADD te kunnen laten gelden moet het tijdelijke personeelslid een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen en dit gespreid over een periode van ten minste twee schooljaren.

Van deze 580 dagen moeten er daarenboven minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

5.2.1.1.1. Berekening van de dienstanciënniteit

Een personeelslid moet ten minste 580 dagen dienstanciënniteit hebben, gespreid over ten minste twee schooljaren, om een recht op TADD te verwerven. Van deze 580 dagen moeten er 400 effectief gepresteerd zijn. Hierna gaan we dieper in op de principes die van toepassing zijn bij de berekening van de dienstanciënniteit.

Bij de berekening van de dienstanciënniteit zijn zowel het ambt waarin het personeelslid de diensten presteert als het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid van belang.

5.2.1.1.1.1. Per ambt

De dienstanciënniteit geldt steeds per ambt. Om het recht op TADD te verwerven voor een bepaald ambt moet de dienstanciënniteit verworven zijn in dit specifieke ambt.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid oefent een opdracht uit in het ambt van leraar (11/22) en in het ambt van opvoeder (18/36).

De prestaties die het personeelslid in beide ambten opbouwt, mogen niet samengenomen worden voor het recht op TADD.

De dienstanciënniteit die het personeelslid opbouwt in het ambt van leraar geldt enkel voor de verwerving van het recht op TADD in het ambt van leraar.

De dienstanciënniteit die het personeelslid opbouwt in het ambt van opvoeder geldt enkel voor de verwerving van het recht op TADD in het ambt van opvoeder.

De diensten die een personeelslid opbouwt in een wervingsambt van het ondersteunend personeel (administratief medewerker, opvoeder) komen in aanmerking als diensten voor het desbetreffende ambt, ook als een personeelslid prestaties heeft verricht in betrekkingen met verschillende diplomaniveaus en met verschillende puntenwaarden.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid is aangesteld in het ambt van administratief medewerker in een betrekking van tenminste HSO (63 punten) voor 12/36 en in een betrekking van ten minste bachelor (82 punten) voor 9/36.

De diensten die het personeelslid in beide betrekkingen opbouwt, komen in aanmerking voor de verwerving van het recht op TADD in het ambt van administratief medewerker en tellen dus mee voor 19/36.

De diensten die werden gepresteerd in verschillende ambten kunnen in principe dus nooit worden samengeteld.

Op deze regel gelden echter een aantal uitzonderingen.

In volgende situaties kan de dienstanciënniteit die in een bepaald ambt is verworven toch in aanmerking worden genomen voor een ander ambt.

1. Dienstanciënniteit in het ambt van godsdienstleraar in het vrij confessioneel gesubsidieerd onderwijs

De dienstanciënniteit die een tijdelijk personeelslid in het vrij confessioneel gesubsidieerd onderwijs verwerft in het ambt van godsdienstleraar komt ook in aanmerking als dienstanciënniteit voor een ander wervingsambt, voor zover de onderwezen godsdienst degene is die voorkomt in het onderwijs verstrekt door het schoolbestuur.

2. Dienstanciënniteit in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs

Een schoolbestuur kan de diensten die een personeelslid heeft gepresteerd in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs in aanmerking nemen als gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon secundair onderwijs. Het aantal diensten dat zo in aanmerking kan worden genomen, is weliswaar beperkt tot 600 dagen dienstanciënniteit berekend volgens punt 5.2.1.1.2.

5.2.1.1.1.2. Volgens indeling van het bekwaamheidsbewijs

Bij het vaststellen van de nodige dienstanciënniteit per ambt speelt de indeling van het bekwaamheidsbewijs geen rol, behalve bij het ambt van leraar. Dit betekent dat ook diensten mogen meegenomen worden die een tijdelijk personeelslid heeft verworven in een ambt waarvoor het op dat ogenblik een “ander” bekwaamheidsbewijs had.

Het personeelslid kan het recht op TADD echter alleen maar laten gelden voor het ambt waarvoor hij over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikt en dit uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden. Het recht op TADD kan bijgevolg niet gelden voor een ambt, waarvoor het personeelslid slechts over een "ander" bekwaamheidsbewijs beschikt of waarvoor het personeelslid nog in de loop van het schooljaar een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs verwerft.

Voor het ambt van leraar moet bij het vaststellen van de dienstanciënniteit wel steeds onderscheid gemaakt worden tussen de prestaties die geleverd zijn met een vereist bekwaamheidsbewijs en een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs.

Aanstelling in een vak of een specialiteit op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs

Voor de berekening van de dienstanciënniteit voor een aanstelling in een vak of een specialiteit op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs komen volgende diensten in aanmerking:

  • alle diensten gepresteerd in de vakken of specialiteiten waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) heeft;
  • alle diensten gepresteerd in een vak of een specialiteit waarvoor hij een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) heeft.

Aanstelling in een vak of een specialiteit op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs

Voor de berekening van de dienstanciënniteit voor een aanstelling in een vak of een specialiteit op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) komen alleen de diensten in aanmerking die gepresteerd zijn in dat specifieke vak of die specifieke specialiteit.

Diensten verworven op basis van een “ander” bekwaamheidsbewijs kunnen wel meetellen als het personeelslid op het ogenblik dat hij het recht op TADD daadwerkelijk wilt uitoefenen voor het ambt, vak of specialiteit over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikt.

5.2.1.1.2. Berekeningswijze

Het personeelslid moet gespreid over een periode van ten minste twee schooljaren minstens 580 dagen dienstanciënniteit hebben verworven, waarvan er 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

580 dagen dienstanciënniteit

De 580 dagen dienstanciënniteit worden berekend volgens artikel 4 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 6 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De dienstanciënniteit omvat alle kalenderdagen met inbegrip van zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen, schoolvakanties en verloven die gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit, die binnen de periode van aanstelling van het tijdelijke personeelslid vallen.

Het aantal dagen mag hier echter niet worden vermenigvuldigd met 1,2.

Diensten met onvolledige prestaties worden op dezelfde manier in aanmerking genomen als diensten met volledige prestaties, op voorwaarde dat de prestaties ten minste de helft bedragen van het aantal uren vereist voor een betrekking met volledige prestaties.

Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die minder dan de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor een betrekking met volledige prestaties, wordt gedeeld door twee.

De diensten moeten gepresteerd zijn in hoofdambt.

400 dagen effectief gepresteerd

Deze berekening verloopt op dezelfde wijze als de berekening van de 580 dagen dienstanciënniteit, met dit verschil dat hier enkel de periodes in aanmerking worden genomen waarin het personeelslid effectieve prestaties heeft verricht.

Onder effectieve prestaties wordt verstaan: alle kalenderdagen met inbegrip van zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties die binnen de periode van aanstelling vallen.

Ziekteverlof, omstandigheidsverlof, enz. ... komen bijgevolg niet in aanmerking voor de berekening van de effectieve prestaties.

Om het recht op TADD te bepalen, worden de volgende periodes wel meegerekend voor de vaststelling van de 400 dagen effectieve prestaties en dit tot een maximum van 140 dagen:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn in de periode 1 september - 30 juni kunnen maximaal 303 (of 304 in een schrikkeljaar) dagen dienstanciënniteit per schooljaar verwerven. Tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn tot 31 augustus (bijvoorbeeld de administratief medewerker en administratief personeel) kunnen maximaal 360 dagen dienstanciënniteit per schooljaar verwerven.

Opmerking

  • In het gemeenschapsonderwijs komen alleen de diensten gepresteerd na 1 september 1988 in aanmerking;
  • In het gesubsidieerd onderwijs komen alleen de diensten gepresteerd na 1 september 1985 in aanmerking.

5.2.1.1.3. Berekeningsdatum

De dienstanciënniteit wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid het recht laat gelden.

Dit betekent dat om op 1 september het recht op een TADD te kunnen inroepen, het personeelslid de vereiste 580 en 400 dagen ten laatste moet verworven hebben op 30 juni van het voorgaande schooljaar.

5.2.1.1.4. Waar moet de dienstanciënniteit gepresteerd zijn?

Niet alle gepresteerde diensten tellen mee om het recht op TADD te verwerven. Het is belangrijk om na te gaan in welke instelling(en) en bij welk schoolbestuur de diensten gepresteerd werden en of de instelling al of niet deel uitmaakt van een scholengemeenschap.

5.2.1.1.4.1. In het gemeenschapsonderwijs

Bij de berekening van de dienstanciënniteit moet een onderscheid worden gemaakt tussen de diensten die gepresteerd zijn in instellingen die tot een scholengemeenschap behoren en instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren. Daarnaast vormt ook de scholengroep een belangrijk criterium.

Voor de berekening van het recht op TADD gelden de gepresteerde diensten als volgt:

Voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren

  • De prestaties die het personeelslid heeft geleverd in alle instellingen die behoren tot dezelfde scholengemeenschap en dit ongeacht het net waartoe de instelling behoort;
  • De prestaties die het personeelslid heeft geleverd in instellingen van dezelfde scholengroep.

Voor instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren

  • De prestaties die het personeelslid heeft geleverd in instellingen die behoren tot dezelfde scholengroep.

5.2.1.1.4.2. In het gesubsidieerd onderwijs

Bij de berekening van de dienstanciënniteit moet een onderscheid worden gemaakt tussen de diensten die gepresteerd zijn in instellingen die tot een scholengemeenschap behoren en instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Voor de berekening van het recht op TADD gelden de gepresteerde diensten als volgt:

Voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren

  • De prestaties die het personeelslid heeft geleverd in alle instellingen die behoren tot dezelfde scholengemeenschap en dit ongeacht het net waartoe de instelling behoort.

Voor instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren

  • De prestaties die het personeelslid heeft gepresteerd in instellingen van hetzelfde schoolbestuur en die niet tot een scholengemeenschap behoren.

5.2.1.2. De beoordeling

Om het recht op TADD te verwerven, zal een tijdelijk personeelslid naast de vereiste dienstanciënniteit (zie punt 5.2.1.1) uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij die dienstanciënniteit verwerft in principe een beoordeling moeten krijgen van zijn eerste evaluator (zie punt 5.1.2.2.3).

De beoordeling vormt het signaal dat het personeelslid zich kandidaat kan stellen om het recht op TADD te verwerven, tenzij het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD.

Als het tijdelijke personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de vereiste dienstanciënniteit voor het recht op TADD verwerft geen beoordeling heeft gekregen, dan is het alsof de beoordeling daadwerkelijk is toegekend. Dit houdt dan in dat het personeelslid het recht op TADD verwerft vanaf het daaropvolgend schooljaar (als hij zich ook tijdig kandidaat heeft gesteld).

Als het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD, moet het personeelslid bij een nieuwe aanstelling in een betrekking in het betrokken ambt, in dat ambt nog bijkomend 200 dagen effectieve prestaties verrichten om zich kandidaat te kunnen stellen om het recht op TADD te verwerven.

Deze 200 dagen worden volgens dezelfde principes berekend als de 400 dagen effectieve prestaties die in aanmerking komen voor het recht op TADD (zie punt 5.2.1.1.2). Daarbij gelden volgende periodes als effectieve prestaties en dit tot een maximum van 70 dagen:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid deze 200 extra dagen effectief heeft gepresteerd, heeft hij het volgende schooljaar recht op TADD bij kandidaatstelling op de daartoe voorziene datum (zie punt 5.2.1.3).

5.2.1.3. Kandidaatstelling en ingangsdatum

Om beroep te doen op zijn recht op TADD moet het personeelslid vóór 15 juni van het schooljaar waarin hij aan de gestelde voorwaarden voldoet, kandideren via een aangetekende brief.

Een personeelslid van het gemeenschapsonderwijs kandideert bij de raad van bestuur van de scholengroep waar hij zijn recht op TADD wil laten gelden.

Een personeelslid van het gesubsidieerd onderwijs kandideert bij het schoolbestuur waar hij zijn recht op TADD wil laten gelden.

Als de instelling tot een scholengemeenschap behoort, geldt de kandidatuur voor alle scholen van deze scholengemeenschap en in het gemeenschapsonderwijs ook voor alle instellingen van de scholengroep.

Deze kandidaatstelling geldt niet als een permanente kandidaatstelling en een tijdelijk personeelslid moet deze kandidaatstelling elk jaar herhalen zolang hij niet voor doorlopende duur wordt aangesteld.

Vanaf het ogenblik dat een personeelslid een eerste keer effectief is aangesteld voor doorlopende duur geldt dit als een doorlopende kandidaatstelling over de schooljaren heen bij de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur en desgevallend de scholengemeenschap (gesubsidieerd onderwijs) voor het ambt waarin hij effectief werd aangesteld.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september volgend op de kandidaatstelling.

Om vanaf 1 september het recht op TADD te laten gelden, moet het personeelslid voor het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld:

  • op 30 juni van het voorafgaande schooljaar aan de voorwaarden betreffende dienstanciënniteit en beoordeling voldoen (zie punt 5.2.1.1)
  • en uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden, beschikken over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt.

Het personeelslid met een recht op TADD dat de betrekking niet effectief kan opnemen omwille van ziekte, arbeidsongeval of moederschapsrust, behoudt dit recht. Het personeelslid kan worden aangesteld en voor de duur van de afwezigheid volgens de geldende regels vervangen worden. Na de afwezigheid neemt het personeelslid de hem toegewezen betrekking effectief op.

5.2.1.4. Voorbeelden berekening dienstanciënniteit

Voorbeeld 1

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld als leraar in het algemeen vak Frans (VE) in school A van een scholengemeenschap met meerdere scholen waar betrokken personeelslid geen prestaties verricht. 

 

School A 

School B 

School C 

 

Schooljaar 1: 14/22 

 

 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

 

 

Schooljaar 2: 

18/22 

 

 

1-9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs:

- schooljaar 1: 303 dagen in school A

- schooljaar 2: 303 dagen in school A

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid 606 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor het ambt van leraar voor alle vakken waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs heeft, als hij zich uiterlijk voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 in de alle scholen van de scholengemeenschap.

Voorbeeld 2

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld als leraar in het algemeen vak Engels (VE) in een school die behoort tot een scholengemeenschap.

 

Schooljaar 1 : 17/22 

 

1/9 – 24/12= 115 dagen 

 

 

 

15/1 - 30/6 = 166 dagen 

 

 

 

Schooljaar 2: 11/22 

 

1/9 – 30/6= 303 dagen 

 

 

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd in het ambt van leraar op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs:

- schooljaar 1: 115 dagen + 166 dagen in school C = 281 dagen

- schooljaar 2: 303 dagen (een halftijdse opdracht telt mee voor de volledige duur)

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid 584 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 3 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor het ambt van leraar op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs als hij zich uiterlijk voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor alle vakken waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs verworven heeft en dit in alle scholen van de scholengemeenschap.

Voorbeeld 3

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het ambt van leraar in het algemeen vak Nederlands (VE) in een school die behoort tot een scholengemeenschap.

 

Schooljaar 1: 20/20 

 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

Schooljaar 2: 20/20 

 

1-9 – 30/6 = 303 dagen 

 

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd in het ambt van leraar op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs:

- schooljaar 1: 303 dagen

- schooljaar 2: 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid 606 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten die leidt tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet niet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor het ambt van leraar, op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs vanaf 1 september van het schooljaar 3. Het personeelslid heeft wel voldoende dienstanciënniteit opgebouwd, maar de beoordeling met werkpunten verhindert het recht op TADD.

Het personeelslid moet bij een nieuwe tijdelijke aanstelling in schooljaar 3 (of later) nog bijkomend 200 dagen dienstanciënniteit presteren om zich daarna kandidaat te kunnen stellen voor het recht op TADD in het ambt van leraar op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs.

Voorbeeld 4

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het ambt van leraar in de algemene vakken Wiskunde (VE) en Aardrijkskunde (VO) in twee verschillende scholen die allebei behoren tot dezelfde scholengemeenschap.

Het personeelslid oefent volgende opdrachten uit:

 

Schooljaar 1 

 

School A 

11/22
AV Wiskunde (VE) 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

School B 

11/22
AV Aardrijkskunde (VO) 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

 

Schooljaar 2 

 

 

School A 

11/22
AV Wiskunde (VE) 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

 

School B 

11/22
AV Aardrijkskunde (VO) 

1/9 – 30/6 = 303 dagen 

 

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd in het ambt van leraar op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs:

- schooljaar 1: 303 dagen (halftijds telt voor volledige duur)

- schooljaar 2: 303 dagen (halftijds telt voor volledige duur)

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid in het ambt van leraar, op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs, 606 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 3 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid volgende dienstanciënniteit opgebouwd in het AV Aardrijkskunde op basis van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs:

- schooljaar 1: 303 dagen (halftijds telt voor volledige duur)

- schooljaar 2: 303 dagen (halftijds telt voor volledige duur)

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid in het ambt van leraar op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs en voor het AV Aardrijkskunde op basis van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs 606 dagen dienstanciënniteit opgebouwd, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 3 juni van schooljaar 2 krijgt het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor alle vakken waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs bezit en ook voor het algemeen vak Aardrijkskunde (VO) als hij uiterlijk voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt dan vanaf 1 september van schooljaar 3 in alle scholen van de scholengemeenschap.

Voorbeeld 5

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het technisch vak Elektriciteit (VO) in een school die niet behoort tot een scholengemeenschap.

Het personeelslid oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 - 30/6: 11/20 Elektriciteit (VO) = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 - 30/6: 11/20 Elektriciteit (VO) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar, op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, een dienstanciënniteit van 606 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 28 mei van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich uiterlijk voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 in het ambt van leraar voor het vak Elektriciteit (TV en PV) en voor alle vakken waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs heeft. Dit recht is evenwel beperkt tot de betrokken school en alle scholen van dezelfde inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap.

Voorbeeld 6

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het ambt van leraar ASV in een school voor buitengewoon secundair onderwijs die behoort tot een scholengemeenschap

en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 - 30/6: 22/22 leraar ASV (VO) = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 - 30/6: 11/22 leraar ASV (VO) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar ASV een dienstanciënniteit van 606 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

De halftijdse opdracht in schooljaar 2 telt mee voor de volledige duur.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich uiterlijk voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van leraar ASV in alle scholen van de scholengemeenschap waar dit ambt wordt ingericht (BUSO scholen).

Voorbeeld 7

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het ambt van leraar in het algemeen vak Informatica(VE).

Het personeelslid oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 30/6: 6/22 AV informatica (VE) = 303/2= 151 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 6/22 en 2/20 AV Informatica (VE) = 303/2 = 151 dagen

Schooljaar 3: 1/9 – 30/6: 4/22 en 4/20 AV Informatica (VE) = 303/2 = 151 dagen

Op 30 juni van schooljaar 3 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 151 dagen + 151+ 151 dagen = 453 dagen.

Het personeelslid heeft onvoldoende dienstanciënniteit om het recht op TADD te verwerven, vermits hij in het ambt van leraar geen 580 dagen dienstanciënniteit heeft verworven.

Voorbeeld 8

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het ambt van leraar in het technisch vak Handelscorrespondentie Frans (VE) en in het algemeen vak Frans (VO) en presteert enkel in een school die niet behoort tot een scholengemeenschap.

Het personeelslid oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 30/6: 8/21 TV Handelscorrespondentie Frans (VE) = 303/2= 151 dagen

Schooljaar 1: 1/9 – 30/6: 12/20 AV Frans (VO) = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 8/21 TV Handelscorrespondentie Frans (VE) = 303/2= 151 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 12/20 AV Frans (VO) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar, op basis van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak Frans een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen = 606 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijk personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich uiterlijk voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het algemeen vak Frans . Het recht geldt echter ook voor alle vakken in het ambt van leraar waarvoor het personeelslid het vereist bekwaamheidsbewijs bezit. Dit recht is echter alleen van toepassing in de betrokken school en eventuele andere scholen van hetzelfde schoolbestuur die ook niet behoren tot een scholengemeenschap.

Voorbeeld 9

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het ambt van leraar BGV (OV2) in een school voor buitengewoon secundair onderwijs die behoort tot een scholengemeenschap

en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 - 30/6: 24/24 leraar BGV OV2 (VE) = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 - 30/6: 16/24 leraar BGV OV2 (VE) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar BGV een dienstanciënniteit van 606 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich uiterlijk voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van leraar BGV in alle scholen van de scholengemeenschap waar dit ambt wordt ingericht (BUSO scholen) voor BGV in OV2 én voor de specialiteit(en) BGV in OV3 waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs heeft.

Voorbeeld 10

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in het ambt van leraar BGV (OV3) in een school voor buitengewoon secundair onderwijs die niet behoort tot een scholengemeenschap

en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 - 30/6: 24/24 leraar BGV OV3 - Schilderen en decoratie (VO) = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 - 30/6: 16/24 leraar BGV OV3 - Schilderen en decoratie (VO) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar BGV een dienstanciënniteit van 606 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich uiterlijk voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van leraar BGV voor de specialiteit Schilderen en decoratie in OV3 én voor het ambt van leraar BGV in OV2. Dit recht is echter alleen van toepassing in de betrokken school en eventuele andere scholen van hetzelfde schoolbestuur die ook niet behoren tot een scholengemeenschap.

Voorbeeld 11

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld in een school van een scholengemeenschap en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 31/8: 18/36 administratief medewerker (VE) = 360 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 36/36 administratief medewerker (VE) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van administratief medewerker een dienstanciënniteit van 663 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich uiterlijk voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van administratief medewerker in alle scholen van de scholengemeenschap.

5.2.2. Waarvoor en waar geldt het recht op TADD?

Het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt t.a.v. het ambt waarin het personeelslid het recht op TADD heeft verworven en voor elke vacante betrekking en niet-vacante betrekking in dat ambt.

Zowel tijdelijke personeelsleden als deeltijds vastbenoemde personeelsleden kunnen het recht op TADD laten gelden op elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat.

Dit geldt niet als het personeelslid al als titularis is aangesteld voor een voltijdse betrekking in het ambt waarvoor hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven.

Voorbeeld

Een personeelslid heeft een recht op TADD verworven voor het ambt van leraar. Bij het begin van het schooljaar wordt het personeelslid aangesteld in de vervanging van een opvoeder. In de loop van het schooljaar wordt een betrekking van leraar vacant. Het personeelslid kan zijn recht op TADD laten gelden voor dit ambt van leraar.

Opgelet
Het recht op TADD geldt niet voor een tijdelijke aanstelling in volgende situaties:

- Uitbreiding van TADD bij langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen

Een personeelslid dat de goedkeuring heeft gekregen om een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen op te nemen, kan geen uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling krijgen vergeleken met de toestand aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen. Dit principe geldt eveneens voor een personeelslid dat met langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen is en het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur (TADD) heeft of tijdens zijn langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen het recht op TADD vergaart. Dit personeelslid kan dit recht op TADD slechts inroepen voor een tijdelijke aanstelling die beperkt is tot het volume van zijn tijdelijke aanstelling aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.
Meer informatie over dit verlof vindt u in de omzendbrief PERS/2007/07 van 21-09-2007- Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

- Tijdelijke aanstelling via verlof TAO

Een vastbenoemd personeelslid kan niet voor doorlopende duur worden aangesteld in de opdracht die hij via het verlof TAO (tijdelijk andere opdracht) in een wervingsambt uitoefent. Het personeelslid verwerft wel dienstanciënniteit in het ambt dat hij op deze wijze tijdelijk uitoefent. Het vastbenoemde personeelslid kan de dienstanciënniteit die hij via het verlof TAO heeft opgebouwd ook aanwenden om in het desbetreffende ambt het recht op TADD in te roepen. Het vastbenoemde personeelslid kan het recht op TADD enkel effectief uitoefenen als hij op het ogenblik dat hem een betrekking wordt aangeboden, bij zijn schoolbestuur een afwezigheid voor verminderde prestaties (AVP) vraagt en krijgt. Op deze wijze oefent het personeelslid zijn recht op TADD uit als een ‘zuiver’ tijdelijk personeelslid.
Men mag in deze niet uit het oog verliezen dat het nemen van een AVP geen recht is. Het is dus mogelijk dat het personeelslid zijn recht op TADD niet kan uitoefenen als zijn schoolbestuur de AVP niet toestaat.

5.2.2.1. In het gemeenschapsonderwijs

Het recht op TADD geldt binnen de scholengroep waar het personeelslid zijn dienstanciënniteit heeft verworven en kan in een bepaalde volgorde worden ingeroepen.

Deze volgorde vloeit voort uit het feit of de instelling waar het personeelslid zijn recht op TADD heeft verworven al of niet behoort tot een scholengemeenschap.

De dienstanciënniteit is verworven in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap

Het personeelslid kan zijn recht op TADD laten gelden in deze volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap. Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, geldt dit ook in de instellingen van het andere net;

2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep. Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, is dit beperkt tot de instellingen van deze scholengemeenschap die behoren tot het gemeenschapsonderwijs;

3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

De dienstanciënniteit is verworven in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap

Het personeelslid kan zijn recht op TADD laten gelden in deze volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;

2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.

5.2.2.2. In het gesubsidieerd onderwijs

In het gesubsidieerd onderwijs geldt het recht op TADD afhankelijk van de instelling(en) en het schoolbestuur waar het personeelslid zijn recht heeft opgebouwd. Daarbij is het eveneens van belang of de instelling al of niet behoort tot een scholengemeenschap.

De dienstanciënniteit is verworven in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap

Als het personeelslid het recht op TADD heeft verworven in een of meer instellingen die tot een scholengemeenschap behoren, dan geldt dit recht in alle instellingen van deze scholengemeenschap, ongeacht het schoolbestuur waartoe de instelling behoort.

De dienstanciënniteit is verworven in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap

Als het personeelslid het recht op TADD heeft verworven in een of meer instellingen die niet behoren tot een scholengemeenschap, dan geldt dit recht in alle instellingen van het schoolbestuur, weliswaar beperkt tot de instellingen van dit schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren.

5.2.3. Overgangsmaatregelen TADD

Voor tijdelijke personeelsleden die aan bepaalde voorwaarden voldoen, gelden de nieuwe voorwaarden voor TADD niet. Zij kunnen beroep doen op een specifieke overgangsmaatregel.

Het gaat om volgende groepen:

  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 720 dagen dienstanciënniteit verworven gespreid over minstens 3 schooljaren (categorie 1 – punt 5.2.3.1);
  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens twee schooljaren minstens 580 dagen en maximum 719 dagen dienstanciënniteit verworven (categorie 2 – punt 5.2.3.2);
  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2020 minstens 720 dagen dienstanciënniteit verworven gespreid over minstens 3 schooljaren (categorie 3 – punt 5.2.3.3).

Opgelet !

Voor een personeelslid geldt in principe slechts één overgangsmaatregel.
Bij de kandidaatstelling voor het recht op TADD zal duidelijk zijn welke overgangsmaatregel van toepassing is voor het personeelslid.

5.2.3.1. Categorie 1: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 720 dagen dienstanciënniteit gespreid over minstens drie schooljaren

5.2.3.1.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens drie schooljaren in het ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 5.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2019 kandidaat heeft gesteld bij de raad van bestuur van de scholengroep, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2019.

Als de prestaties verworven zijn in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt het recht op TADD in volgende volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap.

Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, geldt dit zelfs in de instellingen van het andere net;

2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep. Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, is dit beperkt tot de instellingen het gemeenschapsonderwijs in deze scholengemeenschap;

3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Als de prestaties verworven zijn in een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort, dan geldt het recht op TADD in volgende volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;

2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.

Heeft een tijdelijk personeelslid dat aan deze voorwaarden voldoet zich echter voor 15 juni 2019 niet kandidaat gesteld of heeft het personeelslid tijdens het schooljaar 2019-2020 geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gekregen, dan kan dit personeelslid zich voor 15 juni 2020 of later nog steeds kandidaat stellen onder de voorwaarden van deze overgangsmaatregel om zo op of na 1 september 2020 het recht op TADD te behouden of te verwerven.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 5.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

5.2.3.1.2. In het gesubsidieerd onderwijs

5.2.3.1.2.1. De instelling behoort tot een scholengemeenschap

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens drie schooljaren in het ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 5.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2019 kandidaat heeft gesteld bij het schoolbestuur, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2019 in de instellingen van de scholengemeenschap.

Heeft een tijdelijk personeelslid dat aan deze voorwaarden voldoet zich echter voor 15 juni 2019 niet kandidaat gesteld of heeft het personeelslid tijdens het schooljaar 2019-2020 geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gekregen, dan kan dit personeelslid zich voor 15 juni 2020 of later nog steeds kandidaat stellen onder de voorwaarden van deze overgangsmaatregel om zo op of na 1 september 2020 het recht op TADD te behouden of te verwerven.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 5.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

5.2.3.1.2.2. De instelling behoort niet tot een scholengemeenschap

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens drie schooljaren in het ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer instellingen van hetzelfde schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 5.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2019 kandidaat heeft gesteld bij het schoolbestuur, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2019 in de instellingen van hetzelfde schoolbestuur die niet behoren tot een scholengemeenschap.

Heeft een tijdelijk personeelslid dat aan deze voorwaarden voldoet zich echter voor 15 juni 2019 niet kandidaat gesteld of heeft het personeelslid tijdens het schooljaar 2019-2020 geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gekregen, dan kan dit personeelslid zich voor 15 juni 2020 of later nog steeds kandidaat stellen onder de voorwaarden van deze overgangsmaatregel om zo op of na 1 september 2020 het recht op TADD te behouden of te verwerven.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 5.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

5.2.3.2. Categorie 2: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 580 dagen en maximum 719 dagen gespreid over minstens twee schooljaren

5.2.3.2.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor een tijdelijk personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 tijdelijk aangesteld wordt in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep;
  • uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven heeft van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn;
  • voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld (ten vroegste 30 juni 2020) geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 5.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 400 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 140 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020.

Als de prestaties verworven zijn in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt het recht op TADD in volgende volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap.

Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, geldt dit ook in de instellingen van het andere net;

2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep. Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, is dit beperkt tot de instellingen van het gemeenschapsonderwijs in deze scholengemeenschap;

3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Als de prestaties verworven zijn in een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort, dan geldt het recht op TADD in volgende volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;

2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.

Deze overgangsmaatregel blijft ook van kracht voor elk personeelslid dat in de toekomst opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet.

5.2.3.2.2. In het gesubsidieerd onderwijs

5.2.3.2.2.1. De instelling behoort tot een scholengemeenschap

Deze overgangsmaatregel geldt voor een tijdelijk personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 tijdelijk aangesteld wordt in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap;
  • uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven heeft van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn;
  • voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld (ten vroegste 30 juni 2020) geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 5.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 400 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 140 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020 in alle instellingen van de scholengemeenschap.

Deze overgangsmaatregel blijft ook van kracht voor elk personeelslid dat in de toekomst opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet.

5.2.3.2.2.2. De instelling behoort niet tot een scholengemeenschap

Deze overgangsmaatregel geldt voor een tijdelijk personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 tijdelijk aangesteld wordt in het betrokken ambt in een of meer instellingen van hetzelfde schoolbestuur die niet behoren tot een scholengemeenschap;
  • uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van hetzelfde schoolbestuur die niet behoren tot een scholengemeenschap gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven heeft van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn;
  • voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld (ten vroegste 30 juni 2020) geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 5.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 400 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 140 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020 in alle instellingen van het schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Deze overgangsmaatregel blijft ook van kracht voor elk personeelslid dat in de toekomst opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet.

5.2.3.3. Categorie 3: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2020 minstens 720 dagen dienstanciënniteit gespreid over minstens drie schooljaren

5.2.3.3.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep aangesteld is;
  • uiterlijk op 30 juni 2020 gespreid over minstens drie schooljaren in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep in het betrokken ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer instellingen van hetzelfde schoolbestuur of desgevallend de scholengemeenschap, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 5.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat heeft gesteld bij de raad van bestuur van de scholengroep, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020.

Als de prestaties verworven zijn in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt het recht op TADD in volgende volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap.

Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, geldt dit zelfs in de instellingen van het andere net;

2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep. Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, is dit beperkt tot de instellingen van deze scholengemeenschap die behoren tot het gemeenschapsonderwijs;

3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Als de prestaties verworven zijn in een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort, dan geldt het recht op TADD in volgende volgorde:

1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;

2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 5.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

Deze overgangsmaatregel blijft ook na 1 september 2020 van toepassing zodat het tijdelijke personeelslid dat op 30 juni 2020 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet, zich in de loop van de volgende schooljaren op deze maatregel kan beroepen.

5.2.3.3.2. In het gesubsidieerd onderwijs

5.2.3.3.2.1. De instelling behoort tot een scholengemeenschap

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap aangesteld is;
  • uiterlijk op 30 juni 2020 gespreid over minstens drie schooljaren in een of meer instellingen van de scholengemeenschap in het betrokken ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 5.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020 in de instellingen van de scholengemeenschap.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 5.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

Deze overgangsmaatregel blijft ook na 1 september 2020 van toepassing zodat het tijdelijke personeelslid dat op 30 juni 2020 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet, zich in de loop van de volgende schooljaren op deze maatregel kan beroepen.

5.2.3.3.2.2. De instelling behoort niet tot een scholengemeenschap

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van hetzelfde schoolbestuur die niet behoren tot een scholengemeenschap aangesteld is;
  • uiterlijk op 30 juni 2020 gespreid over minstens drie schooljaren in een of meer instellingen van hetzelfde schoolbestuur die niet behoren tot een scholengemeenschap in het betrokken ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 5.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020 in de instellingen van het schoolbestuur die niet behoren tot een scholengemeenschap.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 5.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

Deze overgangsmaatregel blijft ook na 1 september 2020 van toepassing zodat het tijdelijke personeelslid dat op 30 juni 2020 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet, zich in de loop van de volgende schooljaren op deze maatregel kan beroepen.

5.2.4. Verlies van het recht op TADD

Bepaalde omstandigheden in de loop van de onderwijsloopbaan kunnen ertoe leiden dat een tijdelijk personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur verliest. Dit verlies kan tijdelijk zijn, maar kan ook definitief zijn.

Bij tijdelijk verlies van het recht op TADD verliest het personeelslid het recht op TADD voor de duur van een schooljaar of kan hij voor een bepaalde periode het recht op een uitbreiding van zijn TADD verliezen.

Bij definitief verlies van het recht op TADD moet het personeelslid het recht op TADD opnieuw opbouwen en dus opnieuw de vereiste dienstanciënniteit verwerven.

In volgende situaties verliest een personeelslid het recht op TADD dat hij in een ambt heeft verworven.

1. Het personeelslid heeft vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten gepresteerd in de instellingen van hetzelfde schoolbestuur of van dezelfde scholengemeenschap

Het personeelslid dat zijn recht op TADD heeft verworven in een scholengemeenschap, verliest dat recht op TADD als hij gedurende vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de instellingen van de scholengemeenschap.

Het personeelslid dat zijn recht op TADD heeft verworven in een instelling van een schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoort, verliest dat recht op TADD als hij gedurende vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de instellingen van het schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid heeft in de scholengemeenschap A het recht op TADD opgebouwd, maar neemt op 1 september daaropvolgend geen TADD-aanstelling op in een school van de scholengemeenschap A.

Gedurende de schooljaren X+1 tot en met het schooljaar X+5 levert het personeelslid geen enkele prestatie in een of meer scholen van de scholengemeenschap A. Het personeelslid stelt zich in juni van het schooljaar x+5 kandidaat voor een tijdelijke aanstelling in een school van de scholengemeenschap A. Het personeelslid kan op of na 1 september van het schooljaar X+5 echter alleen als TABD worden aangesteld. Het personeelslid heeft immers geen recht meer op TADD omdat het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de scholen van scholengemeenschap A.

Voor een tijdelijk personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven en dat op het ogenblik van de aanvang van de afwezigheid reeds een TADD-aanstelling heeft, geldt deze bepaling niet. Dit betekent dat het personeelslid ook na een afwezigheid van vijf opeenvolgende schooljaren zijn TADD-aanstelling behoudt en deze weer kan opnemen, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was ondertussen volgens de geldende regelgeving aan een ander personeelslid moest worden toegewezen.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid heeft in de scholengemeenschap B het recht op TADD opgebouwd en krijgt op 1 september een TADD-aanstelling in een betrekking in een school van de scholengemeenschap.

Het volgende schooljaar (X+1) behoudt het personeelslid in de betrekking zijn TADD-aanstelling, maar hij vraagt en krijgt op 1 september X+1 een AVP. Deze AVP wordt ook gedurende de schooljaren X+2 tot en met X+5 aangevraagd en toegekend. Tijdens deze periode van AVP oefent het personeelslid in de scholen van de scholengemeenschap geen enkele prestatie uit, maar hij behoudt wel de TADD-aanstelling in de school waar hij AVP neemt.

Op 31 augustus van schooljaar X+5 eindigt de AVP en op 1 september daaropvolgend neemt het personeelslid zijn betrekking in de school weer op.

Het personeelslid neemt op 1 september van schooljaar X+6 zijn betrekking weer op als TADD’er. Het personeelslid heeft weliswaar 5 opeenvolgende schooljaren geen prestaties verricht in de scholengemeenschap B, maar doordat hij effectief een TADD-aanstelling had op het ogenblik dat zijn afwezigheid startte, verliest hij na de afwezigheid van 5 opeenvolgende schooljaren zijn TADD-aanstelling niet. De TADD-aanstelling is immers gedurende de afwezigheid verder blijven lopen omdat het personeelslid aangesteld bleef in de betrekking in kwestie.

Het verlies van TADD houdt in dat het personeelslid niet onmiddellijk het recht op TADD kan inroepen bij een nieuwe tijdelijke aanstelling. Dit houdt echter niet in dat het personeelslid zijn eerder verworven dienstanciënniteit niet meer kan aanwenden om het recht op TADD opnieuw te verwerven.

Het personeelslid kan zich na deze periode van 5 schooljaren voor 15 juni weer kandidaat stellen voor het recht op TADD het daaropvolgende schooljaar op basis van de eerder verworven dienstanciënniteit.

2. Het tijdelijke personeelslid stelt zich niet tijdig kandidaat

Een tijdelijk personeelslid dat niet voor 15 juni kandideert voor het recht op TADD in een ambt, kan het daaropvolgende schooljaar geen recht op TADD inroepen voor dat ambt.

Het tijdelijke personeelslid verliest op deze wijze het recht op TADD voor dat ambt voor de duur van een schooljaar. Dit geldt enkel als het personeelslid nog geen TADD-aanstelling heeft gekregen voor het ambt in kwestie, vermits een TADD-aanstelling geldt als een permanente kandidaatstelling (zie punt 5.2.1.3).

3. Het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, krijgt een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende

Een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld en in een instelling voor een welbepaald ambt een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” krijgt, kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in die instelling en voor het ambt in kwestie.

Meer informatie over evaluatie vindt u in de omzendbrief PERS/2007/09 van 29-10-2007 - Functiebeschrijving en evaluatie.

4. Het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, wordt door zijn schoolbestuur ontslagen

Een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld en dat door zijn schoolbestuur wordt ontslagen als gevolg van een tuchtmaatregel of na twee of drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”, verliest zijn recht op TADD.

Meer informatie hierover vindt u in punt 5.2.6.2.

5.2.5. Administratieve en geldelijke toestand

5.2.5.1. Administratieve toestand

Net als bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur moet het schoolbestuur ook de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van een personeelslid schriftelijk vastleggen.

Meer informatie hierover vindt u in punt 5.1.3.1.

5.2.5.2. Geldelijke toestand

Net als bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgt een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, zowel in een vacante als in een niet-vacante betrekking, voor de duur van zijn aanstelling maandelijks een salaris en onder bepaalde voorwaarden een uitgestelde bezoldiging in juli en augustus.

Meer informatie hierover vindt u in punt 5.1.3.2.

5.2.5.3. Ziekteverlof

Het tijdelijke personeelslid dat is aangesteld voor doorlopende duur heeft tijdens een afwezigheid wegens ziekte binnen de periode van zijn aanstelling onder bepaalde voorwaarden recht op bezoldigd ziekteverlof.

Deze voorwaarden en de berekeningswijze van het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vindt u terug in de omzendbrief - Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding – PERS/2007/07 van 21-09-2007 (punt 2.2).

De tijdelijke aanstelling voor doorlopend duur loopt in principe over de schooljaren heen. Voor een tijdelijk personeelslid met recht op TADD is er in principe dan ook geen nieuwe aanstelling nodig op 1 september van het daaropvolgend schooljaar. In dat geval wordt het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur aangesteld blijft ook beschouwd als zijnde effectief in dienst op deze datum. Dit betekent dat een tijdelijk personeelslid dat op 1 september voor doorlopende duur aangesteld blijft en op 1 september ziek wordt effectief door het AGODI wordt bezoldigd, tenzij zijn recht op bezoldigd ziekteverlof is uitgeput. Bij uitputting van het recht op bezoldigd ziekteverlof zal het ziekenfonds instaan voor de bezoldiging.

Voorbeeld

Een personeelslid wordt tijdens het schooljaar 20XX-20YY aangesteld in een definitief vacante betrekking (ato 2) als tijdelijk aangesteld personeelslid van doorlopende duur. Het personeelslid wordt ziek op 1 september 20YY (volgend schooljaar). Dit ziekteverlof wordt bezoldigd op voorwaarde dat er nog genoeg recht op bezoldigd ziekteverlof aanwezig is.

Het personeelslid wordt immers geacht te voldoen aan de voorwaarde om zijn dienst effectief te hebben opgenomen.

Als het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op het einde van het schooljaar door het schoolbestuur, schriftelijk en gemotiveerd, uit dienst werd gemeld en het personeelslid komt het volgende schooljaar op 1 september opnieuw in dienst bij hetzelfde schoolbestuur of in dezelfde scholengemeenschap dan gelden ook hier voormelde regels.

Als het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op het einde van het schooljaar door het schoolbestuur, schriftelijk en gemotiveerd, uit dienst werd gemeld en het personeelslid komt het volgende schooljaar niet opnieuw in dienst op 1 september, dan gelden de regels voor een gewone tijdelijke aanstelling. Wordt het tijdelijke personeelslid pas in de loop van het schooljaar voor doorlopende duur aangesteld en is hij onmiddellijk afwezig wegens ziekte, dan wordt hij niet door de overheid bezoldigd, maar valt hij onmiddellijk ten laste van het ziekenfonds.

Voorbeeld

Een personeelslid was tijdens het schooljaar 20XX-20YY aangesteld in een niet-vacante betrekking (ato 1) als TADD. Het personeelslid wordt op 30-06-20YY uit dienst gemeld. Op 1 november 20YY wordt het personeelslid opnieuw aangesteld voor doorlopende duur in een vacante betrekking (ato 2). Het personeelslid wordt echter onmiddellijk ziek. Dit ziekteverlof wordt niet bezoldigd.

5.2.6. Einde van de tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur

De aanstelling van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur kan worden beëindigd door een ontslag dat uitgaat van het schoolbestuur of via een vrijwillig ontslag van het personeelslid zelf.

Daarnaast zijn er een aantal situaties – die vastgelegd zijn in de decreten rechtspositie – die automatisch een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. We spreken in dat geval niet over een ontslag, maar over een beëindiging van de tijdelijke aanstelling van rechtswege.

5.2.6.1. Einde van de tijdelijke aanstelling van rechtswege

De decreten rechtspositie bepalen dat er onder bepaalde omstandigheden van rechtswege een einde komt aan de tijdelijke aanstelling van een personeelslid.

Dit houdt in dat er onmiddellijk een einde aan de aanstelling komt en er geen opzegtermijn is voor het personeelslid.

Aandacht
Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur eindigt niet van rechtswege op het einde van het schooljaar, maar loopt in principe door over de schooljaren heen.

Een tijdelijk personeelslid dat op het einde van het schooljaar voor doorlopende duur is aangesteld in een betrekking die op 1 september ongewijzigd behouden blijft, kan op 1 september niet worden verdrongen door een ander tijdelijk personeelslid, ook niet als dit tijdelijke personeelslid het recht op TADD heeft. Door het feit dat er een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is die over de schooljaren heen loopt, ontstaat op 1 september immers geen vacature die aan een ander tijdelijk personeelslid kan worden aangeboden.

Volgende redenen leiden onmiddellijk tot een einde van de tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur.

1. De terugkeer van de titularis van de betrekking

Als de titularis van de betrekking terugkeert uit zijn afwezigheid komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid dat in die betrekking als vervanger is aangesteld.

2. De betrekking wordt aan een ander personeelslid toegewezen

- omwille van de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling

Als het schoolbestuur in het kader van de verplichtingen betreffende reaffectatie of wedertewerkstelling de betrekking moet toekennen aan een vastbenoemd personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

- door toewijzing van een affectatie, een mutatie of een vaste benoeming van een ander personeelslid

Als het schoolbestuur een vastbenoemd personeelslid in de betrekking muteert

of affecteert, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Als het schoolbestuur op 1 januari een ander personeelslid in de betrekking vast benoemt, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

3. Het tijdelijke personeelslid wordt zelf vast benoemd

Als het schoolbestuur het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op 1 januari een vaste benoeming toekent, eindigt zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor het volume waarvoor hij vast benoemd wordt.

4. De betrekking kan niet langer gefinancierd of gesubsidieerd worden

Als de betrekking niet meer financierbaar of subsidieerbaar is, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

5. Het personeelslid voldoet niet (meer) aan de aanstellingsvoorwaarden

Als na de aanstelling van het tijdelijke personeelslid blijkt dat hij niet (meer) voldoet aan een of meer van de aanstellingsvoorwaarden, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Voorbeeld

Het personeelslid wordt strafrechtelijk veroordeeld en deze veroordeling leidt tot het tijdelijke of definitief verlies van zijn burgerlijke en politieke rechten. Dit personeelslid voldoet vanaf dat ogenblik niet meer aan de aanstellingsvoorwaarde die stelt dat hij de burgerlijke en politiek rechten moet genieten.

6. Bij het bereiken van de leeftijdsgrens

Als het tijdelijke personeelslid de leeftijdsgrens bereikt die leidt tot pensionering, komt er op het einde van dat schooljaar een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Op deze regel geldt een uitzondering, zodat een personeelslid ook na het bereiken van de leeftijdsgrens een tijdelijke aanstelling kan behouden.

Meer informatie over deze maatregelen vindt u in de omzendbrief Langer werken dan 65 jaar (PERS/2012/05 van 30-07-2012).

7. Bij de definitieve pensionering van het personeelslid

Op het ogenblik dat het tijdelijke personeelslid met pensioen gaat, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

5.2.6.2. Einde van de tijdelijke aanstelling door ontslag

Voor het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur gelden dezelfde ontslagmogelijkheden als voor vastbenoemde personeelsleden.

Dit betekent dat een schoolbestuur een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld niet kan ontslaan met een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen en ook niet kan ontslaan wegens dringende redenen.

De redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor doorlopende duur zijn:

  • als gevolg van een tuchtmaatregel van zijn schoolbestuur;
  • na twee of drie definitieve evaluaties met eindconclusies “onvoldoende”;
  • wegens vrijwillig ontslag;
  • wegens definitieve ambtsneerlegging.

1. Ontslag of afzetting omwille van een tuchtmaatregel

Een schoolbestuur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur ontslaan of afzetten bij wijze van tuchtmaatregel.

Deze tuchtmaatregel volgt uit een tuchtprocedure die door het schoolbestuur wordt opgestart.

U vindt meer informatie over de tuchtregeling voor het gemeenschapsonderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 60bis en volgende) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 63bis en volgende).

Het ontslag of de afzetting bij tuchtmaatregel gaat niet gepaard met een opzeggingstermijn voor het tijdelijke personeelslid.

Een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en dat door zijn schoolbestuur als gevolg van een tuchtmaatregel wordt ontslagen uit zijn ambt, kan voor dat ambt geen beroep meer doen op de diensten die hij voor dat ontslag heeft verworven.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) die niet tot een scholengemeenschap behoren niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de scholengemeenschap niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Aandacht
Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in een instelling van het schoolbestuur of de scholengemeenschap waar hij eerder werd ontslagen of afgezet omwille van een tuchtmaatregel, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen om het recht op TADD te verkrijgen.

2. Ontslag na twee of drie evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”

Een schoolbestuur moet een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur ontslaan als het in een instelling voor een bepaald ambt ofwel twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen, ofwel drie definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in zijn loopbaan. Het ontslag geldt voor het ambt in de instelling waarop de evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" betrekking hebben.

Het schoolbestuur deelt het ontslag aan het personeelslid mee via een aangetekende brief of via een gerechtsdeurwaarderexploot.

Als het schoolbestuur het ontslag via aangetekende brief meedeelt, heeft het ontslag uitwerking op de derde werkdag na verzending van de brief.

Een ontslag dat bij gerechtsdeurwaarderexploot wordt meegedeeld, heeft onmiddellijke uitwerking.

Dit ontslag gaat niet gepaard met een opzeggingstermijn voor het tijdelijke personeelslid.

Een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur en ontslagen wordt na twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” of na of drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” gedurende de ganse loopbaan, verliest het recht op TADD in de instelling en voor het ambt waar het ontslag op slaat.

Het personeelslid kan daarenboven voor het recht op TADD in dat ambt ook geen beroep meer doen op de diensten die hij voor dat ontslag heeft verworven in de instelling waar hij is ontslagen.

De dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in de instelling waar het ontslag op slaat heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Het personeelslid kan in de instelling waar hij werd ontslagen het recht op TADD ook niet inroepen via dienstanciënniteit die hij in andere instellingen van het schoolbestuur of desgevallend van de scholengemeenschap heeft gepresteerd.

Aandacht

1. Het ontslag heeft enkel gevolgen t.a.v. het ambt en de instelling waar het personeelslid wordt ontslagen. Het ontslag heeft dus geen invloed op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in andere instellingen van het schoolbestuur of de scholengemeenschap.
Als het ontslag gegeven werd in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, behoudt het personeelslid wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere instellingen van de scholengemeenschap en kan hij die aanwenden om in die andere instellingen het recht op TADD in te roepen, maar niet in de instelling waar hij werd ontslagen. Als het ontslag gegeven werd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap, behoudt het personeelslid wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere instellingen van het schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren en kan hij die aanwenden om in die andere instellingen het recht op TADD in te roepen, maar niet in de instelling waar hij werd ontslagen.


2. Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in de instelling waar het eerder werd ontslagen na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” in het desbetreffende ambt, kan hij voor dat ambt opnieuw een beroep doen op alle eerder gepresteerde diensten. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde diensten als niet bestaande beschouwd.

Meer informatie over het evaluatiesysteem vindt u in de omzendbrief PERS/2007/09 van 29-10-2007 - Functiebeschrijving en evaluatie.

3. Vrijwillig ontslag door het tijdelijke personeelslid

Het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur kan zelf vrijwillig ontslag nemen.

Bij dit ontslag hoort een opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen.

Het personeelslid meldt dit ontslag schriftelijk aan zijn directeur (gemeenschapsonderwijs) of aan zijn schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) en vermeldt daarin het begin en de duur van de opzeggingstermijn. De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) neemt kennis van dit ontslag door een duplicaat van deze melding te ondertekenen. Het personeelslid kan zijn ontslag ook via aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot meedelen.

De opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen kan in onderling overleg tussen het personeelslid en de directeur (gemeenschapsonderwijs) of het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) ingekort worden. Die instemming blijkt uit een geschrift dat de effectieve datum van de stopzetting van de opdracht vermeldt en dat beide partijen ondertekenen.

Een vrijwillig ontslag heeft geen impact op het recht op TADD dat het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het ambt bij het schoolbestuur of in de scholengemeenschap. Als het tijdelijke personeelslid later weer in dienst wordt genomen, geldt het recht op TADD mits het personeelslid zich tijdig kandidaat heeft gesteld (zie punt 5.2.1.3).

4. Definitieve ambtsneerlegging

Naast de hiervoor opgesomde mogelijkheden zijn er nog redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid zonder opzeggingstermijn in de vorm van een definitieve ambtsneerlegging.

U vindt die mogelijkheden voor het gemeenschapsonderwijs terug in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 86) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 60).

5.2.7. Behoud van verworven rechten bij overname van een instelling door een ander schoolbestuur of bij wijziging van scholengemeenschap

Als de instelling waar het tijdelijke personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, overgenomen wordt door een ander schoolbestuur, toetreedt tot een andere scholengemeenschap of uit een scholengemeenschap stapt, behoudt het tijdelijke personeelslid de rechten die hij tot dan heeft verworven bij die instelling.

5.2.7.1. Bij overname van de instelling door een ander schoolbestuur

Als de instelling waar het tijdelijke personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, overgenomen wordt door een ander schoolbestuur, behoudt het tijdelijke personeelslid de rechten die hij tot dan heeft verworven bij die instelling.

5.2.7.1.1. Overname van een instelling in het gemeenschapsonderwijs

Bij de overname van een instelling door een andere scholengroep, gaan de tijdelijke personeelsleden die voor doorlopende duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de instelling die wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid met behoud van hun aanstelling voor doorlopende duur over naar de scholengroep die de instelling overneemt.

Als de overname een instelling van het gesubsidieerd onderwijs betreft, gaan de tijdelijke personeelsleden enkel over naar het gemeenschapsonderwijs als ze hier zelf om verzoeken.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de instelling die wordt overgenomen, worden beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij de scholengroep die de instelling overneemt.

Als een scholengroep een instelling van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gesubsidieerd onderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die de instelling overneemt.

Het tijdelijke personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven in de instelling die wordt overgenomen, behoudt dit recht op TADD in de scholengroep die de instelling overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het schoolbestuur die de instelling overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overneemt.

5.2.7.1.2. Overname van een instelling in het gesubsidieerd onderwijs

Bij de overname van een instelling door een ander schoolbestuur gaan de tijdelijke personeelsleden die voor doorlopende duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van de instelling die wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid met behoud van hun aanstelling van doorlopende duur over naar het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Als de instelling die overgenomen wordt tot een ander net behoort dan datgene waartoe ze na de overname zal behoren, kan een tijdelijk personeelslid weigeren om over te stappen naar het andere schoolbestuur.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de instelling die wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Als een schoolbestuur een instelling van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Het tijdelijke personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven in de instelling die wordt overgenomen, behoudt dit recht op TADD bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het schoolbestuur die de instelling overlaat, geldt bij het schoolbestuur dat de instelling overneemt.

5.2.7.2. Toetreding of uittreding bij een scholengemeenschap

Het personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven en dat in een instelling tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur, behoudt ook bij wijziging van scholengemeenschap onder bepaalde omstandigheden zijn recht op TADD en de tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur.

5.2.7.2.1. De instelling treedt toe tot een scholengemeenschap

Als een instelling toetreedt tot een scholengemeenschap - voor de eerste keer of door wijziging van scholengemeenschap - behoudt het personeelslid, dat in die instelling tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur in de loop van het schooljaar dat voorafgaat aan de toetreding tot de scholengemeenschap, alle rechten die aan deze tijdelijke aanstelling verbonden zijn.

Dit betekent dat het personeelslid in eerste instantie zijn tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur behoudt in de instelling die tot de scholengemeenschap toetreedt, voor zover de instelling die betrekking bij de aanvang van het schooljaar opnieuw kan aanbieden aan dat personeelslid.

Daarnaast verkrijgt het personeelslid bij de toetreding van de instelling tot de scholengemeenschap het recht op TADD in alle instellingen van de scholengemeenschap, zoals vermeld in punt 5.2.2.

Voor het tijdelijke personeelslid dat zich voor 15 juni voorafgaand aan de toetreding tot de scholengemeenschap kandidaat heeft gesteld voor het recht op TADD bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij een schoolbestuur waartoe de instelling behoorde, geldt deze kandidaatstelling voor de scholengemeenschap waar de instelling toetreedt.

Opmerking : Het personeelslid behoudt bij een toetreding van een instelling tot een scholengemeenschap ook de rechten die hij in zijn vroegere situatie heeft opgebouwd. Dit betekent dat als een instelling voor de eerste keer toetreedt tot een scholengemeenschap het personeelslid eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behoudt in alle instellingen van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap.

Als een instelling toetreedt tot een andere scholengemeenschap behoudt het personeelslid eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in alle instellingen van de oorspronkelijke scholengemeenschap.

5.2.7.2.2. De instelling treedt uit een scholengemeenschap

Als een instelling uit een scholengemeenschap treedt, behoudt het personeelslid, dat tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur in die instelling in de loop van het schooljaar dat voorafgaat aan de uittreding uit de scholengemeenschap, alle rechten die aan deze tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur verbonden zijn.

Dit betekent dat het personeelslid in eerste instantie zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behoudt in de instelling die uit de scholengemeenschap treedt, voor zover de instelling die betrekking bij de aanvang van het schooljaar opnieuw kan aanbieden aan dat personeelslid.

Daarnaast verkrijgt het personeelslid het recht op TADD in alle instellingen van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of in alle instellingen van het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap, zoals vermeld in punt 5.2.2.

Voor het tijdelijke personeelslid dat zich voor 15 juni voorafgaand aan de uittreding uit de scholengemeenschap kandidaat heeft gesteld voor het recht op TADD bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij een schoolbestuur van de scholengemeenschap waar de instelling weggaat, geldt deze kandidaatstelling bij de betrokken raad van bestuur of bij het betrokken schoolbestuur voor een aanstelling in een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort.

Opmerking : Het personeelslid behoudt bij de uittreding van een instelling uit een scholengemeenschap ook de rechten die hij in zijn vroegere situatie heeft opgebouwd. Dit betekent dat het personeelslid eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behoudt in alle instellingen van de scholengemeenschap waar de instelling is uitgetreden.

5.2.8. Mededeling van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur aan het werkstation

Bij de melding van de opdracht van het tijdelijke personeelslid met een RL-1 aan het werkstation duidt u aan dat het om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gaat.

Als het om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking gaat, krijgt de opdracht oneindig (31.12.2999) als einddatum.

Als het een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een niet-vacante betrekking betreft, eindigt de opdracht uiterlijk de laatste dag van de dienstonderbreking van de titularis.

Voorbeelden

TADD in een vacante betrekking

Een leraar krijgt vanaf 1 september een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking voor 21/21.

RL-1 leraar Ato 2 voor 21/21 met als begindatum van de opdracht 1-9-20XX en als einddatum oneindig (31-12-2999). De tijdelijke opdracht wordt aangeduid als TADD-opdracht (waarde 01 in veld 30).

TADD in een niet-vacante betrekking

Een voltijds vastbenoemde leraar (20/20) neemt een voltijdse VVP van 1-9-20XX tot en met 31-8-20YY.

In de niet-vacante betrekking van de vastbenoemde titularis wordt als vervanger een tijdelijk personeelslid aangesteld dat recht heeft op TADD.

De vervanger wordt als volgt doorgegeven:

RL-1 leraar Ato 1 voor 20/20 met als begindatum van de opdracht 1-9-20XX en als einddatum 31-8-20YY ter vervanging van het personeelslid met VVP. De tijdelijke opdracht wordt aangeduid als TADD-opdracht (waarde 01 in veld 30).

6. TIJDELIJKE AANSTELLING IN HET VOLWASSENENONDERWIJS

Deze omzendbrief is van toepassing op tijdelijke personeelsleden die in het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs worden aangesteld in een wervingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs.

Het gaat om een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt van:

  • het bestuurs- en onderwijzend personeel;
  • het ondersteunend personeel.

In het gemeenschapsonderwijs is het instellingshoofd bevoegd voor de tijdelijke aanstelling. In deze omzendbrief gebruiken we steeds de term directeur om het instellingshoofd aan te duiden.

6.1. TIJDELIJKE AANSTELLING VAN BEPAALDE DUUR (TABD)

6.1.1. De aanstelling van een tijdelijk personeelslid

U kan een tijdelijk personeelslid slechts aanstellen voor bepaalde duur als hij voldoet aan een aantal specifieke voorwaarden, die zijn vastgelegd in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 17) of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 19).

6.1.1.1. De aanstellingsvoorwaarden

U kan een tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur aanstellen in een betrekking als hij voldoet aan de volgende aanstellingsvoorwaarden:

1. Belg zijn of onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie

Behoort het personeelslid niet tot een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, dan kan een vrijstelling worden gevraagd die wordt verleend door de Vlaamse Regering. Het personeelslid moet dan ook in het bezit zijn van een arbeidskaart.

2. De burgerlijke en politieke rechten genieten of in het bezit zijn van een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1

3. In het bezit zijn van een geldig vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarin het personeelslid wordt aangesteld

Bij gebrek aan kandidaten met een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, kan u een kandidaat aanstellen met een "ander" bekwaamheidsbewijs. Dergelijke aanstelling is steeds beperkt tot het lopende schooljaar, maar kan jaarlijks verlengd worden als u nog steeds geen andere kandidaat vindt.

De bekwaamheidsbewijzen per ambt vindt u terug op https://data-onderwijs.vlaanderen.be/bekwaamheidsbewijzen/start.aspx?niv=VWO

4. Medisch geschikt zijn

De gezondheidstoestand van het personeelslid mag geen gevaar vormen voor de gezondheid van de leerlingen. Dit wordt geattesteerd door de huisarts.

5. Van onberispelijk gedrag zijn

Dit blijkt uit een uittreksel uit het strafregister (596.2 – model bestemd voor contacten met minderjarigen) dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgeleverd.

6. Voldoen aan de taalvereisten voor het ambt

Het personeelslid moet een specifiek kennisniveau van het Nederlands als onderwijstaal aantonen.

Als u moeilijkheden ondervindt om een personeelslid aan te werven dat niet onmiddellijk beantwoordt aan de vereiste kennis van het Nederlands als onderwijstaal, kan u voor dit personeelslid een tijdelijke afwijking aanvragen op de vereiste taalkennis.

Meer informatie vindt u terug in de omzendbrief Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs (PERS/2010/01 van 19-01-2010).

7. De reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking is nageleefd

U kan een tijdelijk personeelslid slechts aanstellen als de bepalingen betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling correct zijn nageleefd.

Meer informatie over deze reglementering vindt u in de omzendbrief De reaffectatie- en wedertewerkstellingsregeling voor de inrichtende machten en de personeelsleden tewerkgesteld in het niet-tertiair onderwijs (Pers/2003/08 van 28-07-2003).

8. Kandidaatstelling in het gemeenschapsonderwijs

In het gemeenschapsonderwijs moet een personeelslid zich elk schooljaar voor 15 juni kandidaat stellen voor een tijdelijke aanstelling bij de scholengroep.

Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur van deze voorwaarde afwijken.

6.1.2. Recht op en plicht tot aanvangsbegeleiding

Vanaf 1 september 2019 geldt bij de aanstelling van een tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur in een wervingsambt het recht op en de plicht tot aanvangsbegeleiding.

6.1.2.1. Wie heeft recht op aanvangsbegeleiding?

Een loopbaan in het onderwijs begint steeds met een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Tijdens deze loopbaanfase krijgt elk tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur in een wervingsambt wordt aangesteld ondersteuning en begeleiding in de vorm van een traject van aanvangsbegeleiding.

Deze aanvangsbegeleiding vormt een recht en een plicht voor zowel het tijdelijke personeelslid als voor het centrumbestuur.

Bij een tijdelijke aanstelling via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen (verlof TAO) of via een reaffectatie of wedertewerkstelling – wat steeds een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur inhoudt – is het centrumbestuur niet verplicht om aanvangsbegeleiding aan te bieden. Het gaat hier immers om een tijdelijke aanstelling van een vastbenoemd personeelslid en daarbij mag uitgegaan worden van het feit dat dit personeelslid al de nodige ervaring en competenties heeft verworven in zijn ambt. Niets weerhoudt echter het centrumbestuur om ook bij dergelijke aanstelling een specifiek traject van aanvangsbegeleiding uit te werken voor het personeelslid, maar dit vormt alleszins geen recht noch een plicht voor de betrokken partijen.

6.1.2.2. Inhoud en organisatie van de aanvangsbegeleiding

6.1.2.2.1. Algemeen

De inhoud of vorm van aanvangsbegeleiding die aan een tijdelijk personeelslid moet worden aangereikt en de wijze waarop die aanvangsbegeleiding feitelijk in en door het centrum en het centrumbestuur wordt georganiseerd en uitgebouwd, behoort tot de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het centrumbestuur.

Afspraken hierrond worden onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité en die afspraken krijgen op centrumniveau een vertaling in het professionaliseringsplan (het vroegere nascholingsplan).

6.1.2.2.2. Individuele aanvangsbegeleiding per personeelslid

Een tijdelijk personeelslid dat in een wervingsambt voor bepaalde duur wordt aangesteld, krijgt een eigen traject van aanvangsbegeleiding.

De eerste evaluator bepaalt in overleg met het tijdelijke personeelslid de duur en de intensiteit van het traject van de individuele aanvangsbegeleiding. De eerste evaluator is het personeelslid dat in het centrum is aangeduid als eerste evaluator in het kader van de evaluatieprocedure (zie punt 2.1.2 van de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007).

De eerste evaluator zal het tijdelijke personeelslid ook beoordelen met het oog op de volgende fase in zijn loopbaan, de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

De coaching en begeleiding van het personeelslid tijdens het traject kunnen worden verzorgd door een of meer personeelsleden die in het centrum of door het samenwerkingsverband “aanvangsbegeleiding” met deze opdracht worden belast (onder meer via de middelen voor de organisatie van aanvangsbegeleiding die worden toegekend aan het centrumbestuur).

Meer informatie over het samenwerkingsverband vindt u terug in de omzendbrief “De erkenning en financiering of subsidiëring van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie” - VWO/2011/01 van 15-06-2011 (punt 5.3.2.4).

Als het tijdelijke personeelslid een functiebeschrijving krijgt onder de voorwaarden omschreven in de decreten rechtspositie (zie ook de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007), worden de afspraken over de aanvangsbegeleiding in zijn functiebeschrijving opgenomen. Heeft het tijdelijke personeelslid geen functiebeschrijving dan worden de afspraken over de aanvangsbegeleiding vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen het personeelslid en de eerste evaluator.

Als er in de loop van het traject van aanvangsbegeleiding nieuwe afspraken worden gemaakt, dan wordt de schriftelijke overeenkomst of desgevallend de functiebeschrijving aangepast. Deze aanpassing gebeurt steeds in onderling overleg tussen het betrokken personeelslid en de eerste evaluator.

6.1.2.2.3. De beoordeling

Het sluitstuk van het traject van opvolging en coaching tijdens de beginperiode van de loopbaan - de aanvangsbegeleiding - mondt uit in een beoordeling van het tijdelijke personeelslid.

De eerste evaluator van het personeelslid stelt deze beoordeling op.

De beoordeling vormt het signaal dat het personeelslid zich kandidaat kan stellen voor het recht op TADD, tenzij het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD.

Als het tijdelijke personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de vereiste dienstanciënniteit voor het recht op TADD verwerft (zie punt 6.2.1.1) geen beoordeling heeft gekregen, dan is het alsof de beoordeling daadwerkelijk is toegekend. Dit houdt dan in dat het personeelslid het recht op TADD verwerft vanaf het daaropvolgend schooljaar (als hij zich ook tijdig kandidaat heeft gesteld).

Naast de beoordeling blijft het instrument van evaluatie – net als voor alle personeelsleden - onverminderd van toepassing voor een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur (zie ook de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007).

In het bevoegde lokale comité worden op het niveau van het centrumbestuur afspraken gemaakt over de beoordeling.

Deze afspraken kunnen gaan over de wijze waarop het instrument van beoordeling binnen het centrum of de centra van het centrumbestuur zal worden gehanteerd (bv. afstemmen van de beoordeling als een tijdelijk personeelslid in meerdere centra presteert, opvolgen van de tijdelijke personeelsleden via uitwisseling van informatie, aanstellen van een personeelslid met een beoordeling met werkpunten, …). Deze afspraken kunnen weliswaar nooit afbreuk doen aan de decretale bepalingen met betrekking tot het verwerven van het recht op TADD.

6.1.2.2.3.1. De beoordeling met werkpunten

De eerste evaluator kan oordelen dat het personeelslid nog werkpunten heeft die maken dat hij nog niet voldoet om het recht op TADD te verwerven.

De eerste evaluator maakt dan een verslag op waarin hij deze beslissing en de werkpunten opneemt, samen met het traject dat het tijdelijke personeelslid tijdens de aanvangsbegeleiding heeft afgelegd.

Als het personeelslid het niet eens is met deze beoordeling met werkpunten kan hij verhaal halen bij het centrumbestuur. Het centrumbestuur gaat na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op TADD rechtvaardigt. Het centrumbestuur kan de beoordeling met werkpunten enkel bevestigen of vernietigen. Als een van de betrokken partijen aan het centrumbestuur vraagt om gehoord te worden, hoort het centrumbestuur zowel het betrokken personeelslid als de eerste evaluator voordat het een beslissing neemt.

Als een tijdelijke personeelslid na de beoordeling met werkpunten in een centrum van het centrumbestuur opnieuw een tijdelijke aanstelling krijgt in een betrekking in het betrokken ambt, moet hij in dat ambt nog bijkomend 200 dagen effectieve prestaties extra verrichten om zich kandidaat te kunnen stellen voor het recht op TADD (zie punt 6.2.1.2).

Tijdens deze periode heeft het personeelslid recht op een aangepast traject van aanvangsbegeleiding, waarbij de focus ligt op de werkpunten die tijdens de beoordeling aan bod zijn gekomen en die in het verslag zijn opgenomen. Tenzij het personeelslid op het einde van de periode die vereist is om de bijkomende 200 dagen effectieve prestaties te verrichten een evaluatie krijgt die leidt tot een evaluatie “onvoldoende”, verwerft het personeelslid het recht op TADD vanaf het daaropvolgende schooljaar.

6.1.2.2.4. Middelen voor de organisatie van aanvangsbegeleiding

Een centrumbestuur ontvangt jaarlijks bijkomende middelen om in zijn centrum of centra een kwaliteitsvolle aanvangsbegeleiding aan te bieden en (verder) te ontwikkelen. Deze middelen worden rechtstreeks toegekend aan het centrum samen met de gebruikelijke omkadering.

Een centrum kan deze middelen samenleggen met deze van andere centra in een samenwerkingsverband “aanvangsbegeleiding”.

Meer informatie over de toekenning, berekening en aanwending van de middelen vindt u terug in de omzendbrief “De erkenning en financiering of subsidiëring van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie” - VWO/2011/01 van 15-06-2011 (punt 5.3.2.4).

6.1.3. Administratieve en geldelijke toestand van het personeelslid

6.1.3.1. Administratieve toestand

Het centrumbestuur moet de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur van een personeelslid schriftelijk vastleggen.

In het gemeenschapsonderwijs gebeurt dit via een schriftelijk document, in het officieel gesubsidieerd onderwijs via een besluit van het bestuur (het college van burgemeester en schepenen of de bestendige deputatie) en in het vrij gesubsidieerd onderwijs via een arbeidsovereenkomst.

Dit document vermeldt tenminste:

  • de benaming en het adres van het centrumbestuur en van het centrum waar het personeelslid tewerkgesteld wordt;
  • de identiteit van het personeelslid;
  • het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;
  • of het om een aanstelling in een vacante of een niet-vacante betrekking gaat, in dit laatste geval, de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, van het afwezige personeelslid dat de titularis tijdelijk vervangt;
  • het pedagogisch project en de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.

Het personeelslid ontvangt steeds een exemplaar van dit document.

Het centrum meldt daarnaast de opdracht van het personeelslid aan het werkstation met het oog op de bezoldiging van het personeelslid (zie punt 6.1.6).

6.1.3.2. Geldelijke toestand

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking heeft recht op een maandelijks salaris dat rechtstreeks uitbetaald wordt door AHOVOKS, op voorwaarde dat het tijdelijke personeelslid aan de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden voldoet.

Deze voorwaarden en welke documenten en gegevens u aan het werkstation moet bezorgen, vindt u in de omzendbrief Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en vorming (PERS/2005/09 van 29-06-2005).

Gaat het om een tijdelijke aanstelling in een niet-vacante betrekking - dus om de vervanging van een afwezige titularis - dan zal het personeelslid een salaris ontvangen als daarenboven ook aan de volgende vervangingsvoorwaarden is voldaan:

  • het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking;

het te vervangen personeelslid is afwezig voor ten minste tien opeenvolgende werkdagen. Deze voorwaarde geldt niet als het te vervangen personeelslid omstandigheidsverlof geniet wegens de bevalling van zijn echtgenote of samenwonende partner en de afwezigheid geen aaneensluitende periode van tien werkdagen vormt.

Volgende vervangingen worden evenwel niet bezoldigd:

  • een vervanging van een afwezigheid die start in een periode van 14 kalenderdagen voor of tijdens de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie, wordt geen vervanger bezoldigd, tenzij het gaat om een vervanging in een internaat. Meer informatie hierover vindt in de omzendbrief Beperking van de vervangingsmogelijkheid voor of tijdens een korte vakantieperiode (PERS/2015/06 van 24-08-2015);
  • een vervanging van een personeelslid dat afwezig is na 31 mei;
  • een vervanging van een personeelslid dat nascholing volgt.

Een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur is aangesteld in een wervingsambt tot 30 juni, zowel in een vacante als in een niet-vacante betrekking, krijgt voor de duur van zijn aanstelling en dit uiterlijk tot en met de maand juni maandelijks een salaris.

Meer informatie over de vaststelling van het salaris van een personeelslid vindt u in punt 5 van de omzendbrief De ambten en hun prestatieregeling in de centra voor volwassenenonderwijs – VWO/2010)01(pers) van 17-05-2010.

Tijdens de zomervakantie ontvangt elk tijdelijk personeelslid onder bepaalde voorwaarden een uitgestelde bezoldiging die wordt berekend op basis van de prestaties die het personeelslid heeft uitgeoefend tijdens het schooljaar (tussen 1 september en 30 juni).

Deze uitgestelde bezoldiging wordt in juli en augustus van datzelfde schooljaar uitbetaald. Meer informatie vindt u in de omzendbrief Sommige aspecten van de bezoldiging van tijdelijke personeelsleden van het onderwijs – PERS/2004/07 van 10-06-2004.

6.1.3.3. Ziekteverlof

Het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur heeft tijdens een afwezigheid wegens ziekte binnen de periode van zijn aanstelling onder bepaalde voorwaarden recht op bezoldigd ziekteverlof.

Deze voorwaarden en de berekeningswijze van het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vindt u terug in de omzendbrief - Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding – PERS/2007/07 van 21-09-2007 (punt 2.2).

6.1.4. Einde van de tijdelijke aanstelling

De aanstelling van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur kan worden beëindigd door een ontslag dat uitgaat van het centrumbestuur of via een vrijwillig ontslag van het personeelslid zelf.

Daarnaast zijn er een aantal situaties – die vastgelegd zijn in de decreten rechtspositie – die automatisch een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. We spreken in dat geval niet over een ontslag, maar over een beëindiging van de tijdelijke aanstelling van rechtswege of om een definitieve ambtsneerlegging.

6.1.4.1. Einde van de tijdelijke aanstelling van rechtswege

De decreten rechtspositie bepalen dat er onder bepaalde omstandigheden van rechtswege een einde komt aan de tijdelijke aanstelling van een personeelslid.

Dit houdt in dat er onmiddellijk een einde aan de aanstelling komt en er geen opzegtermijn is voor het personeelslid.

Volgende redenen leiden van rechtswege onmiddellijk tot een einde van de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur.

1. Het einde van het schooljaar

Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur eindigt uiterlijk op het einde van het schooljaar.

Het personeelslid kan natuurlijk het volgende schooljaar een nieuwe tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgen.

2. De terugkeer van de titularis van de betrekking

Als de titularis van de betrekking terugkeert uit zijn afwezigheid komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid dat in die betrekking als vervanger is aangesteld.

3. De betrekking wordt aan een ander personeelslid toegewezen

- omwille van de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling

Als het centrumbestuur in het kader van de verplichtingen betreffende reaffectatie of wedertewerkstelling de betrekking moet toewijzen aan een vastbenoemd personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

- door toewijzing van een affectatie, een mutatie of een vaste benoeming van een ander personeelslid

Als het centrumbestuur een vastbenoemd personeelslid in de betrekking muteert

of affecteert, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Als het centrumbestuur op 1 januari een ander personeelslid in de betrekking vast benoemt, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

4. De betrekking kan niet langer gefinancierd of gesubsidieerd worden

Als de betrekking niet meer financierbaar of subsidieerbaar is, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

5. Het personeelslid voldoet niet (meer) aan de aanstellingsvoorwaarden

Als na de aanstelling van het tijdelijke personeelslid blijkt dat hij niet (meer) voldoet aan een of meer van de aanstellingsvoorwaarden, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Voorbeeld

Het personeelslid wordt strafrechtelijk veroordeeld en deze veroordeling leidt tot het tijdelijke of definitief verlies van zijn burgerlijke en politieke rechten. Dit personeelslid voldoet vanaf dat ogenblik niet meer aan de aanstellingsvoorwaarde die stelt dat hij de burgerlijke en politiek rechten moet genieten.

6. Bij het bereiken van de leeftijdsgrens

Als het tijdelijke personeelslid de leeftijdsgrens bereikt die leidt tot pensionering, komt er op het einde van dat schooljaar een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Op deze regel geldt een uitzondering, zodat een personeelslid ook na het bereiken van de leeftijdsgrens een tijdelijke aanstelling kan behouden.

Meer informatie over deze maatregelen vindt u in de omzendbrief Langer werken dan 65 jaar (PERS/2012/05 van 30-07-2012).

7. Bij de definitieve pensionering van het personeelslid

Op ogenblik dat het tijdelijke personeelslid met pensioen gaat, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

6.1.4.2. Einde van de tijdelijke aanstelling door ontslag

De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) kan een tijdelijk personeelslid om bepaalde redenen ontslaan of het tijdelijke personeelslid kan zelf vrijwillig ontslag nemen.

Een ontslag van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur gebeurt:

  • met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen (in het gesubsidieerd onderwijs);
  • om dringende redenen;
  • na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”.

Deze vormen van ontslag kunnen ook impact hebben op de verwerving van het recht op TADD voor het personeelslid.

1. Ontslag met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen in het gesubsidieerd onderwijs

In het gesubsidieerd onderwijs kan het centrumbestuur een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur ontslaan met een opzeggingstermijn van 30 kalenderdagen.

De redenen voor dit ontslag houden verband met een tekortkoming aan

de plichten van het personeelslid zoals opgenomen in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 9 en volgende).

Het centrumbestuur moet dit ontslag grondig motiveren en dit schriftelijk bezorgen aan het personeelslid. De mededeling van het ontslag vermeldt het begin en de duur van de opzeggingstermijn en gebeurt via een aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het centrum en het ambt heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt niet meer in aanmerking voor de berekening van het recht op TADD. Het personeelslid behoudt wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft opgebouwd in andere centra van hetzelfde centrumbestuur en hij kan die aanwenden om in die andere centra het recht op TADD in te roepen, maar niet in het centrum waar hij werd ontslagen.

Als het centrumbestuur het tijdelijke personeelslid na zijn ontslag opnieuw aanwerft in het centrum waar hij eerder werd ontslagen met een vooropzeg van 30 dagen in het desbetreffende ambt, dan kan hij voor dat ambt weer wel opnieuw een beroep doen op de al eerder gepresteerde dienstanciënniteit. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde dienstanciënniteit als niet bestaande beschouwd.

2. Ontslag om dringende redenen

In het gemeenschapsonderwijs

De directeur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur om dringende redenen ontslaan bij de vaststelling van een ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

Het moet gaan om aantoonbare feiten die de directeur, niet langer dan drie werkdagen nadat hij op de hoogte is gesteld van deze feiten, moet meedelen aan het personeelslid via een aangetekende brief die binnen een termijn van drie werkdagen na het ontslag om dringende redenen wordt verzonden.

Het tijdelijke personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep.

De raad van bestuur van de scholengroep schorst het tijdelijke personeelslid onmiddellijk preventief vanaf het ogenblik van ontslag.

Als het personeelslid beroep aantekent omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd. Deze periode van preventieve schorsing kan nooit langer zijn dan de duur van de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.

Als het personeelslid geen beroep aantekent, omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.

Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. 

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het ambt van ontslag in alle centra van de scholengroep heeft verworven tot op het ogenblik van het ontslag, komt na een ontslag om dringende redenen niet meer in aanmerking voor de berekening op het recht op TADD (zie punt 6.2.1.1).

Als de directeur het personeelslid na zijn ontslag toch opnieuw aanwerft in het centrum waar hij eerder werd ontslagen omwille van dringende redenen, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen die nodig is om het recht op TADD te verwerven (zie punt 6.2.1.1).

In het gesubsidieerd onderwijs

Het centrumbestuur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur om dringende redenen ontslaan bij de vaststelling van een ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Naargelang de aard van deze redenen kan het centrumbestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar centra of andere onderwijsinstellingen.

Het moet gaan om aantoonbare feiten die het schoolbestuur, niet langer dan drie werkdagen nadat het op de hoogte is gesteld van deze feiten, moet meedelen aan het personeelslid via een aangetekende brief die binnen een termijn van drie werkdagen na het ontslag wordt verzonden of via gerechtsdeurwaardersexploot.

Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep.

Het centrumbestuur schorst het tijdelijke personeelslid onmiddellijk preventief vanaf het ogenblik van ontslag.

Als het personeelslid beroep aantekent omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd. Deze periode van preventieve schorsing kan nooit langer zijn dan de duur van de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.

Als het personeelslid geen beroep aantekent, omvat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.

Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het ambt van ontslag in alle centra van het centrumbestuur heeft verworven tot op het ogenblik van het ontslag, komt na een ontslag om dringende redenen niet meer in aanmerking voor de berekening op het recht op TADD (zie punt 6.2.1.1).

Als het centrumbestuur het personeelslid na zijn ontslag toch opnieuw aanwerft in het centrum waar hij eerder werd ontslagen omwille van dringende redenen, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen die nodig is om het recht op TADD te verwerven (zie punt 6.2.1.1).

3. Ontslag na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”

Een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur wordt na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” door het centrumbestuur ontslagen uit zijn ambt in het centrum waar hij deze evaluatie heeft gekregen.

De dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het centrum en het ambt heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt niet meer in aanmerking voor de berekening van het recht op TADD (zie punt 6.2.1.1).

Het personeelslid behoudt wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere centra van het centrumbestuur en hij kan die aanwenden om in die andere centra het recht op TADD in te roepen, maar niet in het centrum waar hij werd ontslagen.

Als het tijdelijke personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in het centrum waar hij eerder werd ontslagen omwille van een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” in het desbetreffende ambt, dan kan hij voor dat ambt wel opnieuw een beroep doen op de al eerder gepresteerde dienstanciënniteit. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde dienstanciënniteit als niet bestaande beschouwd.

4. Vrijwillig ontslag door het personeelslid

Het personeelslid kan zelf ook vrijwillig ontslag nemen.

Bij dit ontslag hoort een opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen.

Het personeelslid meldt dit ontslag schriftelijk aan zijn directeur (gemeenschapsonderwijs) of aan zijn centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) en vermeldt daarin het begin en de duur van de opzeggingstermijn. De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) neemt kennis van dit ontslag door een duplicaat van deze melding te ondertekenen. Het personeelslid kan zijn ontslag ook meedelen via een aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot.

De opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen kan in onderling overleg tussen het personeelslid en de directeur (gemeenschapsonderwijs) of het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) ingekort worden. Die instemming blijkt uit een geschrift dat de effectieve datum van de stopzetting van de opdracht vermeldt en dat beide partijen ondertekenen.

Een vrijwillig ontslag heeft voor de berekening van het recht op TADD geen impact op de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid tot op het ogenblik van het ontslag heeft verworven in het ambt bij het centrumbestuur. Als het tijdelijke personeelslid later weer een tijdelijke aanstelling krijgt, komt deze dienstanciënniteit dus nog steeds in aanmerking voor het recht op TADD (zie punt 6.2.1.1).

5. Andere redenen

Naast de hiervoor opgesomde mogelijkheden zijn er nog redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid zonder opzeggingstermijn in de vorm van een definitieve ambtsneerlegging.

U vindt die mogelijkheden voor het gemeenschapsonderwijs terug in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 86) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 60).

6.1.5. Behoud van verworven rechten bij overheveling van een vestigingsplaats of bij overname van het centrum door een ander centrumbestuur

Als de vestigingsplaats of het centrum waar het tijdelijke personeelslid is aangesteld, overgenomen wordt door een ander centrumbestuur behoudt het tijdelijke personeelslid onder bepaalde voorwaarden de rechten die hij tot dan heeft verworven.

6.1.5.1. Overheveling van een vestigingsplaats

Bij de overheveling van een vestigingsplaats naar een centrum van een ander centrumbestuur stellen de betrokken schoolbesturen een schriftelijke overeenkomst op.

Deze overeenkomst houdt minstens rekening met:

1° de personeelsleden die in de vestigingsplaats tewerkgesteld zijn in het schooljaar voorafgaand aan de overheveling, en met de omvang van die tewerkstelling;

2° de omvang van de omkadering die met de overheveling gepaard gaat, als er beslist wordt om omkadering over te hevelen.

Als de betrokken centrumbesturen in de overeenkomst opnemen dat er personeelsleden worden overgenomen bij de overheveling van de vestigingsplaats, gaan deze personeelsleden – op voorwaarde dat ze daar zelf voor kiezen - over naar het centrumbestuur dat de vestigingsplaats overneemt. Het tijdelijke personeelslid dat vrijwillig kiest voor dergelijke overstap wordt tijdelijk personeelslid van het centrumbestuur dat de vestigingsplaats overneemt ten belope van de opdracht waarvoor hij bij zijn nieuwe centrumbestuur wordt aangesteld.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in het centrum dat wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het centrumbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

Als een scholengroep een vestigingsplaats van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het gesubsidieerd onderwijs beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die de vestigingsplaats overneemt.

Als een schoolbestuur een vestigingsplaats van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep of het schoolbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

6.1.5.2. Overname van een centrum in het gemeenschapsonderwijs

Bij de overname van een centrum door een andere scholengroep, gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van het centrum dat wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid over naar de scholengroep die het centrum overneemt.

Bij de overname van een centrum van een centrumbestuur van het gesubsidieerd onderwijs gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van het centrum dat wordt overgenomen, als tijdelijk personeelslid over naar de scholengroep die het centrum overneemt als ze daar zelf om verzoeken.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in het centrum dat wordt overgenomen, worden beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij de scholengroep die het centrum overneemt.

Als een scholengroep een centrum van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het gesubsidieerd onderwijs beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die het centrum overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het centrumbestuur dat het centrum overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep die het centrum overneemt.

6.1.5.3. Overname van een centrum in het gesubsidieerd onderwijs

Bij de overname van een centrum door een ander centrumbestuur gaan de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van het centrum dat wordt overgenomen als tijdelijk personeelslid over naar het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Als het centrum dat overgenomen wordt tot een ander net behoort dan datgene waartoe het na de overname zal behoren, kan een tijdelijk personeelslid weigeren om over te stappen naar het andere centrumbestuur.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in het centrum dat wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Als een centrumbestuur een centrum van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het centrumbestuur dat het centrum overlaat, geldt bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

6.1.6. Praktische schikkingen

De gegevens die u bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur aan het werkstation moet meedelen, vindt u terug in de omzendbrief Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het ministerie van Onderwijs en vorming (PERS/2005/09 van 29-06-2005).

6.2. TIJDELIJKE AANSTELLING VAN DOORLOPENDE DUUR (TADD)

Een tijdelijk personeelslid kan het recht verwerven op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) als hij aan een aantal specifieke voorwaarden voldoet.

Vanaf 1 september 2019 gelden nieuwe voorwaarden waardoor een personeelslid naast de verwerving van een bepaalde dienstanciënniteit in principe ook een beoordeling zal krijgen om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven.

Voor een personeelslid dat al voor 1 september 2019 dienstanciënniteit heeft verworven, geldt onder bepaalde voorwaarden een overgangsmaatregel (zie punt 6.2.3).

Het recht op TADD houdt in dat het personeelslid bij voorrang een tijdelijke aanstelling kan krijgen t.o.v. andere tijdelijke personeelsleden die niet aan deze voorwaarden voldoen.

De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur loopt over de schooljaren heen en is mogelijk in een vacante betrekking en in een niet-vacante betrekking.

Daarnaast is een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur eveneens een voorwaarde voor vaste benoeming in een wervingsambt. De omzendbrief 29/11/1999 - 13CC/VB/ml - Vaste benoeming - Procedure, voorwaarden en mededeling aan het departement Onderwijs gaat hier dieper op in.

Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur is van toepassing op betrekkingen in een wervingsambt in de instellingen en personeelscategorieën vermeld onder punt 6.

6.2.1. Voorwaarden

Vanaf 1 september 2019 moet een tijdelijk personeelslid aan de volgende voorwaarden voldoen om voor een wervingsambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven:

  • binnen een termijn van minstens twee schooljaren 580 dagen dienstanciënniteit verwerven, waarvan 400 dagen effectief moeten gepresteerd zijn (zie punt 6.2.1.1);
  • uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin het personeelslid de vereiste dienstanciënniteit heeft verworven, geen beoordeling met werkpunten hebben gekregen van de eerste evaluator (zie punt 6.2.1.2).

Deze nieuwe voorwaarden gelden voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 voor het eerst in dienst komt;
  • op of na 1 september 2019 opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 minder dan 580 dagen dienstanciënniteit heeft verworven.

Dit betekent dat een tijdelijk personeelslid op basis van de nieuwe voorwaarden voor het eerst het recht op TADD kan verwerven op 1 september 2020.

Daarnaast gelden er overgangsmaatregelen voor tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 30 juni 2019 of op 30 juni 2020 aan specifieke voorwaarden voldoen (zie punt 6.2.3).

6.2.1.1. Voorwaarde betreffende dienstanciënniteit

Om het recht op TADD te kunnen laten gelden moet het tijdelijke personeelslid een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen en dit gespreid over een periode van ten minste twee schooljaren.

Van deze 580 dagen moeten er daarenboven minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

6.2.1.1.1. Berekening van de dienstanciënniteit

Een personeelslid moet ten minste 580 dagen dienstanciënniteit hebben, gespreid over ten minste twee schooljaren, om een recht op TADD te verwerven. Van deze 580 dagen moeten er 400 effectief gepresteerd zijn. Hierna gaan we dieper in op de principes die van toepassing zijn bij de berekening van de dienstanciënniteit.

Bij de berekening van de dienstanciënniteit zijn zowel het ambt waarin het personeelslid de diensten presteert als het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid van belang.

6.2.1.1.1.1. Per ambt

De dienstanciënniteit geldt steeds per ambt. Om het recht op TADD te verwerven voor een bepaald ambt moet de dienstanciënniteit verworven zijn in dit specifieke ambt.

De diensten die werden gepresteerd in verschillende ambten kunnen in principe dus nooit worden samengeteld.

De diensten die een personeelslid opbouwt in een wervingsambt het van ondersteunend personeel (administratief medewerker, stafmedewerker) komen in aanmerking als diensten voor het desbetreffende ambt, ook als een personeelslid prestaties heeft verricht in betrekkingen met verschillende diplomaniveaus en met verschillende puntenwaarden.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid is aangesteld in het ambt van administratief medewerker in een betrekking van tenminste HSO (63 punten) voor 12/32 en in een betrekking van ten minste bachelor (82 punten) voor 9/32.

De diensten die het personeelslid in beide betrekkingen opbouwt, komen in aanmerking voor de verwerving van het recht op TADD in het ambt van administratief medewerker en tellen dus mee voor 21/32.

6.2.1.1.1.2. Volgens indeling van het bekwaamheidsbewijs

Bij het vaststellen van de nodige dienstanciënniteit per ambt speelt de indeling van het bekwaamheidsbewijs geen rol, behalve bij het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. Dit betekent dat ook diensten mogen meegenomen worden die een tijdelijk personeelslid heeft verworven in een ambt waarvoor het op dat ogenblik een “ander” bekwaamheidsbewijs had.

Het personeelslid kan het recht op TADD echter alleen maar laten gelden voor het ambt waarvoor hij over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikt en dit uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden. Het recht op TADD kan bijgevolg niet gelden voor een ambt, waarvoor het personeelslid slechts over een "ander" bekwaamheidsbewijs beschikt of waarvoor het personeelslid nog in de loop van het schooljaar een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs verwerft.

Voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs moet bij het vaststellen van de dienstanciënniteit wel steeds onderscheid gemaakt worden tussen de prestaties die geleverd zijn met een vereist bekwaamheidsbewijs en een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs.

Aanstelling in een opleiding of module op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs

Voor de berekening van de dienstanciënniteit voor een aanstelling in een opleiding of een module op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs komen volgende diensten in aanmerking:

  • alle diensten gepresteerd in de opleidingen en modules waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) heeft;
  • alle diensten gepresteerd in een opleiding of een module waarvoor hij een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) heeft.

Aanstelling in een opleiding of module op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs

Voor de berekening van de dienstanciënniteit voor een aanstelling in een opleiding of een module op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) komen alleen de diensten in aanmerking die gepresteerd zijn in die specifieke opleiding of die specifieke module (afhankelijk van het feit of het de bekwaamheidsbewijzen op het niveau van de module of op het niveau van de opleiding zijn ingedeeld).

Bij ambtshalve of individuele concordantie van een opleiding of module waarin het personeelslid diensten heeft gepresteerd, gelden die diensten als gepresteerd in de ‘nieuwe’ opleiding of module.

Meer informatie over concordantie vindt u in de omzendbrief “Ambtshalve en individuele concordanties met ingang van 1 september 2010 in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in opleidingen waarvoor de Vlaamse Regering een opleidingsprofiel goedgekeurd heeft” (VWO/2010/02(cvo) van 17-05-2010).

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid was tijdens het schooljaar 2016-2017 aangesteld in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs voor 20/20 in de opleiding Informatica: toepassingssoftware. Hij heeft hiervoor 303 dagen dienstanciënniteit verworven.

Met ingang van 1 september 2017 werd de opleiding Informatica: toepassingssoftware ambtshalve geconcordeerd naar de opleidingen ‘ICT en administratie’, ‘ICT en sociale media’, ‘ICT in een creatieve context’ en ‘ICT in een educatieve context’. De 303 dagen dienstanciënniteit die werden opgebouwd in de opleiding Informatica: toepassingssoftware , gelden tevens als diensten gepresteerd in de nieuwe geconcordeerde opleidingen. Het personeelslid beschikt op 1 september 2017 dan ook over 303 dagen dienstanciënniteit voor de opleidingen ‘ICT en administratie’, ‘ICT en sociale media’, ‘ICT in een creatieve context’ en ‘ICT in een educatieve context’.

Diensten verworven op basis van een “ander” bekwaamheidsbewijs kunnen wel meetellen als het personeelslid op het ogenblik dat hij het recht op TADD daadwerkelijk wilt uitoefenen voor het ambt, module of opleiding over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikt.

6.2.1.1.2. Berekeningswijze

Het personeelslid moet gespreid over een periode van ten minste twee schooljaren minstens 580 dagen dienstanciënniteit hebben verworven, waarvan er 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

580 dagen dienstanciënniteit

De 580 dagen dienstanciënniteit worden berekend volgens artikel 4 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 6 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De dienstanciënniteit omvat alle kalenderdagen met inbegrip van zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen, schoolvakanties en verloven die gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit, die binnen de periode van aanstelling van het tijdelijke personeelslid vallen.

Het aantal dagen mag hier echter niet worden vermenigvuldigd met 1,2.

Diensten met onvolledige prestaties worden op dezelfde manier in aanmerking genomen als diensten met volledige prestaties, op voorwaarde dat de prestaties ten minste de helft bedragen van het aantal uren vereist voor een betrekking met volledige prestaties.

Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die minder dan de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor een betrekking met volledige prestaties, wordt gedeeld door twee.

De diensten moeten gepresteerd zijn in hoofdambt. In het volwassenenonderwijs komen ook diensten gepresteerd in bijbetrekking in aanmerking.

400 dagen effectief gepresteerd

Deze berekening verloopt op dezelfde wijze als de berekening van de 580 dagen dienstanciënniteit, met dit verschil dat hier enkel de periodes in aanmerking worden genomen waarin het personeelslid effectieve prestaties heeft verricht.

Onder effectieve prestaties wordt verstaan: alle kalenderdagen met inbegrip van zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties die binnen de periode van aanstelling vallen.

Ziekteverlof, omstandigheidsverlof, enz. ... komen bijgevolg niet in aanmerking voor de berekening van de effectieve prestaties.

Om het recht op TADD te bepalen, worden de volgende periodes wel meegerekend voor de vaststelling van de 400 dagen effectieve prestaties en dit tot een maximum van 140 dagen:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn in de periode 1 september - 30 juni kunnen maximaal 303 (of 304 in een schrikkeljaar) dagen dienstanciënniteit per schooljaar verwerven. Tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn tot 31 augustus kunnen maximaal 360 dagen dienstanciënniteit per schooljaar verwerven.

Opmerking

  • In het gemeenschapsonderwijs komen alleen de diensten gepresteerd na 1 september 1988 in aanmerking;
  • In het gesubsidieerd onderwijs komen alleen de diensten gepresteerd na 1 september 1985 in aanmerking.

6.2.1.1.3. Berekeningsdatum

De dienstanciënniteit wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid het recht laat gelden.

Dit betekent dat om op 1 september het recht op een TADD te kunnen inroepen, het personeelslid de vereiste 580 en 400 dagen ten laatste moet verworven hebben op 30 juni van het voorgaande schooljaar.

6.2.1.1.4. Waar moet de dienstanciënniteit gepresteerd zijn?

Niet alle gepresteerde diensten tellen mee om het recht op TADD te verwerven. Het is belangrijk om na te gaan in welke centra en bij welk centrumbestuur de diensten gepresteerd werden.

Voor het recht op TADD in een CVO komen alleen de prestaties in aanmerking die het personeelslid heeft gepresteerd in centra van dezelfde scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of in centra van hetzelfde centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs).

6.2.1.2. De beoordeling

Om het recht op TADD te verwerven, zal een tijdelijk personeelslid naast de vereiste dienstanciënniteit (zie punt 6.2.1.1) uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij die dienstanciënniteit verwerft in principe een beoordeling moeten krijgen van zijn eerste evaluator (zie punt 6.1.2.2.3).

De beoordeling vormt het signaal dat het personeelslid zich kandidaat kan stellen om het recht op TADD te verwerven, tenzij het personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD.

Als het tijdelijke personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de vereiste dienstanciënniteit voor het recht op TADD verwerft geen beoordeling heeft gekregen, dan is het alsof de beoordeling daadwerkelijk is toegekend. Dit houdt dan in dat het personeelslid het recht op TADD verwerft vanaf het daaropvolgend schooljaar (als hij zich ook tijdig kandidaat heeft gesteld).

Als het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling met werkpunten krijgt waaruit blijkt dat hij nog niet voldoet voor het recht op TADD, moet het personeelslid bij een nieuwe aanstelling in een betrekking in het betrokken ambt, in dat ambt nog bijkomend 200 dagen effectieve prestaties verrichten om zich kandidaat te kunnen stellen om het recht op TADD te verwerven.

Deze 200 dagen worden volgens dezelfde principes berekend als de 400 dagen effectieve prestaties die in aanmerking komen voor het recht op TADD (zie punt 6.2.1.1.2). Daarbij gelden volgende periodes als effectieve prestaties en dit tot een maximum van 70 dagen:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid deze 200 extra dagen effectief heeft gepresteerd, heeft hij het volgende schooljaar recht op TADD bij kandidaatstelling op de daartoe voorziene datum (zie punt 6.2.1.3).

6.2.1.3. Kandidaatstelling en ingangsdatum

Om beroep te doen op zijn recht op TADD moet het personeelslid vóór 15 juni van het schooljaar waarin hij aan de gestelde voorwaarden voldoet, kandideren via een aangetekende brief.

Een personeelslid van het gemeenschapsonderwijs kandideert bij de raad van bestuur van de scholengroep waar hij zijn recht op TADD wil laten gelden.

Een personeelslid van het gesubsidieerd onderwijs kandideert bij het centrumbestuur waar hij zijn recht op TADD wil laten gelden.

Deze kandidaatstelling geldt niet als een permanente kandidaatstelling en een tijdelijk personeelslid moet deze kandidaatstelling elk jaar herhalen zolang hij niet voor doorlopende duur wordt aangesteld.

Vanaf het ogenblik dat een personeelslid een eerste keer effectief is aangesteld voor doorlopende duur geldt dit als een doorlopende kandidaatstelling over de schooljaren heen bij de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) voor het ambt waarin hij effectief werd aangesteld.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september volgend op de kandidaatstelling.

Om vanaf 1 september het recht op TADD te laten gelden, moet het personeelslid voor het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld:

  • op 30 juni van het voorafgaande schooljaar aan de voorwaarden betreffende dienstanciënniteit en beoordeling voldoen (zie punt 6.2.1.1)
  • en uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden, beschikken over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt.

Het personeelslid met een recht op TADD dat de betrekking niet effectief kan opnemen omwille van ziekte, arbeidsongeval of moederschapsrust, behoudt dit recht. Het personeelslid kan worden aangesteld en voor de duur van de afwezigheid volgens de geldende regels vervangen worden. Na de afwezigheid neemt het personeelslid de hem toegewezen betrekking effectief op.

6.2.1.4. Voorbeelden berekening dienstanciënniteit

Voorbeeld 1

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij centrumbestuur A en oefent volgende opdrachten uit in een CVO:

Schooljaar 1: 1/9 - 30/6: 20/20 leraar SVWO in opleidingen waarvoor hij beschikt over een VE = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 - 30/6: 20/20 leraar SVWO in opleidingen waarvoor hij beschikt over een VE = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar SVWO een dienstanciënniteit van 606 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 28 mei van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van leraar SVWO in de CVO van centrumbestuur A voor alle opleidingen en modules waarvoor betrokkene beschikt over een VE.

Voorbeeld 2

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij centrumbestuur B en oefent volgende opdrachten uit in een CVO:

Schooljaar 1: 1/9 - 30/6: 32/36 stafmedewerker (VE) = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 - 30/6: 18/36 stafmedewerker (VE) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van stafmedewerker een dienstanciënniteit van 606 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

De halftijdse opdracht in schooljaar 2 telt mee voor de volledige duur.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van stafmedewerker in de CVO van centrumbestuur B.

Voorbeeld 3

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij centrumbestuur C in een CVO en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 30/6: 18/24 leraar SVWO in een opleiding waarvoor hij beschikt over een VE = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 11/22 leraar SVWO in een opleiding waarvoor hij beschikt over een VO = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar SVWO een dienstanciënniteit van 606 dagen. Het personeelslid heeft geen beoordeling met werkpunten gekregen die tot uitstel van het recht op TADD leidt.

Het personeelslid heeft voldoende dienstanciënniteit om het recht op TADD te verwerven voor het ambt van leraar SVWO voor de opleidingen en modules waarvoor hij een VE heeft, vermits hij voldoende dagen dienstanciënniteit heeft verworven. De dienstanciënniteit als leraar SVWO met een VO telt immers mee voor leraar SVWO met een VE.

Voor het ambt van leraar SVWO met VO heeft het personeelslid echter maar 303 dagen dienstanciënniteit verworven (VE telt hier niet mee) en heeft het personeelslid dus onvoldoende dienstanciënniteit om zich kandidaat te stellen voor het recht op TADD.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van leraar SVWO in de CVO van het centrumbestuur C voor alle opleidingen en modules waarvoor betrokkene beschikt over een VE.

Voorbeeld 4

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij centrumbestuur D in een CVO en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 30/6: 18/20 leraar SVWO in een opleiding waarvoor hij beschikt over een VO = 303 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 11/20 leraar SVWO in dezelfde opleiding waarvoor hij beschikt over een VO = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar SVWO een dienstanciënniteit van 606 dagen. Op 8 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid heeft voldoende dienstanciënniteit om het recht op TADD te verwerven voor het ambt van leraar SVWO voor de opleiding waarin hij werd aangesteld met een VO. Daarnaast verwerft het personeelslid ook het recht op TADD voor alle opleidingen en modules waarvoor het beschikt over een VE.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van leraar SVWO in de CVO van centrumbestuur D voor alle opleidingen en modules waarvoor betrokkene beschikt over een VE en voor de opleiding en modules waarvoor het recht werd opgebouwd met een VO.

Voorbeeld 5

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij centrumbestuur E in een CVO en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 30/6: 10/21 leraar SVWO in opleidingen waarvoor hij beschikt over een VE

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 8/21 leraar SVWO in opleidingen waarvoor hij beschikt over een VE

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar SVWO een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen = 606/2= 303 dagen. Een opdracht die niet tenminste halftijdse prestaties omvat, komt immers maar voor de helft in aanmerking.

Het personeelslid voldoet niet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen voor het ambt van leraar SVWO, vermits hij minder dan 580 dagen dienstanciënniteit heeft verworven.

Voorbeeld 6

Een tijdelijk personeelslid is voor bepaalde duur aangesteld bij centrumbestuur F in een CVO en oefent volgende opdrachten uit:

Schooljaar 1: 1/9 – 31/8: 20/32 administratief medewerker (VE) = 360 dagen

Schooljaar 2: 1/9 – 30/6: 20/32 administratief medewerker (VE) = 303 dagen

Op 30 juni van schooljaar 2 heeft het personeelslid voor het ambt van administratief medewerker een dienstanciënniteit van 663 dagen, waarvan minstens 400 dagen effectief gepresteerd zijn.

Op 5 juni van schooljaar 2 krijgt het tijdelijke personeelslid van zijn eerste evaluator een beoordeling die geen werkpunten bevat die leiden tot een uitstel van TADD.

Het personeelslid voldoet aan de voorwaarden om het recht op TADD in te roepen als hij zich voor 15 juni van schooljaar 2 kandidaat stelt.

Het recht op TADD geldt vanaf 1 september van schooljaar 3 voor het ambt van administratief medewerker in de CVO van centrumbestuur F.

6.2.2. Waarvoor en waar geldt het recht op TADD?

Het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt t.a.v. het ambt waarin het personeelslid het recht op TADD heeft verworven en voor elke vacante betrekking en niet-vacante betrekking in dat ambt.

Gaat het om het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs dan geldt het recht op TADD als volgt:

  • het recht geldt voor alle opleidingen en modules waarvoor het personeelslid als leraar secundair volwassenenonderwijs over een vereist bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) beschikt;
  • als het recht op TADD werd verworven in een opleiding of module waarvoor het personeelslid over een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) beschikt, geldt dit recht niet alleen voor deze opleiding of die module, maar ook voor alle opleidingen en modules waarvoor het personeelslid over een vereist bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) beschikt.

Zowel tijdelijke personeelsleden als deeltijds vastbenoemde personeelsleden kunnen het recht op TADD laten gelden op elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat.

Dit geldt niet als het personeelslid al als titularis is aangesteld voor een voltijdse betrekking in het ambt waarvoor hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven.

Opgelet
Het recht op TADD geldt niet voor een tijdelijke aanstelling in volgende situaties:

- Uitbreiding van TADD bij langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen

Een personeelslid dat de goedkeuring heeft gekregen om een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen op te nemen, kan geen uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling krijgen vergeleken met de toestand aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen. Dit principe geldt eveneens voor een personeelslid dat met langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen is en het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur (TADD) heeft of tijdens zijn langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen het recht op TADD vergaart. Dit personeelslid kan dit recht op TADD slechts inroepen voor een tijdelijke aanstelling die beperkt is tot het volume van zijn tijdelijke aanstelling aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.
Meer informatie over dit verlof vindt u in de omzendbrief PERS/2007/07 van 21-09-2007- Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

- Tijdelijke aanstelling via verlof TAO

Een vastbenoemd personeelslid kan niet voor doorlopende duur worden aangesteld in de opdracht die hij via het verlof TAO (tijdelijk andere opdracht) in een wervingsambt uitoefent. Het personeelslid verwerft wel dienstanciënniteit in het ambt dat hij op deze wijze tijdelijk uitoefent. Het vastbenoemde personeelslid kan de dienstanciënniteit die hij via het verlof TAO heeft opgebouwd ook aanwenden om in het desbetreffende ambt het recht op TADD in te roepen. Het vastbenoemde personeelslid kan het recht op TADD enkel effectief uitoefenen als hij op het ogenblik dat hem een betrekking wordt aangeboden, bij zijn centrumbestuur een afwezigheid voor verminderde prestaties (AVP) vraagt en krijgt. Op deze wijze oefent het personeelslid zijn recht op TADD uit als een ‘zuiver’ tijdelijk personeelslid.
Men mag in deze niet uit het oog verliezen dat het nemen van een AVP geen recht is. Het is dus mogelijk dat het personeelslid zijn recht op TADD niet kan uitoefenen als zijn centrumbestuur de AVP niet toestaat.

Het recht geldt in alle centra van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) waar het personeelslid zijn dienstanciënniteit heeft verworven.

6.2.3. Overgangsmaatregelen TADD

Voor tijdelijke personeelsleden die aan bepaalde voorwaarden voldoen, gelden de nieuwe voorwaarden voor TADD niet. Zij kunnen beroep doen op een specifieke overgangsmaatregel.

Het gaat om volgende groepen:

  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 720 dagen dienstanciënniteit verworven gespreid over minstens 3 schooljaren (categorie 1 – punt 6.2.3.1);
  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens twee schooljaren minstens 580 dagen en maximum 719 dagen dienstanciënniteit verworven (categorie 2 – punt 6.2.3.2);
  • het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2020 minstens 720 dagen dienstanciënniteit verworven gespreid over minstens 3 schooljaren (categorie 3 – punt 6.2.3.3).

Opgelet !

Voor een personeelslid geldt in principe slechts één overgangsmaatregel.
Bij de kandidaatstelling voor het recht op TADD zal duidelijk zijn welke overgangsmaatregel van toepassing is voor het personeelslid.

6.2.3.1. Categorie 1: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 720 dagen dienstanciënniteit gespreid over minstens drie schooljaren

6.2.3.1.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens drie schooljaren in het ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer centra van dezelfde scholengroep, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 6.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2019 kandidaat heeft gesteld bij de raad van bestuur van de scholengroep, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt vanaf 1 september 2019 het recht op TADD in de centra van de scholengroep.

Heeft een tijdelijk personeelslid dat aan deze voorwaarden voldoet zich echter voor 15 juni 2019 niet kandidaat gesteld of heeft het personeelslid tijdens het schooljaar 2019-2020 geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gekregen, dan kan dit personeelslid zich voor 15 juni 2020 of later nog steeds kandidaat stellen onder de voorwaarden van deze overgangsmaatregel om zo op of na 1 september 2020 het recht op TADD te behouden of te verwerven.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 6.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

6.2.3.1.2. In het gesubsidieerd onderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2019 gespreid over minstens drie schooljaren in het ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in een of meer centra van hetzelfde centrumbestuur, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 6.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2019 kandidaat heeft gesteld bij het centrumbestuur, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2019 in de centra van het centrumbestuur.

Heeft een tijdelijk personeelslid dat aan deze voorwaarden voldoet zich echter voor 15 juni 2019 niet kandidaat gesteld of heeft het personeelslid tijdens het schooljaar 2019-2020 geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gekregen, dan kan dit personeelslid zich voor 15 juni 2020 of later nog steeds kandidaat stellen onder de voorwaarden van deze overgangsmaatregel om zo op of na 1 september 2020 het recht op TADD te behouden of te verwerven.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 6.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

6.2.3.2. Categorie 2: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2019 minstens 580 dagen en maximum 719 dagen gespreid over minstens twee schooljaren

6.2.3.2.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor een tijdelijk personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 tijdelijk aangesteld wordt in het betrokken ambt in een of meer centra van dezelfde scholengroep;
  • uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt in een of meer centra van dezelfde scholengroep gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven heeft van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn;
  • voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld (ten vroegste 30 juni 2020) geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 6.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 400 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 140 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt vanaf 1 september 2020 het recht op TADD in alle centra van de scholengroep.

Deze overgangsmaatregel blijft ook van kracht voor elk personeelslid dat in de toekomst opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet.

6.2.3.2.2. In het gesubsidieerd onderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor een tijdelijk personeelslid dat:

  • op of na 1 september 2019 tijdelijk aangesteld wordt in het betrokken ambt in een of meer centra van hetzelfde centrumbestuur;
  • uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt in een of meer centra van hetzelfde centrumbestuur gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven heeft van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn;
  • voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten heeft gekregen van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld (ten vroegste 30 juni 2020) geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 6.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 400 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 140 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt het recht op TADD vanaf 1 september 2020 in alle centra van het centrumbestuur.

Deze overgangsmaatregel blijft ook van kracht voor elk personeelslid dat in de toekomst opnieuw in dienst komt en op 30 juni 2019 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet.

6.2.3.3. Categorie 3: Het tijdelijke personeelslid heeft uiterlijk op 30 juni 2020 minstens 720 dagen dienstanciënniteit gespreid over minstens drie schooljaren

6.2.3.3.1. In het gemeenschapsonderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt in een of meer centra van dezelfde scholengroep aangesteld is;
  • uiterlijk op 30 juni 2020 gespreid over minstens drie schooljaren in een of meer centra van dezelfde scholengroep in het betrokken ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 6.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat heeft gesteld bij de raad van bestuur van de scholengroep, dan verwerft hij voor het betrokken wervingsambt vanaf 1 september 2020 het recht op TADD in alle centra van de scholengroep.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 6.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

Deze overgangsmaatregel blijft ook na 1 september 2020 van toepassing zodat het tijdelijke personeelslid dat op 30 juni 2020 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet, zich in de loop van de volgende schooljaren op deze maatregel kan beroepen.

6.2.3.3.2. In het gesubsidieerd onderwijs

Deze overgangsmaatregel geldt voor het tijdelijke personeelslid dat:

  • tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt in een of meer centra van hetzelfde centrumbestuur aangesteld is;
  • uiterlijk op 30 juni 2020 gespreid over minstens drie schooljaren in een of meer centra van hetzelfde centrumbestuur in het betrokken ambt minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 dagen effectief zijn gepresteerd.

De berekening van de dienstanciënniteit geldt volgens de principes vermeld in punt 6.2.1.1. Daarbij komen voor de vaststelling van de 600 effectief te presteren dagen de volgende periodes voor een maximum van 210 dagen in aanmerking:

  • het zwangerschapsverlof;
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte;
  • de periode van moederschapsbescherming.

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode van het personeelslid vallen.

Als het personeelslid aan deze voorwaarden voldoet en zich voor 15 juni 2020 kandidaat stelt, verwerft hij voor het betrokken wervingsambt vanaf 1 september 2020 het recht op TADD in de centra van het centrumbestuur.

Voor deze categorie personeelsleden gelden de nieuwe voorwaarden (punt 6.2.1) dus niet bij een nieuwe aanstelling na 1 september 2019.

Deze overgangsmaatregel blijft ook na 1 september 2020 van toepassing zodat het tijdelijke personeelslid dat op 30 juni 2020 aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet, zich in de loop van de volgende schooljaren op deze maatregel kan beroepen.

6.2.4. Verlies van het recht op TADD

Bepaalde omstandigheden in de loop van de onderwijsloopbaan kunnen ertoe leiden dat een tijdelijk personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur verliest. Dit verlies kan tijdelijk zijn, maar kan ook definitief zijn.

Bij tijdelijk verlies van het recht op TADD verliest het personeelslid het recht op TADD voor de duur van een schooljaar of kan hij voor een bepaalde periode het recht op een uitbreiding van zijn TADD verliezen.

Bij definitief verlies van het recht op TADD moet het personeelslid het recht op TADD opnieuw opbouwen en dus opnieuw de vereiste dienstanciënniteit verwerven.

In volgende situaties verliest een personeelslid het recht op TADD dat hij in een ambt heeft verworven.

1. Het personeelslid heeft vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten gepresteerd in de centra van hetzelfde centrumbestuur

Het personeelslid dat zijn recht op TADD heeft verworven in een centrum van een centrumbestuur verliest dat recht op TADD als hij gedurende vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de centra van het centrumbestuur.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid heeft in een centrum van een centrumbestuur het recht op TADD opgebouwd, maar neemt op 1 september daaropvolgend geen TADD-aanstelling op in het centrum.

Gedurende de schooljaren X+1 tot en met het schooljaar X+5 levert het personeelslid geen enkele prestatie in een of meer centra van het centrumbestuur. Het personeelslid stelt zich in juni van het schooljaar x+5 kandidaat voor een tijdelijke aanstelling in een centrum van het centrumbestuur. Het personeelslid kan op of na 1 september van het schooljaar X+5 echter alleen als TABD worden aangesteld. Het personeelslid heeft immers geen recht meer op TADD omdat het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de centra van het centrumbestuur.

Voor een tijdelijk personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven en dat op het ogenblik van de aanvang van de afwezigheid reeds een TADD-aanstelling heeft, geldt deze bepaling niet. Dit betekent dat het personeelslid ook na een afwezigheid van vijf opeenvolgende schooljaren zijn TADD-aanstelling behoudt en deze weer kan opnemen, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was ondertussen volgens de geldende regelgeving aan een ander personeelslid moest worden toegewezen.

Voorbeeld

Een tijdelijk personeelslid heeft in een centrumbestuur het recht op TADD opgebouwd en krijgt op 1 september een TADD-aanstelling in een betrekking in een centrum van het centrumbestuur.

Het volgende schooljaar (X+1) behoudt het personeelslid in de betrekking zijn TADD-aanstelling, maar hij vraagt en krijgt op 1 september X+1 een AVP. Deze AVP wordt ook gedurende de schooljaren X+2 tot en met X+5 aangevraagd en toegekend. Tijdens deze periode van AVP oefent het personeelslid in centra van het centrumbestuur geen enkele prestatie uit, maar hij behoudt wel de TADD-aanstelling in het centrum waar hij AVP neemt.

Op 31 augustus van schooljaar X+5 eindigt de AVP en op 1 september daaropvolgend neemt het personeelslid zijn betrekking in het centrum weer op.

Het personeelslid neemt op 1 september van schooljaar X+6 zijn betrekking weer op als TADD’er. Het personeelslid heeft weliswaar 5 opeenvolgende schooljaren geen prestaties verricht in het centrumbestuur, maar doordat hij effectief een TADD-aanstelling had op het ogenblik dat zijn afwezigheid startte, verliest hij na de afwezigheid van 5 opeenvolgende schooljaren zijn TADD-aanstelling niet. De TADD-aanstelling is immers gedurende de afwezigheid verder blijven lopen omdat het personeelslid aangesteld bleef in de betrekking in kwestie.

Het verlies van TADD houdt in dat het personeelslid niet onmiddellijk het recht op TADD kan inroepen bij een nieuwe tijdelijke aanstelling. Dit houdt echter niet in dat het personeelslid zijn eerder verworven dienstanciënniteit niet meer kan aanwenden om het recht op TADD opnieuw te verwerven.

Het personeelslid kan zich na deze periode van 5 schooljaren voor 15 juni weer kandidaat stellen voor het recht op TADD het daaropvolgende schooljaar op basis van de eerder verworven dienstanciënniteit.

2. Het tijdelijke personeelslid stelt zich niet tijdig kandidaat

Een tijdelijk personeelslid dat niet voor 15 juni kandideert voor het recht op TADD in een ambt, kan het daaropvolgende schooljaar geen recht op TADD inroepen voor dat ambt.

Het tijdelijke personeelslid verliest op deze wijze het recht op TADD voor dat ambt voor de duur van een schooljaar. Dit geldt enkel als het personeelslid nog geen TADD-aanstelling heeft gekregen voor het ambt in kwestie, vermits een TADD-aanstelling geldt als een permanente kandidaatstelling (zie punt 6.2.1.3).

3. Het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, krijgt een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende

Een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld en in een centrum voor een welbepaald ambt een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” krijgt, kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in dat centrum en voor het ambt in kwestie.

Meer informatie over evaluatie vindt u in de omzendbrief PERS/2007/09 van 29-10-2007 - Functiebeschrijving en evaluatie.

4. Het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, wordt door zijn centrumbestuur ontslagen

Een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld en dat door zijn centrumbestuur wordt ontslagen als gevolg van een tuchtmaatregel of na twee of drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”, verliest zijn recht op TADD.

Meer informatie hierover vindt u in punt 6.2.6.2.

6.2.5. Administratieve en geldelijke toestand

6.2.5.1. Administratieve toestand

Net als bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur moet het centrumbestuur ook de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van een personeelslid schriftelijk vastleggen.

Meer informatie hierover vindt u in punt 6.1.3.1.

6.2.5.2. Geldelijke toestand

Net als bij een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur krijgt een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld, zowel in een vacante als in een niet-vacante betrekking, voor de duur van zijn aanstelling maandelijks een salaris.

Meer informatie hierover vindt u in punt 6.1.3.2.

6.2.5.3. Ziekteverlof

Het tijdelijke personeelslid dat is aangesteld voor doorlopende duur heeft tijdens een afwezigheid wegens ziekte binnen de periode van zijn aanstelling onder bepaalde voorwaarden recht op bezoldigd ziekteverlof.

Deze voorwaarden en de berekeningswijze van het recht op het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof vindt u terug in de omzendbrief - Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding – PERS/2007/07 van 21-09-2007 (punt 2.2).

De tijdelijke aanstelling voor doorlopend duur loopt in principe over de schooljaren heen. Voor een tijdelijk personeelslid met recht op TADD is er in principe dan ook geen nieuwe aanstelling nodig op 1 september van het daaropvolgend schooljaar. In dat geval wordt het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur aangesteld blijft ook beschouwd als zijnde effectief in dienst op deze datum. Dit betekent dat een tijdelijk personeelslid dat op 1 september voor doorlopende duur aangesteld blijft en op 1 september ziek wordt effectief door AHOVOKS wordt bezoldigd, tenzij zijn recht op bezoldigd ziekteverlof is uitgeput. Bij uitputting van het recht op bezoldigd ziekteverlof zal het ziekenfonds instaan voor de bezoldiging.

Voorbeeld

Een personeelslid wordt tijdens het schooljaar 20XX-20YY aangesteld in een definitief vacante betrekking (ato 2) als tijdelijk aangesteld personeelslid van doorlopende duur. Het personeelslid wordt ziek op 1 september 20YY (volgend schooljaar). Dit ziekteverlof wordt bezoldigd op voorwaarde dat er nog genoeg recht op bezoldigd ziekteverlof aanwezig is.

Het personeelslid wordt immers geacht te voldoen aan de voorwaarde om zijn dienst effectief te hebben opgenomen.

Als het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op het einde van het schooljaar door het centrumbestuur, schriftelijk en gemotiveerd, uit dienst werd gemeld en het personeelslid komt het volgende schooljaar op 1 september opnieuw in dienst bij hetzelfde centrumbestuur dan gelden ook hier voormelde regels.

Als het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op het einde van het schooljaar door het centrumbestuur, schriftelijk en gemotiveerd, uit dienst werd gemeld en het personeelslid komt het volgende schooljaar niet opnieuw in dienst op 1 september, dan gelden de regels voor een gewone tijdelijke aanstelling. Wordt het tijdelijke personeelslid pas in de loop van het schooljaar voor doorlopende duur aangesteld en is hij onmiddellijk afwezig wegens ziekte, dan wordt hij niet door de overheid bezoldigd, maar valt hij onmiddellijk ten laste van het ziekenfonds.

Voorbeeld

Een personeelslid was tijdens het schooljaar 20XX-20YY aangesteld in een niet-vacante betrekking (ato 1) als TADD. Het personeelslid wordt op 30-06-20YY uit dienst gemeld. Op 1 november 20YY wordt het personeelslid opnieuw aangesteld voor doorlopende duur in een vacante betrekking (ato 2). Het personeelslid wordt echter onmiddellijk ziek. Dit ziekteverlof wordt niet bezoldigd.

6.2.6. Einde van de tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur

De aanstelling van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur kan worden beëindigd door een ontslag dat uitgaat van het centrumbestuur of via een vrijwillig ontslag van het personeelslid zelf.

Daarnaast zijn er een aantal situaties – die vastgelegd zijn in de decreten rechtspositie – die automatisch een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. We spreken in dat geval niet over een ontslag, maar over een beëindiging van de tijdelijke aanstelling van rechtswege.

6.2.6.1. Einde van de tijdelijke aanstelling van rechtswege

De decreten rechtspositie bepalen dat er onder bepaalde omstandigheden van rechtswege een einde komt aan de tijdelijke aanstelling van een personeelslid.

Dit houdt in dat er onmiddellijk een einde aan de aanstelling komt en er geen opzegtermijn is voor het personeelslid.

Aandacht
Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur eindigt niet van rechtswege op het einde van het schooljaar, maar loopt in principe door over de schooljaren heen.

Een tijdelijk personeelslid dat op het einde van het schooljaar voor doorlopende duur is aangesteld in een betrekking die op 1 september ongewijzigd behouden blijft, kan op 1 september niet worden verdrongen door een ander tijdelijk personeelslid, ook niet als dit tijdelijke personeelslid het recht op TADD heeft. Door het feit dat er een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is die over de schooljaren heen loopt, ontstaat op 1 september immers geen vacature die aan een ander tijdelijk personeelslid kan worden aangeboden.

Volgende redenen leiden onmiddellijk tot een einde van de tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur.

1. De terugkeer van de titularis van de betrekking

Als de titularis van de betrekking terugkeert uit zijn afwezigheid komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid dat in die betrekking als vervanger is aangesteld.

2. De betrekking wordt aan een ander personeelslid toegewezen

- omwille van de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling

Als het centrumbestuur in het kader van de verplichtingen betreffende reaffectatie of wedertewerkstelling de betrekking moet toekennen aan een vastbenoemd personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

- door toewijzing van een affectatie, een mutatie of een vaste benoeming van een ander personeelslid

Als het centrumbestuur een vastbenoemd personeelslid in de betrekking muteert

of affecteert, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Als het centrumbestuur op 1 januari een ander personeelslid in de betrekking vast benoemt, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

3. Het tijdelijke personeelslid wordt zelf vast benoemd

Als het centrumbestuur het tijdelijke personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld op 1 januari een vaste benoeming toekent, eindigt zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor het volume waarvoor hij vast benoemd wordt.

4. De betrekking kan niet langer gefinancierd of gesubsidieerd worden

Als de betrekking niet meer financierbaar of subsidieerbaar is, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

5. Het personeelslid voldoet niet (meer) aan de aanstellingsvoorwaarden

Als na de aanstelling van het tijdelijke personeelslid blijkt dat hij niet (meer) voldoet aan een of meer van de aanstellingsvoorwaarden, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Voorbeeld

Het personeelslid wordt strafrechtelijk veroordeeld en deze veroordeling leidt tot het tijdelijke of definitief verlies van zijn burgerlijke en politieke rechten. Dit personeelslid voldoet vanaf dat ogenblik niet meer aan de aanstellingsvoorwaarde die stelt dat hij de burgerlijke en politiek rechten moet genieten.

6. Bij het bereiken van de leeftijdsgrens

Als het tijdelijke personeelslid de leeftijdsgrens bereikt die leidt tot pensionering, komt er op het einde van dat schooljaar een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

Op deze regel geldt een uitzondering, zodat een personeelslid ook na het bereiken van de leeftijdsgrens een tijdelijke aanstelling kan behouden.

Meer informatie over deze maatregelen vindt u in de omzendbrief Langer werken dan 65 jaar (PERS/2012/05 van 30-07-2012).

7. Bij de definitieve pensionering van het personeelslid

Op het ogenblik dat het tijdelijke personeelslid met pensioen gaat, komt er een einde aan de aanstelling van het tijdelijke personeelslid in die betrekking.

6.2.6.2. Einde van de tijdelijke aanstelling door ontslag

Voor het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur gelden dezelfde ontslagmogelijkheden als voor vastbenoemde personeelsleden.

Dit betekent dat een centrumbestuur een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld niet kan ontslaan met een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen en ook niet kan ontslaan wegens dringende redenen.

De redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor doorlopende duur zijn:

  • als gevolg van een tuchtmaatregel van zijn centrumbestuur;
  • na twee of drie definitieve evaluaties met eindconclusies “onvoldoende”;
  • wegens vrijwillig ontslag;
  • wegens definitieve ambtsneerlegging.

1. Ontslag of afzetting omwille van een tuchtmaatregel

Een centrumbestuur kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur ontslaan of afzetten bij wijze van tuchtmaatregel.

Deze tuchtmaatregel volgt uit een tuchtprocedure die door het centrumbestuur wordt opgestart.

U vindt meer informatie over de tuchtregeling voor het gemeenschapsonderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 60bis en volgende) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 63bis en volgende).

Het ontslag of de afzetting bij tuchtmaatregel gaat niet gepaard met een opzeggingstermijn voor het tijdelijke personeelslid.

Een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en dat door zijn centrumbestuur als gevolg van een tuchtmaatregel wordt ontslagen uit zijn ambt, kan voor dat ambt geen beroep meer doen op de diensten die hij voor dat ontslag heeft verworven.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD in de centra van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs).

Aandacht
Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in een centrum van het centrumbestuur waar hij eerder werd ontslagen of afgezet omwille van een tuchtmaatregel, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen om het recht op TADD te verkrijgen.

2. Ontslag na twee of drie evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”

Een centrumbestuur moet een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur ontslaan als het in een centrum voor een bepaald ambt ofwel twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen, ofwel drie definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in zijn loopbaan. Het ontslag geldt voor het ambt in het centrum waarop de evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" betrekking hebben.

Het centrumbestuur deelt het ontslag aan het personeelslid mee via een aangetekende brief of via een gerechtsdeurwaarderexploot.

Als het centrumbestuur het ontslag via aangetekende brief meedeelt, heeft het ontslag uitwerking op de derde werkdag na verzending van de brief.

Een ontslag dat bij gerechtsdeurwaarderexploot wordt meegedeeld, heeft onmiddellijke uitwerking.

Dit ontslag gaat niet gepaard met een opzeggingstermijn voor het tijdelijke personeelslid.

Een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur en ontslagen wordt na twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” of na of drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” gedurende de ganse loopbaan, verliest het recht op TADD in het centrum en voor het ambt waar het ontslag op slaat.

Het personeelslid kan daarenboven voor het recht op TADD in dat ambt ook geen beroep meer doen op de diensten die hij voor dat ontslag heeft verworven in het centrum waar hij is ontslagen.

De dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in het centrum waar het ontslag op slaat heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Het personeelslid kan in het centrum waar hij werd ontslagen het recht op TADD ook niet inroepen via dienstanciënniteit die hij in andere centra van het centrumbestuur heeft gepresteerd.

Aandacht

1. Het ontslag heeft enkel gevolgen t.a.v. het ambt en het centrum waar het personeelslid wordt ontslagen. Het ontslag heeft dus geen invloed op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in andere centra van het centrumbestuur.
Het personeelslid behoudt na dit ontslag wel de dienstanciënniteit die hij eventueel heeft verworven in andere centra van het centrumbestuur en hij kan die aanwenden om in die andere centra het recht op TADD in te roepen, maar niet in het centrum waar hij werd ontslagen.


2. Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in het centrum waar het eerder werd ontslagen na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” in het desbetreffende ambt, kan hij voor dat ambt opnieuw een beroep doen op alle eerder gepresteerde diensten. Het ontslag wordt dan t.a.v. de eerder gepresteerde diensten als niet bestaande beschouwd.

Meer informatie over het evaluatiesysteem vindt u in de omzendbrief PERS/2007/09 van 29-10-2007 - Functiebeschrijving en evaluatie.

3. Vrijwillig ontslag door het tijdelijke personeelslid

Het tijdelijke personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur kan zelf vrijwillig ontslag nemen.

Bij dit ontslag hoort een opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen.

Het personeelslid meldt dit ontslag schriftelijk aan zijn directeur (gemeenschapsonderwijs) of aan zijn centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) en vermeldt daarin het begin en de duur van de opzeggingstermijn. De directeur (gemeenschapsonderwijs) of het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) neemt kennis van dit ontslag door een duplicaat van deze melding te ondertekenen. Het personeelslid kan zijn ontslag ook via aangetekende brief, die uitwerking heeft op de derde werkdag na verzending, of via een gerechtsdeurwaardersexploot meedelen.

De opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen kan in onderling overleg tussen het personeelslid en de directeur (gemeenschapsonderwijs) of het centrumbestuur (gesubsidieerd onderwijs) ingekort worden. Die instemming blijkt uit een geschrift dat de effectieve datum van de stopzetting van de opdracht vermeldt en dat beide partijen ondertekenen.

Een vrijwillig ontslag heeft geen impact op het recht op TADD dat het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het ambt bij het centrumbestuur. Als het tijdelijke personeelslid later weer in dienst wordt genomen, geldt het recht op TADD mits het personeelslid zich tijdig kandidaat heeft gesteld (zie punt 6.2.1.3).

4. Definitieve ambtsneerlegging

Naast de hiervoor opgesomde mogelijkheden zijn er nog redenen die leiden tot een ontslag van een tijdelijk personeelslid zonder opzeggingstermijn in de vorm van een definitieve ambtsneerlegging.

U vindt die mogelijkheden voor het gemeenschapsonderwijs terug in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (artikel 86) en voor het gesubsidieerd onderwijs in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (artikel 60).

6.2.7. Behoud van verworven rechten bij overheveling van een vestigingsplaats of bij overname van een centrum door een ander centrumbestuur

Als de vestigingsplaats waar het tijdelijke personeelslid een opdracht uitoefent, overgeheveld wordt naar een centrum van een ander centrumbestuur kan het tijdelijke personeelslid bij overstap naar het andere centrumbestuur onder bepaalde voorwaarden de rechten behouden die hij tot dan heeft verworven bij dat centrumbestuur.

Als het centrum waar het tijdelijke personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, overgenomen wordt door een ander centrumbestuur behoudt het tijdelijke personeelslid de rechten die hij tot dan heeft verworven bij dat centrum.

6.2.7.1. Overheveling van een vestigingsplaats

Bij de overheveling van een vestigingsplaats naar een centrum van een ander centrumbestuur stellen de betrokken centrumbesturen een schriftelijke overeenkomst op.

Deze overeenkomst houdt minstens rekening met:

1° de personeelsleden die in de vestigingsplaats tewerkgesteld zijn in het schooljaar voorafgaand aan de overheveling, en met de omvang van die tewerkstelling;

2° de omvang van de omkadering die met de overheveling gepaard gaat, als er beslist wordt om omkadering over te hevelen.

Als de betrokken centrumbesturen in de overeenkomst opnemen dat er personeelsleden worden overgenomen bij de overheveling van de vestigingsplaats, gaan deze personeelsleden – op voorwaarde dat ze daar zelf voor kiezen - over naar het centrumbestuur dat de vestigingsplaats overneemt. Het tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld en dat vrijwillig kiest voor dergelijke overstap wordt tijdelijk personeelslid van het centrumbestuur dat de vestigingsplaats overneemt ten belope van de opdracht waarvoor hij bij zijn vorige centrumbestuur was aangesteld. Het personeelslid behoudt daarbij zijn tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in de vestigingsplaats die wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het centrumbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

Als een scholengroep een vestigingsplaats van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid heeft verworven in het gesubsidieerd onderwijs beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die de vestigingsplaats overneemt.

Als een centrumbestuur een vestigingsplaats van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het centrumbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

Het tijdelijke personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven bij de scholengroep of bij het centrumbestuur waarvan de vestigingsplaats wordt overgenomen, behoudt dit recht op TADD in de scholengroep of bij het centrumbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het centrumbestuur dat de vestigingsplaats overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het centrumbestuur dat de vestigingsplaats overneemt.

6.2.7.2. Overname van een centrum in het gemeenschapsonderwijs

Bij de overname van een centrum door een andere scholengroep gaan de tijdelijke personeelsleden die voor doorlopende duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van het centrum dat wordt overgenomen, als tijdelijk personeelslid met behoud van hun aanstelling voor doorlopende duur over naar de scholengroep die het centrum overneemt.

Als de overname een centrum van het gesubsidieerd onderwijs betreft, gaan de tijdelijke personeelsleden enkel over naar het gemeenschapsonderwijs als ze hier zelf om verzoeken.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in het centrum dat wordt overgenomen, worden beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij de scholengroep die het centrum overneemt.

Als een scholengroep een centrum van het gesubsidieerd onderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gesubsidieerd onderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs en bij de scholengroep die het centrum overneemt.

Het tijdelijke personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven in het centrum dat wordt overgenomen, behoudt dit recht op TADD in de scholengroep die het centrum overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep of bij het centrumbestuur dat het centrum overlaat, geldt bij de raad van bestuur van de scholengroep die het centrum overneemt.

6.2.7.3. Overname van een centrum in het gesubsidieerd onderwijs

Bij de overname van een centrum door een ander centrumbestuur gaan de tijdelijke personeelsleden die voor doorlopende duur aangesteld zijn en in dienst zijn op de laatste effectieve lesdag van het centrum dat wordt overgenomen, als tijdelijk personeelslid met behoud van hun aanstelling van doorlopende duur over naar het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Als het centrum dat overgenomen wordt tot een ander net behoort dan datgene waartoe het na de overname zal behoren, kan een tijdelijk personeelslid weigeren om over te stappen naar het andere centrumbestuur.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft gepresteerd in een ambt in het centrum dat wordt overgenomen, wordt beschouwd als gepresteerd in hetzelfde ambt bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Als een centrumbestuur een centrum van het gemeenschapsonderwijs overneemt, dan wordt de dienstanciënniteit die het tijdelijke personeelslid in het gemeenschapsonderwijs heeft verworven beschouwd als gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs en bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Het tijdelijke personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven in het centrum dat wordt overgenomen, behoudt dit recht op TADD bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die al is ingediend bij het centrumbestuur dat het centrum overlaat, geldt bij het centrumbestuur dat het centrum overneemt.

6.2.8. Mededeling van een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur aan het werkstation

Bij de melding van de opdracht van het tijdelijke personeelslid met een RL-1 aan het werkstation duidt u aan dat het om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gaat.

Als het om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking gaat, krijgt de opdracht oneindig (31.12.2999) als einddatum.

Als het een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een niet-vacante betrekking betreft, eindigt de opdracht uiterlijk de laatste dag van de dienstonderbreking van de titularis.

Voorbeelden

TADD in een vacante betrekking

Een leraar SVWO krijgt vanaf 1 september een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking voor 24/24.

RL-1 leraar SVWO Ato 2 voor 24/24 met als begindatum van de opdracht 1-9-20XX en als einddatum oneindig (31-12-2999). De tijdelijke opdracht wordt aangeduid als TADD-opdracht (waarde 01 in veld 30).

TADD in een niet-vacante betrekking

Een voltijds vastbenoemde leraar SVWO (20/20) neemt een voltijdse VVP van 1-9-20XX tot en met 31-8-20YY.

In de niet-vacante betrekking van de vastbenoemde titularis wordt als vervanger een tijdelijk personeelslid aangesteld dat recht heeft op TADD.

De vervanger wordt als volgt doorgegeven:

RL-1 leraar SVWO Ato 1 voor 20/20 met als begindatum van de opdracht 1-9-20XX en als einddatum 31-8-20YY ter vervanging van het personeelslid met VVP. De tijdelijke opdracht wordt aangeduid als TADD-opdracht (waarde 01 in veld 30).